direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Foarstrjitte 49, De Westereen
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1891.BpWeFoarstrjitte49-VA02

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

De aanleiding voor dit bestemmingsplan betreft het planvoornemen voor de verplaatsing van de Poiesz supermarkt aan de Foarstrjitte 49 te De Westereen. Reden voor de verplaatsing van de supermarkt betreft de introductie van de nieuwe winkelformule van Poiesz om in te spelen op de veranderende vraag van de consument. Om het klantenbestand op peil te houden moet de winkel worden opgewaardeerd. Daarnaast is de herinrichting van het bijbehorend parkeerterrein wenselijk. In voorliggend bestemmingsplan is daarom de verplaatsing van de supermarkt en de herinrichting van het terrein uitgewerkt. Het nieuwe winkelpand wordt in noordelijke richting verplaatst waarmee meer ruimte aan de zuidzijde van het terrein ontstaat voor parkeren.

1.2 Ligging van het plangebied

Het plangebied is gelegen aan de Foarstrjitte 49 aan de noordzijde van De Westereen en betreft de kadastrale percelen 783, 782, 781 en 95 deels sectie H gemeentecode VWD01 van de gemeente Dantumadiel. De oppervlakte van het projectgebied bedraagt circa 6.537 m2. Navolgende figuur geeft de ligging van het plangebied weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.1891.BpWeFoarstrjitte49-VA02_0001.png"

Figuur 1. Weergave ligging plangebied in rood

Naast het plangebied bevindt zich diverse woonbebouwing met incidenteel enige detailhandel. Het plangebied ligt aan de doorgaande weg de Foarstrjitte die de verbinding vormt met de Sintrale As en Kollumerzwaag en de oostelijk ervan gelegen achterliggende dorpen.

1.3 Doelstelling

Strijdigheid met geldend bestemmingsplan
Voor het projectgebied is deels het bestemmingsplan 'De Westereen-kom' (vastgesteld op 2 juli 2013) van kracht. In dit bestemmingsplan is ter plaatse de enkelbestemming 'detailhandel' van toepassing.

Daarnaast is op het overige deel van het projectgebied het bestemmingsplan 'Bûtengebiet Dantumadiel' (vastgesteld op 2 juli 2013) en de 'Herziening bestemmingsplan Bûtengebiet Dantumadiel' (vastgesteld op 4 juli 2016) van toepassing. De gronden behorende tot dit bestemmingsplan zijn bestemd als 'Agrarisch - Veenlandschap' en kennen de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - radar'.

Binnen de bestemming 'Detailhandel' is de nieuwbouw en het gebruik van de supermarkt mogelijk. De bouwplannen liggen echter voor een deel in de bestemming 'Agrarisch - Veenlandschap'. Het bouwen en gebruiken ten behoeve van een supermarkt is binnen deze bestemming niet mogelijk.

Voor het voornemen ontbreken daarmee de juiste juridisch-planologische mogelijkheden om tot realisatie van de supermarkt te komen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1891.BpWeFoarstrjitte49-VA02_0002.png"

Figuur 2. Weergave geldende bestemmingsplannen. 

1.4 Tussenuitspraak/bestuurlijke lus ABRvS (202201293/1/R3)

Voorliggend bestemmingsplan werd door de raad van de gemeente Dantumadiel in eerste aanleg vastgesteld op 1 november 2021. Hiertegen is beroep ingesteld. Na behandeling daarvan bij de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State (ABRvS) bij tussenuitspraak (202201293/1/R3) van 21 augustus 2024 is herstel/reparatie van enkele onderdelen van de onderbouwing (op grond van artikel 8:51d van de Awb) op het planvoornemen aan de gemeenteraad opgedragen, waarbij een termijn van 20 weken na uitspraak is gesteld. Dit vanwege de constatering dat de raad het bestemmingsplan heeft vastgesteld in strijd met art. 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) en art. 4.4.1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Omgevingsverordening Romte Fryslân 2014.

Met het oog op een spoedige beëindiging van het geschil met appellant heeft de ABRvS de raad van de gemeente Dantumadiel opgedragen om de onder rechtsoverweging 6.10 en 7.1 omschreven gebreken in de tussenuitspraak te herstellen en daarbij ook rekening te houden met wat in rechtsoverweging 6.11 is overwogen. Dat kan door alsnog af te wegen en te motiveren waarom niet binnen stedelijk gebied en in het kernwinkelgebied of de centrumrand in de behoefte aan een supermarkt kan worden voorzien. Daarbij dient de raad de ABRvS en andere partijen de uitkomst mee te delen en een eventueel gewijzigd of nieuw besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendmaken en meedelen. Dit laatste betekent dat een herzien/gerepareerd bestemmingsplan is opgesteld dat voorziet in het herstel van de bij tussenuitspraak van de ABRvS geconstateerde omissies. Dit nieuwe ruimtelijke plan, dat hiermee voorligt, is op 10 december 2024 opnieuw door de raad van de gemeente Dantumadiel vastgesteld, en ziet op aanpassingen in de paragrafen betreffende 3.1.1 - Nationale Omgevingsvisie (2020), 3.1.3 - Ladder voor duurzame verstedelijking en 3.2.3 - Verordening Romte Fryslân 2014, geconsolideerde versie 2018.

In Bijlage 8 Memo reparatie bestemmingsplan i.v.m. uitspraak ABRvS is nader ingegaan op de tekstuele aanpassingen aan deze bestemmingsplantoelichting.

1.5 Leeswijzer

Na de inleiding in dit hoofdstuk is in hoofdstuk 2 nader op het plan ingegaan. Relevant overheidsbeleid is daaropvolgend in hoofdstuk 3 uiteengezet. Een omschrijving van de omgevingsaspecten betreffende de planologische en milieukundige randvoorwaarden is opgenomen in hoofdstuk 4. Tot slot is in hoofdstuk 5 de juridische vormgeving van het plan beschreven en is in hoofdstuk 6 de (economische en maatschappelijke) uitvoerbaarheid uiteengezet.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Bestaande situatie

In het plangebied is nu nog de bestaande bebouwing van supermarkt en bijbehorend parkeerterrein aanwezig. De brutovloeroppervlakte van de bebouwing bedraagt circa 995 m2. Ook een deel van het achterliggende stuk agrarisch land maakt onderdeel uit van het plangebied. Tussen de supermarkt en het achterliggende land bevinden zich een sloot en een groensingel.

afbeelding "i_NL.IMRO.1891.BpWeFoarstrjitte49-VA02_0003.png"

Figuur 3. Weergave huidige situatie (bron: Wijbenga & Tromp architecten, 2020)

afbeelding "i_NL.IMRO.1891.BpWeFoarstrjitte49-VA02_0004.png"

Figuur 4. Weergave huidige situatie gezien vanaf de Foarstrjitte (bron: GoogleStreetview, 2019).

Terreininrichting
Het terrein aan de zuidzijde van het plangebied is volledig verhard. Deze verharding wordt gevormd door de supermarktbebouwing en door de omringende verblijfsinfrastructuur. Aan de noordzijde zijn de gronden in gebruik als grasland, in de vorm van een weide. Er is in dit deel van het plangebied geen verharding aanwezig.

2.2 Planvoornemen

Het planvoornemen ziet toe op de sloop van de bestaande supermarkt om in de plaats hiervan op een gedeelte van het achterliggende stuk agrarische land een vernieuwde supermarkt van circa 1.450 m2 brutovloeroppervlakte te realiseren. De nieuwe bebouwing bestaat deels uit één bouwlaag met platte afdekking. Er is sprake van een incidentele verhoging bij het dak bij de ingang. Het gaat hier om een zogenoemde 'schijnkap' met enkel een esthetische functie ter verduidelijking van de entree.

De bomenrij tussen de bestaande supermarkt en het achterliggende land zal verwijderd worden. Ook de aanwezige greppel wordt gedempt. Aan de oostzijde van het plangebied wordt een groene buffer aangebracht. Hiermee wordt de supermarkt afgeschermd van de omgeving. Ook aan de achterzijde wordt een nieuwe groene buffer (groensingel) en sloot aangelegd om de supermarkt te scheiden van het achterliggende agrarische land.

Het planvoornemen voor de nieuwbouw van de supermarkt leidt er verder toe dat het plangebied een eigentijdse uitstraling kan krijgen, passend bij de huidige manier van boodschappen doen. Dit zal terug te zien zijn in de uitstraling van het geheel. In de hiernavolgende paragraaf is nader ingegaan op de achtergronden van het plan en wat verder nog meer met de vernieuwde winkelformule van de supermarkt kan worden verwacht.

afbeelding "i_NL.IMRO.1891.BpWeFoarstrjitte49-VA02_0005.png"

Figuur 5. Weergave nieuwe inrichting supermarktterrein (bron: Wijbenga & Tromp architecten, 2020).

afbeelding "i_NL.IMRO.1891.BpWeFoarstrjitte49-VA02_0006.png"

Figuur 6. Weergave nieuwe inrichting terrein (bron: Wijbenga & Tromp architecten, 2020)

Laden en lossen
In de toekomstige situatie vindt het laden en lossen plaats aan de westzijde van het gebouw. Voor het veilig laden en lossen wordt aan deze zijde een aparte inrit voor de vrachtwagens gerealiseerd. Dagelijks vindt op verschillende momenten, maar binnen de venstertijden, bevoorrading van de supermarkt plaats. De vrachtwagens - gemiddeld 3 per dag (waarvan 1 voorzien van koeling) - worden over het algemeen direct na aankomst gelost. De effectieve laad- en losduur bedraagt ongeveer 30 minuten per vracht- of bestelwagen.

Brood- en bakkerijproducten worden in de nachtperiode, vóór 7.00 uur, bij de hoofdentree aangeleverd. De producten worden aangevoerd met een middelzware vrachtwagen.

Parkeren
Door de verplaatsing van de supermarkt richting het noorden ontstaat aan de voorzijde van het terrein meer ruimte voor parkeren. Op het parkeerterrein wordt in de nieuwe situatie ruimte geboden aan het parkeren van 72 auto's en twee mindervalideparkeerplaatsen. Paragraaf 4.8 gaat hier nader op in.

Openingstijden
De gebruikelijke openingstijden van de supermarkt zijn op maandag t/m woensdag van 08.00 tot 20.00 uur. Op donderdag en vrijdag is de winkel een uur langer, tot 21.00 uur, geopend. Op zaterdag is de winkel van 08.00 tot 20.00 uur geopend. Op zondag is de winkel gesloten. De openingstijden blijven met het planvoornemen ongewijzigd ten opzichte van de huidige situatie.

2.3 Markttechnische onderbouwing

Het planvoornemen voor de verplaatsing van de supermarkt in De Westereen is ingegeven door de vernieuwde bedrijfsfilosofie van het supermarktbedrijf in reactie op veranderende behoeften van de consument. De volgende onderwerpen kunnen vanuit deze context puntsgewijs nader worden belicht:

  • 1. Allereerst is het van belang dat een fullservice supermarkt in een kleine kern of buurtcentrum geen of in ieder geval zo weinig mogelijk aanleiding geeft op basis waarvan de consument zou kunnen besluiten elders te gaan winkelen. Om mee te kunnen blijven spelen in de sterk concurrerende markt van de levensmiddelen, moet een supermarktvoorziening worden geboden die op alle fronten voldoet aan de wensen en eisen van de hedendaagse en toekomstige consument. Met de realisatie van de beoogde nieuw te bouwen supermarkt in De Westereen wordt hieraan voldaan.
  • 2. Meer specifiek is het belangrijk om bijvoorbeeld voldoende 'verkeersruimte' in de winkel te kunnen bieden op basis waarvan de consument zich vrijelijk en zonder belemmeringen kan bewegen. De gangpaden moeten niet te smal zijn, de ruimte voor en achter de kassa's moeten de diverse verkeersstromen gemakkelijk aankunnen en daar waar een consument doorgaans even stil staat om een keuze te maken, moet het mogelijk zijn om te passeren en de consument ongestoord haar winkelroute te kunnen laten volbrengen. In de vernieuwde supermarkt is hiervoor in alle gevallen ruimte ingeruimd.
  • 3. Daar waar een consument behoefte heeft aan een efficiënte en effectief ingerichte supermarkt qua verkeersruimte, heeft een medewerker behoefte aan effectief en efficiënt ingerichte voorbewerkingsruimten. Binnen de formule van Poiesz wordt er nog relatief veel op de plaats van verkoop geproduceerd c.q. bewerkt en in dat kader is een substantieel deel van de bvo nodig voor de voorbewerkingsruimten. Met de uitbreiding kan aan de vereisten vanuit de medewerkers worden voldaan.
  • 4. De levensmiddelenmarkt is onophoudelijk in beweging en het fenomeen 'blurring' (branchevervaging) is allang niet meer weg te denken uit de hedendaagse markt. Zo bestaat de vernieuwde 'Puur Poiesz'-formule allang niet meer uit enkel het traditionele supermarktassortiment maar wordt er ook veel gedaan aan het creëren van nieuwe markten en het verkopen van een ander assortiment producten.
  • 5. Door de ontwikkelingen op het gebied van online winkelen en 'omni-channel' (het bedienen van de consument via meerdere kanalen) is ook Poiesz genoodzaakt om de winkels geschikt te maken voor deze tak van sport. In de nieuwe formule is een 'pick-up point'/afhaalpunt voorzien in de supermarkt waarbij er middels 'storepicking' (het verzamelen van een online bestelling in de winkel) sprake is van extra activiteiten. Hiervoor is ook extra opslagcapaciteit nodig, zowel gekoeld als ongekoeld. In de vernieuwde supermarkt worden deze elementen en componenten allemaal ingepast.
  • 6. Een consument wil, mede door de voornoemde ontwikkelingen op het gebied van online en omnichannel, op brede schaal worden gefaciliteerd maar daarnaast nadrukkelijk worden geïnspireerd.
  • 7. Ook op het gebied van communicatie en techniek is de behoefte van de hedendaagse consument sterk in ontwikkeling. Op communicatief vlak wordt de consument in de vernieuwde winkelformule middels traditionele communicatie alsmede de digitale varianten optimaal geïnformeerd en geprikkeld. Daar waar het gaat om de techniek wordt de consument van de mogelijkheid voorzien om gebruik te maken van zelfscanning. Hiervoor zijn aparte 'checkouts' (betaalkassa's) ontwikkeld en uiteraard is er ruimte ingeruimd voor de stalling van de zelfscanners en de stalling van de speciale winkelwagens die voor dit doel zijn ontwikkeld.
  • 8. Het sociale aspect is ook een belangrijk onderdeel binnen de formule van Poiesz supermarkten. Dit was altijd al zo, maar in de vernieuwde winkels is er ook in praktische zin meer ruimte voorzien voor het ontmoeten van elkaar en het creëren van een omgeving waar de interactie (zowel onderling als vanuit de bedrijfsleider of de medewerkers met de consument) plaats kan vinden. Concreet is de koffiehoek met stamtafel een belangrijk ijkpunt in de vernieuwde formule en uiteraard heeft dit weer ruimtebeslag tot gevolg.
  • 9. Binnen het bedrijf is service een van de 'unique selling points'. Poiesz onderscheidt zich op het gebied van klantgerichtheid en klantvriendelijkheid. Op meerdere fronten krijgen service en dienstverlening bovengemiddeld veel aandacht. Het servicepunt heeft een prominente plaats in de winkel en wordt continu bemand om de consument ten dienste te zijn. De service vertaalt zich verder in activiteiten zoals een stomerijservice en een PostNL pakketservice waarmee de consument op haar wenken wordt bediend. De winkeltrip wordt daarmee voller en interessanter waarmee ook de toevoeging van meer branchevreemde activiteiten belangrijk zijn voor de continuïteit van het bedrijf. Ook in de Westereen is met de vernieuwde supermarkt een verdere groei van deze activiteiten voorzien.
  • 10. Tot slot wil Poiesz ook op het gebied van duurzaamheid voldoen aan de marktnorm waarbij dit onder meer wordt doorvertaald in een beperkte retourette waarin niet alleen sprake is van de inname van lege flessen maar tevens ook het inzamelen van batterijen, lampen en vetten. Omdat de consument zo snel mogelijk de winkelwagen volledig beschikbaar wil hebben voor de producten, wordt de emballageafdeling aan het begin van de winkel gesitueerd waardoor er derhalve meer ruimtebeslag optreedt.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (2020)

Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Veranderende en groeiende steden, de overgang naar een duurzame en circulaire economie en het aanpassen aan de gevolgen van de klimaatverandering vormen slechts een deel van de opgave. Dit biedt kansen, maar vraagt wel om zorgvuldige keuzes. Want de ruimte, zowel boven- als ondergronds, is een schaars goed.


Het combineren van alle opgaven vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Dit is nodig om doelen te halen en is zaak van overheid én samenleving. Niet van bovenaf opgelegd, maar in goede samenwerking tussen overheden, bedrijven, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en burgers, die leidt tot een duurzaam perspectief voor de leefomgeving. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt.


De NOVI is vastgesteld voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak van de NOVI is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven, die samenkomen in vier prioriteiten:

  • 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie
  • 2. De economie van Nederland verduurzamen en ons groeipotentieel behouden
  • 3. Onze steden en regio's sterker en leefbaarder maken
  • 4. Het landelijk gebied toekomstbestendig ontwikkelen


De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-winsituaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:

  • 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte.
  • 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: Het verschilt van gebied tot gebied wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling en tussen concurrentiekracht en leefbaarheid. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere.
  • 3. Afwentelen wordt voorkomen: Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners, zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.


De NOVI vindt haar doorwerking in het regionale en lokale beleid waaraan uiteindelijk plannen zullen worden getoetst.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, 07-12-2011), ook wel bekend onder de naam Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte, zijn de nationale belangen uit de SVIR voorzien van juridische kaders, waarmee de doorwerking van de nationale belangen op ruimtelijk gebied is geborgd. Uit het Barro blijkt dat voor het planvoornemen en het projectgebied geen sprake is van specifieke aspecten van nationaal belang. Wel geldt bij elk ruimtelijk plan nationaal belang 13 met betrekking tot een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Dit moet met behulp van de zogeheten Ladder voor duurzame verstedelijking (hierna: de Ladder) worden onderbouwd. Deze verplichte toetsing is vastgelegd in het Barro, dat weer verwijst naar het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).

3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking

ALGEMEEN
In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), de voorloper van de NOVI, is de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' geïntroduceerd. Bij besluit van 28 augustus 2012 is de ladder als procesvereiste toegevoegd aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro, artikel 3.1.6, lid 2) en vervolgens op 1 oktober 2012 in werking getreden. De ladder is een instrument bedoeld om zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren.


Per 1 juli 2017 is het Bro gewijzigd, waarbij een nieuwe laddersystematiek is geïntroduceerd, en waarbij de herziene wettekst art. 3.1.6, lid 2 als volgt is komen te luiden: "De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien."


De Ladder voor duurzame verstedelijking staat als instrument niet op zichzelf, maar geeft mede vorm aan de systeemverantwoordelijkheid van de minister van Infrastructuur en Milieu voor een goede ruimtelijke ordening. Deze verantwoordelijkheid brengt met zich mee dat de minister er voor zorgt dat decentrale overheden over de juiste instrumenten kunnen beschikken voor een zorgvuldige benutting van de ruimte. Hieronder wordt begrepen het voorkomen van overprogrammering, het faciliteren van groei, het anticiperen op stagnatie en het leefbaar houden van krimpregio's.


Doel van de ladder is dus een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij geldt een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt, zoals woningbouwplannen maar ook plannen betreffende 'overige functies' ten aanzien van bijvoorbeeld winkels, kantoren, (bedrijven)terreinen en recreatie & toerisme. Bepalend voor de noodzaak voor het uitvoeren van een laddertoets is in eerste instantie de vraag of een ontwikkeling een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' betreft, en daaropvolgend voor de uitgebreidheid van de laddertoets de vraag of de nieuwe stedelijke ontwikkeling plaatsvindt binnen of buiten het zogeheten 'bestaand stedelijk gebied'.


Om een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het dan ook noodzakelijk inzicht te hebben in de begrippen 'bestaand stedelijk gebied' en 'stedelijke ontwikkeling'. Deze zijn in artikel 1.1.1 van het Bro onder lid h respectievelijk lid i opgenomen, te weten:
- Bestaand stedelijk gebied: "bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur".
- Stedelijke ontwikkeling: "ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen".

De Ladder is onder andere van toepassing op ontwikkelingen die worden aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Bij het bepalen óf en hoe de Ladder moet worden toegepast, zijn de volgende aspecten van belang:

  • 1. Is er sprake van een stedelijke ontwikkeling?
  • 2. Is de stedelijke ontwikkeling nieuw?
  • 3. Wat is het ruimtelijk verzorgingsgebied?
  • 4. Is er behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling?
  • 5. Ligt de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied?


Aan de hand van deze vragenlijst kan de laddertoets voor de supermarktontwikkeling aan de Foarstrjitte 49 in De Westereen worden doorlopen. Onderzocht moet worden of er wel behoefte is aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling. Herstructurering en verbetering van bestaande terreinen dan wel transformatie van bestaande gebouwen heeft de voorkeur boven het ontwikkelen van nieuwe terreinen en gebouwen.


TOETSING
Ad. 1. Is er sprake van een stedelijke ontwikkeling?
In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang van een stedelijke ontwikkeling vastgelegd. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt dan ook bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling, in relatie tot de omgeving, en hoe de jurisprudentie hieromtrent is. Zo geldt voor woonfuncties op basis van jurisprudentie dat een woningbouwplan met meer dan 11 woningen bijvoorbeeld wordt gezien als stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is.


Voorliggend planvoornemen betreft een supermarktontwikkeling en daarmee een ontwikkeling in de categorie 'detailhandel'. Uit rechtspraak (ABRvS 28 juni 2017; ECLI:NL:RVS:2017:1724) blijkt dat niet iedere ontwikkeling van detailhandel ook als stedelijke ontwikkeling valt te kwalificeren. Zo is geoordeeld dat een stedelijke voorziening in de vorm van een gebouw met een bruto vloeroppervlakte (bvo) kleiner dan 500 m2 niet als stedelijke ontwikkeling kan worden aangemerkt. Wanneer een ruimtelijk plan voorziet in een terrein met een ruimtebeslag van meer dan 500 m2 of in een gebouw met een bvo groter dan 500 m2 wordt deze ontwikkeling in beginsel wel als stedelijke ontwikkeling gezien.


De nieuwe supermarkt heeft een oppervlakte van circa 1.450 m2 bvo en is groter dan de eerdere supermarkt met een oppervlakte van circa 995 m2 bvo. De toename aan bebouwing betreft circa 455 m2. Daarnaast is sprake van een herinrichting en verplaatsing van het bijbehorende parkeerterrein en vergroting daarvan in verband met een grotere verkeersaantrekkende werking van de supermarkt en samenhangende parkeerbehoefte (18 extra parkeerplaatsen om te voldoen aan kencijfers van CROW-publicatie 318 uit 2018 vanwege de grotere omvang in winkelvloeroppervlakte - wvo - van de supermarkt*). Gelet op het nieuwe ruimtebeslag met het nieuwbouwplan moet worden gesproken van een stedelijke ontwikkeling, gelet op jurisprudentie. Immers het planvoornemen leidt tot zowel een nieuw gebouw als wel een nieuw terrein voor een stedelijke functie groter dan 500 m2. Hierom dient dan ook een nadere beschrijving/toetsing van de behoefte aan het plan plaats te vinden door middel van het doorlopen van de ladder. Voor een goede afweging dient dan ook de volgende, tweede trede van de ladder te worden beoordeeld.

* Op 22 juli 2024 is CROW-publicatie 744 'Parkeerkencijfers - basis voor parkeernormering' gepubliceerd. Deze nieuwe publicatie vervangt de verouderde CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren'. In de nieuwe publicatie zijn o.a. de kencijfers voor parkeren en voor de verkeersgeneratie waar nodig geactualiseerd. Voor de 'Hoofdgroep winkelen en boodschappen' op het onderdeel 'Fullservicesupermarkt', waar met het bestemmingsplan 'Foarstrjitte 49, De Westereen' sprake van is, zijn geen aanpassingen doorgevoerd. Hier hoeft de bestemmingsplantoelichting en planuitvoering dan ook niet op aangepast te worden.


Ad. 2. Is de stedelijke ontwikkeling nieuw?
De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan dat er op grond van het voorheen geldende juridisch-planologische regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd. Hiervoor is de bestemde situatie van de bij de planlocatie betrokken gronden beoordeeld.


afbeelding "i_NL.IMRO.1891.BpWeFoarstrjitte49-VA02_0007.png"

Figuur 7. Weergave van de geldende ruimtelijke plannen met inbestemde situatie op de planlocatie, betreffende 'de 'Herziening bestemmingsplan Bûtengebiet Dantumadiel' aan de noordzijde en 'De Westereen - Kom' aan de zuidzijde (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Het bestemmingsplan 'De Westereen - Kom' (als vastgesteld op 2 juli 2013) biedt de mogelijkheid (binnen het aangeduide "bouwvlak") voor het bouwen van circa 1.200 m2 aan gebouwen ten behoeve van de detailhandelsfunctie (waar een supermarkt onder wordt begrepen). De 'Herziening bestemmingsplan Bûtengebiet Dantumadiel', als vastgesteld op 4 juli 2016, is op de noordzijde van de planlocatie van toepassing. Dit bestemmingsplan biedt geen mogelijkheden voor de realisatie van (agrarische) bebouwing.


In het nieuwe bestemmingsplan 'Foarstrjitte 49, De Westereen' is een nieuw bouwvlak voor realisatie van een nieuwe supermarkt opgenomen van circa 1.700 m2. Dit bouwvlak is in zijn geheel opgenomen ter plaatse van de bestemming 'Agrarisch - Veenlandschap' in de 'Herziening bestemmingsplan Bûtengebiet Dantumadiel'. Ter plaatse van het aangeduide bouwvlak in het bestemmingsplan 'De Westereen - Kom' is sprake van realisatie van het uitgebreide en herzien ingerichte parkeerterrein. Per saldo geldt voor de gehele planlocatie een juridisch-planologisch ruimtebeslag van supermarktbebouwing van 1.200 m2 naar 1.700 m2, waarmee dus 500 m2 aan extra bebouwingsmogelijkheden voor de gehele planlocatie ontstaan, met dien verstande dat 1.700 m2 aan supermarktbebouwing in zijn geheel buiten bestaand stedelijk gebied wordt geplaatst. Het bijbehorende parkeren wordt ook als stedelijke voorziening aangemerkt, maar landt wel ter plaatse van de gronden aan de Foarstrjitte die al wel als bestaand stedelijk gebied worden aangemerkt.


De locatie ligt voor de helft in landelijk gebied en voor de helft in bestaand stedelijk gebied. Alles bij elkaar genomen betekent voorgaande dat sprake is van een ontwikkeling die als 'nieuw' moet worden gezien, zeker voor wat betreft de voor agrarisch bestemde gronden in de 'Herziening bestemmingsplan Bûtengebiet Dantumadiel'. Een oppervlakte van ruim 3.100 m2 met de huidige agrarische bestemming in het buitengebied wordt ten gevolge van het planvoornemen omgezet naar de detailhandelsbestemming, en bij het stedelijk gebied van De Westereen betrokken. Binnen de kaders van het Bro wordt de realisatie van de nieuwe supermarkt aan de Foarstrjitte 49 in De Westereen dan ook als een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' aangemerkt. Dit betekent dat de laddertoets verder doorlopen moet worden. Daarom moet naast het aantonen van de behoefte ook worden gemotiveerd of er geen binnenstedelijke alternatieven in reeds 'bestaand stedelijk gebied' voor de supermarktontwikkeling bestaan.


Ad. 3. Wat is het ruimtelijk verzorgingsgebied?
Wanneer sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, moet de behoefte aan die ontwikkeling worden gemotiveerd. De behoefte moet worden bepaald binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van de ontwikkeling. De aard en omvang van de ontwikkeling zijn leidend voor het schaalniveau waarop de ruimtebehoefte moet worden afgewogen. Het ruimtelijke verzorgingsgebied van de zogeheten overige functies is meestal de gemeente of een groter gebied, maar dient van geval tot geval nader te worden bekeken en kan sterk verschillen per functie.


De Ladder verplicht ook niet in alle gevallen tot een regionale afstemming. Op basis van de aard en de omvang van het plan moet bepaald worden of regionale afstemming nodig is. Bij kleinschalige ontwikkelingen die in principe geen gemeentegrens overstijgend effect hebben, is bovengemeentelijke afstemming niet nodig. Dit mag in beginsel ook van toepassing worden geacht op voorliggend planvoornemen. Immers, supermarkten zijn veelvoorkomende voorzieningen in kernen en bedienen hoofdzakelijk een lokale markt; in dit geval het dorp De Westereen met directe omgeving. De verzorgingsfunctie van de supermarkt richt zich primair op De Westereen en de nabijgelegen kleinere kernen, alsook de meer verspreide bebouwing in het buitengebied. Het verzorgingsgebied is dus het dorp zelf en de rand eromheen, die deels ook in buurgemeenten Achtkarspelen en Noardeast-Fryslân ligt, en een dergelijke supermarktvoorziening ontberen, zoals De Falom, Broeksterwâld, Sweagerbosk en Twijzelerheide. Er is hiermee geen sprake van regionale belangen en een daarom regionaal af te stemmen ontwikkeling. Hoewel de ligging van de supermarkt aan de Foarstrjitte 49 in De Westereen verder bijzonder gunstig is te noemen in relatie tot de bereikbaarheid vanaf de Sintrale As (en de daar aan gelegen kernen zoals Broeksterwâld, De Falom en Feanwâlden) is het ruimtelijk verzorgingsgebied beperkt. Zodoende kan de gemeente zelf als bevoegd gezag de beslissing voor medewerking en toestemming aan de supermarktontwikkeling kan nemen.


Ad. 4. Is er behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling?
De behoefte aan de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling, dient dus te worden beschreven. Daarbij is het niet relevant of het plangebied binnen of buiten bestaand stedelijk gebied ligt. Kortgezegd is de 'behoefte' het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling (in de komende 10 jaar, zijnde de gebruikelijke looptijd van een bestemmingsplan die een ruimtelijk voornemen doorgaans mogelijk maakt) vermindert met het aanbod in overige planologische besluiten, ook als dit aanbod feitelijk nog niet is gerealiseerd. Dit betekent dat vaak gemotiveerd dient te worden dat rekening is gehouden met (de effecten op) leegstand. Daarbij moet inzichtelijk worden gemaakt dat het plan geen zodanige leegstand tot gevolg zal hebben en het ook niet tot een onaanvaardbare situatie (leegstandseffecten) leidt uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening.


Voor woningbouwplannen is een en ander tamelijk eenvoudiger na te gaan dan voor 'overige functies', omdat het bij overige functies vaak om meer specifieke activiteiten gaat waarbij de meeste situaties en onderbouwingen uniek zijn, zo ook met betrekking tot voorliggend planvoornemen. Bovendien is er meestal maar weinig beleid voor handen dat bruikbaar is voor de Laddermotivering. Zo was een actuele gemeentelijke detailhandelsvisie bij vaststelling van het bestemmingsplan 'Foarstrjitte 49, De Westereen' in 2021 niet voor handen om als toetsingskader voor het initiatief tot uitbreiding van de supermarkt te gebruiken.


De initiatiefnemende partij (de betrokken supermarktketen) beschikt over een groot aantal supermarkten in Noord-Nederland (momenteel 80). Daarvan zijn vele inmiddels omgebouwd naar de nieuwe winkelformule, dan wel nieuw daarop gerealiseerd. Het planvoornemen ziet op het toepassen van de nieuwe winkelformule van de supermarktketen op de bestaande supermarkt aan de Foarstrjitte 49 in De Westereen. Deze winkelformule betekent meer ruimte in de winkel, een verbeterd assortiment en meer plek voor inspiratie, met als doel het winkelen zo leuk, makkelijk en voordelig mogelijk voor het klantenbestand te maken. Hieraan is behoefte, want de supermarktbebouwing is gedateerd en voldoet niet meer aan de hedendaagse eisen en wensen. De supermarkt is sinds 1981 als zodanig ter plaatse al in bedrijf en het verouderde pand (bouwjaar 1960) en inrichting past niet meer bij de visie en bedrijfsfilosofie van de supermarktketen. Investeren in nieuwbouw is nodig om klanten te kunnen blijven binden voor een gezonde, duurzame en toekomstgerichte bedrijfsvoering ter plaatse. Daarmee bestaat markttechnisch voldoende behoefte aan een verbeterde en vergrote supermarkt. Met de nieuwe supermarkt is verder geen sprake van een toevoeging van een geheel nieuwe detailhandelsfunctie in het gebied maar enkel van een lichte vergroting van een reeds bestaande supermarktfunctie. Het winkelaanbod (aantal winkels) in de kern blijft hetzelfde.


Ad. 5. Ligt de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied?
Omdat de 'Herziening bestemmingsplan Bûtengebiet Dantumadiel' aan de noordzijde van de planlocatie van agrarisch grondgebruik uitgaat, kan daaruit worden afgeleid dat voor die gronden geen sprake is van bestaand stedelijk gebied. Visueel is dit duidelijk gemaakt in het kaartbeeld van de Provinsje Fryslân betreffende 'Kaart 1 - Begrenzing bestaand bebouwd gebied' behorende bij de Verordening Romte Fryslân 2014, als getoond in navolgende figuur, en waarbij de intekening van de gebieden gebaseerd is op het begrip 'bestaand stedelijk gebied'. Het voorgenomen plan voor detailhandel leidt er wel toe dat een deel van het landelijk gebied onderdeel van het bestaand stedelijk gebied gaat uitmaken.


afbeelding "i_NL.IMRO.1891.BpWeFoarstrjitte49-VA02_0008.png"

Figuur 8. Het als zodanig aangewezen 'bestaand stedelijk gebied' (in rood) en het 'landelijk gebied' in de Verordening Romte Fryslân 2014, geconsolideerde versie 2018 (bron: ruimtelijkeplannen.nl) 


Volgens het principe van de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' gaat de voorkeur uit naar inbreiding binnen bestaand stedelijk gebied in plaats van uitbreiding. Aangezien de voorgenomen stedelijke ontwikkeling deels buiten bestaand stedelijk gebied ligt, moet dan ook voldoende worden gemotiveerd waarom dan niet binnen bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.


Allereerst speelt lokaal de beschikbaarheid en geschiktheid van andere locaties binnen bestaand stedelijk gebied een belangrijke rol. Daarbij moet redelijkerwijs ook worden geconstateerd dat de beschikbaarheid van gronden tegenwoordig en ook de geschiktheid daarvan voor een ontwikkeling, en niet in de laatste plaats de mogelijkheden voor een sluitende exploitatie en daarmee een economisch uitvoerbaar en haalbaar plan, niet alleen in de Randstad maar ook in de meer perifere delen van het land onder druk staat.


Om de beschikbaarheid en geschiktheid van de locaties binnen het bestaand stedelijk gebied van De Westereen te beoordelen, is in het hiernavolgende inzicht gegeven in een aantal 'open' ruimten die als alternatief zouden kunnen dienen voor de supermarktlocatie aan de Foarstrjitte 49. Hiervoor is het bestaand stedelijk gebied conform de Verordening Romte Fryslân 2014 als uitgangspunt genomen.


Aangezien in de Omgevingsverordening Fryslân, die in werking trad op 1 januari 2024, het bestaand stedelijk gebied aan de oostzijde van De Westereen enigszins is uitgebreid, zijn voor de volledigheid óók de locaties De Wiken (4) en het sportterrein De Westereen (5) in het overzicht meegenomen. Voor het overige zijn binnen het bestaand stedelijk gebied van De Westereen geen open ruimten aanwezig alwaar een detailhandelsvestiging toegevoegd kan worden. Ook zijn er voor het overige geen vrijgekomen winkel-/ bedrijfslocaties in het dorp beschikbaar. Daarnaast is er binnen het bestaand stedelijk gebied op beperkte schaal sprake van openbare groenvoorzieningen. In het kader van een goed woon- en leefklimaat in de kern voor de dorpsbewoners is het niet reëel om het stedelijk gebied verder te verdichten ten koste van openbare groenvoorzieningen.


LOCATIEAFWEGING
Voor de volgende locaties kan de afweging worden gemaakt ten aanzien van de inbreidingsmogelijkheden als aangegeven op de kaart met corresponderende nummering:

  • 1. Huidige locatie supermarkt (Plangebied bestemmingsplan 'Foarstrjitte 49, De Westereen')
  • 2. Locatie voormalig zwembad De Frosk en parkeerterrein (Sportloane De Westereen)
  • 3. Locatie voormalige bibliotheek (Skriesstrjitte 7, De Westereen)
  • 4. Locatie De Wiken, De Westereen
  • 5. Locatie sportterrein De Westereen
  • 6. Locatie Noarder Stasjonsstrjitte 81, De Westereen


afbeelding "i_NL.IMRO.1891.BpWeFoarstrjitte49-VA02_0009.png"

Figuur 9. Inbreidingsmogelijkheden in kern De Westereen versus de planlocatie aan Foarstrjitte 49


Ad. 1. Huidige locatie supermarkt (Plangebied bestemmingsplan 'Foarstrjitte 49, De Westereen')
Dit is de locatie van het bestemmingsplan 'Foarstrjitte 49, De Westereen'. Deze locatie ligt deels in het bestaand stedelijk gebied volgens de Verordening Romte Fryslân 2014 en deels daarbuiten. Op deze locatie is het wenselijke programma (winkelbebouwing, parkeervoorzieningen, paden en wegen en een groene inpassing) ter grootte van circa 6.000 m2 te realiseren door de bestaande vestigingslocatie in noordelijke richting uit te breiden.


Ad. 2. Locatie voormalig zwembad De Frosk en parkeerterrein (Sportloane De Westereen)
Op deze locatie was een overdekt zwembad gevestigd. Deze locatie is vrijgekomen nadat zwembad De Frosk in 2016 failliet werd verklaard. De bebouwing van het voormalige zwembad is in 2020 gesloopt.


De locatie is in eigendom van de gemeente Dantumadiel. In 2021 heeft het college van de gemeente Dantumadiel besloten over te gaan tot een projectmatige aanpak van deze locatie, om te komen tot herontwikkeling naar een woongebied. Inmiddels is voor deze locatie het bestemmingsplan 'De Westereen, Wenjen De Frosk' door de gemeenteraad vastgesteld (2024). Dit is reden dat deze locatie dan ook niet geschikt is voor het toevoegen van de beoogde supermarkt.


Ad. 3. Locatie voormalige bibliotheek (Skriesstrjitte 7, De Westereen)
Op deze locatie was in het verleden de openbare bibliotheek van De Westereen gevestigd. Na sluiting van deze bibliotheek is de locatie verkocht met het oog op een transformatie naar een woonfunctie. De locatie is in 2020 verkocht aan een ontwikkelaar. Voor deze locatie is inmiddels in 2022 een omgevingsvergunning verleend voor de realisatie van een appartementengebouw met 13 woningen. De locatie is daarom niet in beeld voor de realisatie van een supermarkt. Tevens geldt dat de omvang van deze locatie (circa 2.000 m2) te klein is om het gewenste programma (supermarkt, parkeren en paden en wegen) te realiseren. Deze locatie is hierom dan ook niet geschikt voor het toevoegen van de beoogde supermarkt.


Ad. 4. Locatie De Wiken, De Westereen
Deze locatie is deels binnen en deels buiten het bestaand stedelijk gebied van de Verordening Romte Fryslân 2014 gelegen. In de inmiddels van kracht geworden Omgevingsverordening Fryslân ligt de locatie echter wel geheel binnen het bestaand stedelijk gebied. Voor dit gebied geldt dat er op basis van het bestemmingsplan 'Plancontourenplan De Westereen East' (2009) een (nieuw) woongebied is voorzien ten behoeve van 54 woningen. Op deze locatie is dus een woningbouwontwikkeling voorzien, waarbinnen het toevoegen van een supermarkt niet passend is. De planontwikkeling van dit gebied is weliswaar tijdelijk stil komen te liggen (mede als gevolg van de bankencrisis), maar wordt inmiddels wel weer ontwikkeld tot de eerder beoogde woningbouwlocatie. Om die redenen is deze locatie niet geschikt voor het toevoegen van de beoogde supermarkt.


Ad. 5. Locatie sportterrein De Westereen
Deze locatie is gedeeltelijk binnen en gedeeltelijk buiten het bestaand stedelijk gebied van de Verordening Romte Fryslân 2014 gelegen. In de inmiddels van kracht geworden Omgevingsverordening Fryslân ligt het sportterrein wel geheel binnen het bestaand stedelijk gebied. Het sportterrein kent de bestemming 'Recreatie' waarbinnen het veldsportcomplex mogelijk is gemaakt. Een deel van dit terrein is niet ingevuld als sportcomplex. Het nog niet ingevulde deel ligt in het noorden van het sportgebied. Deze locatie ligt vanaf openbaar gebied gezien 'achter' de Sporthal (Sikkemahal) en is daarmee een voor een detailhandelsvestiging slecht bereikbare locatie. Overigens wordt op deze gronden op termijn een verplaatsing van de ijsbaan (nu gevestigd aan de Badhûswei) voorzien. Deze locatie is daarom niet geschikt voor het toevoegen van de beoogde supermarkt.


Ad. 6. Locatie Noarder Stasjonsstrjitte 81, De Westereen
Dit betreft een locatie waar in het verleden een discountsupermarkt gevestigd was. De bestemming ter plaatse is 'Detailhandel' met een nadere aanduiding "supermarkt". De locatie is echter te beperkt van omvang (circa 3.400 m2), verdeeld over twee delen aan weerszijden van de openbare weg. Gezien de beperkte omvang, en de onpraktische opdeling van de kavel, is het gewenste programma van de supermarkt hier niet realiseerbaar. Tevens is deze locatie in particulier eigendom. In 2022 is een principemedewerking toegezegd voor de realisatie van appartementen, waarvoor in 2023 een omgevingsvergunning is aangevraagd. Dit maakt dat deze locatie ook niet geschikt is voor het toevoegen van de beoogde supermarkt.


Vorengaande locatieafweging maakt dat de huidige plek van de supermarkt het meest passend is voor de voorgenomen uitbreiding. Een herontwikkeling van de supermarkt is nodig om het klantenbestand op peil te houden. Hierom heeft de betrokken supermarktketen enkele jaren geleden een nieuwe winkelformule geïntroduceerd om in te spelen op de veranderende vraag van de consument. Naar gelang de leeftijd van de bebouwing moeten de verschillende winkels van de keten in meer of mindere mate worden opgewaardeerd. Aangezien het pand aan de Foarstrjitte 49 in De Westereen al vanaf 1981 als supermarkt in gebruik is met bouwjaar 1960, is sloop en nieuwbouw gewenst om een moderne supermarkt te kunnen realiseren die helemaal toegesneden is op de huidige consument. Daarbij is voor het stedenbouwkundig programma van eisen (SPvE) gekeken naar de ruimtebehoefte en mogelijkheden van de huidige locatie.


afbeelding "i_NL.IMRO.1891.BpWeFoarstrjitte49-VA02_0010.png"

Figuur 10. Invulling van het plangebied met de oude supermarktbebouwing en terreininrichting aan de Foarstrjitte 49 (bron: Wijbenga Tromp Architecten en Adviseurs, 2020)


VERGROTING VAN HET BENODIGD RUIMTEBESLAG
Een nieuw supermarktpand leidt tot een groter ruimtebeslag. Daarnaast is een vergroting en herinrichting van het bijbehorende parkeerterrein noodzakelijk. Reden enerzijds is om te kunnen voldoen aan de hedendaagse parkeernormering voor supermarkten waarbij ook meer parkeerplaatsen benodigd zijn vanwege een groter winkelvloeroppervlak. Anderzijds ook uit oogpunt van een verbeterde verkeersveiligheid, zoals een betere routering en meer overzicht over het terrein omdat ook zwakkere verkeersdeelnemers zich er begeven (fietsers, wandelaars en winkelend publiek al dan niet met boodschappenkarren). Zo biedt de nieuwe, vergrote locatie de benodigde ruimte om vanuit veiligheidsoogpunt een gescheiden route te realiseren voor het achteruit kunnen insteken van bevoorradend vrachtverkeer. Logistiek gezien is gekozen om dit aan de rustiger westzijde van het plangebied te doen om de mogelijke overlast naar de omgeving zoveel als mogelijk te beperken. Wat betreft routering geldt in de nieuwe opzet van het parkeerterrein dat twee in-/uitritten (in plaats van één) de mogelijkheid bieden om rond te kunnen rijden. Dit rond kunnen rijden, voorkomt op piekmomenten zoekgedrag en daarmee onnodige verkeersbewegingen.


Daarnaast speelt het ruimtelijk kwaliteitsaspect een rol waar ruimte voor gevonden moet worden, voor zowel de terreininrichting maar ook de groene inpassing aan de randen (oost, noord en west). Hierom is ruimtelijk gekozen voor nieuwbouw achter het bestaande pand om zodoende voldoende ruimte te maken voor een goed functionerend en veilig parkeerterrein. Langs de route voor bevoorradend verkeer is voldoende ruimte gecreëerd om een kwalitatief goede uitstraling van de planlocatie te houden. Dat geldt eveneens voor de straatzijde, aan de Foarstrjitte. Geparkeerde auto's worden deels uit het zicht onttrokken door een groene voorzijde, waarbij het groen er ook voor zorgt dat eventuele lichthinder van koplampen van gemotoriseerd verkeer op de tegenovergelegen bebouwing wordt beperkt.


Wat betreft de inpassing van het planvoornemen is veelvuldig en zorgvuldig overleg geweest tussen gemeente en ontwikkelende partij om tot een zo groen mogelijke uitstraling te komen. Hiervoor is de volgende landschappelijke en stedenbouwkundige context van gemeentewege omschreven waar na de eerste welstandstoetsing van de plannen ruimtelijke en functionele randvoorwaarden als opdracht zijn gesteld voor de verdere planuitwerking:


Stedenbouwkundige context
Het plangebied is gesitueerd in een slagenlandschap dat gekenmerkt wordt door beplanting in de vorm van houtsingels op de kavelranden. De richting van percelen maakt ter plaatse van het plangebied een hoek met de Foarstrjitte. De bebouwing langs de Foarstrjitte doet dat grotendeels ook waardoor het niet-haakse verkavelingsbeeld een belangrijk ruimtelijk kenmerk is.


De bebouwing van de bestaande supermarkt wijkt om functionele redenen af van het beschreven patroon. Ook met de nieuwe supermarkt is dit het geval. Door de naar achteren geschoven positie van de nieuwe supermarkt ten opzichte van de weg is er nu in het plangebied de mogelijkheid om het belangrijke beeldkenmerk van de historische verkaveling in het voorterrein van de supermarkt tot uitdrukking te brengen, zonder dat de om functionele redenen gekozen nieuwe positie van de supermarkt behoeft te worden gewijzigd. Daartoe dient voor het planvoornemen van het bestemmingsplan van de nieuwe supermarkt wel van de volgende ontwerpuitgangspunten te worden uitgegaan:


Ruimtelijk:
> Singelbeplanting langs de kavelranden in hun traditionele hoedanigheid door laten lopen tot aan de Foarstrjitte is uitgangspunt. Dit in een groenstrook ter breedte van 5 m.
> Op plaatsen waar deze breedte niet gehaald kan worden, zoals bij de publieksingang en ter hoogte van de opstelplaats voor de vrachtwagen, de kavelrandbeplanting met alleen een bomenrij (bomen van de 1ste orde) ruimtelijk vorm te geven.
> Door de bouw van de nieuwe supermarkt verdwijnt een singel (oost-west gesitueerd). Deze singel compenseren ten noorden van de nieuwbouw in de vorm van een te beplanten grondstrook ter breedte van 10 m. Deze breedte is nodig omdat de nieuw aan te planten singel ook een visuele afschermende functie heeft.
> In de beeldvorming dienen de parkeerplaatsen geen 'gat' in het bebouwingslint langs de Foarstrjitte te zijn. Daarom in het parkeervak en langs de Foarstrjitte boomplaatsen creëren voor bomen van de 1ste orde. Hiervoor groeiruimte reserveren in de ondergrond.
> De parkeerplaatsen als ontwerpmiddel ter versterking van de verkavelingsrichting. Hierbij ook de 'loze' ruimte gebruiken van het oostelijk deel van het plangebied.


Functioneel:
> De publiekstoegang tot het terrein recht tegenover de beoogde entree van het gebouw zoals is voorgesteld.
> De publiekstoegang kan, gezien het gebruik door auto's, parkerende auto's, voetgangers en fietsers, breder dan de eerder voorgesteld 8 m.
> De aparte bevoorradingsroute mogelijk combineren met parkeervakken.
> Ruimere verbinding met stallingsruimte voor fietsen door fietsrouting vrijer te ontwerpen ten opzichte van langsliggende parkeervakken.


Voorgaande heeft geleid tot het definitieve planvoornemen dat in voorliggend bestemmingsplan is vastgelegd:

afbeelding "i_NL.IMRO.1891.BpWeFoarstrjitte49-VA02_0011.png"
Figuur 11. Plattegrond van definitieve planuitwerking van planvoornemen in bestemmingsplan 'Foarstrjitte 49, De Westereen' (bron: Wijbenga Tromp Architecten en Adviseurs, 2020)


Door een verplaatsing van de supermarkt in noordelijke richting ontstaat dus de nodige ruimte op het voorterrein aan de zuidkant voor parkeren en een nette inrichting. Dat betekent wel dat het pand niet in het bebouwingslint wordt geplaatst, maar verder naar achteren gerooid. Belangrijke reden daartoe is de voor- en achterkantsituatie. Een parkeerterrein aan de voorzijde nodigt namelijk uit tot de supermarkt daar achter en leidt tot een vriendelijker straat- en bebouwingsbeeld, want de supermarkt wordt daarmee aan de voorzijde met een representatieve gevelpartij ook op de Foarstrjitte georiënteerd. Andersom als alternatieve invulling van de planlocatie - met een supermarkt in het lint en in de gevellijn van aangrenzende bebouwing - zou aan de straatzijde een achterkantsituatie ontstaan waarbij de meer uitnodigende voorkant van de supermarkt naar het landelijk gebied wordt gericht, omdat daar dan ook het parkeren zou plaatsvinden. Qua leefbaarheid en straatbeeld is dat ongewenst. En ook wat betreft de sociale veiligheid.


afbeelding "i_NL.IMRO.1891.BpWeFoarstrjitte49-VA02_0012.png"

Figuur 12. Inrichting van het plangebied met de nieuwe supermarktbebouwing en terreininrichting (bron: Wijbenga Tromp Architecten en Adviseurs, 2020)


Het alternatief levert dus een onlogische en onwenselijke opzet op. De luwe zijde van de supermarkt zou dan naar de straat gericht worden en het parkeren met de verkeersbewegingen en verlichting (zowel terreinverlichting als gevoerde rijverlichting van verkeer) meer richting het landschap/het buitengebied. Bovendien ontstaan dan verkeersbewegingen naar het achter de bebouwing dan gesitueerde parkeerterrein. Dit levert voor klanten een onduidelijker en daarmee minder veilige situatie op. Zo kan worden gedacht aan het kunnen ontstaan van onoverzichtelijke hoeksituaties rondom het pand. Ook kan de direct aangrenzende woonbebouwing een grotere mate van geluidhinder door verkeersbewegingen rondom het pand gaan ervaren.


De nieuwbouw richt zich dus met de uitnodigende entreepartij naar het parkeerterrein en de straatzijde. De rustige 'luwe' achterzijde van het pand is gericht naar het buitengebied en wordt omzoomd met groen. Daarmee wordt een groen aanzicht vanuit het buitengebied gecreëerd, zoals dat in de eerdere situatie van het oude supermarktpand met de bomensingel ook al het geval was. En door het parkeerterrein aan de voorzijde te realiseren, bestaat er voldoende (toe)zicht vanuit de openbare ruimte op wat er plaatsvindt buiten winkelopeningstijden om.


afbeelding "i_NL.IMRO.1891.BpWeFoarstrjitte49-VA02_0013.png"

Figuur 13. Groene omzoming van de achterzijde van de oude supermarkt (bron: Wijbenga Tromp Architecten en Adviseurs, 2020)

afbeelding "i_NL.IMRO.1891.BpWeFoarstrjitte49-VA02_0014.png"
Figuur 14. Nieuwe groene omzoming van de achterzijde van de nieuwbouw van de supermarkt (bron: Wijbenga Tromp Architecten en Adviseurs, 2020)


Zoals hiervoor beschreven, zijn er binnen de kern van De Westereen geen alternatieve stedelijke locaties beschikbaar om in het benodigde ruimtebeslag van de nieuwe supermarkt te kunnen voorzien. Juist de huidige locatie biedt de nodige ruimtelijke mogelijkheden voor de noodzakelijke uitbreiding wel door de achterliggende, onbebouwde agrarische gronden bij het planvoornemen te betrekken. Ook vormt deze planlocatie de logische voortzetting van de huidige detailhandelsactiviteiten ter plaatse. De supermarkt is hier al decennia gevestigd. Voor de planlocatie op zichzelf geldt dat deze verder uitstekend ontsloten is voor gemotoriseerd verkeer. Wat dat betreft valt eigenlijk geen betere plek in de kern te bedenken dan juist hier. De Foarstrjitte in De Westereen is zowat de best ontsloten locatie in het dorp vindbaar. De Foarstrjitte vormt via de Boppewei namelijk de doorgaande verbinding vanuit Kollumersweach naar de Sintrale As (provinciale weg N356). Dit is niet alleen voor de bezoeker gunstig (eigen inschatting van Poiesz is ca. 1.000 verkeersbewegingen op een drukke dag, berekend op basis van kencijfers van CROW-publicatie 381 is 1.303 verkeersbewegingen per etmaal), maar ook vanwege het bevoorradend zwaarder verkeer. De supermarkt telt dagelijks 3 bevoorradende (zware) vrachtwagens. In die zin is het ook gunstig dat de al bestaande verkeersstromen hierdoor niet in belangrijke mate wijzigen, en de al dan niet ervaren hindersituatie door bijvoorbeeld wegverkeerslawaai in de oude situatie in vergelijking met de nieuwe situatie nagenoeg gelijk blijft, ook met het aan de voorzijde van de supermarkt houden van het parkeerterrein behorende bij de supermarkt.


Een verbeterde uitstraling van het geheel van zowel het nieuwe detailhandelspand als het terrein komt uiteindelijk de directe omgeving ten goede, en zorgt voor een betere winkelbeleving van de consument. Hiervoor is een groter ruimtebeslag benodigd dan in de eerdere situatie van het oude winkelpand met parkeerterrein het geval was.


CONCLUSIE

Gelet op voorgaande moet geconcludeerd worden dat de ontwikkeling voorziet in een kwantitatieve en kwalitatieve behoefte, en daarmee ook voldoet aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. Het betrekken van een deel van de aansluitende, en eerder als landelijk gebied aangewezen, gronden (circa 3.100 m2) bij het bestaand stedelijk gebied is hiermee goed uit te leggen. Met het nieuwbouwplan kunnen de reeds met het geldende bestemmingsplan 'De Westereen - Kom' voor detailhandel aangewezen gronden doelmatiger worden gebruikt. Daarvoor is het dus wel nodig om voor de noodzakelijke uitbreiding een deel van de agrarische gronden in het naastgelegen landelijk gebied bij de planlocatie te betrekken.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie Fryslân, De Romte Diele

De provinciale Omgevingsvisie vervangt het strategisch beleid van de provincie in het Streekplan, Milieubeleidsplan, Waterhuishoudingsplan en het Verkeer- en vervoerplan. In de visie is aangegeven wat de provincie doet om de huidige basiskwaliteiten van de Friese leefomgeving op orde te houden. Daarnaast wil de provincie extra inzetten op vier urgente, integrale opgaven te weten:

  • Fryslân vitaal, leefbaar en bereikbaaar houden;
  • Energietransitie met kracht voortzetten;
  • Fryslân klimaatadaptief inrichten;
  • Versterken biodiversiteit.

De omgevingsvisie is op 23 september 2020 vastgesteld.

3.2.2 Grutsk op 'e Romte!

Provinciale Staten hebben op 26 maart 2014 het document 'Grutsk op 'e Romte' als thematische structuurvisie over landschap en cultuurhistorie vastgesteld. In Grutsk op ‘e Romte worden landschappelijke en cultuurhistorische structuren van provinciaal belang in samenhang geanalyseerd, gewaardeerd en van een richtinggevend advies voorzien.

Het landschap met daarbinnen de vele karakteristieke steden en dorpen en de kenmerkende functies landbouw, natuur, water en recreatie, vormt het kapitaal van Fryslân, aldus de provincie. Dit kapitaal wil de provincie samen met andere partijen instandhouden en verder versterken. Meer dan voorheen spelen de kernkwaliteiten van de landschapstypen een richtinggevende rol in de totale belangenafweging bij ruimtelijke ontwikkelingen.

De provincie onderscheidt binnen haar grondgebied een aantal landschapstypen. Het plangebied wordt gerekend tot het volgende landschapstype: de Noordelijke Wouden. De volgende kernkwaliteiten behoren tot dit gebied toe:

  • kleinschalig patroon van lintbebouwing, houtwallen (hege dyken), elzensingels met geleidelijke overgangen naar open enclaves daartussen (de mieden en hooilanden) en plaatselijk esgronden;
  • relatief dicht netwerk van houtwallen en elzensingels;
  • afwisseling van schaal en (beperkt) reliëf;
  • opstrekkende strokenverkaveling met gevarieerde lengte-breedte verhoudingen van gemiddeld 4:1 à 5:1 tot (plaatselijk on)regelmatige blokverkaveling;
  • structuurbepalende elementen als beplantingen, aardkundige elementen (pingoruïnes, dobben), lintdorpen, wegen en paden met laanbeplanting;
  • specifieke vormen van esstructuren.

Het plangebied behoort tot het deelgebied de Woudontginning met elzensingels. Het landschap wordt gekenmerkt door een opstrekkende verkaveling. De landschappelijke structuur wordt bepaald door lange bebouwingslinten met wegbeplanting met voornamelijk haaks daarop staande van houtwallen of singels voorziene opstrekkende percelen met een gevarieerde lengtebreedte verhouding tot rechthoekige percelen.

Met de herinrichting van het terrein is zoveel mogelijk rekening gehouden met de aanwezige landschappelijk waarden. Aansluiting is gezocht op de bestaande beplanting- en kavelstructuur. Paragraaf 3.3.3 gaat hier nader op in.

 

3.2.3 Verordening Romte Fryslân 2014

Op 25-06-2014 is de Verordening Romte Fryslân 2014 door het College van Gedeputeerde Staten van Fryslân vastgesteld. De verordening wordt regelmatig gewijzigd, waarbij de laatste wijziging is vastgesteld op 21 februari 2018. Met de verordening zijn concrete beleidsregels vastgelegd die ervoor moeten zorgen dat de provinciale ruimtelijke belangen (uit het streekplan) doorwerken in de gemeentelijke ruimtelijke plannen. Als daaraan niet wordt voldaan, zal de provincie een zienswijze indienen en eventueel een aanwijzing geven als daaraan onvoldoende tegemoet is gekomen. In de verordening is onderscheid gemaakt tussen het begrip bestaand stedelijk gebied en het begrip landelijk gebied. Voor bestaand stedelijk gebied geldt een grotere mate van beleidsvrijheid voor het realiseren van stedelijke functies.

In artikel 1.1.1 van de Verordening is opgenomen dat in een ruimtelijk plan in het landelijk gebied geen bouw- en gebruiksmogelijkheden mogen worden opgenomen voor nieuwe stedelijke functies. In afwijking daarvan kunnen uitbreidingslocaties aansluitend op het bestaand stedelijk gebied wel worden toegestaan. Het bestaand stedelijk gebied wordt gedefinieerd als "het gebied dat de bestaande of bij bestemmingsplan toegelaten en voorziene woon- of bedrijfsbebouwing, waaronder mede begrepen de daarbij behorende openbare voorzieningen en verkeersinfrastructuur, van een kern bevat, zoals begrensd op de van de Verordening deel uitmakende kaarten Begrenzing bestaand stedelijk gebied, of zoals sinds 1 januari 2010 opgenomen in een onherroepelijk ruimtelijk plan voor nieuwe stedelijke functies, met uitzondering van de stedelijke functies die pas kunnen worden gerealiseerd op grond van in dat ruimtelijk plan opgenomen wijzigingsbevoegdheden ex artikel 3.6 Wet ruimtelijke ordening".


Het planvoornemen voorziet in de algehele nieuwbouw van een bestaande supermarktfunctie aan de Foarstrjitte 49 in De Westereen. De bebouwing wordt in zijn geheel opgericht in het landelijk gebied, terwijl herinrichting en vergroting van het bijbehorende parkeerterrein in het bestaand stedelijk gebied plaatsheeft. De nieuwbouwontwikkeling ten behoeve van de stedelijke voorziening vindt derhalve voor circa de helft in het aangewezen landelijk gebied en voor de andere helft in het reeds bestaande stedelijke gebied plaats. Het gedeelte dat in het landelijk gebied ligt, vindt direct aansluiting op het bestaand stedelijk gebied. Het planvoornemen is in overeenstemming met de verordend door de Provinsje Fryslân voorgeschreven regels dat een uitbreiding aansluitend op bestaand stedelijk gebied kan worden toegestaan.


In artikel 4.4 van de Verordening is verder opgenomen dat met een ruimtelijk plan detailhandel buiten het bestaande kernwinkelgebied en het gebied daar direct op aansluitend, slechts kan worden toegestaan indien sprake is van perifere detailhandel*. Met het planvoornemen is sprake van perifere detailhandel. Daarbij is het van belang het kernwinkelgebied te definiëren. In de Verordening Romte Fryslân 2014 is dit vastgelegd als zijnde "het aaneengesloten gebied in een kern dat als het belangrijkste winkelcentrum van de kern kan worden aangemerkt, zowel wat betreft aantal winkels als winkelassortiment".

* Perifere detailhandel wordt in de Verordening Romte Fryslân 2014 omschreven als: detailhandel die wat betreft volumineuze aard van de goederen, gevaar en hinder of dagelijkse bevoorrading niet meer goed inpasbaar is in de bestaande winkelcentra, waaronder uitsluitend worden begrepen:
- detailhandel in brandbare of explosiegevaarlijke stoffen;
- detailhandel in auto's, boten, caravans en tenten, keukens, badkamers, meubelen, bouwmaterialen, landbouwwerktuigen, tuincentra, plant- en dierbenodigdheden, fietsen en autoaccessoires, en supermarkten;
- detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit van industrie en ambacht in ter plaatse vervaardigde, bewerkte of herstelde goederen.


Om te beoordelen waar het kernwinkelgebied van De Westereen zich bevindt, kan naar de verbeelding van het geldende bestemmingsplan worden gekeken. Hierin is een bestemming 'Centrum' gehanteerd.


afbeelding "i_NL.IMRO.1891.BpWeFoarstrjitte49-VA02_0015.png"

Figuur 15. Weergave van de verbeelding van het bestemmingsplan 'De Westereen - Kom' met daarop in rood omkaderd het gebied met de bestemming 'Centrum' dat als kernwinkelgebied kan worden gezien (bron: ruimtelijkeplannen.nl)


De centrumbestemming in het bestemmingsplan 'De Westereen - Kom' ziet op het (inwisselbaar) gebruik van gebouwen voor wonen, detailhandel, dienstverlenende bedrijven, maatschappelijke voorzieningen en overige publieksgerichte functies, alsmede horeca voor zover als zodanig aangeduid. Dit gebied kan dan ook als meest voorname winkelgebied in De Westereen worden gezien, dus het kernwinkelgebied. Zoals ook in de bijbehorende bestemmingsplantoelichting is aangegeven, heeft De Westereen een belangrijke functie in het aanbod van winkelvoorzieningen voor de inwoners van het dorp en de wijde omgeving. Hoewel het grootste deel van de winkels langs de Noarder Stasjonsstrjitte, Ferlinge Stasjonsstrjitte, Skoallestrjitte en Tsjerkestrjitte is gesitueerd, bevindt zich ook een aantal langs de Foarstrjitte, zoals de supermarktbebouwing van voorliggend bestemmingsplan. Langs de Foarstrjitte is sprake van een aantal bestemmingen 'Detailhandel', 'Maatschappelijk', 'Bedrijf' en 'Horeca'.


De locatie aan de Foarstrjitte 49 kan worden gezien als liggend buiten het gebied dat als kernwinkelgebied in De Westereen kan worden aangewezen, maar wel in een gebied dat aansluitend hierop van belang is voor het voorzieningenniveau van de kern en omgeving. Omdat met het planvoornemen sprake is van perifere detailhandel kan uitbreiding op basis van de Verordening Romte Fryslân 2014 ter plaatse worden toegestaan. In het kader van de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' is in paragraaf 3.1.3. (bij de beantwoording van de vraag of de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied ligt) onder het kopje 'Locatieafweging' reeds nader ingegaan op de beschikbaarheid en geschiktheid van alternatieve locaties voor de supermarktbebouwing, bijvoorbeeld in het kernwinkelgebied of direct daarop aansluitend (de centrumrand).


Voor het kernwinkelgebied zijn locaties 2 (voormalig zwembad De Frosk en parkeerterrein aan de Sportloane) en 3 (voormalige bibliotheek aan de Skriesstrjitte 7) afgewogen. Wat betreft de centrumrand zijn de locaties 4 (De Wiken), 5 (sportterrein) en 6 (Noarder Stasjonsstrjitte 81) nader beschouwd. Voor al deze alternatieve locaties bestaan redenen die de goede uitvoerbaarheid van het planvoornemen daar in de weg staan. Dit maakt dat de huidige locatie dan ook de meest aangewezen plek is voor de voorgenomen nieuwbouw en uitbreiding van de supermarkt in De Westereen.

Het plangebied ligt in een weidevogelkansgebied zoals opgenomen in de kaart Weidevogelleefgebieden van de Verordening. Artikel 7.2.2. van de Verordening schrijft voor dat een ruimtelijk plan voor het landelijk gebied dat betrekking heeft op gronden die zijn gelegen in of grenzen aan gebieden die aangewezen als weidevogelkansgebieden, voorziet in eeen regeling waarmee voldoende openheid en rust van die gebieden wordt gehandhaafd. Voor noodzakelijke ruimtelijke ingrepen van openbaar belang kan hiervan, inachtneming van enkele voorwaarden, van worden afgeweken. Zo is een afweging van aanwezige natuurwaarden noodzakelijk. Waarbij eventuele schade aan natuurwaarden beperkt worden door mitigerende maatregelen. Meest kansrijke gebieden zijn weidevogelkansgebieden die bestaan uit ruime en open gebieden (zichtafstand > 400 m) met voldoende rust en waarin gevarieerde graslanden liggen (artikel 7.12).

Het weidevogelkansgebied beslaat hier ter plekke van de planlocatie uit een agrarische enclave in de noordrand van de dorpsbebouwing van De Westereen. De enclave wordt aan drie zijden omgeven door bebouwing en is alleen naar de noordkant een verbinding met grootschalig open gebied. De maatvoering van de zoeven genoemde, door bebouwing omgeven, agrarische ruimte is 180 m breed en de grootste diepte (de vrije ruimte tot aan de houtsingel die het perceel omgeeft) is in de huidige situatie ongeveer 190 m (na nieuwbouw van de supermarkt 150 meter). Daarmee voldoet dit gebied in de huidige situatie niet aan de maatvoering zoals die is aangegeven als norm voor een weidevogelkansgebied (artikel 7.12 van de Toelichting op de Verordening):

Het gebied grenst aan de zuidkant direct aan bebouwing, waarbij in de huidige situatie minder rust aanwezig is dan wenselijk. De uitbreiding van de supermarkt is voorzien aan deze zuidelijke kant van het weidevogelkansgebied. Eventuele verstoring blijft aan deze zijde beperkt omdat hier de achterzijde van de supermarkt is voorzien.

Ook de houtsingels, in bovenstaande tekst al genoemd en karakteristiek voor het woudenlandschap is hier, op de overgang van de droge naar de natte gebieden, langs de kavelgrenzen volop aanwezig. Dit maakt dat, gezien vanaf de planlocatie, er geen visuele relatie aanwezig is tussen de planlocatie en het open weidegebied op plusminus 400 m ten noorden van De Westereen. Het aan de planlocatie grenzende weidegebied is daardoor mede door de kavelomringende singelbeplanting een plek waar weidevogels zich niet prettig zullen voelen (predatie) en dit gebied zo veel mogelijk zullen mijden.


Hiermee is onderbouwd dat het gebied direct ten noorden van de planlocatie als weidevogelgebied niet geschikt is en dat dit in belangrijke mate juist veroorzaakt wordt door een ander provinciaal belang; de landschappelijke kwaliteit van het gebied (singellandschap). Als compenserende maatregel voor een ten gevolge van het plan te verwijderen houtsingel werd direct ten noorden van het nieuwe bouwplan mede op last van de provincie de aanleg van een nieuwe houtsingel voorgeschreven.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Landschapsbeleid Dantumadiel 2003

In de gemeente is een aantal ontwikkelingen gaande waarvoor een landschappelijke context belangrijk is. Hiertoe is in 2003 een nieuw landschapsbeleidsplan opgesteld. Dit plan schept een kader voor een scala van maatregelen dat betrekking heeft op landschap en natuur in Dantumadiel. Het landschapsbeleidsplan verwoordt een visie waarbij zowel het behouden en versterken van het kenmerkende landschap als de diverse ontwikkelingsmogelijkheden een belangrijke rol spelen.

Per landschapstype zijn in het plan één of meer strategieën uitgezet. De Westereen is grotendeels een heideontginningsdorp. De noordrand van het dorp kent echter een lineaire structuur met lintbebouwing waar in de loop der tijd tussen de agrarische bebouwing de handelshuizen en de vroeg-industriële bebouwing tot ontwikkeling zijn gekomen. In dit lint bevindt zich ook het plangebied. De winkelvestiging van de Poiesz past, evenals de nu spelende uitbreiding, in dit omtwikkelingsproces van handel en industrie.

In De Westereen is van belang dat het onderscheid tussen de lineaire structuur in het noorden van het dorp en het zuidelijke gedeelte, het eigenlijke heide dorp, bewaard blijft.

Naast aandacht voor de bebouwde omgeving dient er zorgvuldig omgesprongen te worden met de beslotenheid van het gebied De Wouden. Het karakteristieke beplantingspatroon van elzensingels bepaald voor een belangrijk deel de identiteit van het gebied.

Met het planvoornemen is rekening gehouden met de bestaande landschappelijke kwaliteiten in en in de omgeving van het projectgebied. Met de ontwikkeling wordt een deel van het nu nog agrarisch onbebouwd perceel bebouwd met de supermarktbebouwing. Deze bebouwing en bijbehorende gronden worden ingepast door de realisatie van groenstroken en elzensingels.

3.3.2 Toekomstvisie Dantumadiel 2018

Op 16 december 2008 is door de gemeenteraad de visie 'Dantumadiel 2018, Dantumadiel Gewoan Bysûnder' vastgesteld. Hierin heeft de gemeente, op hoofdlijnen, haar visie op de ontwikkeling van de gemeente in de periode tot 2018 uiteengezet.


De gemeente Dantumadiel is vooral een woongemeente. Er zijn elf dorpen in de gemeente, waarvan drie met een zogenoemde centrumfunctie: Damwâld, Feanwâlden en De Westereen. Dit betekent dat er in deze dorpen verschillende voorzieningen aanwezig zijn. De gemeente streeft naar "Noflik Wenjen in de groene Wâlden". Op basis van de visie zet de gemeente zich in voor de ontwikkeling van de gemeente als woongemeente. Daar hoort ook bij dat er zorg gedragen wordt voor voldoende voorzieningen.

Met voorliggende ontwikkeling wordt een bestaande supermarkt opgewaardeerd om te blijven voldoen aan de wensen van de consument. Met deze ontwikkeling wordt bijgedragen aan het voorbestaan van voldoende voorzieningen in de dorpen van de gemeente.

3.3.3 Welstandnota Dantumadiel

Op 4 juli 2016 is de Welstandsnota van de gemeente Dantumadiel vastgesteld. Met dit welstandsbeleid wordt ingespeeld op de deregulering en een grotere vrijheid voor de burger. Het gemeentelijk grondgebied is welstandsvrij met uitzondering van:

  • monumenten;
  • bestemmingen, anders dan 'wonen' en gelegen in het buitengebied;
  • bestemmingen, anders dan 'wonen' en 'centrumdoeleinden', niet gelegen in het buitengebied en gelegen op prominenten en/of zichtlocaties;
  • locaties/gebieden die bouwhistorisch waardevol zijn.


Het welstandsbeleid bestaat daarmee uit gebiedscriteria, objectgerichte, en algemene criteria. Aan deze criteria worden bouwplannen getoetst in het kader van de welstandsbeoordeling.


De percelen in het projectgebied zijn gelegen in het welstandsgebied 'welstandsvrij'. Voor deze gebieden geldt dat in beginsel geen welstandstoets noodzakelijk is, tenzij het adres is aangemerkt als karakteristiek. Dat is voor het betreffende perceel niet van toepassing.


Het eerste bouwplan is voorgelegd aan de Commissie Welstandsadvisering en Monumentenzorg 'Hûs en Hiem'. Op 29 januari 2020 is hierover advies uitgebracht. Uit het advies bleek het volgende; In de nieuwe situatie wordt het supermarkt gebouw verder naar achteren op het perceel geplaatst waardoor het zich meer los maakt van de weg en meer in het landschap wordt geplaatst. Hierdoor wordt de verkavelingsrichting dominanter en is hiermee onvoldoende geënt op de verkavelingsstructuur van het landschap. Ook de terreininrichting is grotendeels gericht op de richting van de weg en versterkt hiermee de breuk met de verkavelingsrichting. Het bouwplan leidt welstandshalve tot bezwaren.

Naar aanleiding van het uitgebrachte advies is het onderstaande uitgangspunt voor de gehanteerde stedenbouwkundige structuur verduidelijkt. De schuine verkaveling wordt opgepakt met de terreininrichting en de groenstructuren zoals die vanuit het landschap aanwezig zijn. De gevel volgt de richting van de straat, geplaatst zoals dit ook in de huidige situatie het geval is. Hiermee zijn de bezwaren vanuit welstand voldoende ondervangen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1891.BpWeFoarstrjitte49-VA02_0016.png"

Figuur 16. Weergave stedenbouwkundige inpassing.

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

4.1 Erfgoed

Normstelling en beleid
De Monumentenwet 1988 is per 01-07-2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2022 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is.

De Erfgoedwet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast dient ieder ruimtelijk plan een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het projectgebied te bevatten. Voor zover in een projectgebied sprake is van erfgoed, dient op grond van voorgaande dan ook aangegeven te worden op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologie rekening wordt gehouden.

Voor het onderzoek naar erfgoed wordt uitgegaan van de Cultuurhistorische Kaart 2 (CHK2) van de Provinsje Fryslân, en de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (Famke) van de Provinsje Fryslân. Op deze kaarten is informatie opgenomen over archeologische en cultuurhistorische waarden.

4.1.1 Archeologie

Toetsing
Op de FAMKE zijn voor het gemeentelijk grondgebied de bekende als wel de te verwachten archeologische waarden aangegeven. Daarbij worden twee verschillende onderzoeksperioden onderscheiden, te weten IJzertijd-Middeleeuwen en Steentijd-Bronstijd.

IJZERTIJD - MIDDELEEUWEN
Navolgende figuur geeft een weergave van de archeologische verwachtingswaarden voor de periode IJzertijd-Middeleeuwen. In het plangebied is 'karterend onderzoek 3' van toepassing. In deze gebieden kunnen zich archeologische resten bevinden uit de periode ijzertijden-middeleeuwen. De provincie beveelt aan om bij ingrepen van meer dan 5.000 m2 een historisch karterend onderzoek te verrichten.

afbeelding "i_NL.IMRO.1891.BpWeFoarstrjitte49-VA02_0017.png"

Figuur 17. Uitsnede FAMKE-kaart IJzertijd-Middeleeuwen

STEENTIJD - BRONSTIJD
Navolgende figuur geeft een weergave van de archeologische verwachtingswaarden voor de periode Steentijd-Bronstijd. Op het plangebied is 'quickscan' van toepassing. In de gebieden waar 'quickscan' geldt wordt vermoed dat de eventueel aanwezige archeologische resten al ernstig verstoord zijn. De provincie beveelt daarom aan om bij ingrepen van meer dan 5.000 m2 een quickscan te verrichten.

afbeelding "i_NL.IMRO.1891.BpWeFoarstrjitte49-VA02_0018.png"

Figuur 18. Uitsnede Famke-kaart Steentijd-Bronstijd

ANALYSE 
Het plangebied beslaat een oppervlakte van circa 6.500 m2. De bodemingrepen blijven echter beperkt tot circa 2.000 m2 en blijven hiermee ruimschoots onder de onderzoeksgrens voor beide perioden. De grootte van de bodemingreep kan verklaard worden door de totale oppervlakte van de bestemmingsplanwijziging ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan. Met de oppervlakte van de ingreep wordt niet letterlijk de omvang van de verstoring van de bodem bedoeld maar de oppervlakte waarvan de bodem door bestemmingsplanwijziging nu of in de toekomst verstoord kan gaan worden.

In het voorliggende bestemmingsplan wordt een deel van de aanwezige agrarische bestemming gewijzigd naar 'Detailhandel'. Dit gedeelte komt overeen met een oppervlakte van circa 2.000 m2. Aan deze gronden worden een bouwvlak toegekend. Voor de overige gronden van het plangebied blijft de bestemming gelijk. Archeologisch onderzoek is op basis van het provinciaal beleid dan ook niet noodzakelijk.

Conclusie
Met het voornemen worden de onderzoeksdrempels wat betreft archeologie niet overschreden. Aanvullend onderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. De uitvoerbaarheid van het voornemen wordt niet door de aanwezigheid van eventuele archeologische waarden belemmerd.

NOTA BENE
De archeologische meldingsplicht blijft van kracht. Dit betekent dat wanneer bij graafwerkzaamheden vondsten worden aangetroffen waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het archeologie betreft, dit gemeld moet worden bij het bevoegd gezag, zijnde de gemeente Dantumadiel.

4.1.2 Cultuurhistorie

Toetsing
De CHK2 is geraadpleegd op de aanwezigheid van belangwekkende cultuurhistorische elementen en objecten. In en in de omgeving van het projectgebied zijn geen cultuurhistorische elementen of objecten aanwezig die mogelijkerwijs een belemmering kunnen vormen voor het planvoornemen.

Conclusie
Het planvoornemen is wat betreft het aspect cultuurhistorie uitvoerbaar.

4.2 Ecologie

Normstelling en beleid
In het kader van de uitvoerbaarheid van ruimtelijke plannen is het conform artikel 3.1.6 Bro noodzakelijk om aandacht te besteden aan de effecten op natuurwaarden. Effecten dienen te worden beoordeeld in relatie tot geldende wet- en regelgeving op het terrein van zowel de soorten- als wel de gebiedsbescherming. Per 01-01-2017 is hiertoe de Wet natuurbescherming (Wnb) van kracht.

Ecologische inventarisatie
Om nader inzicht te verkrijgen in het voorkomen van beschermde natuurwaarden in het projectgebied is zowel een bureau-inventarisatie als veldbezoek uitgevoerd. De rapportage hiervan is als Bijlage 1 bij dit bestemmingsplan opgenomen. De consequenties van de voorgenomen graaf- en bouwwerkzaamheden in het projectgebied zijn getoetst aan de Wnb en het provinciaal gevoerde natuurbeleid.

ALGEMENE BROEDVOGELS

Binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden kunnen vogels tot broeden komen waarvan de nesten alleen tijdens de broedtijd beschermd zijn. Geadviseerd wordt om de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Voor het broedseizoen wordt over het algemeen de periode van 15 maart tot en met 15 juli aangehouden. Afhankelijk van de soort en klimatologische omstandigheden kunnen soorten echter eerder of later in het jaar tot broeden komen. Wat voor deze soorten van belang is, is of er sprake is van een broedgeval. Zo ja, dan is deze altijd beschermd. Eventueel kan voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelcheck worden uitgevoerd, zodat in delen van het plangebied waar geen verstoring op kan treden reeds tijdens het broedseizoen kan worden gewerkt. In het plangebied zijn geen vaste verblijfplaatsen van broedvogels aangetroffen.


VLEERMUIZEN

De aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen in het bijgebouw binnen het plangebied kan niet op voorhand worden uitgesloten. Geadviseerd wordt nader onderzoek naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen uit te voeren. Indien er een verblijfplaats van vleermuizen wordt vastgesteld, dient er voor de betreffende soort(en) een ontheffing te worden aangevraagd, welke in de regel wordt afgegeven onder de voorwaarde dat er mitigerende- en compenserende maatregelen worden uitgevoerd.


ZORGPLICHT

Er kunnen enkele meer algemene soorten voorkomen in het plangebied waarvoor een vrijstelling geldt in geval van schade aan deze soorten (bijvoorbeeld huisspitsmuis). Op deze soorten is wel de zorgplicht van toepassing. Deze kan tot uiting worden gebracht door zo te werken dat dieren de kans krijgen om te vluchten naar habitat buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden of dieren (zoals vrijgestelde amfibieën), indien nodig, naar een dergelijke habitat te verplaatsen.

WEIDEVOGELKANSGEBIED

Het plangebied ligt op de grens van een weidevogelkansgebied. Hoewel een gedeelte hiervan (het bestraatte gedeelte) geen waarden draagt binnen dit kansgebied, is dit bij het overige gedeelte wel het geval. In het geval van aantasting van een gebied groter dan 0,5 ha binnen een weidevogelkansgebied, kan er sprake zijn van financiële compensatie, tenzij de gemeente de werkzaamheden zonder compensatie toestaat als noodzakelijke ruimtelijke ingreep van openbaar belang. Geadviseerd wordt contact op te nemen met de gemeente Dantumadeel voor meer informatie hierover.

BESCHERMDE GEBIEDEN

In het kader van de Wnb beschermde gebieden liggen op geruime afstand van het projectgebied. Het meest nabij gelegen beschermde gebied betreft het Natura 2000-gebied 'Groote Wielen' dat gelegen is op een afstand van circa 9.8 kilometer ten zuidwesten van het projectgebied.

Gezien de relatief grote afstand tot Natura 2000-gebieden, de ligging van het plangebied tussen bebouwing en de aard van het plan kunnen de meeste effecten op in het kader van de Wnb beschermde gebieden op voorhand worden uitgesloten. Negatieve effecten door stikstofdepositie kunnen echter ook in gebieden op grotere afstand optreden.

Voor de invloed van het plan op het gebied van stikstofdepositie is zowel de aanlegfase als de gebruiksfase relevant. De stikstofemissie in de aanlegfase bestaat uit de emissie door machines en verkeersbewegingen van bouwverkeer. De stikstofemissie in de gebruiksfase wordt veroorzaakt door de verkeersbewegingen en door de emissie van de supermarkt zelf.

Een toename van stikstofdepositie in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden kan niet op voorhand uitgesloten worden. Daarom is een stikstofberekening nodig om te bepalen of sprake is van een toename van stikstofdepositie. Op basis hiervan kan bepaald worden of vervolgstappen nodig zijn.

Aeriusberekening
Naar aanleiding van de uitgevoerde ecologische inventarisatie is een Aeriusbereking uitgevoerd om de stikstofdepositie van het planvoornemen te achterhalen. Deze berekening is ingevoegd als Bijlage 3. Uit deze berekening blijkt dat de bijdrage van stikstofdepositie vanwege het planvoornemen in zowel de aanleg- als de gebruiksfase op het meest nabijgelegen verzuringsgevoelige Natura 2000-gebied, 0,00 mol/ha/jaar bedraagt. Aan de hand hiervan kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten vanwege stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten.

NADER ONDERZOEK

Nader onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen is uitgevoerd. In Bijlage 2 is de rapportage hiervan opgenomen. Uit het nader onderzoek blijkt dat geen verblijfplaatsen van vleermuizen in het plangebied zijn aangetroffen. Negatieve effecten van de voorgenomen werkzaamheden op verblijfplaatsen van vleermuizen worden uitgesloten. Wel wordt de bomensingel aan de achterzijde van het pand als vliegroute voor gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger gebruikt. De omgeving van het plangebied biedt echter voldoende alternatieven, waardoor er van een essentiële vliegroute geen sprake is. Nadere vervolgstappen zijn niet van toepassing.

Conclusie
Het planvoornemen is wat betreft het aspect ecologie uitvoerbaar.

4.3 Bodemkwaliteit

Normstelling en beleid
Met het oog op een goede ruimtelijke ordening moet in geval van ruimtelijke ontwikkelingen worden aangetoond dat de bodem geschikt is voor het beoogde functiegebruik. Ter plaatse van locaties die verdacht worden van bodemverontreiniging, moet in ieder geval een verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd. In geval van verontreinigingen is de Wet bodembescherming (Wbb) van toepassing. Hierin is geregeld dat als ter plaatse van een projectgebied ernstige verontreinigingen worden aangetroffen er sprake is van een saneringsgeval. Voor te ontgraven en eventueel buiten een projectgebied af te voeren gronden kan op basis van het Besluit Bodemkwaliteit (Bbk) een milieuhygiënische verklaring noodzakelijk zijn.

Toetsing
VOORONDERZOEK
Het zogeheten Bodemloket van Rijkswaterstaat biedt informatie over bodemonderzoeken en -saneringen die zijn uitgevoerd en over bedrijven of terreinen waar 'verdachte' werkzaamheden hebben plaatsgevonden die mogelijk bodemverontreiniging hebben veroorzaakt en waar mogelijk bodemonderzoek moet worden uitgevoerd.

Voor het voornemen is het Bodemloket geraadpleegd. Hieruit blijkt dat een deel van de gronden voldoende zijn onderzocht/gesaneerd. Voor het andere deel is geen informatie bekend. Voor dit deel is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd om inzage te verkrijgen in de milieuhygiënische bodemkwaliteit.

VERKENNEND BODEMONDERZOEK
Uit de resultaten van het onderzoek, zie Bijlage 4 voor de volledige rapportage, komt naar voren dat (zeer) plaatselijk enkele sporen van baksteen zijn aangetroffen. Bij de overige boringen zijn geen bodemvreemde materialen aangetroffen, welke zouden kunnen duiden op de aanwezigheid van bodemverontreiniging. Het maaiveld en in de opgeboorde grond visueel (globaal) geïnspecteerd op de mogelijke aanwezigheid van asbestverdacht materiaal. Deze zijn niet waargenomen.

Zowel in de boven- als ondergrond, zijn geen verontreinigingen met één of meerdere stoffen uit het standaardpakket NEN 5740 aangetoond.

In het grondwater is voor barium een licht verhoogde concentratie aangetoond. Hiervan wordt verwacht dat deze een natuurlijke oorsprong heeft. Voor de overige geanalyseerde parameters zijn geen verhoogde concentraties gemeten.

PFAS
Uit het onderzoek naar PFAS blijkt, dat in het mengmonster van de bovengrond voor PFOS (som) een gehalte boven de tijdelijk vastgestelde achtergrondwaarde is aangetoond. Voor de ondergrond geldt, dat geen gehalten boven de tijdelijk vastgestelde achtergrondwaarde zijn aangetoond. Wanneer de gehalten aan PFAS getoetst worden aan de ‘normen voor hergebruik’ uit het Besluit Bodemkwaliteit, dan geeft dit een indicatie dat de bovengrond als ‘Wonen’ wordt geclassificeerd. De ondergrond wordt als ‘altijd toepasbaar’ wordt geclassificeerd.

Conclusie
Op basis van de onderzoeksresultaten worden, vanuit milieuhygiënisch oogpunt, geen belemmeringen verwacht ten aanzien van de voorgenomen nieuwbouw op de onderzochte locatie. Volledigheidshalve wordt opgemerkt, dat rekening gehouden dient te worden gehouden met het gegeven, dat bij eventuele toekomstige grondwerkzaamheden mogelijk aanvullende analyses noodzakelijk zijn en de grond mogelijk niet zonder restricties buiten de locatie kan worden toegepast. Het Besluit Bodemkwaliteit zal dan van kracht kunnen worden. Het project is wat betreft het aspect bodemkwaliteit uitvoerbaar.

4.4 Externe veiligheid

Normstelling en beleid
Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de woon- en leefomgeving bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, aardgas of LPG. Het aandachtsveld van externe veiligheid richt zich op zowel inrichtingen (bedrijven) waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn als het transport van gevaarlijke stoffen. Dit vervoer kan plaatsvinden over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid is er op gericht te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Dit is verankerd in diverse wet- en regelgeving, zoals het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Barim: Activiteitenbesluit).

Toetsing
In het kader van het Interprovinciaal Overleg (IPO) is een zogenoemde risicokaart ontwikkeld. Hierin is informatie opgenomen die met risico's te maken heeft; zowel risicobronnen als kwetsbare objecten worden getoond die aandacht verdienen bij ruimtelijke ontwikkelingen. Voor het planvoornemen is op de risicokaart nagegaan of er ook aandachtspunten (in dit geval risicobronnen) op het vlak van de externe veiligheid aanwezig zijn.

afbeelding "i_NL.IMRO.1891.BpWeFoarstrjitte49-VA02_0019.png"

Figuur 19. Weergave Risicokaart.

Zoals uit voorgaande afbeelding blijkt is op een afstand van circa 520 m een mogelijke risicobron aanwezig. Het gaat hier om het zwembad 'De Frosk'. Bij dit zwembad bevindt zich een opslagtank voor de opslag van 2.000 liter natriumhypochloriet (=chloorbleekloog). Het zwembad is echter al een aantal jaren gesloten. De aanwezige opslagtank wordt dan ook niet meer als zodanig gebruikt. Het voormalige zwembad vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het voornemen.

Conclusie
Het voornemen is wat betreft het aspect externe veiligheid uitvoerbaar.

4.5 Hinder van bedrijvigheid

Normstelling en beleid
Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, als uitgangspunt van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), is het waarborgen van voldoende afstand tussen hinderveroorzakende functies, zoals bedrijven en voorzieningen, en hindergevoelige functies, zoals woningen, noodzakelijk. Bij de ruimtelijk-functionele afstemming hiervan kan gebruik worden gemaakt van de richtafstanden uit de basiszoneringslijst van de publicatie Bedrijven en milieuzonering (2009) van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Een richtafstand wordt beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten (betreffende geluid, geur, stof en gevaar) redelijkerwijs kan worden uitgesloten in gebieden met functiescheiding (omgevingstype 1: rustige woonwijk dan wel rustig buitengebied). De grootst aangegeven afstand is bepalend.

In de genoemde VNG-publicatie worden twee omgevingstypen onderscheiden. Bij het omgevingstype ‘rustige woonwijk of rustig buitengebied’ wordt functiescheiding nagestreefd. Hiertoe worden minimale richtafstanden gehanteerd, waarbij een bepaalde bij een bedrijf of voorziening behorende milieucategorie een zoneringsafstand ten opzichte van hindergevoelige functies inhoudt. Bij het omgevingstype ‘gemengd gebied’ is sprake van functiemenging. In tegenstelling tot rustige woongebieden zijn in dergelijke levendige gebieden milieubelastende activiteiten op kortere afstand van woningen mogelijk. Hiertoe bestaat de methode dat de bij functiescheiding op grond van de VNG-publicatie aangegeven minimale richtafstanden met één afstandsstap worden verkleind (milieucategorie 1 wordt 0, 2 wordt 1, 3.1 wordt 2, etc.). Een ander methode is om te werken met een categorie-indeling waarbij voorwaarden voor de inpassing worden gegeven, te weten:

  • Categorie A: Activiteiten die zodanig weinig milieubelastend voor hun omgeving zijn, dat deze aanpandig aan woningen kunnen worden uitgevoerd. De eisen uit het Bouwbesluit voor scheiding tussen wonen en bedrijven zijn daarbij toereikend.
  • Categorie B: Activiteiten die in gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, echter met een zodanige milieubelasting voor hun omgeving dat zij bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies dienen plaats te vinden.
  • Categorie C: Activiteiten zoals genoemd bij categorie B, waarbij vanwege de relatief grote verkeersaantrekkende werking een ontsluiting op de hoofdinfrastructuur is aangewezen.

In woongebieden is vooral sprake van omgevingstype 1, oftewel de rustige gebieden waar functiescheiding wordt nagestreefd. In centrumgebieden en de directe overgangszones is eerder sprake van omgevingstype 2 betreffende de levendige gebieden met functiemenging. Ter plaatse komen naast elkaar diverse functies als wonen, bedrijvigheid, detailhandel en voorzieningen voor, dan wel dat hier de juridisch-planologische mogelijkheden toe bestaan.

Toetsing
Op basis van de VNG-publicatie geldt voor supermarkten (SBI-code 471) in geval van functiescheiding een minimale richtafstand van 10 m (milieucategorie 1) tot aan hindergevoelige objecten. De aspecten geluid en gevaar gelden hiervoor als maatgevende afstand. In geval van functiemenging is categorie B van toepassing.

De geldende bestemmingsplannen vormen het juridisch-planologisch kader van functies, bebouwing en werkzaamheden die in de verschillende op de verbeelding aangegeven besluitvakken zijn toegelaten. Op basis hiervan is in planologisch-juridische zin nagegaan welke milieuhinderlijke bedrijvigheid is toegelaten en waar hindergevoelige functies aanwezig zijn. Het projectgebied bevindt zich in een gebied met diverse functies. Op korte afstand zijn zowel woonbestemmingen, als detailhandel en maatschappelijke functies toegestaan. Gelet hierop kan in en rondom het projectgebied worden gesproken van een gebied met functiemenging, ofwel gemengd gebied. Categorie B in het geval van functiemenging staat hindergevoelige functies op korte afstand van elkaar toe als deze bouwkundig van elkaar gescheiden zijn. Voorwaarde is wel dat:

  • het gaat om kleinschalige, meest ambtelijke bedrijvigheid;
  • productie en/of laad en loswerkzaamheden vinden alleen in de dagperiode plaats;
  • de activiteiten (inclusief opslag) geschieden hoofdzakelijk inpandig;

Voornemen leidt tot de verplaatsing van de supermarkt. Hierdoor is met name voor de woningen aan de oost- en westzijde sprake van wijzigingen in de hinder van bedrijvigheid rondom het projectgebied. Aan de westzijde bevinden zich laad- en losmogelijkheden. De afstand van de supermarkt tot de gevel van de woningen bedraagt minstens 20m. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidsbelasting van de supermarkt. De onderzoeksresultaten hiervan zijn in paragraaf 4.7.2 besproken. Hieruit blijkt dat voldaan kan worden aan de richtwaarde voor de maximale geluidsniveaus.

Conclusie
De uitvoerbaarheid van het planvoornemen ondervindt met het oog op een goede ruimtelijke ordening geen belemmeringen vanwege het aspect hinder van bedrijvigheid.

4.6 Water

Normstelling en beleid
In de ruimtelijke ordeningspraktijk is de wettelijk verplichte 'watertoets' van belang voor het klimaatbestendig en waterrobuust inrichten van de ruimte. De watertoets wordt gezien als een procesinstrument dat moet waarborgen dat de gevolgen van ruimtelijke ontwikkelingen voor de waterhuishouding meer expliciet worden afgewogen. De watertoets zorgt ervoor dat in alle ruimtelijke plannen aandacht wordt besteed aan veiligheid, kwaliteit en kwantiteit van water. Belangrijk onderdeel van de watertoets is het vroegtijdig afstemmen van ontwikkelingen met de betrokken waterbeheerder.

Watertoets
Voor het planvoornemen is via de digitale watertoets advies gevraagd bij het Wetterskip Fryslân. Uit dit advies, zie Bijlage 5 blijkt dat de normale procedure gevolgd moet worden. Dit houdt in dat de aanwezige wateraspecten van invloed zijn op het plan.

TOENAME VERHARDING
Door ruimtelijke ontwikkelingen neemt de hoeveelheid verhard oppervlak toe met als gevolg een versnelde afvoer van hemelwater. Het is nodig om deze versnelde afvoer te compenseren om de waterberging in een gebied in stand te houden. Dit geldt ook voor toevoegen van oppervlakteverharding die wel past binnen het bestemmingsplan, maar waarvan de grond al meer dan vijf jaar braak ligt en waar in het verleden niet voor gecompenseerd is.

Het is verboden zonder watervergunning neerslag versneld tot afvoer te laten komen indien daarbij meer dan 200 m2 onverharde grond in stedelijk gebied en 1.500 m2 in landelijk gebied wordt bebouwd of verhard. Er geldt een vrijstelling van de vergunningsplicht wanneer wordt voldaan aan de compensatieregels genoemd in dit wateradvies. De meest voorkomende manier van compenseren is het graven van extra oppervlaktewater. Bij het graven van extra oppervlaktewater is onderstaande tabel van toepassing. Uiteraard is het toepassen van alternatieve maatregelen in het plan ook mogelijk. Afhankelijk van de maatregel kunnen andere normen gelden dan vermeld in de onderstaande tabel.

Indien er niet wordt gecompenseerd door extra oppervlaktewater te graven waarbij onderstaande percentages worden gehanteerd of indien er geen overeenstemming plaatsvindt in de watertoetsprocedure over alternatieve maatregelen dan dient een watervergunning bij het waterschap te worden gevraagd.

Gebied   Stedelijk (>200 m2)   Landelijk (>1.500 m2)  
Boezem   5%   5%  
Polder   10%   10%  
Vrij afstromend   Maatwerk mogelijk   Maatwerk mogelijk  

Het deel van het plangebied dat wordt gerekend tot het stedelijk gebied is in de bestaande situatie grotendeels verhard. Het deel van het plangebied dat wordt gerekend tot het landelijk gebied is in de huidige situatie onverhard. Circa 1.500 m2 aan verharding wordt hier gerealiseerd ten behoeve van de bedrijfsbebouwing en bijbehorend terrein.

Met het planvoornemen wordt extra verharding gerealiseerd, maar wordt ook een deel van de bestaande verharding omgezet naar groenstroken. Deze groenstroken kunnen zorgen voor voldoende infiltratie van regenwater in de bodem. De toename aan verharding vindt grotendeels in het landelijk gebied plaats. In dit gebied wordt ook een nieuwe watergang gegraven om te dienen als waterberging. Daarnaast is deze nieuwe watergang een compensatie van de te dempen greppel die tussen de bestaande supermarkt en agrarische grond ligt.

RUIMTELIJKE ADAPTATIE

Om ook in de toekomst prettig te kunnen wonen, werken en recreëren moeten steden en dorpen ingericht worden met het oog op de toekomst. Het is belangrijk kansen te benutten om het gebied klimaat robuust in te richten. Zo is het mogelijk om het bebouwd gebied beter bestand te maken tegen hevige regenbuien, periodes van droogte en hitte en de gevolgen van een mogelijke overstroming. Voor veel maatregelen geldt bovendien dat ze kosteneffectief zijn, als ze maar in een vroeg stadium in het planvormingsproces worden meegenomen.

Conclusie
Het project is wat betreft het aspect water uitvoerbaar.

4.7 Geluidhinder

4.7.1 Vanwege wegverkeer

Wet- en regelgeving
De Wet geluidhinder (Wgh) is er op gericht om de geluidhinder vanwege onder andere wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai te voorkomen en te beperken. De Wgh bepaalt dat de 'geluidsbelasting' op gevels van woningen en andere geluidsgevoelige objecten niet hoger mag zijn dan een in de wet bepaalde norm die als voorkeursgrenswaarde wordt aangeduid. Overigens is van spoorweglawaai en industrielawaai in het plangebied in ieder geval geen sprake. Daarom is alleen op wegverkeerslawaai ingegaan.

Toetsing
Een supermarkt is in tegenstelling tot een woning geen voor geluidgevoelige functie. Berekeningen naar wegverkeerslawaai zijn voor de supermarkt daarom niet nodig. Op indirecte hinder betreffende wegverkeerslawaai vanwege de inrichting (het supermarktbedrijf) is in navolgende paragraaf ingegaan.

Conclusie
De uitvoerbaarheid van het planvoornemen van voorliggend bestemmingsplan wordt niet door geluidhinder vanwege wegverkeer belemmerd.

4.7.2 Vanwege bedrijvigheid

Wet- en regelgeving
De te realiseren supermarkt valt onder de werkingssfeer van het 'Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer' (Activiteitenbesluit milieubeheer) en betreft een inrichting type B. De op grond van het planvoornemen te verwachten geluidsniveaus dienen uit oogpunt van milieuwetgeving getoetst te worden aan de in dit besluit opgenomen geluidsvoorschriften.

Toetsing
Voor het planvoornemen is inzage nodig in de toekomstige geluidssituatie vanwege de supermarktuitbreiding. Er is dan ook akoestisch onderzoek verricht naar de geluidsbelasting van de inrichting op de omgeving. Doel van het onderzoek is het bepalen van de na de uitbreiding te verwachten geluidniveaus vanwege de supermarkt in de omgeving geweest. Het akoestisch onderzoek geldt als Bijlage 6 bij dit bestemmingsplan. Uit de conclusies hiervan blijkt het volgende.

De geluidsituatie bij woningen rondom een supermarkt wordt gevormd door een samenspel van factoren zoals de grootte van de inrichting, het aantal bezoekers, de afstand tussen bron en ontvanger, de plaats van laad- en losactiviteiten, de mate waarin het geluid in de overdrachtsweg wordt gereduceerd en/of gereflecteerd en de organisatorische aspecten. Teneinde de nadelige gevolgen voor het milieu zoveel mogelijk te beperken zijn de volgende geluidreducerende maatregelen voorzien:

  • De bevoorrading is beperkt tot de akoestische dagperiode (tussen 07.00 en 19.00 uur). Voor de aanvoer van brood- en bakkerijproducten in de nachtperiode wordt gebruikt gemaakt van een stille middelzware vrachtwagen (Piek-Keuruitvoering).
  • Gebruik wordt gemaakt van moderne, relatief stille winkelwagens (Wanzl® of vergelijkbaar), met kunststof aanslagen en stootringen en rubberen loopvlak van de wielen.
  • Ook de wielen van het in te zetten distributiematerieel (Feil® en Hartwall® rolcontainers, roldolly’s en vergelijkbaar) zijn uitgevoerd met een rubber loopvlak, het materieel is aanvullend in belangrijke mate voorzien van kunststof bodems en tussenbodems.
  • Voor de supermarktkoeling en gebouwventilatie wordt gebruik gemaakt van moderne apparatuur die voldoet aan de stand der techniek. De koelcompressoren staan inpandig opgesteld.

De vanwege de nieuwe supermarkt in de omgeving te verwachten langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus en maximale geluidniveaus zijn getoetst aan de beoordelingscriteria als vastgelegd in de VNG-uitgave “Bedrijven en milieuzonering”, alsmede de algemene geluidvoorschriften als verbonden aan het Activiteitenbesluit milieubeheer. Uit het onderzoek volgt dat aan de beide toetsingskaders kan worden voldaan.

Voor zover als gevolg van de achteruitrijdsignalering van vrachtwagens de grenswaarde LAmax = 70 dB(A) in de dagperiode wordt overschreden, is dit beperkt tot twee woningen, is de mate van overschrijding beperkt (2-3 dB) én is het voorkomen en de tijdsduur beperkt (maximaal driemaal daags een vrachtwagen). Het akoestisch woon- en leefklimaat wordt niet onevenredig aangetast. Overigens kunnen maximale geluidniveaus ten gevolge van bevoorradingsverkeer op grond van zowel de VNG-systematiek, als de standaard geluidvoorschriften als verbonden aan het Activiteitenbesluit milieubeheer worden uitgezonder van toetsing.

Uit het onderzoek volgt verder dat ter plaatse van een aantal omliggende woningen de voor indirecte hinder geldende voorkeurswaarde van LAeq = 50 dB(A) etmaalwaarde met ten hoogste 4 dB wordt overschreden. Aan de maximale grenswaarde van LAeq = 65 dB(A) etmaalwaarde wordt voldaan.

Voor deze omliggende woningen geldt dat gelet op de staat van onderhoud en de gevelopbouw, kan worden uitgegaan van een minimale gevelgeluidwering van 20 dB. Het te verwachten binnenniveau bedraagt ten hoogste 55 – 20 = 35 dB(A). Ook hier kan aan het Activiteitenbesluit worden voldaan.

Conclusie
Het planvoornemen is wat betreft het aspect geluidhinder uitvoerbaar.

4.8 Verkeer en parkeren

VERKEER
Voor een ruimtelijk plan geldt dat verkeerseffecten die optreden als gevolg van een planvoornemen moeten worden onderbouwd. Hiertoe kan gebruik worden gemaakt van vuistregels en kengetallen die in publicatie nr. 381 'Toekomstbestendig parkeren' (2018) en publicatie nr. 272 'Verkeersgeneratie voorzieningen' (2008) van CROW (het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte) zijn aangereikt. De cijfers zijn algemeen van aard en gelden als hulpmiddel om de bandbreedte van de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie bij ruimtelijke ontwikkelingen te kunnen bepalen.

Voor meer specifieke oplossingen dient rekening gehouden te worden met:

  • bereikbaarheidskenmerken van een locatie;
  • specifieke eigenschappen van een functie;
  • mobiliteitskenmerken van gebruikers/bezoekers van een functie;
  • het gemeentelijk parkeer- of mobiliteitsbeleid.

Het CROW beveelt hierover aan de vrijheid te nemen om af te wijken van de kencijfers als er uit ervaring bij een specifieke functie reden is om dit te doen.

Er is vanuit gegaan dat De Westereen in een 'weinig stedelijk gebied' ligt en het projectgebied tot de zone 'schil centrum' wordt gerekend. Verder is het door de CROW gehanteerde begrip 'fullservice supermarkt' voor de Poiesz in de Westereen van toepassing. Een fullservice supermarkt is een supermarkt die zich kenmerkt door een relatief hoog prijsniveau.

Ook het serviceniveau is van een hoog niveau en het assortiment is (soms zeer) uitgebreid. Dit soort supermarkten heeft speciale afdelingen voor vlees, kaas en brood. De verkoopvloeroppervlakte is vaak groter dan 1.000 m2 winkelvloeroppervlakte* (wvo).

* Verkoopvloeroppervlakte (vvo) is gelijk aan winkelvloeroppervlakte (wvo). De winkelvloeroppervlakte is het gedeelte van het brutovloeroppervlak (bvo) van een winkel waar de goederen ter verkoop zijn uitgestald en waar de consument mag komen of die de consument direct kan zien. Het gaat om de verkoopruimten die direct samenhangen met de winkelverkoop (ook etalages, vitrines, toonbanken, schapruimte, paskamers en kassaruimten). Dit in tegenstelling tot het m2 bvo, waarbij onder andere ook kantoorruimte en magazijnruimte worden meegeteld. Voor winkels is het bvo gemiddeld 1,25 maal het wvo.

Vorenstaande leidt er toe dat verkeerscijfers van toepassing zijn met een gemiddeld aantal ritten per etmaal van 89.9 per 100 m2 brutovloeroppervlak. Het brutovloeroppervlak van de nieuwe supermarkt bedraagt 1.450 m2. De te verwachten verkeersgeneratie bedraagt 1.303 verkeersbewegingen per etmaal. Het betreft hier enkelvoudige verkeersbewegingen, oftewel één verkeersbeweging representeert één aankomende of vertrekkende personenauto.

In de huidige situatie bevindt de supermarkt zich op nagenoeg dezelfde locatie. De brutovloeroppervlakte van de bestaande supermarkt is 995 m2. Op basis van de hiervoor genoemde cijfers bedraagt de verkeersgeneratie voor de bestaande supermarkt 895 (enkelvoudige) verkeersbewegingen per etmaal. Met het planvoornemen is dan ook sprake van een potentiële toename aan verkeersbewegingen van 408 stuks.

Met de uitbreiding en vernieuwing van de supermarkt worden niet zo zeer meer bezoekers verwacht maar wordt juist door een groter assortiment een hogere besteding per klant verwacht. Daarnaast hebben de hiervoor genoemde kengetallen betrekking op een drukke winkeldag, met relatief veel verkeer en worden gezien als 'worst-case'. De ervaring leert dat ook op drukke winkeldagen in de praktijk de verkeersgeneratie lager is. Het voornemen leidt dan ook niet tot een onaanvaardbare verkeerssituatie.

PARKEREN
De gemeente Dantumadiel heeft geen eigen parkeernormen. Voor het aspect parkeren kan dan ook gebruik gemaakt worden van de kencijfers van het CROW. Voor een fullservice supermarkt in een weinig stedelijk gebied in de schil van het centrum geldt een gemiddeld parkeerkencijfer van 4.95 parkeerplaats per 100 m2. Bij een brutovloeroppervlakte van 1.450 m2 is de totale gemiddelde parkeerbehoefte afgerond 72 parkeerplaatsen.

Met het planvoornemen worden 70 parkeerplaatsen + twee minder valide plaatsen op het terrein gerealiseerd. Het voornemen voorziet hiermee in voldoende parkeerplaatsen.

Wat betreft het fietsparkeren wordt door het supermarktbedrijf in voorzieningen van voldoende omvang getroffen.

Conclusie
Het voornemen voorziet in voldoende parkeergelegenheid daarnaast is met het voornemen geen sprake van onevenredige verkeerseffecten. Het voornemen is wat betreft het aspect verkeer en parkeren uitvoerbaar.

4.9 Luchtkwaliteit

Normstelling en beleid
In hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (Wm) zijn de grenswaarden op het gebied van de luchtkwaliteit vastgelegd. Daarbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5) van belang. Grenswaarden ten aanzien van de jaargemiddelde concentratie betreffen 40 ìg/m3 voor zowel NO2 als PM10 en 25ìg/m3 voor PM2,5.

Projecten met een invloed van 'niet in betekenende mate' (nibm) op de luchtkwaliteit zijn daarbij vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden.

Op grond van de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) zijn onder andere projecten vrijgesteld die leiden tot minder dan 3% verslechtering van luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 ìg/m3 NO2 of PM10). Deze grens komt overeen met een toename van 1.504 auto's dan wel 109 vrachtwagens per weekdagetmaal (grenswaarde in 2017, per 29-05-2017). PM10 en PM2,5 zijn sterk gerelateerd, aangezien PM2.5 onderdeel uitmaakt van de emissie van PM10. Als aan PM10 wordt voldaan, mag daarom worden aangenomen dat ook de grenswaarde van PM2.5 niet wordt overschreden.

Toetsing
Het is geen geval aannemelijk dat als gevolg van het planvoornemen een dusdanige toename van het verkeer plaatsvindt dat de luchtkwaliteit in het geding komt. Het betreft tenslotte een verplaatsing van de reeds bestaande functies. In paragraaf 4.8 is nader ingegaan op de verkeerseffecten van het voornemen.

Er wordt van uit gegaan dat geen grote wijzigingen in de grootte van de dagelijkse verkeersstroom van en naar het projectgebied hoeft te worden verwacht. Het voornemen kan dan ook worden aangemerkt als een project van 'nibm'. Luchtkwaliteitsvereisten vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het planvoornemen.

Conclusie
Het voornemen wordt niet door de wettelijk gestelde eisen wat betreft het aspect luchtkwaliteit belemmerd.

4.10 Kabels en leidingen

Het is van belang dat de ligging van kabelverbindingen planologisch wordt veiliggesteld. Ook dient het tracé van een kabelverbinding gevrijwaard te blijven van (nieuwe) ruimtelijke ontwikkelingen en activiteiten die van negatieve invloed kunnen zijn op de functionaliteit van de kabelverbinding. Zo wordt voor 50kV-kabelverbindingen doorgaans een dubbelbestemming ‘Leiding – Hoogspanning’ opgenomen, zodat de kabel planologisch is beschermd en ontwikkelingen slechts na afweging mogelijk zijn.

Voor het projectgebied en de omgeving daarvan is een KLIC-melding gedaan. In het projectgebied zijn geen planologisch relevante leidingen gelegen die extra bescherming vragen. De overige kabels en leidingen worden beschermd via de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten (WION).

4.11 Duurzaamheid

Landelijke eisen
Het Nationaal Plan voor het bevorderen van bijna-energieneutrale gebouwen in Nederland beschrijft het Nederlandse beleid om te komen tot bijna-energieneutrale woningen vanaf 2021. Het beleid is erop gericht dat de Energieprestatiecoëfficient-eis in het Bouwbesluit per 31 december 2020 dichtbij nul komt te liggen, oftewel bijna-energieneutraal. De eis wordt vanaf 2020 op andere wijze bepaald, maar komt ongeveer overeen met een EPC van 0,2. De huidige eis is een EPC van 0,4.

Op 3 april 2018 is een aanpassing van de Gaswet in werking getreden waardoor de gasaansluitplicht voor woningen is komen te vervallen. Dit betekent dat geen omgevingsvergunningen meer mogen worden afgegeven voor nieuwbouw van woningen die aangesloten wordt op een gasnet. Deze regeling geldt voor omgevingsvergunningen aangevraagd vanaf 1 juli 2018 en vooralsnog alleen voor woningen. Met voorliggend voornemen is sprake van de nieuwbouw van een supermarkt. Deze supermarkt wordt gasloos gebouwd. Tevens worden zonnepanelen op het dak en een CO2 neutrale koelinstallatie geplaatst. Daarnaast streeft Poiesz supermarkten op het gebied van duurzaamheid naar een beperkte retourette waarin niet alleen sprake is van de inname van lege flessen maar tevens ook het inzamelen van batterijen, lampen en vetten.

4.12 Milieueffectrapportage

De bij elk ruimtelijk plan uit te voeren m.e.r.-beoordeling houdt in dat nagegaan moet worden of er activiteiten plaatsvinden die negatieve effecten op het milieu kunnen hebben. De grondslag hiervoor is enerzijds het Besluit m.e.r. (Besluit milieueffectrapportage) en anderzijds de hiervoor beschreven onderzoeken.

De voorgenomen ontwikkeling is een concreet benoemde activiteit die in kolom D van het Besluit m.e.r. zijn genoemd. Er is echter geen sprake van het overschrijden van drempelwaarden in de D-lijst van het Besluit m.e.r. Voor het planvoornemen geldt daarom geen plan-MER-plicht en een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling is ook niet aan de orde.

Voorts kan op basis van voorgaande verantwoording van de omgevingsaspecten in redelijkheid worden aangenomen dat geen onaanvaardbare milieueffecten in het projectgebied hoeven te worden verwacht.

Hoofdstuk 5 Juridische vormgeving

5.1 Plansystematiek

Dit bestemmingsplan is zodanig vormgegeven dat het voldoet aan de vereisten voortkomend uit de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Bij de vormgeving van de regels en de verbeelding is aangesloten op de meest recente regeling Ruimtelijke Standaarden ruimtelijke ordening en is de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP2012) toegepast. Het bestemmingsplan voldoet daarmee aan de digitale verplichtingen zoals die per 01-01-2010 van kracht zijn.

SVBP2012
De SVBP2012 bevat een aantal juridische regels die moeten worden opgevolgd. Voor de planregels betekent dit dat er sprake is van een aantal dwingend voorgeschreven begripsbepalingen, die worden neergelegd in artikel 1 aangaande de begrippen. Ook schrijft de SVBP2012 voor op welke wijze er invulling moet worden gegeven aan artikel 2 betreffende de wijze van meten. Vanwege het Bro geldt verder een formulering die ten aanzien van de anti-dubbeltelregel en het overgangsrecht eveneens in de planregels moet worden overgenomen.

Analoog vs. digitaal bestemmingsplan
De regels zijn zo opgesteld dat deze gebruikt kunnen worden in een analoog alsook in een digitaal bestemmingsplan. Op basis van de Wro is het digitaal vastgestelde bestemmingsplan leidend. Als er een verschil bestaat tussen het analoge en digitale bestemmingsplan, is het digitale bestemmingsplan bepalend qua vormgeving en inhoud.

5.2 Toelichting op de regels

De hoofdstukindeling van de regels is op een standaardwijze opgesteld, namelijk:

Inleidende regels
Hoofdstuk 1 van de regels betreffen de inleidende regels.

Artikel 1: Begrippen
In artikel 1 van de regels zijn waar nodig de in de regels gebruikte begrippen verklaard. Dit is alleen het geval wanneer begrippen niet op voorhand voor een eenduidige uitleg, conform normaal spraakgebruik, vatbaar zijn. Een deel van deze begrippen is voorgeschreven in de SVBP2012.

Artikel 2: Wijze van meten
De wijze waarop maten, afstanden en dergelijke gemeten moeten worden, is opgenomen in artikel 2.

Bestemmingsregels
Hoofdstuk 2 van de regels zijn de bestemmingsregels die betrekking hebben op de in het bestemmingsplan gehanteerde bestemmingen en artikelsgewijs in de regels zijn opgenomen. De regels kunnen onder meer bestaan uit de volgende onderdelen:

  • Bestemmingsomschrijving: In de bestemmingsomschrijving wordt uitgegaan van een volledige opsomming van wat binnen de bestemming functioneel ten aanzien van het gebruik van de gronden is toegestaan.
  • Bouwregels: De bouwregels bieden het kader in hoeverre er ergens gebouwd mag worden voor hoofdgebouwen, aan- en uitbouwen en bijgebouwen dan wel het oprichten van bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Bouwregels kunnen eisen wat betreft maatvoering, oppervlakte- en inhoudsbepalingen en aantallen te plaatsen bouwwerken omvatten.
  • Afwijken van de bouwregels: Met het afwijken van de bouwregels wordt geregeld dat door het bevoegd gezag in voorkomende gevallen onder voorwaarden kan worden afgeweken van de eerder opgenomen bouwregels.

Met voorliggend bestemmingsplan is sprake van de bestemming 'Detailhandel'.

'Detailhandel'
Conform de plansystematiek van de gemeente Dantumadiel voor het dorp De Westereen zijn binnen de bestemming 'Detailhandel' de grotere detailhandelsbedrijven buiten het centrumgebied opgenomen. Gebouwen en overkappingen ten behoeve van detailhandel zijn binnen een bouwvlak toegestaan. Op de verbeelding is de te hanteren bouwhoogte opgenomen.

De bestemming biedt ruimte voor het realiseren van parkeerplaatsen, toegangswegen en bijbehorende ondergeschikte bebouwing zoals reclamezuilen en vlaggenmasten.

Algemene regels

Hoofdstuk 3 van de bestemmingsregels omvatten de algemene regels. De algemene regels gelden in het algemeen voor het gehele bestemmingsplan en staan min of meer los van de specifieke bestemmingsregels en worden om die reden altijd in een apart hoofdstuk opgenomen.

Artikel 5: Anti-dubbeltelregel

De anti-dubbeltelregel ziet er op toe dat grond die reeds eerder bij een verleende omgevingsvergunning voor het bouwen is meegenomen, niet nog eens bij de verlening van een nieuwe omgevingsvergunning voor het bouwen mag worden meegenomen. De anti-dubbeltelregel heeft uitsluitend betrekking op situaties die plaatsvinden ten tijde van het geldende bestemmingsplan.

Artikel 6: Algemene aanduidingsregels

Ten noordwesten van Leeuwarden ligt het militair luchtvaartterrein Leeuwarden. Rondom het terrein zelf ligt een geluidszone en een obstakelbeheergebied. Rond het luchtvaartterrein ligt ook een radarverstoringsgebied. Dit gebied is op de verbeelding aangeduid als "vrijwaringszone -radar". Om de radar goed te laten werken mogen in deze zone geen hoge gebouwen worden gerealiseerd. In de regels is een maximale bouwhoogte van 75 meter opgenomen.

Artikel 7: Algemene afwijkingsregels

De algemene afwijkingsregels bieden enige flexibiliteit als het gaat om het afwijken van in het plan opgenomen maten en bieden ruimte om bepaalde voorzieningen te kunnen realiseren.

Artikel 8: Overige regels

Overige regels zien er op toe dat er een juiste afstemming aanwezig is tussen het bestemmingsplan en wettelijke regelingen zoals die bij de inwerkingtreding van het bestemmingsplan van kracht zijn. In geval van voorliggend bestemmingsplan is in dit artikel de borging van voldoende parkeergelegenheid ten behoeve van het plangebied vastgelegd.

Overgangs- en slotregels

In hoofdstuk 4 zijn de afsluitende regels van het bestemmingsplan neergelegd. Het gaat hierbij om:

Artikelen 9 en 10: Overgangsrecht en slotregel

Overeenkomstig de in het Bro voorgeschreven formulering van het overgangsrecht en de SVBP2012 zijn de overgangs- en slotregels in de afsluitende artikelen van de regels opgenomen.

5.3 Overige aspecten

Additionele voorzieningen

In de regels van dit bestemmingsplan zijn de al dan niet in directe relatie met een bestemming staande voorzieningen bij de bestemming inbegrepen zonder dat dit uitdrukkelijk is vermeld. Het kan hierbij bijvoorbeeld gaan om ondergrondse leidingen, verhardingen, bermen, geluidwerende voorzieningen, centrale installaties ten behoeve van de energievoorziening, voorzieningen ten behoeve van de waterbeheersing in de vorm van watergangen, duikers, waterkeringen en dergelijke.

Handhaving

Het bestemmingsplan geeft de gewenste planologische situatie voor het plangebied aan. Bestemmingsplannen zijn bindend voor de overheid en de burger. Enerzijds kan de overheid naleving van bestemmingsplannen afdwingen, anderzijds vormt het bestemmingsplan een juridisch kader voor burgers waaruit deze kan afleiden wat de bouw- en gebruiksmogelijkheden zijn, op de in eigendom zijnde dan wel de naastgelegen buurpercelen, in de directe woon- en leefomgeving.

5.4 Bestemmingsplanprocedure

In de Wro en het Bro zijn wettelijke regels voor de bestemmingsplanprocedure vastgelegd. Hierin zijn de volgende fasen onderscheiden:

Voorbereidingsfase
De gemeente voert ten behoeve van de voorbereiding van een bestemmingsplan onderzoek uit naar de bestaande situatie en de mogelijke (ruimtelijke) ontwikkelingen in de gemeente. De gemeente stelt voor het overleg op grond van artikel 3.1.1 Bro haar voornemen (vaak als een concept- dan wel voorontwerpbestemmingsplan) beschikbaar aan de besturen en diensten van hogere overheden. Ook kan de gemeente aan belangstellenden de mogelijkheid bieden om te reageren op het voorontwerpbestemmingsplan via inspraak. In dit geval is er voor gekozen voor het plan geen inspraakprocedure te volgen. De gemeente geeft een reactie op mogelijke overlegreacties die voor zover noodzakelijk worden verwerkt in de regels en verbeelding.

Terinzageleggingsfase
Het ontwerpbestemmingsplan wordt na aankondiging in de Staatscourant, het Gemeenteblad en de website www.ruimtelijkeplannen.nl voor een periode van 6 weken ter inzage gelegd. In deze periode kan door iedereen een zienswijze op het ontwerpbestemmingsplan worden ingediend.

Vaststellingsfase
Na de periode van terinzagelegging stelt de gemeenteraad het ontwerpbestemmingsplan, mogelijk met wijzigingen, binnen een periode van ten hoogste 12 weken vast.

Beroepsfase
Na de vaststelling van het bestemmingsplan maakt de gemeenteraad het vaststellingsbesluit bekend en legt het vastgestelde bestemmingsplan ter inzage. Dit gebeurt als volgt:

  • Indien Gedeputeerde Staten (GS) of de Inspectie voor Leefomgeving en Transport (ILT) een zienswijze hebben ingediend die door de gemeenteraad niet volledig is overgenomen of indien de gemeenteraad het bestemmingsplan gewijzigd heeft vastgesteld, geschiedt bekendmaking en terinzagelegging 6 weken na vaststelling.
  • Indien het bestemmingsplan ongewijzigd is vastgesteld en er gehoor is gegeven aan eventuele zienswijzen van GS en/of de ILT wordt het vaststellingsbesluit door de gemeenteraad uiterlijk 2 weken na vaststelling bekend gemaakt. Tevens wordt uiterlijk 2 weken na vaststelling het bestemmingsplan ter inzage gelegd.

Binnen 6 weken na bekendmaking van het vaststellingsbesluit kan er door belanghebbenden beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS). Indien geen beroep tegen het vastgestelde bestemmingsplan is ingediend, is het bestemmingsplan na afloop van de beroepstermijn onherroepelijk.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Economische uitvoerbaarheid

6.1.1 Grondexploitatie

Op grond van artikel 6.12 Wro stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bouwplan is voorgenomen. Wat onder een bouwplan moet worden verstaan, is in artikel 6.2.1 Bro aangegeven. Dit bestemmingsplan ziet toe op de sloop van de bestaande supermarkt en herbouw van een nieuwe supermarkt en betreft daarmee een bouwplan op grond van artikel 6.2.1 Bro onder b: "de bouw van één of meer andere hoofdgebouwen".


Doel van een grondexploitatieregeling is het inzichtelijk maken van de financiële haalbaarheid en het bieden van meerdere mogelijkheden voor het kostenverhaal, waardoor er meer sturingsmogelijkheden zijn.


Er wordt onderscheid gemaakt tussen de publiekrechtelijke weg via een exploitatieplan en de privaatrechtelijke weg in de vorm van overeenkomsten. In het geval van een exploitatieplan kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden.

6.1.2 Onderzoeks- en plankosten

De kosten voor het verrichten van de noodzakelijke onderzoeken ten behoeve van de planvorming vanwege dit bestemmingsplan worden door de ontwikkelende partij gedragen. Door de gemeente worden kosten voor de ambtelijke planbegeleiding gemaakt die worden verhaald in de tussen partijen af te sluiten anterieure overeenkomst waarin de kostenafspraken zijn vastgelegd.

6.1.3 Realisatiekosten en financiële uitvoerbaarheid

Initiatiefnemer van het planvoornemen van dit bestemmingsplan is een private partij; te weten Poiesz Vastgoed B.V. uit Sneek. Poiesz is een regionale speler en met 69 vestigingen een gevestigde partij in de supermarktbranche. De kosten voor realisatie van het planvoornemen komen voor rekening van het supermarktbedrijf. Poiesz heeft hiertoe budget gereserveerd. Het gaat om een financieel gezond bedrijf met kennis van zaken. Op grond daarvan mag in redelijkheid worden aangenomen dat de beoogde ontwikkeling binnen de planperiode van in beginsel 10 jaar wordt uitgevoerd.

6.1.4 Planschade

Door het opstellen van dit nieuwe bestemmingsplan voor de betreffende gronden is er de kans dat door eigenaren van gronden in de directe omgeving van het plangebied bij de gemeente op grond van artikel 6.1 Wro een verzoek tot tegemoetkoming in planschade wordt ingediend. Diegenen die schade lijden door de bestemmingsplanherziening, omdat hun onroerend goed in waarde vermindert, kunnen de schade verhalen (voor zover deze redelijkerwijs niet voor de aanvrager behoort te blijven). Afspraken over de mogelijke kosten die samenhangen met deze tegemoetkoming in de planschade worden in de tussen initiatiefnemer en gemeente overeengekomen anterieure overeenkomst opgenomen.

6.1.5 Conclusie

Het kostenverhaal, evenals de afwenteling van de planschade, is geregeld in een tussen de gemeente en initiatiefnemer gesloten afzonderlijke anterieure overeenkomst. Op basis van deze overweging moet het planvoornemen van dit bestemmingsplan economisch uitvoerbaar worden geacht. De exploitatiekosten zijn derhalve anderszins verzekerd. Een exploitatieplan op grond van de Grondexploitatiewet is dan ook niet noodzakelijk. Voorgaande betekent dat dit bestemmingsplan niet door onvoldoende economische uitvoerbaarheid wordt belemmerd.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1 Informatiebijeenkomst

Op 31 augustus 2020 is een informatiebijeenkomst georganiseerd over het planvoornemen. Op hoofdlijnen zijn de plannen goed ontvangen. Enkele vragen werden gesteld over de locatie van glasbakken, het aantal afvalbakken op het terrein, een duidelijke route voor voetgangers en aandacht voor het plaatsing van de koeling op het dak vanwege geluidsoverlast. Tevens zijn aanvullende gesprekken gevoerd met de direct naastwonende buren.

6.2.2 Overleg ex. art. 3.1.1 Bro

In het kader van het bestuurlijk vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro wordt voorliggend bestemmingsplan aan verschillende maatschappelijke instanties voorgelegd voor een reactie. In het geval overduidelijk is dat er geen belangen van toepassing zijn, kan hiervan worden afgezien. Zo is overleg met het Rijk niet noodzakelijk als rijksbelangen geen rol spelen.

6.2.3 Tervisielegging ontwerp

Op grond van artikel 3.8 Wro is het ontwerp van dit bestemmingsplan ter visie gelegd. In de periode van tervisielegging, 21 januari 2021 tot en met 4 maart, kon door iedereen een zienswijze worden ingediend. De ingekomen reacties zijn voorzien van een gemeentelijke reactie en opgenomen in Bijlage 7. Enkele reacties hebben geleid tot aanpassingen van het bestemmingsplan. Het gaat slechts om enkele aanvulling in de toelichting. Het bestemmingsplan is op 1 november 2021 gewijzigd vastgesteld.