| Plan: | Scheepvaartlaan Zwartsluis |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1896.BP00046-VS01 |
Woningcorporatie Wetland Wonen uit Vollenhove wil 16 nieuwe woningen aan de Scheepvaartlaan te Zwartsluis gaan realiseren. Op de locatie stonden galerijwoningen flats van 2 lagen met kap. Deze woningen waren van slechte woontechnische kwaliteit en voldoen niet meer aan de eisen van deze tijd.
Woningcorporatie Wetland Wonen heeft daarom het voornemen de galerijwoningen te vervangen voor 16 grondgebonden woningen. Dit is volgens het vigerende bestemmingsplan niet mogelijk. Het voorliggende bestemmingsplan maakt dit mogelijk.
Het plangebied is gelegen aan de scheepvaartlaan in de wijk De Nieuwesluis, ten noorden van de Provincialeweg N337 te Zwartsluis.
Ligging plangebied
Globale begrenzing plangebied
Het bestemmingsplan "Scheepvaartlaan Zwartsluis" bestaat uit de volgende bescheiden:
Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plangebied begrepen gronden en opstallen aangegeven.
In de regels zijn bepalingen opgenomen teneinde de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld van deze toelichting, waarin het aan het plan ten grondslag liggende onderzoek en een planbeschrijving zijn opgenomen.
Het gehele projectgebied ligt binnen de plangrenzen van het bestemmingsplan "Woonwijken Zwartewaterland", welke op 16 december 2010 door de raad is vastgesteld. In dit bestemmingsplan heeft het plangebied de bestemmingen "Tuin", "Wonen - Gestapeld" en "Verkeer - Verblijfsgebied".
Uitsnede vigerend bestemmingsplan
De nieuwe ontwikkelingen zijn volgens het vigerende bestemmingsplan niet mogelijk. Om realisering van het project mogelijk te maken wordt dit bestemmingsplan opgesteld.
In hoofdstuk 2 wordt een omschrijving gegeven van de bestaande en nieuwe situatie. Hoofdstuk 3 gaat in op het beleid en het plan wordt in hoofdstuk 4 toegelicht. Om tot een gedegen planontwikkeling te komen zijn diverse onderzoeken uitgevoerd, die inzicht geven in de ontwikkelingsmogelijkheid van het gebied. Hoofdstuk 5 geeft een samenvatting van deze onderzoeken. Hoofdstuk 6 gaat in op de bijbehorende planologisch-juridische regeling en hoofdstuk 7 gaat tot slot in op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid.
Op de locatie hebben voorheen 3 rijtjes met galerijwoningen gestaan. Deze woningen voldeden niet meer aan de eisen van de 21e eeuw. Begin 2014 zijn de woningen geamoveerd.
bestaand straatbeeld (bron: google earth)
In de nieuwe situatie worden 2 blokjes grondgebonden 3-onder-1 kap en twee blokjes van 5 rijwoningen gerealiseerd.
Verkaveling
Straat aanzicht)
Zowel op rijks-, provinciaal als ook gemeentelijk niveau is beleid geformuleerd dat voor het opstellen van het onderhavige bestemmingsplan van belang is. De meest relevante beleidsaspecten die betrekking hebben op het plangebied worden in dit hoofdstuk uiteengezet.
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), vastgesteld op 13 maart 2012, vormt de nieuwe, overkoepelende rijksstructuurvisie voor de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland tot 2028, met een doorkijk naar 2040. De SVIR vervangt een groot aantal beleidsstukken, waaronder de Nota Ruimte, de Nota Mobiliteit en de Agenda Vitaal Platteland. Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland, doormiddel van een krachtige aanpak die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker staat voorop, investeringen prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Om dit te bereiken, werkt het Rijk samen met andere overheden.
Bij deze aanpak hanteert het Rijk een filosofie die uitgaat van vertrouwen, heldere verantwoordelijkheden, eenvoudige regels en een selectieve rijks betrokkenheid. Zo ontstaat er ruimte voor maatwerk en keuzes van burgers en bedrijven.
Het roer om
Het Rijk brengt de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij diegene die het aangaat (burgers en bedrijven), laat het meer over aan gemeenten en provincies en de gebruiker komt centraal te staan. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor die belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Hierdoor neemt de bestuurlijke drukte af en ontstaat er ruimte voor regionaal maatwerk.
Relatie met plangebied
De structuurvisie heeft als principe dat ruimtelijke aspecten decentraal geregeld moeten worden wanneer hier de prioriteit ligt en dit mogelijk is.
Gezien de ligging (binnen stedelijk gebied en buiten de ecologische hoofdstructuur) is er geen sprake van een rijksverantwoordelijkheid en hebben gemeente en provincie de eerste verantwoordelijkheid om de ruimtelijke aspecten in goede banen te leiden.
De ontwikkelingen zijn dermate dat het raakvlak met het Rijksbeleid zeer beperkt is. Het plan sluit aan op de ladder duurzame verstedelijking omdat het gesitueerd is in bestaand stedelijk gebied en bestaande verouderde bebouwing vervangt.
Dit voorliggende bestemmingsplan is daarmee niet strijdig aan de SVIR.
Waterbeleid
In hoofdstuk 3 van de Nota Ruimte wordt onder “Water en Groene Ruimte’ uitgebreid aandacht geschonken aan het waterbeleid. Ter voorkoming van (grond)wateroverlast en ter vermindering van de verdroging moet ernaar gestreefd worden dat de ruimte zodanig bestemd, ingericht en gebruikt kan worden dat water beter wordt vastgehouden in het betreffende gebied. Als dat niet voldoende is, kunnen maatregelen worden genomen om water te bergen. Hiervoor wordt het areaal oppervlaktewater al of niet tijdelijk, vergroot en zo nodig het peilbeheer aangepast. Pas in laatste instantie wordt zo nodig water af- of aangevoerd. Deze prioriteiten volgorde (vasthouden – bergen – afvoeren) wordt aangeduid als de ‘drietrapsstrategie waterkwantiteit’.
Ook is het belangrijk dat er naar gestreefd wordt dat de ruimte zodanig wordt bestemd, ingericht en gebruikt dat geen vervuiling optreedt naar het grond- en oppervlaktewater. Als dat niet voldoende is, kunnen zo mogelijk (aanvullend) maatregelen worden getroffen om schone en vuile waterstromen gescheiden te houden. Wanneer ook dat onvoldoende soelaas biedt, is zuiveren van de vuile waterstromen aan de orde. Deze prioriteiten volgorde (voorkomen – scheiden – zuiveren) wordt aangeduid als de ‘drietrapsstrategie waterkwaliteit’.
Verder is het van belang dat een eventuele nadelige invloed op het watersysteem, als gevolg van bijvoorbeeld een ruimtelijke ingreep, waterneutraal of waterpositief wordt gecompenseerd. Dit betekent dat bij herstructurering van bestaand stedelijk gebied een zodanige inrichting wordt gekozen dat afwenteling van eventuele problemen met (grond)waterkwaliteit of –kwantiteit op de omgeving wordt verminderd.
Om het waterbeleid goed in de ruimtelijke plannen te kunnen inbrengen is voor dit plan een zogenaamde watertoets uitgevoerd. In hoofdstuk 5 is de watertoets voor dit bestemmingsplan opgenomen.
Overige wettelijke kaders
Bij het opstellen van ruimtelijke plannen is diverse (milieu)wetgeving van toepassing, zoals de Wet luchtkwaliteit, Wet op de archeologische monumentenzorg, de Flora- en faunawet, besluit externe veiligheid, Wet geluidhinder, etc. Op deze aspecten zal in hoofdstuk 5 nader worden ingegaan.
De Omgevingsvisie Overijssel (1 juli 2009) schetst een visie op de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van de provincie Overijssel.
De Omgevingsvisie heeft de status van:
Leidende thema's voor de Omgevingsvisie zijn duurzaamheid en ruimtelijke kwaliteit. De ambitie van Overijssel is om een vitale samenleving tot ontplooiing te laten komen in een mooi landschap. Een samenleving, waarin alle Overijsselaars zich thuis voelen en participeren. Met bloeiende steden als motoren voor cultuur en werkgelegenheid, ingebed in een landschap waarin wonen, natuur, landbouw en water elkaar versterken.
De hoofdambitie van de omgevingsvisie is een toekomstvaste groei van welvaart en welzijn met een verantwoord beslag op de beschikbare natuurlijke hulpbronnen en voorraden. Enkele belangrijke beleidskeuzes waarmee de provincie haar ambities wil realiseren zijn:
Door meer aandacht voor herstructurering wordt ingezet op een breed spectrum aan woon-, werken mixmilieu's: dorpen en steden worden gestimuleerd hun eigen kleur te ontwikkelen.
Investeren in een hoofdinfrastructuur voor wegverkeer, trein, fiets en waarbij veiligheid en doorstroming centraal staan.
Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik bij bebouwing door de zogenaamde 'SER-ladder' als regel voor Overijssel in te voeren. Deze methode gaat ervan uit dat je eerst het gebruik van de ruimte optimaliseert, dan de mogelijkheid van meervoudig ruimtegebruik onderzoekt en dan pas de mogelijkheid om het ruimtegebruik uit te breiden bekijkt. Hierbij is afstemming tussen gemeenten over woningbouwprogramma's en bedrijfslocaties noodzakelijk.
Ruimtelijke plannen ontwikkelen aan de hand van gebiedskenmerken en keuzes voor duurzaamheid. De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving.
De gemeente Zwartewaterland maakt deel uit van het Nationaal Landschap IJsseldelta. Binnen het Nationaal Landschap staat 'behoudt door ontwikkeling' centraal.
Doordat in dit plan sprake is van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik voldoet dit plan aan de Omgevingsvisie Overijssel.
De Omgevingsverordening (1 juli 2009) zorgt voor de juridische borging van de Omgevingsvisie. De Omgevingsverordening heeft de status van:
De Structuurvisie tevens woonvisie Zwartewaterland 2013 is vastgesteld door de raad op 25 april 2013. Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening in werking getreden. Dit leidt tot een ander regime in de ruimtelijke ordening dan tot op heden het geval was. Om die reden voldeed de Structuurvisie “Zicht op Zwartewaterland“, zoals de gemeenteraad die op 7 juli 2005 is vastgesteld in formele zin niet meer en is er op basis van deze structuurvisie een nieuwe structuurvisie gemaakt, waarmee voldaan wordt aan de bepalingen in de Wro. Met het vaststellen van Structuurvisie tevens woonvisie Zwartewaterland 2013 spreekt het gemeentebestuur zich uit over het beoogde beleid voor de komende jaren. De structuurvisie heeft geen directe bindende werking voor de burger, op basis van de structuurvisie worden nog geen ontwikkelingen daadwerkelijk mogelijk gemaakt. Wel biedt de structuurvisie het ruimtelijke kader voor de uitwerking van concrete plannen en projecten. De uitwerking van de structuurvisie vindt plaats door middel van het vaststellen van bestemmingsplannen voor de diverse ontwikkelingslocaties. Deze zijn wel rechtstreeks bindend voor de burger.
De komende jaren (20010- 2014) mag de Gemeente Zwartewaterland 181 woningen bouwen. Het woningbehoefteonderzoek gaat uit van een toename in woonbehoefte van 3 woningen per jaar. Voor Zwartsluis zal afgewogen moeten worden op welke ontwikkelingen wordt ingezet. De oude kern is een aantrekkelijk woonmilieu. Vrijkomende locaties in dit gebied krijgen voornamelijk nieuwe woon- en woonwerkfuncties. Nieuwe woningbouw en voorzieningen voor de watersport kunnen een drager zijn voor het vormen van een samenhangende buitenruimte en ruimtelijke structuur in Zwartsluis.
De voorgenomen ontwikkeling aan de Scheepvaartlaan voorziet in de sloop van 26 galerijwoningen. Deze woningen sloten niet meer aan bij de woonbehoefte van deze tijd. Dit bleek onder andere uit de leegstand en hoge mutatiegraad van de woningen. Op de locatie van de galerijwoningen worden 16 woningen teruggebouwd, een afname van 10 woningen op deze locatie.
Uitgangspunt van het milieubeleidsplan is onder andere de duurzame inrichting van het stedelijk en landelijk gebied. Het gaat hierbij om onderwerpen als een duurzaam ontwerp voor stad en dorp, intensief ruimtegebruik, natuur, landschap, veiligheid, verkeer en vervoer.
Een ander uitgangspunt van het milieubeleidsplan is duurzaam ondernemen. Het betreft hierbij de integratie van milieu en economie. Onderwerpen zijn onder andere duurzame bedrijfsterreinen, het vestigingsbeleid, de bedrijfsvoering, wet-en regelgeving en toerisme.
Ook gaat het milieubeleidsplan uit van duurzaam wonen en consumeren. Het gaat hierbij om de integratie van milieu in de woonomgeving en het dagelijkse leven van mensen.
Duurzaam beheer van de stedelijke en natuurlijke omgeving maakt eveneens deel uit van het milieubeleidsplan. Het betreft hierbij onderwerpen als wijkbeheer, milieuzorg, afval, water, energie en bodem, et cetera.
Het beleid op het gebied van Welstand is vastgelegd in de Welstandsnota slim bekeken welke is vastgesteld op 28 november 2013. Het plan ligt in het "Deelgebied Naoorlogse woonwijken /Zwartsluis" waarvoor de sneltoetscriteria geldt.
Het plan is aan de welstandscommissie gepresenteerd. De reacties op de plannen vanuit de welstandscommissie waren positief.
Het Gemeentelijk Verkeers-en Vervoersplan (GVVP) is opgesteld met als doel het creëren van een doelmatig, veilig en duurzaam verkeers-en vervoerssysteem waarvan de kwaliteit voor de individuele gebruiker in een goede verhouding staat tot de kwaliteit voor de samenleving als geheel.
Het beleidskader wordt gevormd voor de volgende punten:
In de openbare ruimte is de gemeentelijke riolering één van de belangrijkste voorzieningen voor de bescherming van de volksgezondheid en het milieu. Ook heeft riolering een belangrijke functie als het gaat om het tegengaan van wateroverlast.
De taken en verplichtingen die de gemeente op het gebied van riolering heeft, zijn van oudsher vastgelegd in de Wet milieubeheer (Wm art. 10.33). Een van de verplichtingen uit de Wet milieubeheer betreft het opstellen van een Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP).
In het GRP dient de gemeente inzichtelijk te maken welke voorzieningen op het gebied van riolering de gemeente in beheer heeft, welke effecten deze voorzieningen op het milieu hebben en welke kosten met het beheer en onderhoud gepaard gaan.
Per 1 januari 2008 hebben er wetswijzigingen plaatsgevonden die te maken hebben met ‘de verankering en bekostiging van gemeentelijke watertaken’, ook wel Wet gemeentelijke watertaken genoemd. Naast de al bestaande zorgplicht voor afvalwater, zijn er nieuwe zorgplichten opgenomen voor hemelwater en grondwater. Daar staat tegenover dat de gemeente meer mogelijkheden krijgt om kosten te verhalen die gepaard gaan met de zorgplichten. Ook biedt de gewijzigde Wet milieubeheer gemeenten de mogelijkheid om meer eisen te stellen aan de lozing van hemelwater en grondwater.
Met de bovengenoemde nieuwe zorgplichten wordt de rioleringszorg ‘verbreed’. Op basis van artikel 4.22 van de Wet Milieubeheer, is de gemeente zelf bevoegd de geldigheidsduur van het GRP vast te stellen. Het vorige GRP van de gemeente Zwartewaterland besloeg een planperiode van vijf jaar en ook voor de komende planperiode wordt gekozen voor een geldigheidsduur van vijf jaar, van 1 januari 2010 tot 1 januari 2015.
Gelet op de ligging van de gemeente te midden van veel water is een goede waterhuishouding van essentieel belang. Diverse woonwijken hebben te maken met relatief hoge grondwaterstanden en relatief hoge oppervlaktewaterstanden. Dit vergt een goede afstemming. In het waterplan zijn met de waterpartners afspraken gemaakt ten aanzien van het beleid en de uitvoering van maatregelen. Het beleid en maatregelen zijn geformuleerd rondom de peilers waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid.
Voor het plan aan de Scheepvaartlaan zijn de gebiedsgerichte criteria van "Deelgebied Naoorlogse woonwijken /Zwartsluis" (5.4.8) van toepassing. Het niveau van de welstandstoets voor het plangebied is 2, een regulier welstandsniveau. De inhoudelijke toets moet zijn gericht op het respecteren en interpreteren van de aanwezige ruimtelijke kwaliteit. Voorts zal het beleid er op zijn gericht om storende elementen in het straatbeeld zoveel mogelijk tegen te gaan.
Gebiedsgerichte criteria
De omschrijving in de welstandsnota is vrij algemeen van opzet. De kenmerkende verkaveling is de typische strokenbouw van de 70’er jaren en de criteria laten ruimte vrij voor een eigentijdse interpretatie op onderdelen, zolang de hoofdopzet wordt gevolgd. In deze zin is de hoofdopzet van het voorgelegde plan niet in strijd. met de stedenbouwkundige criteria van de welstandsnota.
Er is differentiatie in zowel de lengte van de blokken als de kap-richting. Kortere blokken kunnen uit commercieel oogpunt wenselijk zijn, maar voorkomen moet worden dat in combinatie met ogenschijnlijk willekeurige kap verdraaiing een ongestructureerd straatbeeld ontstaat. Een gestructureerd straatbeeld is kenmerkend voor de wijk
Door de kap van enkele hoekwoningen loodrecht op de as van de Scheepvaartlaan te plaatsen ontstaat een poortfunctie bij de toegang naar de zijstraten. Hierdoor wordt de Scheepvaartlaan begeleid door langskappen. Dit levert een rustiger straatbeeld op met voldoende variatie. Door de tweezijdige oriëntatie van de blokken ontstaat een relatie met de overzijde en de groene wig, maar ook een duidelijke relatie met de zijstraten. Deze koppeling zorgt ervoor dat de bouwblokken weer "af" gemaakt worden en de groene identiteit van de Scheepvaartlaan voelbaar wordt in de zijstraten.
Tuinhagen gaan de afscheiding vormen tussen de tuinen en de publieke ruimte. Dit is sterk geënt op de architectuur van de 30’er jaren.
Doordat hagen nagenoeg niet in de buurt voorkomen, geeft dit voor dit nieuwe plan een extra identiteit.
De open ruimte aan De Riemers is in de huidige situatie door de trap naar de galerij opgedeeld in bestrating en struiken. De groenstrook wordt nader uitgewerkt, zodat het geen honden uitlaatveldje wordt. Er komt hier een passende afscheiding tussen dit publieke groen en achtertuin, te denken valt aan een haag.
Door het respecteren en interpreteren van de aanwezige ruimtelijke kwaliteit voldoet dit plan aan de eisen van de welstandsnota.
Het plan voorziet niet in parkeren op eigen terrein. De bestaande infra blijft gehandhaafd. Volgens de parkeernota mag voor een invulling met woningen in dit segment worden uitgegaan van een (landelijk) gemiddelde van 1,5-1,8 plaatsen per woning. Indien we uitgaan van de maximale norm van 1.8 parkeerplaats per woning, zijn er 29 parkeerplaatsen nodig. Het plan omvat 34 parkeerplaatsen, wat betekent dat aan de eis ruimschoots wordt voldaan.
De parkeerplaatsen zijn zodanig gesitueerd dat de afstand tot de woningen in alle gevallen voldoende is.
Ligging parkeerplaatsen
De woningen zijn ontworpen door I_KB architecten uit Lochem. Voor de architectuur hebben zij aansluiting gezocht bij het karakter van de bestaande bebouwing.
Deze typeert zich door:
In dit nieuwe plan is over het blok heen ontworpen. Door verschillende vlakverdelingen toe te passen ontstaan verschillende gevels, die duidelijk een relatie onderling hebben. Hierdoor ontstaat variatie (identificatie) binnen een eenduidig beeld. De woningen bestaan allen uit twee lagen met kap en worden met hoogwaardige materialen gebouwd. Door de wijze van samenstellen, compositie en kleurgebruik ontstaat een eigentijdse architectuur en uitstraling, die mooi aansluit op de bestaande omgeving en het fraaie groene karakter van de openbare ruimte.
Gevelimpressie
Het Europees Verdrag inzake de bescherming van archeologisch erfgoed (het verdrag van Valletta, kortweg Malta genoemd) is in 1992 door twintig Europese staten, waaronder Nederland, getekend en werd in 1998 met een goedkeuringswet bekrachtigd. Vervolgens werd het verdrag op 1 september 2007 in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. Het Verdrag van Valletta (Malta) gaat uit van het in de bodem bewaren van archeologische waarden op de locatie zelf ('in situ'). De achterliggende gedachte is dat de bodem zich nog steeds als de beste bewaarplaats bewezen heeft. Een andere gedachte, die hierbij speelt, is het gegeven dat latere generaties mogelijk over betere technieken van opgraven kunnen beschikken. Malta wil verder bevorderen dat in een zo vroeg mogelijk stadium van ruimtelijke ordening al rekening wordt gehouden met archeologische waarden. Tenslotte gaat het verdrag uit van het beginsel 'de veroorzaker betaalt'. Dat wil zeggen dat degene die de bodem wil verstoren het archeologisch (voor)onderzoek en de eventuele opgraving zelf moet betalen.
Op de Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden heeft het gebied een lage trefkans op archeologische waarden. Er bevindt zich één waarneming nabij het plangebied, maar deze is om administratieve redenen hier geplaatst (de werkelijke vindplaats is onbekend). In de wijde omgeving komen geen AMK-terreinen voor. Geomorfologisch en bodemkundig is het plangebied niet gekarteerd, maar op historische kaarten is het voormalige eiland kleiner.
Het gemeentelijk archeologisch beleid is nog niet formeel vastgesteld. In dit beleid is het uitgangspunt dat bij een verwachtingswaarde van 50% of hoger een specifieke beschermingsregeling wordt opgenomen in het bestemmingsplan. Volgens de archeologische verwachtingskaart geldt voor dit plangebied een archeologische verwachtingswaarde van 10%. De archeologische dienst heeft aangegeven dat de grond in dit gebied al geroerd is en er zijn geen bewoningsporen te verwachten. Mocht tijdens de werkzaamheden toch iets gevonden worden dan zal dit terstond gemeld moeten worden.
Sinds 1 april 2002 regelt de Flora- en faunawet de bescherming van in het wild voorkomende inheemse planten en dieren. In de wet is geregeld dat bij ruimtelijke plannen met mogelijke gevolgen voor beschermde planten en dieren het verplicht is om vooraf te toetsen of deze plannen kunnen leiden tot overtreding van algemene verbodsbepalingen. Wanneer dat het geval dreigt te zijn, moet onderzocht worden of er maatregelen genomen kunnen worden om dit te voorkomen, of de gevolgen voor beschermde soorten te verminderen.
Door Ecoreest uit Zuidwolde is in februari een quickscan ecologie uitgevoerd. Aanleiding tot het onderzoek was de voorgenomen sloop van 26 woningen ter plaatse van het plangebied.
Doel van het onderzoek is het verkrijgen van een beeld omtrent de aanwezige habitats en de voorkomende beschermde dier- en plantensoorten ter plaatse van het onderzoeksterrein en de mogelijk significante negatieve invloeden van de sloop en herontwikkeling op deze voorkomende habitats en beschermde soorten. Alsmede het in kaart brengen van te nemen vervolgstappen ter voorkoming overtreding voorschriften voortvloeiende uit de vigerende natuurwetgeving.
Conclusie en aanbevelingen.
Uit de quickscan blijkt dat de onderzoekslocatie verblijfplaatsen herbergt van de huismus en de huiszwaluw. Daarnaast is er sprake van potentiële verblijfplaatsen voor vleermuizen:
Er is geadviseerd een nader huismussen, huiszwaluwen en een nader vleermuisonderzoek uit te voeren.
De quickscan is als Bijlage 1 Quickscan ecologie toegevoegd bij dit plan.
Naar aanleiding van de resultaten van de quickscan ecologie is er in oktober 2013 door EcoGroen Advies BV uit Zwolle een onderzoek verricht naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen en jaarrond beschermde nestplaatsen van vogels.
Onderzoek vleermuizen
Tijdens het onderzoek is in het plangebied één paarverblijfplaats van Ruige dwergvleermuis aangetroffen. Omdat deze vaste verblijfplaats door de plannen vernietigd zal worden dienen mitigerende maatregelen te worden genomen waardoor functionaliteit van het leefgebied van Ruige dwergvleermuis gewaarborgd blijft in het plangebied. Volgens de door Dienst Regelingen opgestelde soortenstandaard Ruige dwergvleermuis is het noodzakelijk dat voor elke aan te tasten of te verwijderen verblijfplaats minimaal drie nieuwe (permanente) verblijfplaatsen worden gecreëerd in de vorm van (inmetsel)kasten of vergelijkbare voorzieningen. De maatregelen bestaan uit het ophangen van tijdelijke verblijfplaatsen (kasten) in de omgeving van het plangebied en een zorgvuldige sloop van de bebouwing buiten de kwetsbare periodes van de Ruige dwergvleermuis.
Deze maatregelen dienen te worden opgenomen in een door Dienst Regelingen goedgekeurd activiteitenplan (als onderdeel van een ontheffingaanvraag).
Beperkte houdbaarheid vleermuisonderzoek
Vleermuizen maken gebruik van een netwerk van verblijfplaatsen en wisselen, behalve in de winter, regelmatig van verblijfplaats. Gezien dit mobiele karakter van vleermuizen is vleermuizenonderzoek juridisch gezien slechts voor een bepaalde periode rechtsgeldig. Volgens het Ministerie van EZ zijn er geen richtlijnen hoe lang een vleermuizenonderzoek ‘houdbaar’ is. Over het algemeen wordt een periode van één tot maximaal twee jaar aangehouden.
Onderzoek broedvogels met jaarrond beschermde nesten
In het plangebied zijn 14 nestplaatsen van Huismus aanwezig. Als gevolg van de sloop van de woningen is het, volgens de door Dienst Regelingen opgestelde soortenstandaard Huismus, noodzakelijk dat voor elke aan te tasten of te verwijderen verblijfplaats minimaal twee nieuwe verblijfplaatsen worden gecreëerd in de vorm van bijvoorbeeld nestkasten, neststenen of vogelvides of vergelijkbare voorzieningen. In dit geval dienen voorafgaande aan de sloop minimaal 28 tijdelijke alternatieve nestplaatsen te worden gerealiseerd in de directe omgeving van het plangebied. In de uiteindelijke nieuwbouw dienen minimaal 28 permanente nestlocaties te worden gerealiseerd. Op deze wijze zal de functionaliteit van de vaste verblijfplaatsen van Huismus worden gegarandeerd. Voorgestelde maatregelen dienen te worden vastgelegd in een door Dienst Regelingen goedgekeurd activiteitenplan (als onderdeel van een ontheffingaanvraag).
Overige broedvogels
De werkzaamheden dienen buiten het broedseizoen van vogels te worden opgestart. Voor de meeste van de aanwezige broedvogels kan de periode tussen half maart en half juli worden aangehouden als broedseizoen. De broedperiode verschilt per soort en soms ook per jaar en in het kader van de Flora- en faunawet wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd (Huiszwaluw en Huismus kunnen bijvoorbeeld nog tot begin september broedend aanwezig zijn, Turkse tortel soms zelfs tot in december). Van belang is of een broedgeval wordt verstoord, ongeacht de datum. Indien op een locatie geen broedende/nestelende vogels aanwezig zijn, mag het aanwezige geschikte broedbiotoop ook tijdens het broedseizoen verwijderd worden.
Omdat door de plannen acht nestplaatsen van Huiszwaluw verdwijnen is het wenselijk om de nieuwbouw geschikt te maken voor de soort. Dit kan (afhankelijk van het uiteindelijke ontwerp) door het plaatsen van kunstnesten of het plaatsen van steunbalken op het overstek van de nieuwbouw. Daarnaast is van belang dat het overstek en de steunbalken wit geschilderd worden. De verf dient bij voorkeur mat/ruw op te drogen, de Huiszwaluwen hebben dan meer grip voor het aanbrengen van de klei voor hun nesten.
Eindconclusies
Voor het verwijderen van een paarverblijfplaats van Ruige dwergvleermuis en 14 nestplaatsen van Huismus dient een ontheffing in het kader van de Flora- en faunawet te worden aangevraagd. Onderdeel van deze ontheffingaanvraag is een activiteitenplan waarin maatregelen worden beschreven die de functionaliteit van het leefgebied van beide soorten garanderen.
Daarnaast verdwijnen door de plannen acht nestplaatsen van Huiszwaluw. Het is wenselijk de nieuwbouw geschikt te maken voor deze soort.
Opdrachtgever heeft begin 2014 de woningen gesloopt nadat aan alle bovenstaande voorwaarden was voldaan.
Het aanvullend vleermuizen en broedvogelonderzoek is als Bijlage 2 Aanvullend vleermuizen en broedvogel onderzoek toegevoegd aan dit plan.
In verband met de sloop van de woningen aan de Scheepvaartlaan is in december 2013 door EcoGroen Advies BV uit Zwolle een ecologisch werkprotocol Ruige dwergvleermuis en Huismus opgesteld.
Vleermuizen
Omdat mitigerende maatregelen worden getroffen en er bovendien op korte termijn ruim voldoende uitwijkmogelijkheden aanwezig zijn in geschikte bebouwing in het omliggende stedelijke gebied, worden op de korte én lange termijn geen negatieve effecten verwacht op de functionaliteit van het leefgebied van Ruige dwergvleermuis.
Huismus
Omdat mitigerende maatregelen worden getroffen en er bovendien ruim voldoende alternatieve slaap- en rustmogelijkheden aanwezig zijn in geschikte bebouwing in het omliggende stedelijke gebied, worden op de korte én lange termijn geen negatieve effecten verwacht op de functionaliteit van het leefgebied van Huismus.
Broedvogels
Omdat door de plannen acht nestplaatsen van Huiszwaluw verdwijnen is het wenselijk om de nieuwbouw geschikt te maken voor de soort. Voor overige aanwezige broedvogelsoorten geldt dat ze weinig kritisch zijn en dermate algemeen voorkomen in Nederland dat er voldoende uitwijkmogelijkheden zijn in de omgeving van het plangebied. Wel dient bij de uitvoering van de werkzaamheden rekening gehouden te worden met het broedseizoen van deze soorten.
Aangezien met bovenstaande maatregelen rekening is en wordt gehouden is het aspect ecologie geen belemmering voor het plan.
Het werkprotocol is als Bijlage 3 Ecologisch werkprotocol toegevoegd bij dit plan.
In februari 2014 is door Ecoreest uit Zuidwolde een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Aanleiding tot het onderzoek is de voorgenomen herontwikkeling ter plaatse van het onderzoeksterrein. Doel van het onderzoek is een indruk te verkrijgen over de eventuele aanwezigheid van verontreinigingen in de grond en in het grondwater van het onderzoeksterrein. Dit gebeurt teneinde te bepalen of er vanuit milieuhygiënisch oogpunt belemmeringen bestaan voor het toekomstige gebruik van de locatie (wonen en openbaar groen).
Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat in de bovengrond en in het grondwater overschrijdingen van de achtergrondwaarden (grond) en streefwaarden (grondwater) uit de Wet bodembescherming zijn aangetoond. De tussenwaarden nader onderzoek zijn niet overschreden. De onderzoekshypothese, zijnde een onverdachte locatie, wordt hiermee derhalve verworpen op basis van het verhoogde gehalte aan kwik en PCB in de grond. Gezien de aard en de concentraties van de aangetoonde parameters in relatie tot de bestemming (wonen en openbaar groen) van het terrein, concluderen wij dat verhoogde risico's voor de volksgezondheid en/of het milieu op basis van de aangetoonde milieuhygiënische bodemkwaliteit, niet te verwachten zijn. De resultaten van het onderzoek vormen dan ook geen aanleiding tot nader onderzoek en zijn geen milieuhygiënische belemmering in relatie tot de woonbestemming van het terrein.
Toepassing van eventueel vrijkomende de grond op het terrein zelf achten wij milieuhygiënisch verantwoord. Toepassing van eventueel vrijkomende grond elders kan eventueel plaats vinden binnen een gemeentelijke bodemkwaliteitskaart of met een aanvullend AP-04 onderzoek. De gemeente waar de grond eventueel wordt toegepast is hierbij het bevoegd gezag.
Het verkennend bodemonderzoek is als Bijlage 4 Verkennend bodemonderzoek toegevoegd bij dit plan.
De Wet geluidhinder (Wgh) heeft tot doel de mensen te beschermen tegen geluidsoverlast ten gevolge van weg-, spoorweg- of industrielawaai. Op basis van deze wet dient bij het opstellen van het bestemmingsplan dan ook aandacht te worden geschonken aan het aspect "geluid". In de Wet geluidhinder is een zonering van industrieterreinen, wegen en spoorwegen geregeld. Enerzijds betekent dit dat (geluids)eisen worden gesteld aan de milieubelastende functies, anderzijds betekent dit dat beperkingen worden opgelegd aan milieugevoelige functies. De verplichting tot het uitvoeren van een akoestisch onderzoek in relatie tot het opstellen van een bestemmingsplan geldt niet indien in dat bestemmingsplan geen mogelijkheden worden geboden voor het realiseren van nieuwe woningen en andere geluidgevoelige objecten.
Aangezien er woningen (geluidgevoelige object) in het plangebied wordt gerealiseerd, dient er akoestisch onderzoek uitgevoerd te worden.
Met betrekking tot geluid veroorzaakt door het wegverkeer is in de Wet geluidhinder de verplichting opgenomen tot het verrichten van onderzoek naar de geluidsbelasting op de gevels van (nieuw geprojecteerde) woningen en andere geluidgevoelige objecten. Op grond van artikel 74 van de Wet geluidhinder (Wgh) hoofdstuk VI, afdeling 1 bevindt zich aan weerszijden van een weg een zone. Als in deze zone geluidgevoelige bebouwing wordt geprojecteerd dan dient akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd. De breedte van deze zone is afhankelijk van:
In stedelijk gebied worden twee typen wegen onderscheiden, met aan weerszijden van de weg de volgende zonebreedtes:
In buitenstedelijk gebied worden drie typen wegen onderscheiden, met aan weerszijden van de weg de volgende zonebreedtes:
De volgende wegen hebben op grond van artikel 74 Wgh geen zone:
Aangezien het plan is gelegen in een 30 km/uur zone en buiten de zonebreedte van de provinciale weg naar Meppel is gelegen is een akoestisch onderzoek niet noodzakelijk.
In februari 2014 is door VOBRU uit Nieuwleusen een onderzoek uitgevoerd naar industrielawaai. Het bouwblok aan de noordzijde van het plan is gelegen binnen de zone van het gezoneerd industrieterrein 'Meppelerdiep/Zomerdijk'. In kader van het bouwplan heeft het bevoegd gezag, de gemeente Zwartewaterland, een akoestisch onderzoek verlangd voor het inzichtelijk maken van de geluidbelasting op de gevels van de toekomstige woningen ter vaststelling van een hogere grenswaarde in kader van industrielawaai.
Het betreffende bouwblok is gelegen op een afstand van circa 18 meter vanaf de vigerende 50 dB(A) bestemmingsplancontour en het dichtstbijzijnde 50 dB(A) toetsingspunt 020.
Het akoestisch onderzoek geeft inzicht in de optredende geluidsbelasting ten gevolge van de gevestigde en toekomstige bedrijven op het gezoneerd industrieterrein 'Meppelerdiep/Zomerdijk. De vastgestelde geluidsbelasting voor het bouwplan wordt in kader van industrielawaai vervolgens getoetst aan het geldende wettelijke kader (Wet geluidhinder (Wgh).
Voor bepaling van de geluidbelasting is in tabel 4.1 de gereserveerde geluidsruimte (zie tabel 2.1) opgeteld bij de berekende waarden. Ter plaatse van rekenpunt 02(16), 05(16), 09(11) en 10(10) is de cumulatief bepaalde waarde nagenoeg gelijk aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A). De geluiduitstraling van de industriële bedrijven is divers en afhankelijk van ontwikkelingen op bedrijfsniveau.
Voor realisatie van het bouwplan wordt geadviseerd om ter plaatse van de gevel achter rekenpunt 02(16) en 05(14) een hogere waarde van 51 dB(A) vast te stellen. In navolgende afbeelding is de betreffende gevel middels een blauwe lijn weergegeven.
In kader van de Wet geluidhinder is geen belemmering aanwezig voor de bouw van de woningen in het plangebied gelegen aan de Scheepvaartlaan te Zwartsluis. De bepaalde cumulatieve geluidbelasting is in kader van het bouwbesluit van belang om een afweging te maken m.b.t. de vereiste karakteristieke gevelwering ten opzichte van de wettelijk gestelde binnenwaarde van 35 dB(A). De karakteristieke gevelwering dient te zijn afgestemd op de cumulatief bepaalde geluidbelasting (zie tabel 4.1). Concreet betekend dit dat de gevelwering ter plaatse van rekenpunt 02(16) en 05(14) moet voldoen aan 51 dB(A) minus 35 dB(A) = 16 dB(A). In kader van het bouwbesluit wordt een minimale geluidwering voorgeschreven van 20 dB(A), dit betekend dat bij traditionele bouw ruimschoots wordt voldaan aan de vereiste gevelwering.
Het onderzoek industrielawaai is als Bijlage 5 Industrielawaai toegevoegd bij dit plan.
De kern van de Wet luchtkwaliteit (titel 5.2 luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer) is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is een bundeling maatregelen op regionaal, nationaal en internationaal niveau die de luchtkwaliteit verbeteren en waarin alle ruimtelijke ontwikkelingen/projecten zijn opgenomen die de luchtkwaliteit verslechteren.
Het doel van de NSL is om overal in Nederland te voldoen aan de Europese normen voor de luchtverontreinigende stoffen, waarvan stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) de belangrijkste zijn. Met het van kracht worden van het NSL per 1 augustus 2009 zijn de tijdstippen waarop moet worden voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarden NO2 en PM10 van 40 ìg/m3 aangepast. Het tijdstip waarop aan de normen voor PM10 moet worden voldaan is uitgesteld tot 11 juni 2011. Het tijdstip waarop aan de normen voor NO2 moet worden voldaan is voor Nederland 1 januari 2015.
Naast de introductie van het NSL is de invoering van het begrip “niet in betekenende mate bijdrage” (NIBM) een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit. Een project draagt NIBM bij aan de luchtkwaliteit als zowel de jaargemiddelde grenswaarde NO2 als PM10 niet meer toeneemt dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde van die stof. Dit betekent, kortweg, dat als de toename van de beide jaargemiddelde concentraties kleiner is of gelijk is aan 1,2 ìg/m3 (3% van 40 ìg/m3) een ontwikkeling kan worden beschouwd als een project die NIBM bijdraagt aan de luchtkwaliteit.
Een ruimtelijke ontwikkeling kan volgens de Wet luchtkwaliteit doorgang vinden als:
Afweging
In de Regeling NIBM is voor een woningbouwlocatie een cijfermatige kwalificatie opgenomen wanneer zo’n project als NIBM kan worden beschouwd. De cijfermatige kwalificatie bedraagt 1.500 nieuwe woningen bij een ontsluitingsweg of 3.000 nieuwe woningen bij twee ontsluitingswegen, waarbij het wegverkeer zich evenredig over de beide ontsluitingswegen verdeelt.
In het bestemmingsplan "Scheepvaartlaan Zwartsluis" worden in totaal 16 nieuwe woningen mogelijk gemaakt. Het plan kan, gelet op de cijfermatige kwantificatie uit de Regeling NIBM, daarom worden aangemerkt een NIBM-project.
Conclusie
Volgens artikel 5.16, lid 1 aanhef en onder c Wm levert de realisatie van het voorliggende bestemmingsplan geen belemmeringen op met betrekking tot de luchtkwaliteit. Het plan is realiseerbaar zonder maatregelen aangaande luchtkwaliteit te treffen.
In het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is het verplicht de Watertoets uit te voeren. De Watertoets is een waarborg voor water in ruimtelijke plannen en besluiten. Deze standaard waterparagraaf heeft betrekking op het bestemmingsplan Scheepvaartlaan Zwartsluis.
Waterhuishouding
Het plan loopt geen verhoogd risico op wateroverlast als gevolg van overstromingen. Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. In het verleden is er in of rondom het plangebied geen wateroverlast of grondwateroverlast geconstateerd. De toename van het verharde oppervlak is minder dan 1.500m2.
Voorkeursbeleid hemelwaterafvoer
In het plan wordt gestreefd het voorkeursbeleid van het waterschap op te volgen. Als het hemelwater niet wordt aangekoppeld of wordt afgekoppeld van het bestaande rioolstelsel is oppervlakkige afvoer en infiltreren in de bodem uitgangspunt. Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst. Speciale aandacht wordt besteed aan duurzaam bouwen en een duurzaam gebruik van de openbare ruimte om een goede kwaliteit van het afgekoppelde hemelwater te garanderen.
Aanleghoogte van de bebouwing
Voor de aanleghoogte van de gebouwen (onderkant vloer begane grond) wordt een ontwateringsdiepte geadviseerd van minimaal 80 centimeter ten opzichte van de gemiddelde hoogste grondwaterstand(GHG). Bij een afwijkende maatvoering is de kans op structurele grondwateroverlast groot. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een geringere ontwateringsdiepte. Om wateroverlast en schade in woningen en bedrijven te voorkomen wordt geadviseerd om een drempelhoogte van 30 centimeter boven het straatpeil te hanteren. Ook voor lager, beneden het maaiveld, gelegen ruimtes (kelders, parkeergarages) moet aandacht worden besteed aan het voorkomen van wateroverlast.
Watertoetsproces
Het Waterschap Reest en Wieden is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de korte procedure van de watertoets is toegepast. De bestemming en de grootte van het plan hebben een geringe invloed op de waterhuishouding.
"De procedure in het kader van de watertoets is goed doorlopen conform de Handreiking Watertoets III. Waterschap Reest en Wieden heeft een positief wateradvies gegeven.
Wettelijk kader externe veiligheid
Externe veiligheid heeft betrekking op de gevaren die mensen lopen als gevolg van aanwezigheid in de directe omgeving van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen inrichtingen waar gevaarlijke stoffen worden bewaard en/of bewerkt, transportroutes waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd en ondergrondse buisleidingen. De aan deze activiteiten verbonden risico's moeten tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijven.
Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi).
Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is het wettelijke kader vastgelegd in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen en de onderliggende regelgeving.
Voor ondergrondse buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).
Bij de beoordeling van de externe veiligheidssituatie zijn twee begrippen van belang:
Het plaatsgebonden risico (PR) richt zich, als maat voor het risico vanwege activiteiten met gevaarlijke stoffen, vooral op de basisveiligheid voor personen in de omgeving van die activiteiten. Aan het PR is een wettelijke grenswaarde verbonden die niet mag worden overschreden. Het PR wordt "vertaald" als een risicocontour rondom een risicovolle activiteit, waarbinnen geen kwetsbare objecten (bijv. woningen) mogen liggen.
Het groepsrisico (GR) is een maat voor de maatschappelijke ontwrichting, als gevolg van een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Rondom een risicobron wordt een invloedsgebied gedefinieerd, waarbinnen grenzen worden gesteld aan het maximaal aanvaardbare aantal personen, de z.g. oriënterende waarde (OW). Dit is een richtwaarde, waarvan het bevoegd gezag, mits afdoende gemotiveerd, kan afwijken. Deze verantwoordingsplicht geldt voor elke toename van het GR, ook als de OW niet wordt overschreden.
Beleidskader elektromagnetische straling
Voor hoogspanningslijnen is het beleidskader beschreven in het 'Advies met betrekking tot hoogspanningslijnen' (Min. VROM d.d. 5 oktober 2005). Hierin adviseert de Staatssecretaris van Infrastructuur en milieu het in acht nemen van een veiligheidszone, waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla.
Voor zendmasten (omroep/GSM/UMTS) zijn in de EU-publicatie 1999/519/EG blootstellingslimieten aanbevolen voor personen die permanent in de nabijheid van zendmasten verblijven. Nederland heeft deze aanbeveling overgenomen en opgenomen in de Telecommunicatiewet.
Onderzoek
Beschrijving huidige risicosituatie
Onderstaande uitsnede van de Risicokaart toont de omgeving van het plangebied.
Risicobedrijven:
Er zijn geen inrichtingen aanwezig waarvan de risicocontouren het plangebied beïnvloeden.
Transport van gevaarlijke stoffen:
Er zijn in de omgeving van het plangebied geen transportroutes aanwezig waarvan de risicocontouren het plangebied beïnvloeden.
Buisleidingen:
Er zijn geen buisleidingen aanwezig waarvan de risicocontouren het plangebied beïnvloeden.
Hoogspanningslijnen:
Er zijn geen hoogspanningslijnen aanwezig waarvan de risicocontouren het plangebied beïnvloeden.
Zendmasten:
Uit de gegevens op de website www.antenneregister.nl blijkt dat de in het plangebied aanwezige zendmasten geen overschrijdingen veroorzaken van de geldende blootstellingslimieten voor elektrische en magnetische veldsterkten (zie navolgende afbeelding).
Beoordeling nieuwe situatie:
De toekomstige situatie zal niet leiden tot het ontstaan van een plaatsgebonden risico of een groepsrisico.
Conclusie
Op basis van de provinciale risicokaart kan gesteld worden dat in het plangebied en directe omgeving zich geen risicovolle inrichtingen, transportroutes of buisleidingen bevinden die van invloed zouden kunnen zijn op de voorgestane ontwikkelingen. De externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de geplande ontwikkelingen.
Dit plan laat zich aanmerken als een gedetailleerd bestemmingsplan. De bestemmingen geven tot in detail inzicht in de bouw- en gebruiksmogelijkheden. De regels en plankaart (verbeelding) zijn de juridisch bindende onderdelen.
De regels geven inhoud aan de op de plankaart aangegeven bestemmingen. Ze geven aan waarvoor de gronden en opstallen al dan niet gebruikt mogen worden en wat en hoe er gebouwd kan of mag worden.
Voor de regelgeving geldt dat voor iedere bestemming die is opgenomen, een omschrijving dient te worden gegeven waarin de doeleinden van de betreffende bestemming worden aangegeven. Het gaat om de doeleinden die met het oog op een goede ruimtelijke ordening aan de in het plan begrepen gronden zijn toegekend.
Hoewel bij de opzet van de regels getracht is het aantal regels zo beperkt mogelijk te houden en slechts datgene te regelen dat werkelijk noodzakelijk is, kan een dergelijke regeling waarschijnlijk niet in alle zich voordoende situaties voorzien. Daarom zijn soms flexibiliteitsbepalingen opgenomen in de vorm van ontheffingen.
De uitvoering daarvan berust bij het bevoegd gezag. Deze bepalingen maken afwijkingen van geringe aard mogelijk, waarbij de aan de grond toegekende bestemming niet mag worden gewijzigd. Indien er ontwikkelingen plaatsvinden buiten deze visie, dan is een nieuwe afweging noodzakelijk die - bij een positieve uitkomst - via een formele planherziening zijn beslag dient te krijgen.
De bij dit plan behorende regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. De indeling is als volgt:
In hoofdstuk 1 worden enkele in de regels gehanteerde begrippen nader verklaard, zodat interpretatieproblemen zoveel mogelijk worden voorkomen. Daarnaast wordt aangegeven op welke wijze bepaalde afmetingen dienen te worden gemeten. In hoofdstuk 2 worden de bestemmingen omschreven en wordt bepaald op welke wijze de gronden en opstallen gebruikt mogen worden. Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels en in hoofdstuk 4 komt het overgangsrecht aan de orde en de slotregel.
Tuin
Deze bestemming is gebruikt voor de (voor/zij) tuin bij een woning. Binnen de tuinbestemming is geen bebouwing toegestaan, met uitzondering van erkers, erfafscheidingen en tuinmeubilair. Schuren, garages, carports, en ander bij de woning behorende gebouwen moeten op het erf bij de woning worden gebouwd.
Verkeer – Verblijfsgebied
Deze bestemming is gebruikt voor de erftoegangswegen en overige wegen (woonstraten) in het plangebied, waarbij de hoofdfunctie 'verblijf' is. Binnen de bestemming kunnen wegen, voet-en fietspaden, parkeerplaatsen, speelvoorzieningen, kunstwerken, bermen, groenstroken, bermsloten en andere voorzieningen van waterhuishoudkundige aard worden gerealiseerd. Zogenaamd 'snippergroen' is zo veel mogelijk binnen deze bestemming opgenomen om flexibiliteit te behouden voor een eventuele herinrichting van de openbare ruimte.
Wonen – Aaneengebouwd
Deze bestemming is gebruikt voor alle grondgebonden rijwoningen. Voor dit woningtype is op de verbeelding een specifieke diepte van het bouwvlak aangehouden van 10 meter. Hoofdgebouwen mogen alleen binnen het bouwvlak worden opgericht. Voor het bouwen van een hoofdgebouw gelden de bouw- en goothoogtes zoals aangegeven op de verbeelding. De woning mag, onder voorwaarden die er op gericht zijn om de hoofdfunctie te behouden, mede worden gebruikt voor de uitoefening van een beroep aan huis.
De bouwmogelijkheden bij de woning (buiten het bouwvlak) worden onder meer gelimiteerd door een maximum bebouwingspercentage van het bij de woning behorende zij- en achtererf. Voor de hoogte van bijgebouwen en aan-en uitbouwen is onderscheid gemaakt tussen vrijstaande bijgebouwen en aangebouwde bijgebouwen/aan-en uitbouwen.
In gevolg van art. 6.12 Wro stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bouwplan is voorgenomen. Onder bouwplan wordt volgens het Bro onder andere verstaan de bouw van één of meer woningen. Bij de vaststelling van het bestemmingsplan kan de gemeenteraad besluiten geen exploitatieplan vast te stellen, indien het verhaal van de kosten voor de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins is verzekerd, het bepalen van een tijdsvak of fasering niet nodig is en het stellen van eisen, regels of een uitwerking van regels niet noodzakelijk is.
De realisering van het bouwproject is in particuliere handen en alle gronden zijn in eigendom van initiatiefnemers. Er wordt een anterieure exploitatieovereenkomst afgesloten tussen de gemeente en de ontwikkelaar, waarin het kostenverhaal is geregeld. Bij de vaststelling van het bestemmingsplan hoeft daarom door de gemeenteraad geen exploitatieplan te worden vastgesteld.
Het voorontwerpbestemmingsplan 'Scheepvaartlaan Zwartsluis heeft vanaf 3 april tot en met 14 mei 2014 ter inzage gelegen. Tijdens deze periode is eenieder in de gelegenheid gesteld om een inspraakreactie kenbaar te maken. Van de te doorlopen procedure en daaraan verbonden ter inzage termijn is openbare kennisgeving gedaan volgens de wettelijk voorgeschreven kennisbronnen. Er zijn reacties ontvangen.
Op maandag 3 maart 2014 hield buurtvereniging "De Nieuwe Sluis" in samenwerking met de gemeente Zwartewaterland en Wetland Wonen een wijkavond voor de buurt "De Nieuwe Sluis" in het kader van het project burgerparticipatie en wijkgericht werken. De reacties op deze avond waren positief (zie Bijlage 6 Verslag wijkavond).
Daarnaast is op 9 april 2014 van 19.00 - 21.00 uur een open inloopbijeenkomst gehouden aan de Fortresselaan 2 te Zwartsluis (gebouw Frion). Van deze gelegenheid is door niemand gebruik gemaakt.
Het ontwerpbestemmingsplan ‘Scheepvaartlaan Zwartsluis’ heeft met de bijbehorende stukken gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Gedurende deze periode is een ieder in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen op het ontwerpbestemmingsplan. Tegen het ontwerpbestemmingsplan zijn geen zienswijzen ingediend.
Het bestemmingsplan is op 11 september 2014 vastgesteld door het college van Burgemeester en Wethouders (zie Bijlage 7 Vaststellingsbesluit) .