| Plan: | Westringdijk 18 Nieuwerkerk ad IJssel |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1892.BpWestrdijk18Nwk-Va01 |
Ter plaatse van het woonperceel Westringdijk 18 in Nieuwerkerk aan den IJssel bestaat de wens om de een extra woning te realiseren. Het perceel leent zich om deze woning aan de oostzijde te situeren. Het vigerende bestemmingsplan laat de extra woning niet toe. Het eerder ingediende principeverzoek om een uitspraak te doen over de bereidheid voor de extra woning, is door het gemeentebestuur op 4 oktober 2022 goedgekeurd. Voorliggend bestemmingsplan maakt de extra woning juridisch-planologisch mogelijk.
Op Westringdijk 18 is ten westen van voorliggend plangebied tevens een bestaande woning aanwezig waarvoor een planologische procedure wordt gevoerd om een passende woonbestemming terug te brengen. Dit is geen onderdeel van voorliggend bestemmingsplan, maar is onderdeel van Verzamelplan Zuidplas 2023.
Vigerend is het bestemmingsplan ‘Zuidplas West’, vastgesteld op 2 juli 2009. Tevens zijn de bestemmingsplannen ‘Parapluherziening Archeologie’ en ‘Parapluherziening Parkeren’ van toepassing. Deze zijn vastgesteld op respectievelijk 6 maart 2018 en 15 mei 2018. Daarnaast zijn de Motie Parkeren op eigen terrein en Nota Parkeernormen 2019 van toepassing.
Bestemming Verkeer – Uit te werken (artikel 15)
De projectlocatie heeft voor een groot gedeelte - ter plaatse van de bestaande woning op nummer 18 en een gedeelte van de loods op nummer 18A – een bestemming ‘Verkeer – Uit te werken’. Gebruik ten behoeve van bewoning is in deze bestemming niet toegestaan. De bestaande legale woning valt hiermee onder het overgangsrecht. De reparatie via het Verzamelplan Zuidplas 2023 ziet hierop toe. Die reparatie is dan ook niet onderdeel van dit bestemmingsplan.
Bestemming Woongebied – Uit te werken 2 (artikel 16)
Onder meer de gronden waar de nieuwe woning is gewenst, zijn aangewezen als ‘Woongebied – Uit te werken 2’ (voorheen was de bestemming “Wonen” voordat in 2009 het bestemmingsplan Zuidplas West werd vastgesteld). De woonfunctie is in deze bestemming toegestaan en ook mag het aantal woningen toenemen. De exacte uitwerking dient echter te worden vastgelegd in een uitwerkingsplan alvorens er gebouwd kan worden: er geldt een bouwverbod. Tevens zijn er inrichtingsregels en bouwregels van toepassing op grond van de functieaanduiding ‘Specifieke vorm van wonen – kwaliteitszone’. De 'Specifieke bouwaanduiding – zone c’ regelt dat onder meer vrijstaande woningen zijn toegestaan. De beoogde extra woning voldoet aan de gestelde bouwregels
Ringvaartzone (artikel 14)
De uitrit van de woningen ligt in de bestemming ‘Ringvaartzone’. Deze gronden zijn onder meer bestemd voor in- en uitritten, dijken en taluds en waterberging. Met deze bestemming ontstaat geen strijd. Gegeven de ligging van de kavels gedeeltelijk op een regionale waterkering hebben wij voor ons initiatief contact opgenomen met het Hoogheemraadschap van Schieland. Uit navraag blijkt dat het initiatief niet wordt belemmerd door de aanwezigheid van de regionale waterkering gegeven de afstand tussen de waterkering en de extra woning op grond niet-zijnde bestemd als “Ringvaartzone”.
Gebiedsaanduiding Geluidszone – weg (artikel 37.1)
De gebiedsaanduiding ‘Geluidszone – weg’ regelt dat de gevels van een te bouwen woning moet worden getoetst aan de voorkeursgrenswaarde. Primair kan een woning worden gerealiseerd indien de voorkeursgrenswaarde niet wordt overschreden. Bij afwijking (hogere waarde of dove gevel) kan het college medewerking verlenen aan een hogere waarde dan de voorkeursgrenswaarde.
Gebiedsaanduiding Wro- zone – verwerkelijking in naaste toekomst (artikel 44)
De gebiedsaanduiding ‘Wro- zone – verwerkelijking in naaste toekomst’ stelt dat de verwerkelijking van het plan zoals dit is aangegeven binnen de aangewezen bestemmingen in de naaste toekomst noodzakelijk wordt geacht. Gezien de lange periode die inmiddels is verstreken sinds het vaststellen van het bestemmingsplan lijkt de noodzakelijkheid verdwenen.
Beoordeling
Het voorliggende initiatief past niet binnen de regels van het vigerende bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is echter achterhaald en opgesteld met het oog op de realisatie van 1.800 woningen en het aanleggen van een ontsluitingsweg over een gedeelte van het projectgebied. De gemeente heeft nu voorkeur voor de ontwikkeling van het 5e Dorp in plaats van het definitief estemmen van de Zuidplaspolder. Er is voldoende ruimte voor de realisatie van een extra woning. Deze woning voldoet geheel aan de bouwregels voor nieuwe woningen.
Het basisuitgangspunt bij het initiatief is dat de ruimtelijke kwaliteit verbetert of op zijn minst per saldo gelijk blijft. Vanwege de ligging in ‘beschermingscategorie 3 buitengebied’ geldt een verzwaarde motiveringsplicht v.w.b. ruimtelijke kwaliteit (artikel 6.9a).
Het initiatief draagt bij aan de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Door toepassing van de Ruimte voor Ruimte regeling zal het slopen van opstal (schuur) bijdragen aan de openheid van het landschap erachter alsmede de vergezichten. Zichtlijnen ontstaan door de sloop op het landschap achter de kavels.
Het paraplubestemmingsplan Archeologie voorziet in een bescherming van archeologische waarden voor het gehele grondgebied van de gemeente. Aan de hand van bureauonderzoek is bepaald wat de verwachtingswaarden zijn. Voor het voorliggende projectgebied is bepaald dat de archeologische verwachting zeer laag is. Er gelden daarom geen beperkingen en archeologisch onderzoek is verder niet nodig bij grondroeringen. Er is geen strijd met dit parapluplan.
Het parapluplan Parkeren regelt dat er bij ruimtelijke ontwikkelingen in voldoende mate moet worden voorzien in parkeergelegenheid. Getoetst wordt hierbij aan de Nota Parkeernormen 2019.
De woonpercelen bieden voldoende ruimte om te voorzien in de verwachte parkeerbehoefte voor woningen (3 autoparkeerplaatsen en 4 fietsparkeerplaatsen per woonperceel).
Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - parkeren' dient op een bouwperceel ter plaatse van de
aanduiding 'minimum aantal parkeerplaatsen' ten minste het aantal aangeduide parkeerplaatsen te
worden aangelegd met een afmeting van 2,5 x 5 m per parkeerplaats. Het perceel biedt voldoende
ruimte om te voldoen aan deze regel.
De gemeente Zuidplas zet in de Nota Parkeernormen 2019 in op meer flexibiliteit in de toepassing van kencijfers en parkeernormen door meer gebiedsgerichte en meer doelgroep specifieke normen. Met de Nota Parkeernormen 2019 beschrijft de gemeente Zuidplas het kader ten aanzien van het aantal te realiseren parkeerplaatsen voor fiets (nieuw in het beleid) en auto bij nieuwbouw of transformatieprojecten. De nota is relevant voor iedereen (projectontwikkelaars, woningcorporaties, privé-initiatieven, bedrijven, inwoners) die een omgevingsvergunning ‘bouwen’ of ‘functieveranderingen’ aanvraagt waar een parkeercomponent onderdeel van is.
De woonpercelen bieden voldoende ruimte om te voorzien in de verwachte parkeerbehoefte voor woningen (3 autoparkeerplaatsen en 4 fietsparkeerplaatsen per woonperceel). Het initiatief voldoet aan deze nota met de toepassing van de normen voor parkeren op eigen terrein.
De projectlocatie betreft het adres Westringdijk 18 (D 2639) in Nieuwerkerk aan den IJssel. De locatie is gelegen in het kassengebied aan de noordwestzijde van de A20 die langs Nieuwerkerk aan den IJssel loopt. De Westringdijk ontsluit het kassengebied in de richting van Nieuwerkerk aan den IJssel en de A20 in oostelijke richting en naar de N219 in noordwestelijke richting.
Afbeelding: plangebied met blauw kader aangegeven (bron: kadastralekaart)
Naast het perceel is in de bestaande situatie een woning aanwezig (nummer 18, perceel D 2638) met een oude schuur/stal op de projectlokatie (nummer 18, perceel D 2639). Op het noordoostelijke perceel (nummer 18A, perceel D 2640) is voormalige bedrijfsbebouwing aanwezig en een groot stuk onbebouwde grond. Op 18A was tot circa 10 jaar geleden een agrarisch bedrijf aanwezig en de woning op nummer 18.
Afbeelding: bestaande situatie in vogelvlucht vanuit zuidelijke richting
Ten zuidoosten van de bestaande woning wordt een nieuwe woning (perceel D 2639) gebouwd. Het woonperceel is aangegeven in het geel in de verbeelding. Op dit woonperceel wordt circa 170 m2 gebouw en circa 440 m2 kassen gesloopt. Eerder is circa 7.000 m2 a 8.000 m2 kassen gesloopt. Vanwege het meenemen van de in het verleden gesloopte kassen wordt ruimschoots voldaan aan de ruimte voor ruimte regeling van provincie Zuid-Holland. Het perceel is groot genoeg voor een extra woning.
Afbeelding: verbeelding nieuwe bestemmingsplan in PDF
Voor de ontsluiting van de percelen wordt binnen het eigendom van de initiatiefnemer aangetakt op de bestaande uitrit. Nummer 18 geeft hierbij een recht van overpad. Er blijft hiermee sprake van 1 inrit/uitrit op de Westringdijk.
Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit noemen we 'nationale belangen'. Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenaamde systeem-verantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden.
De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen, en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen die nationale belangen. Voorbeelden van nationale belangen zijn:
De belangrijkste keuzes die worden gemaakt, richten zich op het volgende. De opwekking van duurzame energie moet worden ingepast met oog op omgevingskwaliteit. Iedereen krijgt de komende jaren te maken met de overstap naar duurzame energie. Daarvoor zijn bijvoorbeeld meer windmolens en zonnepanelen nodig. Clustering is daarbij van belang en zonnepanelen worden in eerste instantie op en aan gebouwen gerealiseerd.
Ook moet er ruimte zijn voor een overgang naar een circulaire economie. Hergebruiken van grondstoffen en materialen en benutten van duurzame energiebronnen wordt steeds belangrijker. De inrichting van de leefomgeving moet een aantrekkelijk vestigingsklimaat zoveel mogelijk bevorderen. Een aantrekkelijke omgevingskwaliteit vraagt goede inpassing van bedrijven, logistieke functies en datacentra.
Tot 2030 moeten er ongeveer 1 miljoen woningen gebouwd worden. Er wordt zoveel mogelijk gebouwd binnen bestaand stedelijk gebied, zodat open ruimtes en groen tussen steden behouden blijft. De nieuwe woningen moeten betaalbaar en goed bereikbaar zijn. Bewoners moeten tevens een prettige, gezonde en veilige leefomgeving ervaren. Dat vergt grote investeringen in openbaar vervoer, veilige fietsen wandelpaden, meer groen, ontmoetingsruimte en wateropvang in de stad, en goede verbindingen met recreatiegebieden in de nabijheid van de stad.
Het landgebruik moet in balans zijn met natuurlijke systemen. Bijvoorbeeld door kringlooplandbouw. Zo wordt een goede bodem- en waterkwaliteit en biodiversiteit bevorderd. Om te kunnen blijven genieten van het landschap moet behoud van de kwaliteit van het landschap sterker meewegen in de keuzes die worden gemaakt.
Het voorliggende initiatief betreft de wijziging van een bestemming naar het feitelijke gebruik en tevens de toevoeging van een duurzame woning in een woonlint. Dit sluit aan bij de behoefte aan woningen en een goede ruimtelijke inpassing binnen bestaand stedelijk gebied. Het initiatief is niet in strijd met de doelen en ambities uit de NOVI.
Op 30 december 2011 zijn het Barro en Rarro (Regeling algemene regels ruimtelijke ordening) in werking getreden. In het Barro zijn regels opgenomen met betrekking tot onderwerpen die een nationaal belang hebben. Het gaat hierbij onder meer om Rijksvaarwegen, de ecologische hoofdstructuur, primaire waterkeringen en erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde.
Het voorliggende initiatief raakt geen belangen die in het Barro zijn verwoord.
Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geeft regels waar concrete ruimtelijke projecten aan moeten voldoen. Zo is in het Bro de ladder voor duurzame verstedelijking verankerd. Deze ladder is gericht op vraaggericht programmeren en het zorgvuldig benutten van ruimte. Op 1 juli 2017 is het Bro gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. In artikel 3.1.6, lid 2 Bro is voorgeschreven dat indien bij een bestemmingsplan 'een nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk wordt gemaakt, de toelichting van het bestemmingsplan een beschrijving van de behoefte bevat en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied mogelijk maakt, een motivering is opgenomen waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
Uit jurisprudentie volgt dat er pas sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling bij de realisatie van meer dan 11 woningen. Er is in voorliggend geval geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De ladder hoeft niet te worden doorlopen.
Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening.
In de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland vormen zes ambities de ruimtelijke hoofddoelstelling van de provincie:
Voor wat betreft ambitie 3 wordt gesteld: Zuid-Holland staat voor de opgave om in het komende decennium een fors aantal woningen te realiseren en om de woonvoorraad te verduurzamen. Opgaven die in Zuid-Holland om ingrijpende keuzes vragen. De uitdaging is om de stap te maken naar een gezonde, sociale en duurzame samenleving. De metropolitane ontwikkeling moet op die manier vorm krijgen. Om die vitale samenleving te realiseren is meer nodig dan woningbouw alleen. Het economisch potentieel kan beter benut worden door de steden met hun afzonderlijke kwaliteiten te verbinden tot één metropolitaan gebied. Het leef- en vestigingsklimaat daarin kan versterkt worden door stad en land goed te verbinden, door ruimte te bieden voor groen en water in de stad, door een evenwichtige woningvoorraad en passende werklocaties. Voor wat betreft het laatste punt (6) wordt gesteld dat het landschap en de biodiversiteit onder druk staan door het groeiend aantal inwoners, economische ontwikkeling en de klimaatverandering. Er is behoefte aan meer woningen en ruimte voor bedrijvigheid. De provincie wil de kwaliteit van de leefomgeving versterken door natuur, water, recreatie, landbouw, cultureel erfgoed en economie in samenhang te bezien. De bijzondere kwaliteiten van het landschap worden beschermd, ook om de groenbeleving van inwoners, recreanten en toeristen te verbeteren. Natuur, cultureel erfgoed en monumenten worden benut om het landschap aantrekkelijk te maken en te houden. Daarbij is de intentie om de biodiversiteit te vergroten, natuurinclusieve landbouw de ruimte te geven. Dit draagt bij aan een fijnmazig natuurnatuurnetwerk.
Omgevingskwaliteit
Voor het realiseren van een goede omgevingskwaliteit werkt de provincie vanuit twaalf samenhangende opgaven van het omgevingsbeleid, die van provinciaal belang worden geacht. De voor het voorliggende initiatief relevante belangen zijn:
De essentie van ‘verbeteren van ruimtelijke kwaliteit’ is dat initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen enerzijds inspelen op de aanwezige kwaliteiten in de omgeving (zeker als de omgeving hoge cultuurhistorische of identiteitsbepalende waarden vertegenwoordigt) en er anderzijds specifieke kwaliteiten aan toevoegen die te maken hebben met de samenleving van vandaag.
Beoordeling
De provincie zet in op een verbetering van de landschappelijke kwaliteit, maar realiseert zich tevens dat er een behoefte aan woningen bestaat en dat er een onvermijdelijke druk op het landschap resulteert in een andere omgang met de omgeving. Voorliggende ontwikkeling voegt één woning toe in een bestaand woonlint. Deze ontwikkeling kan als ruimtelijk passend worden beschouwd. De bestaande woning is sinds jaar en dag aanwezig en onderdeel van de structuur. Het grote perceel laat een extra woning toe en door de grote afstand van de locatie tot aan de weg is de impact op het beeld verwaarloosbaar. Hiermee wordt zowel aan de behoefte aan woningen als aan een goede landschappelijke inpassing voldaan.
Op 15 december 2021 is de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (ZHOV, idn: NL.IMRO.9928.OVerordening2019-GC10) vastgesteld. In de ZHOV is bepaald dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen kunnen worden toegestaan indien de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, geen wijziging voorziet op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen). Zoals eerder is aangegeven past het toevoegen van een woning binnen de structuur van het woonlint en geeft het perceel ook ruimte hiervoor. Het terugbestemmen van de verkeersbestemming naar een woonbestemming op nummer 18 is een bevestiging van een bestaande situatie.
Verder geeft de ZHOV eisen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Zoals is aangegeven, is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Hiermee wordt nogmaals bevestigd dat de ladder van duurzame verstedelijking niet hoeft te worden doorlopen.
Het initiatief voldoet aan de afwijkingsregeling in artikel 6.15 lid 4 op basis van de volgende argumenten:
Tenslotte speelt mee dat het plangebied aan de rand van het glastuinbouwgebied is gelegen en in een bebouwingslint. Er staan al verschillende woningen naast de beoogde extra woning waar het grootste deel van de kassen al eerder zijn gesloopt. Hierdoor vindt er geen onevenredige aantasting van de omvang en bruikbaarheid van het glastuinbouwgebied plaats.
Beoordeling
Beoordeeld wordt dat de ontwikkeling passend is in de ZHOV.
In de Omgevingsvisie Zuidplas 2040 presenteert Zuidplas de ruimtelijke visie tot 2040 en daarna. Met
de Omgevingsvisie worden de ambities voor de lange termijn, tot 2040 beschreven. Met de omgevingsvisie wordt richting gegeven aan toekomstige ontwikkelingen die plaatsvinden in een veilige en gezonde fysieke leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit voor inwoners. De fysieke leefomgeving gaat over bijna alles buiten: gebouwen, bodem, water, natuur, lucht, maar ook wegen en duurzame opwek van energie. De geformuleerde ambities met raakvlakken voor voorliggend initiatief zijn:
In de Omgevingsvisie is een beschrijving van de dorpen in 2040 opgenomen. Voor Nieuwerkerk aan den IJssel is een ringvaartpark gerealiseerd als rand langs de Zuidplaspolder. Het ringvaartpark vormt een aantrekkelijke recreatieve route langs de ringvaart. Dat is een aantrekkelijk gevarieerd gebied, waar de polderstructuur nog duidelijk herkenbaar is, maar waar ook een gemengd stedelijk gebied is ontstaan nabij de aansluiting op de verbrede A20. De versnipperde glastuinbouw en bedrijvigheid is opgeheven en elders geconcentreerd. Dat biedt ruimte voor kleinschalige woonvormen, recreatie, landschappelijke kwaliteit en agrarische activiteiten die op een slimme manier omgaan met bodemdaling, kwel en verzilting. Bovendien vormt dit een fraaie en passende entree tot Nieuwerkerk aan den IJssel.
De geschetste situatie voor 2040 biedt een passend kader voor het voorliggende initiatief. Het woonperceel ligt langs de ringvaartzone waar het bij aan kan sluiten. De Zuidplaspolder kan als gevarieerd gebied worden herontwikkeld waarbij voorliggende projectlocatie als onderdeel van de buitenste woonrand kan fungeren. De woningen op de projectlocatie vallen niet binnen de betaalbare klasse, maar zorgen wel voor meer diversiteit en flexibiliteit. Enerzijds doordat woningen langs dijken minder vertegenwoordigd zijn en anderzijds doordat van de te realiseren woning een levensloopbestendige woning gemaakt kan worden. In het ontwerp van de woning is tevens rekening gehouden met thuiswerken en zonnepanelen op het dak worden uiteraard toegepast.
Voorliggend initiatief vindt aansluiting bij de Omgevingsvisie op het gebied van wonen. Het invoegen van een woning in een bestaand lint past in het beleid met betrekking tot het verdichten en versterken van de linten. Zoals eerder aangegeven biedt het perceel voldoende ruimte om een extra woning in te passen en is er derhalve ook sprake van een goede ruimtelijke ordening.
De 'Woonvisie 2025 - Dorps wonen in Zuidplas, nu en in de toekomst' is op 23 januari 2019 door de gemeenteraad vastgesteld. In de woonvisie wordt een doorkijk naar het wonen in Zuidplas rond het jaar 2025 gegeven en is richtinggevend van karakter. De woonvisie is tevens het programmatische toetsingskader voor nieuwe ontwikkelingen. De woonvisie heeft primair betrekking op reguliere woningbouw en het inspelen op demografische en sociale ontwikkelingen.
Zuidplas is een gemeente met een dorps woonmilieu in het groen én midden in de Randstad. De
gemeente versterkt deze karakteristieken door in te spelen op de kwaliteiten waarmee zij zich nu al
onderscheidt van omliggende gemeenten: veel laagbouw in een groene omgeving. De gemeente heeft hiermee een ‘unique selling point’. Ze biedt een prettige woonomgeving voor gezinnen met kinderen. Bij ontwikkelingen in Zuidplas ligt het accent daarom iets meer op deze doelgroep.
Er zijn drie speerpunten geformuleerd:
Bij de speerpunten stelt de gemeente een aantal randvoorwaarden, die worden meegenomen bij de
uitwerking ervan. De randvoorwaarden zijn:
Op 1 januari 2018 had Zuidplas 41.570 inwoners. Het aantal inwoners neemt tot het jaar 2040 sterk toe. Zuidplas heeft in 2030 ongeveer 45.500-48.000 inwoners. Tegelijk is er een grote (boven)regionale vraag, die niet expliciet verwerkt is in de huishoudensprognoses. Die vraag is te destilleren uit WoonOnderzoek Nederland (WoON 2015). Daaruit blijkt dat onder de verhuisgeneigde huishoudens uit de regio’s Rijnmond, Haaglanden en Zuid-Holland-oost zo’n 3.000 huishoudens specifiek interesse hebben om zich te vestigen in Zuidplas. Nog eens 45.000 huishoudens hebben aangegeven bij verhuizing op zoek te gaan naar een kleinere gemeente in Zuid-Holland. De gemeente Zuidplas kan invulling geven aan deze verhuisgeneigdheid, omdat zij is aangewezen als (boven)regionale woonlocatie.
Gezien de huidige dynamiek op de woningmarkt in Zuidplas en omliggende gemeenten, zal een netto toevoeging van gemiddeld 250 woningen per jaar in de periode tot 2030 in een behoefte voorzien en dus zeker goed afzetbaar zijn. Als deze aantallen worden gerealiseerd is de woningvoorraad in 2030 vermeerderd met 3250 woningen. De verdeling van deze woningen is in de volgende tabel weergegeven:
Afbeelding: prognose ontwikkeling woningvoorraad (bron: Woonvisie 2025)
Tot ongeveer 2030 ligt de grootste vraagdruk op eengezinskoopwoningen. Dit is de optelsom van de grote groep huishoudens die in de huidige eengezinswoning oud wordt en er blijft wonen en de toestroom van paren en jonge gezinnen die de komende jaren blijft bestaan. Vanaf 2030 is er een omslag. Dan neemt de wens van ouderen (babyboomers) om uit zelfstandige woningen te verhuizen sterk toe. Deze uitstroom zou ongeveer even groot kunnen worden als de toename van de behoefte van jonge paren en gezinnen. Dit verklaart waarom vanaf 2030 de behoefte aan eengezinskoop niet, dan wel gematigd, toeneemt en de vraag naar nultredenwoningen in de huursector stijgt.
Voorliggend initiatief past binnen de doelstelling van de Woonvisie om vooral eengezinskoopwoningen te realiseren. Zoals reeds aangegeven is de nieuwe woning ook geschikt om aangewend te worden als levensloopbestendige woning wat in lijn is met de behoefte na 2030. Ook blijft het initiatief binnen de randvoorwaarden: er is blijvend sprake van gescheiden dorpen en van een groene corridor.
Zuidplas wil het belang van een aantrekkelijke gebouwde omgeving behartigen. De gevels van gebouwen en andere bouwwerken vormen samen de dagelijkse leefomgeving van de inwoners. Daar is het algemeen belang mee gediend aangezien de buitenkant van een bouwwerk, veelal particulier bezit, ook het beeld en karakter van een publieke ruimte in een gemeente of dorp bepaald. Een aantrekkelijke, goed verzorgde omgeving verhoogt bovendien de waarde van het onroerend goed en versterkt het vestigingsklimaat. Zuidplas wil met het welstandsbeleid dan ook in alle openheid een bijdrage leveren aan de dagelijkse leefomgeving, de schoonheid en de aantrekkelijkheid van de gemeente.
De projectlocatie bevindt zich in het zware welstandsregime. Ook is op deze locatie het beeldkwaliteitplan ‘Linten & Kwaliteitszone Ringvaart Zuidplaspolder’ van toepassing.
Op basis van het beeldkwaliteitplan zijn in het algemeen alleen zadeldaken toegestaan. Bij woningbouw kwaliteitszone ringvaart is de kapvorm als volgt aangegeven: ‘zadeldak met mogelijkheid tot deels plat dak’.
Zoals te zien in de schetsen van de extra woning, wordt uitsluitend een zadeldak gehanteerd met een schuurachtige vorm in dezelfde richting als de bestaande woning. De materialen betreffen traditionele materialen met bijbehorende traditionele kleuren, in overeenstemming met bestaande bebouwing aan de Westringdijk.
Aldus kan concluderend gesteld worden dat het voorgenomen plan zal voldoen aan de welstandseisen. De definitieve welstandstoets zal bij het indienen van de omgevingsvergunning t.z.t. plaatsvinden.
Met het in werking treden van de nieuwe Omgevingswet op 1 januari 2023 verandert de manier waarop Zuidplas haar ruimtelijk kwaliteitsbeleid vormt geeft. Het huidige welstandsbeleid bestaat onder de nieuwe wet niet meer. Het gaat naast het uiterlijk van gebouwen ook over de kwaliteit van de fysieke leefomgeving, dus waar men woont, werkt, recreëert en leeft. Ook wel de 'omgevingskwaliteit' genoemd. De Welstandsnota Zuidplas 2015, zoals die nu wordt gebruikt, wordt omgevormd tot de Nota Omgevingskwaliteit Zuidplas. De Nota omgevingskwaliteit Zuidplas is door de gemeenteraad vastgesteld op 6 juni 2023 en wordt gepubliceerd per januari 2024.
Om het initiatief te realiseren, is een planologische procedure uitgevoerd. De volgende aspecten zijn beoordeeld voor het initiatief:
De Flora en Faunawet beschermt een groot aantal in Nederland voorkomende wilde dier en plantensoorten. Uitgangspunt van de wet is dat aantasting van de beschermde soorten moet worden voorkomen. Wanneer dit niet mogelijk is, kan een ontheffing worden verleend door het ministerie van Economische Zaken.
De beschermde diersoorten (vogels, vissen, zoogdieren, amfibieën, reptielen, insecten, ongewervelde, et cetera) en ongeveer 100 plantensoorten zijn te vinden in tabellen, die deel uitmaken van de Flora- en faunawet. Daarnaast zijn alle broedende vogels, hun broedplaatsen én de functionele omgeving van de broedplaatsen beschermd tijdens de broedperiode en zijn van een aantal soorten de vaste rust- en verblijfplaatsen en functionele omgeving jaar rond beschermd.
Om te beoordelen of als gevolg van de ontwikkeling beschermde dier- en/of plantensoorten worden verstoord, is een ecologische quick scan uitgevoerd (zie Bijlage 1). De bevindingen zijn als volgt:
Beschermde soorten Wnb
De projectlocatie is geschikt voor beschermde soorten amfibieën, vogels, grondgebonden zoogdieren en vleermuizen. Gezien de uitgevoerde toetsing, kunnen van de amfibieën en grondgebonden zoogdieren alleen ‘vrijgestelde’ soorten verblijvend aanwezig zijn. Voor deze aangetroffen of verwachte ‘vrijgestelde’ soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd als werkzaamheden worden verricht in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zoals het besproken plan.
Afbeelding: links te behouden schuur/loods en rechts de af te breken schuur
In het plangebied kunnen broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een ontheffing is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen loopt ruwweg van half maart tot half juli.
Voor het mogelijk incidentele terreingebruik van het plangebied door vogels met jaarrond beschermde nesten (Huismus), wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter leefgebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. Het plangebied biedt geen essentieel leefgebied voor deze soorten en ze kunnen gemakkelijk uitwijken.
In de bebouwing naast het plangebied (woonhuis Westringdijk 18) kunnen mogelijk vleermuizen verblijven. Tijdens de werkzaamheden moet worden voorkomen dat ’s nachts felle verlichting aan blijft staan, zodat eventueel aanwezige verblijfplaatsen van vleermuizen in de omgeving van het plangebied niet worden verstoord.
Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De vleermuizen kunnen derhalve gemakkelijk uitwijken.
Gebiedsbescherming en overige natuurwetgeving
Gezien de aard van de plannen, de reikwijdte daarvan en de locatie van het plangebied ten opzichte van beschermde gebieden is buiten indirecte gevolgen door toegenomen stikstofemissie, op voorhand uit te sluiten dat andere natuurwetgeving aan de orde is bij uitvoering van de plannen.
Het geplande project leidt tot verhoogde emissie van stikstof. Echter, uit de stikstof depositie blijkt dat de hierdoor veroorzaakte extra depositie van stikstof op gevoelige habitattypen in nabijgelegen Natura 2000-gebieden niet 0,00 mol/ha/jaar komt gezien de grote afstand tot stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden en derhalve niet vergunningplichtig is.
Beoordeling
Beoordeeld wordt dat de extra woning geen verstoring van beschermde dier- en/of plantensoorten zal opleveren.
De milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie Westringdijk 18 te Nieuwerkerk aan den IJssel is vastgelegd. Behalve de chemische kwaliteit is tevens de aanwezigheid van asbest in de bodem onderzocht (zie Bijlage 2).
Chemische kwaliteit
De gestelde hypothese dat vanwege de ligging in een glastuinbouwgebied verhogingen aan OCB in de bovengrond kunnen worden verwacht, is bevestigd.
Er is een lichte verhoging aan drins in de kleiige bovengrond aangetoond. De gestelde hypothese dat verhogingen aan zware metalen, PAK en PCB kunnen worden verwacht als gevolg van verhoogde achtergrondgehalten zoals opgenomen in de bodemkwaliteitskaart, is bevestigd. Er zijn in de boven en ondergrond lichte verhogingen aan zware metalen, PAK en PCB aangetoond. Deze geven geen aanleiding tot nader onderzoek.
In het grondwater is een licht verhoogd gehalte aan barium aangetoond. Dit kan worden toegeschreven aan natuurlijk verhoogde achtergrondconcentraties en geeft geen aanleiding tot nader onderzoek.
Asbestonderzoek
De gestelde hypothese dat de onverharde toplaag rond de opslagloods verdacht is op het voorkomen van asbest, is niet bevestigd. In de onverharde toplaag is zowel visueel als analytisch geen asbest aangetroffen. De gevolgde onderzoeksstrategie geeft in voldoende mate de situatie ter plaatse van de onderzoekslocatie weer.
Er is een asbestgehalte van 0,0 mg/kg vastgesteld. Aanbevolen wordt om de opslag/schuur onder asbestcondities te slopen en vermenging van het sloopafval met de bodem te voorkomen.
Beoordeling
De onderzoeksresultaten vormen geen belemmeringen voor de beoogde woonbestemming en voor de realisatie van een extra woning.
In de afbeelding hierna zijn de risicobronnen en bijbehorende invloedsgebieden in de omgeving van de projectlocatie (de rode pointer) weergegeven.
Beoordeling
Uit de afbeelding blijkt dat externe veiligheid geen rol speelt. De A20 ligt op voldoende afstand van de projectlocatie. Bovendien neemt het aantal personen met slechts één gezin toe waardoor het groepsrisico de oriëntatiewaarde niet overschrijdt.
De onderzoeksresultaten vormen geen belemmeringen voor de realisatie van een extra woning.
Om te beoordelen of wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van de Wet geluidhinder (Wgh), is akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. De planlocatie is gelegen aan de Westringdijk, nabij de rijksweg A20 en de Bostelweg. Deze wegen zijn voor de Wet geluidhinder gezoneerd. De geluidsbelasting van deze wegen op nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen is onderzocht en getoetst aan de wettelijke normen (zie rapportage in Bijlage 3).
Geluidscriteria
De Wgh hanteert verschillende grens- en ontheffingswaarden. Binnen het onderhavige plan gaat het formeel gezien om de situatie: ‘nieuwe woning binnen de geluidszone van een bestaande (of geprojecteerde) weg’. De voorkeursgrenswaarde voor nieuw te realiseren woningen is 48 dB (artikel 82 lid 1 Wgh).
Maximale ontheffingswaarde
Wanneer uit onderzoek blijkt dat deze norm zal worden overschreden, dan dient eerst onderzoek plaats te vinden naar de mogelijkheden voor het toepassen van geluidsbeperkende maatregelen.
Indien bronmaatregelen, overdrachtsmaatregelen en/of maatregelen aan de ontvanger niet afdoende zijn of stuiten op overwegende bezwaren van financiële, stedenbouwkundige, landschappelijke of verkeerskundige aard, kan het bevoegd gezag een hogere grenswaarde verlenen tot aan de maximale ontheffingswaarde. Het gemeentelijke beleid volgt in hoofdlijnen de systematiek van de Wet geluidhinder.
De maximaal mogelijke ontheffingswaarde voor de bouw van een nieuwe woning langs een bestaande weg is afhankelijk van de situering van de planlocatie en het wegtype. Onderscheid wordt gemaakt in buitenstedelijk en stedelijk gebied:
De planlocatie is gelegen buiten de bebouwde kom van Nieuwerkerk aan den IJssel. Ook de omliggende wegen liggen in buitenstedelijk gebied. Daarmee is voor de toetsing van de geluidssituatie van het plan sprake van een buitenstedelijke situatie. Voor de nieuwe woning is voor elk van de beschouwde wegen een maximale ontheffingswaarde van 53 dB van toepassing:
Maximale geluidsbelasting binnen de bestemming In het Bouwbesluit zijn eisen gesteld ten aanzien van de maximaal toegestane geluidsniveaus binnen woningen. De (geluidsbelaste) gevels van woningen moeten voldoende geluidsisolerend werken om hieraan te kunnen voldoen. In het Bouwbesluit is gesteld dat de karakteristieke gevelwering van nieuwe woningen minimaal 20 dB moet bedragen. Voor de maximale binnenwaarde van verblijfsgebieden in nieuwe woningen geldt de norm van 33 dB. De gevelbelasting (geluidsbelasting buiten op de gevel) en de karakteristieke gevelwering (geluidsisolatie van de gevel) bepalen samen de binnenwaarde.
Om de binnenwaarde te kunnen bepalen, moet de geluidsbelasting op de gevel(s) dus altijd bekend zijn. Bij wegverkeerslawaai dient daarbij te worden uitgegaan van de totale geluidsbelasting (de belasting ten gevolge van alle aanwezige wegen samen), zonder toepassing van de correctie volgens artikel 110g van de Wgh; de zogenaamde gecumuleerde geluidsbelasting van het wegverkeer.
Gesteld kan worden dat bij een totale geluidsbelasting hoger dan 53 dB (grenswaarde is 20+33) nader onderzoek naar de geluidwering van de gevels nodig is.
Bevindingen: geluidsbelasting A20
De te verwachten geluidsbelasting van het verkeer op de A20 ter plaatse van de gevels van de nieuwe woning is voor de gehanteerde toetspunten berekend en onder weergegeven.
De weergegeven waarden zijn na toepassing van de correctie volgens artikel 110g Wgh en artikel 3.4 van het RMG2012. Daar waar sprake is van beperkte normoverschrijding, is een gele arcering toegepast. Daar waar wordt voldaan aan de norm, is in de tabel een groene arcering toegepast.
Tabel: geluidsbelasting als gevolg van A20
Uit de resultaten volgt dat ter plaatse van de rechter zijgevel en de voorgevel, op het niveau van de verdieping, sprake is van beperkte normoverschrijding. De maximale geluidsbelasting is 50 dB. Op alle overige toetspunten wordt voldaan aan de norm.
Omdat sprake is van normoverschrijding is een beschouwing van de toepassing en effecten van mogelijke geluidsbeperkende maatregelen voor deze situatie uitgevoerd (zie vervolg).
Bevindingen: geluidsbelasting Westringdijk
De te verwachten geluidsbelasting van het verkeer op de Westringdijk is voor alle toetspunten in onderstaande tabel weergegeven. Ook deze waarden zijn na toepassing van de correctie volgens artikel 110g Wgh en artikel 3.4 van het RMG2012.
Tabel: geluidsbelasting als gevolg van Westringdijk
Uit de resultaten volgt dat bij alle toetspunten wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De maximale geluidsbelasting is 40 dB ter plaatse van de voorgevel van de woning. Voldaan wordt aan de norm. Het nader onderzoeken c.q. treffen van geluidsbeperkende maatregelen is voor deze situatie niet nodig.
Bevindingen: geluidsbelasting Bostelweg
In de derde tabel is de te verwachten geluidsbelasting van het verkeer op de Bostelweg:
Tabel: geluidsbelasting als gevolg van Bostelweg
Uit de resultaten volgt dat ten gevolge van het verkeer op de Bostelweg de geluidsbelasting op alle gevels voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De maximale geluidsbelasting is 43 dB ter plaatse van de voorgevel van de woning. Voor deze situatie is het nader onderzoeken c.q. toepassen van geluidsbeperkende maatregelen ook niet nodig.
Bevindingen: gecumuleerde geluidsbelasting
Uit voorgaande volgt dat ten gevolge van het wegverkeer op de rijksweg A20 sprake zal zijn van normoverschrijding. Om die reden is tevens de te verwachten gecumuleerde geluidsbelasting van het wegverkeer bepaald. Deze geluidsbelasting is voor alle toetspunten weergegeven in de volgende
tabel. Op de weergegeven waarden is geen correctie toegepast:
Tabel: totale gecumuleerde geluidsbelasting wegverkeer
Uit de tabel volgt dat de hoogste gecumuleerde geluidsbelasting van het wegverkeer ter plaatse van de nieuwe woning 54 dB bedraagt (ongecorrigeerd). Deze geluidsbelasting treedt op bij de voorgevel en op de rechter zijgevel van de woning. Met deze geluidsbelasting is sprake van een geluidssituatie 'redelijk' tot 'goed' volgens de MKM-classificatie. Sprake is van een akoestisch acceptabel woon- en leefklimaat.
Mogelijkheden geluidsbeperkende maatregelen
Uit onderzoek volgt dat de geluidsbelasting ten gevolge van het wegverkeer op de rijksweg A20 bepalend is bij het plan. Ter plaatse van de nieuwe woning is er sprake van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde. Normoverschrijding wordt veroorzaakt door het verkeer op de rijksweg A20. De overschrijding van de norm is maximaal (50-48=) 2 dB. Om die reden is de toepassing van mogelijke geluidsbeperkende maatregelen beschouwd.
Ontheffing hogere grenswaarde is toegestaan
Voor de geconstateerde normoverschrijding ten gevolge van het verkeer op de A20 is ontheffing van een hogere grenswaarde nodig. Vanuit het gemeentelijke geluidsbeleid geldt daarbij als voorwaarde dat de woning dient te beschikken over ten minste een geluidsluwe gevel en buitenruimte. Uit de resultaten van het onderzoek volgt dat dit zonder meer het geval is op het niveau van de begane grond (rondom de woning) en op verdiepingsniveau ook ter plaatse van de linker zijgevel en de achtergevel. Aan deze voorwaarde wordt dus voldaan en voor de woning mag ontheffing van een hogere grenswaarde tot 50 dB worden verleend.
Maximale binnenwaarde
Uit het onderzoek volgt dat de maximale totale geluidsbelasting van het wegverkeer 54 dB bedraagt. De minimaal benodigde geluidswering van de gevels dient daarmee (54-33 =) 21 dB zijn. Dat is een verhoogde eis van slechts 1 dB ten opzichte van het Bouwbesluit 2012. Gelet op het ontwerp van de woning, met in de voorgevel en rechter zijgevel op de verdieping kleine ramen, en rekening houdend met de huidige warmte-isolatie eisen voor nieuwe woningen, kan zonder nader onderzoek zeker worden gesteld dat de geluidwering van de gevels van de woning van het plan voldoende zal zijn.
Beoordeling
Uit het onderzoek volgt dat de geluidsbelasting ten gevolge van het verkeer op de Westringdijk en Bostelweg voldoet aan de wettelijke norm. De geluidsbelasting ten gevolge van het verkeer op de A20 overschrijdt de norm met maximaal 2 dB.
Het treffen van geluidsbeperkende maatregelen (bron- en overdracht) stuit op overwegende bezwaren van stedenbouwkundige en landschappelijke aard en zijn niet realistisch in relatie tot het kleinschalige plan van één woning. Omdat de maximale ontheffingswaarde niet wordt overschreden, is het toepassen van dove gevels in de woning niet nodig.
Het verlenen van ontheffing van een hogere waarde voor de nieuwe woning (van 50 dB) is mogelijk omdat de woning beschikt over ten minste een geluidsluwe zijde en geluidsluwe buitenruimte (tuin).
De totale geluidsbelasting van het wegverkeer (zonder correctie) ter plaatse van de nieuwe woning is maximaal 54 dB. Gelet op het ontwerp van de woning en rekening houdend met de huidige warmte/isolatie eisen voor nieuwe woningen, kan worden gesteld dat de geluidwering van de gevels van de woning van het plan zal voldoen aan de eisen van het Bouwbesluit 2012. Nader onderzoek naar de benodigde geluidwering van de gevels van de woning is daarom niet nodig.
Met ontheffing van een hogere waarde tot 50 dB, kan de nieuwe woning aan de Westringdijk 18 vanuit het oogpunt van geluid van wegverkeer volgens plan worden gerealiseerd.
Om te beoordelen of wordt voldaan aan de stikstof eisen, is een stikstof onderzoek uitgevoerd met behulp van Aerius. In de bijlage is het gehele onderzoek inclusief berekeningen te vinden (zie Bijlage 4).
In het onderzoek is de projectbijdrage door Aerius Calculator op concrete rekenpunten exact berekend, waarbij ook habitattypen, vegetaties of Natura 2000-gebieden op meer dan 3 km afstand betrokken worden. De depositie op de meest nabijgelegen ‘stikstofgevoelige habitattypen’ (zoals gedefinieerd in Aerius) wordt doorgerekend om te onderzoeken of deze hoger is dan 0,00.
Indien de projectbijdrage hoger is dan een berekende 0,00 mol/ha/jaar, zijn mogelijk gevolgen te verwachten. Het rekenresultaat van 0,00 mol/ha/jaar betekent een maximale stikstofdepositie op het meest dichtbij gelegen stikstofgevoelige habitattype in Natura 2000- gebieden die lager is dan 0,005 mol/ha/jaar. Dit komt omdat Aerius vanaf 0,005 mol/ha/jaar de depositie naar boven afrondt tot een projectbijdrage van 0,01 mol/ha/jaar.
Bij de berekening van stikstofemissie zijn twee fasen te onderscheiden, de aanlegfase (sloop & bouw) en de gebruikfase (gebruik ontwikkelde gebied na afloop van de aanlegfase inclusief aantrekking verkeer e.d.). Aanleg en gebruik komen niet naast elkaar voor. In deze rapportage worden de aanleg en gebruikfase berekend, deze is bepalend voor de te verwachten gevolgen op Natura 2000-gebieden. Voor de berekening zijn de effecten ingeschat op de meest dichtbij zijnde stikstofgevoelige habitattypen. Het betreft diverse aangewezen (en in rekentool Aerius aangegeven) habitattypen in Oude Maas. Hierbij moet worden gerealiseerd dat sommige dichtbij gelegen deelgebieden, zoals Boezems Kinderdijk, Vogelrichtlijn gebieden zijn en geen stikstofgevoelige habitattypen bevatten.
Aanlegfase
Uit de berekeningen blijkt dat op natuurgebieden de projectbijdrage van de aanlegfase van het initiatief 0,00 mol/ha/jaar is. Deze bijdrage wordt als verwaarloosbaar beschouwd.
Gebruikfase
Er wordt bij de berekening met betrekking tot gebruik uitgegaan van 1 vrijstaande woning. De bebouwing wordt gasloos en zonder andere stookinstallaties aangelegd, zodat hier van emissie geen sprake is en alleen de bijdrage van de verkeersaantrekkende werking wordt berekend.
Uit de berekeningen blijkt dat op alle natuurgebieden de projectbijdrage van het initiatief 0,00 mol/ha/jaar is. Deze bijdrage wordt als verwaarloosbaar beschouwd.
Beoordeling
De maximale projectbijdrage van de aanleg en het gebruik van de gebouwen is 0,00 mol/ha/jaar op de meest dichtbijgelegen stikstofgevoelige habitattypen. De stikstofdepositie die uitvoering van de plannen zal veroorzaken vormt een zodanig gering percentage van de kritische depositiewaarde van de meest kritische ter plaatse voorkomende stikstofgevoelige habitattypen, dat er ecologisch gezien geen zichtbare of meetbare effecten zullen optreden en er zeker geen sprake is van significante gevolgen waardoor de instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken Natura 2000-gebieden in gevaar zouden kunnen komen.
Op basis van alle relevante onderzochte omgevingsaspecten komt naar voren dat er geen belemmeringen zijn voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan.
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het
Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van ‘afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
Planspecifiek
Voor deze ontwikkeling sluit de gemeente met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst af.
Het ontwerpbestemmingsplan is conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd in de periode van 13 juli 2023 tot en met 23 augustus 2023. Er zijn in die periode geen schriftelijke en/of mondelinge zienswijzen ontvangen. Het plan is in deze periode ook toegezonden aan de vooroverlegpartners ingevolge artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. De wettelijke vooroverlegpartners hebben ofwel níet ofwel instemmend gereageerd op dit plan.
Op de onderdelen "vooroverleg" en "zienswijzen" behoeft het plan geen aanpassing. Wel wordt een ambtshalve wijziging doorgevoerd.
Ambtshalve wijziging
Ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan wordt het bestemmingsplan aangevuld met een voorwaardelijke verplichting. Deze voorwaardelijke verplichting heeft tot doel een planologisch-juridische relatie te leggen tussen de nog te slopen vierkante meters bebouwing en de ingebruikname van de nieuwe woning: de ingebruikname van de woning wordt pas mogelijk als de te slopen bebouwing daadwerkelijk is gesloopt. De voorwaardelijke verplichting staat benoemd in artikel 3.3.3 van de planregels. Een kaartbeeld met de te slopen bebouwing wordt toegevoegd als bijlage 3 aan de planregels. Op deze manier wordt de situatie voorkómen dat de woning in gebruik wordt genomen en de beoogde sloop niet plaatsvindt.
Vaststelling
Na vaststelling door de gemeenteraad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld, dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Handhaving kan worden omschreven als elke handeling die erop gericht is de naleving van regelgeving te bevorderen of een overtreding te beëindigen. Het doel van handhaving is om de duurzame bescherming van mens en omgeving te waarborgen. Binnen het kader van het bestemmingsplan heeft regelgeving met name betrekking op de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Woningwet.
Bij overtreding van deze regelgeving moet gedacht worden aan bouwen zonder vergunning, bouwen in afwijking van een verleende vergunning, het handelen zonder of in afwijking van een noodzakelijke aanlegvergunning en het gebruik van gronden en opstallen in strijd met de gebruiksregels van het bestemmingsplan of een ontheffing.
Handhaving wordt onderscheiden in preventieve en repressieve handhaving. Preventieve handhaving bestaat uit actief toezicht door of namens de gemeente door bijvoorbeeld regelmatige controles op de uitvoering van vergunningen. Voorts bestaat preventieve handhaving uit het opstellen van duidelijke en maatschappelijk geaccepteerde regels en uit communicatie en voorlichting.
Repressieve handhaving bestaat uit de aanwending van publiekrechtelijke middelen bij geconstateerde overtredingen, zoals het opleggen van een dwangsom of het uitoefenen van bestuursdwang. Daarnaast is het mogelijk strafrechtelijke middelen toe te passen en privaatrechtelijke actie te ondernemen bij inbreuk op het eigendomsrecht van de gemeente. Repressieve handhaving heeft als primaire doel een einde te maken aan een specifieke overtreding van de Wro of de Woningwet.
Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012).
Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.
De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.
Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
De planregels van het bestemmingsplan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de geldende bestemmingsplannen. In onderstaande paragrafen zullen de regels nader worden uiteengezet.
De gronden in dit bestemmingsplan hebben de bestemming 'Wonen'.
Deze gronden zijn bestemd voor wonen, inclusief aan-huis-verbonden beroepen en aan-huis-verbonden bedrijven tot maximaal 30% van het grondvloeroppervlak van het hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken met een maximum van 50 m². Tevens zijn de daarbij behorende tuinen, bijbehorende bouwwerken, parkeervoorzieningen, fiets- en voetpaden, speeltoestellen, water en kunstwerken toegestaan.
Het hoofdgebouw mag uitsluitend binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak worden gebouwd.
Verder wordt standaard een inhoudsmaat van 750 m³ toegestaan. Via een afwijkingsbevoegdheid mag deze maat met 10% worden vergroot. Zoals bepaald in de 'Wijze van Meten' wordt bij het berekenen van de inhoudsmaat een ondergrondse bouwlaag niet meegerekend.
Voorts zijn er bepalingen opgenomen voor bijbehorende bouwwerken (o.a. ook erkers), met een regeling voor die situaties waar afwijkende afstands- en oppervlaktematen legaal aanwezig zijn.
Tevens zijn er bepalingen opgenomen voor de diverse bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
Via een voorwaardelijke verplichting is geregeld dat de nieuw te bouwen woning pas in gebruik mag worden genomen nadat 170 m2 aan bebouwing en 440 m2 aan kassen is gesloopt. Dit is verduidelijkt doordat een visualisatie van de te slopen bebouwing is opgenomen in Bijlage 3 van de regels.