| Plan: | TAM-omgevingsplan 110 kV-kabelverbinding datacenter Winschoten |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1895.TAMgreenbox-0401 |
In Winschoten, gemeente Oldambt, heeft Green Box Computing B.V. het voornemen om een datacenter te realiseren op het Bedrijventerrein Hoogebrug III in de nabijheid van de B. Haitzemastraat. Het betreft een satellietvestiging die als back-up dient voor het hyperscale-datacenter in de Eemshaven. Om dit datacenter van energie te voorzien, dient en 110kV klantaansluiting op het bestaande naastgelegen 110kV-station te worden gerealiseerd.
Om de kabelverbinding planologisch te borgen en beschermende regels te introduceren voor deze kabelverbinding, is voorliggend TAM-omgevingsplan opgesteld om een wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Oldambt te bewerkstelligen, waarmee de kabelverbinding planologisch wordt vastgesteld.
De huidige situatie
Het wijzigingsgebied is gelegen aan de zuid-oostzijde van Winschoten (zie figuur 1-1). Het wijzigingsgebied ligt tussen het hoogspanningsstation Winschoten, het afvalbrengstation van de gemeente Oldambt en de locatie waar het nieuwe datacenter wordt gerealiseerd. Het grasveld ten noorden van het afvalbrengstation is momenteel een bouwterrein. Het wijzigingsgebied zelf bestaat uit oppervlaktewater, bosschages, ruigtes, grasveld en verharde weg.
De directe omgeving bestaat uit de stad Winschoten aan de noordwestkant en agrarische percelen aan de zuid- en oostkant. Het bedrijventerrein Hoogebrug III waar het wijzigingsgebied deel van uitmaakt, wordt aan de zuid- en oostkant begrensd door de Oobtelijke rondweg (N367).
Figuur 1-1: Het wijzigingsgebied
Het voorliggende plan betreft een wijziging van het omgevingsplan gemeente Oldambt (/akn/nl/act/gm1895/2020/omgevingsplan). Met ingang van de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 maken op deze locatie de volgende (bestemmings)plannen deel uit van het omgevingsplan van rechtswege:
De voorgenomen ontwikkeling is niet planologisch beschermd in het vigerende omgevingsplan.
Deze wijziging van het omgevingsplan bestaat formeel uit twee onderdelen:
Deze wijziging van het omgevingsplan gaat vergezeld met een motivering waarin de aan het plan ten grondslag liggende gedachten en de verantwoording zijn opgenomen.
Na dit inleidende hoofdstuk vormen de daaropvolgende hoofdstukken de verantwoording van deze wijziging van het omgevingsplan. Hoofdstuk 2 gaat in op de voorgenomen wijziging. Hoofdstuk 3 beschrijft het Rijks-, provinciaal-, regionaal- en gemeentelijk beleid. Hoofdstuk 4 besteed aandacht aan de relevante beperkingengebieden. Hoofdstuk 5 schetst de landschappelijke, stedenbouwkundige en cultuurhistorische waarden. Hoofdstuk 6 geeft inzicht in diverse aspecten die relevant zijn voor de fysieke leefomgeving. In hoofdstuk 7 wordt de uitvoerbaarheid van deze wijziging uiteengezet. Hoofdstuk 8 biedt een artikelsgewijze toelichting van de in de wijziging van dit omgevingsplan opgenomen regels. Ten slotte vindt in hoofdstuk 9 de belangenafweging plaats.
Green Box Computing B.V. is voornemens een 110kV kabel aan te leggen tussen het beoogde datacenter en het hoogspanningsstation Winschoten. Deze kabel zal worden aangelegd middels een horizontale gestuurde boring vanaf het hoogspanningsstation Winschoten. De boring wordt op voldoende diepte onder de aanwezige watergang uitgevoerd. Aan weerszijden van de boring zal een beperkte ontgraving nodig zijn om de kabels vanuit de boring aan te sluiten binnen het hoogspanningsstation en binnen het datacenter. De watergang en oevers blijven ongemoeid.
Het beoogde tracé loopt van het hoogspanningsstation richting de locatie van het nieuwe datacenter ten noorden van de B. Haitzemastraat 3. In figuur 2-1 is het tracé weergegeven (roze ingekleurde gebied). De lengte van het tracé is circa 155 meter.
Figuur 2-1: Ontwerptekening van het voornemen van het wijzigingsgebied.
In dit hoofdstuk wordt het beleidskader dat relevant is voor het project toegelicht en wordt het project hieraan getoetst. Er wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds beleid van hogere overheden waar lagere overheden rekening mee moeten houden, doch gemotiveerd van kunnen afwijken en anderzijds instructieregels van hogere overheden in omgevingsverordeningen en het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl).
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. Met de NOVI kan het Rijk inspelen op de grote uitdagingen die er voor Nederland liggen. Allerlei trends en ontwikkelingen hebben invloed op de leefomgeving. Veranderende en groeiende steden, de overgang naar een duurzame en circulaire economie en het aanpassen aan de gevolgen van de klimaatverandering vormen een deel van de opgave. Dit biedt kansen, maar vraagt ook om zorgvuldige keuzes, want de ruimte, zowel boven- als ondergronds, is een schaars goed.
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven aan het inrichten van de fysieke leefomgeving. De Nationale Omgevingsvisie richt zich daarbij op vier prioriteiten:
ad 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie
Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering, zoals zeespiegelstijging, hogere rivierafvoeren, wateroverlast en langere perioden van droogte. Nederland is in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, bijvoorbeeld voldoende groen en ruimte voor wateropslag in onze steden. Voordeel is dat daarmee tegelijk de leefomgevingskwaliteit verbeterd wordt en het kansen biedt voor natuur.
In 2050 heeft Nederland een duurzame energievoorziening. Dit vraagt ruimte, onder meer voor windturbines en zonnepanelen. Het Rijk zet zich daarnaast in voor het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofd energiesysteem op nationale schaal.
ad 2. Duurzaam economisch groeipotentieel
Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan Nederland zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Dit vraagt goede verbindingen via weg, spoor, lucht, water en digitale netwerken en een nauwe samenwerking met internationale partners, Het Rijk zet in op een sterk en innovatief vestigingsklimaat met een goede quality of life: een leefomgeving die de inwoners volop voorzieningen biedt op het gebied van wonen, bewegen, recreëren, ontmoeten en ontspannen. Belangrijk is wel dat de Nederlandse economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair. Het Rijk zet daarbij in op het gebruik van duurzame energiebronnen en op verandering van productieprocessen, zodat Nederland niet langer afhankelijk is van eindige, fossiele bronnen.
ad 3. Sterke en gezonde steden en regio's
Nederland versterkt het Stedelijk Netwerk Nederland en breidt dit uit, waarbij de richting van de verstedelijking wordt gekoppeld aan die van de ontwikkeling van (OV-)infrastructuur. Wonen en werken worden zoveel mogelijk in elkaars nabijheid ontwikkeld in de regio's waar er vraag is. Om het netwerk als geheel te benutten, zijn goede verbindingen tussen de stedelijke regio's nodig. Het Rijk hanteert een integrale verstedelijkingsstrategie voor duurzame stedelijke ontwikkeling, waarbij verstedelijking geconcentreerd plaatsvindt in de regio. Bij de invulling van de integrale verstedelijkingsstrategieën op regionale schaal wordt ingezet op een voorkeursvolgorde voor de ontwikkeling van nieuwe woon- en werklocaties. Deze volgorde wordt ook gehanteerd als groei in niet-stedelijk gebied moet plaatsvinden. Het Rijk richt de leefomgeving zo in dat deze een actieve, gezond leefstijl en maatschappelijke participatie bevordert en dat het aanbod en de kwaliteit van het groen in de stad worden versterkt. Daarbij worden steden en regio's klimaatbestendig ingericht.
ad 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied
Nederland zet in op het verbeteren van de balans tussen landgebruik en de kwaliteit van landschap, bodem, water en lucht. Dit betekent dat landgebruik in balans wordt gebracht met natuurlijke systemen en dat ontwikkelingen in het landelijk gebied niet ten koste gaan van landschappelijke kwaliteiten. Het landgebruik moet meer afgestemd worden op zoetwaterbeschikbaarheid en -gebruik. Middels een voorkeursvolgorde regionaal waterbeheer wordt ingezet op het voorkomen van wateroverlast en tekorten. Het Rijk maakt een duurzaam en vitaal landbouw- en voedselsysteem mogelijk, gebaseerd op kringlopen en natuurinclusiviteit. De biodiversiteit wordt beschermd en versterkt en het natuurlijk kapitaal wordt duurzaam benut. Het Rijk zet in op het versterken en beschermen van unieke landschappelijke kwaliteiten. Nieuwe ontwikkelingen in het landelijk gebied voegen landschapskwaliteit toe. Hierbij wordt het omgevingsbeleid landschapsinclusief.
Om de beleidskeuzes op een heldere en voorspelbare manier te maken, hanteert de NOVI drie afwegingsprincipes, die helpen bij het prioriteren van de verschillende belangen en opgaven:
De uitvoering van de NOVI vraagt om nieuwe manieren van samenwerken met blijvende brede, maatschappelijke betrokkenheid en inzet van overheden. Hierbij hanteert het NOVI vier uitgangspunten:
Relatie met het omgevingsplan
Door de kabelverbinding te realiseren kan het nieuwe datacenter worden voorzien van elektriciteit. Dit geeft een impuls aan het landelijke digitale datanetwerk. Door de digitale datanetwerken te verbeteren, draagt de ontwikkeling bij aan de duurzame economische groeipotentieel van Nederland. De voorgenomen ontwikkeling is dus in lijn met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI).
Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) richt zich op bestuursorganen en geeft inhoudelijke normen waaraan zij hun taken en bevoegdheden ontlenen, onder andere bij het opstellen van omgevingsplannen, omgevingsverordeningen, waterschapsverordeningen en het vaststellen van omgevingsvergunningen en projectbesluiten. In hoofdstuk 5 van het Bkl zijn de instructieregels opgenomen die de gemeente bij het opstellen van het omgevingsplan in acht moet nemen. Deze instructieregels kunnen worden opgevat als de minimale vereisten waaraan een omgevingsplan in het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet voldoen. Deze instructieregels richten zich op de volgende thema's:
Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen.
In de volgende paragrafen zijn de voor deze motivering van toepassing zijnde instructieregels opgenomen.
Artikel 5.2 van het Bkl omvat een instructieregel om in een omgevingsplan het belang van het voorkomen, beperken en bestrijden van een brand, een ramp of een crisis mee te nemen in de afweging. De (aanleg en aanwezigheid van een) ondergrondse 110kV-verbinding is geen activiteit die betrekking heeft op de omgevingsveiligheid. Evenmin is het een activiteit die als gevoelig wordt aangemerkt in het kader van omgevingsveiligheid.
Relatie met het omgevingsplan
Het aspect omgevingsveiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de onderhavige ontwikkeling.
Op grond van artikel 5.37 van het Bkl moet bij het wijzigen van het omgevingsplan rekening worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij is aangegeven dat de opvattingen van de waterbeheerder moeten worden betrokken. Er zijn diverse beleidsdocumenten op verschillende bestuursniveaus die ten grondslag liggen aan de uitgangspunten op het gebied van duurzaam waterbeheer. Op Europees niveau is dit de Kaderrichtlijn Water (KRW), op nationaal niveau het Nationaal Water Programma (NWP), het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) en de Omgevingswet. Het beleid van de waterschappen dat de kwaliteit en veiligheid van watersystemen borgt is opgenomen in de waterschapsverordening.
Relatie met het omgevingsplan
Vanwege de toenemende verstedelijking en klimaatverandering dient steeds meer rekening te worden gehouden met water binnen projecten in de fysieke leefomgeving. De toename van verhard oppervlak zorgt naast hitte en verdroging ook voor een vergrote kans op wateroverlast. Bij alle projecten in de fysieke leefomgeving moeten alle waterhuishoudkundige doelstellingen binnen het projectgebied expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen. Vroegtijdig overleg en afstemming met de waterbeheerders is daarom van groot belang.
Voor de weging van het waterbelang wordt verwezen naar paragraaf 6.3 Weging van het waterbelang.
In paragraaf 5.1.4 van het Bkl worden instructieregels gegeven om de luchtkwaliteit te beschermen. Voor een aantal activiteiten dient de gemeente de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) in acht te nemen. Dit is niet van toepassing wanneer de activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging. De gemeente dient de luchtkwaliteit voornamelijk te toetsen binnen aangewezen aandachtsgebieden. De gemeente gaat na of de toe te laten activiteiten gevolgen hebben voor de luchtkwaliteit binnen een aandachtsgebied. Dit geldt voor activiteiten die gevolgen hebben voor het gebruik van wegen, water en spoor (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (hierna: Bal).
Relatie met het omgevingsplan
De (aanleg en aanwezigheid van een) ondergrondse 110kV-verbinding is geen activiteit die impact heeft op de luchtkwaliteit. Evenmin is het een activiteit die als gevoelig wordt aangemerkt in het kader van luchtkwaliteit alsmede leidt de kabel niet tot een verkeersaantrekkende werking. Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er met deze ontwikkeling sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
In artikelen 5.78t en 5.78u stelt het Bkl regels om de burger te beschermen tegen hoge geluidsbelastingen. Deze instructieregels stellen beperkingen aan het aanleggen of wijzigen van wegen én het mogelijk maken van nieuwe geluidgevoelige gebouwen die worden beïnvloed door de geluidsbelasting van verkeer of van industrieterreinen. Daarbij beperkt de instructieregel zich tot het zogenoemde geluidaandachtsgebied rond deze (spoor)wegen of een industrieterrein. Dit aandachtsgebied is het gebied langs het (spoor)wegennetwerk of nabij het industrieterrein waarbinnen (zonder rekening te houden met afschermende objecten) de geluidsbelasting hoger is dan de standaardwaarde van 53 dB voor het Lden.
Relatie met het omgevingsplan
De (aanleg en aanwezigheid van een) ondergrondse 110kV-verbinding betreft geen geluidgevoelige functie. Mogelijk kan er tijdens de aanlegfase een lichte stijging zijn van het geluid, als gevolg van werkzaamheden en werkverkeer. Echter is dit effect van tijdelijke aard en liggen er geen gevoelige objecten in de nabijheid van de projectlocatie. Vanuit het aspect geluid is er met deze ontwikkeling sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
In paragraaf 5.1.5.4 van het Bkl is opgenomen dat in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing opgenomen dient te worden van de nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Dit is met het ook op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de Ladder voor duurzame verstedelijking.
Relatie met het omgevingsplan
De (aanleg en aanwezigheid van een) ondergrondse 110kV-verbinding voldoet niet aan de definitie van een nieuwe stedelijke ontwikkeling zoals beschreven in de Ladder voor duurzame verstedelijking. Voor deze ontwikkeling is dus geen laddertoets nodig.
In paragraaf 5.1.8 van het Bkl is opgenomen dat voor zover een omgevingsplan voorziet in nieuwe ontwikkelingen met gevolgen voor de inrichting van de openbare buitenruimte, in dat plan rekening gehouden dient te worden met het bevorderen van de toegankelijkheid van die openbare buitenruimte voor personen met een functiebeperking.
Relatie met het omgevingsplan
De (aanleg en aanwezigheid van een) ondergrondse 110kV-verbinding heeft geen invloed op de toegankelijkheid van de openbare ruimte.
De Omgevingsvisie provincie Groningen 2016-2020 is op 1 juni 2016 vastgesteld door Provinciale Staten. Op 8 november 2023 hebben de Provinciale Staten van de provincie Groningen de omgevingsvisie geconsolideerd. Met deze omgevingsvisie werkt de provincie Groningen aan de ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving op de lange termijn.
Een belangrijk doel van de Omgevingsvisie is om op strategisch niveau samenhang aan te brengen in het beleid voor de fysieke leefomgeving. Daarom zijn in deze Omgevingsvisie zoveel mogelijk de visies op verschillende terreinen zoals ruimtelijke ontwikkeling, landschap en cultureel erfgoed, natuur, verkeer en vervoer, water, milieu en gebruik van natuurlijke hulpbronnen samengevoegd en inhoudelijk met elkaar verbonden. Er zijn ook onderdelen opgenomen van het provinciale beleid voor economie, energie en cultuur en welzijn, voor zover die gevolgen hebben voor de fysieke leefomgeving.
Met deze doelen voor ogen staat de provincie Groningen voor een aantal belangrijke ruimtelijke opgaven. Deze opgaven vragen om ruimtelijke keuzes. Een van de onderwerpen daarbij is de doorontwikkeling van de regio tot Energyport.
Figuur 3-1: De opgaven van de provincie Groningen
Energyport
In Noord-Nederland is de topsector energie een stuwende (inter)nationale economische kracht die verbonden is met andere sterke bedrijfstakken zoals chemie en water(technologie). Dankzij het aanwezige energieproductievermogen, de fijnmazige energie-infrastructuur, de kennispositie en de ruimtelijke kenmerken vervult Noord-Nederland de rol van internationaal energieknooppunt en zijn er uitstekende condities voor de doorontwikkeling van de regio tot Energyport.
Economische facilitering is daarbij één van de opgaven die aan de Energyport verbonden is. De aanwezigheid van energie maakt het gebied aantrekkelijk voor datacentra.
Relatie met het omgevingsplan
Met de ontwikkeling van de kabelverbinding wordt het toekomstige datacenter op het Bedrijventerrein Hoogebrug III van energie voorzien. Dit datacenter zal als back-up dienen voor het hyperscale- datacenter in de Eemshaven. De voorgenomen ontwikkeling is daarmee in lijn met het streven om de industrie van de Eemshaven verder te ontwikkelen voor onder meer datacenters. Het is hiermee niet strijdig met de omgevingsvisie.
In de omgevingsverordening provincie Groningen (geldend vanaf 1 januari 2024) staan regels voor de fysieke leefomgeving in de provincie Groningen. Deze regels richten zich op de thema's ruimtelijke ordening, water, infrastructuur, milieu en ontgrondingen. De omgevingsverordening is nauw verbonden met de omgevingsvisie.
In de Omgevingsverordening zijn instructieregels opgenomen om gemeenten richting te geven bij de invulling van de vergrote lokale afwegingsruimte. De Omgevingsverordening is sectoraal ingericht. Aansluitend op de gedachte van de Omgevingswet is beoogd te komen tot een integrale verordening waarvan de inrichting aansluit op de doelgroepen.
Voor de opbouw van de verordening is gekozen om aan te sluiten bij de opbouw van de Omgevingswet en de onderliggende algemene maatregelen van bestuur. Vanuit wetgevingssystematiek is dit een logische keuze. Praktisch gezien heeft deze keuze als voordeel dat de instructieregels (gericht op gemeenten en waterschappen) en de rechtstreeks werkende regels (gericht op burgers en bedrijven en overheden) worden gegroepeerd in afzonderlijke hoofdstukken.
Navolgend wordt een aantal aspecten uit de verordening toegelicht die samenhangen met de voorgenomen ontwikkeling.
Doordat de voorgenomen ontwikkeling in de gebiedsaanwijzing 'Aardbevingsgebied' ligt, is de instructieregel uit artikel 5.5 van de Omgevingsverordening van toepassing. In Artikel 5.5 zijn de instructieregels opgenomen van het sloopverbod van gebouwen in aardbevingsgebieden. Zo is het verboden om zonder omgevingsvergunning in het aardbevingsgebied een gebouw geheel of gedeeltelijk te slopen. De omgevingsvergunning kan worden verleend indien deugdelijk is gemotiveerd dat vergunningverlening in overeenstemming is met de omgevingsplanregels voor zover:
Relatie met het omgevingsplan
Met de voorgenomen ontwikkeling zal er geen sloop van gebouwen plaatsvinden. De instructieregel vormt daarmee geen belemmering voor het plan.
Daarnaast ligt de voorgenomen ontwikkeling ook in de gebiedsaanwijzingen 'Veiligheidszone 2' en 'Veiligheidszone 4'. Bij deze gebiedsaanwijzingen zijn de instructrieregels uit artikel 3.152 van de Omgevingsverordening van belang. In artikel 3.152 is het volgende opgenomen:
Bij vaststelling van een omgevingsplan dat betrekking heeft op Veiligheidszone 2 en 4 wordt:
Aan het eerste lid wordt voldaan door in te gaan op de volgende aspecten:
Als het omgevingsplan betrekking heeft op een kwetsbare locatie in Veiligheidszone 4, wordt ook ingegaan op de volgende aspecten:
Relatie met het omgevingsplan
Met voorgenomen ontwikkeling wordt er geen (beperkt) kwetsbaar en/of zeer kwetsbaar gebouw gerealiseerd. De instructieregels vormen daarmee geen belemmering voor het plan.
Op 24 april 2024 hebben Provinciale Staten van de provincie Groningen het Regionaal Waterprogramma genaamd 'Programma Water 2024' vastgesteld. Met dit Programma Water beschrijft de provincie Groningen op welke wijze de komende jaren invulling wordt gegeven aan de wateropgaven en welke maatregelen uitgevoerd dienen te worden in Groningen.
In dit document wordt uitvoering gegeven aan voorschriften uit verschillende Europese richtlijnen zoals de Kaderrichtlijn Water (KRW), de Grondwaterrichtlijn (GWR), de Richtlijn overstromingsrisico's (ROR, de Drinkwaterrichtlijn, de Zwemwaterrichtlijn en andere richtlijnen over water. Onderstaand worden de belangrijkste taken en maatregelen besproken die de provincie neemt voor de Kaderrichtlijn Water.
Europese Kaderrichtlijn Water – oppervlaktewater
De provincie wijst KRW-oppervlaktewaterlichamen aan die niet in het beheer zijn bij het Rijk, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen natuurlijke en kunstmatige of sterk veranderde KRW- oppervlaktewaterlichamen. Per KRW-oppervlaktewaterlichaam zijn er specifieke maatregelen geformuleerd. Deze specifieke maatregelen worden grotendeels uitgevoerd door de waterschappen. De provincie combineert samen met de waterschappen haar opgaven voor bijvoorbeeld natuurontwikkeling met de opgaven voor de KRW en komen samen tot integrale maatregelen.
De provincie treft hierin de volgende maatregelen:
Figuur 3-2: Het Groningse watersysteem met thema's en opgaven
Europese Kaderrichtlijn Water en Grondwaterrichtlijn – Grondwater
Verder heeft de provincie ook taken ter implementatie van de KRW voor de kwaliteit en de kwantiteit van het grondwater. De taken zijn onder meer het vaststellen en begrenzen van de doelen van de grondwaterlichamen en de bijbehorende maatregelenpakket en het afstemmen van de doelen en maatregelen voor grond- en wateroppervlaktelichamen met buurprovincies en waterschappen.
Europese Kaderrichtlijn Water en Drinkwaterrichtlijn - Drinkwater
In het kader van de KRW en de Drinkwaterrichtlijn neemt de provincie maatregelen om de risico's die de drinkwaterwinningen bedreigen in kaart te brengen, en vervolgens weg te nemen of te beheersen. Hierbij dient er in elk geval voor gezorgd te worden dat de zuiveringsinspanning niet verhoogd wordt. De provincie neemt dan ook maatregelen om vervuiling in intrekgebieden te voorkomen en daarmee de zuiveringsinspanning op termijn te verlagen. Zo kent de provincie de functie grondwater voor de openbare drinkwatervoorziening toe aan de locaties van de bestaande winningen en worden er in de provinciale omgevingsverordening (POV) de grondwaterbeschermingsregels vastgelegd.
Relatie met het omgevingsplan
De voorgenomen ontwikkeling betreft de aanleg en aanwezigheid van een kabelverbinding om het datacenter in de omgeving van de B. Haitzemastraat in Winschoten van energie te voorzien. De watergang waar de kabel in komt te liggen maakt geen onderdeel uit van de KRW oppervlake waterlichamen. Bovendien is de kabel niet gelegen in intrekgebieden of waterwingebieden waardoor er ook geen effect op drinkwater wordt verwacht.
De ontwikkeling doet hiermee op geen enkele wijzen afbreuk aan het Regionaal Waterprogramma Provincie Groningen (2024).
In de ‘Waterschapsverordening Hunze en Aa’s’ staan alle doelen, regels, procedures en verantwoordelijkheden voor het beschermen en beheren van de waterbelangen. In de verordening wordt verder uitgeweid over de regels, voorschriften en verantwoordelijkheden per activiteit. Hierin onderscheidt het waterschap drie hoofdactiviteiten, namelijk:
Relatie met het omgevingsplan
In paragraaf 6.3 van deze motivering wordt ingegaan op de weging van het waterbelang.
Op 30 oktober 2017 is de Omgevingsvisie van de gemeente Oldambt vastgesteld door de gemeenteraad. De Omgevingsvisie geeft aan naar welke situatie de gemeente in de toekomst toe wil werken. De rol van de gemeente bij de diverse doelen verschilt. Soms zal de gemeente zelf projecten initiëren en in andere situaties zal er meer faciliterend op getreden worden. Met deze Omgevingsvisie wil de gemeente Oldambt ook particuliere initiatiefnemers uitnodigen om een bijdrage te leveren aan de toekomst van Oldambt.
Kernkwaliteiten
De gemeente Oldambt kent verschillende gebiedstyperingen. Deze gebieden hebben ieder hun eigen kwaliteiten, het stedelijk gebied heeft andere kwaliteiten dan bijvoorbeeld de bedrijventerreinen. De gemeente wil dat ontwikkelingen bij deze kwaliteiten aansluiten of deze versterken.
Winschoten is als koopstad van grote betekenis voor de regio, Winschoten draagt bij aan de vitaliteit en leefbaarheid van de regio. Verder kent de gemeente Oldambt meerdere dorpen met ieder hun eigen identiteit. In het “Regionaal woon- en leefbaarheidsbasisplan Oost-Groningen” is een indeling gemaakt in woonmilieus.
Winschoten
De binnenstad van Winschoten heeft een belangrijke regionale en grensoverstijgende functie. Om de kwaliteit van het centrum te verbeteren zijn ‘krimpgelden’ ingezet. Het kernwinkelgebied is verkleind en daardoor versterkt. Het ruimtelijke verloop van de historische wegen in en rond Winschoten is zichtbaar. In het centrumgebied zijn de oude structuurlijnen, zoals (water)wegen, ingezet ter versterking van de structuur en de beleving van het gebied. Winschoten heeft veelzijdige woonwijken met eigen (maatschappelijke) voorzieningen.
Technologie & Economische ontwikkeling
Winschoten is de koopstad voor de regio en ook in Scheemda is een centrum aanwezig met winkels in verschillende branches. De centra vervullen daarmee een belangrijke economische kracht die de gemeente beschermen en versterken.
Het gemeentelijk beleid is daarom gericht op behoud en versterking van de werkgelegenheid. Nieuwe technologie biedt kansen voor de economische ontwikkeling van de gemeente. Ontwikkelingen zoals digitalisering, robotisering en 3D-printing zorgen ervoor dat bedrijven de productie dichter bij de eindgebruiker positioneren (re-shoring). Dit biedt kansen voor nieuwe (hoogwaardige) industrie en nieuwe werkgelegenheid.
Een goede internetverbinding is noodzakelijk voor de maatschappelijke en economische ontwikkeling van de gemeente Oldambt. Breedband is essentieel voor een goede bereikbaarheid. Innovatie in de digitale wereld gaat snel en er komen steeds meer digitale producten die het dagelijks leven vergemakkelijken en aantrekkelijker maken. De aanwezigheid van snel internet maakt het voor bedrijven interessant om zich in de gemeente Oldambt te vestigen. Het is een betekenisvolle investering voor de economie.
Relatie met het omgevingsplan
Door de middenspanningskabeltracé Winschoten te plaatsen, kan het datacenter in Winschoten van energie worden voorzien. Op deze manier wordt gewerkt aan betrouwbare en digitale infrastructuur in Winschoten die bijdraagt aan de economische ontwikkeling van de regio. De voorgenomen ontwikkeling is daarmee in lijn met de omgevingsvisie van de gemeente Oldambt.
Op 28 mei 2025 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oldambt het ontwerp van de nieuwe Omgevingsvisie ter inzage gelegd. Deze visie vormt een actualisering van de eerdere omgevingsvisie en schetst op strategisch niveau hoe de gemeente haar toekomstige ontwikkeling richting wil geven. Hierbij wordt integraal gekeken naar de leefomgeving en worden waar mogelijk ruimtelijke opgaven verbonden met sociale en economische vraagstukken.
De omgevingsvisie benoemt vijf centrale ambities:
Klimaatbestendig en energiebewust
De gemeente werkt aan een toekomst die CO2-neutraal, klimaatbestendig en aardgasvrij is. Daarbij ligt de nadruk op het actief sturen van de warmtetransitie, het uitbreiden van duurzame energieopwekking, het bevorderen van circulair denken, het vergroten van de biodiversiteit en het beter vasthouden van zoet water. In 2055 wil de gemeente volledig draaien op hernieuwbare energie, beschikken over energiezuinige woningen en een sterk ecosysteem dat bestand is tegen klimaatverandering. Voor 2030 is het streven om ten minste 49% CO2-reductie te behalen ten opzichte van 1990, waarbij samenwerking met inwoners en regionale partners essentieel is.
De gemeente werkt aan haar ambities door:
Relatie met het Omgevingsplan
Het realiseren van een middenspanningskabeltracé in Winschoten maakt de energievoorziening voor het datacenter mogelijk. Hiermee wordt de digitale infrastructuur in Winschoten versterkt, wat een impuls geeft aan de economische ontwikkeling van de regio. Deze stap past binnen de doelstellingen van de omgevingsvisie van de gemeente Oldambt.
Een beperkingengebied is een overkoepelend begrip dat wordt gedefinieerd in de Omgevingswet. Het beschrijft een gebied dat door het Rijk, de provincie, de gemeente, het waterschap of een spoorwegbeheerder kan worden aangewezen waar specifieke regels gelden voor activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor een specifiek werk of object. Dit zijn doorgaans gebieden in de nabijheid van (spoor-, weg- of water)wegen en waterstaatswerken waar beperkingen op toepassing zijn.
Relatie met het omgevingsplan
Op de locatie geldt het 'beperkingengebied dempingen' vanuit het Waterschap Hunze en Aa's. Binnen dit beperkingengebied gelden compensatiemaatregelen en een meldingsplicht. Ook zijn er algemene regels voor aanleg en constructie van kracht.
De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit het voornemen van Green Box Computing B.V. om een 110kV kabel aan te leggen tussen het beoogde datacenter en het hoogspanningsstation Winschoten. De kabel zal worden aangelegd middels een horizontale gestuurde boring vanaf het hoogspanningsstation Winschoten. De boring betreft geen demping en zal geen afbreuk doen aan de grondwaterstand of andere invloeden op het grondwater of oppervlaktewater. Het aspect beperkingengebieden is daarmee niet relevant voor de voorgenomen ontwikkeling.
De Omgeving van Winschoten wordt gekenmerkt door een afwisseling van landbouwgronden, waterwegen en groene gebieden. Het gebied maakt deel uit van een omgeving waar delen van het landschap natuurlijk en rustig zijn, terwijl andere delen juist levendig en stedelijk zijn. De historische gebouwen en pleinen in Winschoten, zoals het Marktplein met zijn oude bakstenen kerk, dragen bij aan de historische charme van de stad. Daarnaast zijn er moderne voorzieningen en winkelcentra die zorgen voor een levendige sfeer in het stadscentrum. Het landschap van Winschoten weerspiegelt dus zowel het verleden als het heden van deze bruisende stad in Groningen.
Onstaans- en ontwikkelingsgeschiedenis
Eeuwen geleden beperkte het drassige Groninger landschap de keuzes voor een veilige vestigingsplaats aanzienlijk. Het oosten van de provincie Groningen was oorspronkelijk bedekt met onbegaanbare venen en moerassen. De Garst, een keileemrug, diende als een belangrijke route en vestigingsplaats. Winschoten ontstond daar, met permanente bevolking voor de twaalfde eeuw. De locatie tussen Münster en Groningen en de verbinding met de Rensel droegen bij aan de groei van Winschoten als handelsplaats en halte voor reizigers.
In de middeleeuwen lag Winschoten dicht bij de Dollard, waardoor het een vissersdorp werd. In de zeventiende eeuw bloeide Winschoten op door de turfwinning in het oosten van Groningen, met de aanleg van het Winschoterdiep als belangrijke vaarroute naar Groningen. De stad werd een bloeiende handelsstad met ambachtslieden en handelaren die zich er vestigden.
Graaf Willem Lodewijk van Nassau maakte Winschoten tot een vesting aan het einde van de zestiende eeuw. Het stratenpatroon van Winschoten werd mede bepaald door de oude vestingwallen en de loop van de Rensel. Het Winschoterdiep diende voor het vervoer van turf en zorgde voor de bloei van de handel in de stad. De trekvaartverbinding tussen Winschoten en Zuidbroek was een van de eerste in de provincie Groningen, hoewel de reistijd nog lang was.
In de achttiende eeuw breidde Winschoten zich uit met havengebieden en ontwikkelde het zich tot een belangrijk handelscentrum. De demping van de havens zoals de Buitenvenne en de Oosterhaven in de twintigste eeuw markeerden het einde van de maritieme activiteiten in het centrum. Winschoten groeide uit tot een winkelcentrum voor de regio.
Landschappelijke structuur en -karakteristiek
Zoals blijkt uit de kwaliteitsgids provincie Groningen ligt het projectgebied in het ensemble Oldambt. De landschappelijke identiteit wordt beschreven als open en groots. In het uitgestrekte landschap van Winschoten worden wegen doorkruist door groene linten van bomenrijen en dijken. Langs deze lange, rechte wegen staan verschillende soorten huizen: soms dicht op elkaar, soms verder uit elkaar, waardoor je doorkijk krijgt naar het open achterland. De bebouwing varieert van arbeiderswoningen tot herenboerderijen met slingertuinen en grote schuren. De verdedigingswerken, nog duidelijk te zien in het landschap bij Nieuweschans en Winschoten, herinneren aan woeligere tijden in dit grensgebied.
Relatie met het omgevingsplan
In de directe omgeving van het projectgebied zijn geen relevante landschappelijke of cultuurhistorische waarden aanwezig. De beoogde ontwikkeling van Green Box Computing B.V. om een 110kV ondergrondse kabel aan te leggen tussen het beoogde datacenter en het hoogspanningsstation Winschoten heeft dan ook geen negatieve effecten op de landschappelijke waarden.
Op 28 oktober 2024 is door Arcadis een Memo Archeologie opgeleverd. Deze Memo is uitgevoerd om inzicht te verschaffen in de bekende en de te verwachte archeologische waarden die zich in het plangebied bevinden of verwacht worden (zie Bijlage 1 Memo archeologie). In deze memo is uitgegaan van de arechologische beleidskaart van de gemeente Oldambt uit 2010 (Libau). Op deze kaart ligt tracé Winschoten in een zone met een lage archeologische verwachting.
Op 24 september 2025 heeft de gemeenteraad het 'Archeologiebeleid Oldambt 2025' vastgesteld. Dit is een actualisatie van het beleid uit 2010 (dat was vastgesteld in 2012). In deze nieuwe kaart is het gebied aangewezen als 'Zone met archeologische verwachting onder Dollardklei' (zie Figuur 5-1) en is het aangeduid als Categorie 6 - vrijstelling. Dit betekent dat er een archeologisch onderzoek wordt gevraagd als de ingrepen in de bodem groter zijn dat 500m2 en dieper gaan dan de diepte van het kleidek.
Figuur 5-1: Fragment van de waarden en verwachtingenkaart van gemeente Oldambt met tracé Winschoten (rood)
Figuur 5-2: Fragment van de beleidskaart van de gemeente Oldambt met tracé Winschoten (rood)
Bestemmingsplan 'Hoogebrug III' (2009)
Het bestemmingsplan ‘Hoogebrug III’ geldt voor het tracé Winschoten. Het noordelijke deel van dit tracé bevindt zich binnen de archeologische dubbelbestemming ‘Waarde Archeologie’. Het gedeelte van het tracé dat onder deze dubbelbestemming valt, is kleiner dan 60 meter. Binnen deze dubbelbestemming geldt een vrijstellingsgrens voor ingrepen die minder dan 100 m² beslaan en niet dieper gaan dan één meter onder het maaiveld; hiervoor is geen archeologisch onderzoek vereist. Bij werkzaamheden die deze vrijstellingsgrens overschrijden, geldt een archeologische onderzoeksplicht. Conform artikel 8.2 is de vrijstelling niet van toepassing op het aanbrengen van hoogspanningskabels.
Eerder uitgevoerd onderzoek
Ter hoogte van Tracé Winschoten zijn vier archeologische onderzoeken uitgevoerd. Drie onderzoeken zijn uitgevoerd na de fusie van de gemeente Oldambt. Twee onderzoeken (Antea en Lycens) adviseren geen vervolgonderzoek ter plaatse van tracé Winschoten. Het onderzoek van RAAP is nog niet uitgewerkt in een rapport. Uit de eerste bevindingen blijkt dat er geen archeologisch relevante lagen zijn aangetroffen in de bodem. Archeologische indicatoren en vondsten ontbraken ook bij het onderzoek uit 2004 (De Steekproef).
Relatie met het omgevingsplan
Geadviseerd wordt om het projectgebied vrij te stellen van archeologisch vervolgonderzoek. Omdat de ingreep niet meer dan 500m2 zal bedragen en hier volgens de gemeentelijke beleidskaart een vrijstelling voor wordt gegeven. Dit sluit niet uit dat er bij graafwerkzaamheden (niet voorspelbare) archeologische toevalsvondsten kunnen worden aangetroffen zoals bedoeld in artikel 5.10 van de Erfgoedwet 2016. In dat geval moet hiervan melding worden gedaan bij het Bevoegd Gezag, de gemeente Oldambt.
De instructieregels van het Rijk ten aanzien van cultureel erfgoed staan in artikel 5.130 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). In artikel 5.130 wordt bepaald dat in een omgevingsplan rekening moet worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten.
Artikel 5.130, tweede lid, onder d, van het Bkl implementeert (deels) artikel 4 van het verdrag van Granada. Onderdeel 1°, van dit tweede lid, onder d, vraagt gemeenten om in het omgevingsplan regels te stellen om aantasting van de omgeving van (voor)beschermde monumenten te voorkomen, voor zover die monumenten door die aantasting worden ontsierd of beschadigd.
Relatie met het omgevingsplan
In de omgeving van het projectgebied is geen sprake van cultuurhistorische waarden. De beoogde ontwikkeling van Green Box Computing B.V. om een 110kV ondergrondse kabel aan te leggen tussen het beoogde datacenter en het hoogspanningsstation Winschoten heeft dan ook geen negatieve effecten op cultuurhistorische waarden.
In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij het project rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De aspecten sluiten aan op en dekken de onderdelen zoals genoemd in artikel 1.2 Omgevingswet.
De Wet natuurbescherming (Wnb) is beleidsneutraal overgegaan in de Omgevingswet. Het normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht is ongewijzigd gebleven.
Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt op hoofdlijnen drie zaken:
De initiatiefnemer dient bij de aanvraag van de omgevingsvergunning te verantwoorden dat voldaan wordt aan de Omgevingswet.
Om deze reden is in 2024 een Quickscan Natuurwetgeving uitgevoerd (zie Bijlage 2 Quickscan natuurwetgeving).
Natura 2000 is een Europees netwerk van natuurgebieden, gericht op het behoud van belangrijke flora en fauna op Europees niveau. Dit netwerk is ontstaan uit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen en omvat officieel aangewezen gebieden met specifieke instandhoudingsdoelstellingen. Deze doelstellingen hebben betrekking op de bescherming van habitattypen en habitat- en vogelsoorten.
Projecten die mogelijk aanzienlijke gevolgen hebben voor een Natura 2000-gebied in termen van instandhoudingsdoelstellingen vallen onder de vergunningplicht volgens artikel 5.1, eerste lid, sub e van de Omgevingswet. Zelfs projecten buiten Natura 2000-gebieden kunnen significante effecten hebben en moeten daarom beoordeeld worden in het kader van de externe werking.
De gronden van de voorgenomen ontwikkeling maken geen deel uit van een Natura 2000-gebied (zie Figuur 6-1). Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is de Waddenzee op circa 9 kilometer afstand. Op circa 18 kilometer afstand ligt het Zuidlaardermeergebied, op 22 kilometer het Drentsche Aa en op 21 kilometer Lieftinghsbroek. Het Natura 2000-gebied Zuidlaardermeergebied is aangewezen onder de Vogelrichtlijn. Het Natura 2000-gebied Drentsche Aa en Lieftinghsbroek onder de Habitatrichtlijn en de Waddenzee onder de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn. Directe effecten door ruimtebeslag of verstoring zijn gezien de afstand tot het Natura 2000-gebied en de aard van de werkzaamheden uitgesloten. Wel kan er een negatief effect op een Natura 2000-gebied veroorzaakt worden door de uitstoot stikstof. Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 6.2.
Figuur 6-1: Ligging wijzigingsgebied t.o.v. Natura 2000-gebieden (Bron: Atlasleefomgeving)
De gronden van de voorgenomen ontwikkeling maken geen deel uit van Natuurnetwerk Nederland (NNN) (zie Figuur 6-2). Wel liggen op enige afstand van de planlocatie een aantal NNN-gebieden. Gezien de aard van de ontwikkeling en de afstand tot de NNN-gebieden (circa 2 kilometer) zijn effecten op het NNN uitgesloten. Vanuit het aspect NNN is er met deze ontwikkeling sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Figuur 6-2: Ligging wijzigingsgebied t.o.v. NNN-gebieden (Bron: Atlasleefomgeving)
Op 9 oktober 2024 is door Arcadis een Quickscan Natuurwetgeving opgeleverd (zie Bijlage 2 Quickscan natuurwetgeving). Voor deze quickscan is een bureauonderzoek en een veldbezoek uitgevoerd. Voor het bureauonderzoek is gebruik gemaakt van vrij beschikbare informatie, zoals verspreidingsgegevens tussen 2014 en 2024 van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). Er is gezocht in een straal van 10 km rond het plangebied. Daarnaast is gebruik gemaakt van de volgende bronnen:
Het veldbezoek is uitgevoerd op 24 april 2024. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren zonnig, 12 graden Celsius, bewolkt en lichte regen. Het onderzoek bestond uit het uitvoeren van een habitatgeschiktheidsbeoordeling. Dit is een veldonderzoek waarbij op basis van de uitkomsten van het bureauonderzoek en de fysieke kenmerken van het plangebied een indicatie wordt gegeven van het mogelijk voorkomen van beschermde plant- en diersoorten. Tijdens het veldbezoek is globaal geïnventariseerd of en welke soorten (mogelijk) in en om het gebied aanwezig zijn. Hierbij is aandacht besteed aan alle relevante soortgroepen en beoordeeld of mogelijke standplaatsen, verblijfplaatsen, voortplantingsplaatsen of leefgebieden binnen of in de directe omgeving van het ingreepgebied (kunnen) worden aangetast bij ontwikkelingen.
Resultaten
Hieronder is kort per soortgroep weergegeven of en zo ja, welke beschermde soorten mogelijk voortkomen binnen het plangebied op basis van zowel het bureauonderzoek als het veldbezoek:
Omdat er in het plangebied mogelijk beschermde soorten voorkomen is toetsing noodzakelijk en geldt de algemene zorgplicht. Omdat de algemene zorgplicht geldt kunnen er mogelijk overtredingen optreden tijdens de werkzaamheden. Het gaat hier specifiek om:
Op basis van de quickscan kan de aanwezigheid van een aantal beschermde soorten niet worden uitgesloten. Omdat bij uitvoering van de werkzaamheden sprake kan zijn van overtreding van verbodsbepalingen van de Omgevingswet, dient nader onderzoek te worden uitgevoerd of mitigerende maatregelen getroffen te worden (zie Bijlage 2 Quickscan natuurwetgeving).
Relatie met het omgevingsplan
Als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden kunnen negatieve effecten optreden op vogels zonder jaarrond beschermd nest, vleermuizen, bunzing, hermelijn en haas. Ten aanzien van vleermuizen en vogels zonder jaarrond beschermd nest dienen mitigerende maatregelen uitgevoerd te worden.
Indien er geen kap- en graafwerkzaamheden in bosschages worden uitgevoerd, dienen mitigerende maatregelen uitgevoerd te worden ten behoeve van kleine marterachtigen en de haas. Indien er kap- en graafwerkzaamheden in bomen en bosschages worden uitgevoerd is nader onderzoek nodig naar kleine marterachtigen en de haas. Als aan deze voorwaarden wordt voldaan, kan worden geconcludeerd dat het aspect ecologie geen obstakel vormt voor de geplande ontwikkeling.
Voor het voornemen van Green Box Computing B.V. om een 110kV kabel aan te leggen tussen het beoogde datacenter en het hoogspanningsstation Winschoten zullen geen bomen worden gekapt, verplaatst of houtopstanden worden verwijderd. Hierdoor zullen er geen effecten optreden op bestaande houtopstanden. Vanuit het aspect houtopstanden is er met deze ontwikkeling sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Ondanks de afstand tot de Natura 2000-gebieden zijn er nog wel indirecte effecten mogelijk in de vorm van extra stikstofdepositie in de aanlegfase. Deze kunnen niet worden uitgesloten. In relatie tot het voornemen is op 12 juni 2025 een stikstofberekening uitgevoerd, voor de aanlegfase, zie Bijlage 3 Stikstofdepositieberekening.
Relatie met het omgevingsplan
De uitkomsten van de stikstofdepositieberekening bedragen op alle rekenpunten ten hoogste 0,00 mol/ha/jr. Bij een dergelijke projectbijdrage treden geen significant negatieve effecten op binnen de omliggende Natura 2000-gebieden. Mogelijke effecten door stikstofdepositie kunnen dan ook worden uitgesloten.
Onderdeel van een TAM-omgevingsplan is de weging van het waterbelang. Bij het vaststellen van een omgevingsplan moet de gemeente rekening houden met de waterbelangen. Dit wordt in de Omgevingswet aangeduid als 'weging van het waterbelang' (zie Bijlage 4 Weging van het waterbelang ). De gemeente moet de opvattingen van de waterbeheerder meenemen bij het vaststellen van het omgevingsplan om ervoor te zorgen dat de waterbelangen goed worden beschermd.
Het planvoornemen bestaat uit de aanleg van een ondergrondse 110kV hoogspanningsverbinding, tussen het bestaande hoogspanningsstation Winschoten en de B. Haitzemastraat, ten westen van Oostelijke Rondweg. De ontwikkeling ligt binnen het beheergebied van Waterschap Hunze en Aa's.
Maaiveldhoogte en bodem
Het maaiveld binnen het plangebied ligt op circa NAP 0,0 m (Bron: AHN5). Hierbij ligt het bestaande hoogspanningsstation iets hoger in het landschap op circa NAP +0,40 m. De bodem binnen het plangebied bestaat uit afwisselende lagen klei en zand (bron: Dinoloket). Hierbij bestaat de bovenste 2 á 3 m bodem uit klei, waaronder een circa 3 m dik zandpakket ligt. Hieronder bestaat de bodem hoofdzakelijk uit klei.
Oppervlaktewatersysteem
In onderstaand figuur 6-3 is de waterstaatkundige omgeving van het plangebied weergegeven. Het gebied bevat één hoofdwatergang die richting het noorden afwatert. Binnen het plangebied worden watergangen op peil gehouden binnen 1 peilgebied. Het peil ligt hier op NAP -1,55 m. Dit geeft het plangebied een gemiddelde drooglegging van 1,55 m. Verder ligt het plangebied niet binnen een bergingsgebied van waterschap Hunze en Aa's.
Figuur 6-3: Oppervlaktesysteem
Waterkeringen
Ten zuidoosten van het plangebied ligt een regionale waterkering langs de Pekel Aa, zie onderstaand 6-4. Het peil binnen deze boezemwatergang ligt op NAP +0,53 m.
Waterkwaliteit
Binnen het plangebied zelf liggen geen KRW-oppervlaktewaterlichamen. Ten zuidoosten van het plangebied ligt De Pekel Aa, dit is een KRW-oppervlaktewaterlichaam welke onderdeel is van het KRW-oppervlaktewaterlichaam Kanalen Hunze/Veenkoloniën.
Verder is een deel van het plangebied aangeduid als een gebied waar een onderzoek uitgevoerd moet worden voor een mogelijke bodemverontreiniging en sanering (bron: Atlasleefomgeving).
Grondwater
Voor grondwater binnen het plangebied geldt het volgende:
Figuur 6-4: Ligging regionale waterkering nabij het plangebied.
Weging van het waterbelang & uitwerking
In het kader van de weging van het waterbelang en de Waterschapsverordening van waterschap Hunze en Aa's is uitwerking vereist op de volgende aspecten:
Uitgangspunten
Oppervlaktewater en hemelwater
T.b.v. de aanleg van de kabel zal een boring gedaan worden die op een diepte van ca. 3,6 meter onder de watergang wordt uitgevoerd, waarvoor op twee punten ontgravingen worden gedaan. De watergang en bijbehorende oevers blijven hierbij ongemoeid. Dit heeft de volgende implicaties voor de bestaande hoofdwatergang:
Er worden geen effecten op of veranderingen aan de hoofdwatergang verwacht, waardoor geen vergunningen hoeven te worden aangevraagd voor activiteiten met betrekking tot het oppervlaktewater.
Grondwater
Ten behoeve van de aanleg van de kabel zal op twee punten ontgravingen worden gedaan. De grondwaterstanden bij de in- en uittredepunten zijn hoog. Hierdoor zal er tijdelijke bemaling noodzakelijk zijn om de kabels in den droge aan te leggen. Er zijn nog geen geohydrologische onderzoeken gedaan naar de mogelijke bemalingsdebieten en invloedsgebieden voor de aanleg van de kabels. Mogelijk zijn de tijdelijke grondwateronttrekkingen vergunningplichtig. In artikel 4.8 uit de Waterschapsverordening van Hunze en Aa's staat de algemene regels in relatie tot grondwateronttrekkingen. Geadviseerd wordt om een geohydrologische bureaustudie uit te voeren of een bemalingsadvies op te stellen om te achterhalen of de tijdelijke grondwateronttrekkingen mogelijk vergunningplichtig zijn en of er risico's voor de omgeving zijn.
Waterveiligheid
De in- en uittredepunten van het kabeltracé liggen buiten de zonering van de regionale waterkering. Hierdoor hoeft er geen vergunning aangevraagd te worden voor activiteiten bij waterstaatswerken.
Verder zullen er tijdelijke grondwateronttrekkingen uitgevoerd moeten worden ten behoeve van de kabels bij de in- en uittredepunten. Er zijn nog geen geohydrologische onderzoeken gedaan naar de mogelijke bemalingsdebieten en invloedsgebieden voor de aanleg van de kabels. Mogelijk ligt de regionale waterkering binnen de invloedsgebieden van de bemalingen. De stabiliteit van de waterkering mag niet ondermijnd worden door de aanleg van het tracé. Geadviseerd wordt om een geohydrologische bureaustudie uit te voeren of een bemalingsadvies op te stellen om te achterhalen of de tijdelijke grondwateronttrekkingen mogelijk effect hebben op de waterkering.
Waterkwaliteit
Binnen het plangebied ligt mogelijk een bodemverontreiniging welke (deels) gesaneerd is (bron: bodemloket). De status van de sanering is onbekend. Er zullen tijdelijke grondwateronttrekkingen uitgevoerd moeten worden ten behoeve van de kabels bij de in- en uittredepunten. De bestaande verontreiniging vormt hierdoor mogelijk een risico voor de waterkwaliteit bij onttrekking en lozing van grondwater op het oppervlaktewater. In artikel 3.2 uit de Waterschapsverordening van Hunze en Aa's staan regels omtrent het lozen van grondwater bij saneringen. Geadviseerd wordt de status van de mogelijke verontreiniging te onderzoeken en af te stemmen met waterschap Hunze en Aa's.
Verder wordt aangeraden geen uitlogende of schadelijke stoffen te gebruiken voor (de aanleg van) de kabels om negatieve effecten op de waterkwaliteit te voorkomen.
Conclusie
Op basis van de weging van het waterbelang kunnen de volgende conclusies getrokken worden:
Afspraken en aandachtspunten voor vervolg
Naar aanleiding van de weging van het waterbelang gelden de volgende afspraken en aandachtspunten voor het vervolg:
In augustus 2025 is er een milieuhygiënisch bodemonderzoek opgeleverd, zie Bijlage 5 Voorafgaand milieuhygiënisch bodemonderzoek. Het vooronderzoek is uitgevoerd conform NEN 5725:2023 (Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, NEN, oktober 2023). Het doel van het onderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem, voorafgaand aan de geplande werkzaamheden.
Eerder uitgevoerde onderzoeken
Op en in de omgeving van de onderzoekslocaties zijn (bodem)onderzoeken bekend. Deze zijn weergegeven in onderstaande tabel.
Tabel 6-1: Eeerder uitgevoerde bodemonderzoeken
Asbest
Uit het vooronderzoek is niet gebleken dat op de locatie handelingen met asbest zijn uitgevoerd in een mate die zou kunnen leiden tot een bodemverontreinigigng met asbest. De locatie wordt derhalve niet verdacht ten aanzien van de aanwezigheid van asbest in de bodem.
PFAS
In het onderzoek uitgevoerd in 2020 zijn ten behoeve van de bepaling van het gehalte PFAS van de betreffende grond twee mengmonsters samengesteld (van de boven- en ondergrond). De gemeten gehaltes GenX, PFOS en PFOA voldoen indicatief aan de bodemkwaliteitsklasse Landbouw/Natuur en aan de veiligheidsklasse Basishygiëne. De resultaten komen overeen met de Bodemkwaliteitskaart van de Provincie Groningen, waaruit blijkt dat zowel de boven- als ondergrond binnen de klasse ‘Landbouw/Natuur’ voor PFAS vallen. De locatie wordt daarom als niet-verdacht beschouwd ten aanzien van de aanwezigheid van PFAS in bodem
Terreinverkenning
Om inzicht te krijgen in potentiële verontreinigingsbronnen op of nabij het onderzoeksgebied heeft een digitale terreinverkenning uitgevoerd. Er waren geen belemmeringen om de digitale terreinverkenning uit te voeren. Daarbij is gelet op de aanwezigheid van mogelijke bronnen van bodembelasting. Op basis van het digitale onderzoek zijn geen zorgwekkende of verdachte situaties waargenomen.
Relatie met het omgevingsplan
Met het bodemonderzoek dat in 2022 (deellocatie H1) en 2017 (deellocatie H3) is uitgevoerd, zijn de bekende verdachte activiteiten voldoende onderzocht. De resultaten tonen achtergrondwaarden aan, met als conclusie dat de grond altijd toepasbaar is. Daarmee kan de actuele bodemkwaliteit voldoende worden onderbouwd. De historische verdachte activiteiten hebben niet geleid tot een verslechtering van de bodemkwaliteit. Aanvullend onderzoek voor de gehele locatie is niet nodig. Daarmee vormt het aspect bodem geen belememring voor onderhavige ontwikkeling.
De (aanleg en aanwezigheid van een) ondergrondse 110kV-verbinding is geen activiteit die impact heeft op de luchtkwaliteit. Evenmin is het een activiteit die als gevoelig wordt aangemerkt in het kader van luchtkwaliteit alsmede leidt de kabel niet tot een verkeersaantrekkende werking. Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er met deze ontwikkeling sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De (aanleg en aanwezigheid van een) ondergrondse 110kV-verbinding betreft geen geluidgevoelige functie. Mogelijk kan er tijdens de aanlegfase een lichte stijging zijn van het geluid, als gevolg van werkzaamheden en werkverkeer. Echter is dit effect van tijdelijke aard en liggen er geen gevoelige objecten in de nabijheid van de projectlocatie. Vanuit het aspect geluid is er met deze ontwikkeling sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Magneetvelden
Overal waar stroom doorheen loopt ontstaat een magnetisch veld. Zo ook rond hoogspanningsverbindingen. Er is geen sprake van wettelijke limieten voor blootstelling aan deze magnetische velden, maar er is wel sprake van Europees en nationaal beleid. Ook is er uitgebreid wetenschappelijk onderzoek gedaan of er gezondheidseffecten bij mensen te verwachten zijn door blootstelling aan laagfrequente magneetvelden zoals die bij hoogspanningsverbindingen voor komen. Op basis van dit wetenschappelijk onderzoek zijn in internationaal verband blootstellingslimieten aanbevolen voor magneetvelden. Deze houden in dat blootstelling aan een magneetveldsterkte van meer dan 100 microtesla wordt afgeraden.
Beleidsadvies
De verzamelde wetenschappelijke gegevens wijzen op het bestaan van een zwakke, maar statistisch significante associatie tussen het voorkomen van leukemie bij kinderen tot 15 jaar en het wonen in de nabijheid van bovengrondse hoogspanningsverbindingen. Ondanks dat er geen aanwijzingen zijn gevonden voor een oorzakelijk verband heeft de Rijksoverheid, op advies van de Gezondheidsraad, in 2005 een beleidsadvies uitgebracht voor bovengrondse hoogspanningsverbindingen waarin wordt geadviseerd zoveel als redelijkerwijs mogelijk te voorkomen dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig worden blootgesteld aan magnetische velden met een jaargemiddelde veldsterkte van meer dan 0,4 microtesla. Dit komt er op neer dat het advies is om bij nieuwe situaties gevoelige bestemmingen (woningen, scholen, crèches en kinderopvangplaatsen) zo veel als redelijkerwijs mogelijk buiten de magneetveldzone van 0,4 microtesla te plaatsen.
Bovengenoemd beleidsadvies van de rijksoverheid ziet op langdurige blootstelling en is van toepassing op nieuwe situaties en bovengrondse hoogspanningsverbindingen. Voor alle hoogspanningsverbindingen geldt daarnaast te allen tijde de blootstellingslimiet van 100 microtesla conform de aanbeveling van de Europese Unie. Deze waarde wordt ook in Nederland gehanteerd. Op voor publiek toegankelijke plaatsen nabij hoogspanningsinfrastructuur van TenneT wordt deze limiet nergens overschreden.
In 2018 heeft de Gezondheidsraad een nieuw advies uitgebracht over mogelijke gezondheidseffecten van magneetvelden. Hierbij geeft de Gezondheidsraad de staatssecretaris van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (voorheen VROM) in overweging om het voorzorgsbeleid rondom bovengrondse hoogspanningslijnen uit te breiden naar ondergrondse elektriciteitskabels en andere bronnen die oorzaak kunnen zijn van langdurige blootstelling aan magnetische velden uit het elektriciteitsnetwerk. Momenteel wordt door de minister verkend of dat een verbreding van het voorzorgsbeleid naar andere bronnen in het elektriciteitsnetwerk wenselijk is.
Herreiking van het beleidsadvies
Op 21 april 2023 is het voorzorgbeleid voor magneetvelden afkomstig van elektriciteitsinfrastructuur herijkt. Ten opzichte van het oorspronkelijke beleid uit 2005 is de reikwijdte van het advies aanzienlijk uitgebreid. Waar het eerdere beleid zich uitsluitend richtte op bovengrondse hoogspanningslijnen en het vermijden van nieuwe gevoelige bestemmingen binnen de magneetveldzone (= 0,4 microtesla), omvat het herijkte beleid nu ook ondergrondse hoogspanningskabels, hoogspanningsstations en transformatorhuisjes. Voor deze componenten gelden voortaan bronmaatregelen die bij nieuwbouw en aanpassingen worden toegepast om de magneetveldsterkte te beperken. Daarnaast is het begrip ‘gevoelige bestemming’ verbreed: niet alleen kinderen, maar ook volwassenen worden meegenomen, waardoor ook verpleeghuizen en instellingen voor mensen met een beperking onder dit begrip vallen. Afstandsmaatregelen blijven uitsluitend van toepassing op bovengrondse hoogspanningslijnen. De herijking is mede gebaseerd op aanbevelingen van de Gezondheidsraad, die in 2018 en 2022 wees op mogelijke gezondheidsrisico’s bij langdurige blootstelling aan magneetvelden.
Relatie met het omgevingsplan
Het voorzorgsbeginsel is niet van toepassing op ondergrondse hoogspanningsverbindingen, maar volledigheidsgehalve wordt opgemerkt dat er voor de voorgenomen ontwikkeling geen objecten gelegen zijn die in het kader van het beleidsadvies voor bovengrondse hoogspanningsverbindingen zouden kunnen worden aangemerkt als gevoelige bestemming.
Bij de aanleg en aanwezigheid van een ondergrondse 110kV kabelverbinding is het belangrijk te bezien, of er andere ondergrondse infrastructuur aanwezig is in de vorm van kabels en leidingen die nadelig kunnen worden beïnvloed door de ondergrondse 110kV kabelverbinding. Het is ook mogelijk dat het functioneren van de ondergrondse 110kV kabelverbinding nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van kabels en leidingen.
Resultaten
Relatie met het omgevingsplan
In de directe omgeving van de voorgenomen ontwikkeling liggen diverse kabels en leidingen. Het is nodig om in de volgende fase van het definitieve ontwerp elektromagnetisch onderzoek uit te laten voeren naar de afstand van de kabel tot metalen infrastructuur zoals zonnevelden en naar niet kruisende kabels binnen een afstand van 700 meter vanaf het hart van het dichtstbijzijnd spoor. Als aan deze voorwaarden wordt voldaan, kan worden geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen geen obstakel vormt voor de geplande ontwikkeling.
De (aanleg en aanwezigheid van een) ondergrondse 110kV-verbinding is geen activiteit die betrekking heeft op de omgevingsveiligheid. Evenmin is het een activiteit die als gevoelig wordt aangemerkt in het kader van omgevingsveiligheid.
Relatie met het omgevingsplan
Het aspect omgevingsveiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de onderhavige ontwikkeling.
Op 19 maart 2024 is door T&A Survey aan Arcadis het onderzoek ontplofbare oorlogsresten opgeleverd (zie Bijlage 6 Rapport historical research). In dit onderzoek is gezocht naar niet-geëxplodeerde munitie of wapens die zijn achtergebleven na conflicten of oorlogen. Het onderzoeksgebied bestaat uit de velden rond de B. Haitzemastraat in Hoogebrug in Winschoten, tussen de Pekel-Aa in het zuiden en net voorbij de spoorweg in het noorden, binnen de gemeente Oldambt. Het onderzoek bestaat voornamelijk uit literatuuronderzoek en archiefonderzoek. Diverse archieven uit Nederland, Duitsland en Engeland zijn geraadpleegd.
Figuur 6-5: Kaart waargenomen conflictgebieden (groen en rood)
In figuur 6-5 is te zien dat het onverdachte gebied in groen wordt aangegeven en het verdachte gebied in rood is gemarkeerd in het studiegebied.
Relatie met het omgevingsplan
Er zijn geen graaf- of boorwerkzaamheden gepland in de als 'verdacht' aangemerkte gronden. Het gevolg hiervan is dat er geen extra veiligheidsmaatregelen benodigd zijn.
Het doel van de regelgeving over milieueffectrapportages (MER) is het milieubelang een volwaardige plaats geven in besluitvorming. Of een project mer- of mer-beoordelingsplichtig is, kan afgeleid worden uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit.
De beoogde ontwikkeling om de ondergrondse kabel aan te leggen is niet opgenomen als activiteit in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Wel kan er tijdens uitvoering bronbemaling nodig zijn om de werkzaamheden uit te kunnen voeren. Voor werkzaamheden in categorie K1 met betrekking tot grondwaterontrekking of -aanvulling moet worden beoordeeld of de uitbreiding al dan niet vergunningplichtig is. De specifieke regels hiervoor zijn te vinden in afdeling 4.2 van de Waterschapsverordening, met verwijzing naar vergunningsplichtige situaties in artikel 4.8.
De geplande ontwikkeling betreft de aanleg van een ondergrondse 110kV kabel tussen het beoogde datacenter en het hoogspanningsstation Winschoten. Ingeval bronbemaling nodig is tijdens de realisatiefase, dan zal dit naar verwachting niet meer dan 5.000 m3 bedragen in de eerste vijf dagen. Ook de daaropvolgende dagen zullen de onttrekkingen de grenzen niet overschrijden. De werkzaamheden zullen binnen zes maanden worden voltooid. Gezien de omstandigheden hoeft er geen vergunning worden aangevraagd. Hiermee is het aspect Mer niet relevant voor dit project.
Relatie met het omgevingsplan
Er hoeft geen mer of mer-beoordeling worden opgesteld. Het aspect mer vormt hiermee geen belemmering voor het voornemen.
In dit hoofdstuk wordt de maatschappelijke en economische haalbaarheid van de geplande ondergrondse 110kV-leiding besproken. Ook wordt ingegaan op de verschillende mogelijkheden voor participatie die zijn gebruikt en/of zullen worden toegepast.
Het verhaal van de gemaakte kosten is aan de orde indien de wijziging van het omgevingsplan een nieuwe (gebieds)ontwikkeling mogelijk maakt met daarin kostenverhaalplichtige activiteiten. De volgende activiteiten zijn kostenverhaalplichtig:
Het voorliggende TAM-omgevingsplan voorziet niet in de realisatie van een kostenverhaalsplichtige activiteit, zodat het niet verplicht is om kostenverhaalsregels op te nemen in het plan of het kostenverhaal op een andere wijze te regelen.
Green Box Computing B.V. heeft het voornemen om een nieuwe 110 kV-hoogspanningsverbinding te realiseren. Deze verbinding moet als ondergrondse kabelverbinding worden aangelegd tussen het hoogspanningsstation Winschoten en een nieuw te realiseren datacenter in de gemeente Oldambt.
Green Box Computing B.V. zet hierbij in op een participatief proces, waarbij de mate van participatie die hierna wordt aangegeven, wordt bezien vanuit de impact van de 110 kV hoogspanningsverbinding op de omgeving.
Gelet op de zeer beperkte lengte van het beoogde tracé en de zeer beperkte impact op de omgeving wordt niet voorzien in een uitgebreide participatie. De volgende afstemming en participatie zal dan ook plaatsvinden:
Gemeente Oldambt
Aangezien de ondergrondse 110 kV-kabel percelen van de gemeente Oldambt kruist, wil Green Box Computing B.V. instemming van de gemeente Oldambt aangaande het kabeltracé, mede gelet op de nabijheid van het afvalbrengstation.
Waterschap Hunze en Aa’s
De ondergrondse 110 kV-kabel kruist een waterpartij. Green Box Computing B.V. heeft hierover al afstemming gehad met het Waterschap Hunze en Aa’s. En zal deze afstemming zo nodig nog verder zetten.
Green Box Computing B.V. zal het uitvoeringsontwerp van de kabel zodanig opstellen dat, indien en voor zover nodig, aan (publiekrechtelijke) voorwaarden van het Waterschap zal worden voldaan. En daar te zijner tijd zo nodig de relevante vergunning(en) voor aanvragen. Aangezien het hierbij vooral om uitvoeringsaspecten gaat, is instemming aangaande het tracé niet aan de orde.
Waterbedrijf Groningen
De ondergrondse 110 kV-kabel kruist een bestaande en toekomstige waterleiding. Green Box Computing B.V. heeft hierover al afstemming gehad met het Waterbedrijf Groningen. En zal deze afstemming zo nodig nog verder zetten. Green Box Computing B.V. zal het uitvoeringsontwerp van de kabel zodanig opstellen dat aan de (afstands)eisen van het Waterbedrijf Groningen zal worden voldaan. Aangezien het hierbij vooral om uitvoeringsaspecten gaat, is instemming aangaande het tracé niet aan de orde.
TenneT en Enexis
Aangezien de 110 kV-kabel binnen het hoogspanningsstation Winschoten wordt aangesloten, zal Green Box Computing B.V. hierover afstemming hebben met TenneT TSO B.V. als zijnde de beheerder van het 110 kV-gedeelte van het hoogspanningsstation. Aangaande het kabeltracé (binnen het perceel van het hoogspanningsstation) zal afstemming met TenneT plaatsvinden. Tevens zal afstemming plaatsvinden met Enexis als eigenaar is van de projectlocatie.
Participatie in de omgeving
Ten aanzien van de (overige) omgevingspartijen voorziet Green Box Computing B.V. niet in actieve informatieverstrekking c.q. participatie. Er wordt derhalve ook niet voorzien in informatiebijeenkomsten of inloopbijeenkomsten. Hierin wordt niet voorzien omdat het gaat om een zeer korte ondergrondse kabelverbinding. Voor het betrekken van de omgeving wordt hierdoor derhalve teruggevallen op de mogelijkheden die er zijn ten tijde van de procedure van het wijzigen van het omgevingsplan.
Reageren kan door een ieder in de vorm van een zienswijze of een beroepschrift in de formele procedure van het wijzigen van het omgevingsplan. Indien evenwel vragen worden gesteld, zal Green Box Computing B.V. deze vragen beantwoorden. Green Box Computing B.V. voorziet evenwel niet dat van deze vragen nog nadere verslaglegging aan de gemeente Oldambt zal plaatsvinden. Wel zal interne vastlegging plaatsvinden.
Voorafgaande aan het in procedure brengen van de wijziging van het Omgevingsplan zal Green Box Computing B.V. de instemming van de gemeente Oldambt en TenneT op het definitieve kabeltracé overleggen. Daarnaast zal verslag worden gedaan van de afstemming met TenneT, het Waterschap Hunze en Aa’s en het Waterbedrijf Groningen.
Het TAM-omgevingsplan 110kV-kabelverbinding datacenter Winschoten heeft gedurende zes weken ter inzage gelegen, en in die periode zijn er geen zienswijzen ingediend.
In dit hoofdstuk wordt aangegeven hoe het beleid en de planuitgangspunten zijn verwoord in de regels. Zo wordt een toelichting gegeven op het juridische systeem en op de afzonderlijke activiteiten. Dit is van belang in verband met de mogelijkheid om voor alle activiteiten een gerichte motivering te kunnen opvragen.
Vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet (1 januari 2024) worden de 'oude' bestemmingsplannen samen met de gedecentraliseerde rijksregels (de 'Bruidsschat') van rechtswege onderdeel van het omgevingsplan. Dit TAM-omgevingsplan voorziet in een wijziging van het omgevingsplan voor de locatie bedrijventerrein Hoogebrug III tussen het toekomstige datacenter en het bestaande hoogspanningsstation Winschoten.
Préambule
De regeling vangt aan met een préambule. Deze geeft aan hoe het TAM-omgevingsplan als onderdeel van en in samenhang met de rest van het omgevingsplan gelezen moeten worden. In de préambule wordt ook aangegeven welk hoofdstuk van het omgevingsplan het voorliggende TAM-omgevingsplan betreft.
Artikel 1 Begrippen
In dit artikel zijn de begrippen opgenomen die van belang zijn voor de toepassing van het plan. Met het geven van een omschrijving wordt voorkomen dat er onduidelijkheid ontstaat over de inhoud van het begrip. Dit komt de uitleg van de regeling ten goede.
Artikel 2 Toepassingsbereik
Doordat een TAM-omgevingsplan er niet automatisch voor zorgt dat de oude regels op de locatie waarvoor het TAM-omgevingsplan komt te gelden, komen te vervallen, moet een toepassingsbereikbepaling in het plan worden opgenomen waarmee geregeld wordt dat de nieuwe regels voorrang hebben als ze in strijd zijn met de oude regels. Deze regeling is opgenomen in het eerste lid van dit artikel.
In het tweede lid is geregeld dat de regels van de bruidsschat niet van toepassing zijn op de TAM-omgevingsplanlocatie als zij strijdig zijn met de regels van het TAM-omgevingsplan. De uitzondering van paragraaf 22.2.7.3 ziet op de regels over het vergunningvrij bouwen zoals die in artikel 22.36 van het omgevingsplan zijn opgenomen. Deze blijven dus wel in stand.
Het derde lid zorgt ervoor dat de plankaart van het wijzigingsgebied deel uitmaakt van het omgevingsplan. Dit is immers niet automatisch het geval onder de Omgevingswet.
Artikel 3 Algemeen gebruiksverbod
In dit artikel is een algemeen gebruiksverbod opgenomen. Wanneer een dergelijk verbod niet is opgenomen dan betekent dit dat activiteiten zonder meer mogen worden uitgevoerd en er geen beperkingen voor die activiteit op grond van het omgevingsplan zijn. Alleen het opnemen van locaties met functies is namelijk onvoldoende om het handelen in strijd met die functies te verbieden of vergunningplichtig te maken.
Artikel 4 Aanvraagvereisten
In paragraaf 22.5.2 van de bruidsschat zijn aanvullende aanvraagvereisten opgenomen voor vergunningaanvragen die betrekking hebben op het tijdelijk deel van het omgevingsplan (o.a. binnenplanse afwijkingen uit bestemmingsplannen). Deze aanvullende aanvraagvereisten zijn niet automatisch van toepassing op vergunningplichten voor omgevingsplanactiviteiten die in een TAM-omgevingsplan worden opgenomen. Het TAM-omgevingsplan is immers onderdeel van het nieuwe deel. Door de in dit artikel opgenomen regeling worden de relevante aanvraagvereisten uit de paragraaf van de bruidsschat van overeenkomstige toepassing verklaard op vergunningaanvragen op de locatie van het TAM-omgevingsplan
Verder zijn er nog algemene bepalingen in het derde en vierde hoofdstuk van de regeling opgenomen. Het gaat daarbij om de anti-dubbeltelregel en het overgangsrecht.
Artikel 5 Leiding - Hoogspanningsverbinding ondergronds
In dit artikel is de nieuw aan te leggen 110 kV leiding opgenomen. Tevens is voorzien in een omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden teneinde de leiding te beschermen.
Op grond van artikel 4.2 Omgevingswet moet het omgevingsplan voldoen aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De gemeente moet daarbij rekening houden met alle betrokken belangen. Verder gelden de beleidskaders en instructieregels.
De geplande ontwikkeling omvat de aanleg van een 110 kV-kabelverbinding van Green Box Computing B.V. tussen het toekomstige datacenter en het hoogspanningsstation Winschoten. De nieuwe activiteit past binnen het algemeen beeld van de omgeving. Via een horizontaal gestuurde boring zal de kabel vanaf het hoogspanningsstation Winschoten naar het beoogde datacenter worden geleid. Deze ontwikkeling zal het toekomstige datacenter op Bedrijventerrein Hoogebrug III van stroom voorzien. Deze stap kan direct worden gezien als een stimulans voor het duurzame economische groeipotentieel van Nederland.
Op twee locaties zullen graafwerkzaamheden plaatsvinden. De waterwegen en oevers worden niet beïnvloed en omdat de kabel ondergronds wordt gelegd, zal dit geen impact hebben op het uiterlijk van de omgeving. Ook zijn er in de directe omgeving van het plangebied geen relevante landschappelijke of cultuurhistorische waarden aanwezig. Ten slotte blijkt uit hoofdstuk 3 en hoofdstuk 6 dat er sprake is van een evenwichtige toewijzing van functies aan locaties.
Conclusie
Alles overwegende is de beoogde ontwikkeling aanvaardbaar. De impact van de beoogde ontwikkeling op omgevingsaspecten is beperkt van aard en er treden geen nadelige gevolgen voor het milieu op.