direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Herontwikkeling Aloysiusschool te Monster
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1783.MONREMBRANDTSTR5pb-VA01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

De voormalige Aloysiusschool in Monster gelegen tussen de Rembrandtstraat en Burg. Kamschöerstraat wordt herontwikkeld. Na bijna 65 jaar als schoolgebouw te hebben gefunctioneerd, is onderzocht of herbestemming mogelijk is. Hiervoor zijn in 2019 drie scenario's uitgewerkt, namelijk behoud van de huidige buitenschil, gedeeltelijke sloop en volledige sloop. Het college heeft een voorkeur uitgesproken voor het laatste scenario, wat inhield de sloop van zowel het gebouw als de gymzaal.

Na dit collegebesluit hebben een drietal bezwaarmakers het college gevraagd het schoolgebouw op te nemen op de gemeentelijke monumentenlijst. Dit verzoek is afgewezen waarna bezwaar is ingediend. Om tegemoet te komen aan de wensen van bezwaarmakers, is het plan gewijzigd naar (grotendeels) behoud van het schoolgebouw. De locatie wordt verkocht aan Wonen Wateringen voor de ontwikkeling van een woon/zorg-complex.

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied is gelegen tussen de Rembrandtstraat en Burgemeester Kamschöerstraat in Monster. Het perceel is kadastraal bekend als MSR00, sectie G, nummer 8747.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.MONREMBRANDTSTR5pb-VA01_0001.png"

Uitsnede GIS

1.3 Geldend bestemmingsplan

Binnen het plangebied waren, voor het van kracht worden van dit bestemmingsplan, de volgende planregimes van kracht:

  • Kern Monster, vastgesteld op 25 juni 2013;
  • Paraplubestemmingsplan Parkeernormen, vastgesteld op 20 februari 2018;
  • Paraplubestemmingsplan Wonen Westland, vastgesteld op 1 september 2020;
  • Parpaplubestemmingsplan horeca/hotel Westland, vastgesteld op 13 april 2021.

  afbeelding "i_NL.IMRO.1783.MONREMBRANDTSTR5pb-VA01_0002.png" Uitsnede bestemmingsplan 'Kern Monster', bron: www.ruimtelijkeplannen.nl

1.4 Leeswijzer

Het bestemmingsplan "Herontwikkeling Aloysiusschool te Monster" bestaat uit een toelichting, planregels en een planverbeelding. De toelichting is als volgt opgebouwd. In Hoofdstuk 2 komt de gebiedsvisie aan de orde. Hierin wordt de ruimtelijke en functionele hoofdstructuur van het plangebied beschreven met aandacht voor cultuurhistorisch waardevolle elementen, overige ruimtelijke kwaliteiten, aanwezige knelpunten en te verwachte ontwikkelingen. Dit tezamen leidt tot een beschrijving van de gemeentelijke visie op het gewenste behoud en beheer van de ruimtelijke kwaliteit in het plangebied. In Hoofdstuk 3 wordt onderzoek op het gebied van milieu, ecologie, archeologie en cultuurhistorie en water behandeld. In Hoofdstuk 4 wordt dieper ingegaan op de planvorm en de achtergrond bij de regels die zijn opgenomen voor de verschillende bestemmingen. Tot slot wordt in Hoofdstuk 5 ingegaan op de economische en de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

Hoofdstuk 2 Gebiedsvisie

2.1 Beleidskader

De beleidscontext voor de visie op het plangebied wordt gevormd door gemeentelijke, regionale, provinciale en landelijke beleidsrapportages. In dit hoofdstuk is het relevante beleid samengevat. Het hier samengevatte beleidskader is niet uitputtend. In de toelichting wordt op een aantal plaatsen verwezen naar specifiek beleid of beleidsnotities die niet in deze paragraaf worden behandeld. Tot slot wordt in dit hoofdstuk een beschrijving gegeven van de visie op het plangebied. Deze visie is gericht op het behoud en beheer van de ruimtelijke kwaliteit.

2.1.1 Gemeentelijk beleid

Omgevingsvisie 2.0: Visie op Westland

Op 8 december 2020 heeft de gemeenteraad de Omgevingsvisie 2.0: Visie op Westland vastgesteld. De Omgevingsvisie gaat onder andere in op de samenhang tussen ruimte, water, milieu, natuur, landschap, verkeer en vervoer, infrastructuur en cultureel erfgoed. De Omgevingsvisie is breder dan alleen de fysieke leefomgeving; ook onderwerpen als gezondheid, veiligheid en duurzaamheid moeten onderdeel uitmaken van de visie. De Omgevingsvisie geeft weer waar we met Westland naartoe willen en bindt de gemeente aan haar eigen voornemens en ambities.


De Omgevingsvisie werkt door in het (later nog op te stellen) omgevingsprogramma, waarin beleidsvoornemens en maatregelen staan die dienen om de doelen in de leefomgeving te bereiken. De Omgevingsvisie geeft ook richting aan het ontwikkelen van het omgevingsplan. Hierin worden de algemene regels en vergunningsplichten vastgelegd die bindend zijn voor burgers en bedrijven (bestemmingsplannen en verordeningen worden hiermee vervangen).


De belangrijkste opgave is het verhogen van de leefkwaliteit in Westland, waarbij het sociaal-maatschappelijke en economische belang van het tuinbouwcluster niet uit het oog wordt verloren. De oorspronkelijke structuren in het landschap moeten behouden blijven, net als de gemeenschapszin in de dorpen. Westland wil een groenere, gezonde en aantrekkelijke gemeente zijn. Met een people - planet - profit benadering, vindt vergroening plaats langs de belangrijke groene verbindingen en in de wijken, terwijl initiatiefnemers en ontwikkelaars worden gevraagd groeninclusief te ontwerpen en in te richten. Een klimaatbestendig beleid wordt doorgevoerd in ruimtelijke inrichting, nieuwbouw en verkeersmaatregelen. Bodemwarmte moet worden benut en er wordt aangesloten op warmtenetten in de regio. Betere bereikbaarheid en een toonaangevende rol op het gebied van kennis, innovatie en duurzaamheid in de Greenport blijven een belangrijke rol spelen.


De autonome groei van inwoners wordt geaccommodeerd door het invullen van de zachte plannen voor woningbouw in combinatie met inbreiding door bv. hoger te bouwen. De kwaliteit van de omgeving wordt verbeterd met een groen/blauwe inrichting (groene daken, beleefbaar groen en waterberging) om hittestress en wateroverlast tegen te gaan. Voor 2040 wordt één vierkante meter groen per huishouden extra gerealiseerd, voor nieuwbouwprojecten geldt een norm van 50 m2 verblijfsgroen per woning. Bij projectontwikkeling worden zoveel mogelijk de minimale eisen uit het Convenant Klimaatadaptief Bouwen gehanteerd en is het uitgangspunt dat niet langer gebruik wordt gemaakt van fossiele brandstoffen. Het woningaanbod moet aansluiten uit bij de Westlandse behoeften en economisch verbondenen. Westland wil meer dan 8000 woningen realiseren, waarvan een grote opgave betaalbaar wonen. Er ligt ook een opgave voor de huisvesting van (tijdelijke) arbeidsmigranten.


Het duurzaam glastuinbouwgebied behoudt voldoende kritische massa om een innovatieve glastuinbouwgemeente te blijven, maar het toevoegen van beleefbaar groen mag ten koste gaan van glastuinbouw. De glastuinbouw produceert in de toekomst circulair, wordt energieneutraal en klimaatadaptief. Om de modernisering en herstructurering op gang te brengen moet er letterlijk ruimte worden gemaakt, bv. door het uitplaatsen van (bedrijfs)woningen naar de dorpen. Integrale gebiedsplannen moeten betaalbaar en met voldoende draagvlak gerealiseerd kunnen worden. Langs de kust is een strand dat uitblinkt in rust en ruimte met een goede balans tussen natuur en recreatie. Daarnaast wil Westland sluitende recreatieve netwerken creëren voor verschillende gebruiksgroepen d.m.v. robuuste groen-blauwe aders. Er wordt ingezet op een hoogwaardige OV verbinding tussen Den Haag en de Hoekse Lijn richting Delft.


Bepaalde bedrijventerreinen kunnen uitbreiden, in de kernen worden (compacte) kernwinkelgebieden aangewezen. Rond 2030 zijn grote ingrepen nodig om de infrastructuur op orde te houden (vrijliggend logistiek netwerk, ongelijkvloerse kruispunten), er komt een verkenning naar de mogelijkheden voor lightrail. Het fietsnetwerk binnen en van/naar Westland wordt verbeterd met o.a. metropolitane fietspaden. Vrachtverkeer krijgt wellicht hubs en goede doorstroming naar de A4/A20 blijft een belangrijk aandachtspunt.


Natuurgebieden (Natura 2000 en het Natuur Netwerk Nederland) moeten robuust, veerkrachtig, aaneengesloten en beleefbaar worden gemaakt. Voor 2030 zijn ontbrekende zones en schakels in ecologische verbindingen ingevuld, zodat de biodiversiteit bevorderd wordt. De waterkwaliteit moet worden verbeterd en er komt meer ruimte voor het vasthouden van water. Dit vraagt ook inspanningen van de glastuinbouw om meer circulair te worden, minder grondwater te onttrekken en water te bergen.


De toekomstkaart van Westland:

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.MONREMBRANDTSTR5pb-VA01_0003.png"

Mobiliteitsvisie Duurzaam Bereikbaar Westland

Op 10 december 2019 is de Mobiliteitsvisie Duurzaam Bereikbaar Westland vastgesteld door de gemeenteraad. Het gemeentelijk mobiliteitsbeleid was tot de vaststelling van deze Mobiliteitsvisie gebaseerd op het Westlands Verkeer- en Vervoerplan 2005-2015 (WVVP) en de Structuurvisie Westland 2025. Veel van de in het WVVP opgenomen doelstellingen en uitvoeringsprogramma's zijn gerealiseerd, dan wel waren aan herziening toe. Na vaststelling van de Mobiliteitsvisie is het WVVP komen te vervallen.  

Er komt steeds meer verkeer in Westland. Om ervoor te zorgen dat we nu en in de toekomst nog vlot tussen dorpen en van dorp naar steden kunnen reizen, maken we plannen en nemen we maatregelen. De volgende mobiliteitsdoelen zijn opgenomen in de Mobiliteitsvisie 2040:

  • Logistieke bereikbaarheid;
  • De auto minder dominant;
  • Volwaardige alternatieven voor de auto;
  • Westland verkeersveilig;
  • Duurzaam Bereikbaar Westland.

Beleidsregel Parkeernormering gemeente Westland 2018

In de vergadering van burgemeester en wethouders van 16 januari 2018 is de 'Beleidsregel Parkeernormering gemeente Westland 2018' vastgesteld. Hiermee vervalt de verwijzing naar het WVVP. In het beleid is de parkeernormering van de gemeente Westland geactualiseerd en in overeenstemming gebracht met de meest recente kerncijfers van het CROW (landelijke richtlijnen).

Beleidsnotitie conventionele explosieven in het Westland

In de beleidsnotitie conventionele explosieven in het Westland wordt beschreven hoe om moet worden gegaan met diepte werkzaamheden op locaties die mogelijk conventionele explosieven bevatten. De basis voor het gemeentelijk beleid voor het opsporen van explosieven is de explosieven risicokaart. Deze kaart geeft een eerste indicatie van het mogelijke gevaar van diepte werkzaamheden op bepaalde locaties in het Westland. In het projectgebied zijn geen mogelijke vindplaatsen van conventionele explosieven aanwezig.

Handhaven op maat

Op 17 november 2015 hebben burgemeester en wethouders van Westland de beleidsnota 'Handhavingsbeleid, integrale handhaving Wabo taken' vastgesteld. Hierin zijn de doelen en richting voor milieuhandhaving en bouw- en woningtoezicht beschreven. De naleving van wet- en regelgeving is daarbij een gezamenlijke verantwoordelijkheid van gemeente, burgers en bedrijven. De wet- en regelgeving zijn bedoeld om kwaliteit, veiligheid en leefbaarheid binnen de leefomgeving te beschermen en bevorderen en dat is in ieders belang. Dit draagt bij aan een prettige woon-, werk- en leefomgeving voor de burgers en ondernemers van de Gemeente Westland. De handhaving van de regelgeving vervat in dit plan is een bevoegdheid van burgemeester en wethouders. Het gaat daarmee vooral om de planregels inzake het bouwen en het gebruik van gronden en bouwwerken. Een aantal vormen van gebruik wordt specifiek aangeduid als strijdig met de bestemming, zodat handhavend optreden hiertegen eenduidig mogelijk te maken. Uiteraard betreft het hier een niet-limitatieve opsomming. Handhaving van dit plan is van belang om de ruimtelijke kwaliteit en de leefbaarheid er van in stand te houden. Daarnaast heeft handhaving uiteraard ook een belangrijke functie in het kader van de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid. De planregels in dit plan zijn voldoende duidelijk, concreet en toepasbaar om te kunnen handhaven. Handhaving van het plan zal in de praktijk primair plaatsvinden via de bestemmingsplantoets in het kader van de omgevingsvergunning en door feitelijk toezicht op de aanwezigheid van bouwwerken en op gebruiksactiviteiten. Binnen de gemeente heeft het team bouw- en woningtoezicht van de afdeling Ruimte, Omgeving en Veiligheid hierin een centrale taakstelling. Bij gebleken strijdigheid met het plan wordt, afhankelijk van de prioriteitsstelling, een handhavingstraject ingezet.

Woonvisie 2020-2030

De Woonvisie 2020-2030 is een actualisatie van de Woonvisie Westland 2030 die is opgesteld in 2016 en vastgesteld door de raad in 2020. Met de actualisatie krijgt de gemeente de gelegenheid om integraal de afweging te maken voor welke doelgroep er gebouwd moet worden in Westland op basis van actuele gegevens. De visie vormt de basis voor nieuwe woningmarktafspraken met de regio Haaglanden, afspraken voor de huisvesting van arbeidsmigranten, zorginstellingen en de prestatieafspraken met de woningcorporaties.


Conclusies Woonvisie

De conclusies die uit de "Woonvisie 2020-2030" getrokken kunnen worden zijn:

  • de behoefte aan sociale huurwoningen blijft onverminderd groot en krijgt een belangrijke plaats in het (ambitieuze) bouwprogramma;
  • blijvende aandacht voor de groep middeninkomens is gerechtvaardigd;
  • het aantal 70-plussers verdubbelt, zodat wonen met zorg verder moet worden ontwikkeld;
  • de huisvestingsopgave voor arbeidsmigranten is substantieel;
  • flexwonen krijgt een plaats in het bouwprogramma.


Voor nieuwe bouwplannen geldt in beginsel de volgende verdeling in prijssegmenten: 45% dure/extra dure koop, 20% middeldure koop/huur, 5% goedkope koop, 30% sociale huur. Daarbij geldt een ambitie voor zorg- en ouderenwoningen en de huisvesting van arbeidsmigranten.

Beleid en beleidsregels voor opslag en verkoop van consumentenvuurwerk in Westland

In deze Nota wordt aangegeven dat het wenselijk is een goede ruimtelijke spreiding van de verkooppunten van consumentenvuurwerk te bewerkstelligen. Doel bij een ruimtelijke benadering is het bereiken van een gelijkmatige spreiding van (kleine) bedrijven voor verkoop en opslag van consumentenvuurwerk over Westland, om op deze wijze straathandel en vuurwerktoerisme zoveel mogelijk te voorkomen. Daarbij moet er binnen elk verzorgingsgebied sprake zijn van voldoende (vuurwerk)aanbod om de lokale markt te voorzien en zodoende illegale handel in principe overbodig te maken en te voorkomen.

Het uitgangspunt voor opslag en verkoop van consumentenvuurwerk van de gemeente Westland is:

Ruimte bieden aan ondernemers voor opslag en verkoop van consumentenvuurwerk met inachtneming van veiligheid en milieuregelgeving onder voorwaarde van een goede ruimtelijke spreiding.

Met daarbij de volgende randvoorwaarden:

  • in de gemeente Westland wordt alleen consumentenvuurwerk opgeslagen. Opslag en verkoop van professioneel vuurwerk is niet toegestaan;
  • iedere vestiging van opslag en verkoop van consumentenvuurwerk zal worden getoetst aan voldoende ruimtelijke spreiding in de gemeente Westland;
  • in de gemeente Westland worden maximaal 18 vestigingen voor opslag- en verkooppunten van consumentenvuurwerk toegestaan;
  • opslag tot en met 1.000 kg is beperkt toegestaan in de dorpskernen;
  • nieuwe vestiging in dorpskernen is niet toegestaan;
  • de vestiging van bedrijven met een opslag tot en met 10.000 kg heeft de voorkeur in gebieden waar een bedrijfsbestemming geldt of in tuincentra;
  • opslag boven de 10.000 kg consumentenvuurwerk is uitgesloten;
  • bestaande bedrijven in strijd met deze uitgangspunten mogen de activiteiten voortzetten.

In de planregels van het voorliggende bestemmingsplan is opgenomen dat opslag en verkoop van consumentenvuurwerk niet is toegestaan.

2.1.2 Regionaal beleid

Metropoolregio Den Haag-Rotterdam

In de metropoolregio Rotterdam Den Haag werken 23 gemeenten samen aan het verbeteren van de bereikbaarheid en het vernieuwen van de economie. Daarmee versterken ze onder meer de (internationale) concurrentiepositie van de regio. Met elkaar vormen deze 23 gemeenten het bestuur van de Metropoolregio Rotterdam Den Haag (MRDH).

Voor het overleg tussen de 23 gemeenten en het nemen van besluiten kent de MRDH de volgende besturen en commissies: het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur, de bestuurscommissie Vervoersautoriteit (Va), de bestuurscommissie Economisch Vestigingsklimaat (EV) en de voorzitter. Met 23 gemeenten, 2,3 miljoen mensen, 1,2 miljoen banen met werk voor 13,5% van de Nederlanders en een bijdrage van 15% aan het BNP is de metropoolregio een regio die er toe doet. Voor een grootstedelijke regio waar het goed wonen, werken en recreëren is, heeft de Metropoolregio Rotterdam Den Haag (MRDH) zichzelf twee belangrijke ambities gesteld: het vernieuwen van economie en het verbeteren van de bereikbaarheid. Het Rijk gaf de Metropoolregio Rotterdam Den Haag de status van vervoerregio. En daarmee ook wettelijke taken rond verkeer en vervoer. Aan het begin van elke nieuwe bestuursperiode (elke vier jaar) stelt het bestuur een regionale strategische agenda vast, van waaruit de regionale vraagstukken worden opgepakt. De huidige strategische agenda loopt tot en met 2022.

 

Regionale Kantorenstrategie Haaglanden

De Regionale Kantorenstrategie Haaglanden gaat in op de segmentering en programmering van kantorenlocaties in Haaglanden. Deze kantorenstrategie vormt de basis voor het regionale beleid ten aanzien van de (her)ontwikkeling van kantorenlocaties tot aan 2020 en geeft mede invulling aan het RSP. Het RSP komt tot de conclusie dat het geplande aanbod van kantoren, de behoefte tot 2010 overstijgt. Ten aanzien van geplande ontwikkelingen na 2005 wordt gesteld dat de realisatie hiervan moet worden afgewogen ten opzichte van bewegingen in de bestaande voorraad kantoren.

Er is voldoende aanbod van gemengde bedrijvenzones waardoor blijvend ruimte kan worden geboden aan een diversiteit van bedrijven. Tevens zijn er voldoende mogelijkheden voor vermenging van verschillende werkfuncties.

2.1.3 Provinciaal beleid

Het omgevingsbeleid Zuid-Holland is op 1 april 2019 in werking getreden. In het Omgevingsbeleid is al het bestaande provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving samengevoegd in een Omgevingsvisie en een Omgevingsverordening. Omdat onderdelen uit het Programma ruimte naar het visiedeel zijn omgezet, is het resterende deel hiervan nu onderdeel van het Omgevingsbeleid.

Met het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Hieraan wordt richting gegeven door het maken van samenhangende beleidskeuzes, die volgen uit provinciale opgaven en belangen. Deze beleidskeuzes werken door naar uitvoeringsprogramma's en naar regels in de provinciale verordening. Het geheel aan bestaande beleidskeuzes, inclusief de doorwerking naar programma's en verordening, vormt het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving.

Introductie op het omgevingsbeleid: de ruimtelijke hoofdstructuur

Zuid-Holland wil slim en schoon zijn. Klimaatverandering heeft in het laaggelegen deltagebied grote ruimtelijke, economische en sociale gevolgen. Als open economie is Zuid-Holland gevoelig voor gevolgen van globalisering. De segregatie neemt toe. De energie-intensieve economie heeft, zoals ook benoemd in het klimaatakkoord van Parijs, alleen toekomst als wordt overgegaan tot verduurzaming. De provincie ziet zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving: naar een klimaatbestendige delta, naar een nieuwe economie (the next level), naar een levendige meerkernige metropool, energievernieuwing, best bereikbare provincie en gezonde en aantrekkelijke leefomgeving.

Belangrijk om de ambities waar te kunnen maken zijn innovatieve oplossingen voor waterberging en het voorkomen van hittestress, de overstap van een fossiele naar een circulaire economie, het uitbreiden van warmtenetten, een forse woningopgave en de verduurzaming van woningen, vitale kernen, het aanpakken van verkeersknelpunten, het versterken van openbaar vervoer en gebruik van de fiets en de kwaliteit van de leefomgeving versterken door natuur, water, recreatie, cultureel erfgoed en economie in samenhang te bezien.

De ruimtelijke hoofdstructuur toont de essentie en de samenhang van verschillende ruimtelijke beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.MONREMBRANDTSTR5pb-VA01_0004.png"

figuur 3: de provinciale ruimtelijke hoofdstructuur (uitsnede Westland)

Gemeente Westland laat zich kenmerken door de glastuinbouw (Greenport Westland) omringd door kust, natuur en stedelijk groen met daarbinnen woonkernen en logistieke overslagpunten. Naaldwijk is als regiokern aangewezen. Wateringen behoort tot de stedelijke agglomeratie. Nabij de vestiging van Flora Holland is een kenniscentrum aangegeven.

Wat betreft mobiliteit is een (boven) regionale HOV-net busroute voorzien van Den Haag, via Naaldwijk naar Maassluis, alwaar op het HOV-net kan worden aangesloten richting Rotterdam. De greenport wordt benoemd als volwassen cluster dat tot de wereldtop behoort. Deze positie moet behouden blijven en waar mogelijk versterkt worden. Er wordt gestreefd naar synergie van mainport Rotterdam en de greenports. De groene ruimte heeft intrinsieke waarde en het kustlandschap vormt mede de grondslag voor de identiteit van de bebouwde en groene ruimte. De provincie zet in op de groenblauwe structuur om groene kwaliteiten binnen en buiten stedelijk gebied te versterken en de samenhang tussen parken, recreatiegebieden, natuurgebieden en agrarisch landschap te vergroten.

Omgevingsverordening

Regels aangaande bestemmingsplannen bv. met betrekking tot ruimtelijke kwaliteit, de ladder voor duurzame verstedelijking en voor ruimtelijke ontwikkelingen als stedelijke ontwikkelingen, kantoren, bedrijven, detailhandel, glastuinbouwgebied, infrastructuur, veiligheid, natuur en cultureel erfgoed zijn opgenomen in de Omgevingsverordening. De regels zijn van overeenkomstige toepassing op ruimtelijke initiatieven waarvoor een zogenaamde 'grote buitenplanse afwijking' wordt doorlopen. Op grond van de regels die zijn gesteld voor natuur, is voor Westland het volgende gebied aangewezen als ecologische verbindingen binnen het Natuurnetwerk Nederland:

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.MONREMBRANDTSTR5pb-VA01_0005.png"

figuur 4: uitsnede provinciale kaart Natuurnetwerk Nederland

Programma Ruimte

Een intensiever gebruik van steden en dorpen vergroot het draagvlak voor openbaar vervoer. Andersom kan de capaciteit op het infrastructuurnetwerk helpen om keuzes te maken waar en wanneer er verdicht en geconcentreerd kan worden. De provincie streeft er naar de agglomeratiekracht te vergroten. Stedelijke ontwikkelingen buiten bestaand stads- en dorpsgebied (BSD). Op de kaart 'woningbouwlocaties, bedrijventerreinen en andere stedelijke ontwikkelingen' (ook wel genoemd: '3ha kaart') zijn nog te ontwikkelen locaties voor deze doeleinden groter dan 3 ha buiten BSD opgenomen. Als een locatie hier is opgenomen, betekent dit dat de provincie op hoofdlijnen geen bezwaar heeft tegen de betreffende ontwikkeling.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.MONREMBRANDTSTR5pb-VA01_0006.png"

figuur 5: de '3ha kaart'

Op de kaart zijn, indicatief, woningbouwlocaties weergegeven die gelegen zijn buiten het bestaand stads- en dorpsgebied en meer dan 3 hectare groot zijn. Op de kaart staat zowel harde als zachte capaciteit buiten BSD. Met deze toevoeging wordt invulling gegeven aan bestuurlijke continuïteit.

2.1.4 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte & AMvB ruimtelijke ordening

Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar & veilig. Daar streeft het Rijk naar met een aanpak die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Een actualisatie van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid is daarvoor nodig. De verschillende beleidsnota's op het gebied van ruimte en mobiliteit zijn gedateerd door nieuwe politieke accenten en veranderende omstandigheden zoals de economische crisis, klimaatverandering en toenemende regionale verschillen onder andere omdat groei, stagnatie en krimp gelijktijdig plaatsvinden. De structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geeft een nieuw, integraal kader voor het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. 

 

Doelen

In de structuurvisie Infrastructuur en Ruimte formuleert het Rijk drie hoofddoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar & veilig te houden voor de middellange termijn (2028):

  • het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;
  • het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
  • het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

Het Westland is op de kaart van de nationale ruimtelijke hoofdstructuur aangewezen als Greenport.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.MONREMBRANDTSTR5pb-VA01_0007.jpg" 

Figuur - Uitsnede kaart nationale ruimtelijke hoofdstructuur

 

Nationale belangen

De structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is vertaald in de AMvB ruimtelijke ordening. De AMvB omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de Ecologische Hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met de AMvB Ruimte maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Uit de regels en kaarten behorende bij de AMvB kan worden afgeleid welke aspecten relevant zijn voor het ruimtelijke besluit. Voor het projectgebied zijn geen nationale belangen in het geding.

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Met de komst van de Omgevingswet die vanaf 2022 in werking zal treden, is het van belang dat de ruimtelijke opgave in lijn is met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). De eerste NOVI is vastgesteld in 2021. De NOVI bestaat uit één Rijksvisie op de leefomgeving. Het uitgangspunt van dit beleidsdocument is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in een samenhangend geheel. De NOVI schetst een duurzaam toekomstperspectief voor de leefomgeving in Nederland in 2050. Om dit te realiseren is collectieve verantwoordelijkheid van alle overheden van belang.

Het Rijk benoemt in de NOVI 21 nationale belangen voor het omgevingsbeleid en vermeldt hierbij de opgaven en de rol van het Rijk bij het realiseren van deze opgaven. Deze opgaven worden samengebracht in vier prioriteiten. Deze prioriteiten vormen complexe, omvangrijke en dringende opgaven die voortkomen uit of samenhangen met grote transities. Deze prioriteiten zijn:

  • Naar een duurzame en concurrerende economie;
  • Naar een klimaatbestendige en klimaatneutrale samenleving;
  • Naar een toekomstbestendige en bereikbare woon- en werkomgeving;
  • Naar een waardevolle leefomgeving.

Deze vier opgaven kunnen alleen in samenhang verder worden gebracht wanneer aandacht is voor thema's die hier dwars doorheen lopen, zoals omgevingskwaliteit, gezondheid, cultuurhistorie, klimaatadaptatie, water, bodem, (nationale) veiligheid en milieukwaliteit.

Een gezonde leefomgeving die zo min mogelijk negatieve invloed heeft op de gezondheid is volgens het Rijk van belang. De omgeving dient uitnodigend te zijn voor gezond gedrag en dient een plek te zijn waar inwoners zich prettig voelen.

De omvang van de vraag is afhankelijk van de het tempo van economische groei, maar ook van de specifieke bedrijfstaksamenstelling per regio, omdat de ramingen voor verschillende bedrijfstakken uiteenlopen. Het Rijk stelt dat een zorgvuldige raming van ruimtebehoefte- en aanbod van groot belang is. Om voldoende ruimte voor economische activiteit te faciliteren en deze optimaal te benutten, stellen overheden regionale programma's en transitieagenda's op.

Locaties van nieuwe kantoren, bedrijventerreinen en (groot)winkelbedrijven moeten passen bij het verkeers- en vervoersnetwerk. Deze locaties moeten goed afgestemd zijn op de vraag van bedrijven én de economische vitaliteit en de kwaliteit en aantrekkelijkheid van stad en land versterken.

2.1.5 Conclusie

De ontwikkeling voor het realiseren van woon-/zorgwoningen op het perceel Rembrandtstraat 5 te Monster is in overeenstemming met de beleidskaders van de verschillende overheden.

2.2 Ruimtelijk-functionele structuur

2.2.1 Historie

In 1953 ontvangt de Rooms Katholieke parochie definitief goedkeuring voor de bouwvergunning van de Aloysiusschool. Na de start van de bouw in 1954 wordt de school op 19 april 1955 in gebruik genomen en ingezegend.

Op 23 mei 1957 wordt de Gymzaal aan de Rembrandtstraat officieel aan de Aloysiusschool toegevoegd en geopend. Het schoolgebouw met fietsenstalling vormt een ensemble met karakteristieke waarde met o.a. het naastgelegen Kerkgebouw van de Protestantse Gemeente en het iets verderop gelegen herontwikkelde politiebureau aan de Doctor Van Den Brinkstraat.

Tweemaal volgt er een aanbouw, in 1987 en 2002, waarbij is gekozen voor harmoniserende architectuur. Materiaal, kleur en detaillering sluiten zoveel mogelijk aan bij het bestaande gebouw.

Vanaf 2017 heeft door de gemeente Westland een verkenning plaatsgevonden naar een herbestemming van het gebouw. Dit vanwege het feit dat de Aloysiusschool door de nieuwbouw van on-derwijslocaties zijn primaire onderwijsfunctie verliest. De basisschool heeft tot de zomer van 2018 gefunctioneerd als overlooplocatie voor de huisvesting van nieuwe basisscholen en in ieder geval tot eind 2019 is de school nog gebruikt voor huisvesting van schakelklassen (drie groepen). Door nieuwbouw van onderwijslocaties elders in Monster heeft de Aloysiusschool zijn primaire maatschappelijke functie inmiddels daadwerkelijk verloren. Het gebouw is tijdelijk verhuurd om leegstand te voorkomen.

2.2.2 Ruimtelijke aspecten


Huidige situatie:

De locatie van het plangebied is gelegen op tussen de Rembrandtstraat en Burg. Kamschoërstraat in Monster. Het perceel is kadastraal bekend als MSR00, sectie G, nummer 8747. Het perceel wordt omringd door een kerk, woningen en openbaar gebied in de vorm van wegen, parkeerplaatsen en groen. Het voormalige schoolgebouw wordt niet meer gebruikt als school.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.MONREMBRANDTSTR5pb-VA01_0008.png"

Uitsnede GIS, bestaande situatie.

Toekomstige situatie:
Het leegstaande schoolgebouw creëert ruimte voor herontwikkeling tot wonen voor kwetsbare doelgroepen. Het originele schoolgebouw en de fietsenstalling wordt in het nieuwe ontwerp grotendeels behouden. De voormalige gymzaal en aanbouwen worden (gedeeltelijk) gesloopt. Ten behoeve van de woonvorm wordt een nieuw te realiseren gebouw op de plaats van de voormalige gymzaal gerealiseerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.MONREMBRANDTSTR5pb-VA01_0009.png"

Tekening toekomstige situatie.

2.2.3 Woningbouwprogramma

Voor de herontwikkeling van de Aloysiusschool is het volgende programma samengesteld:

  • Realisatie van circa 18 (zelfstandige) appartementen voor sociale huurwoningen. De beoogde doelgroep is senioren;
  • Realisatie woonconcept van het ouderinitiatief Stichting VEME: circa 14 plaatsen voor jongeren met een verstandelijke- en/of lichamelijke beperking. Het gaat om onzelfstandige wooneenheden met gemeenschappelijke voorzieningen;
  • Realisatie woonconcept van het ouderinitiatief Stichting Veste/Klimkoord: circa 10 plaatsen voor jongeren met een gedragsstoornis in het autistisch spectrum (ASS). Het betreft hier een trainingshuis voor deze doelgroep, waar gewerkt kan worden aan zelfredzaamheid en zelfstandig kunnen wonen. Een woonconcept letterlijk tussen thuis wonen bij de ouders en helemaal zelfstandig kunnen wonen; het kenmerkt zich door een in -, door -, en uitstroomproces. Centraal staat naast de tijdelijke woning een ondersteuning en training op adl-activiteiten, zoals dagstructurering, communicatie, huis en financiën op orde, etc. Het gaat om zelfstandige wooneenheden met gemeenschappelijke voorzieningen.
2.2.4 Motivatie van de woningbehoefte

Woonvisie Westland 2020 - 2030

Ten behoeve van de Woonvisie Westland 2020-2030 is de Westlandse woningbehoefte tot en met 2030 onderzocht op basis van demografische trends. Door inzet op een mix van nieuwbouw in de sociale koop, betaalbare en (middel)dure en vrije sector koop kan het nieuwbouwprogramma een bijdrage leveren aan het creëren van verhuisketens en daarmee de gewenste doorstroming op de Westlandse woningmarkt bevorderen. De woningbehoefte is vertaald in de benodigde woningbouwprogrammering, die is vergeleken met het huidige planaanbod. Op deze manier is inzicht verkregen op welke punten er een discrepantie is tussen het planaanbod en de (Westlandse) woningbehoefte.


Woningbehoefte Sociale huurwoningen

  • Volgens de Woonvisie zullen in de periode 2020-2030 ongeveer 1.800 sociale huurwoningen gebouwd moeten worden op een totaal van ongeveer 8.000 woningen. Sturing hierop vindt onder andere plaats door 30% van het programma van een nieuwbouwproject uit sociale huurwoningen te laten bestaan.
  • En ook uit de onlangs uitgevoerde Woningmarktverkenning Westland 2022-2032 (2022) blijkt dat er minimaal 24% van de nieuwbouw uit sociale huurwoningen moet bestaan.


Woningbehoefte Seniorenwoningen

Aan extra woningen voor senioren is veel behoefte in het Westland:

  • Op dit moment is 19,2% van de Westlandse bevolking ouder dan 65, 8,2% is ouder dan 75 jaar (Bron: Companen, 2020).
  • Omdat ouderen, volwassenen én jongeren met een hulpvraag blijven steeds langer zelfstandig wonen, streeft de Gemeente Westland naar een aanbod van voorzieningen in de kernen die ontmoeting en zelfredzaamheid bevorderen.
  • Het aantal oudere alleenstaanden (65-plussers) verdubbelt bijna tot 2040. Het aantal gehuwde/samenwonende 65-plussers die geen kinderen (meer) thuis hebben wonen stijgt met 25%. Over 20 jaar is 35% van het totaal aantal huishoudens in Westland ouder dan 65, nu is dat 27%. Hoewel veel senioren voorkeur zullen hebben om zo lang mogelijk in hun vertrouwde woning en woonomgeving te blijven wonen, zal een deel willen of moeten verhuizen naar een appartement. Van de 65-plussers zoekt 40% in dat geval een huurwoning en 60% (weer) een koopwoning (Bron: Companen, 2020).
  • In 2040 zal Westland ook twee keer zoveel 75-plussers tellen als nu (ruim 12.000). Van de 75-plussers heeft ongeveer de helft geen zorgvraag. Van de andere helft heeft 2/3 alleen behoefte aan ondersteuning, 1/3 heeft behoefte aan zware zorg (Bron: Companen, 2020).
  • Het aantal alleenstaande 75-plussers met een mobiliteitsbeperking zal gaan stijgen met 75% tot 2040, het aantal samenwonende 75-plussers met een mobiliteitsbeperking stijgt met 35% (Bron: Companen, 2020).
  • De uitbreidingsbehoefte voor Westland aan voor ouderen geschikte woningen door huishoudens van 65 jaar of ouder tot 2040 ruim 600 woningen, waarvan 270 nultredenwoningen en 220 geclusterde ouderenwoningen.


Monster

Het plan speelt in op de lokale woningvraag in Monster, dat een vergrijzende bevolking kent. Door de (her)ontwikkeling van leegstaand vastgoed en nieuwbouw binnen de bestaande dorpskern draagt dit project bij aan de grote woningbouwopgave in Westland en Haaglanden. Het hergebruiken van bestaand vastgoed van historische waarde draagt bij aan de karakteristieke woonomgeving binnen de dorpskern.

Bewoners met verstandelijke beperking

In 2020 heeft de gemeente Westland onderzoek laten doen naar de huisvestingsbehoefte en opgave voor doelgroepen waarbij zorg en wonen samenkomen. In dit rapport staat ondermeer de kwantitatieve opgave voor de Gemeente Westland met een doorkijk naar 2040:

  • Het aantal Wlz-indicaties voor zorg aan mensen met een verstandelijke beperking (VG) is over de jaren 2015 tot en met 2019 gestegen van 790 naar 910. De prognose voor 2040 is dat dit getal naar 1.050 is gestegen (Bron: Companen, 2020).
  • Voor deze doelgroep ligt het grootste deel van de woningbehoefte in geclusterd wonen en voor een klein deel in 'gespikkeld wonen' (Bron: Companen, 2020).
  • Het tekort aan geclusterde woningen was in 2019 130 woningen en zal stijgen naar een tekort van 190 woningen in 2040 (Bron: Companen, 2020).


Bewoners met lichamelijke beperking

Eveneens in het rapport van Companen (2020) staat de doelgroep met een lichamelijke beperking beschreven die een beroep doet op het woningaanbod in het Westland.

  • De grootte van deze groep is bepaald aan de hand van cijfers uit het eerder uitgevoerd onderzoek door ABF voor de gemeente Westland, waarin zowel oudere als jongere mensen met een mobiliteitsbeperking zijn opgenomen (Bron: Companen, 2020).
  • Het aantal huishoudens met een beperking in Westland in een zelfstandige woning stijgt van met 28%, van 5.770 in 2019 naar 7.410 in 2040 (Bron: Companen, 2020).
  • Hoewel er op dit moment voldoende geschikte woningen per kern om de mensen met een mobiliteitsbeperking op te kunnen vangen, is wel dat niet alleen deze doelgroep met een lichamelijke beperking een beroep doet op de geschikte woningvoorraad, maar ook ouderen hebben behoefte aan een geschikte woning (Bron: Companen, 2020).


Kwetsbare Jongeren

De doelgroep 'jongeren met ASS' valt onder de doelgroep 'kwetsbare jongeren' waaraan tevens aandacht gegeven is in het rapport van Companen (2020).

  • Er bestaat een variëteit aan woonvormen voor jeugdzorg met verblijf, waaronder pleeggezinnen, gezinshuizen of in een 'residentiële setting' zoals een behandelgroep (Bron: Companen, 2020).
  • Een deel van de Verstandelijk Gehandicapt-cliënten (VG-cliënten) zou goed zou kunnen wonen in een gemengd woonconcept met mensen met GGZ-problematiek, kwetsbare jongeren of ouderen (Bron: Companen, 2020).
  • De vraag naar jeugdzorg met verblijf tot 2040 langzaam gaan stijgen (Bron: Companen, 2020).
  • De jaarlijkse uit- of doorstroom vanuit de jeugdzorg wordt geschat op 50 kwetsbare jongeren. Voor deze jongeren die uit- of doorstromen. De verwachting is dat van de 50 kwetsbare jongeren, er 20 doorstromen door naar 'begeleid wonen' (Bron: Companen, 2020).

2.2.5 Verkeer

Parkeren

Uitgangspunt voor het parkeren is de Beleidsregel Parkeernormering gemeente Westland 2018. Bij het hanteren van specifieke doelgroepen kan hier goed onderbouwd van worden afgeweken. In voorliggend bestemmingsplan is voldoende ruimte om te voldoen aan de parkeernormering.

Ontsluiting

De ontsluiting van het plangebied vindt bij voorkeur via de Rembrandtstraat plaatst. Deze weg heeft de functie van een erftoegangsweg en is daarmee bedoeld voor het ontsluiten van erven. Dit in tegenstelling tot de Burg. kampschöerstraat, welke de functie heeft van een gebiedsontsluitingsweg. Op een gebiedsontsluitingsweg wordt het aantal aansluitingen zoveel als mogelijk beperkt.

Uitgaande van landelijke kencijfers zijn er voor de nieuwe situatie zo'n 120 motorvoertuigen per etmaal te verwachten. Algemene richtlijn daarbij is dat tijdens een spitsuur (spitsen zijn tussen 7:00 en 9:00 en 16:00 en 18:00 uur, dus 4 spitsuren per dag) 10% van het verkeer rijdt. Dus tijdens de drukste uren zijn er zo'n 12 motorvoertuigbewegingen per uur te verwachten. Dit komt overeen met gemiddeld 1 beweging per 5 minuten.

De voormalige situatie, de school, zorgde ook voor verkeersbewegingen. Het is dus niet zo dat er 120 extra verkeersbewegingen per etmaal bijkomen. In de praktijk zal tijdens de voormalige haal en brengtijden het aantal autobewegingen een stuk minder zijn dan voorheen. En buiten deze tijden zal het aantal autobewegingen wellicht wat toenemen. Maar gezien de beperkte verkeersaantrekkende werking van het initiatief, zal de toename beperkt zijn en blijft de situatie ruim aanvaardbaar. Ook vanuit oogpunt van verkeersveiligheid.

2.3 Gebiedsvisie

2.3.1 Beeldkwaliteitsplan

In het Beeldkwaliteitsplan, onderdeel van het bestemmingsplan Woonkern Monster, is de Burgemeester Kampschöerstraat aangemerkt als karakteristiek, op basis van het slingerende verloop van de weg gecombineerd met een bijzondere architectuur van een aantal gebouwen in de straat.

De Kampschöerstraat is pas in de 20e eeuw ontstaan en is een verbindingsweg, waarlangs lintbebouwing is gerealiseerd met een dorps karakter. Het overgrote deel van de bebouwing hier bestaat uit vrijstaande of geschakelde woningen met een diverse architectuur. Belangrijk kenmerk is dat de bebouwing hier een individueel karakter heeft. Dergelijke linten vormen een waardevolle structuur maar de bebouwing staat onder druk. Schaalvergroting is een belangrijke bedreiging voor de bebouwing. Dit is zichtbaar o.a. op nummer 10-14.

De straat heeft een ontsluitende functie voor Monster en Ter Heijde. De straat heeft op het oog een brede opzet met soms ruime voortuinen bij de woningen. Vanwege de gebiedsontsluitende functie en het parkeren op het wegdek is het beschikbare profiel van de straat is eigenlijk te krap voor de functie die deze straat vervult.

De Protestantse kerk ligt in de binnenbocht, maar is heel typisch voor de oriëntatie van de straat, zowel vanuit het zuidoosten als vanuit het noordwesten. De wegverdraaiing wordt opgevangen door drie gebouwen die een zeer bijzondere architectuur hebben, de kerk en het voormalige politiebureau en de school. De school ligt terug zodat er zicht op kerk is, gezien vanaf het zuiden. Vanaf het noorden is het zicht direct op de kerk, door de brede groenstrook en terugliggende woningen van nr. 9-23. De doorzonwoningen in de nabijheid van school en kerk vormen een soort rustig decor waardoor de bijzondere architectuur extra opvallend is. Ook het voormalige politiebureau is bijzonder en gemeentelijk monument. Hier tegenover wordt het lint begeleid door vrijstaande en 2-onder-1-kapwoningen met bijzondere detaillering en kappen.

 

Architectuur

In de Welstandsnota wordt de straat als dorpslint aangeduid. Specifiek geldt dat er een overheersende hoeveelheid kappen is, met voor deze plek zeer kenmerkend, vooral lage goten. Er komt hier en daar een rijke en bijzondere architectuur voor. Er staan in de straat een aantal gebouwen die karakteristiek of zelfs monumentwaardig (en/of monument) zijn. De bebouwing is gevarieerd, één tot twee lagen met een kap met een relatief kleine korrel. Door de opvallend lage goten her en der vallen de forse kappen goed op. Dit is typisch voor de tijd waarin de straat is gerealiseerd ('20-'30 vorige eeuw) Het appartementengebouw op nummer 10-14 is hierop de negatieve uitzondering, Het pand is modern, maar past niet goed in de context. Door afwijkend materiaalgebruik, bouwvolume, het platte dak, en een enorme opgang, oogt het vrij grootschalig en massaal.

De korrelgrootte van de bebouwing die (voormalig) maatschappelijke functies heeft, zijn uitzonderingen op de kleine korrel. Deze hebben een wat grotere maat, maar hebben nog steeds een lage goot en grote kap. Diverse kapvormen (zadel-schild-parabool-mansarde) en gevels zijn representatief en traditioneel opgebouwd verticaal geleed met staande raampartijen en een veelal klassieke opbouw. De detaillering van de panden is over het algemeen zorgvuldig en tot op het kleinste detail. Bijna alle panden hebben pannen op het dak, er komen verschillende dakvormen voor. Belangrijk is de afstemming van maat en schaal van de gebouwen onderling. De woningen hebben een voortuintje begrensd door een haag of muurtje.

Openbare Ruimte

De inrichting van de Kampschöerstraat is sterk functioneel, dat wil zeggen, gebaseerd op de verkeersfunctie. Er geldt hier een 30 km-regime. De rijbaan is geasfalteerd, evenals de langsparkeervakken. De snelheidsremmende maatregelen ter hoogte van de basisschool en de trottoirs zijn met betonklinkers en -tegels verhard. Alle bebouwing heeft een groene privéterrein of voortuin, begrensd door een haag of karakteristieke lage muur. Hierdoor is de schaal en het karakter van de straat erg vriendelijk. Door de openbare groenstrook tussen de Doctor van Den Brinkstraat en de Rembrandtstraat is er goed zicht op de Protestantse Kerk en de kerktuin. De kerktuin langs de Kampschöerstraat is recentelijk gedeeltelijk verhard voor de realisatie van bezoekers parkeerplaatsen, die ook door bewoners worden gebruikt wanneer er geen dienst is.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.MONREMBRANDTSTR5pb-VA01_0010.png"

Typering Openbare ruimte: waardevolle combinatie zichtlijn en groenstructuur

Beeldkwaliteitseisen
De eisen zijn erop gericht om de stedenbouwkundige structuur en de samenhang met de architectuur van de bebouwing aan de Kampschöerstraat te handhaven en waar mogelijk te verbeteren. Dat bete-kent vooral dat de eenheid in architectuur en het samenspel die de bebouwde en onbebouwde ruimte met elkaar aangaan, gehandhaafd moet blijven.

In aanvulling op de beschrijving en criteria uit de Welstandsnota (die onder andere ingaan op de architectonische uitwerking van het individuele perceel) gelden de volgende beeldkwaliteitseisen:

  • Bebouwing staat met de voorgevel aan de weg, daar waar de oriëntatie verandert, moeten beide zijden een representatieve kant hebben;
  • Het centrale punt van dit karakteristiek gebied is de kerk. Het lint draait hier als het ware omheen en zorgt voor zicht op bebouwing met een bijzondere architectuur. De accentwerking van de kerk is belangrijk en stedenbouwkundig noodzakelijk om de karakteristieke beleving overeind te houden;
  • Behoud van het dorpse karakter, kleinschaligheid, ritmiek, afwisseling en individualiteit;
  • Er zijn drie belangrijke gebouwen in de straat, school, kerk, (voormalig)politiebureau, nieuwbouw mag niet met bovengenoemde gebouwen concurreren. Er wordt dus een sobere uitwerking van de overige bebouwing gevraagd;
  • De bebouwing is kleinschalig, té grootschalige elementen moeten worden vermeden tenzij daar ruimtelijke aanleiding toe is. De grotere korrel is alleen toegestaan op de bovengenoemde drie plekken: de Aloysiusschool, het politiebureau en de kerk;
  • De huidige rooilijnen dienen te worden gehandhaafd omdat deze nu zorgen voor zichtlijnen die opgevangen worden door de bijzonderste bebouwing in de straat, zowel in (voormalige) functie als in architectuur;
  • Bebouwing heeft een voorterrein of een voortuin. Deze wordt vooral door hagen en/of lage muurtjes begrensd;
  • De groenstructuur tussen de Rembrandtstraat en de Doctor van Den Brinkstraat moet behouden blijven, ook moet de kerktuin onbebouwd blijven. De beide groene politiebureau structuren zorgen voor ruimte in het profiel en bieden zicht op de kerk en het voormalige politiebureau.

2.3.2 Stedenbouwkundige randvoorwaarden

Stedenbouw

Het behoud van de Aloysiusschool is een belangrijk aspect voor de inrichting van de buitenruimte van het karakteristieke gebouw. De authentieke vorm uit 1955 is volgens stedenbouw leidend voor de omgeving. Het oude lint dat door de Burgemeester Kampschöerstraat loopt, legt extra aandacht op het schoolplein van de voormalige Aloysiusschool. Doorgaand verkeer wordt langs deze lijn geleid en daarmee valt de nadruk automatisch op deze kant van de school. Van belang is dat dit schoolplein met de ingang van de voormalige school weer tot zijn recht komt door middel van een kwalitatieve (groene) invulling van het schoolplein. Vanwege de verharding van het kerkplein vormt een vergroenen weer tot de authentieke versterking van de zichtlijnen naar de kerk en de school.

Het plangebied valt onder een karakteristiek deel van Monster, waarbij het zwaartepunt toegekend wordt aan de Burgemeester Kampschöerstraat vanwege lint en bebouwing ten opzichte van de Rembrandtstraat-zijde Deze laatste status leent zich voor een visueel beeld waar minder verdichting en meer lucht in de straat ontstaat en plaatsgemaakt wordt voor langsparkeren.

De karakteristieke elementen van de school dienen zoveel mogelijk behouden te worden; de schoolmuur, de fietsenstalling, het glas-in-loodraam. De stedenbouwkundige inpassing van de voormalige school sluit goed aan op de kant van de Burgemeester Kampschöerstraat. Aan de Rembrandtstraat vallen de latere uitbreidingen van de school en het bijgebouw van de school uit de toon en staan te dicht op de aanbouw van de kerk. De Z-vorm van de school sluit aan op de stedenbouwkundige inrichting van de Burgemeester Kampschöerstraat, maar de bovenkant van deze vorm, die ligt aan de Rembrandtstraat, doet dit niet en staat haaks op de straat. Verder zorgen de uitbreidingen aan de Rembrandtstraat voor een rommelig blikveld. De voorkeur gaat daarom ook uit naar eenheidsvorming in deze straat. Uitgangspunt is het behoud van het oudste deel van de school aan de Burgemeester Kampschöerstraat, en rekening houdend met het mogelijk slopen van het deel van de school aan de Rembrandtstraat. Zo ontstaat een nadruk op de voorkant van het schoolplein aan de Burgemeester Kampschöerstraat en aandacht voor een rustig woongebied aan de Rembrandtstraat.

Bij het realiseren van nieuwbouw aan de Rembrandtstraat dient rekening gehouden te worden met een goede aansluiting op de naburige percelen en panden, de voortdoorzetting van de gevelrooilijn langs de Rembrandtstraat, de perceelsgrenzen en het materiaalgebruik. Bijzondere aandacht moet er zijn voor de bouwhoogte van maximaal 12 meter aan de Rembrandtstraat, met een terugligging (setback) op de bovenste laag. Dit is noodzakelijk om het programma op te kunnen vangen, maar ook om te zorgen dat het nieuwe gebouw in de Rembrandtstraat past binnen de context van de beoogde beeldkwaliteit. Hierbij wordt een grotere korrelgrootte op de schoollocatie mogelijk gemaakt.

Het is van belang dat vanuit de achtertuinen van de Frans Halsstraat, de bouwhoogte maximaal 8 meter bedraagt. Hiermee wordt privacy wordt geborgd en het gezichtsveld niet verstoord wordt. Dit houdt in dat er geen buitenruimtes (balkons) richting de Frans Halsstraat gesitueerd worden.

De groene binnentuin dient afgesloten te zijn van de straatkant door middel van een gesloten bouwblok aan de Rembrandtstraat, zodat privacy gegarandeerd kan worden voor de kwetsbare doelgroep. Dit binnenterrein dient ook afstand te bieden tussen het oude schoolgebouw en de nieuwbouw van minimaal 8 meter. Zo ontstaat een goede buitenruimte en is de overgang van de goothoogtes minder sterk.

Parkeren dient opgelost te worden door middel van privaat ondergrondsparkeren onder het te realiseren nieuwbouwproject aan de Rembrandtstraat. Het private parkeren voor bezoekers van deze locatie dient bij voorkeur op moet op de kavel worden opgelost. Er dient bij de herinrichting van de Rembrandtstraat een extra parkeerplaats gerealiseerd te worden Het langsparkeren aan de Rembrandtstraat blijft intact. De inrit naar de parkeerplaatsen en parkeerkelder past bij de bestaande inritten aan de overzijde van de Rembrandtstraat. Het parkeren op het binnenterrein naast de kerk en nieuwbouw moeten worden ingevuld met een (klimaatadaptieve) inrichting. Wenselijk is verder om de ingang van ondergrondsparkeren uit het zichtveld te halen van de huizen in de Rembrandstraat, hiermee wordt de rust gegenereerd en overlast van koplampen gereduceerd.

De volgende stedenbouwkundige randvoorwaarden worden meegenomen naar de ontwikkelende partij:

  • Gesloten blok met groen binnenterrein, beschut wonen concept;
  • Afstand tussen de nieuwbouw en school minimaal 8m;
  • Voorgevelrooilijn volgt rooilijn Rembrandtstraat en kerk;
    • 1. Goede aansluiting op het naburig perceel en pand:
    • 2. Doorzetting rooilijn vanuit bestaande woningen langs Rembrandtstraat;
    • 3. Perceelgrenzen;
    • 4. Nieuwbouw heeft hoogtes van vier lagen van max 12 m, waarvan de 4de laag een setback rondom van minimaal 3m;
    • 5. Nieuwbouw aan de achterzijde van de Frans Halsstraat heeft twee lagen van max. 8m (op lijn van Frans Halsstraat 10), met eventueel kap en gepast materiaalgebruik;
  • Openbaar langsparkeren langs Rembrandtstraat, inclusief uitloopstrook/groenstrook;
  • Aan Rembrandtstraat aan kerkzijde; privaat parkeerterrein op binnenterrein met inrit naar het binnenterrein aan Rembrandtstraat aan kerkzijde;
  • Zichtbaar en beleefbaar groen op schoolplein Burgemeester Kampschöerstraat;
  • Behoud waardevolle/kenmerkende elementen schoolplein (lage muur (m.u.v. de inrit naar het binnenterrein en parkeerplaatsen en de netree van de nieuwbouw), fietsenstalling, glas-in-loodramen);
  • Langzaam verkeersverbinding;
    • 1. Goede aansluiting en overgang van privé naar openbaar gebied:
    • 2. Geen achterkanten zichtbaar vanuit omliggende straten;
    • 3. (Woon)voorkanten naar omgeving op begane grond;
    • 4. Behoud zoveel mogelijk de oude schoolmuur,
    • 5. Parkeren op kavel eventueel gebruik van hagen rondom;
  • Goede herkenbaarheid en nadruk oude school aan de kant van de Rembrandtstraat ter hoogte van de parkeerplaatsen op het binnenterrein: centrale entree Rembrandtstraat, in combinatie met (verticale) accenten en doorzicht naar binnenterrein;
  • Hoekentree Burgemeester Kampschöerstraat, in combinatie met verdraaiing kap ter hoogte van groene tuin;
  • Verschillende type woningen ontwerpen en configureren als architectonisch en stedenbouwkundig samenhangend ensemble: materiaal en kleurgebruik (geisen nader io te stellen naar wensen welstand);
  • Behoud authentieke elementen van de Aloysiusschool;
  • Er dienen voldoende voorzieningen behorende bij het appartementencomplex te worden gerealiseerd, bij voorkeur inpandig, uit het zicht en goed bereikbaar:
    • 1. Bergingen (inclusief ruimte voor scootmobiel en fietsen);
    • 2. Afvalberging;
    • 3. Fietsenparkeerplaats voor bezoekers;
  • Het plan dient te voldoen aan de eisen van het bouwbesluit.

Hoofdstuk 3 Onderzoek

3.1 Bedrijven en milieuzonering

3.1.1 Wettelijk kader

Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de aanwezige functies en wonen noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn deze richtafstanden opgenomen. Van deze richtafstanden kan gemotiveerd worden afgeweken.

Kernen
In gebieden waar bedrijfsactiviteiten en hindergevoelige functies naast elkaar voorkomen en zelfs gewenst zijn, wordt gebruikgemaakt van de Staat van Bedrijfsactiviteiten (SvB) 'functiemenging'. Bij deze lijst wordt per bedrijfsactiviteit bekeken in welke mate deze direct naast woningen toelaatbaar is. Voor een nadere toelichting op de aanpak van de milieuzonering met behulp van de Staat van Bedrijfsactiviteiten 'functiemenging' wordt verwezen naar de digitaal raadpleegbare brochure.

3.1.2 Onderzoek

Door Aqua Terra-Nova is op 12 juli 2023 een onderzoek naar bedrijven en milieuzonering en externe veiligheid uitgevoerd, zie Bijlage 3. Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat er in de bestaande situatie de richtafstand voor geluid van het naastgelegen kerkgebouw voor een klein gedeelte in het plangebied zijn gelegen. Het aspect geluid is daarom nader beschouwd. Hierbij is geconcludeerd dat van de activiteiten op het terrein van het kerkgebouw geen geluidhinder valt te verwachten.
Maatschappelijke activiteiten en bedrijfsactiviteiten in de omgeving van het plangebied zullen niet leiden tot een aantasting van een goed woon- en leefklimaat bij de woningen in het plangebied. Omgekeerd zal de realisatie van de nieuwe appartementen en woonfunctie voor jongeren geen extra belemmering vormen voor de omliggende bedrijven en maatschappelijke functies.

3.1.3 Conclusie

Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.

3.2 Geluid

3.2.1 Wettelijk kader

Wet geluidhinder

Met de Wet geluidhinder wordt, vanuit een goed milieubeheer, een aantal specifieke geluidsgevoelige bestemmingen beschermd zoals woningen, onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen. De geluidszonering die door deze wet wordt voorgeschreven, ligt rondom bedrijventerreinen, langs wegen voor wegverkeer, langs spoor-, tram- en metrowegen en rondom of langs andere geluidsoverlast veroorzakende objecten. Aan de geluidsbelasting op de (gevels van de) geluidsgevoelige objecten worden grenzen gesteld terwille van het woon- en leefklimaat.

3.2.2 Onderzoek

Door Aqua Terra-Nova is op 11 juli 2023 een akoestisch onderzoek uitgevoerd, zie Bijlage 4. Uit de rekenresultaten blijkt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet wordt overschreden door de onderzochte wegen (na aftrek van 5 dB op grond van artikel 110 van de Wet geluidhinder). Er wordt dus voldaan aan de grenswaarde uit de Wet geluidhinder. Er is ter plaatse van de nieuwe woningen sprake van een goed- woon- en leefklimaat voor het hinderaspect geluid (wegverkeerslawaai).


Omdat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder niet wordt overschreden is een uitgebreid onderzoek naar de geluidwering van de gevels van de woningen op grond van het Bouwbesluit niet noodzakelijk.

3.2.3 Conclusie

Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.

3.3 Luchtkwaliteit

3.3.1 Wettelijk kader

Wet luchtkwaliteit

Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 (Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer). De Wlk bevat grenswaarden voor
zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxide, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in onderstaande tabel weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet.

Stof   Toetsing van   Grenswaarde   Geldig  
stikstofdioxide (NO2)   jaargemiddelde concentratie   60 ìg/m³   2010 t/m 2014   
    jaargemiddelde concentratie   40 ìg/m³   vanaf 2015  
fijn stof (PM10)1)   jaargemiddelde concentratie   48 ìg/m³      
    jaargemiddelde concentratie   40 ìg/m³   vanaf 11 juni 2011  
    24-uurgemiddelde concentratie   max. 35 keer p.j. meer dan 75 ìg/m³       
    24-uurgemiddelde concentratie   max. 35 keer p.j. meer dan 50 ìg/m³   vanaf 11 juni 2011  

1) Bij de beoordeling hiervan blijven de aanwezige concentraties van zeezout buiten beschouwing (volgens de bij de Wlk behorende Regeling beoordeling Luchtkwaliteit 2007).
Op grond van artikel 5.16 van de Wlk kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit (zoals de vaststelling van een bestemmingsplan) uitoefenen indien:

  • de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden (lid 1 onder a); 
  • de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft (lid 1 onder b1); 
  • bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met de uitoefening van de betreffende bevoegdheid samenhangende maatregel of een door die uitoefening optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert (lid 1 onder b2); 
  • de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht (lid 1 onder c); 
  • het voorgenomen besluit is genoemd of past binnen het omschreven Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een vergelijkbaar programma dat gericht is op het bereiken van de grenswaarden (lid 1 onder d).

 

Besluit niet in betekenende mate (nibm)
In dit Besluit is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:

  • een project heeft een effect van minder dan 1% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; 
  • een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een bestemmingsplan uit oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens tevens rekening gehouden met de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied.

3.3.2 Onderzoek

Het programma voor de herontwikkeling van de Aloysiusschool moet worden aangemerkt als bedoelt in bijlage 1 van het Besluit niet in tekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen). De voorwaarde is dat die woningbouwlocatie, in geval van één ontsluiting, netto niet meer dan 1500 nieuwe woningen omvast, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3000 woningen omvat.


Gezien de aard en de omvang van het onderhavige bouwplan is dus uitgesloten dat het bouwplan leidt tot een in betekenende mate bijdragen aan de concentraties fijnstof en NO2.

3.3.3 Conclusie

De luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van het bestemmingsplan.

3.4 Externe veiligheid

3.4.1 Wettelijk kader

Externe veiligheid is een begrip in het milieurecht en gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij gebruik, opslag en vervoer over de weg, water en spoor en door buisleidingen van gevaarlijke stoffen. Als gevaarlijke stoffen kunnen worden genoemd vuurwerk, lpg en munitie. Het beleid en de wetgeving zijn erop gericht om maatregelen te treffen om de risico's van deze risicovolle activiteiten te reguleren.


Voor dit bestemmingsplan is toetsing aan het Besluit externe veiligheid inrichtingen, het Besluit externe veiligheid buisleidingen en de daarop gestoelde regelingen vereist. Op grond van de regels voor externe veiligheid moeten afstanden in acht worden genomen tussen risicovolle activiteiten en (beperkt) kwetsbare objecten. In de betreffende regelgeving wordt uitgegaan van een risicobenadering - en niet het volledig uitsluiten van het risico - waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

Het plaatsgebonden risico is een rekenkundig begrip. Het risico kan op een afbeelding zichtbaar worden gemaakt door een (iso)risicocontour die de punten met een gelijk risico met elkaar verbindt. Het groepsrisico is een maat om de kans weer te geven dat een incident met dodelijke slachtoffers plaatsvindt. Het drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval in een inrichting, als bedoeld in de Wet milieubeheer, of bij het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico moet onderzocht - en verantwoord - worden omdat ook buiten de genoemde risicocontour van het plaatsgebonden risico nog letale effecten kunnen optreden in het invloedgebied van de risicovolle activiteit en groepen personen slachtoffer kunnen worden van een calamiteit.

3.4.2 Onderzoek

Door Aqua Terra-Nova is op 12 juli 2023 een onderzoek naar bedrijven en milieuzonering en externe veiligheid uitgevoerd, zie Bijlage 3.

Inleiding

Externe veiligheid gaat over de beoordeling van de risico's die verband houden met het gebruik van gevaarlijke stoffen. Tijdens de productie, de opslag, het gebruik en het transport kunnen er zich calamiteiten voordoen, waardoor de veiligheid van de omgeving in het geding is. Dit houdt daarom een risico in voor de omgeving van dergelijke activiteiten. Externe veiligheid heeft geen betrekking op mogelijke gezondheidsschade door langdurige blootstelling aan gevaarlijke of schadelijke stoffen. Het gaat om plotseling optredende schadelijke effecten en de directe gevolgen van die effecten. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden.


In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het ruimtelijk besluit betrekking heeft en dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, berekend te worden.


In het externe veiligheidsbeleid wordt doorgaans onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen.


Met het oog op de Modernisering Omgevingsveiligheidsbeleid van het Rijk wordt het accent verlegd van de risicobenadering naar een effectbenadering. Vooruitlopend op de invoering van de Omgevingswet zijn in dat verband de Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations (Stcrt. 2016, 31453) en de Circulaire externe veiligheid LNG-tankstations (Stb. 2015, 3125) gepubliceerd en in werking getreden.


Risicovolle inrichtingen

In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zijn milieukwaliteitseisen geformuleerd ter bescherming van de mens tegen de kans om te overlijden als gevolg van het vrijkomen of ontstaan van gevaarlijke stoffen bij een ongeval in een bedrijf of ander risicovol object. Voor het PR geldt volgens het Bevi een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten op een niveau van 10-6 per jaar. Binnen de 10-6 per jaar plaatsgebonden risicocontour mogen dan ook geen nieuwe kwetsbare functies mogelijk worden gemaakt. Uitsluitend om gewichtige redenen mogen nieuwe beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour gerealiseerd worden. Daarnaast bevat het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR. De aan te houden veiligheidsafstanden zijn voor nader beschreven situaties vastgelegd in de Regeling externe veiligheid inrichtingen. Voor overige gevallen dient de 10-6 per jaar plaatsgebonden risicocontour te worden berekend.


Tot risicovolle inrichtingen behoren ook mijnbouwinrichtingen en inrichtingen voor de opslag van explosieven.


In de Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations wordt onderscheid gemaakt tussen (beperkt) kwetsbare objecten en zeer kwetsbare objecten. De effectafstanden zijn respectievelijk 60 m en 160 m, gerekend vanaf het LPG-vulpunt. Tot de zeer kwetsbare objecten behoren verblijfsfuncties voor mensen die beperkt zelfredzaam zijn zoals ziekenhuizen en kinderdagverblijven. De circulaire is niet van toepassing op het vaststellen van een conserverend bestemmingsplan. De circulaire geldt evenmin voor zeer kwetsbare, kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten die al binnen de betreffende contouren aanwezig zijn. De effectafstanden voor LNG-tankstations zijn afhankelijk van de aanwezige veiligheidsvoorzieningen. De systematiek is vergelijkbaar met die voor LPG-tankstations.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.MONREMBRANDTSTR5pb-VA01_0011.png"
Ligging plangebied op signaleringskaart Externe Veiligheid

De inrichting van het plangebied voorziet niet in de komst van risicovolle activiteiten naar het plangebied. De meest dichtbij zijnde risicovolle inrichting (Bevi-inrichting) op de risicokaart is gelegen op 1,2 km afstand van het plangebied (gaswinningslocatie MONSTER 3 van de NAM (nr. 1 in figuur 4.1). Het plangebied is ruim buiten het invloedgebied gelegen van de gaswinningslocatie. De aanwezigheid van de Bevi-inrichting vormt geen belemmering voor de ontwikkelingen op de planlocatie.Het plangebied is gelegen buiten het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen. De aanwezigheid van risicovolle activiteiten binnen inrichtingen (Bevi-inrichtingen) vormt geen belemmering voor de ontwikkelingen in het plangebied.


Vervoer gevaarlijke stoffen

Op 1 april 2015 zijn de Wet basisnet en het Besluit externe veiligheid transport (Bevt) in werking getreden. De Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen is daarmee komen te vervallen.


De wegen in beheer bij het Rijk zijn aangewezen als basisnetroute. Het bevoegd gezag neemt bij het vaststellen van een besluit dat betrekking heeft op gronden in de omgeving van een basisnetroute, ten aanzien van nieuw toe te laten kwetsbare objecten, de basisnetafstand in acht en houdt daarmee rekening ten aanzien van nieuw toe te laten beperkt kwetsbare objecten. De basisnetafstand volgt uit bijlage I van de Regeling basisnet. In regio Haaglanden zijn voor de A4, tussen Knooppunt Ypenburg en de gemeentegrens tussen Leidschendam-Voorburg en Zoeterwoude (wegvakken Z8 en Z7), en de A13, tussen knooppunt Ypenburg en Deft-Zuid (wegvakken Z29 en Z113), basisnetafstanden vastgelegd.


Daarnaast worden voor daartoe aangewezen rijkswegen binnen een zone van 30 meter vanaf de rand van de rijksweg beperkingen opgelegd vanwege eventuele plasbranden (plasbrandaandachtsgebied). De aanwijzing volgt eveneens uit bijlage I van de Regeling basisnet. Het betreft dezelfde wegvakken als hierboven genoemd.


Aan het bouwen van een kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object in een veiligheidszone of een plasbrandaandachtsgebied zijn eisen gesteld op grond van artikel 2.3 eerste respectievelijk tweede lid van de Regeling Bouwbesluit 2012. Paragraaf 2.3 van deze regeling is eveneens op 1 april 2015 in
werking getreden (Stb. 2015, 92). In beide gevallen moet zijn voldaan aan de artikelen 2.5 t/m 2.9 van voornoemde regeling. Aanvullend moet het mechanisch ventilatiesysteem van een, als beperkt kwetsbare object aan te merken, bouwwerk binnen een veiligheidszone zijn uitgerust met een voorziening waarmee dat systeem bij een calamiteit handmatig kan worden uitgeschakeld (artikel 2.10 van de regeling).
Deze bepalingen gelden niet voor bouwwerken met een hoge infrastructurele waarde als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (bijvoorbeeld telefoon- of elektriciteitscentrale).


Voor het gedeelte van het plan dat binnen 200 m van een weg ligt waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt (transportroute), moet in de toelichting het groepsrisico worden verantwoord. Ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico onderscheidt het Bevt situaties waarin een 'volledige' verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is en situaties waarin met een beperktere verantwoording kan worden volstaan. Met een beperkte verantwoording kan worden volstaan wanneer het groepsrisico minder dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde (OW) bedraagt of het groepsrisico (uitgedrukt in relatie tot de OW) met minder dan 10% toeneemt en tevens onder de oriëntatiewaarde blijft.


In de toelichting moet worden ingegaan op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg (bestrijdbaarheid). Deze verplichting geldt ongeacht of het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt binnen het invloedsgebied van de betreffende transportroutes. Op het vraagstuk zelfredzaamheid moet worden ingegaan wanneer (beperkt) kwetsbare bestemmingen binnen het invloedsgebied van een dergelijke weg zijn geprojecteerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.MONREMBRANDTSTR5pb-VA01_0012.png" Ligging plangebied op signaleringskaart Externe Veiligheid

De planlocatie bevindt zich op 261 meter afstand1 van een provinciale weg die is vrijgesteld voor het transport van gevaarlijke stoffen in bulk (N211, nr. 3 in bovenstaande figuur).

Over de N211 vindt transport plaats van vloeibare brandstoffen (stofcategorie LF1 en LF2) en LPG/propaan (stofcategorie GF3). Het grootste invloedsgebied wordt gevonden bij het transport van GF3 transporten (omvang invloedsgebied 355 meter). Het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van de N211. Conform het Bevt moet er onderzoek plaatsvinden naar het groepsrisico wanneer een ontwikkeling zich binnen 200 meter van deze route plaatsvindt. De afstand tot de N211 bedraagt meer dan 200 meter. Op grond van artikel 8 van het Bevt is een verantwoording van het groepsrisico niet vereist. De normen voor het groepsrisico in het Bevt vormen geen belemmering voor deze ontwikkeling.

Rampbestrijding en zelfredzaamheid

Vanwege de ligging binnen het invloedsgebied van de N211 moet op grond van artikel 7 van het Bevt in de toelichting van het bestemmingsplan of omgevingsbesluit worden in gegaan op:

  • de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp met gevaarlijke stoffen op de N211, en;
  • voor zover het plan of de vergunning betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op de N211 een ramp met gevaarlijke stoffen voordoet.


Scenario’s brandbare gassen

Door een externe beschadiging van een tankwagen met GF3-stoffen (zoals propaan of LPG) kan de tank openscheuren waardoor de gehele inhoud aan brandbaar gas direct vrijkomt. Als dit direct ontsteekt ontstaat er een vuurbal en een drukgolf (zogenaamde koude BLEVE). Als dit gas later ontsteekt ontstaat er een gaswolkexplosie of wolkbrand. Als een tankwagen met GF3 -stoffen betrokken raakt bij een brand kan na enige tijd de tank bezwijken waardoor de gehele inhoud aan brandbaar gas direct vrijkomt en ontsteekt (zogenaamde warme BLEVE). Bij het optreden van een koude of warme BLEVE zullen in het plangebied geen dodelijke slachtoffers vallen. Van de personen die buiten aanwezig zijn zal minder dan 1% licht gewond kunnen raken door de optredende (kortdurende) warmtestraling. Bij het optreden van een koude of warme BLEVE zal bij de bebouwing in het plangebied slechts lichte schade aan het gebouw ontstaan (geen branden, afbladderen verf en ernstige verkleuringen). Binnen het gebouw vallen geen dodelijke slachtoffers of gewonden.2


Bestrijdbaarheid

Het optreden van een koude BLEVE is een snel scenario dat direct plaatsvindt. Voor dit scenario zijn er vanuit bestrijdbaarheidsperspectief geen mogelijkheden om dit scenario te voorkomen. Bij de dreiging van een warme BLEVE door brand rondom/nabij een tankwagen met brandbare gassen bestaat er voor de brandweer gedurende enige tijd de mogelijkheid om de tankwagen te koelen met water om een warme BLEVE te voorkomen. Hiertoe dienen voldoende bluswatervoorzieningen nabij de risicobron aanwezig te zijn. Na het optreden van een koude of warme BLEVE zullen in het plangebied geen branden ontstaan die door de brandweer moeten worden geblust. Om die reden is de bereikbaarheid voor hulpdiensten niet verder beschouwd.


Zelfredzaamheid

Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. Bij het optreden van een koude BLEVE zal bij de bebouwing in het plangebied slechts lichte schade aan het gebouw ontstaan (geen branden, afbladderen verf en ernstige verkleuringen). Binnen het gebouw vallen geen dodelijke slachtoffers of gewonden. Hierdoor bestaat er geen noodzaak om het gebouw te ontvluchten. Om die reden is de zelfredzaamheid van personen en mogelijkheden voor ontvluchting/schuilen niet verder beschouwd.


Buisleidingen

Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen in werking (Bevb) getreden. Voor nieuwe situaties is de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare objecten 10-6 per jaar; voor beperkt kwetsbare objecten geldt dan een richtwaarde van 10-6 per jaar. Langs buisleidingen moeten belemmeringenstroken in acht worden genomen waarbinnen geen bebouwing (zowel boven- als ondergronds) of ondergrondse tanks zijn toegestaan. Daarnaast hanteert de Gasunie de Algemene VELIN voorwaarden voor grondroer- en overige activiteiten.


De noodzaak voor het verantwoorden van het groepsrisico wordt beoordeeld op grond van de inventarisatieafstanden zoals deze zijn vastgelegd in bijlage 6 van het Handboek buisleiding in bestemmingsplannen - Handreiking voor opstellers van bestemmingsplannen van maart 2010.


Ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico onderscheidt het Bevb situaties waarin een 'volledige' verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is en situaties waarin met een beperktere verantwoording kan worden volstaan. Er zijn twee situaties waarin volstaan kan worden met een beperkte verantwoording:

  • 1. Indien het bestemmingsplan betrekking heeft op het gebied tussen de 100% letaliteitszone en de 1% letaliteitszone van de buisleiding, of
  • 2. Wanneer het groepsrisico minder dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde (OW) bedraagt of het groepsrisico (uitgedrukt in relatie tot de OW) met minder dan 10% toeneemt en tevens onder de oriëntatiewaarde blijft.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.MONREMBRANDTSTR5pb-VA01_0013.png" Ligging plangebied op signaleringskaart Externe Veiligheid

Voor het transport van gevaarlijke stoffen is het wettelijk toetsingskader voor externe veiligheid bij ruimtelijke besluiten opgenomen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen.

In de omgeving van het plangebied bevindt zich 1 hoge druk buisleiding van de NAM. Buisleiding NAM 12219 (44 bar, 3 inch, nummer 2 in bovenstaande figuur) heeft een invloedsgebied van 38 meter en is gelegen op ca. 540 meter van het plangebied. Het plangebied is gelegen buiten het invloedsgebied van buisleiding NAM 12219.

De aanwezigheid van buisleidingen met gevaarlijke stoffen vormt geen belemmering voor de ontwikkelingen op de planlocatie.

Explosieven

Uit de kaart conventionele explosieven van de gemeente Westland blijkt dat in de omgeving van het plangebied geen locaties zijn die verdacht worden van aanwezigheid van conventionele explosieven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.MONREMBRANDTSTR5pb-VA01_0014.png"

Uitsnede Explosievenkaart Westland

3.4.3 Conclusie

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.

3.5 Water

3.5.1 Wettelijk kader

Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, alle met het doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's waarbij het beleid van het Hoogheemraadschap en de gemeente nader wordt behandeld.

 

Europa:

  • Kaderrichtlijn Water (KRW).

Nationaal:

  • Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21);
  • Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW);
  • Waterwet.
  • Nationaal waterplan

Provinciaal:

  • Provinciaal Waterplan;
  • Visie Ruimte en Mobiliteit;
  • Verordening Ruimte en de waterverordening Zuid-Holland.


Nationaal beleid
Het Rijk, de provincies, de gemeenten en de Unie van Waterschappen hebben op 25 juni 2008 een geactualiseerde versie van het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW-Actueel) ondertekend. Hierin zijn afspraken vastgelegd voor een duurzame en klimaatbestendige waterhuishouding in Nederland. In de afgelopen vijf jaar is een groot deel van de gemaakte afspraken in het oorspronkelijke NBW inmiddels uitgevoerd. De NBW-partijen gaan nu gezamenlijk verder met de uitvoering van de nieuwe afspraken in het akkoord, onder meer over klimaatveranderingen, de stedelijke wateropgave en de ontwikkelingen in woningbouw en infrastructuur. Ook is er meer aandacht voor de implementatie van de Kaderrichtlijn Water. Het NBW heeft tot doel om in de periode tot 2015 de waterhuishouding in Nederland op orde te brengen en te houden en te anticiperen op klimaatverandering.

Nationaal Waterplan

Op 10 december 2015 hebben de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken het Nationaal Waterplan 2016-2021 vastgesteld. In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal:

  • Nederland blijft de veiligste delta in de wereld;
  • Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater;
  • Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht;
  • Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement;
  • Nederlanders leven waterbewust.

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte vastgesteld. De structuurvisie sluit aan op de uitgangspunten van het Nationaal Waterplan en vult deze op onderdelen aan. Uitgangspunten zijn het verbeteren van de waterkwaliteit, het voorkomen van wateroverlast, ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling.

 

Provinciaal beleid

Het provinciaal waterbeleid voor de periode 2016-2021 bestaat uit: de Visie Ruimte en Mobiliteit, Voortgangsnota Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) 2016 - 2021 en onderdelen van het Provinciaal Waterplan 2010 - 2015.

In de Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) zijn de ruimtelijke componenten opgenomen van het waterbeleid. Hoofdstuk 4 geeft de hoofdlijnen van het provinciaal waterbeleid:

  • de ambitie om een duurzaam, concurrerende en leefbare Europese topregio te zijn. De Provincie bevordert de transitie naar een water -en energie efficiënte samenleving. Daar spelen het verbeteren van toekomstwaarde, de gebruikswaarde en de belevingswaarde een belangrijke rol;
  • aan het watersysteem worden grote uitdaging gesteld door verzilting, klimaatverandering, inklinking, veranderd ruimtegebruik en de daarbij passende veranderingen van het watersysteem;
  • het beter benutten van de kansen en natuurlijke kwaliteiten van de bodem en de ondergrond is tevens een speerpunt van het provinciaal waterbeleid;
  • tenslotte door een verandering naar een duurzame voorziening in de energiebehoefte kan worden ingezet op een energie-efficiënte samenleving.

De doelen, maatregelen en afspraken voor de kwaliteit van het water van grond- en oppervlakte water zijn opgenomen het Stroomgebied beheerplan Rijn-West 201-2015 (SGB-1). Voor opvolgende periode 2016-2021 is het SGB-2 op 22 december 2014 gereedgekomen. De invulling van de verantwoordelijkheid in dit SGB-2 is vastgelegd in de KRW 2016-2021.

Het Waterplan Zuid-Holland 2015 was van kracht tot 22 december 2015. Op grond van artikel 48 Waterwet moet het plan om de zes jaar door de Provinciale Staten worden herzien. Het is niet noodzakelijk om een nieuw plan vast te stellen. Voldaan kan worden met het nemen van een planherzieningsbesluit. Dit besluit is genomen op 29 juni 2016 en bekend gemaakt op 8 juli 2016.

De onderdelen 'Waarborgen waterveiligheid (hoofdstuk 4)' en 'Realiseren mooi en schoon water (hoofdstuk 5)' en 'operationeel grondwaterbeleid (bijlage 7)' van het Waterplan 2015 blijven van kracht.

De Visie op Zuid-Holland bestaat uit de Visie Ruimte en Mobiliteit, de Verordening Ruimte en de Uitvoeringsagenda. Hierin beschrijft de provincie haar doelstellingen en provinciale belangen (Visie Ruimte en Mobiliteit), stelt zij regels aan ruimtelijke ontwikkelingen (Verordening) en geeft zij aan wat nodig is om dit te realiseren (Uitvoeringsagenda). In de Verordening Ruimte zijn bijvoorbeeld regels opgenomen met betrekking tot regionale keringen in bestemmingsplannen. Daarnaast is de Waterverordening Zuid-Holland van belang. Daarin zijn onder meer veiligheidsnormeringen voor regionale keringen en waterkwantiteitsnormen opgenomen. De waterkwantiteitsnormen geven aan, waar de regionale wateren met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit op ingericht moeten zijn. Deze normen definiëren de gemiddelde overstromingskans vanuit het oppervlaktewater per jaar van daarbij aan te wijzen gebieden. Het beschermingsniveau verschilt per vorm van landgebruik en is gerelateerd aan de economische waarde van landgebruik en de te verwachten schade bij overstromingen. De waterkwaliteitsnormen zijn gerelateerd aan het landgebruik en daarmee bepalend voor de mogelijkheden, die het bestemmingsplan biedt.

De provincie heeft samen met de gemeente Den Haag en Westland een Visie Vaartenland opgesteld, een visie op hoe de vaartenstructuur in Westland en Den Haag recreatief/toeristisch en economisch elkaar kan versterken. Het project Westlandse Waterlijnen heeft de provincie in samenwerking met heel veel stakeholders uit het gebied ten westen van het Rijn-Schiekanaal opgesteld (Westland, Den Haag, Delft, Midden-Delfland, Schiedam, Vlaardingen en Maassluis). Dit heeft een wensenlijst met een soort top 5 opgeleverd, met betrekking tot versterking van de vaarrecreatie en economische spin-off, waar burgers, verenigingen en ondernemers hun zinnen op hebben gezet. Verder is in de Visie Ruimte en Mobiliteit aangegeven dat de juridische borging en versterking van het vaarnetwerk overgedragen is aan de gemeenten die hierop hun lokale beleid en bestemmingsplannen moeten aanpassen.

 

Waterschapsbeleid
Het Hoogheemraadschap Delfland heeft haar waterbeleid vastgelegd in het Waterbeheersplan 2016-2021 'Strategie richting een toekomstbestendig en samenwerkingsgericht waterschap'. In dit Waterbeheerplan 5 (WBP 5) heeft het Hoogheemraadschap van Delfland (Delfland) zijn strategie voor de uitvoering van de kerntaken voor de komende jaren beschreven. Het is de leidraad voor het handelen van Delfland in de planperiode 2016-2021. Het WBP 5 is tevens een uitnodiging aan private, particuliere en publieke partijen om binnen de uitgezette koers met initiatieven te komen. Bij de uitvoering van het WBP 5 staan de kerntaken vanzelfsprekend voorop:

  • de waterveiligheid;
  • het waterbeheer;
  • de waterkwaliteit;
  • het zuiveren van afvalwater.


Delfland zal hierbij nadrukkelijk kijken naar een doelmatige uitvoering daarvan waarbij ambities, kosten en het tempo op een evenwichtig manier zijn afgewogen. Delfland voert zijn kerntaken uit ten behoeve van het behouden en verbeteren van de leefomgeving voor inwoners, medeoverheden, bedrijven en de natuurwaarden in het beheergebied. Het is een uitdaging om bij de uitvoering van die taken aan te sluiten bij de beleving en de behoeften van de maatschappij. Waterbewustzijn vormt de onmisbare schakel voor draagvlak. Delfland wil dat mensen zich in de komende planperiode bewust worden van het water om hen heen, van de gevolgen van klimaatverandering en van hun eigen gedrag. Het vergroten van waterbewustzijn is daarom verweven in alle programma's en handelingen van Delfland in de komende planperiode.


De werkzaamheden en projecten die de komende zes jaar geïnitieerd worden zijn terug te brengen tot de volgende vier speerpunten van het waterschap:

  • 1. In stand houden: Investeringen in de infrastructuur worden op een adequate manier in stand gehouden. De waterkeringen, het watersysteem, de ecologische structuren en het afvalwatersysteem worden met beheer verder geoptimaliseerd. Delfland werkt bij het bestendigen van het beheer van de infrastructuur toe naar de levenscyclusbenadering;
  • 2. Investeren: Veranderende wetgeving en veranderingen in de omgeving vragen om aanpassing en verdere verbetering van ons watersysteem, de waterkeringen en het afvalwatersysteem. Dit betekent de kans op natte voeten verkleinen door bij het zoeken naar oplossingen om water langer vast te houden, de waterkeringen op orde te houden met oog voor de multifunctionaliteit, de waterkwaliteit te verbeteren en toe te spitsen op de potenties van het gebied en de waterzuiveringen om te bouwen tot zoetwaterfabrieken. Bij elk project, proces en activiteit worden de innovatieve mogelijkheden en de meest duurzame wijze van uitvoering meegenomen in de afwegingen;
  • 3. Samenwerken: Het waterschap kan en doet het niet alleen, sterker nog, waterbeheer is ook een taak van andere overheden zoals gemeenten en van burgers en bedrijven. De samenwerking in het waterbeheer is pluriform van karakter. Het waterschap speelt hierop in door goed omgevingsmanagement en door op basis van transparantie en vertrouwen de samenwerking te zoeken en structureel te onderhouden. Delfland wil het waterbewustzijn bevorderen door samenwerking met belanghebbenden en delen van verantwoordelijkheden;
  • 4. Flexibel en duidelijk: Partners komen een flexibel waterschap tegen die rol en houding afstemt op basis van vraagstukken die voorliggen. Duidelijke kaders worden neergezet, zoals financieel gezond en bijdragen aan toekomstbestendig waterbeheer, maar dogma's zijn er niet. Dit betekent dat er in de werk- en beleidsprocessen van de ambtelijke organisatie en bij bestuurlijke besluitvorming binnen de wettelijke mogelijkheden voldoende ruimte moet zijn om maatwerk te leveren. Innovatie fungeert daarbij als aanjager om te blijven vernieuwen, mee te bewegen met veranderingen en te voorkomen dat het waterschap statisch wordt.

In 2007 (herzien in oktober 2018) is een Handreiking Watertoets, ruimte voor water in ruimtelijke plannen opgesteld. Het Hoogheemraadschap van Delfland stelt voorwaarden aan de inhoud van de watertoets (waterparagraaf) als verplicht onderdeel van de onderbouwing van ruimtelijke plannen. De watertoets berust op twee uitgangspunten:

  • Standstill-beginsel - negatieve effecten van ruimtelijke ontwikkelingen op het watersysteem worden voorkomen; Het is belangrijk om water al bij de locatiekeuze en het ontwerp van ruimtelijke ontwikkelingen als ordenend principe te gebruiken. Dat voorkomt het ontstaan van knelpunten achteraf, zoals (grond)wateroverlast of slechte waterkwaliteit;
  • Verbetering - in ruimtelijke ontwikkelingen worden de kansen die zich voordoen om bestaande knelpunten in het watersysteem te helpen oplossen, benut. Het gaat daarbij ook om de relatie tussen de verschillende waterthema's (droogte en wateroverlast, afvalwater, waterkwaliteit en ecologie, waterkeringen). Waterknelpunten en/of problemen met waterkeringen worden niet afgewenteld op de omgeving of verschoven naar de toekomst

De toelichting van bestemmingsplannen dient een beschrijving te bevatten van de volledige watersituatie binnen het plangebied, alsmede de te verwachten ontwikkelingen. Deze beschrijving dient in te gaan op de volgende aspecten:

  • Beleidskader omtrent water;
  • Veiligheid en waterkeringen;
  • Waterkwantiteit;
  • Grondwater en voorkomen van (zoet) water te kort;
  • Onderhoud en bagger;
  • Watersysteemkwaliteit en ecologie;
  • Afvalwater en riolering;
  • Klimaatadaptie.

Gemeentelijk beleid

Het Waterplan Westland , met als ondertitel 'Westlands water, nu en later' is een product van de gemeente Westland en het Hoogheemraadschap van Delfland. Hierin wordt onder andere de waterhuishoudkundige visie en ambities tot 2027 en de daarbij horende uitvoeringsplan 2015 tot 2018 beschreven. De thema's: ”Toekomstig ruimtelijk beleid, Duurzaamheid, Schoon water, waterkeringen, Droge voeten, Afvalwaterketen Beheer en onderhoud, Zoetwatervoorzieningen en grondwater, Recreatie“, worden hierin uitgewerkt. De ruimtelijke vertaling van de hieruit voortkomende maatregelen is per polder in kaart gebracht. De gewenste waterstructuur wordt door de gemeente vertaald in bestemmingsplannen en structuurvisies. In het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan Westland 2011-2015 heeft de gemeente haar visie op het stedelijk waterbeheer vastgelegd. Met het eerste Verbreed GRP Westland 2011-2015 wordt niet alleen uitvoering gegeven aan de wettelijke eisen, maar wordt ook de onderlinge samenhang tussen de drie zorgplichten en reeds in gang gezette ontwikkelingen zoals het project Riolering Glastuinbouw Westland (RGW) weergegeven. Het Verbreed GRP is een logisch vervolg op de wijzigingen in wetgeving/beleid en een noodzakelijke verdere optimalisatie van het beleid dat de afgelopen 5 jaar is gevolgd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.MONREMBRANDTSTR5pb-VA01_0015.jpg"

3.5.2 Onderzoek

Veiligheid en waterkeringen

Ruimtelijke plannen kunnen van invloed zijn op het (veilig) functioneren en het beheer en onderhoud van waterkeringen. Om die reden is het van belang, dat initiatiefnemers van ruimtelijke plannen rekening houden met de effecten van die plannen op de aanwezige waterkeringen.

In de legger van het Hoogheemraadschap van Delfland zijn de ligging en de minimale afmetingen van de waterkeringen vastgelegd. Rondom de keringen is een keurzone vastgesteld. Deze bestaat uit het waterstaatswerk (de daadwerkelijke kering) en een beschermingszone. Binnen het waterstaatswerk en de beschermingszone zijn op basis van de Keur Delfland beperkingen gesteld aan activiteiten die het waterkerend vermogen van de kering nu en in de toekomst kunnen aantasten.

Het kavel/perceel grenst niet aan een watergang. Het plangebied grenst ook niet aan een waterkering. De dichtstbijzijnde beschermingszone is de Zeewering bij de kust.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.MONREMBRANDTSTR5pb-VA01_0016.png"

Waterkering ten noordwesten van het plangebied (Bron: Leggerkaart Delfland)

Waterkwantiteit

Delfland streeft naar een duurzame, robuuste waterstructuur met voldoende mogelijkheden voor waterberging. Dit streven heeft uiteindelijk tot doel wateroverlast voor de nieuwe en de al aanwezige functies in het gebied te voorkomen. Bij het voorkomen van wateroverlast en het verwerken van hemelwater hebben perceeleigenaar, gemeente en Delfland elk een verantwoordelijkheid. De perceeleigenaar moet het hemelwater zoveel mogelijk zelf verwerken en vasthouden bij de plaats waar het valt, bijvoorbeeld een (slimme)regenton. De gemeente draag zorg voor de inzameling en verwerking van het afstromend hemelwater. Dit betekent, dat de gemeente in eerste instantie en initiatiefnemers/perceel eigenaren inspanning moet doen om dit hemelwater vast te houden of terug te brengen in de bodem. Vervolgens kan het (al dan niet na zuivering) worden afgevoerd naar het oppervlaktewater. Delfland is vervolgens verantwoordelijk voor de ontvangst van hemelwater in het oppervlaktewater.

Het plangebied is gelegen in het boezemgebied. Het gemiddelde maaiveld van het plangebied ligt op ca. 1,45m NAP (zie fig. 3.4). Het maatgevende peil bedraagt NAP –0,43 m. In onderstaande tabellen staan de huidige en toekomstige oppervlakten weergegeven, voor meer details zie Bijlage 5.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.MONREMBRANDTSTR5pb-VA01_0017.png"In bijlage 3 staat de analyse op basis van de Watersleutel van Delfland weergegeven. De verharding neemt met minimaal 440 m2 af, dit wordt nog meer doordat er nog groen gaat komen op het schoolplein. Het is nog niet uitgewerkt waar het groen gaat komen op het schoolplein en is nog niet meegenomen in de watersleutel. Daarnaast komt er een sedumdak van 268 m2. Een sedumdak heeft een water bufferende werking waardoor water wordt vastgehouden en vertraagd wordt afgevoerd en deels wordt verdampt. Op basis van de watersleutel is er geen watercompensatie nodig.

Voorkomen van wateroverlast

Volgens de provinciale verordening is het beschermingsniveau tegen wateroverlast voor wonen eens in de 100 jaar, voor bedrijfsterreinen eens in de 50 jaar en voor agrarisch, eens in de 10 jaar. Bij kleinschalige bestemmingswijzigingen wordt het watersysteem echter niet aangepast. Daarom wordt nadrukkelijk geadviseerd om, zover mogelijk, de praktijksituatie hierop aan te passen. Dit kan bijvoorbeeld door het maaiveld ter plekke van de woning voldoende op te hogen. Meer informatie hierover is te vinden in de Handreiking watertoets voor gemeenten, de meest actuele versie van deze handreiking is te vinden op de website www.hhdelfland.nl/overheid/ruimtelijke-plannen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.MONREMBRANDTSTR5pb-VA01_0018.jpg"

Watersysteemkwaliteit en ecologie

In het kader van de herstructurering wordt er gestreefd naar het zoveel mogelijk benutten van kansen en voor het verbeteren van de watersysteemkwaliteit en de ecologie. Ten aanzien van de KRW maatregelen moet er rekening worden gehouden met de afspraken uit de Bestuursovereenkomst KRW Delfland en de afspraken die op dit moment gemaakt worden voor het Stroomgebiedbeheersplan 2015-2021. Het boezemsysteem van Delfland maakt onderdeel uit van de KRW waterlichamen. Delfland en gemeenten zijn in de KRW Delfland overeengekomen om de toestand van de waterlichamen te verbeteren. Onderdeel van deze overeenkomst is dat daar waar langs waterlichamen ruimtelijke mogelijkheden zijn om invulling te geven aan de KRW-opgave, deze worden benut, en dat bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt onderzocht of een deel van de ruimtelijke KRW-opgave hieraan kan worden gekoppeld. In het Waterplan Westland is aangegeven dat als er ruimte is, er een natuurvriendelijke oever moet worden aangelegd. En als er geen ruimte is maar wel dynamiek, kansen worden benut. Daarnaast mogen ruimtelijke ontwikkelingen niet leiden tot een verslechtering van de ecologische en chemische toestand van deze waterlichamen.

 

Het afstromend hemelwater vanaf het plangebied (daken, etc.) kan doordat het niet langs vervuilde oppervlakten stroomt een gering positief effect op de waterkwaliteit hebben. Door de gedeeltelijke infiltratie van hemelwater in de bodem kan door de bodempassage eveneens een kwaliteitsverbetering plaatsvinden van het grondwater. Er mag bij de opvang en afvoer van hemelwater geen gebruik worden gemaakt van uitlogende of andere materialen die een negatief effect op de waterkwaliteit kunnen hebben.

Onderhoud en bagger

Delfland is verantwoordelijk voor het onderhoud van het primaire watersysteem en de waterkeringen. Voor secundair boezemwater en polderwateren zijn veelal andere partijen (gemeente, grondeigenaar) onderhoudsplichtig. Onderhoudsplichtigen zijn in de Legger Delfland vastgesteld. Onderhoud aan water en waterkering betekent dat deze toegankelijk moeten zijn voor onderhoud. Ook houdt Delfland ruimte die eventueel nodig is voor dijk- of kadeverzwaring, vrij van andere, conflicterende functies. Het beheer en onderhoud van het watersysteem binnen het plangebied is vastgelegd in de Keur Delfland en Legger Delfland.
Voor onderhoud van watergangen is het van belang rekening te houden met de benodigde onderhoudsstroken.Onderhoudsstroken zijn noodzakelijk voor onderhoudsmateriaal en werkruimte, en er kan bagger op de onderhoudsstroken worden gezet.

Er gelden de volgende criteria:

  • als er sprake is van 'varend' onderhoud van watergangen, natuurvriendelijke oevers en waterkeringen zijn de dimensionering van het doorstromingsprofiel en van de kunstwerken aan specifieke ontwerpeisen gebonden, bijvoorbeeld een vaardiepte en doorvaarthoogte van 1,0 m en een minimale doorvaarbreedte van 3,1 m bij bruggen. Dit is zeker het geval bij een breedte van meer dan 10 m (gemeten op de waterlijn).
  • voor onderhoudsdoeleinden langs primaire watergangen is aan weerszijde een onderhoudsstrook (4 m) vrij van bebouwing en obstakels. Is de primaire watergang 5 m of smaller, dan kan in veel gevallen volstaan met een strook van 5 m aan één zijde en 1 m aan de andere zijde.
  • voor natuurvriendelijke oevers langs watergangen, bijvoorbeeld in verband met de Kaderrichtlijn Water, is ruimte nodig om onderhoud te plegen. Hierbij geldt hetzelfde als voor primaire watergangen.

Wanneer onderhoudsstroken niet of moeilijk realiseerbaar of te behouden zijn, overleg dan met Delfland over alternatieven of maatregelen. Het plangebied grenst niet aan oppervlaktewater en daarmee is dit onderdeel niet van toepassing.

Bodem en grondwater

Bij nieuwe ontwikkelingen/initiatieven is het van belang om rekening te houden met een voldoende drooglegging om grondwateroverlast te voorkomen. Het bouwpeil moet daarom hoog genoeg boven het waterpeil liggen. Een voldoende hoog bouwpeil helpt niet alleen tegen grondwateroverlast, maar ook tegen wateroverlast algemeen. Delfland adviseert om rekening te houden met een drooglegging van 1,2 m, maar met een minimum van 1,0 m.


Daarnaast kan het zijn, dat de ontwikkeling juist effecten op het grondwater of het watertekort heeft. Hier moet bijvoorbeeld gedacht worden aan ondergrondse constructies die ervoor zorgen dat bijvoorbeeld de grondwaterstroming wordt afgekapt. Er komt een parkeerkelder onder het appartementencomplex, zie onderstaande afbeelding.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.MONREMBRANDTSTR5pb-VA01_0019.png"

Het mogelijk effect van de kelder op de grondwaterstroming/opstuwing is onderzocht door B&L
Grondmanagement, zie bijlage 6. Om opstuwing te voorkomen wordt geadviseerd om de te verwachten slechter doorlatende bodemlaag (vermoedelijk een veenlaag) te verwijderen bij het graven van de kelder (ca. 0,5 meter dieper ontgraven dan onderkant keldervloer). Onder de vloer en rondom de kelder kan met matig grof zand worden aangevuld (wat vrijkomt uit de bovenste meter van de te ontgraven bodem). Hiermee wordt kleiig/siltig zand en vermoedelijke veenlaag vervangen door goed waterdoorlatend zand en wordt de horizontale grondwaterobstructie door de kelder meer dan tenietgedaan (B&L Grondmanagement).

De maaiveld hoogte bedraagt momenteel ca. 1,45 m NAP volgens hoogtekaart.nl. De gemiddelde drooglegging is ca. 1,88 meter (zie de watersleutel in bijlage), dit voldoet aan het advies van Delfland van minimaal 1,0 meter drooglegging en de geadviseerde drooglegging van 1,2 meter.

Afvalwater en riolering

De nieuw te bouwen woningen zullen worden aangesloten op het gemeentelijke rioleringsstelsel ter plaatse. Afvalwater wordt afgevoerd naar de dichtsbijzijnde afvalwaterzuivering. Voor zover bekend zijn er geen problemen bekend omtrent de capaciteit van riolering of zuivering.

Voor de afvoer van het hemelwater zijn creatieve en efficiënte maatregelen mogelijk, zoals het ophogen van gronden, een hoger bouwpeil van woningen, open verharding ter plekke van parkeerplaatsen of water vasthouden op particulier terrein, bijvoorbeeld door middel van de aanleg van wadi's, (slimme)regenton, groene daken, het afkoppelen van hemelwaterafvoer, en dergelijke.

De parkeerplaats wordt aangelegd met grastegels waardoor hemelwater kan infiltreren in de bodem. Op het dak van het appartementencomplex komt een sedumdak. Hier wordt water opgevangen en (deels)verdampt door de begroeiing.

3.5.3 Conclusie

Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan. de huidige situatie is het plangebied volledig verhard, in de beoogde situatie komt er onverhard oppervlak/groen van minimaal 440 m2. Op een deel van het te bouwenappartementencomplex komt een sedumdak. Een sedumdak heeft positiefeffect op de hemelwaterberging/afvoer van het plangebied. Doordat het verhard oppervlak afneemt is er geen waterberging nodig. Om mogelijke stuwing, door de aan te brengen kelder, te voorkomen wordt geadviseerd om de te verwachten slechter doorlatende bodemlaag (vermoedelijk een veenlaag)te verwijderen bij het graven van de kelder.

3.6 Bodem

3.6.1 Wettelijk kader

Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft.

Wet bodembescherming  

De Wet bodembescherming (Wbb) regelt zaken rond bodembescherming en bodemsanering. Vertrekpunt van de Wbb is dat in het merendeel van de gevallen van bodemverontreiniging, de daadwerkelijke bodemsanering wordt meegenomen in de ontwikkeling dan wel herontwikkeling van plangebied of projectlocatie. De wettelijke doelstelling is functiegericht saneren. De wet houdt rekening met het gebruik van de bodem en de (im)mobiliteit van de verontreiniging. De volgende uitgangspunten overheersen:

  • a. het geschikt maken van de bodem voor het voorgenomen gebruik;
  • b. het beperken van blootstelling aan en de verspreiding van de verontreiniging;
  • c. het wegnemen van actuele risico's.

Saneringsverplichtingen zijn gekoppeld aan ontoelaatbare risico's die samenhangen met het huidige en toekomstige gebruik van de bodem. Het is niet nodig de hele locatie aan te pakken. Er kan ook sprake zijn van deelsaneringen of een gefaseerde aanpak.

3.6.2 Onderzoek

Op 11 januari 2022 is door BMA Milieu B.V. een bodemonderzoek uitgevoerd, zie Bijlage 8. Uit dit onderzoek is het volgende naar voren gekomen.

Ondergrondse olietank
Gezien de resultaten van het onderzoek wordt geconcludeerd dat de opgestelde hypothese ‘verdacht’
niet juist is. Ter plaatse zijn in de grond en in het grondwater geen overschrijdingen van de achtergrond- en streefwaarde vastgesteld. Er behoeft geen nader onderzoek te worden aanbevolen.


Onderzoekslocatie
Gezien de resultaten van het onderzoek wordt geconcludeerd dat de opgestelde hypothese ‘onverdacht’ juist is. Ter plaatse zijn in de grond en in het grondwater geen overschrijdingen van de achtergrond- en streefwaarde vastgesteld. Er behoeft geen nader onderzoek te worden aanbevolen.


Algemeen

De mogelijk bij bouwactiviteiten vrijkomende of aan te voeren grond is voor hergebruik onderhevig aan wettelijke bepalingen (Besluit Bodemkwaliteit). De gemeente waar de grond wordt toegepast is in dergelijke gevallen het bevoegd gezag.

3.6.3 Conclusie

Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.

3.7 Ecologie

3.7.1 Wettelijk kader

Natuurnetwerk Nederland

Op basis van het nieuwe rijksbeleid zoals opgenomen in het Natuurnetwerk Nederland (NNN), heeft de provincie Zuid-Holland in december 2013 de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) herijkt. De EHS is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones.


Bij de herijkte EHS is de prioriteit komen te liggen bij het bereiken van de doelen van de Natura-2000-gebieden en de Europese Kaderrichtlijn Water. Voor wat betreft het beleidsveld Natuur richt de provincie zich niet alleen op de kwantitatieve prestaties (output: hoeveel hectare verworven en ingericht, hoeveel beheerplannen Natura 2000 vastgesteld) maar vooral ook op de effecten (outcome: de natuurkwaliteit, hoe ontwikkelt de Zuid-Hollandse biodiversiteit zich). Het voorgaande is breder dan de reikwijdte van het NNN omdat er door de provincie van uitgegaan wordt dat de bijdrage aan de biodiversiteit ook buiten de begrenzing van het NNN plaatsvindt, bijvoorbeeld het leveren van een bijdrage aan de biodiversiteit door recreatiegebieden en het agrarisch gebied.


Wet natuurbescherming
Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking. De Wnb is het nieuwe wettelijke stelsel voor natuurbescherming en vervangt drie tot dan bestaande wetten, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Het beschermingsregime gaat uit van het "nee, tenzij-principe". Dit betekent dat de genoemde verbodsbepalingen in de Wnb voor bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden altijd gelden. Het afwijken hiervan is alleen onder voorwaarden toegestaan. Gedeputeerde Staten (GS) van de provincie Zuid-Holland is het bevoegd gezag voor het verlenen van toestemming door middel van een vergunning, ontheffing of vrijstelling.


In de Wnb zijn bepalingen opgenomen voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten. Het gaat onder meer om soorten die in Nederland, maar ook in Europa in hun voortbestaan bedreigd worden. De Wnb kent drie beschermingsregimes:

  • Vogels: het gaat hier om alle inheemse vogels in hun natuurlijk verspreidingsgebied. Ze zijn
    beschermd via de vogelrichtlijn;
  • Dieren en planten: het gaat hier om alle inheemse dieren en planten. Ze zijn beschermd via de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn;
  • Nationale soorten: het gaat hier om de soorten, die niet onder de reikwijdte van de Vogel- of Habitatrichtlijn vallen. Deze soorten zijn wel nationaal beschermd.


Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing, vergunning of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. De bepalingen zijn samengevat in onderstaande tabel. De bepalingen voorzien in een bescherming van verblijfplaatsen, evenals de bescherming tegen verstorende invloeden. Gedeputeerde Staten van provincie Zuid-Holland kan een ontheffing verlenen van de verboden als genoemd in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10. van de Wnb.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.MONREMBRANDTSTR5pb-VA01_0020.png"

Vrijstellingen
In de Wnb is een aantal algemene soorten amfibieën en zoogdieren beschermd onder de categorie "Nationale soorten", zoals gewone pad, bruine kikker en konijn. Provincie Zuid-Holland heeft bevoegdheid om bij verordening deze soorten "vrij te stellen" van de ontheffing/vergunningsplicht (Provincie Zuid-Holland, 2016). Dit betekent dat geen ontheffing nodig is voor werken gericht op ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en beheer en onderhoud. Vrijgestelde soorten zijn niet meegenomen in deze toetsing.

Zorgplicht
De zorgplicht (artikel 1.11. Wnb) houdt in dat handelingen, die nadelige gevolgen kunnen hebben voor in het wild levende dieren en planten:

  • 1. Achterwege gelaten worden, of
  • 2. Noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of
  • 3. Deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt


Het betreft alle in het wild levende dieren en planten. De zorgplicht dient onder meer als vangnet voor de bescherming van soorten waarvoor op grond van de Wnb geen specifiek verbod geldt. De zorgplicht is daarnaast van toepassing op beschermde gebieden.

3.7.2 Onderzoek

Soortenbescherming

Door van der Goes en Groot is op 9 februari 2022 een ecologisch onderzoek uitgevoerd, zie Bijlage 6. Hieruit is naar voren gekomen dat tijdens de inventarisatie de Gierzwaluw en drie soorten vleermuizen zijn waargenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.MONREMBRANDTSTR5pb-VA01_0021.png"

In het plangebied komen geen jaarrond beschermde verblijfplaatsen van vogels voor. In het plangebied kunnen wél broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een ontheffing is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen duurt ruwweg van half maart tot half juli.

In het plangebied zijn alleen langsvliegende, in vlucht baltsende en foeragerende vleermuizen waargenomen. Verblijfplaatsen van vleermuizen konden niet worden vastgesteld in het plangebied. De in vlucht baltsende vleermuis vertoonde geen gebouw gebonden activiteit en konden niet aan aanwezige bebouwing worden gekoppeld.


Het foerageergebied voor vleermuizen binnen het plangebied maakt slechts een klein deel uit van een veel groter foerageergebied en is geen ‘essentieel’ deel van het leefgebied. De vleermuizen kunnen derhalve uitwijken.


Vanwege het ontbreken van verblijfplaatsen van vleermuizen en/of andere beschermde gebruiksfuncties die in betekenende mate worden aangetast, is het niet nodig ontheffing aan te vragen in het kader van Wnb.


Voor overige aanwezige soorten geldt onverminderd de zorgplicht. Als daarnaast gewerkt wordt conform de gestelde beperkingen en restricties in de eerder uitgevoerde ecologische quickscan (KOLCK VAN, 2019), worden bij uitvoer van de plannen geen belangrijke negatieve effecten verwacht voor beschermde soorten.

Stikstof
Door Aqua-Terra Nova is een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd, zie Bijlage 7. Uit dit onderzoek blijkt dat de planontwikkeling een resultaat heeft van 0,00 mol/ha/jaar aan stikstof. Er is geen stikstofdepositie aanwezig in het dichtbij zijnde Natura-2000 gebied. Zodoende is er geen nadere toetsing aan Wet natuurbescherming nodig

3.7.3 Conclusie

Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.

3.8 Cultuurhistorische aspecten

3.8.1 Wettelijk kader

In 1992 ondertekende Nederland mede het zogenaamde Verdrag van Valletta (Malta). Dit verdrag heeft als doel de bescherming van het archeologisch erfgoed van Europa te bevorderen. In Nederland heeft dit geleid tot een herziening van de Monumentenwet 1988 alsmede een aanvulling op of wijziging van bepaalde artikelen in enkele andere wetten. Sinds 2016 is deze wet vervangen door de Erfgoedwet. Door middel van het overgangsrecht blijven enkele bepalingen uit de Monumentenwet 1988 van kracht tot de invoering van de Omgevingswet.  

De belangrijkste artikelen uit het Verdrag van Malta die in de Nederlandse wetgeving zijn overgenomen zijn dat het archeologisch erfgoed zoveel mogelijk ter plekke (in situ) dient te worden behouden (artikel 4), dat het archeologisch erfgoed deel uitmaakt van de belangenafweging in het kader van ruimtelijke ordening (artikel 5) en het 'veroorzakersprincipe' (artikel 6). Het veroorzakersprincipe betekent dat de verstoorder verantwoordelijk is voor het vroegtijdig (laten) uitvoeren van noodzakelijk archeologisch (voor)onderzoek en de financiering daarvan.

Op basis van de huidige wetgeving zijn de gemeentes in Nederland verantwoordelijk voor het behoud van het archeologisch bodemarchief. Conform de Erfgoedwet beschermt de gemeente Westland het archeologisch erfgoed middels het bestemmingsplan. Omdat ruimtelijke ingrepen gevolgen kunnen hebben voor dit bodemarchief, moeten gemeentes bij de besluitvorming archeologie als volwaardige factor meenemen in de belangenafweging. Om dit op een verantwoorde en transparante wijze te kunnen doen is gemeentelijk archeologiebeleid wenselijk. De gemeente Westland beschikt sinds 2012 over een vastgestelde archeologische beleidskaart, die wordt gebruikt als basis voor het bestemmingsplan.

Bekende en verwachte archeologisch waardevolle gebieden krijgen in het bestemmingsplan een archeologische (mede)bestemming met daarbij horende vrijstellingsgrenzen. Binnen deze zones dienen bodemverstorende ingrepen zoveel mogelijk te worden beperkt. Bodemverstorende werkzaamheden die de aan de bestemmingszones gekoppelde vrijstellingsgrenzen overschrijden, worden gebonden aan het vergunningenstelsel. Zodoende kan het belang van het archeologisch erfgoed worden meegewogen bij het al dan niet verlenen van een omgevingsvergunning. Dit kan ertoe leiden dat er eisen worden gesteld aan de uitvoering van de werkzaamheden, of dat de voorgenomen ingreep alleen na archeologisch onderzoek wordt toegestaan. Bodemverstorende werkzaamheden die deze grenzen niet overschrijden worden op voorhand vrijgesteld van de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek.

3.8.2 Onderzoek

Door ArGEOBoor is op 4 augustus 2023 een onderzoek opgesteld, zie Bijlage 9. Op basis van de resultaten uit het bureauonderzoek luidt het advies om de vrijstellingsgrenzen zoals in het bestemmingsplan zijn opgenomen, te handhaven. Bij toekomstige ontwikkelingen die deze grenzen overschrijden, wordt geadviseerd om in aanvulling op onderhavig bureauonderzoek een inventariserend veldonderzoek door middel van grondboringen plaats te laten vinden. Hiermee kan de bodemopbouw nauwkeuriger in kaart worden gebracht, kunnen potentiële archeologische niveaus worden opgespoord en kan de aanwezigheid en diepte van eventuele recente bodemverstoringen worden bepaald.

3.8.3 Conclusie

Het aspect cultuurhistorische aspecten vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan. De dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie - 2' en Waarde - Archeologie - 3' worden opgenomen.

Hoofdstuk 4 Juridische planbeschrijving

4.1 Planvorm

4.1.1 Wettelijk voorgeschreven standaardisering

De planregels en de planverbeelding van dit bestemmingsplan zijn overeenkomstig de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen als gepubliceerd door het ministerie van VROM (SVBP 2008) en als wettelijk voorgeschreven in de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2008 (Staatscourant 2008, nr. 377, van 30 oktober 2008).

Daarnaast zijn in de planregels de standaardregels opgenomen als geboden in artikelen 3.2.1 en 3.2.2 van het Besluit ruimtelijke ordening. In een apart artikel zijn de bijzondere gebruiksverboden opgenomen voor alle bestemmingen, welke verboden aansluiten op het wettelijk verbod als neergelegd in artikel 7.10 van de Wet ruimtelijke ordening.

Voor uitleg van die planregels wordt verwezen naar de toelichting op het Besluit ruimtelijke ordening en de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2008, in samenhang met de jurisprudentie over die uitleg.

Voorts is de "Werkafspraak terminologie Wabo in Standaard voor Vergelijkbare bestemmingsplannen" van september 2010 verwerkt. Die werkafspraak in het kader van de ministeriële regeling is gemaakt met het oog op de invoering van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) op 1 oktober 2010.

4.1.2 Aanvulling en geoorloofde afwijking van de SVBP 2012

De planregels en planverbeelding van dit bestemmingsplan zijn toegesneden op de specifieke behoefte aan planregulering voor het gegeven plangebied. In de hierna volgende paragrafen is de aan het bestemmingsplan eigen plansystematiek toegelicht voor zover die een aanvulling of een geoorloofde afwijking vormt van de SVBP 2012.

4.1.3 Systematiek van de planregels

Opbouw planregels

De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen:

 

Inleidende regels

Begrippen ( Begrippen )

Dit artikel definieert de begrippen die in het bestemmingsplan worden gebruikt. Dit wordt gedaan om interpretatieverschillen te voorkomen.

 

Wijze van meten (Wijze van meten)

Dit artikel geeft aan hoe de lengte, breedte, hoogte, diepte en oppervlakte en dergelijke van gronden en bouwwerken wordt gemeten of berekend. Alle begrippen waarin maten en waarden voorkomen worden in dit artikel verklaard.

 

Bestemmingsregels

De bestemmingsregels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen:

  • doeleindenomschrijving (gebruiksregels); 
  • bouwregels; 
  • nadere eisen; 
  • afwijkingsregels.

 

Gebruiksregels

De doeleindenbeschrijving van de bestemming of de dubbelbestemming, waarvan opname in de planregels is geboden in artikel 3.1.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, is in de planregels voor elke bestemming in eerste instantie vervat in het onderdeel "Bestemmingsomschrijving". Van het onderdeel "Specifieke gebruiksregels" wordt in de planregels vooral gebruik gemaakt om regels te geven voor de onder de bestemming of dubbelbestemming vallende functieaanduidingen en bouwaanduidingen en andere aanduidingen.

 

Afwijkingsregels

In het onderdeel "Afwijken van de gebruiksregels" wordt alleen die afwijkingsbevoegdheid opgenomen die uitsluitend ziet op het gebruik. Zodra sprake is van het afwijken van de bouwregels - ook al vormt dat bouwen een (klein) onderdeel van het gebruik in ruime zin - wordt de bevoegdheid daartoe geplaatst in het onderdeel "Afwijken van de bouwregels".

 

Aanleggen of slopen

De aanlegregels of sloopregels zijn uitvoerig met het oog op een zorgvuldige verlening van de omgevingsvergunning daartoe, voor zover regels daarvoor niet reeds zijn voorzien in de Wet ruimtelijke ordening of het Besluit ruimtelijke ordening. De aanlegregels of sloopregels kennen de volgende onderverdeling:

  • het aanlegverbod of sloopverbod zelf;
  • de voorwaarden waaronder een omgevingsvergunning mag worden verleend en het inwinnen van deskundigenadvies;
  • de specifieke aanlegverboden of sloopverboden met de daarop gegeven uitzonderingen.

 

Algemene gebruiksregels

In het artikel "Algemene gebruiksregels" zijn naast een verwijzing naar het algemene gebruiksverbod van artikel 7.2 van de Wet ruimtelijke ordening, specifieke gebruiksverboden ter invulling van het algemene gebruiksverbod opgenomen. Daarin is onderscheid gemaakt tussen het verbod op het gebruik van gronden en het verbod op het gebruik van bouwwerken.

 

Overgangs- en slotregels

In het artikel "Slotregel" zijn de volgende onderdelen opgenomen:

  • het onderdeel "Vervangen bestemmingsplannen" waarin een overzicht van de bestemmingsplannen en andere planregimes is opgenomen die met dit bestemmingsplan zijn vervangen;
  • en het onderdeel "Citeertitel".

4.1.4 Systematiek van de planverbeelding

Wettelijke vereisten

De Wro bepaalt dat ruimtelijke plannen digitaal en analoog beschikbaar moeten zijn. Hierbij vormt de inhoud van de digitale versie de beslissende versie. De digitalisering brengt met zich mee dat bestemmingsplannen digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze gepresenteerd moeten worden. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan digitale en analoge plannen moeten voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.

De planverbeelding is digitaal vorm gegeven overeenkomstig de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2008. De digitale planverbeelding en de andere onderdelen van de dataset hebben het volgende planidentificatie-nummer gekregen:

NL.IMRO.1783.MONREMBRANDTSTR5pb-VA01

De dataset bestaat uit:

  • het GML-bestand van de planverbeelding;
  • het XML-geleideformulier;
  • de onderliggende bestanden zoals ondergrond en overige topografische informatie;
  • de PDF- en HTML-bestanden voor respectievelijk de verbeelding van plantoelichting en planregels.

 

Leeswijzer verbeelding

Wegwijzer via internet

Met de digitalisering van ruimtelijke plannen is het lezen en interpreteren van de verbeelding (voorheen plankaart) een nieuwe aangelegenheid. Via de website www.ruimtelijkeplannen.nl kunnen bestemmingsplannen (ook in voorbereiding zijnde plannen voor zover deze ter inzage zijn gelegd) worden ingezien. Via het tabblad 'bestemmingsplannen' kan worden doorgeklikt naar de provincie, de woonplaats of nog specifieker de straatnaam. De gebieden die zwart omlijnd op de kaart staan aangeduid, zijn de gebieden waarvoor een bestemmingsplan digitaal raadpleegbaar is.

Zodra het gewenste bestemmingsplan is gevonden en deze voldoende is ingezoomd, wordt de betreffende bestemmingslegging zichtbaar. Om een beter beeld van de omgeving te krijgen, kan voor verschillende ondergronden worden gekozen (luchtfoto, topografie). Zodra linksonder 'legenda' wordt aangeklikt, wordt inzichtelijk wat de verschillende kleuren betekenen. Door vervolgens op een locatie binnen het plangebied te klikken wordt aan de rechterzijde van de kaart de bijbehorende informatie getoond. Indien meer informatie is gewenst, kan worden doorgeklikt naar de toelichting en/of de regels van het plan.

 

Analoge verbeelding

Alhoewel de digitale verbeelding het uitgangspunt vormt, blijft het mogelijk het bestemmingsplan analoog in te zien. Het lezen van de analoge verbeelding is verschillend van de digitale verbeelding. Op de analoge verbeelding zijn alle functies zodanig bestemd, dat het mogelijk is om met behulp van het renvooi direct te zien welke bestemmingen aan de gronden binnen het plangebied zijn gegeven en welke regels daarbij horen. Uitgangspunt daarbij is dat de verbeelding zoveel mogelijk informatie geeft over de in acht te nemen maten en volumes.  

 

Bestemmingsvlak en bouwvlak

Vrijwel elke bestemming bestaat doorgaans uit twee vlakken: een bestemmingsvlak en een bouwvlak. Het bestemmingsvlak geeft aan waar een bepaald gebruik toegestaan is. Het bouwvlak is een gebied waarvoor de mogelijkheden om gebouwen te bouwen in de regels zijn aangegeven. Bouwvlakken worden doorgaans voorzien van aanduidingen die betrekking hebben op de maatvoering. Soms komt het voor dat het bestemmingsvlak en het bouwvlak met elkaar samenvallen. Op de plankaart is dan uitsluitend een bouwvlak te zien (het bestemmingsvlak ligt hieronder).

 

Aanduidingen

Op de digitale plankaart is een onderscheid gemaakt in verschillende aanduidingen. Een aantal functieaanduidingen is gebruikt om de gebruiksmogelijkheden binnen een bestemming of een gedeelte daarvan nader te specificeren. Het kan hierbij gaan om een nadere specificatie van de gebruiksmogelijkheden, een expliciete verruiming daarvan of juist een beperking. Voorbeelden van functieaanduidingen zijn 'bedrijfswoning', 'detailhandel' en 'kantoor'.

Alle aanduidingen met betrekking tot de wijze van bouwen en de verschijningsvorm van bouwwerken, worden bouwaanduidingen genoemd. Voorbeelden van bouwaanduidingen zijn 'gestapeld' en 'onderdoorgang'.

Alle aanduidingen die betrekking hebben op afmetingen, percentages en oppervlakten, zowel ten aanzien van het bouwen als ten aanzien van het gebruik, zijn maatvoeringaanduidingen.

4.2 Bestemmingsregeling

De bestaande functies in het plangebied die overeenkomstig het voorheen geldende bestemmingsplan in dit plan zijn bestemd, zijn de volgende (in alfabetische volgorde van bestemming).

4.2.1 Bestemming "Tuin"

Op de gronden waarop uitsluitend tuin bij het wonen wordt gesitueerd, is de bestemming 'Tuin' neergelegd.

4.2.2 Bestemming "Verkeer - Verblijfsgebied"

De voor 'Verkeer - Verblijfsgebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor verblijf, verplaatsing, gebruik ten dienste van de aangrenzende bestemmingen en bij deze bestemming behorende voorzieningen zoals voet- en fietspaden, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen en water.

4.2.3 Bestemming "Wonen"

Op de gronden met de bestemming 'Wonen' zijn woningen toegestaan. Een woning mag slechs door één huishouden worden bewoond. De maximale goot- en bouwhoogte van de woningen is middels een aanduiding op de verbeelding weergegeven. Ter plaatse van de aanduiding 'zorgwoning' zijn uitsluitend zorgwoningen toegestaan. Ter plaatse van de aanduiding 'zonder bebouwing' mag geen bebouwing gerealiseerd worden.

4.2.4 Dubbelbestemming "Waarde - Archeologie - 2"

Een deel van de gronden heeft de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 2'. De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van archeologische waarden.

4.2.5 Dubbelbestemming "Waarde - Archeologie - 3"

Een deel van de gronden heeft de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 3'. De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van archeologische waarden.

4.2.6 Dubbelbestemming "Waarde - Karakteristiek"

De voor 'Waarde - Karakteristiek' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van karakteristieke bebouwing.

4.2.7 Bouwaanduiding "Karakteristiek"

Karakteristiek waardevolle bebouwing is op de planverbeelding aangegeven met de bouwaanduiding 'karaktersitiek'.

Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid

5.1 Economische uitvoerbaarheid

Op grond van artikel 6.12 Wro is de gemeente verplicht bij vaststelling van een bestemmingsplan of projectbesluit waarin bouwplannen zijn opgenomen als aangewezen in artikel 6.12 Wro juncto artikel 6.2.1. Bro, een exploitatieplan vast te stellen. Geen exploitatieplan hoeft te worden vastgesteld als het verhalen van kosten anderszins is verzekerd, bijvoorbeeld doordat de gemeente hierover overeenkomsten heeft gesloten met de eigenaren van de binnen het exploitatiegebied gelegen gronden, of doordat de gemeente zelf eigenaar is van bedoelde gronden. De gronden waren in eigendom van de Gemeente Westland. Tussen de toekomstige ontwikkelaar en de gemeente Westland is een verkoopovereenkomst en een anterieure overeenkomst gesloten.

5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

5.2.1 Overleg

In de periode van 25 september 2023 t/m 23 oktober 2023 heeft over het voorontwerp van dit bestemmingsplan bestuurlijk overleg plaatsgehad als geboden in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Hierbij hebben de volgende instanties gereageerd:

  • Provincie Zuid-Holland
  • Hoogheemraadschap van Delfland
  • WestlandInfra
  • Tennet
  • Veiligheidsregio Haaglanden
  • Omgevingsdienst Haaglanden

De uitkomsten van het overleg, als bedoeld in artikel 3.1.6, eerste lid, onder c., van het Besluit ruimtelijke ordening, zijn opgenomen in Bijlage Inspraak en overleg van deze toelichting.

5.2.2 Inspraak

In het kader van de Inspraakverordening Westland 2004 zal er geen inspraak plaatsvinden. Op 4 juli 2023 is voorafgaand aan de bestemmingsplanprocedure een inloopavond georganiseerd.

5.2.3 Zienswijzen

Van 22 decemter 2023 tot 1 februari 2024 heeft het ontwerp van dit bestemmingsplan ter visie gelegen voor het indienen van zienswijzen, als bedoeld in artikel 3.8, lid 1, van de Wet ruimtelijke ordening in verbintenis met Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht.

Gedurende de periode van tervisielegging zijn 3 zienswijzen ingediend.

De ontvangen zienswijzen zijn beoordeeld. Voor een overzicht van de zienswijzen wordt verwezen naar Bijlage 1 van deze toelichting.