Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: Heidenskipsterdyk 40a
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.1900.2015zuidBPhskdk40a-vast

Toelichting

1 Inleiding

1.1 Algemeen

De initiatiefnemer is voornemens een vrijstaande bedrijfswoning en een kapschuur op het perceel aan de Heidenskipsterdyk 40a te It Heidenskip te realiseren. Ten behoeve van deze planontwikkeling is een bestemmingsplanwijziging noodzakelijk. Het nieuwe bestemmingsplan vervangt het vigerend bestemmingsplan ‘Bestemmingsplan It Heidenskip - Heidenskipsterdyk 40A’, vastgesteld 30 juni 2009.

1.2 Ligging

Het plangebied ligt nabij het Friese buurtschap ‘It Heidenskip’ aan de Heidenskipsterdyk 40a. It Heidenskip is een klein buurtschap in Zuidwest Friesland, gelegen hemelsbreed 15 kilometer ten zuidwesten van Sneek. Op onderstaande afbeelding is het plangebied rood omcirkeld.
 
Figuur 1: ligging plangebied (bron: Google Earth)
 
Op figuur 2 is een luchtfoto van het plangebied weergegeven. In de noordoosthoek van het plangebied is een stelpboerderij aanwezig. Recentelijk is aan de zuidzijde van het perceel een nieuwe schuur gerealiseerd. De middelste schuur, een voormalige ligboxstal, is inmiddels gesloopt. De bomenrij aan de oostzijde van het perceel is inmiddels vanwege waterschapsbelang gekapt.
 
Figuur 2: luchtfoto plangebied (bron: Risicokaart.nl)
 
Op het perceel is het Loonbedrijf Gebr. Buma BV gevestigd. In de meest recent gerealiseerde schuur is aan de zuidzijde een machinewerkplaats ten behoeve van het loon- en grondverzetbedrijf gevestigd. De huidige bestemming van het plangebied is ‘Bedrijf - Agrarisch loonbedrijf’ en heeft een oppervlakte van circa 1.2ha. 
 
Op figuur 3 is het plangebied weergegeven, gezien vanaf de Heidenskipsterdyk. Deze foto is gedateerd, de oude ligboxstal is nog zichtbaar en de nieuwe schuur is nog niet gerealiseerd. Tevens is de bomensingel langs de watergang ten oosten van het plangebied nog aanwezig. Op figuur 4 is de huidige situatie van het plangebied zichtbaar.
 
Figuur 3: oude situatie plangebied gezien vanaf de Heidenskipsterdyk (bron: Google Streetview)
   
Figuur 4: huidige situatie plangebied (bron: Zeldenrust VROM-Advies)
 

1.3 Vigerende bestemmingsplan

Het huidige bestemmingsplan "Bestemmingsplan It Heidenskip - Heidenskipsterdyk 40A", vastgesteld op 30 juni 2009, is opgesteld om de onlangs gerealiseerde schuur in het westen van het plangebied mogelijk te maken. Het perceel kent twee bestemmingen, namelijk 'Agrarisch - Cultuurgrond' en ter plekke van het bouwvlak 'Bedrijf - Agrarisch loonbedrijf'.
 
Figuur 5: huidige verbeelding (bron: vigerend Bestemmingsplan Heidenskipsterdyk 40a)
 
   

2 Planbeschrijving

2.1 Ontwikkelingen

Op 18 juli 2011 is namens Loonbedrijf Gebr. Buma BV een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend. De aanvraag had betrekking op de nieuwbouw van een bedrijfswoning. Dit bouwplan maakt deel uit van een bredere visie die de ondernemers hebben voor hun bedrijfslocatie. Naast de nieuwbouw van een bedrijfswoning zijn de initiatiefnemers voornemens een kapschuur te realiseren, een groensingel aan te planten, en op termijn de bestaande stelpboerderij te slopen. De nieuwbouwplannen komen voort uit bedrijfseconomische overwegingen.
 
In onderstaande schets zijn de voorziene ontwikkelingen in beeld gebracht. De vorm en afmetingen van de woning zijn indicatief. De groene streep geeft de aan te leggen beplantingsstrook aan, om de landschappelijke inpassing van het perceel te waarborgen. Voorheen was hier een bomenrij aanwezig, deze is vanwege waterschapsbelang is gekapt; aan de oostzijde van het perceel loopt een hoofdwatergang. Ten behoeve van onderhoud hiervan wordt in het nieuwe plan een strook van 5meter langs deze watergang vrijgehouden. De noord- en westzijde van het perceel worden met een bomenrij landschappelijk ingepast.
 
Figuur 6: nieuwbouw bedrijfswoning en kapschuur (bron: Architectenburo Haarsma)
 
  
Op onderstaande afbeelding is het vigerend bestemmingsplan geprojecteerd op de huidige situatie. De bedrijfswoning en de kapschuur worden gerealiseerd binnen het huidige bouwvlak met bestemming 'Bedrijf - Agrarisch loonbedrijf'.
 
Figuur 7: huidige verbeelding op de luchtfoto (bron: Risicokaart.nl en vigerend bestemmingsplan ‘Bestemmingsplan It Heidenskip - Heidenskipsterdyk 40A’, 30 juni 2009)

2.2 Verantwoording bestemmingskeuze

Het plangebied heeft twee bestemmingen 'Agrarisch - Cultuurgrond' en 'Bedrijf - Agrarisch loonbedrijf. De bestemming ‘Agrarische cultuurgrond’ is er op gericht de cultuurgrond en groenvoorziening in stand te houden al dan niet te versterken. Binnen de bestemming ‘Bedrijf – Agrarisch loonbedrijf’ is een agrarisch loonbedrijf toegestaan. In een Agrarisch loonbedrijf wordt arbeid verricht ter productie of levering van goederen of diensten ten behoeve van agrarische bedrijven. Levering van, enkel aan de bestemming ‘Bedrijf - Agrarisch loonbedrijf’ gerelateerde producten aan derden, is hierbij toegestaan.
 
In de huidige situatie is binnen de bestemming 'Bedrijf - Agrarisch loonbedrijf' één bedrijfswoning toegestaan.
De huidige bedrijfswoning, die onderdeel uitmaakt van de stelpboerderij, is op dit moment onbewoond en wordt als opslagruimte ten behoeve van het loon- en grondverzetbedrijf gebruikt. De woning is in dermate slechte bouwkundige staat dat opknappen geen optie is. De eigenaren zijn voornemens de stelpboerderij en daarmee de bedrijfswoning op termijn te slopen.
 
Om de nieuw te realiseren bedrijfswoning mogelijk te maken, zal de reeds aanwezige bedrijfswoning uit zijn functie moeten worden ontheven. Dit gebeurt door op de verbeelding een functieaanduiding 'bedrijfswoning' op te nemen, ter plekke van de te realiseren bedrijfswoning. Op deze manier wordt een tweede bedrijfswoning niet toegestaan. Door de nieuwe woning op een andere plek binnen het huidige bouwvlak te realiseren vindt feitelijk een verplaatsing van de bedrijfswoning plaats. Omdat normaliter middels het overgangsrecht de mogelijkheid bestaat om de reeds aanwezige bedrijfswoning toch als zodanig te gebruiken, wordt dit in het artikel 8.1.4 van de regels onmogelijk gemaakt.
 
De te realiseren kapschuur past binnen het huidige bouwvlak. Door de realisatie van de kapschuur wordt het aantal vierkante meter bebouwd oppervlakte vergroot. Om de realisatie van deze kapschuur mogelijk te maken, wordt de maximaal toegestane aantal vierkante meters bebouwd oppervlak in artikel 4.2.1 van de regels, verruimd.

3 Beleid

3.1 Provinciaal beleid

Streekplan Fryslân 2007
Op 13 december 2006 is het Streekplan Fryslân 2007 'Om de kwaliteit van de romte' door Gedeputeerde Staten vastgesteld. Dit integraal-ruimtelijke beleidsplan heeft betrekking op de periode 2006 tot 2016.

Centraal in het nieuwe streekplan staat het begrip ‘ruimtelijke kwaliteit’. Hiermee bedoelt de provincie dat in ruimtelijke plannen, in ontwerpen en in de uitvoering expliciet gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde worden toegevoegd aan de omgeving. Deze drie waarden waarborgen op de langere termijn een doelmatig gebruik en herkenbaarheid van de ruimte. Het betekent ook een ruimtelijke inrichting die bijdraagt aan duurzame ontwikkeling. Bij een duurzame ontwikkeling wordt voorzien in de behoeften van de huidige generatie, zonder daarbij de behoeften van toekomstige generaties in gevaar te brengen.

De provincie wil deze doelstellingen koppelen aan een krachtige sociaaleconomische ontwikkeling in een leefbare omgeving, waarbij tegelijkertijd wordt ingezet op de instandhouding en verder ontwikkelen van aanwezige bodem-, water-, landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische kwaliteiten.

De provincie streeft naar het behoud van waardevolle gebouwen, de afbraak van beeldverstorende bebouwing en het afronden en opknappen van onsamenhangende bebouwing; dit door nieuwe vormen van wonen, werken, recreëren en verzorging in dergelijke bebouwing te stimuleren.
 
De voorziene ontwikkeling past binnen dit beleidskader.
 
Verordening Romte Fryslân
Het Streekplan Fryslan uit 2007 heeft op basis van het overgangsrecht van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de status van structuurvisie gekregen. Met de invoering van de Wro is de goedkeuringsbevoegdheid van bestemmingsplannen van de gemeente vervallen. De provincie heeft daarentegen wel de mogelijkheid gekregen om een provinciale verordening op te stellen. In 2010 heeft de Provincie Fryslan derhalve het initiatief genomen om te komen tot de Verordening Romte Fryslan. Deze verordening is vastgesteld op 15 juni 2011. Door middel van deze verordening kan de provincie haar ruimtelijke beleid verankeren. In de Verordening wordt aangegeven welke onderwerpen de provincie van provinciaal belang acht en op welke wijze de provinciale belangen moeten worden vertaald in gemeentelijke ruimtelijke plannen. Als hieraan niet wordt voldaan, zal de provincie een zienswijze indienen en eventueel een aanwijzing geven als onvoldoende aan die zienswijze tegemoet wordt gekomen.
 
Er zijn geen provinciale belangen in het geding en de plannen beperken zich tot het bestaande bestemmingsvlak.

3.2 Gemeentelijk beleid

Woningbouwprogramma 2011-2016 Sudwest Fryslân
21 juni 2012 is het woningbouwprogramma 2011-2016 vastgesteld. Het woonbeleid van Súdwest-Fryslân richt zich op de ontwikkeling van dit gebied tot een prettige leefomgeving met een goede woningvoorraad die aansluit bij de woningvraag van alle huidige en toekomstige inwoners.
 
De strategische opgave in het woonbeleid is de realisatie van een breed scala aan woonmilieus waarin alle doelgroepen voldoende mogelijkheden voor passende huisvesting hebben. Naast de kerntaak van het volkshuisvestingsbeleid – het beschermen van de meest kwetsbaren op de woningmarkt - heeft het gemeentebestuur de ambitie om de marktpositie van Súdwest-Fryslân als woonregio te versterken. Hiertoe wenst Súdwest-Fryslân aantrekkelijke woongebieden te realiseren die inspelen op de lokale, regionale en bovenregionale vraag.
 
In onderhavig geval is er sprake van een verplaatsing van een bedrijfswoning binnen het huidige bouwvlak, en de realisatie van een kapschuur binnen het bouwvlak. Deze ontwikkelingen zijn niet in strijd met het Woningbouwprogramma 2011-2016 Sudwest Fryslân.
 
Uitgangspuntennotitie Buitengebied Súdwest Fryslân
De Uitgangspuntennotitie Buitengebied Súdwest Fryslân van 10 mei 2012 vormt de basis voor de herzieningen van de geldende bestemmingsplannen voor het buitengebied van de gemeente Súdwest Fryslân. De verschillende bestemmingsplannen buitengebied, die in de voormalige fusiegemeenten, Bolsward, Nijefurd, Sneek, Wymbritseradiel en Wûnseradiel van kracht waren, worden gebundeld in het nieuwe bestemmingsplan buitengebied. In de kadernotitie zijn de globale uitgangspunten voor de herziening van de verschillende bestemmingen in het buitengebied opgenomen. De gemeenteraad heeft in zijn vergadering van 21 juni 2012 de Uitgangspuntennotitie Buitengebied Súdwest-Fryslân vastgesteld.
 
Het buitengebied van de gemeente Súdwest Fryslân kent een grote verscheidenheid aan functies en gebruik van percelen en bouwwerken. Deze functies zijn vaak nauw met elkaar verbonden en vormen de kernkwaliteiten van het buitengebied.
 
De gemeente Súdwest Fryslân benoemt de volgende kernkwaliteiten voor het landelijke gebied:
- Landbouw;
- Landschap en natuur;
- Recreatie.
 
De kernkwaliteiten zijn benoemd met het doel de identiteit van het buitengebied te behouden en te versterken waar dat mogelijk is. Het bestemmingsplan zal daarom naast een goede planologische regeling voor de overige functies in het landelijk gebied, bijzondere aandacht besteden aan het behoud en versterken van de kernkwaliteiten. Het bestemmingsplan behoudt echter hoofdzakelijk een conserverend karakter. Dit betekent dat nieuwe ontwikkelingen geen onderdeel uitmaken van het nieuw op te stellen bestemmingsplan. Dergelijke ontwikkelingen vragen om een specifieke planvormingsfase, met een eigen juridisch kader.
 
In paragraaf 3.1.3.2. van de uitgangspuntennotitie staat opgenomen dat in het bestemmingsplan met een wijzigingsmogelijkheid ruimte moet bieden voor zelfstandige bedrijfsmatige activiteiten die passen in het landelijk gebied. Het kan daarbij gaan om een agrarisch dienstverlenend bedrijf waarbij bebouwing binnen het bestemmingsvlak mogelijk is. In voorliggend initiatief is dit het geval. Overkoepelende randvoorwaarde voor deze zelfstandige activiteiten binnen het agrarisch gebied is het behoud van de kenmerkende en landschappelijke en cultuurhistorische waarden. Voorliggend initiatief sluit aan op dit beleidskader.
 
  

4 Onderzoek

4.1 Flora en fauna

Bij nieuwe ruimtelijke plannen moet rekening worden gehouden met Europees en nationaal beleid en wetgeving op het gebied van de natuurbescherming. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming.
 
Gebiedsbescherming 
Voor wat betreft de gebiedsbescherming gaat het om de bescherming van gebieden die zijn aangewezen als onderdeel van de ecologische hoofdstructuur (EHS) en/of om gebieden die zijn aangewezen als Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde natuurgebied betreft de Aent Lieuwes poel. Deze maakt deel uit van de natte EHS. Daarnaast ligt het Natura 2000-gebied ‘Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving’ ten zuiden en oosten van het plangebied. Gezien de grote afstand en de beperkte invloed van de ingreep, worden er geen schadelijke effecten op deze natuurgebieden verwacht.
 
Soortenbescherming
De soortenbescherming vindt primair plaats via de Flora- en faunawet. Op grond van deze wet mogen beschermde dieren en planten - die in de wet zijn aangewezen - niet gedood, gevangen, verontrust, geplukt of verzameld worden en is het niet toegestaan om nesten, holen of andere vaste verblijfplaatsen van beschermde dieren te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Onder voorwaarden is ontheffing van deze verbodsbepalingen mogelijk. Voor soorten die vermeld staan op Bijlage IV van de Habitatrichtlijn en een aantal Rode-Lijst-soorten, zijn deze voorwaarden zeer streng.
 
De voorziene planontwikkeling voorziet in de realisatie van een bedrijfswoning en kapschuur en het op termijn slopen van de aanwezige stelpboerderij. Bij het slopen van de boerderij worden mogelijk bedreigde soorten verstoord. Er wordt geadviseerd een quickscan flora en fauna uit te voeren. Het onderzoek wordt uitgevoerd op het moment dat er een omgevingsvergunning wordt aangevraagd ten behoeve van de sloop van de boerderij. De voorgenomen sloop van de boerderij vindt over een aantal jaren plaats. In de tijd tussen de inwerkingtreding van voorliggend bestemmingsplan en de aanvraag van de omgevingsvergunning ten behoeve van de sloop van de boerderij, kan de ecologische situatie in- en rondom de te slopen boerderij dusdanig veranderen dat een onderzoek op dit moment niet zinvol wordt geacht.
 
De realisatie van de bedrijfswoning en kapschuur hebben geen invloed op flora en fauna. Om die reden wordt op dit moment geen flora en fauna onderzoek uitgevoerd.

4.2 Archeologie en cultuurhistorie

Archeologie
Op grond van het Verdrag van Malta en de daaruit voortvloeiende wijziging van de Monumentenwet, dient te worden gekeken naar de archeologische waarden in het plangebied. De provincie Fryslân heeft in dit kader de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) vastgesteld. De FAMKE bestaat enerzijds uit de Archeologische Monumentenkaart (AMK), waarop de reeds bekende archeologisch waardevolle gebieden staan aangegeven, en anderzijds uit de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW), met daarop de kans op het aantreffen van archeologische waarden. De FAMKE is onderverdeeld in twee kaarten: de advieskaart Steentijd - Bronstijd en de advieskaart IJzertijd - Middeleeuwen. Volgens de FAMKE ligt het plangebied voor wat betreft de periode Steentijd - Bronstijd in een gebied waar zich op enige diepte archeologische lagen bevinden uit de Steentijd. Deze resten worden afgedekt door een veen- of kleidek. Als zich hierin archeologische resten bevinden, dan zijn deze waarschijnlijk goed van kwaliteit. De provincie beveelt daarom aan om bij ingrepen van meer dan 5.000 m2 karterend (boor)onderzoek uit te voeren.
 
Voor wat betreft de periode ijzertijd-middeleeuwen kunnen zich in het plangebied archeologische resten bevinden. De provincie beveelt aan om bij ingrepen van meer dan 500 m2 een karterend archeologisch onderzoek uit te laten voeren. Dit archeologisch onderzoek moet bestaan uit minimaal zes boringen per hectare, met een minimum van zes boringen per plan, waarbij duidelijk wordt of er vindplaatsen in het plangebied aanwezig zijn. De resultaten van het karterend onderzoek kunnen ook uitwijzen dat de voorgenomen ingreep niet bezwaarlijk is, of met welke randvoorwaarden in het plan rekening dient te worden gehouden. Worden er een of meerdere vindplaatsen aangetroffen, dan zal uit nader (waarderend) onderzoek moeten blijken hoe waardevol deze vindplaatsen zijn. De aard van dit waarderend (vervolg)onderzoek hangt af van het type aangetroffen vindplaats.
 
De voorziene schuur heeft een oppervlakte van 600m2, daarnaast wordt er een nieuwe bedrijfswoning gerealiseerd. Hiermee wordt de 500m2 overschreden. In principe dient een karterend archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. In overleg met de archeoloog van de gemeente Sudwest Frsylan is besloten dat dit onderzoek niet noodzakelijk is om de volgende redenen. Er is sprake van een aan te brengen ophooglaag ter plekke van de te realisering woning. Er treden geen verstoringen op in de oorspronkelijke laag door bijvoorbeeld rioleringen. Ten behoeve van de fundering van de woning wordt maximaal 30cm afgegraven van de huidige toplaag. Dit valt binnen de gemeentelijke vrijstellingsgrenzen qua verstoringsdiepte. Ten behoeve van de te realiseren kapschuur wordt niets afgegraven. Per object worden maximaal 15 heipalen geslagen, maar dit zal de eventueel aanwezige archeologische waarden naar verwachting niet significant aantasten. Verder zullen er geen afgravingen in de bodem plaatsvinden.
 
Cultuurhistorie
De op termijn te slopen boerderij is niet opgenomen op de provinciale cultuurhistorische kaart als zijnde cultuurhistorisch waardevol. Tevens is het niet aangewezen als rijks- of gemeentelijk monument. Een bouwhistorisch onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht.

4.3 Bodem

In het kader van het landelijk project "Landsdekkend Beeld Bodemverontreiniging" is in 2003 en 2004 in Fryslân een (vrijwel) provinciedekkende inventarisatie uitgevoerd naar bodemlocaties waarvan op grond van historische gegevens het vermoeden bestond dat er sprake van bodemverontreiniging zou kunnen zijn, de zogenaamde "verdachte" locaties. Al deze gevonden locaties zijn in een database verzameld. Tevens zijn bodemonderzoeksrapporten, die bij de gemeenten en de provincie aanwezig zijn, ingevoerd in de gemeentelijke bodeminformatiesystemen. De meeste locaties leveren geen onaanvaardbaar risico op en kunnen worden aangepakt wanneer er nieuwbouw, wegaanleg of eigendomsoverdracht plaatsvindt. Een bepaalde mate van bodemverontreiniging hoeft in veel gevallen niet direct een probleem op te leveren. In veel gevallen zal historisch onderzoek inzake de betreffende verdachte locatie kunnen uitwijzen of er voldoende aanleiding is om ook bodemonderzoek te laten uitvoeren. Met een oriënterend bodemonderzoek en/of een nader bodemonderzoek kan vastgesteld worden of er inderdaad sprake is van bodemverontreiniging, en zo ja, in welke mate en van welke omvang. Op basis van een nader onderzoek kan de provincie bepalen of er een noodzaak is tot gedeeltelijke of gehele sanering van de locatie en of er beveiligingsmaatregelen getroffen moeten worden. Daarbij zal ook de huidige en/of toekomstige bestemming en het gebruik van de locatie een rol spelen uit welke saneringsvarianten kan worden gekozen.
 
Op 6 maart 2007 heeft het college van Burgemeester en Wethouders de bodemkwaliteitskaart en het bodembeheerplan Zuidwest - Fryslân vastgesteld. Deze kaart en het bodembeheerplan zijn samen met de gemeenten Bolsward, Gaasterlân-Sleat, Lemsterland, Littenseradiel en Wûnseradiel opgesteld. Op de bodemkwaliteitskaart is de actuele bodemkwaliteit van de gemeente(n) onderscheiden naar verschillende deelgebieden (zones van vergelijkbare kwaliteit).
 
Op grond van de bodemkwaliteitskaart en het bodembeheerplan kan vrijstelling worden verleend voor het indienen van een bodemonderzoek. Er gelden echter een aantal uitzonderingen waarbij geen vrijstelling kan worden verleend:
• locaties met een bekende verontreiniging (puntbron), of locaties gelegen nabij (binnen een straal van 25 meter) een puntbron dienen alsnog te worden onderzocht;
• de gebiedseigen kwaliteit mag geen aanleiding zijn om een risico te verwachten ten aanzien van het geplande gebruik;
• verdachte locaties of locaties binnen een straal van 25 meter van verdachte locaties waarvan een vermoeden bestaat van bodemverontreiniging, tenzij middels een NVN5725 onderzoek wordt aangetoond dat de locatie onverdacht is;
• locaties gelegen in de bodemkwaliteitszone ‘oude historische kern’.
In deze situatie hebben binnen een straal van 25 meter van de nieuw te bouwen loods verdachte bedrijfsactiviteiten plaatsgevonden, zodat geen vrijstelling kan worden verleend van het uitvoeren van een bodemonderzoek. Daarom is een verkennend bodemonderzoek voor de voorziene ontwikkeling noodzakelijk.
 
In het kader van het vigerend bestemmingsplan ‘Bestemmingsplan It Heidenskip - Heidenskipsterdyk 40A’, vastgesteld 30 juni 2009, is in februari 2009 door Van Der Poel Consult bv een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (projectnummer 2.902.019). Dit bodemonderzoek is uitgevoerd ten behoeve van de inmiddels gerealiseerde schuur. Daarbij is het volgende geconcludeerd:
Tijdens het onderzoek is de grond zintuiglijk beoordeeld. Zintuiglijk zijn geen bijzonderheden waargenomen die duiden op het voorkomen van een mogelijke bodemverontreiniging. Uit het onderzoek blijkt verder dat in het grondwater het kwikgehalte de desbetreffende streefwaarde overschrijdt. Verder zijn er geen verhoogde gehalten van onderzochte componenten waargenomen. De gemeten overschrijding is dusdanig dat aanvullende maatregelen en/of analyses niet noodzakelijk worden geacht. De omliggende gronden zijn hierbij niet onderzocht, daarom is kan dit onderzoek niet worden gebruikt voor de voorziene ontwikkeling. Mogelijk bodemvervuilende activiteiten hebben echter wel altijd op de locatie van de reeds gerealiseerde schuur plaatsgevonden. Het overige deel van het terrein waar de voorziene ontwikkeling is gepland, is in gebruik als een erf. Dit erf is verhard. Het is aannemelijk dat de bodemkundige situatie op het perceel geschikt is voor het beoogd gebruik.
 
Het plan is ten aanzien van het aspect bodem uitvoerbaar.
 
 

4.4 Waterhuishouding

Op grond van artikel 3.1.6 uit het Besluit ruimtelijke ordening dient in de toelichting op ruimtelijke plannen een waterparagraaf te worden opgenomen, waarin wordt aangegeven op welke wijze rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie. Er dient uiteengezet te worden of en in welke mate het plan in kwestie gevolgen heeft voor de waterhuishouding, dat wil zeggen het grondwater en het oppervlaktewater. Het doel van de Watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen meer expliciet en op een evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. De ‘winst’ die wordt behaald bij de Watertoets, ligt bij de vroegtijdige betrokkenheid en informatievoorziening. Het plangebied valt in het werkgebied van Wetterskip Fryslân. Het waterschap moet worden geïnformeerd over voorliggend initiatief. Het waterschap zal een wateradvies geven of er waterhuishoudkundige bezwaren worden voorzien.
 
Voorliggend initiatief is voorgelegd aan het Waterschap Friesland. Het Waterschap Friesland hanteert het uitgangspunt dat een toename van het verhard oppervlak van meer dan 200m2 gecompenseerd moet worden door waterberging aan te leggen. Voorliggend plan voorziet in een toename van het verhard oppervlak van per saldo maximaal 150m2. Er wordt een bedrijfswoning gerealiseerd van maximaal 150m2 en een kapschuur van 600m2. De bestaande stelpboerderij van 600m2 wordt op termijn gesloopt. Per saldo neemt het verhard oppervlakte hiermee toe met maximaal 150m2. Voor voorliggend plan hoeft geen compensatie te worden gerealiseerd.
 
Ten noordoosten van het plangebied ligt een hoofdwatergang van Waterschap Friesland. De hoofdwatergangen hebben een belangrijke aan-, af- en doorvoer functie. Voor het onderhoud van deze watergangen is aan beide zijden een obstakelvrije zone van 5 meter vanaf de oever noodzakelijk. In dit gebied mag niet worden gebouwd. In het plan is hiermee rekening gehouden.
 
Indien de in de watertoets vermelde adviezen worden opgevolgd ziet het waterschap met betrekking tot het voorliggende plan geen waterhuishoudkundige bezwaren. Er wordt een positief waterschapsadvies afgegeven.
 
Het aspect waterhuishouding levert geen problemen op voor voorliggend initiatief.
 

4.5 Wegverkeerslawaai

De Wet geluidhinder (Wgh) (laatstelijk gewijzigd 1 januari 2007) bepaalt dat elke weg in principe een zone heeft, behoudens:
- wegen die gelegen zijn binnen een als woonerf aangeduid gebied;
- wegen waarvoor een maximumsnelheid geldt van 30 km/uur.
 
Overeenkomstig artikel 77 van de Wet geluidhinder dient bij de voorbereiding of herziening van een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek te worden ingesteld naar de geluidsbelasting die door woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen binnen de zones van wegen wordt ondervonden. In de Wet geluidhinder wordt voor een weg in het buitenstedelijk gebied met een of twee rijstroken een zone van 250m aangehouden.
Het Activiteitenbesluit bevat algemene milieuregels voor bedrijven. Bedrijven die vallen onder het regime van het Activiteitenbesluit hebben vaak geen vergunning voor het oprichten of veranderen van een milieu-inrichting nodig In het Activiteitenbesluit zijn voorschriften opgenomen die bescherming bieden tegen geluidhinder van inrichtingen die onder het Besluit vallen. Deze bescherming wordt geboden aan gevoelige objecten (gevoelige gebouwen en gevoelige terreinen (art. 1.1)). In art. 1.1 is in de definitie van gevoelige gebouwen aangegeven dat gebouwen die bij de inrichting horen (dienst- of bedrijfswoningen) geen geluidsgevoelig object zijn.
 
In onderhavig geval gaat het om de verplaatsing van een bedrijfswoning binnen het huidige bouwvlak. De toetsing aan de Wgh heeft plaatsgevonden bij het toestaan van deze bedrijfswoning. Een onderzoek wegverkeerslawaai is niet noodzakelijk.

4.6 Bedrijvigheid

Middels de milieuwetgeving wordt milieuhinder in woonsituaties zoveel mogelijk voorkomen. Alle bedrijven en instellingen die op grond van het IVB (Inrichtingen en vergunningbesluit) milieubeheerplichtig zijn (en in potentie hinder zouden kunnen veroorzaken) moeten een vergunning hebben in het kader van de Wet milieubeheer dan wel voldoen aan de bepalingen van een Algemene maatregel van bestuur (AMvB) van de Wet milieubeheer. Om enig inzicht te krijgen in de mogelijke overlast van de aanwezige bedrijven en voorzieningen ten opzichte van woningen is hierna de gewenste afstand tussen het bedrijf/instelling en woningen weergegeven zoals die is opgenomen in de VNG-publicatie "Bedrijven en milieuzonering" (2009):
Voor het loon- grondverzetbedrijf geldt als uitgangspunt dat deze de woonfunctie niet mag verstoren. Volgens de VNG-publicatie "Bedrijven en milieuzonering" (2009) betreft het loon- en grondverzetbedrijf een categorie 3.1-bedrijf. Hiervoor dient een afstand van tenminste 50m ten opzichte van woonbebouwing in acht te worden genomen. Hierbij wordt er gerekend vanaf de gevel van de woning. Deze afstand geldt als richtafstand, waarbij tevens wordt voldaan aan overige milieuwetgeving, waaronder de afstandsnormen uit het besluit Landbouw. De dichtstbijzijnde woonbestemming bevindt zich ten oosten van het bedrijf aan de Heidenskipsterdyk. De afstand ten opzichte van deze woonbebouwing is ruim 100 m. Het is niet te verwachten dat de voorziene ontwikkeling de woonfunctie van de omliggende woningen zal verstoren. Aanvullend onderzoek wordt niet nodig geacht.

4.7 Verkeer

Volgens de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ heeft het loon- en grondverzetbedrijf een potentieel aanzienlijke verkeersaantrekkende werking op goederenvervoer. In de huidige situatie bestaat deze situatie ook al. De verkeersaantrekkende werking van het loon- en grondverzetbedrijf wordt dan ook niet gezien als een belemmering.

4.8 Luchtkwaliteit

Op 15 november 2007 is de nieuwe Wet Milieubeheer in werking getreden. In deze wet is ook de regeling voor luchtkwaliteit opgenomen. De wet is enerzijds bedoeld om de negatieve effecten op de volksgezondheid aan te pakken als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging. Anderzijds heeft de wet tot doel mogelijkheden te creëren voor ruimtelijke ontwikkeling, ondanks overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit. De Wet Milieubeheer voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak
van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de Wet milieubeheer geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als:
• er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
• een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt;
• een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL;
• een project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging.
Het gebruik van het perceel als loon- en grondverzetbedrijf ligt in het verlengde van het huidige gebruik. Er is in het gebied geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van de grenswaarde. Per saldo zal er geen verslechtering van de luchtkwaliteit optreden. Op dit punt zijn er geen belemmeringen voor de uitvoering van het plan.

4.9 Externe veiligheid

Externe veiligheid gaat om het beperken van de kans op en het effect van een ernstig ongeval voor de omgeving door:
- het gebruik, de opslag en productie van gevaarlijke stoffen (inrichtingen);
- het transport van gevaarlijke stoffen (wegen, buisleidingen, waterwegen en spoorwegen);
- het gebruik van luchthavens.
 
Het externe veiligheidsbeleid is verankerd in diverse wet- en regelgeving. Voor het bestemmingsplan zijn de volgende besluiten relevant waaraan getoetst dient te worden:
1. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi);
2. Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (cRNVGS);
3. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).
 
Risicobronnen kunnen worden opgesplitst in:
- inrichtingen waar risicovolle activiteiten plaatsvinden;
- transportroutes van gevaarlijke stoffen;
- buisleidingen.
 
Binnen of buiten het bestemmingsplan zijn volgens de Professionele Risicokaart geen risicobronnen aanwezig waarvan de risicocontouren of de invloedsgebieden over het plangebied lopen. De wet- en regelgeving betreffende externe veiligheid heeft dan ook geen gevolgen voor dit bestemmingsplan.

5 Financiële uitvoerbaarheid

5.1 Economische uitvoerbaarheid

De voor dit bouwplan en de bestemmingsplanafwijking te maken kosten zijn voor de rekening van de betrokken grondeigenaar en initiatiefnemer. Om deze reden is geen exploitatieraming voor het plan aan deze toelichting toegevoegd.

6 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.1 Inspraak

Aangezien het plangebied beperkt van aard is en er in de directe omgeving weinig belanghebbenden zijn, wordt het voorontwerp bestemmingsplan niet voor inspraak ter inzage gelegd.

6.2 Overleg

In het kader van het bestuurlijk vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening, is een exemplaar van het concept bestemmingsplan ‘It Heidenskip - Heidenskipsterdyk 40A’ verzonden aan de Provincie Fryslân en het Wetterskip Fryslân. Beide reacties zijn als bijlage van het bestemmingsplan opgenomen en hieronder samengevat.
 
Provincie Fryslân
De provincie Friesland heeft het plan op 24 maart 2014 ter advisering ontvangen. De provincie constateert dat in het inrichtingsplan een boomstrook aan de noordoostzijde van het perceel is verdwenen. Graag ziet de provincie de realisatie van deze groenstrook geborgd in de regels van het bestemmingsplan. Het betreft zowel de bescherming van de groenstrook als de voorwaardelijke bepaling dat de nieuwbouw slechts gerealiseerd kan worden als de beplanting conform het inrichtingsplan aangebracht is.
   
Doorwerking in het bestemmingsplan
De bomenrij die door de Provincie wordt bedoeld, is in het verleden op advies van het waterschap gekapt omdat deze de instandhouding van de wal in gevaar bracht. In het nieuwe inrichtingsplan wordt onder voorwaarden van het Waterschap een nieuwe beplantingsstrook opgenomen, in toelichting paragraaf 2.1 is het inrichtingsplan weergegeven. De groene streep verbeeld een te realiseren beplantingstrook waarmee het plan landschappelijk wordt ingepast. Dit is in artikel 4 lid 5.1 van de regels gewaarborgd. Hier wordt beschreven dat de bebouwing slechts gerealiseerd mag worden als landschappelijke inpassing wordt gerealiseerd conform inrichtingsplan.
  
Wetterskip Fryslân
Voorliggend initiatief is voorgelegd aan het Waterschap Friesland. Het Waterschap Friesland hanteert het uitgangspunt dat een toename van het verhard oppervlak van meer dan 200m2 gecompenseerd moet worden door waterberging aan te leggen. Voorliggend plan voorziet in een toename van het verhard oppervlak van per saldo maximaal 150m2. Er wordt een bedrijfswoning gerealiseerd van maximaal 150m2 en een kapschuur van 600m2. De bestaande stelpboerderij van 600m2 wordt op termijn gesloopt. Per saldo neemt het verhard oppervlakte hiermee toe met maximaal 150m2. Voor voorliggend plan hoeft geen compensatie te worden gerealiseerd. 
 
Doorwerking in het bestemmingsplan
Er wordt een positief waterschapsadvies afgegeven.