In het kader van het landelijk project "Landsdekkend Beeld Bodemverontreiniging" is in 2003 en 2004 in Fryslân een (vrijwel) provinciedekkende inventarisatie uitgevoerd naar bodemlocaties waarvan op grond van historische gegevens het vermoeden bestond dat er sprake van bodemverontreiniging zou kunnen zijn, de zogenaamde "verdachte" locaties. Al deze gevonden locaties zijn in een database verzameld. Tevens zijn bodemonderzoeksrapporten, die bij de gemeenten en de provincie aanwezig zijn, ingevoerd in de gemeentelijke bodeminformatiesystemen. De meeste locaties leveren geen onaanvaardbaar risico op en kunnen worden aangepakt wanneer er nieuwbouw, wegaanleg of eigendomsoverdracht plaatsvindt. Een bepaalde mate van bodemverontreiniging hoeft in veel gevallen niet direct een probleem op te leveren. In veel gevallen zal historisch onderzoek inzake de betreffende verdachte locatie kunnen uitwijzen of er voldoende aanleiding is om ook bodemonderzoek te laten uitvoeren. Met een oriënterend bodemonderzoek en/of een nader bodemonderzoek kan vastgesteld worden of er inderdaad sprake is van bodemverontreiniging, en zo ja, in welke mate en van welke omvang. Op basis van een nader onderzoek kan de provincie bepalen of er een noodzaak is tot gedeeltelijke of gehele sanering van de locatie en of er beveiligingsmaatregelen getroffen moeten worden. Daarbij zal ook de huidige en/of toekomstige bestemming en het gebruik van de locatie een rol spelen uit welke saneringsvarianten kan worden gekozen.
Op 6 maart 2007 heeft het college van Burgemeester en Wethouders de bodemkwaliteitskaart en het bodembeheerplan Zuidwest - Fryslân vastgesteld. Deze kaart en het bodembeheerplan zijn samen met de gemeenten Bolsward, Gaasterlân-Sleat, Lemsterland, Littenseradiel en Wûnseradiel opgesteld. Op de bodemkwaliteitskaart is de actuele bodemkwaliteit van de gemeente(n) onderscheiden naar verschillende deelgebieden (zones van vergelijkbare kwaliteit).
Op grond van de bodemkwaliteitskaart en het bodembeheerplan kan vrijstelling worden verleend voor het indienen van een bodemonderzoek. Er gelden echter een aantal uitzonderingen waarbij geen vrijstelling kan worden verleend:
• locaties met een bekende verontreiniging (puntbron), of locaties gelegen nabij (binnen een straal van 25 meter) een puntbron dienen alsnog te worden onderzocht;
• de gebiedseigen kwaliteit mag geen aanleiding zijn om een risico te verwachten ten aanzien van het geplande gebruik;
• verdachte locaties of locaties binnen een straal van 25 meter van verdachte locaties waarvan een vermoeden bestaat van bodemverontreiniging, tenzij middels een NVN5725 onderzoek wordt aangetoond dat de locatie onverdacht is;
• locaties gelegen in de bodemkwaliteitszone ‘oude historische kern’.
In deze situatie hebben binnen een straal van 25 meter van de nieuw te bouwen loods verdachte bedrijfsactiviteiten plaatsgevonden, zodat geen vrijstelling kan worden verleend van het uitvoeren van een bodemonderzoek. Daarom is een verkennend bodemonderzoek voor de voorziene ontwikkeling noodzakelijk.
In het kader van het vigerend bestemmingsplan ‘Bestemmingsplan It Heidenskip - Heidenskipsterdyk 40A’, vastgesteld 30 juni 2009, is in februari 2009 door Van Der Poel Consult bv een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (projectnummer 2.902.019). Dit bodemonderzoek is uitgevoerd ten behoeve van de inmiddels gerealiseerde schuur. Daarbij is het volgende geconcludeerd:
Tijdens het onderzoek is de grond zintuiglijk beoordeeld. Zintuiglijk zijn geen bijzonderheden waargenomen die duiden op het voorkomen van een mogelijke bodemverontreiniging. Uit het onderzoek blijkt verder dat in het grondwater het kwikgehalte de desbetreffende streefwaarde overschrijdt. Verder zijn er geen verhoogde gehalten van onderzochte componenten waargenomen. De gemeten overschrijding is dusdanig dat aanvullende maatregelen en/of analyses niet noodzakelijk worden geacht. De omliggende gronden zijn hierbij niet onderzocht, daarom is kan dit onderzoek niet worden gebruikt voor de voorziene ontwikkeling. Mogelijk bodemvervuilende activiteiten hebben echter wel altijd op de locatie van de reeds gerealiseerde schuur plaatsgevonden. Het overige deel van het terrein waar de voorziene ontwikkeling is gepland, is in gebruik als een erf. Dit erf is verhard. Het is aannemelijk dat de bodemkundige situatie op het perceel geschikt is voor het beoogd gebruik.
Het plan is ten aanzien van het aspect bodem uitvoerbaar.