| Plan: | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22i Willem van der Veldenweg 57 Leimuiden |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1884.TAMWVDVELDENWEG57-VAS1 |
Deze toelichting beschrijft de wijziging van het omgevingsplan van rechtswege van de gemeente Kaag en Braassem met toepassing van de tijdelijke alternatieve maatregel (TAM) voor de locatie Willem van der Veldenweg 57 te Leimuiden. Bij een wijziging van het omgevingsplan voor een locatie is het van belang dat de gevolgen op de fysieke leefomgeving van de activiteiten die mogelijk worden gemaakt worden afgewogen zodat, ook na het wijzigen van het omgevingsplan, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Deze afweging vindt plaats in deze toelichting.
Met de wijziging van het omgevingsplan van rechtswege met toepassing van de tijdelijke alternatieve maatregel (TAM) wordt het omschakelen van een agrarisch bedrijf met een recreatieve neventak naar een recreatief bedrijf met agrarische neventak mogelijk gemaakt. Het initiatief is verder uitgebreid beschreven in het hoofdstuk "Beschrijving van het initiatief" (hoofdstuk 2).
De huidige boerderij is aangekocht door de opa van de initiatiefnemer als een kleinschalige melkrundveehouderij. De ouders van de initiatiefnemer hebben het bedrijf uiteindelijk overgenomen en verder uitgebreid en gemoderniseerd. Met de bouw van een ligboxenstal kon destijds worden voorzien in een groei van de veestapel en in meer arbeidsgemak, waarmee het bedrijf meer toekomstbestendig werd gemaakt. De ouders van de initiatiefnemer hebben veel geïnvesteerd in het bedrijf en hun inzet was dusdanig groot dat de initiatiefnemer, naast het werk op de boerderij, mogelijkheden had om zich ook buiten de deur te ontplooien. Met name het sociale aspect van het werken buiten de deur was voor de initiatiefnemer belangrijk. Uiteindelijk heeft de initiatiefnemer het bedrijf overgenomen van diens ouders. Het runnen van een agrarisch bedrijf was, en blijft, een grote financiële verantwoordelijkheid, maar met name het feit dat het fulltime werken op een boerderij met een fysiek beperkt terrein het aantal sociale contacten behoorlijk beperkte was voor de initiatiefnemer een belangrijke reden om de bedrijvigheid te verbreden. Om het sociale aspect uit te breiden is destijds door de initiatiefnemer gekozen om in te zetten op agrotoerisme.
Het agrotoerisme is in het begin als kleinschalige verbreding bij het bedrijf begonnen in de vorm van een kleinschalig kampeerterrein op de boerderij, maar heeft zich in de loop der jaren ontwikkeld tot een uitgebreide nevenactiviteit. Ook de agrarische tak is verder uitgebreid, waarbij het jongvee op een andere locatie werd gehuisvest, zodat de veestapel kon groeien zonder hiervoor nieuwe stallen te hoeven bouwen.
Wegens persoonlijke omstandigheden was de initiatiefnemer genoodzaakt het bedrijf (zowel de veestapel als de gronden in eigendom) te halveren, waarmee de verhouding tussen de agrarische tak en de recreatieve tak verschoof van in hoofdzaak agrarisch naar in hoofdzaak recreatief. Door problemen van medische aard, waardoor de initiatiefnemer niet meer mobiel was, was deze uiteindelijk ook genoodzaakt de melkveehouderij te beëindigen. Het melkvee werd daarbij vervangen door enkele Lakenvelder zoogkoeien. Deze dragen bij aan het beheer van het grasland en vragen om minder arbeid, waardoor het voor de initiatiefnemer mogelijk was deze dieren te houden en op die manier toch deels in de agrarische sector actief te blijven. In die tijd zijn gesprekken gevoerd met de gemeente voor een passende omschakeling van het bedrijf naar een recreatiebedrijf om deze tak verder te faciliteren en uit te breiden. Vanwege de problemen met de gezondheid van de initiatiefnemer zijn aan de hand van deze gesprekken echter geen vervolgstappen gezet.
De initiatiefnemer is inmiddels weer mobiel en wil verdere stappen zetten om het bedrijf verder op een juiste wijze in overeenstemming te brengen met het omgevingsplan en verder te ontwikkelen en toekomstbestendig te maken, ook met het oog op een eventuele bedrijfsopvolging. Verder loopt er vanuit de omgeving een verzoek tot handhaving, omdat de huidige activiteiten niet in overeenstemming zijn met het geldende omgevingsplan. De initiatiefnemer wenst daarom de omschakeling van het agrarisch bedrijf met een recreatieve neventak naar een recreatief bedrijf met een agrarische neventak definitief in gang te zetten en dusdanig vorm te geven dat dit past binnen het omgevingsplan en daarnaast nog ruimte biedt voor een verdere ontwikkeling van het bedrijf om het ook in de toekomst duurzaam en volwaardig te kunnen blijven uitvoeren.
Om het initiatief mogelijk te maken is het noodzakelijk het omgevingsplan van rechtswege van de gemeente Kaag en Braassem te wijzigen. Omdat de gemeente nog geen nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld dient dit te gebeuren met toepassing van de tijdelijke alternatieve maatregel (TAM). De gemeente heeft aangegeven dat het initiatief voorstelbaar is, mits de mogelijke effecten van het initiatief op de fysieke leefomgeving goed zijn afgewogen. Deze toelichting dient als motivatie van deze afweging.
De locatie is gelegen aan de Willem van der Veldenweg 57 te Leimuiden en ligt in het landelijk gebied van de gemeente Kaag en Braassem. De locatie ligt ten zuiden van Leimuiden en is kadastraal bekend onder gemeente Leimuiden, sectie A, nummer(s) 3417, 3940 en 3941. In de volgende afbeelding is de topografische ligging van de locatie weergegeven.
Uitsnede topografische kaart met locatie aangegeven.
Bron: Topotijdreis.nl.
Het landschap waarin de locatie is gelegen betreft een droogmakerijenlandschap met klei. Voor dit type landschap zijn de grootschalige openheid, de biodiversiteit en het agrarisch karakter de belangrijkste kernkwaliteiten.
De verkaveling bestaat uit een strokenverkaveling met een relatief grootschalige opzet. Het groen in de omgeving bestaat voornamelijk uit beplanting rondom de (agrarische) erven en enkele bosschages.
In de omgeving van de locatie zijn voornamelijk agrarische bedrijven en burgerwoningen gelegen. Verder is er een enkel niet-agrarisch bedrijf en een begraafplaats met een maatschappelijke functie aanwezig in de omgeving.
Op de locatie mag vanuit het geldende omgevingsplan een grondgebonden agrarisch bedrijf worden uitgevoerd. Daarbij mogen vanuit het geldende omgevingsplan ook recreatieve nevenactiviteiten worden uitgevoerd, zoals een kampeerterrein (tot maximaal 2.500 m²) en recreatief nachtverblijf (tot maximaal 200 m²).
Hoewel er op het bedrijf nog steeds sprake is van agrarische activiteiten in de vorm van het houden van ongeveer 25 stuks Lakenvelder zoogkoeien en het agrarisch beheer van de graslanden in eigendom en pacht, zijn er op het bedrijf meer recreatieve functies aanwezig dan agrarische functies. Daarmee is het bedrijf feitelijk gezien in hoofdzaak meer als een recreatief bedrijf aan te merken dan als een agrarisch bedrijf.
Het bedrijf beschikt over één bedrijfswoning. Er was voorheen een tweede bedrijfswoning aanwezig, maar deze is in een eerdere procedure van het bedrijf afgesplitst als plattelandswoning en maakt niet langer deel uit van het bedrijf. Verder zijn op het bedrijf de volgende functies en gebouwen aanwezig:
Verder is een stortplaats aanwezig voor grijs water vanuit de kampeervoertuigen en is een milieustraat voor het scheiden van afval aanwezig. Daarnaast is ter plaatse een parkeerplaats voor ca. 70 auto's aanwezig met daarbij een mogelijkheid voor 2 elektrische voertuigen om te laden. Ten slotte zijn nog enkele speeltoestellen en een uitkijktoren van een voormalig maïsdoolhof aanwezig.
Aan de locatie is een bouwvlak van ongeveer 1,95 hectare toegekend. Een deel van dit bouwvlak is echter gelegen op gronden ten noorden van het erf die niet langer in eigendom zijn van de initiatiefnemer.
In de volgende afbeeldingen is de huidige situatie in een luchtfoto weergegeven.
Luchtfoto huidige situatie locatie.
Bron: Omgevingsloket.
Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Vanuit de Omgevingswet moet iedere gemeente een omgevingsplan voor het gehele grondgebied van de gemeente vaststellen. Veel gemeenten hebben echter nog geen nieuw omgevingsplan vast kunnen stellen. Voor de gemeenten die nog geen nieuw omgevingsplan hebben vastgesteld geldt het zogenaamde omgevingsplan van rechtswege. Dit bestaat uit de regels uit verschillende ruimtelijke instrumenten die met de ingang van de Omgevingswet zijn komen te vervallen (zoals bijvoorbeeld bestemmingsplannen en verordeningen) en uit de regels over activiteiten die vanuit de Rijksoverheid gelden (de zogenaamde bruidsschat). De gemeente Kaag en Braassem heeft nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld, waarmee het zogenaamde omgevingsplan van rechtswege van toepassing is binnen deze gemeente. Voor het toetsen van nieuwe ontwikkelingen wordt vanuit het omgevingsplan van rechtswege nog getoetst aan het voorheen geldende bestemmingsplan en, waar nodig, aan de aanvullende bepalingen uit de zogenaamde bruidsschat. Dit wordt dan gezien als een toetsing aan het geldende omgevingsplan.
Binnen het geldende omgevingsplan is de locatie in een gebied met de volgende functies gelegen:
Daarnaast zijn op de locatie zelf de volgende functies en aanduidingen van toepassing:
In de volgende afbeelding is een uitsnede van de kaart van het geldende omgevingsplan ter plaatse van de locatie weergegeven.
Uitsnede kaart geldend omgevingsplan ter plaatse van de locatie.
Bron: Omgevingsloket.
Het initiatief is in strijd met het omgevingsplan op de volgende punten:
Het initiatief past daarmee niet binnen het geldende omgevingsplan. Om die reden is het noodzakelijk het geldende omgevingsplan van rechtswege te wijzigen. Omdat de gemeente nog geen nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld kan dit alleen met toepassing van de tijdelijke alternatieve maatregel (TAM). Voor het wijzigen van het omgevingsplan is het belangrijk om een goede afweging te maken van de mogelijke effecten van het initiatief op de fysieke leefomgeving. In deze toelichting is deze afweging verder gemotiveerd.
Concreet zal het omgevingsplan van rechtswege op de volgende punten worden gewijzigd:
Deze toelichting bestaat uit:
De wijziging van het omgevingsplan van rechtswege met toepassing van de tijdelijke alternatieve maatregel (TAM) maakt de omschakeling van een agrarisch bedrijf met recreatieve neventak naar een recreatief bedrijf met agrarische neventak mogelijk. In dit hoofdstuk wordt het initiatief verder omschreven en toegelicht en wordt ingegaan op de landschappelijke inpassing van het initiatief en de bijdrage daarvan aan de maatschappelijke doelen uit de Omgevingswet.
Op de locatie wenst de initiatiefnemer de recreatieve tak op het bedrijf verder te faciliteren en uit te breiden om zo een volwaardig en toekomstbestendig recreatiebedrijf mogelijk te maken. Enerzijds om op een prettige, duurzame en passende manier te kunnen blijven voorzien in een inkomen en anderzijds om, gezien de leeftijd van de initiatiefnemer, met het oog op een toekomstige bedrijfsovername een representatief bedrijf te kunnen aanbieden.
Daarbij wenst de initiatiefnemer maximaal 45 standplaatsen voor kampeermiddelen buiten mogelijk te maken. Deze bestaan uit 13 camperplaatsen die jaarrond gebruikt mogen worden, 8 camperplaatsen die seizoensgebonden gebruikt mogen worden in de periode van 1 april tot 1 oktober en 24 kampeerplaatsen/caravanplaatsen die jaarrond gebruikt mogen worden. Camperplaatsen onderscheiden zich daarbij door een verharde ondergrond. Het huidige bouwvlak is aan de noordkant deels gelegen op gronden die niet langer in eigendom zijn van de initiatiefnemer. Om deze reden is het wenselijk om dit deel van het bouwvlak te verplaatsen naar het zuidelijk deel van de locatie en dit verder uit te breiden, zodat voldoende ruimte ontstaat voor de gewenste inrichting van het recreatiebedrijf. Daarbij zal het bouwvlak worden gewijzigd en worden uitgebreid tot een omvang van ongeveer 2 hectare. Daarmee kan een duurzaam en toekomstbestendig recreatiebedrijf mogelijk worden gemaakt. De gronden die zijn gelegen ter plaatse van het te verplaatsen deel van het bouwvlak zullen worden teruggebracht naar agrarische cultuurgronden zonder bouwvlak en als zodanig worden beheerd.
Daarnaast wenst de initiatiefnemer meer in te zetten op dagrecreatie. Daarbij wil de initiatiefnemer de gelegenheid bieden aan de maatschappij om samen te komen door de boerderij open te stellen. Vooral in het laagseizoen zal dit met name gericht zijn op kinderen en ouders, ouderen en mensen met een beperking. In beginsel zal de boerderij hiervoor maximaal 1 dag per week open worden gesteld, maar de initiatiefnemer wil de mogelijkheid hebben om dit naar behoefte eventueel verder uit te breiden. Het zal daarbij gaan om een kleinschalige activiteit voor het samenkomen van mensen uit de directe omgeving voor een verbeterd gevoel van saamhorigheid en het voorkomen van eenzaamheid. Het is niet de bedoeling dat er hele groepen of bussen van heinde en ver naar de locatie komen en niet de bedoeling dat dit de hoofdactiviteit ter plaatse zal gaan worden.
Verder wil de initiatiefnemer het organiseren van kleinschalige evenementen verder faciliteren en uitbreiden. De gewenste evenementen betreffen kleinschalige evenementen van culturele, muzikale, sociale, recreatieve en educatieve aard. Het gaat daarbij uitsluitend om kleinschalige activiteiten (maximaal 60 personen) en uitsluitend in de dag- en avondperiode (tot maximaal 22:00 in de avond). Deze activiteiten zullen voor een groot deel plaats gaan vinden in het gereinigde mestbassin, dat voor mensen toegankelijk wordt gemaakt en deels in het bestaande horecagebouw. De evenementen worden bewust kleinschalig gehouden om de rust voor de overige gasten op het kampeerterrein te waarborgen.
De initiatiefnemer wil zich daarnaast ook blijven inzetten in de agrarische sector en draagt de boeren die ook nog aan beweiden doen een warm hart toe. Momenteel houdt de initiatiefnemer 25 stuks Lakenvelder zoogkoeien op het bedrijf en heeft deze 5 hectare grond in eigendom en 2 hectare grond in pacht. Doel is om extensief en op natuurlijke wijze te blijven beheren.
Daarnaast kan, als nodig, extra grond in de toekomst worden aangewend voor bijvoorbeeld waterberging, recreatief medegebruik zoals wandel- en fietsroutes en kleinschalige landschappelijke elementen. Daarmee wordt een bijdrage geleverd aan de ruimtelijke en landschappelijke kwaliteit in de omgeving. De landschappelijke waarde van de gronden zal daarbij centraal staan. Het is daarbij niet de bedoeling om de agrarische bedrijfsactiviteiten van het bedrijf verder uit te breiden, maar de eventueel aan te kopen extra gronden aan te wenden voor extensieve begrazing en voor meer ruimte voor het vee (een extensivering van het grondgebruik), waarmee meer van de agrarische cultuurgronden op extensieve en natuurlijke wijze kunnen worden beheerd.
Voor het overige wenst de initiatiefnemer de feitelijke huidige situatie verder voort te zetten. Daarbij zal de afspraak die is gemaakt met de buren ten zuiden van de locatie om de 8 seizoensgebonden camperplaatsen aan die zijde alleen te gebruiken in de periode van 1 april tot 1 oktober worden gehonoreerd.
Er zal ten behoeve van het initiatief geen sprake zijn van sloop en/of van nieuwbouw. Er wordt uitsluitend gebruik gemaakt van de bestaande bebouwing. Daarmee blijft de ruimtelijke impact van het initiatief op de omgeving beperkt.
Met het initiatief zullen, zoals nader is besproken met de gemeente, de toestellen en de uitkijktoren van het voormalige maïsdoolhof worden verwijderd.
De gewenste situatie is in de volgende afbeelding in een dronefoto weergegeven.
Dronefoto bedrijf gewenste situatie.
Bron: Initiatiefnemer.
Bij nieuwe ontwikkelingen is het belangrijk dat de ruimtelijke en landschappelijke kwaliteit van de omgeving niet verloren gaat of dat deze, waar mogelijk, juist wordt versterkt. Afhankelijk van de impact die een ontwikkeling heeft op het landschap en de omgeving wordt een tegenprestatie gevraagd om bij te dragen aan het behouden of het versterken van de ruimtelijke kwaliteit. Daarbij is het belangrijk om het initiatief op een goede manier landschappelijk in te passen.
Ten behoeve van een goede landschappelijke inpassing van het initiatief is door een landschappelijk deskundige een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld. Daarin is een nadere afweging gemaakt van het omliggende landschap en hoe de voorgestelde landschappelijke inpassing kan bijdragen aan het behoud en/of de versterking van de ruimtelijke kwaliteit in de omgeving. Daarnaast is in het landschappelijk inrichtingsplan opgenomen welke landschappelijke elementen worden aangebracht en welke beplanting daarvoor wordt gebruikt.
In de volgende afbeelding is de tekening met daarop de voorgestelde landschappelijke inpassing weergegeven. Het volledige landschappelijk inrichtingsplan is opgenomen als "Bijlage 1 Landschappelijk
inrichtingsplan".
Tekening landschappelijke inpassing van het initiatief.
Bron: Visser Tuinen.
Met de voorgestelde landschappelijke inpassing wordt aangesloten bij de belangrijke kwaliteiten van het landschap waarin de locatie is gelegen. Daarbij is vanuit het landschap bekeken op welke manier de landschappelijke inpassing kan bijdragen aan de kwaliteit van het landschap, zonder dat dit al te veel ten koste gaat van een efficiënte inrichting van het erf. Daarmee is ter plaatse sprake van een goede landschappelijke inpassing van het initiatief.
In de Omgevingswet zijn maatschappelijke doelen opgenomen. De Rijksoverheid wil dat wordt bijgedragen aan duurzame ontwikkeling, bewoonbaarheid van het land en bescherming en verbetering van het leefmilieu. Daarvoor wordt ingezet op het bereiken van een balans tussen het beschermen en het benutten van de fysieke leefomgeving. Daarover is in de Omgevingswet het volgende opgenomen:
Het is dus belangrijk dat met een nieuwe ontwikkeling rekening wordt gehouden met de fysieke leefomgeving en de omgevingskwaliteit. Er moet daarbij sprake zijn van een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen. Daarbij moet worden gelet op de onderlinge verhoudingen tussen onderdelen van de fysieke leefomgeving en de mogelijke gevolgen van activiteiten op de leefomgeving.
Het initiatief maakt de omschakeling van een agrarisch bedrijf met een recreatieve neventak naar een recreatief bedrijf met een agrarische nevenactiviteit mogelijk.
Met de omschakeling van het agrarisch bedrijf naar een recreatief bedrijf kan er geen volwaardig veehouderijbedrijf meer worden gevestigd. Daarmee wordt geborgd dat de emissies van geur, fijnstof, stikstof en/of andere hinderlijke stoffen (aanzienlijk) afnemen. Dit komt ten goede aan de omgevingskwaliteit en draagt daarmee bij aan een meer veilige en gezonde fysieke leefomgeving.
Verder wordt ter plaatse, zoals nader omschreven in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2), voorzien in een goede, bij het gebied passende landschappelijke inpassing. Daarbij worden nieuwe landschappelijke elementen aangebracht. Dit draagt bij aan het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit en de omgevingskwaliteit.
Naast een verbeteirng van de fysieke leefomgeving wordt een bijdrage geleverd aan maatschappelijke doelen. Er wordt een gelegenheid geboden voor mensen die daar minder gelegenheid toe hebben om samen te komen. Daarnaast wordt met agrotoerisme bijgedragen aan de versterking van de recreatieve sector in de omgeving. Daarmee wordt voorzien in maatschappelijke behoeften.
Omdat op duurzame wijze wordt ontwikkeld en ondernomen is sprake van een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen. Omdat daarnaast eveneens wordt bijgedragen aan een meer veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een betere omgevingskwaliteit wordt een bijdrage geleverd aan de maatschappelijke doelen zoals zijn opgenomen in de Omgevingswet.
In dit hoofdstuk is een beschrijving opgenomen van de voorbereiding op de wijziging van het omgevingsplan die nodig is om het initiatief mogelijk te maken. Daarbij wordt ingegaan op welke stappen in de procedure al zijn gezet ter voorbereiding van de wijziging van het omgevingsplan.
Zoals al eerder omschreven in de inleiding van deze onderbouwing is het voor de initiatiefnemer om meerdere redenen noodzakelijk om op de locatie het initiatief mogelijk te maken. Hiervoor heeft eerst een vooroverleg met de gemeente plaatsgevonden. Daarbij is eerst een verzoek bij de gemeente Kaag en Braassem ingediend om mee te werken met het initiatief. In dat verzoek is uitgebreid omschreven waarom het initiatief wenselijk of noodzakelijk is en wat het initiatief precies inhoudt. Het ingediende verzoek is door de gemeente behandeld op de zogenaamde "intaketafel" en/of "omgevingstafel", waarbij de gemeente het verzoek op verschillende vakgebieden uitgebreid heeft beoordeeld.
Naar aanleiding van het verzoek heeft de gemeente aangegeven onder voorwaarden medewerking te willen verlenen met het initiatief. De gemeente heeft daarbij aangegeven dat zij de omschakeling naar een recreatief bedrijf met agrarische nevenactiviteiten als voorstelbaar zien, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
De gemeente heeft aangegeven medewerking te willen verlenen aan een wijziging van het geldende omgevingsplan. Omdat de gemeente echter nog geen nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld dat aan de wettelijke standaarden voldoet kan dit alleen met toepassing van de tijdelijke alternatieve maatregel (TAM). Daarbij is het van belang dat de mogelijke effecten van het initiatief op de fysieke leefomgeving goed worden afgewogen. Deze toelichting dient als motivatie van deze afweging.
Participatie, of met andere woorden het betrekken van anderen bij het initiatief, is een belangrijk onderdeel van de Omgevingswet. Bij een nieuwe ontwikkeling is het belangrijk dat belangen van anderen die met die ontwikkeling te maken kunnen hebben, zoals bijvoorbeeld de buren, mee worden genomen in de afweging van het initiatief. De participatie moet in een vroeg stadium worden uitgevoerd, zodat op tijd alle belangen en meningen op tafel komen te liggen. Daarmee kan worden voorkomen dat er laat in het traject nog zaken op tafel komen die ingrijpende gevolgen kunnen hebben voor de ontwikkeling.
De initiatiefnemer heeft tweemaal een bijeenkomst gehouden waarbij omwonenden en belanghebbenden zijn uitgenodigd om het initiatief te bespreken. Daarbij hebben alleen de directe buren ten zuiden van de locatie aangegeven dat zij het niet wenselijk vinden dat de huidige activiteiten mogelijk worden gemaakt en verder worden uitgebreid en ontwikkeld. Dit met name omdat zij rechtstreeks zicht hebben op het terrein, met name in de wintermaanden als de erfbeplanting die normaal gesproken het zicht verzacht kaal is. Met de buren ten zuiden van de locatie is daarom de afspraak gemaakt om de camperplaatsen in het zicht van de woning van deze buren alleen te gebruiken in de periode van 1 april tot 1 oktober, wanneer de erfbeplanting nog volop in het groen staat en daarmee het aanzicht verzacht. Voor het overige waren er geen bezwaren of aandachtspunten naar voren gekomen.
Om dit te borgen in dit plan is ter plaatse van de betreffende camperplaatsen een aanduiding opgenomen. In de regels bij dit plan is vervolgens opgenomen dat de camperplaatsen ter plaatse van die aanduiding alleen in de periode van 1 april tot 1 oktober mogen worden gebruikt. Daarmee wordt tegemoet gekomen aan het ingebrachte aandachtspunt van de directe buren.
De initiatiefnemer heeft op 27 en 28 december 2024 een aanvullende bijeenkomst gehouden om het concept van dit plan te bespreken met de omwonenden. Eventuele aandachtspunten die uit dit overleg naar voren zijn gekomen zijn verder meegenomen in een volgende versie van dit plan. Het verslag is opgenomen als "Bijlage 2 Verslag participatie".
De initiatiefnemer zal nog een derde bijeenkomst houden ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van het voorliggende plan. Daarin zal het plan nogmaals worden besproken met de omwonenden en wordt duidelijk gemaakt op welke manier de eventueel eerder aangegeven aandachtspunten zijn meegenomen in het plan.
Vanwege privacy overwegingen zijn de persoonsgegevens in de verslagen onherkenbaar gemaakt.
Een ontwikkeling moet passen binnen het beleid dat door zowel de gemeente als door de Rijksoverheid en de provincie is vastgesteld. Daarbij dient een afweging te worden gemaakt of een initiatief passend is binnen de uitgangspunten en regels die in de verschillende beleidsstukken zijn opgenomen of, wanneer een initiatief daar niet helemaal binnen past, dat met behulp van maatwerk sprake kan zijn van een aanvaardbare of wenselijke ontwikkeling. In dit hoofdstuk wordt het initiatief getoetst aan het beleid dat is vastgesteld door de Rijksoverheid, de provincie, het hoogheemraadschap en de gemeente.
| Het initiatief zal geen nadelige invloed hebben op de nationale belangen zoals zijn opgenomen in de Nationale Omgevingsvisie van de Rijksoverheid. |
Op 11 september 2020 heeft de Rijksoverheid de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI is de visie voor de lange termijn van de Rijksoverheid op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de duurzame leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting door strategische keuzes te maken. Ook maakt de NOVI ruimte voor maatwerk in de regio en werkt gebiedsgericht, dat wil zeggen bij de aanpak van de opgaven worden de kenmerken van het gebied als uitgangspunt genomen.
Met de Nationale omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Om dit te kunnen bewerkstelligen laat het Rijk de inrichting van de fysieke leefomgeving meer over aan de decentrale overheden en komt de gebruiker centraal te staan.
Het Rijk blijft verantwoordelijk voor het systeem de fysieke leefomgeving. Daarnaast kan een rijksverantwoordelijkheid aan de orde zijn indien:
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is om combinaties te maken en win-win situaties te creëren, dit is echter niet altijd mogelijk. In die gevallen dienen belangen te worden afgewogen. Hiervoor gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:
Zo lang geen sprake is van een nationaal belang en zo lang de ambities van de Rijksoverheid niet worden tegengewerkt wordt de beoordeling en uitvoering van ontwikkelingen zoveel mogelijk aan provincies en gemeenten gegeven en is er geen sprake van een ontwikkeling in strijd met de NOVI.
Het initiatief is kleinschalig van aard en heeft geen gevolgen voor de nationale belangen die zijn opgenomen in de NOVI en werkt de ambities van de Rijksoverheid niet tegen. Het initiatief is daarom niet in strijd met de nationale belangen zoals zijn opgenomen in de Nationale Omgevingsvisie van de Rijksoverheid.
| Het initiatief zal geen nadelige invloed hebben op de nationale belangen. Het initiatief betreft daarnaast geen nieuwe stedelijke ontwikkeling, waarmee geen nadere afweging van de behoefte hoeft te worden gemaakt. Verdere toetsing aan de normen uit het Bkl vindt plaats bij de toetsing aan het beleid van de provincie, het waterschap en de gemeente. |
Op 3 juli 2018 heeft de Rijksoverheid het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) vastgesteld. Met ingang van de Omgevingswet op 1 januari 2024 is ook het Bkl in werking getreden. Het Bkl is één van de vier Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB's) die verdere invulling geven aan de Omgevingswet. In het Bkl zijn inhoudelijke normen voor gemeenten, provincies, waterschappen en de Rijksoverheid opgenomen voor het behalen van de nationale doelstellingen en het voldoen aan de internationale verplichtingen.
Het Bkl bestaat uit instructieregels (voor programma's, omgevingsplannen, omgevingsverordeningen, waterschapsverordeningen en projectbesluiten), omgevingswaarden, regels voor omgevingsvergunningen en regels over monitoring en informatie. Provincies, gemeenten en waterschappen dienen de regels uit het Bkl door te vertalen in hun beleid. Een verdere toetsing aan de normen uit het Bkl vindt dan ook plaats bij de toetsing aan het beleid van de provincie, het waterschap en de gemeente.
In het Bkl is verder de Ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen. Dit houdt in dat wanneer sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling er een zorgvuldige afweging gemaakt dient te worden van de kwalitatieve en kwantitatieve behoefte van de betreffende ontwikkeling.
De ladder voor duurzame verstedelijking is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.
Het initiatief maakt een recreatiebedrijf mogelijk. Daarbij is het de vraag of dit kan worden gezien als een "andere stedelijke voorziening".
In de afgelopen jaren zijn door de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State verschillende uitspraken met betrekking tot de ladder voor duurzame verstedelijking gedaan. Zo ook de uitspraak van 20 april 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1075), waarin staat dat wanneer een plan ten opzichte van het voorheen geldend plan geen uitbreiding van de maximaal toegelaten oppervlakte aan bedrijfsbebouwing mogelijk maakt en geen nieuw ruimtebeslag, maar alleen een functiewijziging dit in beginsel niet wordt gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling.
Met het initiatief is geen sprake van een uitbreiding van de maximaal toegelaten oppervlakte aan bedrijfsgebouwen, is geen sprake is van een uitbreiding van het ruimtebeslag en is enkel sprake van een functiewijziging. Er is daarmee geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een verdere afweging van de (kwalitatieve en kwantitatieve) behoefte is daarmee dan ook niet nodig.
| Het initiatief past goed binnen de doelstellingen en uitgangspunten die de provincie heeft opgenomen in de provinciale omgevingsvisie. |
De provincie Zuid-Holland heeft op 12 oktober 2022 de Omgevingsvisie Zuid-Holland vastgesteld. De omgevingsvisie is op verschillende punten geactualiseerd. De meest recente versie is op 1 mei 2024 geconsolideerd en in werking getreden. De omgevingsvisie bevat de doelstellingen van de provincie voor zover sprake is van een provinciaal belang. De doelstellingen in de omgevingsvisie zijn niet juridisch bindend, maar bieden wel het kader voor de instructieregels die de provincie vastlegt in de provinciale omgevingsverordening, die gemeenten vervolgens moeten verwerken in hun omgevingsplannen.
Met het initiatief is sprake van de omschakeling van een agrarisch bedrijf met een recreatieve nevenactiviteit naar een recreatief bedrijf met een agrarische nevenactiviteit in het landelijk gebied. Daarbij wordt ingezet op het faciliteren van de bestaande recreatieve voorzieningen en een beperkte uitbreiding daarvan. Het bouwvlak wordt gewijzigd en uitgebreid om een verdere uitbreiding van het kampeerterrein mogelijk te maken. Daarnaast worden als agrarische nevenactiviteit 25 stuks Lakenvelder zoogkoeien gehouden die worden ingezet voor duurzaam agrarisch beheer van de graslanden in eigendom van de initiatiefnemer en worden enkele stuks kleinvee gehouden.
Ten aanzien van recreatie streeft de provincie naar behoud en versterking van de sportieve en recreatieve belevingswaarde van het landschap, water en erfgoed. Samen met de partners zorgt de provincie voor het beheer van recreatiegebieden, recreatienetwerken en recreatievoorzieningen. Daarnaast streeft de provincie ernaar om deze geschikter te maken voor recreatief en sportief bewegen. Hiervoor heeft de provincie belangrijke recreatieve fietsroutes en wandelroutes opgenomen in het provinciale fietsnetwerk en het provinciale wandelroutenetwerk.
Om te zorgen dat er voor alle inwoners voldoende ruimte is voor ontspanning, sport en recreatie zet de provincie in op een, in omvang en kwaliteit, goed netwerk en goede voorzieningen, locaties en gebieden voor sport en recreatie. Dit draagt bij aan een goede leefkwaliteit en aan de spreiding van toerisme, zodat daardoor geen onevenredige overlast wordt veroorzaakt. Verder is het van belang om met recreatie kansrijke verbindingen te maken met andere maatschappelijke doelen zoals natuur, erfgoed, economie, toerisme en klimaat.
Vanuit de visie worden daarmee kansen geboden voor recreatieve ontwikkelingen. Daarbij streeft de provincie naar ontwikkelingen die bijdragen aan een beweegvriendelijke leefomgeving en een versterking van de belevingswaarde van het landschap, het water en het erfgoed.
De locatie is gelegen tussen verschillende plassen en meren in en ligt daarmee in een populair gebied voor toerisme en recreatie. Er zijn mogelijkheden voor verschillende vormen van recreatie, waardoor het gebied in trek is bij toeristen. De locatie sluit goed aan op de provinciale recreatieve netwerken. Daarnaast wordt door de combinatie met het agrarisch duurzaam beheer van de graslanden bijgedragen aan de instandhouding en de beleving van het landschap. Het initiatief sluit daarmee goed aan bij de doelstellingen die de provincie heeft opgenomen in de provinciale omgevingsvisie ten aanzien van recreatie.
De locatie is gelegen in een landschap dat is aangemerkt als droogmakerijlandschap. Binnen deze landschappen streeft de provincie naar ontwikkelingen die bijdragen aan een duurzame waterhuishouding. Overige ontwikkelingen in dit landschap mogen een duurzame waterhuishouding niet in de weg staan. Zoals nader omschreven in de paragraaf "Water" (paragraaf 5.12) zal het initiatief geen nadelige invloed hebben op de waterhuishouding en is geen sprake van een ontwikkeling die een duurzame waterhuishouding in de weg staat. Het initiatief past daarmee binnen de doelstellingen die de provincie in de visie heeft opgenomen ten aanzien van ontwikkelingen in de droogmakerij landschappen.
Verder is het van belang dat de kenmerkende kwaliteiten van het landschap behouden blijven of waar mogelijk worden versterkt. De kenmerkende kwaliteiten van het landschap waarin de locatie is gelegen, zijnde een droogmakerij met klei als ondergrond, zijn de openheid, de kenmerkende strokenverkaveling, de dijken als structuurdragers en begrenzing van de polders en het hoogteverschil tussen laaggelegen droogmakerij en omringend land.
Het initiatief is relatief kleinschalig van aard en vindt plaats op en aansluitend aan een bestaand erf. Er wordt in hoofdzaak gebruik gemaakt van het bestaande ruimtebeslag. De maximale oppervlakte aan bebouwing en voorzieningen is in de planregels behorende bij dit plan vastgelegd en biedt (nagenoeg) geen ruimte voor een verdere uitbreiding van het bebouwd oppervlak. Daarmee wordt voorkomen dat de openheid van het landschap verder wordt aangetast. Daarnaast wordt een deel van het bouwvlak, momenteel gelegen aan de noordzijde van het bedrijf, verplaatst naar de zuidzijde van het bedrijf. Waar het bouwvlak aan de zuidzijde wordt uitgebreid (in ruil voor het wegnemen van het deel aan de noordzijde) is al bebouwing aanwezig. Daarmee worden geen bestaande doorzichten verder belemmerd. Aan de noordzijde is op de plaats waar het deel van het huidige bouwvlak wordt weggenomen geen bebouwing aanwezig. Als het bouwvlak aan die zijde wordt behouden dan biedt dat mogelijkheden om daar bebouwing op te richten. In dat geval zou wel een bestaand doorzicht worden beperkt. Met de gewenste verplaatsing van het betreffende deel van het bouwvlak wordt daarmee juist voorkomen dat doorzichten verder worden beperkt en dat daarmee de openheid van het landschap wordt aangetast.
De huidige strokenverkaveling van het landschap en de lengtesloten tussen de percelen worden niet gewijzigd met het initiatief. De kenmerkende structuur van het landschap blijft daarmee behouden. Het huidige bouwvlak met het "uitstekende" deel aan de noordzijde maakt een uitbreiding aan die zijde in het huidige open doorzicht mogelijk. Daarbij zou een demping van de watergang en een aanpassing van het kavel op die plek mogelijk zijn. Door het wegnemen van dit deel van het bouwvlak en dit terug te brengen aansluitend aan het bestaande bouwvlak binnen de begrenzing van de kavels die al voor bebouwing zijn benut wordt voorkomen dat de kenmerkende verkaveling en structuur van het landschap wordt aangepast. Daarnaast wordt het bouwvlak niet over de watergangen aan de noord- en zuidzijde van de locatie gelegd, waarmee het behoud van de verkaveling en de lengtesloten wordt geborgd. Er kan daar immers geen uitbreiding meer plaatsvinden. Het initiatief draagt daarmee bij aan het behoud van het kenmerkende verkavelingspatroon met strokenverkaveling en lengtesloten en aan het behoud van de doorzichten.
De percelen in de omgeving zijn in gebruik als in cultuur gebracht grasland. Dit is kenmerkend voor de polder en droogmakerijenlandschap daarin en daarmee van belang dat dit zoveel mogelijk wordt behouden. Door het agrarisch duurzaam beheer van de graslanden in de vorm van extensieve begrazing daarvan door de gehouden Lakenvelder zoogkoeien wordt bijgedragen aan de instandhouding en het natuurlijk beheer van het grasland. Dit sluit goed aan bij de landschappelijke kwaliteiten in het droogmakerijenlandschap.
De locatie is niet aan een dijk of aan de rand van het gebied gelegen. Wel is de locatie aansluitend aan een polderlint gelegen. De gewenste ontwikkeling vindt echter aan de van dit lint afgekeerde zijde van het erf plaats en er vinden geen wijzigingen in of aan het lint plaats. De doorzichten vanuit het lint naar het achterliggende landschap worden, zoals in het voorgaande omschreven, niet aangetast. Met het initiatief wordt het behoud van de doorzichten juist gewaarborgd. Het initiatief zal daarmee geen invloed hebben op de dijken als structuurdragers en begrenzing van de polders en het hoogteverschil tussen de laaggelegen droogmakerij en het hoger gelegen omliggende landschap.
Daarnaast is in de huidige situatie een maïsdoolhof met uitkijktoren aanwezig. Deze zullen worden verwijderd (dit is ook als voorwaardelijke verplichting opgenomen in de planregels behorende bij dit plan), waarmee het behoud van de openheid verder wordt geborgd.
Verder moeten nieuwe ontwikkelingen in de droogmakerijen worden vormgegeven als eigentijdse objecten aan de ontginningslijnen, passend bij de schaal en het patroon van de rechthoekige verkaveling met groene omzoming en behoud van ruime doorzichten.
Het bedrijf van de initiatiefnemer zal, anders dan in de huidige situatie, volledig worden ingepast tussen de sloten in lengterichting die aan de noord- en zuidzijde van de locatie zijn gelegen. In de huidige situatie is, omdat aan de noordzijde nog een stuk bouwvlak "uitsteekt" boven de noordelijke lengtesloot, sprake van uitbreidingsmogelijkheden buiten deze begrenzing. Door het verplaatsen van dit deel van het bouwvlak naar de zuidzijde, tussen de noordelijke en zuidelijke sloot in wordt de harde begrenzing verder geborgd en wordt het behoud van de doorzichten versterkt. Met de voorgestelde landschappelijke inpassing wordt de groene omzoming van het erf gerealiseerd, waarmee een hardere begrenzing van het erf wordt bereikt. De landschappelijke inpassing is erop gericht om de begrenzing van het erf in het landschap te benadrukken en het behouden van de ruime doorzichten aan weerszijden van het erf. Omdat de landschappelijke inpassing de richting en begrenzing van de sloten volgt die dienen als begrenzing van de kavels draagt deze bij aan het behoud van de rechthoekige verkaveling. Daarnaast wordt met de landschappelijke inpassing een verzachting van het beeld op de campers en caravans bereikt. Ook dit draagt bij aan een betere kwaliteit van de omgeving.
Het initiatief past gezien het voorgaande goed binnen de doelstellingen die de provincie heeft opgenomen in de visie ten aanzien van de landschappelijke kwaliteiten.
De provincie wil daarnaast de depositie van stikstof van de landbouw, maar ook van de industrie en verkeer, langdurig en stevig terugdringen, ruimtelijke en economische ontwikkeling mogelijk maken en natuurherstel realiseren. Het is daarbij van belang dat de stikstofdepositie van ruimtelijke ontwikkeling niet mag toenemen. Zoals nader omschreven in de paragraaf "Natura 2000-gebieden" (paragraaf 5.9.1) is met het initiatief geen sprake van een toename van de depositie van stikstof op de Natura 2000-gebieden. Het initiatief past daarmee binnen de doelstellingen van de provincie ten aanzien van stikstof.
Het initiatief sluit daarmee goed aan bij de doelstellingen en beleidsuitgangspunten die zijn opgenomen in de Omgevingsvisie Zuid-Holland van de provincie Zuid-Holland.
| Het initiatief is niet in strijd met de regels die de provincie heeft opgenomen in de provinciale omgevingsverordening. |
De provincie Zuid-Holland heeft op 15 december 2021 de Omgevingsverordening Zuid-Holland vastgesteld. Deze is meerdere keren geactualiseerd. De meest recente versie is geconsolideerd en in werking getreden op 18 februari 2025.
De omgevingsverordening bevat de juridische vertaling van de doelstellingen en beleidsuitgangspunten uit de provinciale omgevingsvisie, waarbij deze zijn vastgelegd in instructieregels die de verschillende gemeenten in hun omgevingsplannen moeten verwerken.
Met het initiatief is sprake van de omschakeling van een agrarisch bedrijf met een recreatieve neventak naar een recreatief bedrijf met een agrarische neventak in het landelijk gebied. Daarbij is sprake van het faciliteren en verder uitbreiden van de huidige recreatieve activiteiten die worden uitgevoerd binnen het bedrijf en het mogelijk maken van de huidige agrarische activiteiten van het bedrijf als nevenactiviteit.
Voor recreatie heeft de provincie alleen specifieke regels opgenomen voor zover sprake is van recreatie in grondwaterbeschermingsgebieden (artikel 3.3.13 van de omgevingsverordening). De locatie is niet in een grondwaterbeschermingsgebied gelegen, waarmee de betreffende regels niet van toepassing zijn op het initiatief
Vanuit de omgevingsverordening geldt vanuit artikel 7.45g wel nog een verbod op permanente bewoning van recreatiewoningen. Dit geldt bij verblijfsrecreatieparken met een omvang van 12 recreatiewoningen of meer. Met het initiatief is geen sprake van recreatiewoningen en is geen sprake van permanente bewoning. Bovendien is het permanente bewoning in verblijfsrecreatieve onderkomens expliciet uitgesloten in de regels. De aanvullende regels uit artikel 7.45g van de omgevingsverordening zijn daarmee niet van toepassing op het initiatief.
Naast specifieke regels voor een ruimtelijke ontwikkeling gelden vanuit paragraaf 7.3.7 van de omgevingsverordening ook algemene regels ten aanzien van de ruimtelijke kwaliteit en vanuit paragraaf 7.3.6 van de omgevingsverordening algemene regels ten aanzien van de risico's van klimaatverandering.
Bij ruimtelijke kwaliteit is het van belang te kijken naar de impact van een ontwikkeling op het landschap en de omgeving. Hierin wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkelingen:
Met het initiatief wordt de bestaande structuur van het landschap gevolgd, dat in hoofdzaak wordt bepaald door de verkavelingspatroon en de aanwezige ontsluitingswegen. Bij de uitvoering van het initiatief is het niet noodzakelijk de verkaveling te wijzigen en/of om wijzigingen aan de ontsluitingswegen aan te brengen. Daarnaast wordt geen nieuwe bebouwing opgericht. Met het initiatief wordt voorzien in goede landschappelijke inpassing en is sprake van een goed onderhoud van de bestaande bebouwing. Daarmee is sprake van een zorgvuldige inpassing van het initiatief waarbij voldoende aandacht is geschonken aan de beeldkwaliteit en de typologie van het landschap.
Het initiatief voorziet niet in wijzigingen aan de structuur van het landschap en is zeer kleinschalig van aard. Daarnaast vinden geen wijzigingen aan de verkaveling en infrastructuur plaats en wordt vrijwel geheel ontwikkeld binnen het bestaande ruimtebeslag (bestaand bouwperceel). Daarmee zal het initiatief een slechts zeer beperkte impact hebben op de omgeving.
De toetsing aan de kwaliteitskaart is verderop in deze paragraaf opgenomen. Daaruit blijkt dat het initiatief voldoet aan de richtlijnen vanuit de kwaliteitskaart en dat het initiatief niet leidt tot een mogelijke aantasting van de kwaliteiten van het landschap waarin de locatie is gelegen.
Ten slotte betreft het initiatief een kleinschalige uitbreiding van een reeds bestaand bedrijf. Daarnaast wordt aangesloten bij de karakteristiek van het gebied waarin de locatie is gelegen. Het initiatief past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet niet in wijzigingen op structuurniveau en voldoet aan de richtlijnen van de kwaliteitskaart. Daarmee is sprake van inpassen.
Op basis van de algemene regels ten aanzien van de ruimtelijke kwaliteit, zoals in het voorgaande beschreven, dient te worden getoetst aan de gebiedskwaliteit. De gebiedskwaliteit is weergegeven in de kwaliteitskaart. Daarin zijn de volgende lagen opgenomen:
Laag van de ondergrond:
Vanuit de laag van de ondergrond is de locatie gelegen in een gebied dat is aangemerkt als 'Veencomplex - Oude zeeklei'. Binnen deze gronden is sprake van een hoge waterstand met een groot aantal bestaande en voormalige plassen. De voormalige plassen zijn drooggemalen en staan bekend als droogmakerijen. De gronden zijn gevoelig voor bodemdaling. Ontwikkelingen in dit landschap dragen zorg voor een duurzame waterhuishouding en dragen bij aan de beperking van de bodemdaling.
Het initiatief leidt, zoals reeds eerder aangegeven in deze paragraaf, niet tot een mogelijke aantasting van de kwaliteiten van het landschap. Daarnaast zal met het initiatief, zoals nader omschreven in de paragraaf "Water" (paragraaf 5.12), geen nadelige invloed hebben op de waterhuishouding. Verder vinden geen activiteiten plaats die leiden tot een mogelijke aantasting van de ondergrond en/of die de maatregelen tegen bodemdaling in de weg staan. Door agrarisch duurzaam beheer van de graslanden in de omgeving draagt het initiatief bij aan het behoud van het landschap en het veen.
Het initiatief leidt daarmee niet tot nadelige gevolgen voor de laag van de ondergrond.
Laag van de cultuur- en natuurlandschappen:
Vanuit de laag van de cultuur- en natuurlandschappen is de locatie gelegen in een gebied dat is aangemerkt als 'droogmakerij (klei)'. De droogmakerijen zijn ontstaan uit natuurlijke meren en uit vereveningen. De droogmakerijen worden duidelijk begrensd door een ringdijk, ringvaart of oude hoge oeverlanden. Het landschap is, buiten de verstedelijkte gebieden, visueel open en grootschalig en ligt gemiddeld genomen enkele meters lager dan de omliggende gronden. De droogmakerijen kennen een aangelegd watersysteem met een regelmatige basisverkaveling. De maat, kavelgrootte en lengte-breedte-verhouding is bepalend voor de manier van inpassen van nieuwe ontwikkelingen.
Nieuwe ontwikkelingen in de droogmakerij (klei) worden vormgegeven als eigentijdse objecten aan de ontginningslijnen, passend bij de schaal en het patroon van de rechthoekige verkaveling. Daarbij krijgen zij een strakke groene omzoming met het behoud van ruime doorzichten.
Het initiatief vindt plaats op een bestaand erf en vrijwel geheel binnen het bestaande ruimtebeslag. Er is geen sprake van wijzigingen aan de verkaveling en/of de structuur van het landschap. Het erf wordt voorzien van een goede landschappelijke inpassing met groene omzoming en leidt niet tot een beperking van de ruime doorzichten in de omgeving. Het initiatief leidt daarmee niet tot een mogelijke aantasting van de kenmerkende waarden van het landschap en past binnen de rechthoekige verkaveling. Het initiatief past daarmee binnen de landschappelijke kenmerken en waarden van het droogmakerijenlandschap (klei). Door het wegnemen van het deel van het bouwvlak aan de noordzijde van het erf wordt voorkomen dat dit open deel wordt bebouwd, waarmee het initiatief het behoud van de open doorzichten juist versterkt. Ook wordt het maïsdoolhof met uitkijktoren verwijderd (dit is ook opgenomen als voorwaardelijke verplichting in de regels behorende bij dit plan) wat eveneens bijdraagt aan de openheid.
Daarnaast is de locatie gelegen in/aan een lint, dat nader is aangemerkt als polderlint. Linten zijn lineaire, aangesloten bebouwing langs wegen, waterwegen of dijken met een sterke relatie met het omliggende landschap. Ze bepalen mede de kenmerken van het landschap en zijn daarvan niet los te zien. Een polderlint is een lint waarin de bebouwing ligt op een gelijk niveau met de omgeving. Dit biedt ruimte voor plaatselijke verbreding van het profiel door een verschil in kaveldiepte. In deze linten liggen kansen voor ontwikkelingen, mits rekening wordt gehouden met de overige karakteristieken van het lint.
De uitbreiding van het bedrijf vindt buiten het lint, maar aansluitend daaraan plaats. Er is daarmee sprake van kansen voor ontwikkelingen, mits deze de overige karakteristieken van het lint niet aantasten. De ontwikkeling vindt plaats op de van het lint afgekeerde zijde van het erf. Het bebouwingsbeeld van het lint zal daarmee niet worden aangetast. Daarnaast is geen sprake van nieuwe bebouwing en geen sprake van wijzigingen aan de structuur van het lint. Er is daarmee geen sprake van doorzichten vanuit het lint naar het achterliggende landschap die met het initiatief kunnen worden aangetast. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot een mogelijke aantasting van de karakteristieken van het lint, waarmee de ontwikkeling als passend wordt gezien.
Het initiatief zal daarmee niet leiden tot nadelige gevolgen voor de laag van de cultuur- en natuurlandschappen.
Laag van de stedelijke occupatie:
Vanuit de laag van de stedelijke occupatie is de locatie gelegen in gebied waarvoor geen nadere kenmerken zijn vastgelegd.
Het initiatief leidt daarmee niet tot nadelige gevolgen voor de laag van de stedelijke occupatie.
Laag van de beleving:
Vanuit de laag van de beleving is de locatie eveneens gelegen in gebied waarvoor geen nadere kenmerken zijn vastgelegd.
Het initiatief leidt daarmee niet tot nadelige gevolgen voor de laag van de beleving.
Het initiatief leidt, gezien het voorgaande, niet tot een onevenredige aantasting van de gebiedskwaliteit.
Verder zijn binnen de provincie verschillende beschermingscategorieën aangewezen voor de bescherming en instandhouding van waardevolle landschappen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in beschermingscategorie 1 en beschermingscategorie 2. De locatie is niet in een gebied gelegen waarvoor beschermingscategorie 1 en/of 2 is vastgelegd.
Wel is de locatie in een gebied gelegen dat is aangemerkt als "buitengebied". Hiervoor heeft de provincie een aanvullende beschermingscategorie vastgesteld, namelijk beschermingscategorie 3. In de omgevingsverordening is opgenomen dat in gebieden met beschermingscategorie 3 initiatieven mogelijk zijn die vallen onder "inpassen", "aanpassen" en/of "transformeren" zo lang zij in overeenstemming zijn met artikel 7.43h van de verordening. Daarin is opgenomen dat kan worden voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling als de openheid en het groene karakter van het landschap niet worden aangetast en wordt gemotiveerd waarom wordt gekozen voor een locatie buiten bestaand stads- en dorpsgebied.
Bij het initiatief vindt de ontwikkeling plaats op het bestaande erf en vrijwel geheel binnen het bestaande ruimtebeslag. Er is geen sprake van nieuwbouw en geen sprake van een mogelijke aantasting van het groene en open karakter van het omliggende landschap en/of van de kenmerkende verkaveling. De ontwikkeling is daarnaast kleinschalig van aard en heeft weinig tot geen impact op het landschap. Daarnaast wordt de locatie goed landschappelijk ingepast, waarmee het initiatief geen nadelige impact heeft op de openheid en het groene karakter van het landschap.
Vanwege de recreatieve aard van het initiatief en het feit dat er agrarisch duurzaam beheer van de graslanden plaatsvindt door extensieve en duurzame begrazing door de gehouden Lakenvelder zoogkoeien, draagt het initiatief bij aan het behoud en de kwaliteit van het landschap. Daarnaast zijn de activiteiten sterk aan het buitengebied gebonden. In onderhavig geval is daarom dus verantwoord gekozen voor een locatie buiten het bestaande stads- en dorpsgebied.
Op basis van het voorgaande wordt voldaan aan de regels zoals zijn opgenomen in artikel 7.43h van de omgevingsverordening.
In artikel 7.41a van de omgevingsverordening is verder opgenomen dat rekening gehouden moet worden met de gevolgen van de risico's van klimaatverandering, tenminste voor zover het betreft de risico's ten aanzien van:
Zoals omschreven in de paragraaf "Klimaatadaptatie" (paragraaf 5.13.3), waarin de genoemde aspecten afzonderlijk zijn afgewogen, van deze toelichting is met het initiatief voldoende rekening gehouden met de gevolgen van klimaatverandering.
Daarnaast moet rekening gehouden worden met de effecten van de gevolgen op het risico van bodemdaling.
De locatie is gelegen in een droogmakerijlandschap met klei, aangrenzend aan het veen. Bij kleigronden treedt bodemdaling op als het water door ontwatering uit deze gronden verdwijnt. Om te voorkomen dat het water uit de gronden verdwijnt is het van belang het grondwater op peil te houden.
Met het initiatief is geen sprake van activiteiten die het grondwater aan de gronden onttrekken. Er is daarmee geen sprake van activiteiten die het grondwaterpeil nadelig kunnen beïnvloeden. Het initiatief leidt daarmee niet tot een risico voor bodemdaling. Het initiatief staat verdere maatregelen ten behoeve van bodemdaling daarnaast ook niet in de weg.
Aan de regels uit artikel 7.41a wordt daarmee met het initiatief voldaan.
Het initiatief is niet in strijd met de regels zoals zijn opgenomen in de (TAM-) Omgevingsverordening Zuid-Hollandse Omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland.
De locatie valt binnen het werkgebied van het Hoogheemraadschap van Rijnland (hierna: het hoogheemraadschap).
| Het initiatief heeft geen nadelige gevolgen voor de doelstellingen en uitgangspunten die het waterschap heeft opgenomen in het waterbeheerprogramma. |
Op 8 februari 2022 heeft het hoogheemraadschap het waterbeheerprogramma vastgesteld. Daarin heeft het hoogheemraadschap de doelstellingen omschreven die zij hebben binnen de planperiode.
Het hoogheemraadschap streeft naar een klimaatbestendige leefomgeving, waarin ook op lange termijn nog veilig en gezond kan worden gewoond, gewerkt en genoten. Daarbij is het van belang om water meer sturend te maken en speelt een goed waterbeheer de hoofdrol.
De hoofddoelstellingen van het hoogheemraadschap zijn het zorgen voor droge voeten, het zorgen voor schoon water en het zorgen voor voldoende water. Met goed waterbeheer en afvalwaterzuivering draagt het hoogheemraadschap bij aan de volksgezondheid, de waterveiligheid en de economie. Ontwikkelingen als klimaatverandering, verstedelijking, toenemende behoefte aan recreatie, veranderingen in de landbouw en nieuwe technologie vereisen een verandering in de manier waarop deze doelen worden bereikt en hoe het hoogheemraadschap de taken uitvoert. Het hoogheemraadschap wil een positieve bijdrage leveren aan de circulaire economie, de energietransitie, de ruimtelijke kwaliteit, het recreatieve medegebruik en versterking van de biodiversiteit.
Het hoogheemraadschap heeft in het waterbeheerprogramma de volgende maatschappelijke opgaven opgenomen:
Deze maatschappelijke opgaven zijn uitgewerkt in doelstellingen voor specifieke gebieden. Voor het gebied waarin de locatie is gelegen zijn in het waterbeheerprogramma de volgende doelstellingen opgenomen:
Droge voeten in de droogmakerij:
De droogmakerijen liggen meters onder zeeniveau en zijn omgeven door waterkeringen met een hoog beschermingsniveau. Breekt een waterkering door, dan kan dat lokaal grote economische en maatschappelijke gevolgen hebben. Bij de bouw van grote woonwijken en essentiële infrastructuur of bij de locatiekeuze voor vitale functies is dan ook altijd deze vraag belangrijk: is deze locatie geschikt, als wordt gekeken naar duurzaam waterbeheer en veiligheid?
Met het initiatief is geen sprake van grote woonwijken of essentiële infrastructuur. Er is daarnaast geen sprake van een vitale functie. Wel is sprake van een activiteit met gevoelige functies. Het is daarom de vraag of dit dan een geschikte locatie is voor de functie in verband met waterveiligheid. Zoals nader omschreven in de paragraaf "Waterveiligheid" (paragraaf 5.12.1) is met het initiatief geen sprake van mogelijke belemmeringen ten aanzien van de waterveiligheid. Daarmee is de locatie geschikt in het kader van de waterveiligheid.
Van zoet tot zilt:
In de droogmakerijen komt kwelwater omhoog uit diepere ondergrond met brak tot zout grondwater. Dit zoutere water bereikt watergangen en de bodem van landbouwgebieden. Maar het is minder geschikt voor akkerbouw en bollenteelt en kan nadelig zijn voor de waterkwaliteit en watergebonden natuur. Ook wordt het kwelwater op lange termijn steeds zouter, hierdoor neemt de verzilting in de watergangen toe. Tot nu toe kan het hoogheemraadschap schoon zoet water door de meeste droogmakerijen laten stromen en zo het zoute water doorspoelen en de agrarische functies goed faciliteren. Op langere termijn (tientallen jaren) komt dit door droogte en zeespiegelstijging steeds meer onder druk te staan.
Met het initiatief wordt een andere functie dan agrarisch de hoofdfunctie. De gewenste recreatieve functie is minder afhankelijk van het zoete water dan een agrarisch bedrijf. Daarnaast vinden met het initiatief geen activiteiten plaats die het water verder verzilten en/of die het tegengaan van de verzilting in de weg staan. Er worden op het bedrijf al maatregelen getroffen om het waterverbruik zo laag mogelijk te houden en er worden mogelijkheden onderzocht om zoet water langer vast te houden. Met het initiatief is daarmee geen sprake van activiteiten die de doelstelling van zoet tot zilt in de weg staan.
Er is daarmee geen sprake van nadelige gevolgen voor de doelstellingen die zijn verwoord in het waterbeheerprogramma van het hoogheemraadschap.
| Het initiatief is niet in strijd met de regels en uitgangspunten die het hoogheemraadschap heeft opgenomen in de waterschapsverordening. |
Gemeenten en provincies moeten omgevingsvisies opstellen voor het eigen grondgebied. Waterschappen en hoogheemraadschappen stellen zelf geen omgevingsvisie op, maar hebben wel beleidsdoelen. Het is de bedoeling dat ze hun beleid inbrengen als gemeenten en provincies hun omgevingsvisies opstellen.
Het hoogheemraadschap kan als waterbeheerder de ambities en beleidskeuzes wel in een visie of ander beleidsdocument aangeven. Daarnaast stelt het hoogheemraadschap een waterschapsverordening vast. De waterschapsverordening bevat alle regels over de fysieke leefomgeving die het hoogheemraadschap stelt binnen haar beheergebied.
Het hoogheemraadschap heeft op 1 januari 2024 de waterschapsverordening vastgesteld. Deze is verschillende keren aangevuld en geactualiseerd. De meest recente versie is op 1 november 2024 in werking getreden.
In de waterschapsverordening zijn een aantal activiteiten opgenomen waarvoor een vergunning van het hoogheemraadschap nodig is. Daarnaast zijn in de waterschapsverordening een aantal activiteiten opgenomen waarvoor geen vergunning nodig is, maar waarvoor een melding moet worden gedaan. Ten slotte geldt voor sommige activiteiten een zorgplicht.
Indien met het initiatief sprake is van activiteiten waarvoor een vergunning nodig is, een melding dient te worden gedaan en/of de zorgplicht geldt dan wordt dat voorafgaand aan het uitvoeren van de activiteiten verder met het hoogheemraadschap geregeld.
Verder gelden aanvullende regels voor het afvoeren van hemelwater. Zoals nader omschreven in de paragraaf "Afvoer van hemelwater" (paragraaf 5.12.4) wordt met het initiatief aan de regels voor de afvoer van hemelwater voldaan.
Het initiatief is daarmee niet in strijd met de regels zoals zijn opgenomen in de waterschapsverordening van het waterschap.
| Het initiatief past goed binnen de doelstellingen en uitgangspunten die de gemeente heeft opgenomen in de gemeentelijke omgevingsvisie. |
Op 5 februari 2024 heeft de gemeente Kaag en Braassem voor het gehele grondgebied van de gemeente de Omgevingsvisie Kaag en Braassem vastgesteld. In de omgevingsvisie heeft de gemeente de ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving voor de lange(re) termijn opgenomen. De omgevingsvisie is niet juridisch bindend, maar biedt de kaders voor het ruimtelijk beleid zoals is opgenomen in het omgevingsplan.
Vanuit de omgevingsvisie is de locatie gelegen in een gebied dat is aangemerkt als 'droogmakerij (klei)'. De droogmakerijen zijn grootschalige open polders en worden voornamelijk gebruikt als agrarisch productielandschap. Het primaire grondgebruik is landbouw, zowel akkerbouw als veeteelt.
Binnen de droogmakerij is er ruimte voor recreatie. Het gaat dan om recreatieve routes, met daarbij trekpleisters zoals een agrarisch bedrijf waarbij de recreatie tot een volwaardige tweede hoofdtak is geworden. Voorwaarde daarbij is dat er ook nadrukkelijk aandacht is voor verhoging van de landschaps- en natuurwaarden door bijvoorbeeld het versterken en/of creëren van ecologische verbindingszones en door een vergroting van de biodiversiteit. De intensivering van recreatie is mogelijk als sprake is van duurzame activiteiten, een verbetering van de bodemkwaliteit en/of van een bijdrage aan de biodiversiteit.
Met het initiatief is sprake van een intensivering van de recreatieve activiteiten. Dit is mogelijk in het gebied onder de hiervoor genoemde voorwaarden. Ten behoeve van het initiatief wordt de locatie op een bij het gebied passende manier landschappelijk ingepast. Hiertoe is door een landschapsdeskundige een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld waarin de landschappelijke inpassing nader is uitgewerkt en onderbouwd. Met de landschappelijke inpassing wordt geïnvesteerd in de ruimtelijke en landschappelijke kwaliteit en wordt door middel van het aanbrengen van landschappelijke elementen bijgedragen aan de biodiversiteit. Daarnaast wordt duurzaam ontwikkeld en wordt door middel van extensieve begrazing bijgedragen aan het behoud en beheer van het grasland in de omgeving. Het initiatief past daarmee binnen de mogelijkheden voor recreatie in de droogmakerijen met klei als ondergrond.
Voor wat betreft dag- en verblijfsrecreatie is in de visie opgenomen dat bestaande bedrijven ruimte krijgen om te groeien en dat nieuwe bedrijven in de dag- en verblijfsrecreatieve sector de kans krijgen zich te vestigen. Verblijfsrecreatie gebeurt vooral op kleine schaal, maar wanneer dit in het landschap goed inpasbaar is wordt beperkt ruimte gegeven aan grootschaligere projecten. Recreatie wordt vooral ingestoken als nevenactiviteit bij agrarische bedrijven, maar kan incidenteel ook als hoofdactiviteit mogelijk worden gemaakt, mits dit het waardevolle open landschap niet schaadt.
Met het initiatief is sprake van de uitbreiding van een bestaande recreatieve activiteit. Dit was in beginsel een nevenactiviteit bij een agrarisch bedrijf, maar is uitgegroeid tot een hoofdactiviteit. Dit past binnen de visie, mits geen sprake is van een aantasting van het waardevolle open landschap. Met het initiatief is sprake van een relatief kleinschalige ontwikkeling op een bestaand erf, vrijwel geheel binnen het bestaande ruimtebeslag. Er vindt geen nieuwbouw plaats en er is geen sprake van wijzigingen aan het landschap en/of de structuur daarvan. Er is daarmee geen sprake van een mogelijke aantasting van het waardevolle open landschap.
Het initiatief sluit daarmee goed aan bij de doelstellingen en beleidsuitgangspunten die zijn opgenomen in de Omgevingsvisie Kaag en Braassem van de gemeente Kaag en Braassem.
Een van de belangrijkste uitgangspunten van de Omgevingswet is het zorg dragen voor een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Om te bepalen of daar sprake van is moet een zorgvuldige afweging worden gemaakt van de mogelijke effecten van een ontwikkeling op de fysieke leefomgeving. Aan de hand van die afweging kan worden bepaald of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In dit hoofdstuk wordt deze afweging gemaakt.
| Met het initiatief is sprake van een activiteit waarvoor een beoordelingsplicht geldt. Hiervoor is een aanmeldingsnotitie opgesteld. Op basis daarvan zal de gemeente besluiten of een volledige milieueffectrapportage nodig is. Gezien de beperkte effecten van het initiatief wordt niet verwacht dat een volledige milieueffectrapportage nodig is. |
Vanuit de Omgevingswet geldt een verplichting voor het opstellen van een milieueffectrapportage als sprake is van een plan of programma dat aanzienlijke milieueffecten kan hebben. Om te kunnen bepalen of sprake is van een dergelijk plan of programma dient eerst te worden bekeken welke activiteiten met het plan of programma mogelijk worden gemaakt en of deze activiteiten kunnen leiden tot aanzienlijke milieueffecten. In het Omgevingsbesluit is, in bijlage V daarvan, een overzicht opgenomen voor welke activiteiten een beoordelingsplicht geldt. Komt een activiteit niet op de lijst uit bijlage V van het Omgevingsbesluit dan geldt voor die activiteit geen beoordelingsplicht en hoeft dus geen milieueffectrapportage te worden opgesteld.
Als een activiteit wel op de lijst uit bijlage V van het Omgevingsbesluit voorkomt dan moet verder worden bekeken wanneer sprake is van een beoordelingsplicht of wanneer er meteen een milieueffectrapportage moet worden gemaakt. Voor elk van de in de lijst voorkomende activiteiten zijn gevallen opgenomen wanneer voor die activiteit een beoordelingsplicht geldt. Daarnaast is in de lijst voor elk van deze activiteiten opgenomen wanneer een milieueffectrapportage moet worden opgesteld.
Met het initiatief is sprake van een recreatiebedrijf met kampeerterrein en een agrarische nevenactiviteit waarbij dieren worden gehouden.
Het houden van dieren is vanuit bijlage V van het Omgevingsbesluit een activiteit waarvoor een beoordelingsplicht geldt. Dit geldt echter alleen voor wijzigingen aan het aantal gehouden dieren en/of het stalsysteem waarop de dieren worden gehouden. Met het initiatief is geen sprake van dergelijke wijzigingen, waardoor voor de gehouden dieren geen verdere beoordelingsplicht geldt.
Voor recreatie geldt een beoordelingsplicht bij permanente kampeerterreinen. Daarvoor geldt echter geen directe verplichting tot het opstellen van een volledige milieueffectrapportage. Omdat met het initiatief sprake is van een kampeerterrein dat jaarrond geopend is en kan worden gebruikt is sprake van een permanent kampeerterrein, waarvoor een beoordelingsplicht geldt.
Omdat sprake is van activiteiten waarvoor de beoordelingsplicht geldt, dient te worden beoordeeld of de activiteiten kunnen leiden tot aanzienlijke milieueffecten. Om dit in beeld te brengen wordt voor het initiatief een aanmeldingsnotitie opgesteld. Daarin zijn de verschillende mogelijke effecten van de gehele bedrijfsvoering op het milieu, net als in voorliggende toelichting, zorgvuldig afgewogen. Op basis van de aanmeldingsnotitie zal de gemeente Kaag en Braassem een besluit nemen of een aanvullende milieueffectrapportage noodzakelijk zal zijn. Gezien, zoals blijkt uit dit hoofdstuk in de voorliggende toelichting, de beperkte effecten van het initiatief op het gebied van milieu wordt echter niet verwacht dat een aanvullende milieueffectrapportage nodig is.
Daarmee zijn de milieueffecten voldoende afgewogen en is geen sprake van een initiatief dat zal leiden tot aanzienlijke milieueffecten.
| Binnen de geluidruimte zone en/of geurruimte zone van de locatie zijn gevoelige gebouwen gelegen. Daarmee is een nadere afweging nodig of de maximale waarden die de activiteiten mogen veroorzaken op gevoelige gebouwen worden overschreden of niet. Deze afweging is verderop in deze toelichting gemaakt in de paragrafen "Geluid" (paragraaf 5.3) en "Geur" (pararaaf 5.4). Uit deze nadere afweging verderop in deze toelichting blijkt dat de maximale waarden op de betreffende gevoelige gebouwen niet worden overschreden. Met het initiatief worden geen nieuwe gevoelige gebouwen opgericht en is geen sprake van het wijzigen van de functie van een bestaand gevoelig gebouw. Er is daarmee geen sprake van een mogelijke beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende functies en/of bedrijven. |
In de Omgevingswet is het belangrijk dat er sprake is van een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. Dat wil zeggen dat het ruimtelijke spoor en het milieuspoor verder samen geïntegreerd worden. Deze integratie vindt plaats op lokaal niveau en wordt geregeld in het omgevingsplan. In de praktijk vraagt dit om maatwerk met een lokale afweging per locatie in plaats van een meer algemene afweging.
De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft in 2024 de publicatie "Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet" met de daarbij behorende staalkaart en tabel met activiteiten gepubliceerd. De kern van deze publicatie is om de toelating van bedrijven te regelen op basis van een voor een locatie beschikbare milieuruimte per activiteit, aan de hand van concrete milieuwaarden. Er wordt daarbij vooral ingegaan op "Geluid door activiteiten" en "Geur", uit de Omgevingswet, zoals zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Met de publicatie kan beter een inschatting worden gemaakt of een activiteit voor wat betreft de benodigde gebruiksruimte voor geluid en geur in een bepaald gebied inpasbaar is.
In de tabel met activiteiten die de VNG bij de publicatie heeft opgenomen zijn voor elk van de activiteiten zogenaamde "geluidruimte zones" en "geurruimte zones" opgenomen. Binnen deze zones zijn in de publicatie richtwaarden voor geluid en geur opgenomen waaraan een activiteit moet voldoen. Met andere woorden, de activiteit mag maximaal de richtwaarden aan geluidhinder en geurhinder veroorzaken op gevoelige gebouwen die binnen de "geluidruimte zone" en "geurruimte zone" van die activiteit gelegen zijn. De zones en richtwaarden van de VNG zijn richtlijnen en geen harde normen. Uiteindelijk bepaalt de gemeente zelf bij het opstellen van het omgevingsplan welke waarden, normen en afstanden aangehouden moeten worden. Voor nieuwe activiteiten bieden de zones en richtwaarden echter wel een goed eerste toetsingskader.
In de publicatie van de VNG wordt onderscheid gemaakt tussen gebieden die zijn aan te merken als "rustige woonwijk/rustig buitengebied" en gebieden die zijn aan te merken als "gemengd gebied". Een gemengd gebied is een gebied waarin meerdere functies naast elkaar voorkomen of een gebied dat aan een (drukke) ontsluitingsweg ligt. In een dergelijk gebied is een zekere mate van hinder te verwachten, waardoor in gemengde gebieden meer ruimte is voor activiteiten.
De locatie is gelegen in een bebouwingslint waarin verschillende functies naast elkaar voorkomen. Er is sprake van woningen en (agrarische en/of niet-agrarische) bedrijvigheid die op redelijk korte afstand van elkaar aanwezig zijn. Daarnaast is het gebied waarin de locatie is gelegen aan een drukke ontsluitingsweg gelegen (de Willem van der Veldenweg). Het gebied waarin de locatie is gelegen kan daarmee worden gezien als een "gemengd gebied".
Met het initiatief is sprake van verblijfsrecreatie, vergelijkbaar met een kampeerterrein. Daarnaast wordt als neventak rundvee gehouden. Voor een kampeerterrein geldt in het gemengd gebied een geluidruimte zone van 30 meter en een geurruimte zone van 10 meter. Voor het houden van rundvee in een gemengd gebied geldt een geluidruimte zone van 10 meter en een geurruimte zone van 50 meter. De geluidruimte zone van het gehele bedrijf bedraagt daarmee 30 meter en de geurruimte zone van het gehele bedrijf bedraagt daarmee 50 meter.
Momenteel is sprake van een plattelandswoning aan de Willem van der Veldenweg 55. Deze woning heeft in het verleden behoord tot het bedrijf van de initiatiefnemer, maar is als plattelandswoning van het bedrijf afgesplitst. Een plattelandswoning kan formeel alleen bij een agrarisch bedrijf dat in uitvoering is. Met de omschakeling van het agrarisch bedrijf naar een recreatiebedrijf moet de betreffende plattelandswoning echter worden beschouwd als zijnde een burgerwoning. Wel blijft sprake van een woning die op of na 19 maart 2000 behoorde of heeft behoord tot een veehouderij.
Deze woning is, gemeten vanaf het bouwvlak daarvan tot aan het bouwvlak van de initiatiefnemer, gelegen op een afstand van ongeveer 13 meter, waarmee deze woning binnen de geluidruimte zone en geurruimte zone van het bedrijf van de initiatiefnemer is gelegen.
Daarna is de dichtstbijzijnde gevoelige functie de burgerwoning aan de Willem van der Veldenweg 59. Deze woning is, gemeten van het bouwvlak van deze woning tot aan het gewenste bouwvlak van de initiatiefnemer, gelegen op een afstand van ongeveer 65 meter van de locatie. Deze woning is daarmee niet binnen de geluidruimte zone en geurruimte zone van het bedrijf gelegen.
Afgezien van de (voormalige) plattelandswoning zijn er daarmee geen gevoelige functies en/of gebouwen binnen de geluidruimte zone en geurruimte zone van het bedrijf van de initiatiefnemer gelegen. Voor de (voormalige) plattelandswoning is daarmee een nadere afweging nodig op het gebied van geluid en geur. In deze toelichting is op het gebied van geluid en geur een verdere concrete afweging gemaakt, waarin het initiatief is getoetst aan de normen die daarvoor gelden uit het gemeentelijke omgevingsplan. Deze verdere afweging is opgenomen in de paragrafen "Geluid" (paragraaf 5.3) en "Geur" (paragraaf 5.4) van deze toelichting. Uit deze verdere afweging blijkt dat het initiatief niet zal leiden tot een overschrijding van de normen die gelden voor geluid en geur uit het gemeentelijke omgevingsplan. Daarmee is het initiatief inpasbaar op het gebied van geluid en geur.
Daarnaast is in de huidige situatie al sprake van een rundveehouderij. Door de beëindiging van het agrarisch bedrijf en de omschakeling daarvan naar een recreatiebedrijf wordt het houden van dieren alleen nog als nevenactiviteit mogelijk gemaakt. Een recreatiebedrijf met als neventak het houden van enkele dieren heeft een lagere milieubelasting dan een volwaardig veehouderijbedrijf. Het initiatief leidt daarmee eerder tot een vermindering van de eventuele milieuhinder aan de omgeving.
Als sprake is van het oprichten van een nieuw gevoelig gebouw of als een bestaand gevoelig gebouw van functie verandert dan is het belangrijk dat dit nieuwe of gewijzigde gevoelige gebouw niet zal leiden tot een beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende functies en/of bedrijven.
Met het initiatief is sprake van een kampeerterrein en van verblijfsrecreatie. Vanuit het geldende omgevingsplan zijn de volgende gebouwen en/of functies aan te merken als gevoelige gebouwen en functies:
Met het initiatief is geen sprake van een van de voorgaande functies en/of gebouwen, waarmee geen sprake is van het oprichten van een nieuwe gevoelige functie en/of een nieuw gevoelig gebouw. Het initiatief zal daarom niet leiden tot een mogelijke (verdere) beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende functies en/of bedrijven.
| Bij het initiatief is geen sprake van het uitvoeren van activiteiten waarvoor in ieder geval een akoestisch onderzoek nodig is. Binnen de geluidruimte zone van de activiteiten die op de locatie worden uitgevoerd zijn wel geluidgevoelige gebouwen gelegen. Er zal echter geen sprake zijn van geluidhinder op deze geluidgevoelige gebouwen. Er is daarnaast geen sprake van het oprichten van nieuwe geluidgevoelige gebouwen en/of van het wijzigen van de functie van bestaande geluidgevoelige objecten. Er zal daarmee dan ook geen sprake zijn van de belemmering van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende functies, bedrijven en/of activiteiten. |
Vanuit de Omgevingswet is het van belang dat geluidgevoelige gebouwen worden beschermd tegen geluid van activiteiten in de omgeving. Een geluidgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een:
Gemeenten moeten voor de bescherming van deze geluidgevoelige gebouwen regels opstellen in het omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels die gemeenten bij het opstellen van het omgevingsplan in acht moeten nemen. In deze instructieregels staan standaardwaarden en grenswaarden. Binnen deze waarden hebben gemeenten de ruimte om naar eigen inzicht normen in het omgevingsplan op te nemen die zij voor de geluidbelasting op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar vinden. De geldende normen voor wat betreft geluid zijn dan ook opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente. Ook mag een gemeente in het omgevingsplan nog extra gebouwen aanwijzen als geluidgevoelig gebouw als daar voldoende aanleiding voor is. Dit moet door de gemeente dan wel goed worden onderbouwd in het omgevingsplan.
De gemeente Kaag en Braassem heeft nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de normen voor geluid hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige Wet geluidhinder en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.
In het geldende omgevingsplan zijn een aantal activiteiten opgenomen waarvoor in ieder geval een akoestisch onderzoek wordt gevraagd. Dit betreffende volgende activiteiten:
Bij het initiatief worden geen van de voorgaande activiteiten uitgevoerd. Er is daarmee geen sprake van activiteiten ter plaatse waarvoor in ieder geval een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Wel moet met de het initiatief aan de normen die gelden voor geluid uit het geldende omgevingsplan worden voldaan.
Binnen de geluidruimte zones, zoals zijn opgenomen in de tabel met activiteiten van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) voor de uitgevoerde activiteiten, welke maximaal 30 meter bedraagt, zijn geluidgevoelige gebouwen gelegen. Daarmee moet worden aangetoond dat aan de normen voor geluid zoals zijn opgenomen in het omgevingsplan kan worden voldaan.
Binnen de gemeente Kaag en Braassem geldt dat de maximale geluidbelasting op geluidgevoelige gebouwen in de dagperiode (tussen 7:00 en 19:00) maximaal 50 decibel, in de avondperiode (19:00 – 23:00) maximaal 45 decibel en in de nachtperiode (tussen 23:00 en 7:00) maximaal 40 decibel bedragen.
In de huidige bedrijfssituatie is geen sprake van een overschrijding van de gestelde normen. In de huidige situatie is reeds sprake van de uitgevoerde activiteiten, hetzij in iets ander verband dan in de gewenste situatie. Het vee neemt af in vergelijking met de huidige (maximaal mogelijke) situatie en het aantal kampeerplaatsen neemt toe. De uitbreiding van het kampeerterrein vindt echter plaats aan de van de dichtstbijzijnde woning afgekeerde zijde van het erf. Daarmee zal de geluidbelasting op de dichtstbijzijnde woning niet toenemen. Omdat het gehouden vee in aantallen afneemt zal de geluidbelasting op deze woning door de activiteiten eerder afnemen. De andere woningen liggen op voldoende afstand van het bedrijf, buiten de geluidruimte zone, waardoor de gewenste uitbreiding van het bedrijf niet zal leiden tot een overschrijding van de gestelde normen op de betreffende woningen als gevolg van de activiteiten.
Ter plaatse zal sprake zijn van kleinschalige evenementen. Het gaat daarbij om kleinschalige evenementen die zowel binnen als buiten plaatsvinden. De evenementen zullen voor wat betreft de geluidbelasting binnen de normen voor geluid blijven. Bij evenementen waarbij, bijvoorbeeld door versterkte muziek, een latere eindtijd of een groter aantal personen, kan worden aangenomen dat deze de normen voor geluid zullen gaan overstijgen zal per evenement een aparte aanvraag worden gedaan bij het bevoegd gezag. Dit houdt in de praktijk in dat evenementen die de geluidnormen zullen overstijgen niet meer zullen worden gehouden tenzij hiervoor specifiek een omgevingsvergunning en/of een ontheffing is verkregen. Om te borgen dat zonder een omgevingsvergunning en/of een ontheffing geen evenementen plaatsvinden die de normen voor geluid overschrijden is in de definitie van een kleinschalig evenement zoals is opgenomen in de planregels behorende bij dit plan in de begripsbepaling opgenomen dat onder een evenement het volgende wordt verstaan:
"een gebeurtenis, gericht op een al dan niet groot publiek, met betrekking tot kunst, sport, ontspanning en/of cultuur, passend binnen de vanuit het Omgevingsplan gemeente Kaag en Braassem geldende normen voor geluid".
Verder is in de planregels geborgd dat geen versterkt geluid mag worden geproduceerd. Daarmee is met het initiatief geen sprake van geluidhinder op geluidgevoelige gebouwen in de omgeving.
Om te onderzoeken of de gewenste bedrijfsmatige activiteiten passen binnen de normen voor geluid uit het geldende omgevingsplan is door een akoestisch onderzoeksbureau een akoestisch onderzoek naar industrielawaai uitgevoerd, waarin de voorgenomen bedrijfsactiviteiten zijn meegenomen als geluidbronnen. Uit dit onderzoek, waarvan de volledige rapportage is opgenomen als bijlage 3 bij deze toelichting, blijkt het volgende:
Het initiatief zal daarmee niet leiden tot geluidhinder die de normen uit het geldende omgevingsplan zal overschrijden.
Als een nieuw geluidgevoelig gebouw wordt opgericht of als een bestaand geluidgevoelig gebouw van functie wordt veranderd dan kan dit functies, bedrijven en/of activiteiten in de omgeving in de ontwikkelingsmogelijkheden beperken. Er moet dan worden aangetoond dat aan de normen voor geluid zoals zijn opgenomen in het geldende omgevingsplan kan worden voldaan.
Bij het initiatief worden geen nieuwe geluidgevoelige gebouwen opgericht en worden geen bestaande geluidgevoelige gebouwen van functie veranderd. Er zal daarmee geen sprake zijn van een mogelijke verdere beperking van functies, bedrijven en/of activiteiten in de omgeving.
| Met het initiatief worden geen nieuwe geluidgevoelige gebouwen opgericht en/of worden geen bestaande geluidgevoelige gebouwen van functie veranderd. Een nadere afweging op dit punt is daarmee niet nodig. |
Als een nieuw geluidgevoelig gebouw wordt opgericht of als een bestaand geluidgevoelig gebouw van functie wordt veranderd dan moet worden gekeken of kan worden voldaan aan de normen die zijn opgenomen in het geldende omgevingsplan.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn standaardwaarden en grenswaarden opgenomen voor geluid op geluidgevoelige gebouwen. Voor geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen moet binnen de zogenaamde aandachtszones voor geluid die daaromheen gelegen zijn een nadere afweging van de geluidbelasting op nieuwe geluidgevoelige gebouwen en/of geluidgevoelige gebouwen die van functie worden veranderd te worden gemaakt. In het geldende omgevingsplan moeten gemeenten daarvoor aanvullende regels opnemen voor de bescherming van geluidgevoelige gebouwen binnen de aandachtszones van wegen, spoorwegen en industrieterreinen.
De gemeente Kaag en Braassem heeft nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de normen voor geluid hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige Wet geluidhinder en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.
Bij het initiatief is geen sprake van het oprichten van nieuwe geluidgevoelige gebouwen en/of van de wijziging van bestaande geluidgevoelige gebouwen. Er is daarmee geen verdere afweging van het geluid van wegen, spoorwegen en industrieterreinen nodig.
| Bij het initiatief is sprake van activiteiten met een emissie van geur. Daarnaast zijn binnen de geurruimte zone van de activiteiten die op de locatie worden uitgevoerd geurgevoelige gebouwen gelegen. Er zal echter geen sprake zijn van een overschrijding van de geldende geurnormen en daarmee geen sprake van geurhinder op deze geurgevoelige gebouwen. Er is daarnaast geen sprake van het oprichten van nieuwe geurgevoelige gebouwen en/of van het wijzigen van de functie van bestaande geurgevoelige gebouwen. Er zal daarmee dan ook geen sprake zijn van de belemmering van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende functies, bedrijven en/of activiteiten. |
Vanuit de Omgevingswet is het van belang dat geurgevoelige gebouwen worden beschermd tegen geur van activiteiten in de omgeving. Gemeenten moeten hier regels voor opstellen in het omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels die gemeenten bij het opstellen van het omgevingsplan in acht moeten nemen. In deze instructieregels staan standaardwaarden en grenswaarden. Binnen deze waarden hebben gemeenten de ruimte om naar eigen inzicht normen in het omgevingsplan op te nemen die zij voor de geurbelasting op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar vinden. De geldende normen voor wat betreft geur zijn dan ook opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente.
De gemeente Kaag en Braassem heeft nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de normen voor geur hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige Wet geurhinder en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.
Met het initiatief worden, bij wijze van nevenactiviteit, nog runderen gehouden. Het houden van runderen veroorzaakt mogelijk geurhinder op geurgevoelige gebouwen. Binnen de geurruimte zone is alleen de (voormalige) plattelandswoning aan de Willem van der Veldenweg 55 gelegen. Op de overige woningen in de omgeving kan, gezien deze buiten de geurruimte zone van het bedrijf zijn gelegen en gezien het feit dat in de huidige situatie al aan de geurnormen kan worden voldaan en de veestapel alleen maar afneemt, daarmee aan de geurnormen uit het geldende omgevingsplan worden voldaan. De (voormalige) plattelandswoning betreft een woning die op of na 19 maart 2000 behoorde of heeft behoord tot een veehouderij (het bedrijf van de initiatiefnemer). Voor deze woningen geldt dat, in plaats van aan de geurnormen, alleen wordt getoetst aan de vaste afstanden zoals zijn opgenomen in het geldende omgevingsplan (van rechtswege). De gemeente Kaag en Braassem heeft de Verordening geurhinder en veehouderij vastgesteld. Deze maakt deel uit van de bruidsschat en daarmee van het omgevingsplan van rechtswege. In deze verordening is (in artikel 5) opgenomen dat als de functie van een (voormalige) bedrijfswoning wijzigt naar een burgerwoning een minimale afstand van deze woning tot aan de gevel (en het emissiepunt) van een dierenverblijf minimaal 25 meter moet bedragen.
De betreffende (voormalige) plattelandswoning is, gemeten van het bouwvlak van deze woning tot aan het dierenverblijf van de initiatiefnemer, gelegen op een afstand van ongeveer 30 meter van de gevel van het dierenverblijf op het bedrijf. Daarmee kan aan de vaste afstanden zoals gelden vanuit het geldende omgevingsplan worden voldaan. Er zal daarmee geen sprake zijn van een onevenredige geurhinder aan de omgeving.
Als een nieuw geurgevoelig gebouw wordt opgericht of als een bestaand geurgevoelig gebouw van functie wordt veranderd dan kan dit functies, bedrijven en/of activiteiten in de omgeving in de ontwikkelingsmogelijkheden beperken. Er moet dan worden aangetoond dat aan de normen voor geur zoals zijn opgenomen in het geldende omgevingsplan kan worden voldaan.
Bij het initiatief is geen sprake van het oprichten van nieuwe geurgevoelige gebouwen en/of van de wijziging van bestaande geurgevoelige gebouwen. Omliggende functies, bedrijven en/of activiteiten zullen daarmee niet verder in de ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt.
Vanuit de Omgevingswet is het van belang dat aandacht wordt geschonken aan een aanvaardbare kwaliteit van de buitenlucht (ook wel de luchtkwaliteit genoemd). Gemeenten moeten hier regels voor opstellen in het omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan instructieregels om een verslechtering van de luchtkwaliteit te voorkomen. Deze regels hebben de bedoeling de luchtkwaliteit te beschermen en te verbeteren.
| De locatie is niet in een van de aangewezen aandachtsgebieden of in de buurt van een van deze gebieden gelegen. Er zal daarmee geen sprake zijn van een verhoging van de concentraties in de aandachtsgebieden door de uitgevoerde activiteiten. De uitgevoerde activiteiten van het initiatief zijn daarnaast aan te merken als een zogenaamde NIBM ontwikkeling, waarmee deze niet zullen leiden tot een verhoging van de concentraties in de buitenlucht. |
Gemeenten moeten voor een aantal activiteiten de zogenaamde rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) in acht nemen. Behalve als een activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. De gemeente moet de luchtkwaliteit vooral toetsen binnen aangewezen aandachtsgebieden. De gemeente gaat na of toe te laten activiteiten gevolgen hebben voor de luchtkwaliteit binnen een aandachtsgebied. De gemeente doet dit voor activiteiten:
Het kan dus ook gaan om activiteiten in een omgevingsplan van een gemeente in de buurt van een aandachtsgebied. Het gaat erom of de effecten zich uitstrekken tot binnen een aandachtsgebied.
Gemeenten dienen de normen voor luchtkwaliteit in het omgevingsplan op te nemen. De gemeente Kaag en Braassem heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de normen voor luchtkwaliteit hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige Wet milieubeheer en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.
De locatie is niet in een aangewezen aandachtsgebied of in de buurt van een aangewezen aandachtsgebied gelegen. Er zal daarmee geen sprake zijn van een activiteit die kan leiden tot een verhoging van de concentratie van fijnstof en/of stikstofoxiden in de aandachtsgebieden.
Verder is het van belang te onderzoeken of de ter plaatse uitgevoerde activiteiten kunnen leiden tot een verhoging van de concentratie van fijnstof en/of stikstofoxiden in de buitenlucht. Wanneer sprake is van een ontwikkeling die niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentraties (een zogenaamde NIBM ontwikkeling) dan is geen nadere toetsing nodig. Voor de ter plaatse uitgevoerde activiteiten is het daarom van belang om te onderzoeken of het een NIBM ontwikkeling betreft.
Met het initiatief is geen sprake van een grootschalige infrastructurele of industriële ontwikkeling en geen sprake van een veehouderijbedrijf. De uitstoot van fijnstof en/of stikstofoxiden zal met het initiatief niet of slechts zeer beperkt toenemen. Door de beëindiging van de veehouderij zal de emissie van fijnstof en stikstofoxiden eerder afnemen. Als neventak worden nog enkele stuks rundvee gehouden, maar dit aantal is (aanzienlijk) lager de het huidige toegestane aantal, waarmee de veestapel zal afnemen en daarmee ook de emissie van fijnstof en stikstofoxiden. Daarmee is het initiatief aan te merken als NIBM ontwikkeling en zal geen sprake zijn van een verhoging van de concentratie van fijnstof en/of stikstofoxiden in de buitenlucht als gevolg van de ter plaatse uitgevoerde activiteiten.
| De locatie is niet binnen een van de aangewezen aandachtsgebieden of in de buurt van een van deze gebieden gelegen. Het verkeer als gevolg van het initiatief is daarnaast aan te merken als een zogenaamde NIBM ontwikkeling, waarmee dit niet zal leiden tot een verhoging van de concentraties in de buitenlucht. |
Naast de eventuele bijdrage van activiteiten aan de luchtkwaliteit moet ook gekeken worden naar de bijdrage van het verkeer als gevolg van het initiatief aan de luchtkwaliteit. Ook voor het verkeer moet worden nagegaan of dit gevolgen heeft voor de luchtkwaliteit binnen een aandachtsgebied.
De locatie is niet in een van de aangewezen aandachtsgebieden of in de buurt van een van deze gebieden gelegen. Er zal daarmee geen sprake zijn van een verhoging van de concentratie van fijnstof en/of stikstofoxiden in de aandachtsgebieden.
Met het initiatief zal, zoals verder omschreven in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 5.14.3), het aantal verkeersbewegingen niet in onevenredige mate toenemen. Er zal daarmee geen sprake zijn van een onevenredige toename van de emissie van fijnstof en/of stikstofoxiden vanuit het verkeer, waarmee er geen sprake zal zijn van een verhoging van de concentratie van fijnstof en/of stikstofoxiden door het verkeer als gevolg van het initiatief.
| De locatie niet is binnen een van de aangewezen aandachtsgebieden of in de buurt van een van deze gebieden gelegen. Daarnaast worden met het initiatief geen nieuwe gevoelige gebouwen opgericht en/of bestaande gevoelige gebouwen gewijzigd. Een verdere afweging van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving is daarmee niet nodig. |
Als een nieuw gevoelig gebouw wordt opgericht of als een bestaand gevoelig gebouw van functie wordt veranderd dan dient sprake te zijn van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. De luchtkwaliteit maakt deel uit van deze veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Het is daarom van belang dat wanneer sprake is van een nieuw of te wijzigen gevoelig gebouw dat aan de normen voor luchtkwaliteit kan worden voldaan om een veilige en gezonde fysieke leefomgeving te kunnen waarborgen.
Bij het initiatief is geen sprake van het oprichten van nieuwe gevoelige gebouwen en/of van de wijziging van bestaande gevoelige gebouwen. Daarmee is geen verdere afweging van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving nodig.
Wel is sprake van een ander gebruik van de gronden en voor verschillende, soms ook gevoelige doelgroepen. Het is daarmee van belang om na te gaan of de luchtkwaliteit ter plaatse geschikt is voor de gewenste activiteiten. Voor de luchtkwaliteit zijn normen opgenomen waarbij nog sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Vooralsnog is alleen binnen de aangewezen aandachtsgebieden sprake van achtergrondconcentraties van fijnstof en stikstofoxiden die deze normen mogelijk overschrijden. Buiten de aangewezen aandachtsgebieden wordt ruimschoots aan de normen voldaan. Gezien de locatie niet in een van de aangewezen aandachtsgebieden is gelegen wordt ruimschoots aan de normen voor een aanvaardbare luchtkwaliteit voldaan.
Een van de uitgangspunten van de Omgevingswet is dat overheden bij hun plannen zo vroeg mogelijk kijken naar de veiligheid in de fysieke leefomgeving. Zo kunnen zij een brand, ramp of crisis voorkomen of de gevolgen daarvan beperken. De omgevingsveiligheid, of ook wel externe veiligheid genoemd, krijgt daarom een belangrijke plaats in de omgevingsvisie en het omgevingsplan.
Gemeenten moeten regels opnemen in het omgevingsplan over veiligheid in de leefomgeving. Dit is vooral belangrijk als in de buurt van een risicobron nieuwe gebouwen worden toegestaan of als de gemeente nieuwe risicobronnen op haar grondgebied wil toestaan. Bij het afwegen van de mogelijke effecten ten aanzien van de veiligheid in de leefomgeving wordt gekeken naar het plaatsgebonden risico en naar het groepsrisico.
Plaatsgebonden risico:
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan instructieregels over het plaatsgebonden risico voor het omgevingsplan. Gemeenten moeten in hun omgevingsplan een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht nemen voor zeer kwetsbare en kwetsbare gebouwen en/of locaties. Bij beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties moeten gemeenten rekening houden met de grenswaarde. Zij mogen daar bij beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties dus, als zij dit goed afwegen en onderbouwen, van afwijken.
De waarden voor het plaatsgebonden risico worden ruimtelijk vertaald in afstanden tot gebouwen en locaties. (Zeer) kwetsbare gebouwen en locaties mogen niet binnen de plaatsgebonden risicocontour (PR-10-6-contour) van een activiteit komen. Beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties mogen in beginsel ook niet binnen een PR-10-6-contour van een activiteit komen, maar hiervoor kan de gemeente, mits goed onderbouwd, maatwerk toepassen.
Daarnaast gelden de regels over het plaatsgebonden risico ook wanneer de gemeente een risicovolle activiteit wil toelaten of vergunnen.
Groepsrisico:
Daarnaast staan in het Bkl regels over het groepsrisico. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde aandachtsgebieden. Binnen deze aandachtsgebieden moeten gemeenten in het omgevingsplan rekening houden met het groepsrisico. Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied.
De gemeente kan diverse maatregelen inzetten om mensen te beschermen binnen de aandachtsgebieden. Hiervoor kunnen zij in het omgevingsplan aanvullende regels opnemen of specifieke voorschriftengebieden aanwijzen, waarbinnen aanvullende regels en eisen gelden voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen.
Gemeenten moeten in het omgevingsplan concrete regels opnemen over het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. De gemeente Kaag en Braassem heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan opgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de regels voor veiligheid in de leefomgeving hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit het Bkl en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.
| Met het initiatief is sprake van het uitvoeren en/of wijzigen van een risicovolle activiteit. Er zal echter geen sprake zijn van onaanvaardbare risico's voor de veiligheid aan de omgeving. De locatie is niet binnen de plaatsgebonden risicocontour van een risicovolle activiteit en/of risicovolle transportroute gelegen. Er zal op de locatie daarmee geen sprake zijn van risico's voor de veiligheid vanuit het plaatsgebonden risico. |
Het plaatsgebonden risico geldt voor activiteiten die zijn opgenomen in bijlage VII van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en/of voor het oprichten van beperkt kwetsbare, kwetsbare of zeer kwetsbare gebouwen en/of locaties nabij risicovolle inrichtingen.
Op het terrein van de initiatiefnemer is een tank voor de opslag van propaan aanwezig. Het opslaan van propaan wordt vanuit bijlage VII van het Bkl gezien als een risicovolle activiteit.
Voor de ter plaatse uitgevoerde risicovolle activiteit geldt een plaatsgebonden risicocontour (PR10-6-contour) van 25 meter. Binnen deze afstand van de risicovolle activiteit zijn geen zeer kwetsbare, kwetsbare en/of beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties gelegen. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot risico's voor de veiligheid aan zeer kwetsbare, kwetsbare en/of beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties in de omgeving.
Verder is het belangrijk om te onderzoeken of nabij een locatie risicovolle activiteiten plaatsvinden. Risicovolle activiteiten en transportroutes zijn opgenomen in de kaart "Veilige omgeving" uit de Atlas Leefomgeving van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). In de volgende afbeelding is weergegeven welke risicovolle activiteiten en/of transportroutes mogelijk aanwezig zijn in de omgeving van de locatie.
Uitsnede kaart "Veilige omgeving" uit de Atlas Leefomgeving.
Bron: RIVM.
De locatie is, zoals te zien in de voorgaande afbeelding, niet binnen de PR10-6-contour van een risicovolle activiteit van derden en/of transportroute gelegen. Er zal daarmee op de locatie geen sprake zijn van mogelijke risico's voor de veiligheid vanuit het plaatsgebonden risico.
| Met het initiatief is sprake van het uitvoeren en/of wijzigen van een risicovolle activiteit. Er zal echter geen sprake zijn van onaanvaardbare risico's voor de veiligheid aan de omgeving. De locatie is niet binnen een aandachtsgebied van een risicovolle activiteit en/of risicovolle transportroute gelegen. Er zal op de locatie daarmee geen sprake zijn van risico's voor de veiligheid vanuit het groepsrisico. |
Voor zeer kwetsbare, kwetsbare en/of beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties binnen een aandachtsgebied van een risicovolle activiteit en/of transportroute moet een aanvullende afweging worden gemaakt van het groepsrisico. Wanneer binnen een aandachtsgebied nieuwe zeer kwetsbare, kwetsbare en/of beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties worden gerealiseerd kunnen gemeenten aanvullende voorschriften verbinden aan de nieuwbouw of vervangende nieuwbouw van gebouwen.
De aandachtsgebieden zijn onderverdeeld in drie categorieën, namelijk brandaandachtsgebieden, explosieaandachtsgebieden en gifwolkaandachtsgebieden. De grootte van de aandachtsgebieden is gelijk aan de veiligheidsafstand betreffende het risico waarvoor het aandachtsgebied is vastgelegd.
Op de locatie is een tank voor het opslaan van propaan aanwezig. Het opslaan van propaan betreft, zoals al is omschreven bij de toetsing aan het plaatsgebonden risico, een risicovolle activiteit. Het is daarom belangrijk om te kijken of deze risicovolle activiteit kan leiden tot risico's voor de veiligheid voor zeer kwetsbare, kwetsbare en/of beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties in de omgeving.
Voor de ter plaatse uitgevoerde risicovolle activiteit gelden de volgende aandachtsgebieden:
Het grootste aandachtsgebied heeft een grootte van 30 meter. Binnen deze afstand van de risicovolle activiteit zijn geen zeer kwetsbare, kwetsbare en/of beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties van derden gelegen. Binnen het aandachtsgebied zijn alleen voorzieningen van het eigen bedrijf aanwezig. Wel is sprake van bestaande voorzieningen voor nachtverblijf binnen het aandachtsgebied. Het plangebied is echter goed te ontvluchten en er zal geen sprake zijn van minder zelfredzame personen in de betreffende verblijven. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot risico's voor de veiligheid aan zeer kwetsbare, kwetsbare en/of beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties in de omgeving.
Verder is het belangrijk om te onderzoeken of nabij een locatie risicovolle activiteiten plaatsvinden. Risicovolle activiteiten en transportroutes zijn opgenomen in de kaart "Veilige omgeving" uit de Atlas Leefomgeving van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). In de volgende afbeelding is weergegeven welke risicovolle activiteiten en/of transportroutes mogelijk aanwezig zijn in de omgeving van de locatie.
Uitsnede kaart "Veilige omgeving" uit de Atlas Leefomgeving.
Bron: RIVM.
De locatie is, zoals te zien in de voorgaande afbeelding, niet binnen een van de aandachtsgebieden van een risicovolle activiteit van derden en/of transportroute gelegen. Er zal daarmee op de locatie geen sprake zijn van mogelijke risico's voor de veiligheid vanuit het groepsrisico.
| Met het initiatief is geen sprake van activiteiten die de bodem en/of het grondwater mogelijk kunnen verontreinigen. Er is daarmee geen sprake van mogelijke risico's voor de kwaliteit van de bodem en van het grondwater. Met het initiatief is sprake van het oprichten en/of wijzigen van verblijfsruimtes. Er is echter geen sprake van een te verwachten verontreiniging van de bodem en/of het grondwater. De kwaliteit van de bodem en het grondwater is daarmee geschikt voor de gewenste functie. |
Vanuit de Omgevingswet wordt ingezet op het beschermen en verbeteren van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. Voor wat betreft bodem is het daarbij belangrijk om nieuwe verontreinigingen en aantastingen van de bodem te voorkomen. Daarnaast is een goede afweging nodig van de balans tussen eventuele risico's voor het milieu en voor de gezondheid en van activiteiten die maatschappelijk wenselijk zijn als sprake is van een bodem of van grondwater met een mindere kwaliteit. Gemeenten moeten hiervoor regels opnemen in het omgevingsplan.
De gemeente Kaag en Braassem heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de regels voor bodem hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige wetgeving op het gebied van bodem en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.
In het geldende omgevingsplan zijn aanvullende regels opgenomen voor activiteiten die de bodem of het grondwater kunnen verontreinigen. Daarnaast geldt in beginsel een verbod op het bouwen op verontreinigde bodem.
Met het initiatief is geen sprake van activiteiten die kunnen leiden tot een verontreiniging van de bodem en/of van het grondwater. Er is daarmee geen sprake van mogelijke risico's voor het milieu en/of voor de gezondheid. Het initiatief zal geen nadelige gevolgen hebben voor de kwaliteit van de bodem en van het grondwater.
Verder is het belangrijk om te kijken of de bodem ter plaatse geschikt is voor de gewenste functie. Als op een verontreinigde bodem wordt gebouwd dan kan dit namelijk gevolgen hebben voor de gezondheid van de gebruikers van de gewenste functie. Dit is echter vooral van belang als nieuwe ruimtes worden opgericht waarin voor langere tijd mensen verblijven (zogenaamde verblijfsruimtes).
De gronden ter plaatse zijn altijd in gebruik geweest als agrarische graslanden. Deze gronden en het grondwater daarin zijn nagenoeg altijd schoon. Een uitzondering daarbij is als mogelijk gewasbeschermingsmiddelen zijn gebruikt, boomgaarden aanwezig zijn geweest en/of sloten zijn gedempt. Op de locatie is, voor zover bekend, geen sprake geweest van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, boomgaarden en/of van het dempen van sloten. Daarmee zijn de gronden en het grondwater ter plaatse naar verwachting niet verontreinigd. De kwaliteit van de bodem en het grondwater zijn daarmee geschikt voor de gewenste activiteit.
Daarmee is een veilige en gezonde fysieke leefomgeving voldoende afgewogen.
| Het initiatief zal niet leiden tot onaanvaardbare trillingen op trillinggevoelige gebouwen en/of ruimtes. Daarnaast zal op de locatie geen sprake zijn van onaanvaardbare trillingen op trillinggevoelige gebouwen en/of ruimtes door activiteiten uit de omgeving. |
Trillingen kunnen mogelijk nadelige gevolgen hebben voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ze kunnen mogelijk effect hebben op het welzijn van mensen of schade aan gebouwen veroorzaken. Vanuit de Omgevingswet worden (delen van) gebouwen beschermd tegen trillingen.
Er zijn verschillende soorten trillingen die kunnen worden veroorzaakt door verschillende bronnen. In de Omgevingswet wordt in de instructieregels voor dit onderwerp onderscheid gemaakt in trillingen die continu plaatsvinden en trillingen die herhaald voorkomen.
In de Omgevingswet zijn het verkeer over de weg of het spoor, machines in de industrie en bouw- en sloop werkzaamheden opgenomen als bronnen voor trillingen. Verder is het soort trilling afhankelijk van de eigenschappen van de bron van de trillingen. Daarbij zijn vooral de massa, de snelheid en de versnelling van de bron belangrijk.
Vanuit de Omgevingswet wordt alleen gekeken naar trillingen die zich verspreiden via de bodem en/of de funderingen van gebouwen en het effect hiervan op gebouwen en de mensen die daarin verblijven. Voor trillingen die zich via de lucht verspreiden zijn de regels opgenomen in de regels voor geluid.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn instructieregels opgenomen voor trillingen in relatie tot voor trilling gevoelige gebouwen. Deze regels zijn van toepassing op het toelaten van activiteiten die trillingen veroorzaken in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, in een frequentie van 1 tot 80 Hertz (Hz) en/of voor het toelaten van trillinggevoelige gebouwen.
Bij nieuwe ontwikkelingen is het belangrijk om te kijken of sprake is van het uitvoeren van activiteiten die trillingen kunnen veroorzaken in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw en/of sprake is van het oprichten van trillinggevoelige ruimtes in trillinggevoelige gebouwen. Als sprake is van het oprichten of wijzigen van trillinggevoelige ruimtes in trillinggevoelige gebouwen dan moet verder worden onderzocht of sprake is van mogelijke trillingen door activiteiten in de omgeving.
Gemeenten kunnen, binnen de door de Rijksoverheid gestelde instructieregels, aanvullende regels over trillingen opnemen in het omgevingsplan.
De gemeente Kaag en Braassem heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de regels voor trillingen hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige wetgeving op het gebied van trillingen en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.
Met het initiatief wordt de omschakeling van een agrarisch bedrijf met een recreatieve neventak naar een recreatief bedrijf met een agrarische neventak mogelijk gemaakt. Daarbij worden geen activiteiten uitgevoerd die trillingen veroorzaken van 1 tot 80 Hz. Er zal daarmee geen sprake zijn van mogelijk nadelige effecten op trillinggevoelige gebouwen in de omgeving door de ter plaatse uitgevoerde activiteiten.
Daarnaast dient gekeken te worden of op de locatie mogelijk nadelige effecten kunnen worden ondervonden door trillingen die vanuit activiteiten in de omgeving worden veroorzaakt. Dit is echter vooral van belang als nieuwe trillinggevoelige ruimtes in trillinggevoelige gebouwen worden opgericht of als deze worden gewijzigd.
Met het initiatief is geen sprake van het oprichten en/of wijzigen van trillinggevoelige ruimtes in trillinggevoelige gebouwen. Er zullen daarmee op de locatie geen onaanvaardbare trillingen worden waargenomen in trillinggevoelige ruimtes in trillinggevoelige gebouwen door activiteiten vanuit de omgeving.
De natuur maakt volgens de definitie uit de Omgevingswet onderdeel uit van de fysieke leefomgeving. De bescherming van de natuur en de natuurlijke waarden maakt daarmee deel uit van de Omgevingswet. Zowel de Rijksoverheid als de provincies en gemeenten nemen doelstellingen op in hun eigen omgevingsvisie om de natuur en natuurlijke waarden te beschermen. Daarnaast kunnen provincies aanvullende regels voor de bescherming van de natuur en natuurlijke waarden opnemen in de omgevingsverordening en kunnen gemeenten dit doen in het omgevingsplan.
Onder de Omgevingswet is in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) een specifieke zorgplicht opgenomen voor de bescherming van Natura 2000 gebieden, houtopstanden en soorten flora en fauna. Daarnaast geldt vanuit de Omgevingswet een algemene zorgplicht voor de bescherming van de natuur en natuurlijke waarden, waarbij ook het Natuurnetwerk Nederland beschermd moet worden.
| Met het initiatief is geen sprake van het uitvoeren van een Natura 2000-activteit. Er zal daarmee geen sprake zijn van significant nadelige gevolgen voor Natura 2000-gebieden. |
Om de natuur te beschermen heeft de Rijksoverheid regels vastgesteld over activiteiten die een Natura 2000-gebied kunnen benadelen. Degene die een dergelijke activiteit uitvoert moet voldoen aan die regels, zoals de specifieke zorgplicht en een verplichting tot het geven van informatie bij zogenaamde "ongewone voorvallen". Ook kan hierbij een omgevingsvergunning verplicht zijn.
Voor de bescherming van Natura 2000-gebieden wordt onderscheid gemaakt in Natura 2000-activiteiten (activiteiten die significant nadelige gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied) en activiteiten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied, maar waarbij deze zeker niet significant zijn.
Een Natura 2000-activiteit kan plaatsvinden in een Natura 2000-gebied. Maar heel vaak vindt de activiteit juist plaats buiten een Natura 2000-gebied. Ook dan kan een activiteit effect op het Natura 2000-gebied hebben. Dit wordt dan de "externe werking van een Natura 2000-gebied" genoemd.
Als het effect significant kan zijn, moet de initiatiefnemer meestal een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit hebben. Als een activiteit niet significant is dan is geen sprake van een Natura 2000-activiteit en is meestal geen omgevingsvergunning nodig.
Om te bepalen of een activiteit significante gevolgen heeft voor Natura 2000-gebieden moet worden gekeken of de activiteit de instandhoudingsdoelen van het betreffende Natura 2000-gebied in gevaar kan brengen. Activiteiten die de kwaliteit van de habitats (leefgebieden) kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het betreffende gebied is aangewezen zijn daarbij aan te merken als significant.
Vanuit de specifieke zorgplicht voor Natura 2000-gebieden is het van belang om te bepalen of nadelige gevolgen op de betreffende gebieden zijn uit te sluiten. Als nadelige gevolgen niet zijn uit te sluiten dan moet worden nagegaan wat de nadelige gevolgen zijn en moeten maatregelen worden genomen om verslechterende of verstorende gevolgen te voorkomen. Als deze maatregelen ook niet mogelijk blijken of geen effect blijken te hebben dan moet de activiteit stoppen of moeten passende herstelmaatregelen worden getroffen.
Zoals te zien in de volgende afbeelding is de locatie niet in een Natura 2000-gebied gelegen. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, Nieuwkoopse Plassen & De Haeck, is gelegen op een afstand van ongeveer 10,3 kilometer van de locatie. Op een dergelijke afstand kunnen activiteiten die op de locatie worden uitgevoerd nadelige gevolgen hebben op de betreffende gebieden. Daarom moet eerst verder worden bekeken welke activiteiten nadelige gevolgen kunnen hebben op de betreffende gebieden.
Uitsnede kaart Natura 2000-gebieden.
Bron: Aerius Calculator.
Activiteiten die nadelige gevolgen kunnen hebben op Natura 2000-gebieden zijn vooral de uitstraling van licht, geluid en trillingen naar de betreffende gebieden en de depositie (neerslag) van stikstof op de betreffende gebieden.
Vanwege de grote afstand van de locatie tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied zullen de effecten van de eventuele uitstraling van geluid, licht en/of trillingen die de activiteiten op de locatie kunnen veroorzaken niet leiden tot nadelige gevolgen op Natura 2000-gebieden. Deze zullen vanwege de afstand in de betreffende gebieden niet merkbaar zijn. De depositie van stikstof op de betreffende gebieden kan echter ook op grotere afstand leiden tot nadelige effecten.
Voor het initiatief zijn met het rekenprogramma Aerius Calculator berekeningen gemaakt om te bepalen of sprake is van een toename van de depositie van stikstof in de betreffende gebieden. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat geen sprake zal zijn van een toename van de depositie van stikstof op Natura 2000-gebieden.
De volledige resultaten van de uitgevoerde berekeningen zijn als "Bijlage 5 Resultaten berekeningen Aerius Calculator".
Er is daarmee geen sprake van significant nadelige gevolgen op Natura 2000-gebieden, waarmee geen sprake is van het uitvoeren van een Natura 2000-activiteit.
| Met het initiatief is geen sprake van het vellen van houtopstanden. De aanvullende regels vanuit voor het vellen van houtopstand en herbeplanten om bossen te beschermen zijn daarmee niet van toepassing. |
In de Omgevingswet staan regels over het vellen van houtopstand en herbeplanten om bossen te beschermen. Degene die een dergelijke activiteit uitvoert moet aan die regels voldoen. Een houtopstand is een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend. Het (deels) vellen ervan zorgt ervoor dat die verdwijnen of beschadigd raken. Herbeplanten zorgt voor nieuwe houtopstand.
De regels voor het vellen van houtopstanden en herbeplanten gelden in beginsel voor alle houtopstanden. In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) staan echter gevallen waarvoor deze regels niet van toepassing zijn, de zogenaamde uitzonderingsgevallen.
Gemeenten moeten een bebouwingscontour houtkap vaststellen en opnemen in het omgevingsplan. Houtopstanden binnen deze contour gelden altijd als uitzondering vanuit het Bal.
Verder zijn de volgende gevallen uitgezonderd van de regels:
Met het initiatief is geen sprake van het vellen van houtopstanden en/of worden uitsluitend houtopstanden geveld die vanuit het Bal zijn aangemerkt als uitzondering op de regels voor het vellen van houtopstanden. De aanvullende regels over het vellen van houtopstand en herbeplanten om bossen te beschermen zijn daarmee niet van toepassing op het initiatief.
| Met het initiatief is geen sprake van het uitvoeren van activiteiten die kunnen leiden tot een verstoring en/of aantasting van (leefgebieden van) soorten flora en fauna. |
In de Omgevingswet zijn regels opgenomen voor de bescherming van soorten flora en fauna. Vanuit deze regels moet de uitvoerder van een zogenaamde flora- en fauna activiteit controleren of en welke soorten dieren en planten aanwezig zijn bij het uitvoeren van de activiteit. Het is daarbij van belang of sprake is van een zogenaamde flora- en fauna activiteit. Een flora- en fauna activiteit is een activiteit die mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten heeft. Concreet betekent dit dat voor iedere activiteit in de fysieke leefomgeving moet worden gecontroleerd of er soorten aanwezig zijn en welke soorten dit dan zijn. Deze controle moet plaatsvinden voordat de activiteit wordt uitgevoerd.
Nadat deze controle heeft plaatsgevonden moet worden bepaald of nadelige effecten op deze mogelijk aanwezige soorten kunnen worden uitgesloten. Als nadelige gevolgen niet zijn uit te sluiten dan moet worden nagegaan wat de nadelige gevolgen zijn en moeten maatregelen genomen worden om nadelige gevolgen voor planten en dieren te voorkomen. Als deze maatregelen ook niet mogelijk blijken of geen effect blijken te hebben dan moet de activiteit stoppen of moeten passende herstelmaatregelen worden getroffen.
Met het initiatief wordt de omschakeling van een agrarisch bedrijf met een recreatieve nevenactiviteit naar een recreatief bedrijf met een agrarische nevenactiviteit mogelijk gemaakt. Er is daarbij geen sprake van bouw- en/of sloopwerkzaamheden. Daarnaast worden geen landschappelijke elementen verwijderd en worden geen sloten gedempt. Er is uitsluitend sprake van een functiewijziging. Daarnaast wordt voorzien in een goede landschappelijke inpassing, waarbij nieuwe landschappelijke elementen worden aangelegd. Daarmee wordt bijgedragen aan de biodiversiteit en ontstaan meer mogelijkheden voor soorten flora en fauna om zich te vestigen.
Er is daarmee geen sprake van een flora- en fauna activiteit. Het initiatief zal daarmee dan ook niet leiden tot een verstoring en/of aantasting van (leefgebieden van) soorten flora en fauna.
| De locatie is niet in het Natuurnetwerk Nederland of binnen 250 meter daarvan gelegen. Er zal daarmee geen sprake zijn van een mogelijke aantasting van de ecologische waarden en kenmerken van de betreffende gebieden. |
De natuur maakt vanuit de Omgevingswet deel uit van de fysieke leefomgeving. Voor de bescherming van de natuur en natuurlijke waarden geldt, naast een specifieke zorgplicht voor Natura 2000-gebieden, houtopstanden en soorten flora en fauna, een algemene zorgplicht. Vanuit deze algemene zorgplicht geldt ook voor de gebieden die zijn aangewezen als Natuurnetwerk Nederland (NNN) een aanvullende bescherming.
Het NNN is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor planten en dieren. Robuuste leefgebieden voor flora en fauna zijn nodig om het uitsterven van soorten te voorkomen. Het netwerk is er daarnaast ook voor rust en recreatie, voor mensen die willen genieten van de schoonheid van de natuur. Voor het NNN geldt dat het natuurbelang in deze gebieden prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen leiden tot aantasting of beperking van de natuurdoelen.
Het NNN is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Planten en dieren kunnen zich zo van het ene naar het andere gebied verplaatsen. Op plekken waar gaten in het netwerk zitten, leggen de provincies nieuwe natuur aan. De provincies zijn verantwoordelijk voor begrenzing en ontwikkeling van het NNN en stellen hier zelf beleid voor op.
De provincie Zuid-Holland heeft voor het behoud en de bescherming van het NNN specifieke regels vastgelegd in de omgevingsverordening.
Als een ontwikkeling binnen het NNN plaatsvindt dan moet worden aangetoond dat de activiteiten niet leiden tot beperkingen voor het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken in het gebied. In beginsel wordt in deze gebieden geen nieuwe bebouwing toegelaten. Eventueel kan in overleg met de provincie maatwerk worden toegepast. In dat geval dient het verlies aan ecologische waarden en kenmerken in het gebied te worden gecompenseerd.
Als een ontwikkeling niet binnen het NNN plaatsvindt, dan moet worden gekeken of de activiteiten kunnen leiden tot een aantasting van de ecologische waarden en kenmerken in het gebied. Dit wordt ook wel de externe werking genoemd. Als sprake is van mogelijke aantastingen dan moeten de negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt en moeten overblijvende negatieve effecten worden gecompenseerd. Dit geldt niet voor eventuele effecten door de verspreiding van stoffen in de lucht of in het water.
Nadelige effecten treden vooral op als binnen een afstand van 250 meter van het NNN activiteiten worden uitgevoerd met een uitstraling van licht, een uitstraling van geluid en/of een emissie van fijnstof.
Zoals te zien in de volgende afbeelding is de locatie niet in het NNN gelegen. Het dichtstbijzijnde gebied dat is opgenomen in het NNN is op een afstand van ongeveer 860 meter van de locatie gelegen.
Uitsnede kaart NNN.
Bron: Provincie Zuid-Holland.
Omdat de locatie niet in het NNN en/of binnen 250 meter daarvan is gelegen zal geen sprake zijn van een mogelijke aantasting van de ecologische kenmerken en waarden van de betreffende gebieden.
Vanuit de Omgevingswet moet sprake zijn van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Daarom is het belangrijk dat de mogelijke gevolgen voor de gezondheid van activiteiten in beeld worden gebracht en waar mogelijke zoveel mogelijk moeten worden beperkt. Daarbij moet gevaar voor besmetting zoveel mogelijk worden voorkomen.
Vooral veehouderijen kunnen mogelijk gevolgen hebben voor de gezondheid van omwonenden. Dit speelt vooral bij varkenshouderijen, pluimveehouderijen en geitenhouderijen. De gevolgen op de gezondheid kunnen op verschillende manieren tot stand komen, bijvoorbeeld via direct contact met de dieren, via de lucht, via de mest of via dierlijke voedingsmiddelen. Als sprake is van een veehouderij dan is het belangrijk dat de mogelijke gevolgen van die veehouderij op de volksgezondheid in beeld worden gebracht.
De Omgevingswet bevat geen specifieke normen voor volksgezondheid. Wel is het belangrijk dat sprake is van een gezonde leefomgeving. Er is echter nog geen duidelijk resultaat uit de verschillende onderzoeken die zijn uitgevoerd naar de mogelijke gevolgen van veehouderijen op de gezondheid van mensen. Het is daarom nog niet duidelijk op welke manier veehouderijen eventueel kunnen leiden tot mogelijke gevolgen voor de gezondheid. Tot dat er op basis van een duidelijk onderzoek een specifieke norm wordt vastgelegd moeten gemeenten zelf normen voor volksgezondheid opnemen in het geldende omgevingsplan.
De gemeente Kaag en Braassem heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Totdat de gemeente een omgevingsplan vaststelt met daarin de normen voor volksgezondheid opgenomen zijn de huidige richtlijnen die worden gevolgd door de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) het uitgangspunt voor het in beeld brengen van de mogelijke gevolgen van veehouderijen op de gezondheid van mensen. De GGD volgt de uitgangspunten uit de "Handreiking veehouderij en volksgezondheid", het "Endotoxine toetsingskader" en het onderzoek "Veehouderij en Gezondheid Omwonenden". Deze uitgangspunten zijn verwerkt in het stappenplan uit de "Handreiking veehouderij en volksgezondheid".
| Het initiatief zal geen onaanvaardbare gevolgen hebben voor de volksgezondheid in de omgeving. Er is geen verder advies van de Gemeentelijke Gezondheidsdienst nodig. Het initiatief is voldoende afgewogen en wordt als aanvaardbaar beschouwd. |
De gemeente Kaag en Braassem heeft in het geldende omgevingsplan geen specifieke normen opgenomen voor volksgezondheid, waarmee gebruik wordt gemaakt van de zogenaamde "Handreiking veehouderijen en volksgezondheid" voor het in beeld brengen van de mogelijke effecten van veehouderijen op de volksgezondheid. Dit is vooral van belang als sprake is van het oprichten, wijzigen of uitbreiden van een veehouderij of wanneer bewerking of verwerking van mest als zelfstandige activiteit plaatsvindt.
Met het initiatief is geen sprake van het oprichten, wijzigen en/of uitbreiden van een veehouderij. De veestapel neemt juist aanzienlijk af, waarmee de risico's voor de volksgezondheid eveneens afnemen. Daarnaast is geen sprake van het houden van geiten of een combinatie van meerdere diersoorten en vindt geen bewerking of verwerking van mest als zelfstandige activiteit plaats. Verder advies van de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) is daarmee niet nodig.
Het initiatief zal daarmee geen mogelijke gevolgen hebben voor de volksgezondheid en wordt dan ook als aanvaardbaar beschouwd.
| Het initiatief zal geen onaanvaardbare gevolgen hebben voor de volksgezondheid op de locatie. Er is geen verder advies van de Gemeentelijke Gezondheidsdienst nodig. Het initiatief is voldoende afgewogen en wordt als aanvaardbaar beschouwd. |
Als nieuwe gevoelige gebouwen of locaties worden opgericht of als gevoelige gebouwen of locaties worden gewijzigd dan kan mogelijk sprake zijn van gevolgen voor de volksgezondheid op de locatie. Het is in dat geval dan belangrijk om te bekijken of er sprake is van mogelijke gevolgen voor de volksgezondheid en zo ja, of deze dan aanvaardbaar zijn of dat deze kunnen worden beperkt.
Het is daarbij vooral van belang of in de omgeving van de locatie veehouderijen aanwezig zijn en/of bewerking of verwerking van mest als zelfstandige activiteit plaatsvindt. Ligt de locatie nabij een veehouderij of een installatie voor de bewerking of verwerking van mest dan moet een verdere afweging worden gemaakt van de mogelijke gevolgen voor de volksgezondheid. Hiervoor moet een gemeente normen opnemen in het omgevingsplan.
In sommige gevallen kan een gemeente advies vragen bij de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD), waaruit dan moet blijken of sprake is van een aanvaardbare situatie.
Met het initiatief is geen sprake van het oprichten en/of het wijzigen van gevoelige gebouwen en/of locaties. Er is daarmee geen sprake van mogelijke gevolgen voor de volksgezondheid op de locatie. Daarmee is geen verder advies van de GGD nodig en wordt het initiatief als aanvaardbaar beschouwd.
Vanuit de Omgevingswet is een goede balans tussen het benutten en beschermen van de fysieke leefomgeving belangrijk. Daarbij staat een gezonde en veilige leefomgeving centraal. De omgang met het cultureel erfgoed in de leefomgeving is geregeld in de Omgevingswet. Het gaat dan om bijvoorbeeld de omgevingsvergunning voor rijksmonumenten, het aanstellen van een monumentencommissie, of rekening houden met cultureel erfgoed in omgevingsplannen.
De regelgeving over het behoud en beheer van cultureel erfgoed is sinds 2016 ondergebracht in de Erfgoedwet. Samen met de Erfgoedwet maakt de Omgevingswet een volledige bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk. Daarbij wordt de zorg voor cultureel erfgoed en voor cultuurgoederen in bezit van de overheid geregeld in de Erfgoedwet en de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving in de Omgevingswet. Onder het cultureel erfgoed wordt onder andere verstaan de archeologische waarden, cultuurhistorische waarden en aardkundige waarden.
| Het initiatief zal geen ingrepen in de bodem tot gevolg hebben. Er kan daarmee geen sprake zijn van een aantasting van mogelijk voorkomende archeologische resten en/of waarden. |
Gemeenten moeten bij het vaststellen van het omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Hieronder vallen ook bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. De gemeente kan in het belang van archeologische monumentenzorg regels opnemen in het omgevingsplan over archeologisch onderzoek.
In beginsel moeten gemeenten ontwikkelingen met een oppervlakte van minder dan 100 m² vrijstellen van archeologisch onderzoek. Echter kan een gemeente in een omgevingsplan een grotere of kleinere vrijstellingsgrens vastleggen. Bijvoorbeeld in historische binnensteden, waar de kans op het aantreffen van archeologische sporen heel groot is en daarom een kleinere grens nodig is. Zo kan een gemeente in gebieden met een lage archeologische verwachtingswaarde kiezen om een grotere vrijstellingsgrens vast te leggen. De mate van vrijstelling is afhankelijk van de archeologische verwachtingswaarde van het gebied. De gemeente zal daarom goed moeten onderbouwen met inhoudelijke argumenten waarom voor een bepaalde vrijstellingsgrens wordt gekozen.
Gemeenten moeten de gekozen vrijstellingsgrenzen in het geldende omgevingsplan opnemen. De vrijstellingsgrenzen zijn afhankelijk van de archeologische verwachtingswaarde in de verschillende gebieden.
De gemeente Kaag en Braassem heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan opgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de regels voor archeologisch onderzoek hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige bestemmingsplannen en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.
Met het initiatief wordt de omschakeling van een agrarisch bedrijf met een recreatieve neventak naar een recreatief bedrijf met een agrarische neventak mogelijk gemaakt. Er zullen ten behoeve van het initiatief geen bodemingrepen plaatsvinden. Er is geen sprake van bouwwerkzaamheden en/of de sloop van bouwwerken. Daarnaast is geen sprake van werkzaamheden die de bodem kunnen verstoren. Omdat geen sprake is van bodemingrepen kan geen sprake zijn van een mogelijke verstoring en/of aantasting van mogelijk voorkomende archeologische waarden of resten.
| De locatie is gelegen in een gebied met cultuurhistorisch waardevolle elementen. Het initiatief zal echter niet leiden tot een mogelijke aantasting van deze cultuurhistorisch waardevolle elementen. |
De gemeente moet bij het vaststellen van het omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Hieronder valt ook het cultuurhistorisch erfgoed. Het cultuurhistorisch erfgoed van Nederland bestaat uit monumentale panden, historische zichtlijnen, kenmerkende landschappen en waardevolle lijn- en/of vlakelementen. Het cultuurhistorisch erfgoed geeft een beeld van de geschiedenis van het landschap. Daarom is bescherming van deze elementen van belang.
De cultuurhistorische waarden van een gebied zijn in kaart gebracht in de zogenaamde cultuurhistorische waardenkaart. Deze wordt door de provincies beheerd.
De locatie is in een gebied gelegen waarin cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig zijn. Het is daarom van belang dat deze cultuurhistorische waarden en elementen niet zullen worden aangetast.
De locatie is gelegen in een polderlint van 1850 tot 1940. De polderlinten zijn ontstaan langs een ontginningsbasis (veenriviertjes, wegen of weteringen). Van oorsprong betreft het, op enige afstand van elkaar gelegen, boerderijen op de kop van de strookvormige kavels. Polderlinten komen vooral voor in de veenweidegebieden. De bebouwingslinten in en langs de droogmakerijen vallen eveneens onder dit type. Veel polderlinten zijn, door verdichting, (gedeeltelijk) in latere bebouwing opgegaan. De locatie is gelegen aan de rand van een droogmakerij dat is aan te merken als een polderlint. Het initiatief vindt geheel op eigen terrein en vrijwel geheel binnen het bestaande ruimtebeslag plaats. Er is geen sprake van wijzigingen aan het landschap en/of de structuur daarvan. Er blijft sprake van een (voormalige) boerderij aan de kop van de strokenverkaveling. Het initiatief leidt daarmee niet tot een mogelijke aantasting van het polderlint.
De locatie is in een droogmakerijenlandschap gelegen. Dit zijn de oorspronkelijke veenplassen die van de 17e eeuw tot in de 20e eeuw zijn drooggemaakt. De droogmakerijen worden over het algemeen gekenmerkt door de zeer regelmatige strokenverkaveling en een ligging van de boerderijen langs de rand of op het "oude land". Daarnaast kan het hoogteverschil met omringend, niet afgegraven gebied (de veenontginningen) zeer opvallend zijn. Met het initiatief is sprake van een ontwikkeling die geheel op eigen terrein en vrijwel geheel binnen het bestaande ruimtebeslag zal plaatsvinden. Er vinden geen wijzigingen aan het landschap en de verkaveling en/of aan de structuren daarvan plaats. Het kenmerkende verkavelingspatroon zal daarmee behouden blijven. Daarnaast zal het initiatief geen invloed hebben op de eventuele hoogteverschillen. Het initiatief leidt daarmee niet tot een mogelijke aantasting van het droogmakerijenlandschap.
Daarmee leidt het initiatief niet tot een mogelijke aantasting van cultuurhistorisch waardevolle elementen in de omgeving.
| De locatie is niet gelegen in een aardkundig waardevol gebied. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot een mogelijke aantasting aardkundige waarden. |
Vanuit de Omgevingswet moet rekening worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Hieronder vallen ook de aardkundig waardevolle gebieden. Voor deze gebieden nemen de provincies aanvullende regels op in de omgevingsverordening. Deze regels moeten gemeenten in acht nemen bij het opstellen van het omgevingsplan.
Het doel van het beleid met betrekking tot aardkundige waarden is om de ontstaansgeschiedenis van het aardoppervlak zichtbaar, beleefbaar en begrijpelijk te houden. Om aardkundige waarden te beschermen zijn aardkundig waardevolle gebieden aangewezen. Binnen deze gebieden is het behoud van de aardkundige waarden van belang.
De locatie is niet in een aardkundig waardevol gebied gelegen. Het initiatief zal daarmee dan ook niet leiden tot een mogelijke aantasting van aardkundige waarden.
Het watersysteem is een belangrijk onderdeel van de fysieke leefomgeving. Belangrijke opgaven ten aanzien van water zijn het voorkomen en beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste. Zeker in samenhang met het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit. Daarbij dient aandacht te zijn voor zowel het oppervlaktewater als het grondwater.
Vanuit de Omgevingswet staat de weging van het waterbelang centraal als het gaat om het watersysteem. Bij het opstellen van een omgevingsplan moeten gemeenten rekening houden met de gevolgen van activiteiten voor het beheer van watersystemen. Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de gemeente voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder betrekken.
De locatie valt onder het werkgebied van het Hoogheemraadschap van Rijnland. Daarmee is het Hoogheemraadschap van Rijnland de waterbeheerder en moeten de opvattingen van het hoogheemraadschap door de gemeente worden betrokken bij het opstellen van het omgevingsplan.
Het beleid van het hoogheemraadschap is al eerder omschreven en afgewogen in de paragraaf "Beleid
van het hoogheemraadschap" (paragraaf 4.3). Wel moet nog een zorgvuldige afweging van het initiatief worden gemaakt ten aanzien van het watersysteem en de kwaliteit van het oppervlaktewater en grondwater. Daarbij is ook de eventuele afvoer van hemelwater belangrijk.
| De locatie is in de buurt van een waterkering gelegen. Het initiatief zal echter niet leiden tot een mogelijke aantasting van de werking van de betreffende waterkering. |
Waterveiligheid gaat over de bescherming tegen overstromingen. Dit gebeurt met waterkeringen, zoals bijvoorbeeld dijken en duinen. Daarnaast draagt ook het beheren van de waterwegen, zoals rivieren en meren, bij aan het beschermen tegen overstromingen.
Gemeenten moeten in het omgevingsplan regels opnemen over de waterveiligheid. Bij het opstellen van deze regels moeten de gemeenten rekening houden met de uitgangspunten over waterveiligheid zoals zijn opgenomen in de Nationale Omgevingsvisie van de Rijksoverheid. Daarbij gaat het dan vooral over het toestaan van activiteiten in de omgeving van een waterkering.
De gemeente Kaag en Braassem heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan opgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de regels voor waterveiligheid hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige bestemmingsplannen en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.
De locatie is in de buurt van een dijk, die is aangemerkt als regionale waterkering, gelegen. Vanuit het geldende omgevingsplan gelden voor activiteiten in de omgeving van een waterkering aanvullende regels binnen de beschermingszones van de dijk. De betreffende dijk heeft een beschermingszone van maximaal 50 meter.
Alleen de huidige bedrijfswoningen en het voorste deel van het erf zijn binnen de beschermingszone van de betreffende dijk gelegen. Binnen deze zone vinden geen werkzaamheden of activiteiten plaats. Er vinden daarnaast geen wijzigingen of werkzaamheden aan de waterkering plaats.
Het initiatief zal daarmee niet leiden tot een mogelijke aantasting van de werking van de betreffende waterkering.
| De locatie is in de buurt van een oppervlaktewater gelegen. Er vinden geen activiteiten plaats binnen de eventuele beschermingszones van oppervlaktewateren en/of er wordt maatwerk toegepast, waarbij in voldoende mate is aangetoond dat deze beschermingszones niet worden belemmerd. Daarnaast worden geen activiteiten uitgevoerd die het oppervlaktewater kunnen verontreinigen. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot een mogelijke aantasting van de kwantiteit en/of de kwaliteit van het oppervlaktewater. |
Oppervlaktewater is al het water in meren, sloten, plassen, vijvers, kanalen, beekjes en rivieren. De kwaliteit van het oppervlaktewater is onder andere belangrijk voor zwemmen en drinkwaterwinning. Het is daarbij van belang dat er voldoende oppervlaktewater beschikbaar is (kwantiteit) en dat dit oppervlaktewater chemisch schoon en ecologisch gezond is (kwaliteit).
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn normen opgenomen waaraan de kwaliteit van het water in Nederland moet voldoen, waarbij een onderverdeling is gemaakt tussen het behalen van een goede ecologische toestand en een goede chemische toestand. Dit vertaalt zich vooral in het stellen van regels voor een maximale concentratie aan schadelijke stoffen in het oppervlaktewater.
Verder is het belangrijk dat oppervlaktewateren goed beheerd kunnen worden. Voor een aantal oppervlaktewateren is daarom een beschermingszone of zone die vrij moet blijven van obstakels opgenomen.
Zoals te zien in de volgende afbeelding is de locatie in de buurt van een oppervlaktewater gelegen. De locatie is daarnaast binnen de beschermingszone of zone die vrij moet blijven van obstakels gelegen. Er zijn namelijk verschillende watergangen aanwezig met een beschermingszone.
Uitsnede legger oppervlaktewateren.
Bron: Hoogheemraadschap van Rijnlanden.
Met het initiatief is geen sprake van werkzaamheden of activiteiten die plaatsvinden in de beschermingszones van de betreffende watergangen. Daarnaast is geen sprake van het dempen of wijzigen van de betreffende watergangen.
Het initiatief zal daarmee niet leiden tot een belemmering van de betreffende beschermingszone of zone die vrij moet blijven van obstakels.
Verder is het behoud van een goede ecologische toestand en een goede chemische toestand belangrijk. Het initiatief voorziet niet in activiteiten met stoffen die het oppervlaktewater kunnen verontreinigen. Er is/wordt daarnaast alleen gebruik gemaakt van duurzame en niet-uitloogbare bouwmaterialen. Het initiatief zal de doelstellingen voor het behoud van een goede ecologische toestand en een goede chemische toestand daarmee niet in de weg staan.
| Met het initiatief is geen sprake van activiteiten waarbij grondwateronttrekking plaatsvindt. Er vinden daarnaast geen activiteiten plaats die kunnen leiden tot een structurele wijziging van het grondwaterpeil. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot een mogelijke aantasting van de kwantiteit van het grondwater. Het initiatief maakt geen activiteiten mogelijk die het grondwater kunnen verontreinigen. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot een mogelijke aantasting van de kwaliteit van het grondwater. Daarnaast zal met het initiatief voldoende rekening gehouden worden met de grondwaterstand en/of worden voldoende maatregelen getroffen om eventuele wateroverlast vanuit het grondwater te voorkomen. |
Het grondwater maakt deel uit van de fysieke leefomgeving en verdient daarom bescherming. Meer dan de helft van het drinkwater wordt namelijk bereid uit grondwater. Er moet sprake zijn van voldoende grondwater (kwantiteit) en dat dit grondwater chemisch schoon en ecologisch gezond is (kwaliteit). Het in stand houden van het peil van het grondwater speelt daarnaast een belangrijke rol.
Gemeenten nemen in de omgevingsvisie en in de eventuele programma's doelstellingen op over hoe met het grondwater omgegaan moet worden. Daarbij wordt een afweging gemaakt van de verschillende functies van het grondwater. Deze doelstellingen en afwegingen worden vervolgens vertaald in regels in het geldende omgevingsplan. Gemeenten mogen daarbij aanvullende regels stellen voor de onttrekking van grondwater en voor activiteiten die het grondwater mogelijk kunnen verontreinigen.
De gemeente Kaag en Braassem heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan opgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de regels voor het grondwater hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige bestemmingsplannen en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.
Met het initiatief is geen sprake van activiteiten die het grondwater onttrekken aan de bodem. Er is daarnaast geen sprake van activiteiten die kunnen leiden tot een structurele wijziging van het grondwaterpeil. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot een mogelijke belemmering voor het in stand houden van het grondwaterpeil.
Het initiatief zal daarmee geen nadelige gevolgen hebben voor de kwantiteit van het grondwater.
Daarnaast is de bescherming van de kwaliteit van het grondwater belangrijk. Daarbij is het behoud van een goede ecologische toestand en een goede chemische toestand belangrijk. Voor een goede ecologische toestand en een goede chemische toestand moeten mogelijke verontreinigingen van het grondwater zoveel mogelijk worden voorkomen.
Het initiatief voorziet niet in activiteiten met stoffen die het grondwater kunnen verontreinigen. Er is/wordt daarnaast alleen gebruik gemaakt van duurzame en niet-uitloogbare bouwmaterialen. Het initiatief zal de doelstellingen voor het behoud van een goede ecologische toestand en een goede chemische toestand daarmee niet in de weg staan.
Het initiatief zal daarmee geen nadelige gevolgen hebben voor de kwaliteit van het grondwater.
Verder is de grondwaterstand van belang bij eventuele (ver)bouwwerkzaamheden. Er moet bij de (ver)bouw namelijk voldoende rekening worden gehouden met de stand van het grondwater om eventuele overlast te voorkomen.
Met het initiatief is geen sprake van (ver)bouwwerkzaamheden. Er zijn daarmee geen aanvullende maatregelen ten aanzien van de grondwaterstand nodig.
| Het initiatief voldoet aan de normen voor de afvoer van hemelwater. Er is geen aanvullende waterberging nodig. Er is sprake van een hydrologisch neutrale ontwikkeling, waarmee het initiatief niet zal leiden tot overlast door hemelwater. |
Gemeenten moeten zorgen voor de inzameling en de verwerking van hemelwater dat afvloeit vanuit het openbaar terrein. De gemeente hoeft niet te zorgen voor de afvoer van hemelwater van particuliere terreinen. Daarvoor zijn de eigenaren van de particuliere terreinen zelf verantwoordelijk. Alleen als het niet redelijk is om aan de eigenaren van een particulier terrein te vragen het hemelwater af te voeren, bijvoorbeeld als er geen oppervlaktewater in de buurt is waarop zij kunnen lozen of als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, dan is de gemeente alsnog verantwoordelijk voor de afvoer van het hemelwater van dat terrein.
De gemeente en/of de eigenaren van particuliere terreinen moeten voorzieningen aanbrengen waarin het hemelwater kan worden geloosd. Het is niet wenselijk om schoon hemelwater af te voeren naar de rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi). Daarom heeft het de voorkeur om het schone hemelwater terug te brengen in het lokale milieu of, als dat niet mogelijk is, af te voeren via een schoonwaterriool. Als hemelwater verontreinigd raakt, door bijvoorbeeld een verontreinigd terrein, dan moet dit eerst worden gezuiverd met een speciale voorziening voordat dit mag worden teruggebracht in het lokale milieu.
Gemeenten maken een afweging van hoe en wanneer hemelwater moet worden afgekoppeld op basis van het lokale beleid voor hemelwater, dat zij opnemen in de gemeentelijke omgevingsvisie of in een gemeentelijk rioleringsprogramma. Zij stemmen dit af met de waterbeheerder in de regio. In veel gevallen zal een gemeente kiezen voor een aansluiting bij het beleid van de waterbeheerder voor het afkoppelen van hemelwater. Gemeenten kunnen er echter voor kiezen om afwijkend beleid op te nemen in het gemeentelijk rioleringsprogramma.
Het hoogheemraadschap hanteert de volgende normen voor de afvoer van hemelwater:
Onder een toename van het verhard oppervlak wordt verstaan het nieuw aan te brengen verhard oppervlak (bebouwing en verharding) minus het te verwijderen verharde oppervlak.
Met het initiatief is geen sprake van een toename van het verhard oppervlak. Er wordt niet gebouwd en er wordt geen verharding aangelegd. Er is uitsluitend sprake van een functiewijziging. Het aantal kampeerplaatsen wordt uitgebreid, maar daarbij zal geen verharding worden aangelegd. Er is daarmee geen aanvullende waterberging nodig.
Het initiatief voldoet daarmee aan de normen voor de afkoppeling van hemelwater en is daarmee een zogenaamde hydrologisch neutrale ontwikkeling. Er is voor het initiatief geen aanvullende waterberging nodig. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot overlast van hemelwater.
Vanuit de Omgevingswet wordt gestuurd op het bijdragen aan een duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu. Het op een duurzame manier ontwikkelen is daarbij stevig verankerd in de Omgevingswet. Voor een duurzame ontwikkeling wordt, naast duurzaamheid, ook gekeken naar energietransitie (de omschakeling naar een duurzame manier van energie opwekken) en klimaatadaptatie (omgaan met de gevolgen van de verandering van het klimaat).
| Met het initiatief is sprake van een duurzame ontwikkeling en/of het initiatief zal de doelstellingen ten aanzien van duurzaamheid niet in de weg staan. |
Duurzaamheid krijgt een steeds belangrijkere rol in de samenleving. Daarbij is het belangrijk te ontwikkelen op een manier die voorziet in de behoeften van de huidige generatie, zonder dat daarbij de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in de eigen behoeften te voorzien in gevaar worden gebracht. In de Omgevingswet zijn specifieke doelen voor duurzaamheid opgenomen en zijn mogelijkheden opgenomen voor overheden om duurzaamheid te verankeren in het beleid. Voor ondernemers biedt de Omgevingswet daarnaast kansen om duurzaamheidsprojecten te starten.
Gemeenten kunnen in het omgevingsplan regels vastleggen die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. Daarbij kunnen bijvoorbeeld regels worden opgenomen over het bergen van water, het natuurinclusief bouwen of het voorkomen van hittestress door hittebestendig te bouwen. Daarnaast kan een gemeente in het omgevingsplan omgevingswaarden vastleggen. Dit is een norm die de gewenste staat of kwaliteit van de fysieke leefomgeving (of een deel daarvan) vastlegt als beleidsdoel. Dit kunnen duidelijk meetbare doelen zijn, zoals bijvoorbeeld dat er binnen een bepaalde termijn een bepaald aantal windmolens en/of een bepaald aantal hectare aan zonnepanelen gerealiseerd moet zijn.
De gemeente Kaag en Braassem heeft nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Daarmee is nog geen sprake van een omgevingsplan waarin regels en/of omgevingswaarden voor duurzaamheid zijn opgenomen. Tot die tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt waarin deze regels en/of omgevingswaarden zijn opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige bestemmingsplannen en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.
In het geldende omgevingsplan zijn nog geen specifieke regels of omgevingswaarden voor duurzaamheid opgenomen. Wel is het van belang dat bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen al rekening wordt gehouden met duurzaamheid en duurzaam ontwikkelen.
Met het initiatief wordt een veehouderijbedrijf beëindigd en omgeschakeld naar een recreatiebedrijf. Hoewel als nevenactiviteit nog steeds enkele stuks vee worden gehouden neemt de veestapel aanzienlijk af. Met de wijziging van de functie wordt geborgd dat ter plaatse geen nieuwe volwaardige veehouderij kan worden gevestigd. Daarmee zullen de emissies vanuit de gehouden dieren (aanzienlijk) afnemen. Met het afnemen van de emissies vanuit het bedrijf wordt bijgedragen aan een meer veilige en gezonde fysieke leefomgeving en aan een verbeterde omgevingskwaliteit.
Door middel van zonnepanelen op de aanwezige stal wordt op een duurzame manier voorzien in de eigen energiebehoefte van het bedrijf. Verder wordt continu gezocht naar mogelijkheden voor verduurzaming van de bedrijfsvoering.
Het initiatief is daarmee een duurzame ontwikkeling en/of het initiatief staat de doelstellingen voor duurzaamheid niet in de weg.
| Met het initiatief wordt een bijdrage geleverd aan de energietransitie en/of het initiatief zal de doelstellingen voor de energietransitie niet in de weg staan. |
Het gebruik van fossiele brandstoffen betekent een eindige bron van energie. Daarnaast komt bij het gebruik ervan een grote hoeveelheid schadelijke stoffen voor het klimaat vrij als broeikasgassen. Het is daarom van belang te zoeken naar meer duurzame en schone manieren voor het opwekken van energie. Vanuit Europese wetgeving wordt gestuurd op een energieneutrale samenleving, waarbij alle gebruikte energie op een duurzame en schone manier wordt opgewekt.
Dit betekent dat er op veel plekken nog een behoorlijke opgave ligt om dit te bereiken. Er is een geleidelijke overgang van het gebruik van fossiele brandstoffen naar duurzame energie nodig, een zogenaamde energietransitie. Vanuit een duurzame samenleving biedt de Omgevingswet mogelijkheden om regels voor energietransitie vast te leggen in een omgevingsplan.
De gemeente Kaag en Braassem heeft nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Daarmee is nog geen sprake van een omgevingsplan waarin regels en/of omgevingswaarden voor energietransitie zijn opgenomen. Tot die tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt waarin deze regels en/of omgevingswaarden zijn opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige bestemmingsplannen en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.
In het geldende omgevingsplan zijn nog geen specifieke regels of omgevingswaarden voor energietransitie opgenomen. Wel is het van belang dat bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen al rekening wordt gehouden met mogelijkheden voor energietransitie.
Met het initiatief is sprake van zonnepanelen die op de daken van de stallen aanwezig zijn. Daarmee wordt op geheel duurzame wijze voorzien in de eigen energiebehoefte van het bedrijf en is geen sprake van het gebruik van fossiele brandstoffen voor de energievoorziening. Daarnaast wordt continu gezocht naar mogelijkheden om het energieverbruik zo laag mogelijk te houden.
Het initiatief draagt daarmee bij aan de doelstellingen voor de energietransitie en/of zal deze doelstellingen niet in de weg staan.
| Met het initiatief is voldoende rekening gehouden met klimaatadaptatie en/of het initiatief zal de doelstellingen voor klimaatadaptatie niet in de weg staan. |
Het klimaat verandert. Steeds vaker is sprake van perioden van droogte afgewisseld met perioden van hevige regenval. Daarnaast komen hevige buien steeds vaker voor. Het is belangrijk om met ontwikkelingen rekening te houden met het veranderende klimaat. Daarbij is het belangrijk om te ontwikkelen met het oog op de mogelijke risico's van wateroverlast door overvloedige neerslag, overstromingen, hitte en droogte. Verder is het van belang te ontwikkelen op manieren om verdere opwarming van de aarde door broeikasgassen te voorkomen.
Vanuit een duurzame samenleving biedt de Omgevingswet mogelijkheden om regels voor energietransitie vast te leggen in een omgevingsplan.
De gemeente Kaag en Braassem heeft nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Daarmee is nog geen sprake van een omgevingsplan waarin regels en/of omgevingswaarden voor klimaatadaptatie zijn opgenomen. Tot die tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt waarin deze regels en/of omgevingswaarden zijn opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige bestemmingsplannen en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.
In het geldende omgevingsplan zijn nog geen specifieke regels of omgevingswaarden voor klimaatadaptatie opgenomen. Wel is het van belang dat bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen al rekening wordt gehouden met mogelijkheden voor klimaatadaptatie. Daarbij wordt gekeken naar de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen, het voorkomen van wateroverlast door overvloedige neerslag, eventuele risico's voor overstromingen, het voorkomen van hittestress en het rekening houden met droogte.
Vermindering van de uitstoot van broeikasgassen:
Met het initiatief wordt een melkveehouderijbedrijf beëindigd. Er worden ter plaatse nog enkele Lakenvelder zoogkoeien gehouden, maar deze hebben een aanzienlijk lagere uitstoot dan het voorheen gehouden melkvee op de locatie. De emissies van het bedrijf nemen daarmee (aanzienlijk) af, waaronder ook de emissie van broeikasgassen vanuit het bedrijf. De gronden die voorheen voor de beweiding van het melkvee werden gebruikt worden na realisatie van het initiatief gebruikt voor de extensieve begrazing van de Lakenvelder zoogkoeien.
Daarnaast is voorzien in zonnepanelen op de daken. Daarmee wordt op geheel duurzame wijze in de eigen energiebehoefte van het bedrijf voorzien. Er hoeft geen gebruik meer te worden gemaakt van fossiele brandstoffen, waardoor er geen broeikasgassen meer vrijkomen als gevolg van het stoken van fossiele brandstoffen. Ook dit draagt bij aan een vermindering van de uitstoot van broeikasgassen.
Het initiatief draagt daarmee bij aan de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen en/of staat de doelstellingen voor het verminderen van de uitstoot van broeikasgassen niet in de weg.
Voorkomen van wateroverlast door overvloedige neerslag:
Met het initiatief is, zoals beschreven in de paragraaf "Afvoer van hemelwater" (paragraaf 5.12.4), sprake van een zogenaamde hydrologisch neutrale ontwikkeling. Dat wil zeggen dat voldoende rekening is gehouden met de afvoer van hemelwater op eigen terrein. Daarbij wordt voldaan aan de richtlijnen hiervoor van de waterbeheerder en/of de gemeente.
Het initiatief draagt daarmee bij aan het voorkomen van wateroverlast door overvloedige neerslag en/of het initiatief staat de doelstellingen voor het voorkomen van wateroverlast door overvloedige neerslag niet in de weg.
Overstromingen:
De locatie is nabij een waterkering gelegen. Deze waterkering beschermt de locatie tegen overstromingen. De betreffende waterkering heeft een norm van 1:100 per jaar op grond van de provinciale klimaatatlas. De kans op een overstroming is daarmee relatief laag.
Verder zijn de tweede verdieping van de woning en de daken van de bijgebouwen veilig, waardoor er bij een overstroming daar toevlucht kan worden gezocht. Er is daarmee met het initiatief geen sprake van onaanvaardbare risico's voor overstromingen.
Voorkomen van hittestress:
In de omgeving van de locatie is voldoende groen en water aanwezig voor een verkoelende werking. Daarnaast wordt voorzien in een goede, bij het gebied passende landschappelijke inpassing van het erf, waarbij nieuwe landschappelijke elementen worden aangebracht. Deze hebben eveneens een verkoelend effect en bieden beschutting in meer hete perioden.
Met het initiatief wordt daarmee voldoende rekening gehouden met de mogelijke gevolgen van hittestress en/of het initiatief staat de doelstellingen voor het voorkomen van hittestress niet in de weg.
Rekening houden met droogte:
In de omgeving van de locatie is al veel groen en water aanwezig, wat bijdraagt aan het vasthouden van water in het gebied. In tijden van droogte is er daarmee voldoende water voorhanden. Daarnaast wordt voorzien in een goede, bij het gebied passende landschappelijke inpassing. Daarbij worden nieuwe landschappelijke elementen aangebracht. Deze houden meer water vast in het gebied, waarmee wordt bijgedragen aan het voorkomen van droogte in de droge perioden.
Met het initiatief wordt daarmee voldoende rekening gehouden met het voorkomen van droogte en/of het initiatief staat de doelstellingen voor het voorkomen van droogte niet in de weg.
Op basis van het voorgaande wordt met het initiatief voldoende rekening gehouden met klimaatadaptatie en/of staat het initiatief de doelstellingen voor klimaatadaptatie niet in de weg. Het gewijzigde gebruik van de gronden zal bijdragen aan een betere en natuurlijke waterhuishouding, waarmee wordt bijgedragen aan de doelstellingen voor klimaatadaptatie.
Vanuit de Omgevingswet wordt ingezet op een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Mobiliteit maakt deel uit van de fysieke leefomgeving en moet daarom worden meegenomen in de afweging van de mogelijke effecten van een ontwikkeling op de fysieke leefomgeving.
Voor de infrastructuur van de Rijksoverheid zijn in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) instructieregels opgenomen voor de provincies en gemeenten. De provincies en gemeenten kunnen het beleid voor mobiliteit verder invullen.
Nieuwe ontwikkelingen mogen niet leiden tot problemen op de omliggende wegen. Er moeten daarnaast voldoende parkeerplaatsen en fietsenstallingen gerealiseerd worden. Wat daarbij voldoende is dat is afhankelijk van de locatie en het gemeentelijke beleid daarvoor.
| Het initiatief zal niet leiden tot mogelijk nadelige effecten op de omliggende wegen. Er zal daarmee geen sprake zijn van mogelijke gevolgen voor de infrastructuur. |
Vanuit de Omgevingswet wordt gestuurd op een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem en het in stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur. Daarbij mogen nieuwe ontwikkelingen niet leiden tot problemen op de omliggende wegen. Het is daarom belangrijk om te kijken naar de mogelijke effecten van een ontwikkeling op de omliggende wegen.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn instructieregels opgenomen voor autosnelwegen, autowegen en hoofdspoorwegen, Rijksvaarwegen en landelijke fiets- en wandelroutes. Daarnaast zijn regels opgenomen over het voorkomen van belemmeringen voor het gebruik en beheer van de hoofdspoorweginfrastructuur en de Rijkswegen.
De locatie is niet nabij een autosnelweg, autoweg, hoofdspoorweg, Rijksvaarweg en/of landelijke fiets- of wandelroute gelegen. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot mogelijke belemmeringen voor het gebruik en het beheer van de hoofdspoorweginfrastructuur, Rijksvaarwegen en/of de Rijkswegen.
Voor het beheer van de provinciale infrastructuur kan de provincie aanvullende regels opnemen in de provinciale omgevingsverordening. Daarbij kan de provincie ook gebieden aanwijzen die gereserveerd zijn voor wijzigingen in het provinciaal weggennet.
De locatie is niet aan een provinciale weg gelegen. De locatie is ook niet in een gebied gelegen dat is aangewezen voor eventuele wijzigingen in het provinciale weggennet. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot mogelijke belemmeringen voor het gebruik en het beheer van de provinciale infrastructuur.
Voor de overige infrastructuur mogen nieuwe ontwikkelingen niet leiden tot belemmeringen daarvan. Hiervoor kunnen gemeente, waar nodig, aanvullende regels opnemen in het omgevingsplan. Of aanvullende regels nodig zijn is afhankelijk van het type infrastructuur en de locatie daarvan.
De gemeente Kaag en Braassem heeft nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Daarmee is nog geen sprake van een omgevingsplan waarin regels voor infrastructuur zijn opgenomen. Tot die tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt waarin deze regels zijn opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige bestemmingsplannen en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.
De locatie is nabij een weg in beheer van het waterschap (de Willem van der Veldenweg) gelegen. Voor dergelijke wegen gelden aanvullende regels wanneer er wijzigingen plaatsvinden aan deze weg, nieuwe uitwegen/inritten worden aangelegd en wanneer er nieuw oppervlaktewater wordt aangelegd nabij deze wegen. Met het initiatief is geen sprake van wijzigingen aan de wegen, geen sprake van nieuwe uitwegen of inritten en geen sprake van de aanleg van nieuw oppervlaktewater nabij de weg.
Het initiatief zal daarmee niet leiden tot problemen op de omliggende wegen.
| Met het initiatief zal sprake zijn van voldoende parkeergelegenheid op het eigen terrein. |
Met het oog op een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit is het belangrijk dat wordt voorzien in een goed beleid voor het parkeren. Hiervoor kunnen gemeenten specifieke regels en normen opnemen in het omgevingsplan.
De gemeente Kaag en Braassem heeft nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Daarmee is nog geen sprake van een omgevingsplan waarin regels voor parkeren zijn opgenomen. Tot die tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt waarin deze regels zijn opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige bestemmingsplannen en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.
Bij nieuwe ontwikkelingen moet zoveel mogelijk worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid op het eigen terrein. Daarbij is het belangrijk dat wordt voldaan aan de parkeernormen uit het geldende omgevingsplan. Vanuit het geldende omgevingsplan wordt de Beleidsregel Parkeernormen Kaag en Braassem 2018 van toepassing verklaard, waarmee de normen uit deze nota de geldende parkeernormen zijn binnen de gemeente.
Met het initiatief is sprake van de omschakeling van een agrarisch bedrijf met een recreatieve neventak naar een recreatief bedrijf met een agrarische neventak. Vanuit de beleidsregel van de gemeente is deze activiteit het beste te vergelijken met een kampeerterrein. Daarvoor geldt vanuit de beleidsregel een parkeernorm van 1,1 parkeerplaats per standplaats.
In de gewenste situatie wordt voor de kampeermiddelen buiten uitgegaan van maximaal 45 standplaatsen, bestaande uit 13 camperplaatsen jaarrond, 8 seizoensgebonden camperplaatsen en 24 kampeerplaatsen/caravanplaatsen jaarrond. Daarnaast zijn afzonderlijk maximaal 3 pipowagens, 1 stacaravan en 2 chalets toegestaan. Voor de 24 kampeerplaatsen/caravanplaatsen en de 6 afzonderlijke verblijfsrecreatieve voorzieningen (3 pipowagens, 1 stacaravan en 2 chalets) wordt uitgegaan van de parkeernorm van 1,1 parkeerplaats per standplaats/verblijfsvoorziening. In totaal gaat het daarmee om 30 standplaatsen/verblijfsvoorzieningen waarvoor minimaal 33 (30 x 1,1) parkeerplaatsen nodig zijn.
Verder wordt ter plaatse voorzien in bed & breakfast kamers en een blokhut. De meest vergelijkbare activiteit hiermee is een bungalow(park) waarvoor vanuit de beleidsnotitie een parkeernorm geldt van 2 parkeerplaatsen per bungalow/kamer.
Er is in de gewenste situatie sprake van 4 bed & breakfast kamers en één blokhut. In totaal zal daarmee sprake zijn van 5 kamers (vergelijkbaar met 5 bungalows). Voor deze activiteiten zijn daarmee minimaal 10 (5 x 2) parkeerplaatsen nodig.
De 21 camperplaatsen maken onderdeel uit van de hiervoor genoemde 45 standplaatsen. Voor deze camperplaatsen is geen aanvullende parkeerplaats nodig, omdat men met de camper aankomt en deze op de camperplaats parkeert.
Ter plaatse wordt voorzien in ondersteunende horeca. Deze is het meest te vergelijken met een café, bar of cafetaria. Vanuit de beleidsnotitie geldt hiervoor een parkeernorm van 7 parkeerplaatsen per 100 m² bruto vloeroppervlak. Onder bruto vloeroppervlak wordt daarbij verstaan de oppervlakte aan bedrijfsgebouwen.
Het pand waarin de ondersteunende horeca plaatsvindt is ongeveer 325 m² groot. Dit betekent dat hiervoor in totaal 22,75 (325 ÷ 100 x 7) parkeerplaatsen nodig zijn.
Ten slotte wenst de initiatiefnemer enkele kleinschalige evenementen te organiseren. Deze zullen voornamelijk in de voormalige mestsilo en op het buitenterrein plaatsvinden. Vanuit de beleidsnotitie is hiervoor geen specifieke norm opgenomen. Ook een vergelijkbare activiteit is niet in de beleidsnotitie opgenomen. Wel kan eventueel aansluiting worden gezocht bij een evenementenhal, beursgebouw of concertgebouw. Daarvoor geldt vanuit de beleidsnotitie een parkeernorm van 8,5 parkeerplaatsen per 100 m² bruto vloeroppervlak. Daaronder wordt verstaan de oppervlakte aan bedrijfsgebouwen.
Voor de evenementen wordt voornamelijk gebruik gemaakt van de voormalige mestsilo. Deze heeft een oppervlakte van ongeveer 285 m². Deels zal gebruik worden gemaakt van het gebouw waarin de ondersteunende horeca plaatsvindt. Tijdens evenementen kunnen de parkeerplaatsen die nodig zijn voor de ondersteunende horeca dubbel worden gebruikt voor de evenementen, omdat de ondersteunende horeca dan daarvoor in gebruik is. Op basis hiervan zijn voor de evenementen minimaal 24,23 (285 ÷ 100 x 8,5) parkeerplaatsen nodig.
Voor de agrarische nevenactiviteiten op het bedrijf is geen aanvullende parkeerbehoefte. De initiatiefnemer voert deze activiteiten zelf uit. Er is geen sprake van extra personeel of bezoekers. Er is sprake van het op kleinschalige wijze houden van enkele dieren voor natuurlijk beheer van de gronden in de omgeving.
Voor de gewenste bedrijfsvoering zijn in totaal 89,98 (33 + 10 + 22,75 + 24,23), afgerond 90 parkeerplaatsen nodig.
De parkeerbehoefte voor de 24 kampeerplaatsen/caravanplaatsen kan grotendeels worden opgevangen door de ruimte die beschikbaar wordt gesteld voor een auto per standplaats bij de kampeermiddelen zelf. Voor de camperplaatsen is geen afzonderlijke parkeerplaats nodig. De parkeerbehoefte voor de pipowagens, stacaravan en chalets en het restant van de norm voor de overige voorzieningen wordt opgevangen op het parkeerterrein. Dit betekent dat kan worden voorzien in 24 parkeerplaatsen bij de kampeerplaatsen/caravanplaatsen. Daarmee zijn nog 66 aanvullende parkeerplaatsen nodig.
Ter plaatse is voldoende parkeergelegenheid aanwezig voor 70 parkeerplaatsen. Daarmee kan ruimschoots in voldoende mate worden voorzien in de parkeerbehoefte op het eigen terrein. Incidentele bezoekers van het bedrijf voor dienstverlening ten behoeve van de agrarische activiteiten (denk bijvoorbeeld aan een bezoek van een dierenarts als nodig) kunnen parkeren op het parkeerterrein dat ruimschoots voldoende parkeergelegenheid biedt om deze incidentele bezoekers, ook bij een volledige bezetting van de recreatieve voorzieningen, te kunnen opvangen. De 70 parkeerplaatsen zijn ingetekend op een situatietekening op schaal welke als bijlage 4 bij deze toelichting is opgenomen.
Met het initiatief zal daarmee sprake zijn van voldoende parkeergelegenheid op het eigen terrein.
| Het initiatief zal niet leiden tot een onaanvaardbare toename van het aantal verkeersbewegingen. Er zal daarmee geen sprake zijn van verkeershinder in de omgeving als gevolg van het initiatief. |
Als met een nieuwe ontwikkeling sprake is van een grote toename van het aantal verkeersbewegingen dan kan dit leiden tot verkeershinder in de omgeving. Het is daarom belangrijk om in beeld te brengen wat voor gevolgen een ontwikkeling heeft op de verkeersgeneratie (het aantal verkeersbewegingen als gevolg van een activiteit). Gemeenten kunnen voor de verkeersgeneratie van activiteiten richtlijnen of normen opnemen in het geldende omgevingsplan.
Als een gemeente geen specifieke normen voor verkeersgeneratie heeft opgenomen wordt aangesloten bij de landelijk gebruikte richtlijnen voor verkeersgeneratie die zijn opgenomen in de handreiking "Toekomstbestendig parkeren" van het kennisplatform CROW. Aan de hand van deze richtlijnen kan de verkeersgeneratie van de activiteiten worden bepaald. Dit betreft dan een theoretische benadering. In de praktijk ligt de verkeersgeneratie van activiteiten vaak (soms zelfs aanzienlijk) lager dan de theoretische verkeersgeneratie zoals zijn opgenomen in de handreiking.
In de huidige situatie is sprake van een melkrundveehouderij met een kampeerterrein als nevenactiviteit. Voor agrarische bedrijven zijn geen specifieke cijfers voor verkeersgeneratie opgenomen. Vanuit de publicatie van CROW worden agrarische bedrijven aangemerkt als een arbeidsextensief en bezoekersextensief bedrijf. Hiervoor is een theoretische verkeersgeneratie opgenomen van maximaal 5,7 verkeersbewegingen per dag per 100 m² bruto vloeroppervlak. Onder bruto vloeroppervlak wordt daarbij verstaan de oppervlakte aan bedrijfsgebouwen die voor het bedrijf worden gebruikt.
In de huidige situatie is ongeveer 1.825 m² aan bedrijfsgebouwen in gebruik voor de melkrundveehouderij. Vanuit de publicatie van CROW leidt dit dan gemiddeld tot 104 verkeersbewegingen per dag.
Daarnaast zijn in de huidige situatie 24 kampeerplaatsen/caravanplaatsen, 21 camperplaatsen, 3 pipowagens, 1 stacaravan, 1 blokhut en 4 kamers voor bed & breakfast aanwezig. De nevenactiviteiten zijn het best vergelijkbaar met een camping of kampeerterrein. Hiervoor is in de publicatie van CROW een verkeersgeneratie van maximaal 0,4 verkeersbewegingen per dag per standplaats opgenomen. In totaal is sprake van 54 verblijfsplaatsen/-eenheden, wat leidt tot 21,6 verkeersbewegingen per dag. In totaal is er in de huidige situatie daarmee sprake van afgerond 126 verkeersbewegingen per dag.
In de gewenste situatie is sprake van een recreatief bedrijf met kampeerplaatsen en enkele recreatieve activiteiten. Voor de kampeermiddelen buiten wordt uitgegaan van maximaal 45 standplaatsen. Daarnaast zijn afzonderlijk 3 pipowagens, 1 stacaravan en 2 chalets toegestaan. In totaal is daarmee in de worst-case situatie sprake van 51 verblijfsplaatsen/-eenheden. Deze activiteiten zijn vanuit de handreiking het meest vergelijkbaar met een kampeerterrein. Daarvoor is in de handreiking een verkeersgeneratie van gemiddeld 0,4 verkeersbewegingen per standplaats per dag opgenomen. Deze activiteiten leiden daarmee in de worst-case situatie gemiddeld tot 20,4 (51 x 0,4) verkeersbewegingen per dag.
Verder zullen in de gewenste situatie 4 bed & breakfastkamers en een blokhut voor groepsverblijf aanwezig zijn. De meest vergelijkbare activiteit hiermee is een bungalow(park). In totaal zal daarmee in de worst-case situatie sprake zijn van het gebruik van 5 kamers (vergelijkbaar met 5 bungalows). Voor bungalowparken geldt vanuit de handreiking een gemiddelde verkeersgeneratie van 2,8 verkeersbewegingen per bungalow per dag. Deze activiteiten leiden daarmee in de worst-case situatie gemiddeld tot 14 (5 x 2,8) verkeersbewegingen per dag.
Ter plaatse wordt daarnaast voorzien in 11 camperplaatsen die jaarrond gebruikt mogen worden en 8 camperplaatsen die alleen in het seizoen gebruikt mogen worden. In de worst-case situatie is daarmee sprake van 19 camperplaatsen die gelijktijdig in gebruik kunnen zijn. Ook de camperplaatsen kunnen het meest worden vergeleken met een kampeerterrein, waarvoor een gemiddelde verkeersgeneratie geldt van 0,4 verkeersbewegingen per standplaats per dag. De camperplaatsen zullen daarmee in de worst-case situatie leiden tot gemiddeld 7,6 (19 x 0,4) verkeersbewegingen per dag.
Daarnaast wordt ter plaatse voorzien in ondersteunende horeca. Deze is voornamelijk bedoeld voor de gasten van het bedrijf zelf en niet voor buitenstaanders. Echter kan het voorkomen dat enkele bezoekers van buitenaf gebruik maken van deze voorziening. Voor ondersteunende horeca zijn in de handreiking geen cijfers voor verkeersgeneratie opgenomen. De activiteit is het meest vergelijkbaar met een café, bar of cafetaria. Ook daarvoor zijn in de handreiking echter geen cijfers voor een gemiddelde verkeersgeneratie opgenomen en wordt daarbij in de handreiking aangegeven dat hiervoor maatwerk nodig is. Het aantal bezoekers van buitenaf zal zeer beperkt zijn. Om echter de volledige worst-case situatie in beeld te brengen is uitgegaan van gemiddeld maximaal 5 bezoekers van buitenaf per dag, wat in de worst-case situatie zal leiden tot gemiddeld 10 extra verkeersbewegingen per dag.
Ter plaatse vinden nog agrarische nevenactiviteiten plaats. Daarvoor geldt, net als in de huidige situatie, een gemiddelde verkeersgeneratie van maximaal 5,7 verkeersbewegingen per 100 m² bruto vloeroppervlak per dag. Ook vinden andere activiteiten plaats, zoals dagrecreatie, bijeenkomsten, maaltijdservice, etc., die eveneens in bedrijfsgebouwen plaatsvinden en niet gelijk zijn te stellen aan het kampeerterrein. Ook voor deze activiteiten geldt een gemiddelde verkeersgeneratie van maximaal 5,7 verkeersbewegingen per 100 m² bruto vloeroppervlak per dag. In totaal wordt ongeveer 1.200 m² aan bedrijfsgebouwen gebruikt voor de activiteiten anders dan de verblijfsrecreatie. Daarmee is in de worst-case situatie sprake van een gemiddelde verkeersgeneratie van maximaal 90 (1.200 ÷ 100 x 5,7) verkeersbewegingen per dag.
Ten slotte wenst de initiatiefnemer enkele kleinschalige evenementen te organiseren. Deze zullen voornamelijk in de voormalige mestsilo en op het buitenterrein plaatsvinden. Vanuit de handreiking is hiervoor geen specifieke norm opgenomen. Ook een vergelijkbare activiteit is niet in de beleidsnotitie opgenomen. Wel kan eventueel aansluiting worden gezocht bij een evenementenhal, beursgebouw of concertgebouw. Daarvoor zijn in de handreiking echter ook geen cijfers voor verkeersgeneratie opgenomen en wordt vanuit de handreiking gesteld dat maatwerk nodig is.
De kleinschalige evenementen zijn gericht op maximaal 60 personen (dit is ook zo in de regels geborgd). De meeste bezoekers van de gewenste kleinschalige evenementen zullen de gasten van het eigen bedrijf betreffen. Echter kan sprake zijn van bezoekers van buitenaf. Voor de worst-case benadering is er daarom vanuit gegaan dat alle bezoekers van buitenaf komen. Maximaal 60 personen betekent in dit geval niet dat ook 60 afzonderlijke auto's van buitenaf het evenement bezoeken. Men bezoekt een evenement namelijk zelden alleen. Een aantal bezoekers zal met twee personen in een auto aankomen terwijl anderen met drie of vier personen in een auto aankomen. Gemiddeld genomen kan daarom worden uitgegaan van een bezetting met drie personen per auto. Dit betekent dat in geval van een evenement in de worst-case situatie sprake zal zijn van 20 extra auto's, welke leiden tot gemiddeld 40 extra verkeersbewegingen per dag. Omdat in de berekening van de minimale parkeerbehoefte (zoals nader omschreven in de paragraaf "Parkeren", paragraaf 5.14.2) een minimale parkeerbehoefte is berekend van 24,23 parkeerplaatsen is voor de verkeersgeneratie van maximaal 25 extra voertuigen en daarmee in de worst-case situatie van maximaal 50 extra verkeersbewegingen per dag.
In totaal zal voor de gewenste activiteiten in de worst-case situatie sprake zijn van gemiddeld 184,4 (20,4 + 14 + 10 + 90 + 50), afgerond 185 verkeersbewegingen per dag. Dit betreft in vergelijking met de huidige worst-case situatie een toename van het aantal verkeersbewegingen met gemiddeld 59 verkeersbewegingen per dag. Dit zijn maximaal 30 extra voertuigen per dag. Uitgaande van een beperking van de activiteiten in de dag- en avondperiode (de periode van 7:00 tot 23:00, een periode van 16 uur) betekent dit gemiddeld nog geen twee extra voertuigen per uur. Dit betreft slechts een zeer beperkte toename.
Daarnaast is bij de berekende verkeersgeneratie uitgegaan van de uiterste, worst-case situatie. Deze situatie zal in de praktijk niet voorkomen, waarmee de daadwerkelijke verkeersgeneratie velen malen lager zal zijn dan de berekende worst-case situatie.
Het initiatief zal daarmee niet leiden tot verkeershinder in de omgeving en/of tot mogelijke risico's voor de doorstroom en verkeersveiligheid op de Willem van der Veldenweg en de omliggende wegen.
| Met het initiatief zal geen sprake zijn van mogelijke risico's voor de gezondheid als gevolg van hoogspanningsverbindingen. |
De stroom door de draden van een hoogspanningsverbinding veroorzaakt een magneetveld. De sterkte van het magneetveld hangt onder andere af van de hoeveelheid stroom die door de draden gaat, van de onderlinge afstand tussen de draden en van de volgorde waarin de draden aan de mast hangen. Daarnaast speelt de afstand van personen tot aan de draden een belangrijke rol. Hierdoor kan de veldsterkte per hoogspanningsverbinding verschillen. De magneetvelden zijn het sterkst direct onder de draden, op het punt tussen twee masten waar de draden het laagst boven de grond hangen. Hoe groter de afstand tot de hoogspanningsverbinding, des te zwakker is het magneetveld.
Wanneer mensen in aanraking komen met een magneetveld van een hoogspanningsverbinding dan kunnen gezondheidseffecten optreden als dat magneetveld te sterk is. Uit onderzoek is gebleken dat acute effecten (effecten die meteen optreden en merkbaar zijn) alleen voorkomen bij magneetvelden die een sterkte hebben die in Nederland niet voorkomen op plaatsen die voor publiek toegankelijk zijn.
Daarnaast kunnen echter effecten op de lange termijn optreden bij langdurige blootstelling aan een magneetveld. Het risico op effecten voor de gezondheid is groter naarmate sprake is van een magneetveldsterkte van 0,3 tot 0,4 microtesla of hoger.
Om effecten op de gezondheid te voorkomen is het daarom belangrijk dat gevoelige gebouwen of functies op voldoende afstand van een hoogspanningsverbinding worden gerealiseerd. De afstand die daarbij aangehouden moet worden is afhankelijk van het type hoogspanningsverbinding en de hoeveelheid stroom die er door loopt.
De locatie is niet in de buurt van een hoogspanningsverbinding gelegen. De dichtstbijzijnde hoogspanningsverbinding is gelegen op een afstand van ruim 4 kilometer van de locatie. Er zal daarmee geen sprake zijn van mogelijke risico's voor de gezondheid door hoogspanningsverbindingen.
| Met het initiatief zal geen sprake zijn van mogelijke risico's als gevolg van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. |
In de bomenteelt en, in sommige gevallen, akkerbouw worden geteelde producten mogelijk bespoten met gewasbeschermingsmiddelen. Dergelijke middelen kunnen mogelijk effecten hebben op de gezondheid van omwonenden. Om die reden is het belangrijk om bij nieuwe ontwikkelingen rekening te houden met een mogelijk gebruik van gewasbeschermingsmiddelen.
Ten aanzien van de mogelijke gevolgen van gewasbeschermingsmiddelen op gevoelige gebouwen is door de Gezondheidsraad op 29 januari 2014 het rapport "Gewasbescherming en omwonenden" gepubliceerd. Dit rapport bevat de resultaten van het door de Gezondheidsraad uitgevoerde onderzoek naar mogelijke effecten van gewasbeschermingsmiddelen op de volksgezondheid. Uit dit rapport blijkt dat er op dit moment nog geen toereikend onderzoek beschikbaar is waaruit de effecten blijken van gewasbeschermingsmiddelen voor de gezondheid van omwonenden. Ook blijkt uit het rapport geen noodzaak tot een vaste spuitzone (van bijvoorbeeld 50 meter). In het rapport wordt opgemerkt dat wetenschappelijk niet is aan te geven hoe groot de afstand zou moeten zijn tussen een perceel waarop gespoten wordt en gevoelige gebouwen. De precieze relatie tussen de afstand en de blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen en het hiermee mogelijk voorkomende risico voor de volksgezondheid is onbekend.
Wel is het belangrijk een afweging te maken of bij een perceel waarop (mogelijk) het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen plaatsvindt een spuitzone nodig is. Daarbij zijn de volgende uitgangspunten van belang:
Gemeenten moeten in het omgevingsplan voorwaarden opnemen voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Vanuit de Omgevingswet kunnen daarbij geen vooraf vastgestelde spuitzones worden aangewezen. Wel kan voor specifieke combinaties van gebruikte middelen en een bepaalde teelt spuitzones worden aangewezen. Een gemeente kan daarnaast in het omgevingsplan aanvullende regels opnemen zoals bijvoorbeeld een verplichting tot het aanbrengen van een groenblijvende haag tussen percelen waarop gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast en een gevoelig gebouw.
De gemeente Kaag en Braassem heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de regels voor gewasbeschermingsmiddelen hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige wetgeving en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.
In het geldende omgevingsplan zijn geen aanvullende regels opgenomen over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Tot de tijd dat de gemeente een omgevingsplan heeft vastgesteld met daarin regels over gewasbeschermingsmiddelen is het belangrijk om een afweging te maken op basis van de huidige inzichten. Daarbij is het belangrijk om te kijken naar de afstand tussen de percelen waarop mogelijk gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt en gevoelige gebouwen.
Met het initiatief is geen sprake van bomenteelt en/of akkerbouw waarbij gebruik wordt gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot mogelijke risico's voor de gezondheid van omwonenden als gevolg van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen.
Naast de mogelijke risico's voor de gezondheid van omwonenden als gevolg van de uitgevoerde activiteiten is het belangrijk om ook een afweging te maken van de mogelijke risico's op de locatie als nieuwe gevoelige gebouwen en/of functies worden opgericht in de buurt van percelen waarop mogelijk gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt.
Met het initiatief is geen sprake van het oprichten en/of wijzigen van gevoelige gebouwen of functies. Er zal daarmee geen sprake zijn van mogelijke risico's op de locatie als gevolg van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op in de buurt gelegen percelen.
| Met het initiatief zal geen sprake zijn van onaanvaardbare lichthinder aan de omgeving. Daarnaast zal op de locatie geen sprake zijn van onaanvaardbare lichthinder ter plaatse. |
Kunstmatige verlichting kan verschillende soorten nadelige effecten veroorzaken. Er kan sprake zijn van hinder voor de mens, bijvoorbeeld als mensen zich niet kunnen afschermen van het aanwezige kunstlicht, maar daar wel behoefte aan hebben. Daarnaast kan sprake zijn van hinder langs wegen, bijvoorbeeld door reclamezuilen met veel licht of van horizonvervuiling, bijvoorbeeld als het licht van een verlichte stal of verlicht sportveld in het open landschap op grote afstand goed is te zien. Ten slotte kan sprake zijn van verstoring van de natuur, bijvoorbeeld door het verstoren van het gedrag van diersoorten.
Omdat de nadelige effecten van kunstlicht afhankelijk zijn van verschillende factoren, zoals bijvoorbeeld het soort licht en de plaats waar de bron van het licht gevestigd is, heeft de Rijksoverheid in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) alleen instructieregels opgenomen voor kunstlicht in de glastuinbouw bij het gebruik van kassen. Voor de overige vormen van mogelijke lichthinder moeten gemeenten regels opnemen in het geldende omgevingsplan.
De gemeente Kaag en Braassem heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de regels voor lichthinder hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige wetgeving en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.
Met het initiatief wordt de omschakeling van een agrarisch bedrijf met een recreatieve neventak naar een recreatief bedrijf met agrarische neventak mogelijk gemaakt. Daarbij vinden geen activiteiten plaats die leiden tot mogelijke lichthinder plaats. Er is geen sprake van het gebruik van kunstlicht, anders dan het gangbare gebruikte licht. Het initiatief zal daarmee dan ook niet leiden tot onaanvaardbare lichthinder aan de omgeving.
Verder is het belangrijk om lichthinder voor mensen te voorkomen als nieuwe gevoelige gebouwen worden opgericht. Het gaat dan vooral om ruimtes in deze gebouwen waarin langdurig mensen verblijven. Het is daarbij van belang dat mensen die in deze ruimtes verblijven zich voldoende kunnen afschermen van eventueel hinderlijk kunstlicht uit de omgeving.
Met het initiatief is geen sprake van het oprichten en/of wijzigen van gevoelige gebouwen of functies waarin langdurig mensen verblijven. Er zal ter plaatse dan ook geen sprake zijn van onaanvaardbare lichthinder op de locatie.
| Met het initiatief zal geen sprake zijn van mogelijke belemmeringen met betrekking tot bezonning en/of schaduwwerking. |
Bezonning maakt onderdeel uit van de ruimtelijke kwaliteit. Voldoende zonlicht of juist voldoende schaduw op gebouwen, tuinen, terrassen en speelplekken is belangrijk.
Sommige plekken hebben voldoende zon nodig, zoals tuinen, terrassen of speelplaatsen. Dit draagt bij aan een aangenaam verblijfsklimaat. Ook voldoende schaduw op deze plekken is wenselijk. Zodat mensen in de steeds hetere zomers ook de schaduw kunnen opzoeken.
Een te grote toename van schaduw door beplanting, nieuwbouw of andere ruimtelijke ontwikkelingen kan ongewenst zijn. Het is belangrijk om ervoor te zorgen dat er voldoende bezonning en schaduw is en blijft. De gemeente kan voorkomen dat er te veel schaduw ontstaat. En juist zorgen voor voldoende schaduw. Bijvoorbeeld door regels aan bouwwerken te stellen in het omgevingsplan. Voldoende zon op de gevel van een gebouw kan ook belangrijk zijn. Bij bezonning gaat het echter niet om zonlicht in de woning: dat is het onderwerp daglichttoetreding. Hiervoor staan regels in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).
De gemeente Kaag en Braassem heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de regels voor bezonning hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige wetgeving en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.
Met het initiatief wordt uitsluitend gebruik gemaakt van bestaande bebouwing. Er vindt geen nieuwbouw plaats. Er is daarmee geen sprake van mogelijke verdere belemmeringen voor de bezonning van percelen. Rondom de standplaatsen en voorzieningen voor verblijfsrecreatie is voldoende groen aanwezig voor schaduwwerking in de warme periodes. Deze beplanting staat echter voornamelijk aan de randen van het perceel, waarmee er naast voldoende schaduw ook voldoende zonlicht beschikbaar blijft op en nabij de standplaatsen en voorzieningen.
Belangrijk is dat de daken waarop de zonnepanelen komen te liggen voldoende zon krijgen en houden. Met het initiatief is daar rekening mee gehouden en de bezonning van de daken waarop de zonnepanelen komen te liggen, wordt niet beperkt.
Met het initiatief is daarmee voldoende rekening gehouden met bezonning en schaduwwerking.
| Met het initiatief is geen sprake van het oprichten van een windturbine. Er zal daarmee geen sprake zijn van mogelijke hinder als gevolg van slagschaduw van windturbines aan gevoelige gebouwen en/of functies in de omgeving. Met het initiatief worden daarnaast geen nieuwe gevoelige gebouwen opgericht en/of gewijzigd. Daarmee zal geen sprake zijn van mogelijke hinder op de locatie door slagschaduw van windturbines in de omgeving. |
In het omgevingsplan staan regels voor de bescherming van gevoelige gebouwen of functies tegen slagschaduw door activiteiten, zoals een windturbine. De regels voor windturbines en windparken staan eerst in het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Dit tijdelijke deel bestaat uit de bruidsschat en planologische regels. In de bruidsschat staan gebruiksregels over slagschaduw van windturbines met een rotordiameter van meer dan 2 meter.
Vanuit de regels die gelden voor windturbines moet een windturbine voorzien zijn van een automatische stilstandvoorziening. Deze schakelt de windturbine uit als er te veel slagschaduw optreedt in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw. De windturbine wordt afgeschakeld als gemiddeld meer dan zeventien dagen per jaar gedurende meer dan twintig minuten per dag slagschaduw kan optreden.
Gemeenten kunnen in het omgevingsplan aanvullende regels opnemen om overlast door slagschaduw van windturbines te voorkomen. Daarbij mogen gemeenten zelf bepalen welke mate van hinder door slagschaduw aanvaardbaar is, maar moeten zij wel de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) in acht nemen.
De gemeente Kaag en Braassem heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de regels voor slagschaduw hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige wetgeving en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.
Met het initiatief is geen sprake van het oprichten van een windturbine. Daarmee zal vanuit de locatie geen sprake zijn van mogelijke hinder door slagschaduw van windturbines aan gevoelige gebouwen en/of functies in de omgeving.
Verder is het van belang om te kijken of op de locatie sprake kan zijn hinder door slagschaduw vanuit windturbines in de omgeving. Dit is vooral van belang als sprake is van het oprichten of wijzigen van gevoelige gebouwen en/of functies.
Met het initiatief is geen sprake van het oprichten of wijzigen van gevoelige gebouwen of functies. Er is daarmee geen sprake van een mogelijke toename van de hinder door slagschaduw vanuit windturbines.
| Met het initiatief zal geen sprake zijn van mogelijke nadelige gevolgen door windhinder. |
Wind kan hinder geven of zelfs gevaarlijk zijn. Windhinder treedt vooral op rond hoge gebouwen. De gemeente kan de gevolgen van windhinder beperken door bijvoorbeeld regels aan bouwwerken te stellen in het omgevingsplan.
Windhinder maakt deel uit van de fysieke leefomgeving. De gemeente moet het onderdeel windhinder daarom meenemen bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. De Rijksoverheid heeft voor windhinder geen instructieregels opgesteld. De gemeente heeft daarmee de vrijheid om deze zelf in het omgevingsplan verder in te vullen. Daarbij is het voor de gemeente van belang om rekening te houden met de mogelijke gevolgen van windhinder en daarvoor passende maatregelen op te nemen in het omgevingsplan.
De gemeente Kaag en Braassem heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de regels voor windhinder hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige wetgeving en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.
In het geldende omgevingsplan zijn geen regels opgenomen over het aspect windhinder. Het is echter wel belangrijk om te kijken of er sprake kan zijn van mogelijke gevolgen door windhinder.
Windhinder vindt vooral plaats bij of in de buurt van hoge gebouwen. Op de locatie is geen sprake van hoge gebouwen. Daarnaast zijn in de omgeving van de locatie geen hoge gebouwen gelegen. De kans op windhinder is daarmee zeer beperkt.
Er is daarmee geen sprake van mogelijke gevolgen door windhinder.
Een beperkingengebied is een breed verzamelbegrip en wordt in de Omgevingswet omschreven als een gebied dat bij of krachtens de wet (door de Rijksoverheid of provincie) is aangewezen, waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object, regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object.
De Omgevingswet verplicht de Rijksoverheid en provincies om beperkingengebieden aan te wijzen, zoals zones rond wegen, hoofdspoorwegen, waterkeringen, rijkswegen en vaarwegen. Binnen deze beperkingengebieden stelt de provincie eisen aan aanduidingen, informatieborden en uitwegen. Kortgezegd zijn dit de gebieden rondom wegen en waterstaatswerken waar beperkingen gelden. Dit betekent dat er beperkingen gelden voor activiteiten van derden, ter plaatse van de weg of het waterstaatswerk als ook in de daaraan grenzende (beschermings)zones. Een beperkingengebied is in feite wat nu de (beschermings)zones onder de voormalige wetgeving waren en in veel gevallen omvat het beperkingengebied ook de locatie van de weg of het waterstaatswerk of object zelf.
Een concreet voorbeeld van een beperkingengebied is een oppervlaktewaterlichaam (bijvoorbeeld een primaire watergang of een A-watergang) inclusief de (beschermings)zones (onderhoudsstroken en eventueel natuurvriendelijke oevers).
De locatie is gelegen in of nabij een zone die is aangemerkt als de beschermingszone van een regionale waterkering (de Hogedijk). Binnen deze gebieden gelden aanvullende regels voor activiteiten en ontwikkelingen. Met het initiatief zal echter geen sprake zijn van werkzaamheden binnen deze zone. Daarnaast vinden geen werkzaamheden of wijzigingen plaats aan de waterkering. Het initiatief zal niet leiden tot een mogelijke belemmering of beperking van de betreffende zone.
Verder is de locatie nabij oppervlaktewateren gelegen. De locatie ligt echter binnen de eventuele beschermingszones van deze oppervlaktewateren, maar binnen deze zones vinden geen activiteiten of werkzaamheden plaats. Met het initiatief is daarmee geen sprake van een mogelijke aantasting van de oppervlaktewateren en/of de beschermingszones daarvan.
Het initiatief heeft daarmee geen nadelige gevolgen op werken en/of objecten.
Als sprake is van een concreet initiatief is het belangrijk om na te gaan of het initiatief op de gewenste locatie uitvoerbaar is. Daarbij wordt gekeken naar zowel de economische als de maatschappelijke uitvoerbaarheid.
| Het initiatief wordt als economisch uitvoerbaar beschouwd. |
De Omgevingswet biedt ruimte voor de ontwikkeling van activiteiten in de fysieke leefomgeving. Voor de ontwikkeling van gebieden zal ook de overheid vaak kosten moeten maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van openbare voorzieningen, en het wijzigen van het omgevingsplan. De aanleg van voorzieningen vindt in veel gevallen plaats voor rekening van de gemeente. De initiatiefnemers van de ontwikkeling profiteren meer van de aanleg van die voorzieningen dan andere burgers en bedrijven. Om die reden is het gerechtvaardigd om deze kosten te verhalen op de initiatiefnemers.
De Omgevingswet verplicht overheden om de kosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen naar evenredigheid te verhalen op de initiatiefnemers die profiteren van de aan te leggen openbare voorzieningen.
De gemeente en een initiatiefnemer kunnen een overeenkomst sluiten over het kostenverhaal voorafgaand aan het besluit dat de aangewezen activiteit mogelijk maakt: een zogenoemde "anterieure overeenkomst". De Omgevingswet biedt daarvoor een grondslag.
Naast het kostenverhaal kan ook een vrijwillige financiële bijdrage gebiedsontwikkeling worden afgesproken. Dat is een bijdrage voor ontwikkelingen die niet onder het kostenverhaal vallen, maar wel bijdragen aan de kwaliteit van een gebied.
Als er geen overeenkomst tot stand komt, moet het kostenverhaal op een andere manier geregeld worden. Dat kan in het omgevingsplan of in een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (afwijking van het omgevingsplan). Meestal regelt de gemeente het kostenverhaal. Dat kan de gemeente doen door kostenverhaalregels in het omgevingsplan op te nemen of het kostenverhaal te regelen in de omgevingsvergunning.
De overheid mag de kosten alleen verhalen als ze voldoen aan drie criteria: profijt, proportionaliteit en toerekenbaarheid. Ook moet de locatie het kostenverhaal kunnen dragen. Dat houdt in dat er niet meer kosten mogen worden verhaald dan dat er opbrengsten zijn.
Tussen de gemeente Kaag en Braassem en de initiatiefnemer is naast dit project een aparte overeenkomst gesloten met betrekking tot het verhalen van de gemaakte kosten. In deze overeenkomst is opgenomen dat alle gemaakte kosten voor het uitvoeren en doorlopen van de procedure voor rekening van de initiatiefnemer zijn. Verder zal ook het verhalen van eventuele nadeelcompensatie in een aparte overeenkomst worden geregeld.
Hiermee is het kostenverhaal in voldoende mate geregeld, waarmee het initiatief economisch uitvoerbaar wordt geacht.
| Het initiatief wordt als maatschappelijk uitvoerbaar beschouwd. |
Het voorliggende plan betreft een wijziging van het omgevingsplan van rechtswege van de gemeente Kaag en Braassem met toepassing van de tijdelijke alternatieve maatregel (TAM). De bekendmaking van de voorgenomen wijziging wordt door de gemeente gepubliceerd via de Landelijke voorziening bekendmaken en beschikbaar stellen (LVBB).
Gemeenten stellen het besluit tot wijziging van het omgevingsplan normaal gesproken op volgens de nieuwe Standaard officiële publicaties (STOP) met bijhorende toepassingsprofielen (TPOD). De TAM vormt een alternatieve mogelijkheid voor gemeenten om het omgevingsplan te wijzigen, wanneer zij dit nog niet via de nieuwe standaarden kunnen doen. De TAM moet voorkomen dat planvorming onaanvaardbare vertraging oploopt bij de invoering van de Omgevingswet.
In de tijdelijke situatie worden met de voormalige techniek (voormalige planapplicaties) via de voormalige Wet ruimtelijke ordening (Wro)-standaard (IMRO-standaard) wijzigingsbesluiten van het omgevingsplan bekendgemaakt (conform inhoudelijke eisen Omgevingswet). In deze situatie vindt bekendmaking niet plaats via publicatie naar de LVBB, maar op de huidige gebruikelijke wijze. Dit betekent dat het vaststellingsbesluit via DROP (Decentrale Regelgeving en Officiële Publicaties) in het Gemeenteblad wordt gepubliceerd, en het met IMRO vormgegeven plandeel op ruimtelijkeplannen.nl. Via de overbruggingsfunctie zijn deze plannen dan ook direct in de DSO Viewer via het Omgevingsloket te raadplegen. Dit tijdelijke alternatief wordt aangeduid als de TAM-IMRO.
De wijziging van een omgevingsplan met de TAM vindt plaats in een aantal fasen. Deze zijn als volgt:
Voorbereiding:
Tijdens de voorbereiding wordt de opdracht tot wijziging vastgesteld, afstemming georganiseerd en andere input opgehaald. Op basis hiervan worden de uitgangspunten voor het ontwerpbesluit van de omgevingsplanwijziging opgesteld.
Ontwerpen:
In de fase ontwerpen wordt op basis van de uitgangspunten uit de voorbereiding het ontwerpbesluit opgesteld. Tegelijkertijd worden de daarmee corresponderende (toepasbare) regels opgesteld of gewijzigd.
Besluiten:
Bij het besluiten wordt de Uniforme Openbare Voorbereidingsprocedure uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitgevoerd en wordt het besluit vastgesteld.
Bekendmaking:
Bij de bekendmaking wordt het besluit gepubliceerd en worden belanghebbenden geïnformeerd. De noodzakelijk toepasbare regels worden aangeleverd in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO).
Rechtsbescherming:
In de fase rechtsbescherming kunnen belanghebbenden tegen het besluit tot wijziging van het omgevingsplan in beroep gaan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Vanuit de Omgevingswet is het nog wel belangrijk om aan te geven of er voldoende participatie heeft plaatsgevonden.
Zoals in deze toelichting omschreven in de paragraaf "Participatie" (paragraaf 3.2) heeft er ten behoeve van het initiatief voldoende participatie plaatsgevonden. Daarnaast zijn geen zienswijzen of beroepen ingediend en/of zijn ingediende zienswijzen en beroepen in voldoende mate beantwoord. Er zijn daarmee geen verdere maatschappelijke bezwaren ten aanzien van het initiatief.
Tijdens de terinzagelegging van het ontwerp TAM-omgevingsplan zijn enkele zienswijzen ingediend. Deze zijn beantwoord en waar nodig zijn aanpassingen aan het plan gedaan. De beantwoording van de zienswijzen en de ambtshalve wijzigingen aan het plan zijn nader uitgewerkt in de Nota van beantwoording zienswijzen en de Nota van wijzigingen, welke als bijlage 6 en 7 bij deze toelichting zijn opgenomen.
Met het doorlopen van de procedure voor het wijzigen van het omgevingsplan met toepassing van de tijdelijke alternatieve maatregel, waarbij sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, waarbij participatie heeft plaatsgevonden en waarbij wordt bijgedragen aan de maatschappelijke doelen uit de Omgevingswet en de zienswijzen naar behoren zijn beantwoord, wordt het initiatief maatschappelijk uitvoerbaar geacht.
Wanneer sprake is van een wijziging van het omgevingsplan dan wordt het plan alleen gewijzigd met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (Etfal, artikel 8.0a, lid 2 Besluit kwaliteit leefomgeving).
Daarnaast gelden de beoordelingsregels in artikel 8.0b tot en met 8.0e van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Zie hiervoor ook de paragrafen "Rijksbeleid" (paragraaf 4.1) en "Provinciaal beleid" (paragraaf 4.2).
De vraag bij de wijziging van het omgevingsplan is of het initiatief, de gevraagde activiteit, leidt tot een situatie, waarbij er sprake is van een evenwichtige toedeling (van functies aan locaties). Anders gezegd: is er, na een zorgvuldige belangenafweging, met het toestaan van de activiteit nog steeds of weer sprake van een evenwichtige toedeling?
Om dit te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen (zie de hoofdstukken 4, 5, 6 en 7).
Zoals blijkt uit de toetsing aan de geldende beleidskaders, welke is opgenomen in het hoofdstuk "Beleidsmatige afweging" (hoofdstuk 4), past het initiatief binnen de beleidsregels, beleidsuitgangspunten en instructieregels van de Rijksoverheid, de provincie, het waterschap en de gemeente. Er is daarmee geen sprake van strijdigheden met het beleid dat van toepassing is op de locatie.
Verder zal het initiatief, zoals nader aangetoond in het hoofdstuk "Afweging effecten op de fysieke leefomgeving" (hoofdstuk 5), geen nadelige gevolgen hebben op de fysieke leefomgeving. Het initiatief zal een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit daarmee niet in de weg staan.
Daarnaast zal met het initiatief, zoals nader aangetoond in het hoofdstuk "Beperkingengebieden" (hoofdstuk 6), geen sprake zijn van een mogelijke aantasting van een werk of object waarvoor een beperkingengebied is opgenomen.
Ten slotte wordt het initiatief, zoals nader is aangetoond in het hoofdstuk "Uitvoerbaarheid" (hoofdstuk 7), zowel economisch als maatschappelijk uitvoerbaar geacht. Verder heeft in voldoende mate participatie plaatsgevonden en is de juiste procedure doorlopen.
Op basis van het voorgaande is met het initiatief sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en wordt de ontwikkeling als aanvaardbaar beschouwd.