| Plan: | 3 parkwoningen Wehrerweg |
|---|---|
| Status: | voorontwerp |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1883.BPparkwonwehr-VO01 |
Het voorliggende bestemmingsplan is opgesteld ten behoeve van de bouw van drie parkwoningen ter plaatse van de Wehrerweg 231 en 233 in het buitengebied van Sittard. Op het betreffende perceel was één restaurant en waren twee woningen aanwezig. Door brand zijn deze verwoest en uiteindelijk gesloopt. Het voornemen is om ter compensatie op de locatie 3 zogenoemde parkwoningen te realiseren. Dit voornemen past niet binnen het geldende bestemmingsplan. Om dit planvoornemen mogelijk te maken dient dan ook een goede ruimtelijke en juridische onderbouwing te worden opgesteld.
Met betrekking tot dit planvoornemen is intensief overleg met de gemeente Sittard-Geleen gevoerd. Naar aanleiding van deze overleggen kan geconcludeerd worden dat de gemeente in principe medewerking wil verlenen aan het planvoornemen. Het college van burgemeester en wethouders heeft op 18 maart 2014 namelijk besloten om in te stemmen met de hoofdlijnen van de herontwikkeling van het betreffende terrein aan de Wehrerweg, waarbij de schematische opzet (blz. 14 van de toelichting) als uitgangspunt heeft gefungeerd.
Op grond van het geldende bestemmingsplan is realisatie van het planvoornemen niet mogelijk. Middels het voorliggende bestemmingsplan wordt het planvoornemen mogelijk gemaakt.
Het plangebied betreft de percelen Wehrerweg 231 en 233. De percelen, zijn kadastraal bekend als gemeente Sittard, sectie G, nummers 132 en 133 en gedeeltelijk 134. Het perceel heeft een oppervlakte van circa 5.000 m2.
De locatie ligt aan de rand van de kern Sittard. Het plangebied wordt begrensd door de Wehrerweg, agrarische gronden / groenvoorzieningen en de locatie Wehrerweg 221. Op de volgende afbeelding is de globale ligging van het plangebied weergegeven.
Afbeelding: Globale ligging plangebied
Het geldend bestemmingsplan ter plaatse betreft het bestemmingsplan 'Buitengebied Sittard' van de gemeente Sittard-Geleen. Dit bestemmingsplan is door de gemeenteraad vastgesteld op 26 juni 2013. Op grond van het bestemmingsplan heeft het plangebied de bestemming 'Wonen'. Deze gronden zijn bestemd voor wonen en de daarbij behorende voorzieningen. Voor de ligging van de woning geldt een bouwvlak en voor de ligging van bijgebouwen is de aanduiding 'bijgebouwen' van toepassing. Ook gelden de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4' en de gebiedsaanduidingen 'POG' en 'milieuzone - boringsvrije zone roerdalslenk zone 2'.
Middels dit bestemmingsplan wordt de vervangende nieuwbouw van twee woningen plus één extra woning mogelijk gemaakt. Voor het aantal woningen zal gebruik worden gemaakt van bouwvlakken. In totaal zullen ten behoeve van de 3 zogenoemde parkwoningen, 3 bouwvlakken binnen het plangebied worden opgenomen.
Het bestemmingsplan '3 parkwoningen Wehrerweg' bestaat uit de volgende stukken:
Het bestemmingsplan wordt vergezeld door een toelichting. De verbeelding en de regels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan en moeten samen 'gelezen' worden.
Op de verbeelding staan de bestemmingen van de gronden in het plangebied. Aan deze bestemmingen zijn regels en bepalingen gekoppeld die de uitgangspunten van het plan verzekeren.
De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt wel een belangrijk onderdeel van het bestemmingsplan. Hierin wordt aangegeven wat de beweegredenen en achtergronden zijn die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Daarnaast wordt hier onderzoek weergegeven dat aan het bestemmingsplan vooraf is gegaan. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.
In deze toelichting is in hoofdstuk 2 de bestaande en toekomstige situatie van het plangebied beschreven. In hoofdstuk 3 is ingegaan op het relevante ruimtelijk beleid. In hoofdstuk 4 wordt aandacht besteed aan de aspecten, die van invloed kunnen zijn op de ontwikkeling van het plangebied. In hoofdstuk 5 zijn de juridisch-technische aspecten van de opgenomen regeling vermeld. In hoofdstuk 6 zijn de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid weergegeven. Hoofdstuk 7 sluit deze toelichting af met de resultaten van te voeren procedure.
Het plangebied ligt aan de rand van de kern Sittard. Tevens ligt het plangebied net ten westen van de landsgrens met Duitsland.
De omgeving bestaat uit bebouwing en een groenstrook met voornamelijk groenvoorzieningen. De oostzijde van het plangebied betreft de grens met Duitsland.
Ten westen van het plangebied liggen de woonwijken Europapark en Haagsittardpark. De woningen aan de rand van deze wijken en de bestaande woningen binnen het plangebied hebben een vrije uitkijk over het landelijke gebied van Duitsland.
Aan Duitse zijde bestaat de omgeving voornamelijk uit agrarisch gebied met weilanden en akkerbouw.
Ten oosten van het plangebied is de Duitse kern Wehr gelegen. Wehr ligt in het gebied Selfkant in de Duitse deelstaat Noord-Rijnland-Westfalen.
Het plangebied wordt aan de noordzijde begrensd door de Wehrerweg die Sittard met Wehr en Süsterseel verbindt. Over de grens met Duitsland wordt deze weg de Landstraße genoemd. Aan de oostzijde bestaat de grens fysiek uit het buitengebied van Wehr. Kadastraal bestaat de grens hier uit de grens met Duitsland. De zuid- en westzijde van het plangebied bestaat uit een groenzone. De groenzone bestaat hier voornamelijk uit gras en bomen.
Op de locatie waren twee woningen met aangrenzend een restaurant aanwezig. In het pand is in het verleden tot twee maal brand uitgebroken. Na deze branden is de bebouwing niet gerenoveerd. Het betrof de laatste jaren ook niet bewoonde bebouwing met een achterstallig onderhoud. Inmiddels is de bebouwing gesloopt middels een melding.
Het perceel bij de woning en het restaurant is ingericht als tuin met voornamelijk cultuurgrassen. Aan de randen wordt het perceel landschappelijk ingepast door beplanting in de vorm van beukenhagen en diverse soorten bomen. Omdat de woning niet meer bewoond en het restaurant niet geëxploiteerd wordt is ook de tuin verwaarloosd. Het geheel heeft dan ook een verwaarloosde uitstraling en komt voor verbetering in aanmerking.
Het planvoornemen is om ter compensatie van de gesloopte bebouwing drie parkwoningen te realiseren. Een concreet bouwplan is echter nog niet voorhanden. Middels dit bestemmingsplan wordt beoogd de mogelijkheid voor het bouwen van 3 woningen te creëren. Vervolgens zullen de bouwplannen verder worden uitgewerkt.
De randvoorwaarden van de gemeente Sittard-Geleen zien met name toe op het maximaal aantal te realiseren woningen, natuurcompensatie en de aanleg van een pad ten behoeve van de ontsluiting. In samenspraak met de gemeente kunnen er 3 woningen gerealiseerd worden. Het plan voorziet in de realisatie van 3 zogenoemde parkwoningen. De woningen worden landschappelijke ingepast met aandacht voor kwaliteit. Door de invulling van het plangebied met dergelijke parkwoningen zullen de individuele bebouwingsmassa’s opgaan in het landschap en wordt een kwaliteitsslag gemaakt ten opzichte van de bestaande situatie. Tevens zal met deze invulling worden voorzien in natuurcompensatie.
Aangezien er nog geen concreet bouwplan voorhanden is zullen de maximaal gewenst bouwmassa’s middels bouwvlakken worden vastgelegd. Voor de woningen zal de maximale goothoogte 8 meter bedragen en de maximale bouwhoogte eveneens 8 meter. Bij de uitwerking van het bouwplan zal veelvuldig gebruik worden gemaakt van natuurlijke materialen en kleuren. Met deze opzet (vastleggen bouwvlakken en gewenst maximale goot- en bouwhoogte) wordt beoogd voldoende ontwerpvrijheid te creëren voor het verder concretiseren van de bouwplannen.
Afbeelding: Schematische opzet
Het voorgaande in ogenschouw nemend, kunnen conclusies worden getrokken ten aanzien van de aanvaardbaarheid van het planvoornemen vanuit stedenbouwkundig oogpunt.
Ten opzichte van de huidige situatie zorgt de inpassing van de 3 nieuwe woningen voor een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit.
Deze verbetering komt enerzijds voort uit het feit dat de nieuwe woningen landschappelijk ingepast zullen worden. De relatie tussen de woningen, het groen en de omgeving staat bij de ontwikkeling van de woningen voorop. Daarbij mag niet onvermeld blijven, dat het plangebied voor de woningen kleiner wordt (van ongeveer 5.000 m2 naar ongeveer 3.000 m2), ten gunste van het kunnen realiseren van een groenstrook. Ook hierdoor wordt de ruimtelijke kwaliteit verhoogd.
Om de ruimtelijke kwaliteit te kunnen waarborgen is een beeldkwaliteitsplan opgesteld. Dit beeldkwaliteitsplan is opgenomen in Bijlage 1. In dit beeldkwaliteitsplan is aangegeven welke landschappelijke, stedenbouwkundige en architectonische uitstraling ter plaatse nagestreefd wordt. Omdat dit beeldkwaliteitsplan tegelijk met het bestemmingsplan wordt vastgesteld vormt dit een formeel ruimtelijk toetsingskader voor de toekomstige ontwikkeling op deze locatie.
Hieronder is een afeelding uit het beeldkwaliteitsplan opgenomen, die een goede impressie geeft van de beoogde ruimtelijke uitstraling:
Anderzijds wordt de ruimtelijke kwaliteit verbeterd doordat de huidige, niet wenselijke situatie wordt opgeheven. Door het slopen van de verwaarloosde panden en het realiseren van 3 moderne parkwoningen krijgt het plangebied een kwaliteitsimpuls. De huidige, niet wenselijke situatie wordt opgeheven. Geconcludeerd kan worden dat het planvoornemen hiermee een aanvaardbare invulling vormt van het plangebied.
Voor het planvoornemen is het noodzakelijk de bestaande infrastructuur aan te passen. Dit is ook een randvoorwaarde vanuit de gemeente. Aan de westzijde van het plangebied zal voor de ontsluiting van de 3 woningen een nieuw pad/weg worden aangelegd. Deze weg zal aan de noordzijde aansluiten op de Wehrerweg. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de vroegere aansluiting van het voormalige restaurant op de Wehrerweg. Met andere woorden: het aantal aansluitingen op de Wehrerweg zal ten gevolge van de beoogde ontwikkeling niet toenemen. Gezien het (zeer) beperkte aantal te verwachten verkeersbewegingen behoeven er geen bijzondere verkeerstechnische maatregelen getroffen te worden bij deze aansluiting uit oogpunt van verkeersveiligheid. De uitrit moet wel als zodanig herkenbaar zijn (bijv. d.m.v. een uitritconstructie).
De Wehrerweg heeft vanaf de grens met Duitsland tot aan de komgrens een maximum snelheid van 80 km. Het betreft een zgn. gebiedsontsluitingsweg buiten de bebouwde kom, type II. Op dit soort wegen is conform Duurzaam Veilig een directe erfontsluiting niet toegestaan. Ofschoon gebruik gemaakt wordt van de voormalige aansluiting, betreft het hier toch een nieuw plan. De gemeente Sittard-Geleen is daarom voornemens om de snelheidslimiet op dit gedeelte van de Wehrerweg te verlagen naar 50 km/uur door de komgrens te verplaatsen in de richting van de Duitse grens, zodat de uitrit vanuit het plangebied, maar ook van de naburige bebouwing, binnen de bebouwde kom komt te liggen. Deze maatregel is een voorwaarde om op de beoogde plek te mogen uitwegen.
Met betrekking tot parkeren is de gemeentelijke Nota Parkeernormen Sittard-Geleen Parkeernormen van toepassing. Het betreft hier woningen in 'rest gemeente'. Conform de gemeentelijke nota geldt dan een parkeernorm van 1,7 parkeerplaatsen per woning, afgerond is dat 2 parkeerplaatsen per woning. De beoogde percelen krijgen een dermate grote oppervlakte dat dit aantal parkeerplaatsen op eigen terrein kan worden opgelost. In totaal zullen 6 parkeerplaatsen op eigen terrein worden gerealiseerd. Hiermee wordt voldaan aan de parkeernorm.
Parallel aan de nieuw te realiseren weg bestaat de mogelijkheid om op eigen terrein een halfverharde parkeerstrook met parkeerplaatsen te realiseren. Het plan voldoet dan ook ruimschoots aan de parkeernormen van de gemeente Sittard-Geleen.
Bij ruimtelijke plannen moet worden weergegeven hoe rekening is gehouden met relevant beleid. In de volgende paragrafen wordt het relevante beleid op nationaal, provinciaal, regionaal en gemeentelijk schaalniveau en de relatie met de voorgenomen ontwikkeling behandeld.
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
In 2012 is de nationale Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) van kracht geworden.
De SVIR bepaalt welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze van invloed zijn op de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. De Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) is de ministeriële regeling.
Nationale belangen
Met de Structuurvisie zet het kabinet het roer om in het nationale ruimtelijke beleid. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.
Voor het plangebied zijn de volgende nationale belangen van toepassing:
In zijn algemeenheid dient er sprake te zijn van een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten.
Ladder voor duurzame verstedelijking
Om een zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte te bevorderen, is een ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Dat betekent: eerst kijken of er vraag is naar een bepaalde nieuwe stedelijke ontwikkeling, vervolgens kijken of het bestaande stedelijk gebied of bestaande bebouwing kan worden hergebruikt en mocht nieuwbouw echt nodig zijn, dan altijd zorgen voor een optimale inpassing en multimodale bereikbaarheid.
De ladder voor duurzame verstedelijking werkt met de volgende opeenvolgende stappen ('de treden van de ladder'):
Ad 1.
De voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) (artikel 1.1.1, lid 1, onder i) is voor stedelijke ontwikkeling een definitie opgenomen: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. Het begrip 'woningbouwlocatie', zoals opgenomen in de definitie is niet nader gedefinieerd in het Bro. Het moet echter gaan om een ruimtelijke ontwikkeling van enige omvang. Het bouwen van één extra woning is geen stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder (AbRvS 14 januari 2014, nr. 201308263/2/R4). Met de voorgenomen ontwikkeling verbetert de ruimtelijke kwaliteit op de locatie.
Benadrukt wordt dat indien een ontwikkeling niet is aan te merken als een 'stedelijke ontwikkeling' als bedoeld in artikel 3.1.6, lid 2, van het Bro, dit niet betekent dat de woningbehoefte niet hoeft te worden aangetoond. In het kader van de uitvoerbaarheid van het voorliggende ruimtelijk plan moet de behoefte alsnog worden onderbouwd. In dat geval kan de ladder als leidraad dienen.
De woningen voorzien in een behoefte, waarmee een kwaliteitsimpuls wordt gegeven aan de locatie. Bij de bundeling van verstedelijking en economische activiteiten dient optimaal gebruik te worden gemaakt van de ruimte die in het bestaande bebouwde gebied aanwezig is. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling zijn de 2 in slechte staat verkerende (afgebrande) woonpanden gesloopt. Hiermee wordt bijgedragen aan een veilige en leefbare samenleving. Hiervoor in de plaats worden 3 nieuwe woningen gerealiseerd. Ter compensatie van de extra te bouwen woning is een woning in Sittard ingewisseld. Daarmee is er geen sprake van een toename van het aantal woningen. Met het planvoornemen wordt het stedelijke gebied binnen de aangewezen grens stedelijke dynamiek intensiever gebruikt. Bovendien levert het planvoornemen een bijdrage aan een aantrekkelijk gebied door de landschappelijke inpassing van de nieuwe woningen. In hoofdstuk 2 is uitgebreid ingegaan op de planvorming met daarbij ook de ligging en kwaliteit van de locatie.
De provincie heeft nadere kaders gesteld, die zijn doorvertaald in het gemeentelijk beleid. In de volgende paragrafen is ingegaan op het provinciale, regionale en gemeentelijk beleid.
De ontwikkeling levert een bijdrage aan de vitaliteit en ruimtelijke kwaliteit van de locatie.
Ad 2.
De locatie ligt binnen bebouwd gebied aan de rand van de kern Sittard. Met de voorgenomen ontwikkeling ontstaat een belangrijke verbetering van de ruimtelijke kwaliteit op deze locatie. Deze verbetering is alleen mogelijk als de kavel kan worden herontwikkeld met de woningen. De locatie biedt voor de ontwikkeling de kwalitatieve en kwantitatieve geschiktheid.
Ad 3.
Met de ligging aan de Wehrerweg is de locatie goed ontsloten. Er wordt een ontsluitingsweg op de Wehrerweg gerealiseerd. In de huidige situatie zijn er ook ontsluitingen op de Wehrerweg. Aangezien er geen significante verkeerstoename ontstaat zal dit geen problemen opleveren. Multimodale ontsluiting is voor de 3 woningen niet noodzakelijk.
Verdrag van Malta
Het Verdrag van Malta (uit 1992) is een Europees verdrag, waarin de ondertekende landen hebben afgesproken bij ruimtelijke ontwikkelingen zoveel mogelijk rekening te houden met archeologie. Het uitgangspunt is 'behoud in situ' ofwel behoud in de bodem.
Het beleidskader wordt thans gevormd door de op het Verdrag van Malta gestoelde Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz), per 1 september 2007 in werking getreden, alsmede de Wet ruimtelijke ordening (Wro), die 1 juli 2008 in werking is getreden. De gemeente Sittard-Geleen beschikt over een eigen beleidsadvieskaart waarop de archeologische waarden en het beleid zijn aangegeven.
Het planvoornemen voorziet er in om in de plaats van de voorheen in slechte staat verkerende panden, de bouw van 3 woningen gedeeltelijk op dezelfde locatie mogelijk te maken. In paragraaf 4.10 is nader ingegaan op het aspect archeologie.
Natura 2000
De Europese Unie (EU) heeft een zeer gevarieerde en rijke natuur, die van biologische, esthetische, genetische en economische waarde is. Om deze natuur te behouden heeft de EU het initiatief genomen voor Natura 2000. Dit is een samenhangend netwerk van beschermde natuurgebieden op het grondgebied van de lidstaten van de EU. Dit netwerk vormt de hoeksteen van het beleid van de EU voor behoud en herstel van biodiversiteit.
Het netwerk omvat alle gebieden die zijn beschermd op grond van de Vogelrichtlijn (1979) en de Habitatrichtlijn (1992). Deze richtlijnen zijn in Nederland geïmplementeerd in de Natuurbeschermingswet 1998.
In paragraaf 4.9 komt het aspect flora en fauna nader aan de orde. In het kader van het planvoornemen zijn de verwaarloosde panden gesloopt en worden nieuwe woningen gebouwd op nagenoeg dezelfde locatie. De consequenties ten opzichte van natuurwaarden zullen dan ook nihil zijn. Als tegenprestatie voor het planvoornemen worden de woningen landschappelijk ingepast. Het planvoornemen heeft dan ook geen negatieve invloed op de natuurwaarden.
Provinciaal Omgevingsplan Limburg en Omgevingsverordening Limburg
Het beleidskader van de provincie Limburg voor het totale omgevingsbeleid is omschreven in het Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL2014) en geregeld via de Omgevingsverordening Limburg.
In de Omgevingsvisie POL 2014 staan de fysieke kanten van het leef- en vestigingsklimaat centraal. Belangrijke uitdagingen zijn het faciliteren van innovatie, het aantrekkelijk houden van de regio voor jongeren en arbeidskrachten, de fundamenteel veranderde opgaven op het gebied van wonen en voorzieningen, de leefbaarheid van kernen en buurten en het inspelen op de klimaatverandering.
Er zijn binnen Limburg regionale verschillen. De locatie ligt in de regio Zuid-Limburg. In de integrale gebiedsopgave van Zuid-Limburg staat de komende jaren de economische structuurversterking centraal.
Op basis van de bij het Omgevingsplan behorende kaarten geldt het volgende voor de locatie:
In de Omgevingsverordening zijn voor het plangebied de volgende aspecten opgemerkt:
De voorgenomen ontwikkeling komt voort uit de behoefte aan sloop van landschapsontsierende panden. Hiervoor worden twee woonfuncties gesloopt en drie woonfuncties gerealiseerd. Ter compensatie van de extra te bouwen woning is door initiatiefnemer een adres elders in de stad ingewisseld om aan het beleid in deze te voldoen. Daarmee is er per saldo geen sprake van een toevoeging van nieuwe woningen aan de bestaande planvoorraad.
Met andere woorden: Door de planherziening wordt er 1 nieuwe woning toegevoegd. Om die reden zou artikel 2.4.2. lid 1 van de Omgevingsverordening in het geding zijn. Maar omdat deze toevoeging wordt gecompenseerd door sloop elders wordt voldaan aan lid 2 van dit artikel en is het eerste lid niet van toepassing.
De voorgenomen ontwikkeling vindt plaats binnen bebouwd gebied, aan de rand van de kern Sittard. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt een bijdrage geleverd aan de vitaliteit en ruimtelijke kwaliteit van de locatie. Het planvoornemen beoogt een bijdrage te leveren door het realiseren van zogenoemde parkwoningen. De woningen worden landschappelijk ingepast met aandacht voor kwaliteit. Met het toevoegen van 1 woning, die wordt gecompenseerd door de sloop van een andere woning elders wordt voldaan aan de Omgevingsverordening c.q. de gewijzigde beleidsregel "Kwaliteitscriteria nieuwe woningen Zuid Limburg".
Ontwerp Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg
18 gemeenten in Zuid-Limburg werken samen aan het opstellen van een Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg. Deze Structuurvisie zal de 'Structuurvisie Wonen Westelijke Mijnstreek' uit 2011 vervangen.
De Structuurvisie Wonen Zuid-Lumburg geeft op hoofdlijnen een toekomstbeeld van de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen op het gebied van Wonen in de regio Zuid-Limburg voor de komende 10 jaar. Voor het gemeentebestuur is de structuurvisie een belangrijke leidraad voor het opstellen van toekomstige bestemmingsplannen en het toetsingskader voor toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen binnen de gemeente. De Ontwerp Structuurvisie is tot stand gekomen op basis van breed ambtelijk en bestuurlijk overleg binnen de regio Zuid-Limburg. Daarnaast zijn in heel Zuid-Limburg informatiesessies georganiseerd voor raadsleden, het maatschappelijke middenveld en andere stakeholders.
Omgevingsvisie 2016
De gemeenteraad heeft op 15 december 2016 de Omgevingsvisie 2016 vastgesteld. Deze Omgevingsvisie 2016 komt in de plaats van de Structuurvisie Sittard-Geleen uit 2010.
De Omgevingsvisie 2016 is een van de instrumenten om de doelen en prioriteiten van de gemeente te realiseren. In de visie wordt aangegeven welke integrale koers de gemeente nastreeft en wat dit betekent voor de visie op de ruimtelijke ontwikkeling van Sittard-Geleen. Duidelijk wordt gemaakt welke ontwikkelingen gefaciliteerd worden en wat daarbij het ruimtelijk afwegingskader is. De omgevingsvisie biedt ruimte waar dat mogelijk is en is sturend waar dat nodig is. In de Omgevingsvisie wordt ook helder gemaakt welke instrumenten ingezet zullen worden om de komende periode richting te geven aan de uitvoering van de gemeentelijke doelen en prioriteiten. Met de Omgevingsvisie nodigt de gemeente al haar partners uit om samen de gemeente blijvend te ontwikkelen naar een gemeente waar het goed wonen, leven en werken is.
In de Omgevingsvisie is een visiekaart opgenomen, waarop aangegeven wordt welke ontwikkelingen er beoogd worden. Deze kaart is hieronder opgenomen.
In de omgevingsvisie worden uitspraken gedaan over de gewenste ontwikkelingsrichtingen. Het plangebied aan de Wehrerweg is gesitueerd binnen het gebied, dat op de visiekaart met een gele kleur is aangeduid als "transformeren, verdunnen en verduurzamen bestaand stedelijk gebied".
Voor dit gebied worden in de Omgevingsvisie 2016 onder andere de volgende ambitie uitgesproken:
"Binnen het bestaande (stedelijk) suburbane woongebied vormt verdunning (meer woningen slopen dan bouwen) de belangrijkste opgave".
Dit betekent echter niet, dat er helemaal geen nieuwe woningen toegevoegd kunnen worden. In de Omgevingsvisie 2016 wordt een link gelegd naar de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg 2016 omdat daarin het thema wonen op Zuid-Limburgse schaal wordt onderzocht. Daar worden handreikingen gedaan voor de verdunningsopgave. Maar ook worden daar voorwaarden genoemd waaronder aantallen en typen woningen kunnen worden toegevoegd. Zo is het mogelijk door sloop van gebouwen kansen te bieden voor de ontwikkeling van de hoofdgroenstructuur. De herstructurering van het plangebied aan de Wehrerweg kan beschouwd worden als een voorbeeld van een ontwikkeling, waar door toevoeging van woonbebouwing in een landschappelijke setting de ruimtelijke structuur ter plaatse versterkt kan worden.
In de Omgevingsvisie 2016 wordt speciale aandacht besteed aan Duurzaamheid en klimaat. Duidelijk wordt gemaakt, dat dit een opgave voor ons allen is. Dat is op zich geen nieuw gegeven. Al in 2008 heeft de raad het beleidsplan Duurzame Energie 2008 - 2016 "Sittard-Geleen Duurzaam en Energiek" vastgesteld. In dat plan is aangegeven op welke wijze de gemeente Sittard-Geleen de zogenaamde 20/20/20 doelstellingen wil realiseren (In 2020 a. een energiebesparing gerealiseerd hebben van 20% en b. een aandeel van 20% van het energiegebruik met duurzame energie gerealiseerd hebben).
In de Omgevingsvisie 2016 worden deze doelstellingen verder uitgewerkt. Hieruit kan de volgende boodschap afgeleid worden: Ook kleinere ontwikkelingen (waaronder de 3 parkwoningen aan de Wehrerweg) zullen hun steentje moeten bijdragen. De ontwikkelaar is zich hiervan bewust en zal alles in het werk stellen om zijn bijdrage te leveren.
Ingevolge artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt in dit hoofdstuk een beschrijving opgenomen van het verrichte onderzoek naar relevante feiten en belangenafweging (artikel 3.2. Algemene wet bestuursrecht).
Ten aanzien van de bodemkwaliteit geldt de Wet bodembescherming (Wbb) en het (bijbehorende) Besluit bodemkwaliteit. Gestreefd wordt naar een duurzaam gebruik van de bodem. Bij een ruimtelijk plan moet de bodemkwaliteit van het betreffende gebied inzichtelijk worden gemaakt. Hierbij is van belang te weten of er bodemverontreiniging is die de functiedoelen kan frustreren, of er gezondheidsrisico's of ecologische risico's daardoor zijn en wat de mogelijkheden zijn om er tijdig iets aan te doen. Hiervoor is wettelijk verplichte informatie over de bodemkwaliteit nodig. Het uitgangspunt wat betreft de bodem in het plangebied is, dat de kwaliteit ervan zodanig dient te zijn dat er geen risico's zijn voor de volksgezondheid bij het gebruik van het plangebied voor de voorgenomen functie(s).
Verkennend bodemonderzoek
In het kader van het planvoornemen is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Aeres Milieu, Projectnummer AM10145, van 28 oktober 2010). In Bijlage 2 is het onderzoek toegevoegd.
Uit de analyseresultaten blijkt dat de bovengrond plaatselijk licht verontreinigd is met kobalt, zink en Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen (PAK-10 VROM). In de ondergrond zijn geen van de onderzochte componenten gemeten in een gehalte verhoogd ten opzichte van de (berekende) achtergrondwaarde. Het freatisch grondwater is niet onderzocht aangezien er geen grondwater binnen 5,0 m-mv is aangetroffen. Conform de NEN 5740 is dan ook geen onderzoek naar de grondwaterkwaliteit noodzakelijk.
De resultaten van dit bodemonderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een aanvullend of nader bodemonderzoek.
De milieu-hygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.
De aangetroffen lichte verontreinigingen in de bovengrond kunnen wel bij grondwater beperkingen opleveren ten aanzien van het (her)gebruik van de grond omdat dan veelal andere normen gelden. Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is het Besluit bodemkwaliteit van toepassing.
Verkennend asbestonderzoek
Ook is een verkennend asbestonderzoek opgesteld (Lankelma, Opdrachtnummer 63687, van 11 november 2010). Het onderzoek is weergegeven in Bijlage 3.
Uit analyse blijkt dat in mengmonster MM2 14 mg/kg d.s. aan asbest is aangetroffen, hierbij zijn de ten tijde van de veldinspectie aangetroffen asbestverdachte plaatjes niet meegenomen. Op basis van het asbestonderzoek kan geconcludeerd worden dat de verdenking op asbest in de bodem op onderzoekslocatie deels terecht is. Uit analyse van de toplaag (0,0 - 0,02 m-mv.) aan zowel de oost als westzijde van het pand blijkt dat er geen aanleiding aan te nemen dat eventueel bij de brand vrijgekomen asbest de toplaag heeft verontreinigd.
In de puinhoudende grondslag is zowel analytisch als visueel asbest en asbestverdacht materiaal aangetroffen. Aan de hand van het geheel aan onderzoeksresultaten kan geconcludeerd worden dat de puinhoudende grondslag asbesthoudend is. Op basis van onderhavig onderzoek kan geen concentratie berekening uitgevoerd worden. In het onderzoek is aangegeven dat nader onderzoek moet worden uitgevoerd. Dit is opgelost door de asbest-saneerder, die maatregelen heeft genomen, en deze laag 'schoon' heeft gemaakt. Hij heeft dat gedaan door het specifieke gebied te zeven om zo de asbestverontreiniging eruit te filteren. Deze methode heeft de asbestsaneerder met de gemeente Sittard kortgesloten in het kader van de verleende sloopmelding. Het bewijs van de uitgevoerde werkzaamheden zijn door de asbestsaneerder rechtstreeks aangeleverd aan de gemeente en maken deel uit van de verleende sloopmelding.
Conclusie
Vanuit het aspect bodem zijn er geen belemmeringen voor het planvoornemen. Er is voldaan aan het gemeentelijke bodembeleid, dat verwoord is in het Bodembeheerplan 2016-2020.
Bij de totstandkoming van ruimtelijke plannen moet de watertoets worden toegepast. Dit houdt in dat alle ruimtelijke plannen een waterparagraaf moeten bevatten. De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het kader van de watertoets is sinds 2003 wettelijk verankerd in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro).
Watertoets
De initiatiefnemer heeft het Waterschap Roer en Overmaas geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van http://www.dewatertoets.nl. De samenvatting en het toetsresultaat hiervan zijn opgenomen in Bijlage 4.
Toetsresultaat
Uit de watertoets blijkt dat op basis van de gegeven antwoorden, vanwege de relatief kleine omvang en de ligging buiten de invloedszones, geen of weinig invloed op de waterhuishouding wordt verwacht. Op dit plan is daarom de korte watertoetsprocedure van toepassing. Dit houdt in dat het Watertoetsloket Roer en Overmaas niet betrokken hoeft te worden bij de voorbereiding van het plan.
Afkoppelen
Aan de uitgangspunten van duurzaam waterbeheer kan invulling worden gegeven door het hemelwater dat afstroomt van daken en terreinverhardingen niet aan te sluiten op het vuilwaterriool, maar dit water apart op te vangen en zoveel mogelijk lokaal in de bodem te laten infiltreren. In Bijlage 4 zijn aandachtspunten opgenomen voor een goed ontwerp van deze infiltratievoorzieningen.
Waterhuishoudkundige situatie
Het planvoornemen betreft de sloop van 2 panden ten behoeve van de bouw van drie parkwoningen. Het totaal verhard oppervlak zal als gevolg van deze ontwikkeling toenemen. De toename aan verhard oppervlak is minder dan 2.000 m2.
Op de locatie voor de parkwoningen wordt hemelwater per nieuwe woning zoveel mogelijk afgekoppeld. In aansluiting op het nationale beleid hanteert het waterschap het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht dient te worden hoe omgegaan kan worden met het schone hemelwater. Hierbij worden de volgende afwegingsstappen doorlopen: hergebruik, infiltratie, berging, lozing op het oppervlaktewater, lozing op de riolering.
Hergebruik van hemelwater wordt met name overwogen bij grootschalige voorzieningen als scholen, kantoorgebouwen en dergelijke. Voor een drietal woningen wordt dit, ook gezien de landelijke ervaringen met grijswatersystemen, niet gestimuleerd.
De 3 parkwoningen worden afzonderlijk aangesloten op de bestaande gemengde riolering aan de Wehrerweg. Het afvalwater en het eventuele overstortwater van de individuele percelen wordt via het riool afgevoerd naar de regionale rioolwaterzuiveringsinstallatie. Van de woningen wordt het hemelwater individueel afgekoppeld.
Derhalve kan worden geconcludeerd dat de watersituatie ter plaatse zal verbeteren ten opzichte van de bestaande situatie.
Indicatief infiltratieonderzoek
Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een indicatief infiltratieonderzoek opgesteld (Aeres Milieu, Rapport code AM10145a, van 21 oktober 2010). Zie hiervoor Bijlage 5.
Uit de boringen die ter plaatse zijn uitgevoerd, blijkt dat het bodemtraject tot circa 1,4 meter onder maaiveld overwegend bestaat uit zand, uiterst fijn, sterk siltig. Dergelijke sedimenten vertonen in het algemeen een matige tot zeer matige doorlatendheid.
De indicatieve onverzadigde doorlatendheid (infiltratiesnelheid) is bepaald door Porchet-tests in vier boorgaten.
De Porchet-test geeft een 'gemiddelde' infiltratiesnelheid van circa 12 meter per dag. De gemeten waarden komen overeen met de literatuurwaarden voor zand, uiterst fijn, sterk siltig.
Voor het dimensioneren van eventuele infiltratievoorzieningen binnen het studiegebied kan worden uitgegaan van een horizontale doorlatendheid van circa 12 meter per dag. Hierbij is rekening gehouden met de praktijkervaring met infiltratievoorzieningen, dat in verloop van de tijd de doorlatendheid van de bodem afneemt. De verticale doorlatendheid zal in dit geval een factor 30 lager liggen.
Als een infiltratievoorziening zal worden gerealiseerd kan daarbij een verticale doorlatendheid van de bodem ter plaatse van ongeveer 0,5 tot 0,3 meter per dag worden gehanteerd.
Beleidsplan Afvalwater Westelijke Mijnstreek
De gemeenten in de Westelijke Mijnstreek hebben tezamen met het Waterschap Roer en Overmaas en het Waterleidingsbedrijf Limburg een beleidsplan opgesteld, waarin aangegeven wordt hoe er omgegaan dient te gaan met water. Daarbij worden aparte beleidsregels geformuleerd voor stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater.
Hierboven is al aangegeven, dat er ter plaatse in ieder geval gezorgd zal worden voor het afkoppelen van het hemelwater, zowel van daken als van verharding, zodat dit hemelwater in het plangebied zelf kan infiltreren. Dit past naadloos in het beleid, dat in het Beleidsplan Afvalwater Westelijke Mijnstreek is geformuleerd ten aanzien van hemelwater.
Ook de andere maatregelen, die in het plangebied voorgesteld worden, passen in dit Beleidsplan.
Een woning is een geluidgevoelig object in het kader van de Wet geluidhinder (Wgh). Ten aanzien van wegverkeer is het plangebied gelegen aan de Wehrerweg. Deze weg is zoneplichtig waardoor de Wet geluidhinder hierop van toepassing is. Voor een zorgvuldige onderbouwing dienen de geluidsbelastingen op de gevels door wegverkeerslawaai dan ook inzichtelijk gemaakt te worden. Een akoestisch onderzoek is hiervoor dan ook noodzakelijk.
Akoestisch onderzoek
In verband met de voorgenomen ontwikkeling is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (BVA Verkeersadviezen, Publicatienummer 1688, van oktober 2016). Het onderzoek is toegevoegd in Bijlage 6.
De Wehrerweg heeft vanaf de grens met Duitsland tot aan de komgrens een maximum snelheid van 80 km. De gemeente Sittard-Geleen is voornemens om de snelheidslimiet op de Wehrerweg buiten de bebouwde kom te verlagen naar 50 km/uur tot aan de Duitse grens. Deze maatregel is een voorwaarde om op de beoogde plek te mogen uitwegen. Daarom is er gerekend met een snelheid van 50 km/uur tot aan de grens met Duitsland. Op de Lange Voer en de Straatsburglaan geldt een maximumsnelheid van 30 km/uur.
Omdat de exacte ligging van de 3 nieuwe woningen niet bekend is, is gerekend op de rand van de bouwvlakken, zoals op de verbeelding is aangegeven. Binnen elk bouwvlak mag één woning gebouwd worden. Aangezien de eerstelijns woning de achterliggende woningen afschermt van het verkeersgeluid op de Wehrerweg heeft het realiseren van deze woning dus invloed op de geluidsbelasting op de daarachter gelegen woning(en). Omdat de exacte omvang van de woningen niet bekend is, is ervoor gekozen per bouwvlak/woning een aparte berekening te maken, waarbij uitsluitend de woning waarop de berekening betrekking heeft is gemodelleerd. De beide andere woningen zijn dus niet in het model opgenomen. Dit betekent dat de daadwerkelijke geluidsbelasting op de tweede en derdelijns woning in de werkelijkheid lager zal liggen dan nu is berekend. Ook hier is er dus sprake van een worst case situatie.
Aan de hand van de ligging van de bouwvlakken kan wel worden vastgesteld waar de woningen zonder problemen kunnen worden gerealiseerd, waar procedures moeten worden gevolgd en waar maatregelen noodzakelijk zijn. Omdat de nieuwbouw niet meer dan twee bouwlagen zal krijgen is de geluidsbelasting op twee waarneemhoogtes berekend, namelijk 1,5 meter en 4,5 meter.
Op woning 1 (de meest noordelijke woning) bedraagt de geluidsbelasting ten gevolge van het verkeer op de Wehrerweg afgerond maximaal 57 dB inclusief correctie op beide waarneemhoogtes, op woning 2 (de middelste woning) 50 dB en op woning 3 (de meest zuidelijke woning) 47 dB op de maatgevende waarneemhoogte 4,5 meter.
Op woning 1 en 2 wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschreden. Op woning 3 blijft de geluidsbelasting onder de voorkeursgrenswaarde, deze kan zonder problemen worden gerealiseerd. Wel merken wij op dat het mogelijk is dat woning 1 woning 2 zodanig afschermt van de Wehrerweg dat ook voor woning 2 voldaan kan worden aan de voorkeursgrenswaarde.
In het akoestische rapport is aangegeven welk effect geluidschermen hebben op de berekende geluidsbelasting. Uit het onderzoek blijkt, dat ook hoge schermen onvoldoende effect hebben om de voorkeursgrenswaarde bij woning 1 te halen. Bovendien zijn geluidschermen uit landschappelijk oogpunt hier ongewenst. Daarom zal er een procedure hogere grenswaarde worden gevolgd. Dit is mogelijk omdat de maximale grenswaarde in binnenstedelijk gebied 63 dB bedraagt.
Conclusie
Rekening houdend met het bovenstaande kan worden voldaan aan het aspect geluid.
Met betrekking tot luchtkwaliteit moet rekening worden gehouden met het gestelde in de Wet milieubeheer (Wm), hoofdstuk 5, titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen en de bijbehorende bijlagen. Op basis van artikel 5.16 Wm kan, samengevat, een plan worden vastgesteld, indien:
Ruimtelijke-economische besluiten die 'niet in betekenende mate' bijdragen aan de concentraties in de buitenlucht van stoffen waarvoor bijlage 2 van de Wet milieubeheer een grenswaarde bevat, worden niet langer, zoals voorheen, individueel getoetst aan die grenswaarden. Als gevolg daarvan kunnen tal van kleinere projecten doorgang vinden, ook in situaties waar nog niet aan de grenswaarden wordt voldaan. De effecten van deze projecten op de luchtkwaliteit worden verdisconteerd in de trendmatige ontwikkeling van de luchtkwaliteit, zoals beschreven in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).
Bij besluitvorming is het dus van belang om te bepalen of een initiatief 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit. In de algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM zijn uitvoeringsregels vastgesteld die betrekking hebben op het begrip NIBM.
Het begrip "niet in betekenende mate" is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10 In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden.
Vooralsnog geldt dat:
De voorgenomen ontwikkeling betreft een ontwikkeling die van geringere omvang is dan wat hiervoor is aangegeven (het betreft namelijk slechts enkele woningen) en daarom kan geconcludeerd worden dat de luchtkwaliteit niet 'in betekenende mate' zal verslechteren. Daarom hoeft niet nader op het aspect luchtkwaliteit te worden ingegaan.
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit leidt niet tot belemmeringen van de voorgenomen ontwikkeling.
Van de ramptypes die verband houden met externe veiligheid zijn met name ongevallen met brandbare/explosieve of giftige stoffen van belang. Deze ongevallen kunnen nader worden onderscheiden in ongevallen met betrekking:
Inrichtingen
De risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld door activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen dienen tot een aanvaardbaar minimum te worden beperkt. Daartoe zijn in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) regels gesteld. Bij het toekennen van bepaalde bestemmingen dient onderzocht te worden:
Het plangebied is op basis van de provinciale risicokaart niet binnen de invloedssfeer gelegen van een risicovolle Bevi-inrichting.
Buisleidingen
In of nabij het plangebied zijn op basis van de provinciale risicokaart geen buisleidingen gelegen waardoor gevaarlijke stoffen worden getransporteerd.
Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor
In de directe nabijheid van het plangebied vindt volgens de provinciale risicokaart geen transport van gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor plaats.
Conclusie
Het aspect externe veiligheid hoeft niet nader onderzocht te worden en vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling die middels dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt.
Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven en inrichtingen kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.
Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van al aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Het doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie.
In de directe nabijheid van het plangebied zijn geen bedrijven of andere objecten met een milieuzonering gelegen, ook geen agrarische bedrijven. Onderzoek naar eventuele hinder veroorzaakt door bedrijven of andere objecten met een milieuzonering is gezien het bovenstaande niet aan de orde.
Conclusie
Vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor het planvoornemen.
In of nabij het plangebied liggen geen kabels of leidingen, die ten behoeve van het gebruik en/of de veiligheid planologische bescherming behoeven, en daarmee een belemmering voor het planvoornemen betekenen.
Conclusie
Er zijn geen belemmeringen vanuit het aspect kabels en leidingen.
Op basis van de flora en faunawet moet bij alle geplande ruimtelijke ingrepen nagegaan worden of er schade wordt toegebracht aan beschermde dier- en plantensoorten. De AMvB art. 75 van de Flora en faunawet, in werking getreden in februari 2005, introduceert een ontheffingsregeling en een gedragscode. Voor ruimtelijke ontwikkeling en inrichting geldt in twee gevallen een ontheffing wanneer sprake is van beschermde diersoorten in het plangebied:
Voor de soorten, genoemd in bijlage IV van de Habitatrichtlijn en in bijlage 1 van de AMvB, is altijd een ontheffing nodig. In artikel 2 van de Flora en faunawet is de zorgplicht opgenomen.
Dit houdt in dat iedereen 'voldoende zorg' in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende dieren en planten (en dus niet alleen de beschermde) en hun leefomgeving.
Het plangebied ligt bij het Nationaal Landschap Zuid Limburg, maar niet in het beschermingsgebied van het Nationaal Landschap. Dit Nationaal Landschap is een rivierterrassen landschap, doorsneden door diep ingesneden dalen, waarbij de rotsachtige ondergrond dagzoomt in de steile dalhellingen. Waar de ondergrond ondoorlatend is ontspringen bronnen die vervolgens als bronbeekjes afwateren op de Geul, de Gulp, de Geleenbeek en de Maas. Deze landschappelijke opbouw geeft over een korte afstand een grote afwisseling tussen de weidse, open plateaus en de intieme, besloten dalen.
Het plangebied ligt niet in of nabij de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) of een Natura 2000-gebied. Het planvoornemen betreft de sloop van verwaarloosde panden en de bouw van een nieuwe woningen op nagenoeg dezelfde locatie. Zoals eerder aangegeven zal het planvoornemen zowel ruimtelijk als landschappelijk ingepast worden. Naar verwachting heeft het planvoornemen dan ook geen negatieve invloed op de natuurwaarden.
Quickscan flora en fauna
In verband met de voorgenomen ontwikkeling is een quickscan flora en fauna uitgevoerd (Aeres Milieu, Projectnummer AM101451, van 22 juni 2010). Het onderzoek is toegevoegd in Bijlage 7.
Flora- en faunawet
Beschermde dieren uit de categorie 'algemene soorten': vrijstelling
Voor het vernietigen van holen et cetera en verstoren van beschermde zoogdieren van de categorie 'algemene soorten' voor ruimtelijke ingrepen, bestaat een vrijstelling op grond van 'AMvB artikel 75' van de Flora- en faunawet (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 2005). Er hoeft daarom geen ontheffing te worden aangevraagd.
Algemene vogels: geen directe schade
Door het verwijderen van de vegetatie buiten de periode 15 maart tot 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels) uit te voeren, wordt directe schade aan algemeen voorkomende vogels, hun nesten en eieren voorkomen. Er hoeft dus geen ontheffing voor algemene vogels te worden aangevraagd.
Huismus: compensatie van vernietiging van nesten
Vermoedelijk zijn er nesten van de huismus in het plangebied aanwezig. Nesten van deze soort worden jaarrond als vaste rust- en verblijfplaats gezien (Dienst Regelingen, 2009a, 2009b en 2009c). Indien er per nieuw te bouwen gebouw 1 vogelvide worden geplaatst, dan blijft er voldoende nestgelegenheid voor de huismus aanwezig. In plaats van vogelvides kan er ook worden gekozen voor het plaatsen van één nestkast per gebouw (elke nestkast biedt ruimte aan 3 broedparen). Deze dienen te worden gehangen tegen de aanwezige gebouwen. De vogelvides hebben het voordeel dat ze niet zichtbaar zijn van buitenaf. Als er volgens de hier gegeven aanbevelingen wordt gewerkt, dan is het niet nodig om voor de huismus een ontheffing op de Flora- en faunawet aan te vragen.
Vleermuizen: aanvullend onderzoek
Om uitsluitsel te krijgen over het al dan niet voorkomen van vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen is een aanvullend vleermuizenonderzoek uitgevoerd. Zie hiervoor de volgende subparagraaf.
Voorkomen doden of verwonden dieren
De in de Flora- en faunawet genoemde 'algemene zorgplicht' is ook op beschermde soorten uit de categorie 'algemene soorten' van toepassing. Beschermde diersoorten (ook die van de categorie 'algemene soorten') die tijdens het verwijderen van vegetatie en het vergraven van grond worden aangetroffen, moeten direct worden gevangen en na afloop van de werkzaamheden in het aangrenzende gebied worden vrijgelaten.
Overige regelgeving
Omdat het plangebied geen deel uitmaakt van de EHS, zijn er vanuit de EHS-regelgeving geen bezwaren vanuit het provinciale natuurbeleid. Het plangebied was voorheen onderdeel van de Provinciale Ontwikkelingszone Groen (POG). Op basis van het geldende provinciale beleid is dit niet meer aan de orde. Omdat er geen Natura 2000-gebieden of beschermde natuurmonumenten in of in de directe nabijheid van het plangebied zijn, is er geen vergunning nodig op grond van de Natuurbeschermingswet (ex artikel 19 d lid 1).
Aanvullend vleermuizenonderzoek
Naar aanleiding van de quickscan is een aanvullend vleermuizenonderzoek uitgevoerd (Aeres Milieu B.V., Kenmerk AM10145, van 16 juli 2010). Dit onderzoek is in Bijlage 8 opgenomen.
Hieruit blijkt het volgende:
Conclusie
Vanwege het aspect flora en fauna zijn er geen belemmeringen voor het planvoornemen.
De modernisering van de monumentenzorg (MOMO) heeft erin geresulteerd dat per 1 januari 2012 het Besluit ruimtelijke ordening is aangepast. Met deze aanpassing is cultureel erfgoed ingebed in de ruimtelijke ordening. Het is verplicht om in bestemmingsplannen aandacht te geven aan cultuurhistorie en de effecten van het initiatief op cultuurhistorische waarden die in het plangebied voorkomen. Daar waar nodig dient de bescherming van deze waarden ook te worden vastgelegd in de regels en verbeelding bij het bestemmingsplan.
Archeologie
Voor het plangebied is een archeologisch inventariserend veldonderzoek uitgevoerd (ArcheoPro, Projectcode: 10-113 Wehrerweg, Sittard, van 2 juli 2010). Het onderzoek is weergegeven in Bijlage 9.
Volgens het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel geldt voor het plangebied een hoge verwachting voor wat betreft de aanwezigheid van archeologische resten daterend vanaf midden paleolithicum tot en met de met de nieuwe tijd.
Om de kans op het aantreffen van archeologische indicatoren zo groot mogelijk te maken zijn binnen het plangebied 10 boringen gezet met behulp van een megaboor. Uit het met de megaboor verrichte onderzoek blijkt dat de bodem binnen het plangebied, uitgezonderd ter plaatse van boorpunt 1, geërodeerd en plaatselijk vergraven is. Hierdoor is de top van het bodemprofiel tot circa 70 cm diepte, verdwenen.
Tijdens het onderzoek zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen.
In verband met de verstoring en erosie van de bodem en het ontbreken van archeologische indicatoren, geven de resultaten van het onderzoek volgens ArcheoPro geen aanleiding om archeologisch vervolgonderzoek te adviseren. Evenmin zijn tijdens het onderzoek archeologische resten aangetroffen waarmee tijdens de verdere planvorming of bij de uitvoering van de geplande werkzaamheden rekening zou moeten worden gehouden. Op basis van het archeologische onderzoek acht het onderzoeksbureau nader onderzoek niet nodig. De gemeente onderschrijft deze mening ten dele, in die zin, dat ter plaatse van de bouwkavels de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 4 niet langer gehandhaafd hoeft te worden, maar voor de rest van het plangebied wel.
In verband met het volledig ontbreken van archeologische indicatoren binnen het plangebied, zijn de KNA-onderdelen Waardestelling en Beleidsadvies, in dit rapport niet nader uitgewerkt.
In alle gevallen geldt dat indien archeologische materialen en/of sporen aangetroffen worden, deze gemeld dienen te worden bij de gemeente Sittard-Geleen, conform Monumentenwet 1988, laatste wijzing van 1 september 2007, paragraaf 7, artikel 53 en verder.
Cultuurhistorie
Binnen of nabij het plangebied van onderhavig bestemmingsplan zijn geen gemeentelijke- of rijksmonumenten gelegen. Verder heeft het planvoornemen geen negatieve invloed op eventueel aanwezige cultuurhistorische elementen in de omgeving. Het planvoornemen heeft dan ook geen invloed op de cultuurhistorische waarden in het plangebied en de omgeving.
Conclusie
Vanuit de aspecten archeologie en cultuurhistorie zijn er geen belemmeringen voor het planvoornemen.
Het opstellen van een milieueffectrapportage (MER) en het doorlopen van de bijbehorende m.e.r.-procedure is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid die kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Dit is geregeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Er zijn drie onafhankelijke sporen die kunnen leiden tot een m.e.r.-plicht:
Uit toetsing aan de hand van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) blijkt dat het plan of besluit voorziet in, of een kader vormt voor, activiteiten die (mogelijk) belangrijke nadelige gevolgen hebben voor het milieu. In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten planMER-plichtig, besluitm.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelings- plichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Voor (bestemmings)plannen dient te worden getoetst aan de activiteiten en drempelwaarden van onderdeel D van de bijlage bij het besluit m.e.r.. In het geval de activiteit genoemd wordt in onderdeel D, maar die onder de drempelwaarden vallen, dan is een 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' nodig. Bij de 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' dient te worden getoetst of belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen worden uitgesloten. De toetsing dient te worden gedaan aan de hand van de criteria uit Bijlage III bij de Europese richtlijn m.e.r. (kenmerk project, plaats project en kenmerk potentieel effect). Indien belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten, dan is niet alsnog een (plan)m.e.r. (-beoordeling) op grond van het Besluit m.e.r. noodzakelijk.
In het geval van een (bestemmings)plan: indien een 'passende beoordeling' op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 voor dit plan verplicht is vanwege de in het plan opgenomen activiteiten. Een passende beoordeling is verplicht indien significante negatieve effecten op Natura 2000-gebieden niet zijn uit te sluiten;
Wanneer Provinciale Staten in haar provinciale milieuverordening activiteiten hebben aangewezen, aanvullend op de activiteiten in het Besluit m.e.r., die kunnen leiden tot m.e.r.-plicht.
Toets MER-plicht
Het bestemmingsplan biedt een juridische-planologische regeling voor het slopen van panden en de realisatie van woonfuncties. De activiteit die mogelijk wordt gemaakt (wonen) valt onder categorie 'D 11.2 uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. De drempelwaarden van de betreffende categorie worden niet overschreden of zijn niet van toepassing (oppervlakte van 200 hectare of meer, 2.000 of meer woningen en bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer). Dit betekent dat een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te worden uitgevoerd. Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt of niet alsnog een m.e.r.-procedure op grond van het Besluit m.e.r. moet worden doorlopen. In de volgende paragraaf is de 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' behandeld.
De afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (Geleenbeekdal) bedraagt circa 6 kilometer. Gelet op de soort activiteit (wonen) en de afstand tot aan het Natura 2000-gebied, de huidige situatie en de tussenliggende barrières, is geoordeeld dat is uit te sluiten dat er significante negatieve effecten optreden op het Natura 2000-gebied. Dit betekent dat er geen 'passende beoordeling' op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 voor dit plan verplicht is en er derhalve, via dit spoor, ook geen sprake is van een planMER-plicht.
De Provinciale Staten van Limburg hebben momenteel geen activiteiten aangewezen die kunnen leiden tot een m.e.r.-plicht. Derhalve is er via dit spoor ook geen sprake van een planMER-plicht voor dit bestemmingsplan.
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
Zoals in de vorige paragraaf is aangegeven, is een vormvrije m.e.r.-beoordeling altijd nodig als een besluit of plan wordt voorbereid over activiteiten die voorkomen op de D-lijst en die onder de drempelwaarden liggen. Dit is het geval bij het voorliggend bestemmingsplan. Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te worden getoetst of belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen worden uitgesloten. De toetsing dient te worden gedaan aan de hand van de criteria uit Bijlage III bij de Europese richtlijn m.e.r. (kenmerk project, plaats project en kenmerk potentieel effect).
Gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten is geoordeeld dat er geen belangrijke negatieve milieugevolgen zullen optreden. Dit blijkt ook uit de onderzoeken van de verschillende milieuaspecten, zoals deze in de voorgaande paragrafen zijn opgenomen. Voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling is het relevant om te melden dat het plangebied niet in een Belvedere-gebied, een waterwingebied en een grondwaterbeschermingsgebied ligt.
Voor dit bestemmingsplan is dan ook geen m.e.r.-procedure noodzakelijk op grond van het Besluit m.e.r.
Conclusie
Dit bestemmingsplan maakt geen activiteiten mogelijk die grote nadelige gevolgen hebben voor het milieu. Het opstellen van een milieueffectrapportage (MER) en het doorlopen van de bijbehorende m.e.r.-procedure is dan ook niet verplicht. Er is daarom geen MER opgesteld.
In dit hoofdstuk wordt inzicht gegeven in de wijze waarop de gewenste ruimtelijke en functionele ontwikkeling van het plangebied juridisch is vertaald.
Het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding (plankaart) en de planregels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van deze gronden, regels omtrent de toegelaten bebouwing en eventueel specifieke regels voor het gebruik van de bouwwerken. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende onderdeel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de onderbouwing van het plan en soms voor de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels.
De regels zijn opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) en bij de inhoud van de regels is grotendeels aangesloten bij het vigerende bestemmingsplan 'Buitengebied Sittard'.
In dit hoofdstuk wordt de systematiek, de opbouw en indeling van de regels kort toegelicht.
Op de verbeelding zijn aangegeven:
Voor de leesbaarheid en raadpleegbaarheid dienen de regels in hoofdstukken te worden geplaatst. Daarbij dient conform een vaste volgorde te worden aangehouden, te weten:
In hoofdstuk 1 worden de in de regels gehanteerde begrippen nader verklaard, zodat interpretatieproblemen zoveel mogelijk worden voorkomen. Daarnaast wordt aangegeven op welke wijze bepaalde afmetingen moeten worden gemeten.
In hoofdstuk 2 zijn specifieke regels opgenomen voor de op de verbeelding gegeven bestemmingen. De artikelen bestaan uit een bestemmingsomschrijving en bouwregels, en zo nodig uit afwijkingregels, specifieke gebruiksregels of vergunningsregels voor aanleggen. De bestemmingsomschrijving is bepalend voor het gebruik van de grond.
De hoofdstukken 3 en 4 bevatten regels die van toepassing zijn op meerdere bestemmingen.
Toelichting op de plansystematiek
In het voorliggende bestemmingsplan heeft het plangebied de volgende bestemmingen en aanduidingen:
Groen
De strook voor de groenvoorzieningen in het plangebied (aan de oostzijde van het plangebied) heeft de bestemming 'Groen' gekregen.
Verkeer - Verblijfsgebied
Voor de ontsluitingsweg is de bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' opgenomen.
Wonen
De locaties van de woonpercelen zijn bestemd tot 'Wonen'.
Milieuzone - boringsvrije zone roerdalslenk zone 2
De aanduiding 'milieuzone - boringsvrije zone roerdalslenk zone 2' is conform het geldende bestemmingsplan opgenomen.
Waarde - Archeologie 4
In het geldende bestemmingsplan was de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4' opgenomen voor het gehele perceel. Nu is er voor gekozen om de bouwkavels vrij te stellen van deze dubbelbestemming. Voor de overige gronden van het perceel wordt de dubbelbestemming gehandhaafd.
Volgens artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening dient de gemeenteraad een grondexploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. Volgens het tweede lid van dit artikel kan de gemeenteraad besluiten af te wijken van het vaststellen van exploitatieplan indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins is verzekerd.
Bij onderhavig bestemmingsplan is dit laatste van toepassing en is een exploitatieplan daarom niet nodig. De kosten van de grondexploitatie zijn anderszins verzekerd.
De gemeente Sittard-Geleen heeft aangegeven in principe medewerking te willen verlenen aan de realisering van 3 parkwoningen op de betreffende locatie. De met de realisering van het planvoornemen gepaard gaande kosten worden gedragen door de initiatiefnemer. Tevens zijn de eventuele gevolgen met betrekking tot de grondexploitatiewet en met betrekking tot planschade voor rekening van de initiatiefnemer.
Om het planvoornemen te realiseren zal een anterieure overeenkomst worden afgesloten tussen Beati en de gemeente Sittard-Geleen. Middels deze overeenkomst zal het kostenverhaal voor de realisatie en eventuele planschade worden verzekerd. Ook zal een overeenkomst worden afgesloten met betrekking tot de te realiseren groenstrook en de nieuwe weg.
Bijkomende kosten, zoals voor de aansluiting op de nutsvoorzieningen en de aanleg van de parkeervoorzieningen, komen eveneens voor rekening van de initiatiefnemer. Voor de gemeente Sittard-Geleen zijn er geen kosten aan het plan verbonden.
Aangenomen mag worden dat tegen het planvoornemen geen overwegende maatschappelijke bezwaren zullen bestaan, gelet op de omgevingsverbetering, de ruimtelijke en functionele aansluiting op de bestaande structuren in de omgeving en de groene inpassing van de nieuwe woningen.
De realisatie van een drietal parkwoningen op de percelen gelegen aan de Wehrerweg leidt niet tot overwegende planologische bezwaren. Realisering betekent, na een afweging van de verschillende belangen, een aanvaardbare invulling van het plangebied.
Ten behoeve van voornoemde nieuwbouw is een wijziging van het geldende bestemmingsplan noodzakelijk. Deze wijziging bestaat uit het voorliggende bestemmingsplan.
Voordat de wettelijke procedure ten behoeve van de vaststelling van het bestemmingsplan, zoals omschreven in hoofdstuk 3 van de Wet ruimtelijke ordening kan worden opgestart, wordt eerst aan de bewoners van de gemeente Sittard-Geleen en andere belanghebbenden de mogelijkheid geboden om middels de gemeentelijke inspraakprocedure hun mening over het voorontwerp plan te geven en invloed hier op uit te oefenen. De opdrachtgever heeft aangegeven een actieve rol te willen vervullen bij inspraakavonden met omwonenden en direct belanghebbenden. De resultaten van deze bijeenkomst(en) zullen betrokken worden bij de verdere planvorming.
Daarnaast wordt het voorontwerp bestemmingsplan aan diverse instanties toegezonden ten behoeve van overleg ex artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Deze bepaling schrijft voor dat het bestuursorgaan (i.c. de gemeente Sittard-Geleen) dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan daarbij overleg pleegt met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.
Na de inspraak en overlegronde wordt de vaststellingsprocedure zoals omschreven in art. 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening opgestart. Deze wettelijke procedure kan als volgt worden samengevat: de procedure start met een openbare kennisgeving van het ontwerpbestemmingsplan, waarna het ontwerpbestemmingsplan wordt gepubliceerd en gedurende een termijn van 6 weken door één ieder zienswijzen over het ontwerpbestemmingsplan kunnen worden ingebracht. Na de termijn van de terinzagelegging dient de gemeenteraad binnen 12 weken te beslissen omtrent de vaststelling van het plan. Na de publicatie van het vastgestelde bestemmingsplan hebben belanghebbenden 6 weken de tijd om tegen het plan in beroep te gaan. Het bestemmingsplan treedt de dag na afloop van de beroepstermijn in werking.
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan moet in het kader van het overleg als bedoeld in art. 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening overleg worden gepleegd met de besturen en diensten van betrokken instanties die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. De resultaten hiervan zullen te zijner tijd in deze paragraaf worden weergegeven.
P.M.: Resultaten overleg
Het voorontwerpbestemmingsplan '3 parkwoningen Wehrerweg' zal ter inzage worden gelegd. De resultaten van de inspraakreacties zullen te zijner tijd in deze paragraaf worden opgenomen.
P.M.: Resultaten inspraakreacties
Voor de resultaten van de van de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure wordt verwezen naar het raadsvoorstel ten behoeve van de vaststelling van het bestemmingsplan '3 parkwoningen Wehrerweg'.
21 februari 2017