| Plan: | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Denekamp, Oost fase 2a |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1774.TAMGKDENOOSTFASE2A-VG01 |
Voorliggend wijziging omgevingsplan heeft betrekking op een onbebouwd agrarisch perceel nabij de Sombeekweg en Scandinavië Route (N342) in het noordoosten van de kern Denekamp. De locatie is in de huidige situatie onbebouwd en ingericht als gras- en/of akkerland. Deze fase is een vervolg op fase 1 en het naastliggende project Tiny Houses.
De gemeente Dinkelland is voornemens het perceel te ontwikkelen naar een woningbouwlocatie voor Denekamp, een en ander met bijbehorende infrastructuur, groenstructuren en waterhuishoudkundige voorzieningen. Het plan voorziet in de realisatie van maximaal 39 woningen met verschillende woningtypen, in de vorm van 2 vrijstaande woningen, 14 twee-onder-één kapwoningen, 5 rijwoningen (senioren) en een appartementencomplex voor in totaal 18 appartementen (sociale huur). Zie onderstaande figuren voor het plangebied en aanduiding.
Figuur 1.1: Ligging plangebied ten opzichte van de kern Denekamp (bron: PDOK-viewer)
Figuur 1.2: Globale begrenzing plangebied (bron: BügelHajema Adviseurs)
De voorgenomen ontwikkeling past niet binnen het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Binnen de huidige functie 'Agrarisch - Cultuurgrond' zijn de aangewezen gronden hoofdzakelijk bestemd voor het agrarisch gebruik en cultuurgrond. Een woningbouwontwikkeling is op deze gronden niet toegestaan. Het omgevingsplan biedt geen mogelijkheden voor de voorziene ontwikkeling.
Een wijziging van het omgevingsplan is noodzakelijk om de ontwikkeling mogelijk te maken. De gemeente werkt hiervoor met TAM-IMRO. Voorliggende wijziging van het omgevingsplan voorziet hierin. Hierbij wordt aangetoond dat de ontwikkeling in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en uitvoerbaar is.
Beoordelingskader
De voorgenomen activiteit voldoet niet aan de regels van het omgevingsplan. Het initiatief kan alleen leiden tot een wijziging van het omgevingsplan als er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om dit te kunnen beoordelen moeten alle voor de fysieke leefomgeving en milieu relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader worden onderzocht en afgewogen.
De taak om te voorzien in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties ligt primair bij de gemeente. De beleidsruimte van de gemeente wordt op verschillende manieren ingekaderd. De belangrijkste zijn de instructieregels van het Rijk en de provincie. Op basis van artikel 8.0b lid 1 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de volgende regels en instructies van toepassing:
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld.
Bij de beoordeling of er een besluit kan worden genomen tot wijziging van het omgevingsplan is rekening gehouden met deze regels dan wel zijn de regels betrokken of in acht genomen. Daarnaast heeft de gemeente haar beleidsruimte ingevuld met beleidsregels voor de fysieke leefomgeving, zodat de wijziging van het omgevingsplan ook hieraan wordt getoetst. Het gaat hier om de omgevingsvisie en de andere beleidsdocumenten voor de verschillende specifieke onderdelen.
De evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt met zich mee dat alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij dit projectgebied aan de orde zijn op een zorgvuldige wijze zijn afgewogen. De aanvrager wenst de gevraagde activiteiten te realiseren. De gemeente wenst de doelen uit haar beleid te verwezenlijken. De belangen van de omwonenden zijn gelegen in een goed woon- en leefklimaat. De omliggende bedrijven hebben belang bij een ongehinderde bedrijfsvoering en een goed werkklimaat.
Belangenafweging
De raad heeft bij het bepalen om een besluit tot wijziging van het omgevingsplan vast te stellen beleidsruimte om te bepalen of een bepaalde ontwikkeling met de daarbij behorende functies en maatvoering vanuit het oogpunt van evenwichtige toedeling van functies aan locaties aanvaardbaar is.
Een dergelijk besluit is immers in belangrijke mate afhankelijk van de inzichten die bij de gemeente bestaan over de wenselijk geachte ontwikkelingen in het projectgebied. Verder mag het project niet in strijd zijn met de instructie(regels)s van het Rijk en de provincie. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt met zich mee dat alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij dit projectgebied aan de orde zijn op een zorgvuldige wijze worden afgewogen.
Ondanks dat het initiatief in strijd is met het omgevingsplan kan worden besloten tot wijziging van het omgevingsplan, omdat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Zoals uit de hierna opgenomen hoofdstukken blijkt draagt het initiatief bij aan de visie en beleid die de gemeente voor dit plangebied heeft en blijkt dat wordt voldaan de instructieregels van het Rijk en provincie. In de voorbereidingsfase heeft bestuurlijke afstemming plaatsgevonden. Provincie en het waterschap zijn akkoord met het project. Verder is het project afgestemd met omwonenden. Hiervan in is 4.2.3 een overzicht gegeven. Voorts zijn in hoofdstuk 5 de ruimtelijk relevante aspecten voor het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit afgewogen.
Gelet op alle aspecten die zijn afgewogen en de belangen van omwonenden, levert de wijziging van het omgevingsplan geen onaanvaardbare aantasting van deze belangen op. Het wijzigen van het omgevingsplan is evenwichtig en geschikt om het project te realiseren.
In hoofdstuk 2 wordt een omschrijving gegeven van de gewenste ontwikkeling. In hoofdstuk 3 wordt het voorgenomen plan getoetst aan het omgevingsplan en worden de strijdigheden in beeld gebracht. Hoofdstuk 4 omschrijft de toetsing van de ontwikkeling aan de visie en beleid voor het plangebied op rijks-, provinciaals en gemeentelijk niveau. Daarna wordt ingegaan op de resultaten van het (bestuurlijk) vooroverleg en het participatietraject. In hoofdstuk 5 wordt getoetst aan de aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving waarbij eveneens wordt ingegaan op de verschillende milieuaspecten. In hoofdstuk 6 komt de financiële haalbaarheid van het initiatief aan de orde. Tot slot is in hoofdstuk 7 een toelichting op de planregels opgenomen.
Het plangebied betreft op dit moment onbebouwde cultuurgrond aan de oostelijke rand van Denekamp, gelegen naast gronden die momenteel in ontwikkeling zijn voor woningbouw (fase 1). Het gebied wordt aan de noordzijde begrensd door de nieuw aangelegde Berkenbos, waar de eerste woningen van fase 1 in aanbouw zijn. Aan de oostzijde wordt het gebied begrensd door het project 'Tiny Houses'. In onderstaande afbeelding is het plangebied te zien in een luchtfoto.
Figuur 2.1: Luchtfoto van de planlocatie (bron: PDOK-viewer, 2024)
Aan de westzijde van het plangebied ligt de Gildehauserdijk met daarlangs een bestaande woonwijk. Ten noorden van het plangebied worden de nieuwe straten Heideven en Kreekrand aangelegd als onderdeel van fase 1. Het plangebied zelf heeft nog een volledig open karakter met grasland. De nieuw aan te leggen straat Dennenhof zal de zuidelijke begrenzing van het plangebied vormen.
Het plan omvat het realiseren van een woonbuurt met maximaal 39 woningen. Het karakter van deze nieuwe buurt wordt kleinschalig, landelijk en intiem. Het dorpse karakter sluit aan bij de karakteristiek van het dorp Denekamp. De architectonische uitgangspunten zijn vastgelegd in het beeldkwaliteitsplan, met eveneens een analyse van de historische context, bodem en landschap, gebiedsbeschrijving en de relatie met de omgeving. Het beeldkwaliteitsplan is bijgevoegd als Bijlage 5.
De woonbuurt krijgt een ruime opzet waarin de zichtlijnen richting het landschap blijven. Samen met de toepassing van groene (voor)tuinen met hagen en gebiedseigen beplanting, krijgt de nieuwe woonbuurt een groene en dorpse uitstraling.
Figuur 2.3: Schetsontwerp Denekamp Oost fase 2a
De woningen bestaan uit een mix van rijwoningen, twee-onder-één-kappers, vrijstaande woningen en een appartementencomplex. Ten noorden van Binnenveld worden vier twee-onder-één-kappers (8 woningen) en vijf seniorenwoningen gerealiseerd. Ten zuiden van Binnenveld komen drie twee-onder-één-kappers (6 woningen), twee vrijstaande woningen en maximaal 18 appartementen. In totaal zijn maximaal 39 woningen voorzien. Aan de oostzijde zijn de rijwoningen en het appartementencomplex gelegen.
De nadruk ligt op woningen voor starters en ouderen (levensloopbestendige woningen), waarbij de twee-onder-één-kappers en vrijstaande woningen zorgen voor een passende overgang van dorp naar buitengebied.
Via een lusvormige ontsluiting wordt de buurt ontsloten. Ter plaatse zijn ook groenstroken aangelegd om het water en de hoogteverschillen in het terrein op te vangen. Nabij de woningen, op de kopse kanten komen diverse parkeerkoffers. Daarnaast zal het parkeren zo veel mogelijk plaatsvinden op eigen erf. Denekamp Oost fase 2a sluit aan op de bestaande plannen voor Denekamp Oost. Hiervoor is een beeldkwaliteitsplan opgesteld die aansluit op het geheel, zie hiervoor pagina 14 van Bijlage 5. In paragraaf 4.1.6 is de relatie met de Nota Omgevingskwaliteit beschreven.
Groen- en waterstructuur
Er worden op verschillende plekken groenvoorzieningen gerealiseerd. De groenzones in combinatie met wadi's zorgen voor opvang van water en beleefbare hoogteverschillen. Naast dat dit groen een landschappelijke mooie afronding vormt voor het nieuwe woongebied c.q. de oostelijke dorpsrand van Denekamp en esthetisch fraai is, levert het ook een bijdrage aan klimaatbestendigheid en biodiversiteit. In onderstaande uitsnede is de groenstructuur, verharding en locatie van wadi's weergeven. De waterstructuur is verder toegelicht in 5.12.
Figuur 2.4: Uitsnede verhardingstekening, met groenvoorziening en wadi's (bron: gemeente Dinkelland)
Het plan omvat het realiseren van een woonbuurt met maximaal 39 woningen. Het plan maakt onderdeel uit van de bredere ontwikkeling van woningbouw in Denekamp Oost.
Het initiatief heeft betrekking op de volgende activiteiten:
Bestemmingsplannen maken sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel uit van het omgevingsplan van rechtswege. Het plangebied is gelegen binnen de grenzen van het bestemmingsplan 'Denekamp', vastgesteld op 9 oktober 2012. De woningbouwlocatie is hierin voorzien van de bestemming 'Agrarisch - Cultuurgrond'. In onderstaande figuur is een fragment uit de verbeeldingen van de bestemmingsplannen in en nabij het plangebied opgenomen.
Figuur 3.1: Uitsnede verbeeldingen bestemmingsplannen omgevingsplan Dinkelland (bron: Omgevingsloket).
De voorgenomen ontwikkeling past niet binnen het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Binnen de huidige functie 'Agrarisch - Cultuurgrond' zijn de aangewezen gronden hoofdzakelijk bestemd voor het agrarisch gebruik en cultuurgrond.
De bruiddschat blijft onveranderd als gevolg van dit initiatief. Enkel de volgende artikelen worden genoemd of naar verwezen in de regels van dit plan:
Er zijn geen relevante gemeentelijke verordeningen van toepassing in het plangebied.
Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Om dit te kunnen bewerkstelligen laat het Rijk de inrichting van de fysieke leefomgeving meer over aan de decentrale overheden en komt de gebruiker centraal te staan.
Het Rijk blijft verantwoordelijk voor het systeem de fysieke leefomgeving. Daarnaast kan een rijksverantwoordelijkheid aan de orde zijn indien:
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is om combinaties te maken en win-win situaties te creëren, dit is echter niet altijd mogelijk. In die gevallen dienen belangen te worden afgewogen. Hiervoor gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:
Toetsing
De ontwikkeling draagt bij aan de NOVI-prioriteit "Sterke en gezonde steden en regio's". Het plan voorziet in een gevarieerd woningaanbod met rijwoningen, twee-onder-één-kapwoningen, vrijstaande woningen en appartementencomplex. Door deze differentiatie wordt invulling gegeven aan verschillende woonbehoeften en wordt afwenteling op toekomstige generaties voorkomen.
De ontwikkeling vindt plaats in aansluiting op bestaand stedelijk gebied en combineert verschillende functies zoals wonen, groen en waterberging. Hiermee sluit het plan aan bij de afwegingsprincipes uit de NOVI. Het initiatief raakt geen nationale belangen die directe Rijksbetrokkenheid vereisen. De ontwikkeling past daarmee binnen de kaders van de NOVI.
Omgevingsvisie Overijssel
De Omgevingsvisie Overijssel beschrijft de provinciale visie op de fysieke leefomgeving van Overijssel. De visie integreert het beleid voor ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur in één samenhangend document gericht op duurzame ontwikkeling van de leefomgeving.
Bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving van Overijssel gelden de leidende principes duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit. Deze principes vormen de basis voor de provinciale sturing op ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving.
Omgevingsverordening Overijssel
De provincie Overijssel zet verschillende instrumenten in om haar ambities te verwezenlijken. De Omgevingsvisie bevat per beleidsambitie een realisatieschema dat aangeeft welke instrumenten worden ingezet voor onderwerpen van provinciaal belang. De provincie kiest daarbij steeds de optimale combinatie van instrumenten om effectief resultaat te bereiken.
De Omgevingsverordening Overijssel vormt het juridisch kader voor de doorwerking van het provinciale beleid. Deze verordening stelt bindende regels voor onderwerpen waarbij juridische borging noodzakelijk is voor het realiseren van de provinciale beleidsdoelen uit de Omgevingsvisie.
De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving.
Uitvoeringsmodel Overijssel
Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Door de uitvoeringsmodel te doorlopen wordt getoetst of het voornemen in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten:
Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht.
Generieke beleidskeuzes
Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase het zgn. principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik gehanteerd. Hierin komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaand bebouwd gebied wordt benut, voordat er uitbreiding in de groene omgeving kan plaatsvinden.
Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en verbindingszones enzovoorts. De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend en verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel.
Ontwikkelingsperspectieven
Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities.
De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven.
Gebiedskenmerken
Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en lust- en leisurelaag) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt.
Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.
Figuur 3.1: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: provincie Overijssel)
Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten Omgevingsvisie Overijssel en eisen Omgevingsverordening Overijssel
Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan het provinciaal ruimtelijk beleid ontstaat globaal het volgende beeld.
Generieke beleidskeuzes
Of een ontwikkeling mogelijk is, wordt bepaald op basis van generieke beleidskeuzes. In dit onderdeel wordt de OF-benadering behandeld. Hierbij is onder andere het principe van 'zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik' (artikel 4.5 van de Omgevingsverordening) van belang die er voor staat dat in eerste instantie bestaande bebouwing en stedelijk gebied wordt benut, voordat er nieuwbouw in de groene omgeving plaatsvindt.
Artikel 4.4 Principe van concentratie
Middels het principe van concentratie is bepaald dat omgevingsplannen uitsluitend voorzien in woningbouw en het realiseren van stedelijke voorzieningen, met bijbehorende infrastructuur en groenvoorzieningen om te voldoen aan de lokale behoefte of de behoefte van bijzondere doelgroepen.
Dit plan ziet toe op de realisatie van maximaal 39 woningen op een uitbreidingslocatie in Denekamp. Deze woningen geven invulling aan de woningbehoefte voor Denekamp en voorzien hiermee in een concrete lokale behoefte voor de kern Denekamp. Ook draagt het plan bij aan de realisatie van betaalbare woningen en woningen voor starters en senioren.
Dit is getoetst aan de woonvisie zoals opgenomen in paragraaf 4.1.4. De ontwikkeling wordt zoveel mogelijk in aansluiting op de bestaande kern beoogd. Hiermee is voldaan aan het principe van concentratie.
Artikel 4.5, lid 1 Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik
Omgevingsplannen maken alleen extra ruimtebeslag voor stedelijke functies in de Groene Omgeving mogelijk aansluitend op bestaand bebouwd gebied en als aannemelijk gemaakt is dat:
Op grond van de Omgevingsverordening Overijssel wordt de Groene omgeving aangemerkt als: 'dat deel van de fysieke leefomgeving waarvan de gronden niet vallen binnen bestaand bebouwd gebied'. Onder bestaand bebouwd gebied wordt verstaan: "de gronden binnen steden en dorpen die benut worden voor stedelijke functies op grond van een geldend omgevingsplan en op grond van een (voor)ontwerp voor zover de provincie daarover een positief advies heeft uitgebracht in het kader van het vooroverleg". Een stedelijke functie wordt in de Omgevingsverordening aangemerkt als "functies van steden en dorpen zoals wonen, bedrijvigheid, detailhandel, horeca, maatschappelijke, educatieve, culturele en religieuze voorzieningen met de bijbehorende infrastructuur, stedelijk water en stedelijk groen". Het voorliggend plangebied wordt niet aangemerkt als gronden met stedelijke functies omdat het plangebied in de huidige situatie een agrarische bestemming kent.
Er dient dan ook gekeken te worden of binnen de kern Denekamp voorzien kan worden in de additionele woningbehoefte. Denekamp kent meerdere inbreidingslocaties die over de afgelopen jaren invulling hebben gekregen of krijgen. Deze locaties zijn echter niet van voldoende omvang om in de gehele woningbehoefte voor de kern Denekamp te voorzien. Er is daardoor niet voldoende beschikbare ruimte voor de woonbehoefte in Denekamp binnen bestaand stedelijk gebied. Daarom is gekozen voor een woningbouwlocatie aan de oostkant van Denekamp, in directe aansluiting bij de bestaande woonwijk aan deze zijde. Op deze wijze is er sprake van een uitbreiding in de groene omgeving, maar wel in zoveel mogelijk in samenhang en aansluiting met bestaande stedelijke functies. Het extra ruimtebeslag wordt hiermee zo beperkt mogelijk gehouden. Gelet op het vorenstaande is het voorliggende wijziging van het omgevingsplan in overeenstemming met artikel 4.5 uit de Omgevingsverordening Overijssel.
Artikel 4.8 Ontwikkelen met ruimtelijke kwaliteit
In omgevingsplannen worden alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt die de ruimtelijke kwaliteit versterken.
Op grond van de Omgevingsverordening Overijssel wordt de 'ruimtelijke kwaliteit' aangemerkt als: 'resultaat van menselijk handelen en natuurlijke processen dat de ruimte geschikt maakt en houdt voor wat voor mens, dier en plant belangrijk is'. Er is een beeldkwaliteitsplan ten behoeve van het plan gemaakt. Hiermee wordt aangetoond dat de ruimtelijke kwaliteit versterkt wordt.
Artikel 4.9, lid 1 Onderbouwing ruimtelijke kwaliteit
Hierin is bepaald dat omgevingsplannen een onderbouwing bevatten waaruit blijkt dat nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan ruimtelijke kwaliteit waarin:
In deze motivering is het uitvoeringsmodel gevolgd. Dit is terug te zien in deze paragraaf, uit het uitvoeringsmodel zijn de relevante gebiedskenmerken, ontwikkelingsperspectieven en generieke beleidskeuzes behandeld. De catalogus met de gebiedskenmerken, welke is toegepast op de kaarten van de omgevingsvisie, zijn gebruikt. Er wordt voldaan aan dit onderdeel.
Artikel 4.13, klimaatrobuust water- en bodemsysteem
In dit artikel is het volgende bepaald:
1. In omgevingsplannen worden alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt als onderbouwd is dat deze ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en het versterken van een klimaatrobuust water- en bodemsysteem.
2. In de onderbouwing bedoeld in het eerste lid wordt bij een ontwikkeling in het landelijk gebied in ieder geval duidelijk gemaakt hoe de ontwikkeling bijdraagt aan het regionaal perspectief water en bodem dat op die locatie van toepassing is.
Ten behoeve van het plan is een waterhuishoudkundig plan opgesteld. In bredere zin sluit dit plan aan op eerdere fases van Denekamp Oost, en het naastgelegen Tiny Houses. Tezamen wordt met de inpassing hiervan voldoende onderbouwt hoe het water- en bodemsysteem klimaatrobuust is. Een verdere motivering hiervan is opgenomen in paragraaf 5.12.
Artikel 4.14 Woonafspraken en woningbouw
Omgevingsplannen kunnen alleen voorzien in de mogelijkheid tot het realiseren van nieuwe woningen als de bouw van deze woningen past binnen de geldende woonafspraken, zoals deze zijn gemaakt door de regio en vastgelegd in bestuurlijke afspraken tussen provincie en gemeenten. Wanneer de realisatie niet past binnen deze afspraken of wanneer er geen woonafspraken gelden, moet de behoefte worden aangetoond met actueel onderzoek waarop instemming is verkregen van andere gemeenten in de regio en Gedeputeerde Staten. In dat geval mag het omgevingsplan in maximaal 80% van de aangetoonde behoefte voorzien.
Het actuele gemeentelijk woningbouwprogramma is in overeenstemming met de Regionale Woonagenda Twente. Op de gronden in het plangebied kunnen op basis van dit plan maximaal 39 woningen gerealiseerd worden. De bouw van deze woningen is passend binnen het gemeentelijk woningbouwprogramma (zie ook paragraaf 3.3.2) en daarmee ook binnen de geldende woonafspraken, zoals deze tussen de gemeenten en provincie zijn gemaakt op basis van regionale afstemming. Gelet hierop wordt voldaan aan de artikel 4.14 van de Omgevingsverordening Overijssel.
Artikel 4.55 Nationaal Landschap Noordoost-Twente
Het plan bevindt zich in het nationaal Landschap Noordoost-Twente. In artikel 4.55 is bepaald dat een omgevingsplan alleen voorziet in nieuwe ontwikkelingen als die bijdragen aan het behoud of de ontwikkeling van de kernkwaliteiten van dat landschap.
De kernkwaliteiten staan in lid 2. Te noemen:
a. het samenhangend complex van beken, essen, kampen en moderne ontginningen;
b. de grote mate van kleinschaligheid;
c. het groene karakter.
In het beeldkwaliteitsplan, toegevoegd als Bijlage 5, zijn deze kernkwaliteiten beschreven. Daarnaast is beschreven in het beeldkwaliteitsplan op welke wijze de nieuwe ontwikkeling bijdraagt aan het behoud en ontwikkeling van deze kernkwaliteiten, in het bijzonder voor het Landschap Noordoost-Twente.
Ontwikkelingsperspectieven
De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. In dit onderdeel wordt de WAAR-benadering behandeld. In figuur 3.2 is een fragment van de kaart van de ontwikkelingsperspectieven behorende bij de Omgevingsvisie weergegeven.
Figuur 3.2: Fragment ontwikkelingsperspectievenkaart, Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel)
De locatie is gelegen op de grens van het gebied dat is aangemerkt als 'woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken' en het gebied dat is aangemerkt als 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap'. De steden en dorpen buiten de stedelijke netwerken mogen altijd bouwen voor de lokale behoefte aan wonen, werken en voorzieningen, inclusief lokaal gewortelde bedrijvigheid, mits onderbouwd en regionaal afgestemd. Herstructurering en transformatie van de woon-, werk-, voorzieningen- en mixmilieus moeten deze vitaal en aantrekkelijk houden en de diversiteit aan milieus versterken. Herstructurering en transformatie bieden kansen om te anticiperen op klimaatverandering (bijvoorbeeld door ruimte voor groen, natuur en water te reserveren). Van belang is de stedelijke ontwikkeling altijd af te stemmen op de kenmerken van het watersysteem, bijvoorbeeld in laaggelegen gebieden bij bouw- en evacuatieplannen rekening houden met risico’s op overstroming of wateroverlast. Herstructurering en transformatie kunnen ook bijdragen aan de energietransitie (door het nemen van energie-efficiënte maatregelen en/of het opwekken van duurzame energie door bijvoorbeeld het aanwezige dakoppervlak te benutten).
Het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap' richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid. De ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw, maar ook die voor de andere sectoren, willen we in dit ontwikkelingsperspectief nadrukkelijk verbinden met behoud en versterking van cultuurhistorische, natuurlijke en landschapselementen.
De woonfunctie past binnen de 'woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken' en het gebied dat is aangemerkt als 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap'. Het plan bestaat uit de realisatie van grondgebonden woningen en appartementen voor starters- en senioren als vitalisering van de kern Denekamp. Daarbij zullen agrarische gronden die in aansluiting liggen van het bestaand stedelijk gebied van Denekamp, getransformeerd worden tot woongebied voor de lokale behoefte.
De plannen worden goed ingepast in een overgang tussen buitengebied en kern en leveren zodoende geen extra belemmeringen op voor de omgeving. De plannen geven invulling aan een ontwikkelingsperspectief voor Denekamp.
Gebiedskenmerken
Onder gebiedskenmerken vallen, volgens het uitvoeringsmodel, de natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van beleving. Te zamen geven zij vorm aan het onderdeel wordt de HOE-benadering is behandeld.
Natuurlijke laag
De natuurlijke laag geeft aan het gebied het kenmerk 'dekzandvlakte en ruggen' (zie figuur 3.3).
Figuur 3.3: Natuurlijke laag, Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel)
De locatie is op de gebiedskenmerkenkaart 'de natuurlijke laag' aangeduid met het gebiedstype 'Dekzandvlakte en ruggen'. Dekzandvlakten zijn na de ijstijd door de wind gevormde zandlandschappen. Ze beslaan een groot deel van de provincie. De afwisseling van opgewaaide ruggen en uitgesleten beekdalen met bijbehorende hoogteverschillen kenmerken de dekzandvlaktes van Overijssel. Opvallend is de overwegend oost-west georiënteerde richting van ruggen en dalen.
Als ontwikkelingen plaats vinden, dan dienen ze bij te dragen aan het beter zichtbaar en beleefbaar maken van de hoogteverschillen en het watersysteem. Beiden zijn uitgangspunt bij (her)inrichting, net als (strekkings)richting van het landschap, gevormd door de afwisseling van beekdalen en ruggen.
De planlocatie maakt reeds deel uit van in cultuur gebracht gebied. Het huidig gebruik is agrarisch, waarbij de percelen op regelmatige basis bewerkt worden voor dit gebruik. De natuurlijke laag is dan ook vrijwel niet zichtbaar binnen het plangebied. Desondanks wordt binnen het plan gewerkt met hoogteverschillen, waardoor een beleefbare omgeving juist versterkt wordt. Het plan past binnen de uitgangspunten voor de natuurlijke laag.
Laag van het agrarisch cultuurlandschap
De laag van het agrarisch cultuurlandschap kent het kenmerk 'jonge heide- en broekontginningslandschap' aan het gebied toe. In figuur 3.4 is een fragment van de betreffende kaart weergegeven.
Figuur 3.4: Laag van het agrarische cultuurlandschap, Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel)
De grote oppervlakte aan – voormalige – natte en droge heidegronden was oorspronkelijk functioneel verbonden met het essen- en oude hoevenlandschap; hier werd geweid en werden de plaggen gestoken voor in de stal; in de stal bemeste plaggen dienden als structuurverbeteraar en bemesting voor de akkergronden op de essen. Na de uitvinding van kunstmest ging deze functie verloren en werden deze gronden grotendeels in cultuur gebracht.
Als ontwikkelingen plaats vinden in de agrarische ontginningslandschappen, dan dragen deze bij aan behoud en versterking van de dragende lineaire structuren van lanen, bosstroken en waterlopen en ontginningslinten mt erven en de kenmerkende ruimtematen.
Het voorliggend woningbouwplan brengt voldoende groene ruimten aan in het plangebied. Als gevolg van dit plan vindt een transformatie van het gebied plaats naar een woningbouwlocatie. De rechtlijnige structuren vanuit het landschap worden hierbij gerespecteerd en versterkt door de aanleg van nieuw groen. Het plan doet geen afbreuk aan de herkenbaarheid van het agrarisch cultuurlandschap.
Stedelijke laag
In de stedelijke laag is aangeduid dat ter plaatse van het plangebied sprake is van verspreide bebouwing en informeel traag netwerk. De betreffende kaart is onderstaand zichtbaar.
Figuur 3.5: stedelijke laag, Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel)
De betreffende lagen geven weer dat in de huidige situatie nog geen sprake is van een stedelijke functie van het plangebied, zoals dit ook al eerder in de provinciale toetsing ter sprake is gekomen. Onderstaand wordt ingegaan op de toegekende kenmerken.
Verspreide bebouwing: De agrarische erven hebben van oudsher een hele sterke binding met het landschap. Vanuit het erf werden de omliggende gronden in cultuur gebracht en vervolgens eeuwenlang bewerkt. Elke boer deed dit naar eigen inzicht en afgestemd op de plaatselijke omstandigheden, maar wel volgens de wetmatigheden van het toenmalig landbouwsysteem. Door deze ‘eenheid in handelen’ ontstonden er samenhangende landschappen, die nu nog steeds herkenbaar zijn: essenlandschap, oude hoevenlandschappen, broek- en heideontginningen, veenlandschappen etc.. Bijzonder is dat elk landschap zijn eigen erftype heeft: de opbouw van erf, erfbebouwing, erfbeplantingen en relaties met de omliggende gronden zijn specifiek voor het betreffende landschapstype, alsof in het erf de genen van het landschap besloten liggen. Naast erven kent het buitengebied losliggende ‘gewone’ burgerwoningen met veelal een eigen, individueel karakter en eigen verhaal van ontstaan.
Binnen het plangebied zijn geen bestaande erf of bebouwingstructuren aanwezig. Het voorliggend plan doet dan ook geen afbreuk aan eventuele waarden van verspreide bebouwing, wel is in het voorliggend stedenbouwkundig zoveel mogelijk rekening gehouden met een goede overgang tussen buitengebied en stedelijk gebied, door bijvoorbeeld duidelijke kapvormen en lage goothoogten te hanteren en landschappelijk bezien een passende inpassing te verzorgen.
Informele trage netwerk: Het informele trage netwerk is het ‘langzame’ netwerk (wandelpaden, fietspaden, ruiterpaden, vaarroutes) van de provincie, dat delen van het agrarisch cultuurlandschap en het natuurlijke laag toegankelijk en ervaarbaar maakt. De oude zandwegen en paden vormen het basisstramien.
Als ontwikkelingen plaats vinden in de gebieden die in de directe invloedssfeer van stad en dorp liggen (b.v. bedrijventerreinen, woonwijken), dan dragen deze ontwikkelingen bij aan behoud en verkleining van de maaswijdte van het padennetwerk. Met voorliggend plan worden meerdere routestructuren voor langzaam verkeer in de dorpsrand van Denekamp aangebracht.
Laag van de beleving
Op grond van de 'Laag van de beleving' geldt voor het plangebied geen kenmerk. Dit is weergeven in onderstaande uitsnede van de kaart.
Figuur 3.6: Laag van de beleving, Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel)
Daarmee is er geen relevant kenmerk van toepassing op het plangebied vanuit de laag van de beleving.
Conclusie
Het plan past binnen het provinciale beleid, zoals vastgelegd in de Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Overijssel.
De gemeenteraad van Dinkelland heeft in 2021 een Omgevingsvisie vastgesteld, 'MijnOmgevingsvisie Dinkelland'. Deze visie gaat over de toekomst van de leefomgeving van de gemeente Dinkelland, waarbij wordt ingegaan op diverse thema's (o.a. leefbaarheid, gezondheid, veilighied en duurzaamheid). De visie geeft aan hoe de gemeente Dinkelland en de samenleving willen sturen. Wat er behouden moet worden en wat moet worden ontwikkeld.
De Omgevingsvisie gaat uit van vier kernprincipes. Dit zijn de manieren van werken. De vier prinicpes zijn:
Leefbare kernen
De gemeente Dinkelland wil kernen waar het lekker wonen is. Waar bedrijvigheid is en waar mensen werk kunnen vinden. Maar vooral ook kernen waar ruimte is om elkaar te ontmoeten en om samen te komen.
Onze inwoners zien hun leefomgeving veranderen. Het wordt moeilijker om voorzieningen in stand te houden. Dit geldt voor winkels, horeca, kerken, kultuurhuizen, sportvoorzieningen en scholen. Aan de andere kant zien we ook nieuwe plannen en combinaties van functies van onderop die kernen juist krachtiger maken.
Van oudsher zijn inwoners van onze kernen gewend om de leefbaarheid van hun omgeving in eigen hand te nemen en te zorgen dat het er goed toeven is. Het versterken van de leefbaarheid van onze kernen wordt door inwoners en gemeente via MijnDorp al langer samen opgepakt.
Dit willen we voortzetten aan de hand van vier speerpunten:
Aantrekkelijk wonen
Betaalbaar wonen in je eigen gemeente
De gemeente Dinkelland wil dat het aantal en de soort woningen in een kern passen bij de vraag. Inwoners moeten voor hun woning zoveel mogelijk in hun eigen gemeente terecht kunnen. Ook is het belangrijk dat woningen voor elke doelgroep bereikbaar en toegankelijk zijn.
Inbreiden voor uitbreiden
Vanuit de gemeente Dinkelland wil men graag binnen de grenzen van een kern bouwen. In de meeste gevallen gaat het om plekken die verbeterd moeten worden of plekken waarvan de bestaande functie vervalt. Denk hierbij aan het verdwijnen van een bedrijf, het sluiten van een kerkgebouw of het slopen van oude woningen. Als er binnen de kern geen plekken zijn om te bouwen, kijkt de gemeente naar bouwmogelijkheden aan de rand van een kern. Kernen zijn verschillend in de behoefte aan woningen. Daarom is de gemeente samen met kernen in gesprek om te kijken wat bij elk dorp past.
Kijken naar de toekomst
Er is verschil in hoeveel en welk soort woningen nu nodig en gewenst zijn en wat de vraag over 15 jaar is. Huidige knelpunten zijn bijvoorbeeld betaalbare woningen voor starters en woningen voor ouderen. In onze woonvisie kijken we op basis van onderzoek en gesprekken met alle betrokkenen vooruit op de vraag naar woningen. Als gemeente wordt geprobeerd erop te sturen dat het aanbod van woningen daarop aansluit. Hierbij houdt de gemeente de behoeften op de lange termijn en de bestaande voorraad in het oog.
Toets
Bij toetsing aan de Waardenkaart valt het plangebied binnen 'kernen met een woon- en centrumfunctie'.
Figuur 3.7: Waardenkaart MijnOmgevingsvisie Dinkelland
Het plangebied is onderdeel van het gebied dat als één van de uitbreidingslocaties in Denekamp is aangewezen.
Het voorliggende plan geeft concreet invulling aan het speerpunt 'aantrekkelijk wonen' uit de MijnOmgevingsvisie. Deze uitbreidingslocatie aan de oostzijde van Denekamp biedt ruimte voor diverse doelgroepen, met bijzondere aandacht voor starters en senioren. De ontwikkeling sluit goed aan bij de bestaande stedenbouwkundige structuur van Denekamp.
De woningbouw wordt op kwalitatief goede wijze ingepast in de omgeving en houdt rekening met omliggende functies zoals het bedrijventerrein Sombeek. In het ontwerp is aandacht besteed aan klimaatadaptief en duurzaam bouwen, voldoende waterbergingscapaciteit, bevordering van biodiversiteit en natuurinclusiviteit. Deze aspecten sluiten aan bij de kernprincipes van de MijnOmgevingsvisie.
De 'Woonvisie 2021+' is op 5 juli 2021 door de gemeenteraad van de gemeente Dinkelland vastgesteld. De Woonvisie is achterhaald door Volkshuisvestingsprogramma 2025-2029, dat door het college is vastgesteld op 1 april 2025, omdat daarin de meest recente kwantitatieve en kwalitatieve behoefte is opgenomen. In paragraaf 5.1 is de toets aan dit programma opgenomen in de zogenoemde laddertoets.
De gemeente Dinkelland heeft de beleidsnota 'De casco-benadering in Noordoost-Twente' vastgesteld. Het Nationaal Landschap Noordoost Twente is een gebied met zeldzame en unieke landschapskwaliteiten. Het is een gebied met stuwwallen, bronnen, beken en fraaie cultuurlandschappen. Kernkwaliteit is het waardevolle cultuurlandschap met een variatie in open en een kleinschalig besloten landschap. Schaalvergroting in de grondgebonden landbouw staat op gespannen voet met deze kleinschaligheid. Het verdwijnen van landschapselementen op perceelsgrenzen tast het kleinschalige groene karakter aan en leidt tot een afname van landschapsdiversiteit. De gemeente Dinkelland heeft samen met de provincie Overijssel en de gemeenten Tubbergen, Losser en Oldenzaal de ambitie uitgesproken om de tendens van schaalvergroting in de grondgebonden landbouw zodanig vorm te geven dat deze niet ten koste gaat van de kwaliteit van het landschap.
Om vorm en inhoud te geven aan deze ambitie is een generieke methode ontwikkeld: de casco benadering. Voor de gemeente is de casco-benadering te gebruiken als beoordelingskader voor ingrepen in het landschap. Het plan maakt geen onderdeel uit van de casco zoals te zien in onderstaande uitsnede van de kaart (plangebied in lichtblauw).
Figuur 3.8: Plangebied ten opzichte van casco waarden (bron: Atlas van Overijssel)
Op basis van de casco-kaart kan vastgesteld worden of het landschapselement tot het casco behoort of niet; daaruit volgen drie mogelijk aanvragen op basis van het casco, dit zijn:
Toets
Het plangebied voor de nieuwe woningen raakt geen van de elementen op de casco-kaart. De bestaande waardevolle landschapselementen blijven staan. Realisatie van dit plan heeft geen gevolgen voor de belangrijke landschapselementen.
De Nota Omgevingskwaliteit Dinkelland en Tubbergen 2016 bevat het welstandsbeleid voor beide gemeenten. In de nota is het grondgebied opgedeeld in deelgebieden voor de kernen en het buitengebied. Voor elk deelgebied is een waarderingsblad en een ambitiekaart gemaakt. Ieder blad bestaat uit een kaartje van het gebied, een toelichting en een weergave van de beoogde omgevingskwaliteit dat bij de welstandstoets voor de omgevingsvergunning (onderdeel bouwen) van toepassing is. Het welstandsbeleid van de gemeenten bestaan uit drie niveaus van omgevingskwaliteit:
Het niveau dat van toepassing is geldt voor de algemeen heersende karakteristiek van een gebied. De waarde is dus door de bestaande omgeving bepaald. Het komt voor dat binnen een gebied een gebouw of complex ligt dat zich door de bijzondere kwaliteit onderscheidt. Deze wordt apart benoemd. De welstandsbeoordeling in deze gebieden is gericht op het behouden en versterken van de basiskwaliteiten van de gebieden. Bij de welstandsbeoordeling wordt vooral gekeken of het bouwplan bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving (van hoofdvorm tot materiaal en detail). Afhankelijk van het soort bouwwerk komen de volgende beoordelingsmodellen voor:
Voor onderhavig project bevat het omgevingsplan regels over het uiterlijk van bouwwerken. Dit heet welstandstoezicht. De Nota Omgevingskwaliteit (welstandsnota) bevat onvoldoende welstandscriteria voor het project. In het besluit tot wijziging van het omgevingsplan zijn daarom op grond van artikel 4.19 Omgevingswet regels opgenomen over het uiterlijk van bouwwerken en voor de uitleg daarvan stelt de gemeenteraad beleidsregels vast, zodat kan worden beoordeeld of bouwwerk aan die regels voldoet. Dit heet welstandscriteria.
Toets
Er is een beeldkwaliteitsplan opgesteld waaraan aanvragen voor de omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit voor het onderdeel bouwen worden getoetst (Bijlage 5). In het beeldkwaliteitsplan is onder andere het stedenbouwkundige plan en de gewenste sfeer beschreven, evenals criteria met betrekking tot het uiterlijk (massa, vorm, gevels) van de woningen en de inpassing van het plan in de omgeving.
De provincie Overijssel heeft de 'uitzonderingenlijst vooroverleg ruimtelijke initiatieven 2023' vastgesteld. In dit document is opgenomen welke ruimtelijke initiatieven/ontwikkelingen de provincie niet hoeft te zien zolang geen ander provinciaal beleid en/of andere provinciale belangen zoals NNN en grondwaterbescherming geraakt worden.
Het initiatief zijn 39 nieuwe woningen buiten het bestaand stedelijk gebied. Voor dit initiatief is geen uitzondering voor vooroverleg bepaald.
De provincie Overijssel geeft aan dat het plan past binnen het ruimtelijk beleid. Er zijn geen belemmeringen ten aanzien van provinciale belangen. Het ambtelijk vooroverleg is op 20 februari 2025 afgerond.
Er heeft vooroverleg plaatsgevonden met het Waterschap Vechtstromen. In overleg met het waterschap is er een waterhuishoudkundig plan opgesteld. Het plan is verder beschreven in paragraaf 5.12 Water. Het wateradvies (digitale watertoets) is ingevuld op 09-08-2024.
Omgevingsdialoog
In het kader van de ontwikkeling 'Denekamp Oost fase 2a' is een participatietraject doorlopen conform het gemeentelijk beleid 'Inwonersparticipatie' en de daarin opgenomen 'Checklist Aan de slag met inwonersparticipatie'.
Participatiestappen
Inloopavond 20 maart 2025
De inloopavond van 20 maart 2025 is bezocht door een tiental omwonenden. Omwonenden hebben voor deze inloopavond per brief een uitnodiging ontvangen.
Gedurende deze avond zijn er meerdere onderwerpen met betrekking tot het plan Denekamp Oost fase 2a aan bod gekomen. De onderwerpen die vanuit de aanwezige omwonenden zijn ingebracht gingen over de bouw van de appartementen in de wijk en de doelgroepen die hier vanuit sociale huur wellicht gehuisd kunnen worden. Het doorzetten van de bouwkundige structuur van fase 1 en het bouwen van meer starterswoningen is aan bod gekomen. Daarnaast kwam nog de onwenselijkheid van nieuwe looppaden richting het bestaande fietspad aan de Gildehauserdijk ter sprake.
Los van het woningbouwplan Denekamp Oost fase 2a werden er door een aantal omwonenden nog een aantal opmerkingen gegeven over de Tiny houses. Tot slot werd er nog de vraag gesteld of het mogelijk is om op voorhand in contact met de wethouders te komen.
Met de aanwezigen is afgesproken dat zij een reactie ontvangen op de ingebrachte onderwerpen. De ingebrachte onderwerpen zijn intern opgepakt en op 23 april 2025 is middels een brief een reactie op de onderwerpen richting omwonenden gestuurd. Deze reactie is als Bijlage 1 bij deze motivering van de wijziging van het omgevingsplan gevoegd.
Het participatietraject heeft bijgedragen aan het informeren van de omgeving over de voorgenomen ontwikkeling en heeft belanghebbenden de mogelijkheid geboden hun reacties en suggesties kenbaar te maken.
Het ontwerpbesluit voor het wijzigen van het omgevingsplan heeft voor een periode van 6 weken ter inzage gelegen. In die periode zijn geen zienswijzen binnengekomen. De wijziging van het omgevingsplan kan daarom worden vastgesteld.
Zoals blijkt uit hoofdstuk 1.2 geldt dat alleen een besluit tot wijziging van het omgevingsplan mogelijk is als er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2 lid 1 Ow). voor de beoordeling van de wijziging van het omgevingsplan zijn op basis van artikel 8.0b lid 1 Bkl de volgende regels en instructies van toepassing:
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld, zoals bijvoorbeeld het effect van cumulatie. Voor zover relevant is er voor de aspecten fysieke leefomgeving en milieu ook getoetst aan het gemeentelijk beleid.
Algemeen
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik van de fysieke leefomgeving en het tegengaan van leegstand van gebouwen. De instructieregel in artikel 5.129g van het Bkl verplicht om bij een wijziging van het omgevingsplan, dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, rekening te houden met de behoefte aan de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling.
Artikel 5.129g lid 2 van het Bkl bevat een motiveringseis en vraagt om explicitering van gemaakte keuzes. Voor het maken en onderbouwen van die keuzes is zo nodig, op grond van artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht (Awb), onderzoek geboden waarbij de nodige kennis wordt vergaard omtrent de behoefte aan de in het project voorziene nieuwe stedelijke ontwikkeling. Met de uitkomsten daarvan dient in het omgevingsplan rekening te worden gehouden. Het bestuursorgaan heeft bij de toepassing van deze instructieregel beoordelingsvrijheid. Andere belangen dan het belang dat wordt gediend met de instructieregel kunnen de doorslag geven.
De ladder is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen, maar bewerkstelligt dat de wens om in een nieuwe stedelijke ontwikkeling te voorzien aan de hand van het toetsingskader van dit artikellid nadrukkelijk wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied en met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. Deze bepaling schrijft geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling (ABRS 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1421 en ABRS 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2579.
De laddertoets is in ieder geval van toepassing op een stedelijk ontwikkeling of uitbreiding van o.a. bedrijventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening. De opsomming in het eerste lid is niet limitatief, ook andere dan de genoemde ontwikkelingen kunnen zich als een stedelijke ontwikkeling kwalificeren. Voorts geldt dat een stedelijke ontwikkeling voldoende substantieel dient te zijn om als nieuwe stedelijke ontwikkeling te worden aangemerkt. Of aan dit criterium wordt voldaan is in sterke mate afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval.
Stedelijke ontwikkeling
Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling moet bepaald worden aan de hand van de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Het plan 'Denekamp Oost fase 2a' voorziet in maximaal 39 woningen, als uitbreiding van de kern Denekamp. Volgens jurisprudentie is bij meer dan 11 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling, waardoor dit plan als zodanig wordt aangemerkt.
Behoefte en ruimtelijk verzorgingsgebied
In deze paragraaf is de behoefte van de in dit plan voorziene ontwikkeling opgenomen. Daarvoor is eerst het ruimtelijk verzorgingsgebied bepaald. Vervolgens is zowel de kwantitatieve als de kwalitatieve behoefte in beeld gebracht.
Het aantal verhuisbewegingen van, naar en binnen gemeente Dinkelland (inclusief de kern Denekamp) is een belangrijke indicator van het ruimtelijke verzorgingsgebied. Hieronder wordt eerst migratie (verhuisbewegingen) op intergemeentelijk niveau beschreven, waarna vervolgens specifiek op de binnengemeentelijke kernen (inclusief Denekamp) wordt ingegaan.
Migratie op intergemeentelijk niveau
Kijkend naar de migratie van gemeente Dinkelland, zien we een relatief stabiel verloop over de periode van 2020 tot 2024, zie figuur 5.1. De verhouding tussen verhuisbewegingen binnen de gemeente (hier gedefinieerd als hervestiging), naar de gemeente toe (hier gedefinieerd als vestiging/positieve migratie) en vertrek (hier gedefinieerd als negatieve migratie) uit de gemeente is eveneens stabiel gebleven. Over de periode 2020-2023 laten CBS-migratiecijfers zien dat circa 37% van de verhuisde personen binnen Dinkelland verhuisden, 32% zich vestigde in Dinkelland en 31% verhuisde uit gemeente Dinkelland. Daarmee (her-)vestigden gemiddeld 69% van de verhuisde personen zich in Dinkelland over de periode 2022-2024.
Figuur 5.1: Migratie gemeente Dinkelland (periode 2020-2024).
Het gemeentelijke migratiesaldo schommelde over de periode van 2020-2024 per jaar tussen positieve en negatieve migratie, met een gemiddeld positief migratiesaldo van 28 verhuisde personen per jaar (zie tabel 5.1). Verder tonen de CBS-migratiegegevens (2020-2023) aan dat 54% (3.448/6.436) van alle gevestigde personen in Dinkelland uit de gemeente zelf komt. Hiermee is het ruimtelijk verzorgingsgebied de gemeente Dinkelland en kent Denekamp een overwegend lokale woningmarkt.
Tabel 5.1. Migratie gemeente Dinkelland weergeven in absolute aantallen verhuisde personen per jaar.
| Jaar | Binnen Dinkelland verhuisde personen | Personen gevestigd in Dinkelland | Personen vertrokken uit Dinkelland | Migratiesaldo Dinkelland | Totaal aantal verhuisde personen |
(Her-)vestigers in Dinkelland (binnen en naar de gemeente verhuisd) |
| 2020 | 1.002 | 807 | 675 | 132 | 2.484 | 1.809 (73%) |
| 2021 | 810 | 729 | 732 | -3 | 2.271 | 1.539 (68%) |
| 2022 | 756 | 678 | 660 | 18 | 2.094 | 1.434 (68%) |
| 2023 | 880 | 774 | 811 | -37 | 2.465 | 1.654 (67%) |
| Totaal 2022-2024 | 3.448 | 2.988 | 2.878 | gemiddeld +28 per jaar | 9.314 | 6.436 (gemiddeld 69% per jaar) |
| 2024* | 952 | 795 | 732 | 63 | 2.479 | 1.747 (70%) |
| Bron: CBS migratiegegevens 2020-2023. *2024 betreffen voorlopige gegevens afkomstig uit gemeente Dinkelland. | ||||||
Voor zover er sprake is van bovengemeentelijke verhuismigratie, betreft dit voornamelijk een regionale dynamiek (zie tabel 5.2). Daarover vindt regionale afstemming plaats. Door deze regionale afstemming is geborgd dat het regionale woningbouwprogramma aansluit bij de actuele en te verwachten vraag in de regio, zonder dat er sprake is van onnodige concurrentie tussen gemeenten of overprogrammering binnen de regio.
Tabel 5.2. Regionale (Twente) migratie gemeente Dinkelland weergeven in aantallen verhuisde personen.
| Doel regio | Aantal gevestigde personen in Dinkelland | % Gevestigde personen | Aantal uitgaande verhuisbewegingen | % Uitgaande verhuisbewegingen | Migratie-saldo |
| Regio | |||||
| Nederland | 2.988 | 100% | 2.878 | 100% | 110 |
| Twente (CR) | 2.039 | 68% | 1.994 | 69% | 45 (-1%) |
| Overig Nederland | 949 | 32% | 884 | 31% | 65 (+1%) |
| Bron: CBS migratiegegevens 2020-2023. | |||||
Migratie op kernniveau in de gemeente Dinkelland
Om de migratie binnen de gemeente (tussen de Dinkellandse kernen) in kaart te brengen, is gebruik gemaakt van gegevens over de periode 2022 t/m 2024 van de gemeente Dinkelland.
Over de periode 2022-2024 laten gemeentegegevens zien dat circa 32% van de verhuisde personen binnen de kern Denekamp verhuisde, 35% zich vestigde in Denekamp en 33% verhuisde weg uit de kern Denekamp. Daarmee (her-)vestigden gemiddeld 67% van de verhuisde personen uit de gemeente Dinkelland zich in Denekamp over de periode 2022-2024 (zie tabel 5.3).
Het migratiesaldo schommelde per jaar tussen positieve en negatieve migratie, met een gemiddeld positief migratiesaldo van 24 verhuisde personen over de periode van 2022-2024 in de kern Denekamp (zie tabel 5.3). Verder tonen de gemeentegegevens (2022-2024) aan dat 48% (1.065/2.232) van alle gevestigde personen in Denekamp uit de kern zelf komt.
Tabel 5.3. Binnengemeentelijke migratie kern Denekamp weergeven in absolute aantallen verhuisde personen per jaar.
| Jaar | Binnen Denekamp verhuisde personen | Personen gevestigd in Denekamp | Personen vertrokken uit Denekamp | Migratiesaldo Denekamp | Totaal aantal verhuisde personen |
(Her-)vestigers in Denekamp (binnen en naar de kern verhuisd) |
| 2022 | 346 | 458 | 297 | 161 | 1.101 | 804 (73%) |
| 2023 | 362 | 305 | 399 | -94 | 1.066 | 667 (63%) |
| 2024 | 357 | 404 | 400 | 4 | 1.161 | 761 (66%) |
| Totaal 2022-2024 | 1.065 | 1.167 | 1.096 | Gemiddeld +24 per jaar | 3.328 | 2.232 (gemiddeld 67% per jaar) |
| Bron: gemeente Dinkelland. | ||||||
Verhuisrelaties tussen de verschillende Dinkellandse kernen waren voornamelijk aanwezig tussen kernen Ootmarsum, Tilligte, Rossum en Lattrop-Breklenkamp
Figuur 5.2: Binnengemeentelijke migratie tussen kernen.
Concluderend kent Dinkelland een overwegend lokale woningmarkt. Voor zover bovengemeentelijke verhuismigratie plaatsvindt is deze hoofdzakelijk regionaal van aard en wordt deze regionaal afgestemd. Door deze regionale afstemming wordt overprogrammering voorkomen.
De binnengemeentelijke migratiegegevens tonen dat gemiddeld 67% van de verhuisde personen uit de gemeente Dinkelland zich (her-)vestigden binnen kern Denekamp, waarbij de helft (48%) uit Denekamp zelf kwam. Dit maakt dat er sprake is van een sterke lokale verhuisdynamiek binnen zowel gemeente Dinkelland als de kern Denekamp.
Het ruimtelijk verzorgingsgebied van voorliggend plan is daarom de gemeente Dinkelland.
Kwantitatieve behoefte
Regionaal
In de Actualisatie Woondeal Twente 2025 t/m 2030 'Wonen met Kwaliteit' (verder Woondeal Twente) hebben provincie Overijssel en de 14 Twentse gemeenten vastgelegd welke bijdrage regio Twente in de periode tot en met eind 2030 levert aan de nationale ambities op het gebied van woningbouw. De Twentse woningbouwopgave omvat minimaal 19.100 nieuw te bouwen woningen. Op dit moment bedraagt in Twente de plancapaciteit 32.762 woningen (periode 2024 t/m 2030), waarvan 17.207 woningen vallen onder de harde plancapaciteit en 15.555 woningen onder de zachte plancapaciteit (zie figuur 5.4). Er is dus sprake van een aanzienlijk woningtekort van 1.893 woningen.
Figuur 5.3 Kerncijfers Woondeal 'Wonen met Kwaliteit' (2025 t/m 2030). Bron: Woondeal Twente, concept februari 2025.
Regionale afstemming
Naast de afstemming in de Woondeal Twente op regionaal niveau, heeft gemeente Dinkelland in het Volkshuisvestingsprogramma de eigen lokale woningbehoefte en nieuwbouwopgave gespecificeerd. Dit Volkshuisvestingsprogramma heeft het participatieproces doorlopen en is tevens regionaal afgestemd met provincie Overijssel. Gezien de sterke lokale huishoudensgroei in Dinkelland t/m jaar 2032, is de lokale woonbehoefte gegroeid en daarmee de woningbouwopgave in de grote kernen (inclusief Denekamp) geraamd op 588 woningen t/m jaar 2032. Gezien de harde plancapaciteit van 309 woningen, is er nog een resterende plancapaciteit van 279 woningen. De 39 nieuwbouwwoningen van plan 'Denekamp Oost fase 2a' vallen onder de huidig geformuleerde zachte plannen, en passen daarmee tevens ruimschoots in de resterende woningbehoefte na aftrek van de harde plancapaciteit. Gezien de raming van het Dinkellandse Volkshuisvestingsprogramma betrekking heeft op het bedienen van de eigen lokale huishoudensgroei, en de Woondeal Twente stuurt op een minimale woningbouwopgave en het hard maken van huidige zachte woningbouwplannen, is derhalve additionele regionale afstemming voor plan 'Denekamp Oost fase 2a' niet noodzakelijk.
Concluderend is voorliggend plan in het met de provincie afgestemde woonprogramma meegenomen en is ook in de regio afgestemd. De Woondeal Twente laat met een woningbouwopgave van minimaal 19.100 woningen en een harde plancapaciteit van 17.207 woningen voldoende ruimte voor realisatie van voorliggend plan.
Lokaal
Het recent vastgestelde Volkshuisvestingsprogramma 2025-2029 van gemeente Dinkelland beschrijft de lokale woningbehoefte evenals de nieuwbouwopgave voor de gemeente. Vanwege de verwachte algemene lokale huishoudensgroei, houdt Dinkelland rekening met een nieuwbouwbehoefte van 871 nieuwbouwwoningen t/m 2032. Specifiek voor de grote kernen (Denekamp, Ootmarsum en Weerselo) wordt de behoefte tezamen op 588 nieuwbouwwoningen aangemerkt. Gezien de 309 woningen in de harde plannen voor de grote kernen, is er nog een resterende plancapaciteit over van 279 woningen (totale plancapaciteit van 588 woningen minus harde plannen van 309 woningen) voor de grote Dinkellandse kernen. De beoogde 39 woningen van plan 'Denekamp Oost fase 2a' passen ruimschoots in deze resterende plancapaciteit. Zie onderstaande figuur voor een overzicht van de lokale plancapaciteit.
Figuur 5.4. Kerncijfers Volkshuisvestingsprogramma 2025-2029 van gemeente Dinkelland.
Concluderend passen de 39 woningen van voorliggend plan in de resterende plancapaciteit van de grote kernen (inclusief Denekamp) zoals geraamd in het Dinkellandse Volkshuisvestingsprogramma.
Kwalitatieve behoefte
Het Volkshuisvestingsprogramma 2025-2029 van gemeente Dinkelland omschrijft de onbalans tussen de woningvraag (inclusief woonbehoeften van inwoners) en woningaanbod in de gemeente. Samenvattend is deze onbalans zichtbaar op verschillende aspecten.
Sociaal huuraanbod: Dinkelland kent een relatief laag aandeel sociale huurwoningen in vergelijking met andere gemeenten, terwijl er een groeiende vraag is naar betaalbare woningen (sociale huur en betaalbare koop) voor bijvoorbeeld starters en urgentiegroepen. De huidige woningvoorraad bestaat namelijk uit 75% koopwoningen en 25% huurwoningen (waarvan 13% sociale huur en 12% particuliere huur). Dit maakt dat de gemeente een relatief laag sociaal huuraanbod heeft in vergelijking tot andere Nederlandse gemeenten (gemiddeld 27%).
Gemeentelijk beleid (Volkshuisvestingsprogramma) en de afspraken in de Woondeal Twente hebben als uitgangspunt om 30% van de woningbouwopgave te realiseren in de sociale huur. Dit voorliggende plan zal dan ook in perspectief moeten worden gezien tot de eerder gerealiseerde fase (fase 1) van Denekamp Oost. In de eerste fase zijn reeds 44 koopwoningen gerealiseerd (6 vrijstaand, 12 twee-onder-een kap, 14 rijwoningen en 12 levensloopbestendige woningen) en geen enkele sociale huurwoning. Met toevoegen van voorliggend woningbouwprogramma zal het percentage sociale huurwoningen in het totale plangebied van Denekamp Oost (fase 1 en 2a) uitkomen op 27,7% (23/83 woningen). Dit ligt in lijn met gemeentelijk beleid en regionale afspraken (Woondeal Twente).
Woninggrootte: Het huidige woningaanbod in Dinkelland bestaat voor een groot deel uit relatief grote eengezinswoningen (gemiddeld 162 m2, ten opzichte van 120 m2 in NL), terwijl de vraag naar kleinere woningen voor 1-/2 persoonshuishoudens, zoals appartementen, beneden-bovenwoningen en zorggeschikte woningen, toeneemt. Derhalve is het noodzakelijk om kleinere woningen voor 1-/2 persoonshuishoudens toe te voegen aan de bestaande woningvoorraad. Dit draagt bij aan de in- en doorstoom op de woningmarkt.
Betaalbaarheid: Met name starters, jongeren en lage- tot middeninkomens (één tot anderhalf maal modale inkomens) hebben moeite om passende woonruimte te vinden binnen hun financiële mogelijkheden. Het tekort aan betaalbare koop- en huurwoningen leidt tot een toename van woningzoekenden die tussen wal en schip vallen. Derhalve is het noodzakelijk om meer betaalbare woningen (sociale huur en betaalbare koop) aan de woningvoorraad toe te voegen.
Kwetsbare doelgroepen en zorgbehoefte: De toenemende behoefte aan woningen voor ouderen, zorgbehoevenden, aandachts- en urgentiegroepen en jongeren wordt momenteel niet volledig gedekt door het beschikbare woningaanbod binnen de Dinkellandse woningmarkt.
Specifieke doelgroepen waarbij de woonbehoefte extra aandacht verdient volgens het Volkshuisvestingsprogramma (exclusief intramurale woon-zorg groepen, arbeidsmigranten en woonwagenbewoners) zijn als volgt:
Starters: Om starters in de gemeente beter te kunnen bedienen in de woonbehoefte stelt gemeente Dinkelland om de komende jaren meer betaalbare koopwoningen toe te voegen aan de woningvoorraad. Deze groep heeft vooral behoefte aan (sociale)huurwoningen, goedkope en betaalbare koopwoningen, maar een deel heeft ook mogelijkheden in een duurder segment. Het toevoegen van betaalbare koopwoningen is tevens nodig om meer mogelijkheden te creëren voor o.a. starters die een te hoog inkomen hebben voor de sociale huur, maar te weinig verdienen om een woning uit de huidige voorraad te kunnen betalen.
Ouderen: In gemeente Dinkelland is vergeleken met het landelijk en regionaal gemiddelde sprake van een sterkere vergrijzing. Niet al deze ouderen kunnen intramuraal wonen in relatie tot hun zorgbehoefte. Daarnaast speelt ook mee dat veel van deze ouderen het liefst zo lang mogelijk in hun eigen vertrouwde omgeving en woning willen blijven wonen. Er is vooral behoefte aan levensloopgeschikte woningen, in zowel het huur als koop segment. Daarom stelt de gemeente in het Volkshuisvestingsprogramma dat ze rekening houdt met het realiseren van 145 nultredenwoningen, 40 geclusterde woningen en 90 zorggeschikte woningen. Dit is in lijn met het landelijk programma 'Wonen en Zorg voor Ouderen' vanuit de ministeries van ZBK en VWS, de regionale Woonzorgvisie (Twente) en de lokale Woonzorgvisie (gemeente Dinkelland), als integraal onderdeel van het Volkshuisvestingsprogramma.
Urgentiegroep statushouders: Een statushouder is een voormalig asielzoeker met een verblijfsvergunning en maken deel uit van de Nederlandse maatschappij, zo ook in Dinkelland. De Huisvestingswet regelt de verantwoordelijkheid van de gemeenten waar het gaat over het aanbieden van woonruimte. De Rijksoverheid bepaalt elk half jaar hoeveel mensen vanuit de asielzoekerscentra moeten doorstromen naar reguliere huisvesting. Dit landelijk bepaalde aantal wordt verdeeld over alle gemeenten, naar rato van het inwoneraantal, dit heet de gemeentelijke taakstelling. Het Volkshuisvestingsprogramma stelt dat gemeente Dinkelland een grotere taakstelling statushouders heeft dan sociale huurwoningen beschikbaar. Gemeente Dinkelland houdt rekening met het toevoegen van extra permanente sociale huurwoningen, waarmee o.a. starters, ouderen maar ook de urgentiegroep statushouders kunnen worden bediend.
Kortom, het volkshuisvestingsprogramma stelt dat de bestaande woningvoorraad in Dinkelland veelal grote koopwoningen bevat, weinig sociaal huurwoningen heeft ten opzichte van het landelijk gemiddelde, en dat er additionele levensloopbestendige (nultreden)woningen nodig zijn om aan te kunnen blijven sluiten bij de veranderende (vergrijzende) demografie. Daarnaast ligt er nadruk op het invullen van de woonbehoefte van specifieke doelgroepen, namelijk starters, ouderen en statushouders.
Om bij te dragen aan deze kwalitatieve woningbehoefte is voorliggend plan 'Denekamp Oost fase 2a' ontwikkeld. Het plan betreft 39 woningen in een mix van diverse woningtypen en eigendomsvormen, waaronder:
De samenstelling van woningtypen en eigendomsvormen sluit derhalve goed aan bij de grote behoefte aan sociale huur (voor starters, ouderen, urgentiegroepen en 1-/2 persoonshuishoudens), evenals betaalbare kavels voor koopwoningen (voor starters en ouderen), en de behoefte aan levensloopbestendige (nultreden)woningen (voor bijvoorbeeld senioren) in het kader van de vergrijzing en de gedefinieerde behoefte aan nultredenwoningen.
Concluderend draagt het Plan 'Denekamp Oost fase 2a' bij aan de invulling van de kwalitatieve woningbehoefte in Dinkelland, met een focus op sociale huurwoningen, levensloopbestendige (nultreden)woningen en betaalbare kavels voor koopwoningen, gericht op doelgroepen met een grote en urgente woningbehoefte.
Binnenstedelijke alternatieven
Het Volkshuisvestingsprogramma biedt inzicht en overzicht in de totale woningbouwprogrammering van de Dinkellandse kernen. De binnenstedelijke alternatieven die geschikt en beschikbaar zijn, worden momenteel ontwikkeld en staan als harde (122) en zachte (162) plancapaciteit op de planlijst (bijlage 2 van het Volkshuisvestingsprogramma). De zachte plancapaciteit wordt in de periode 2025-2028 naar verwachting met gemiddeld 41 woningen per jaar omgezet in harde plancapaciteit. Al deze locaties tezamen voorzien niet in de totale woningbouwbehoefte van de kern Denekamp. Daarnaast zijn enkele alternatieve locaties onderzocht:
Ten slotte sluit voorliggend plan aan op de zuidzijde van de meest recent ontwikkelde nieuwbouwlocatie (Denekamp Oost fase 1). Aan de westzijde sluit dit plan aan op de bestaande woonkern van Denekamp.
Concluderend zijn er binnen het bestaand stedelijk gebied van de kern Denekamp geen alternatieve geschikte locaties beschikbaar.
Algemeen
Een milieueffectrapportage (mer) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de mer is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Uit bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen:
Indien een wijziging van het omgevingsplan wordt opgesteld dat een kader vormt voor een project-mer-(beoordelings)plichtige projecten dan is een plan-mer aan de orde (artikel 16.36 lid 1 Ow). Ook is een plan-mer aan de orde als voor plan / programma een passende beoordeling voor natuur moet worden opgesteld zoals bedoeld in artikel 16.53c Ow (artikel 16.36 lid 2 Ow). Als een plan wordt gemaakt voor een klein gebied op lokaal niveau of het plan maakt een kleine wijziging mogelijk, kan worden volstaan met een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36 lid 3 Ow) als uit de beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten heeft.
Plan-mer-beoordeling
Gezien het gaat om een plan voor een klein gebied op lokaal niveau, is een plan-mer beoordeling uitgevoerd (14 februari 2025). Belangrijkste uitkomst van de beoordeling is dat het project niet mer-plichtig is. Het onderzoek is toegevoegd als Bijlage 2 en is opgesteld conform de inhoudelijke eisen van artikel 11.10 van het Omgevingsbesluit.
Conclusie
Op basis van bovengenoemde beoordeling van kenmerken en locatie van het plan, en de kenmerken van het potentiële effect van het plan, is vastgesteld dat er geen sprake is van een plan dat belangrijke gevolgen heeft. Het milieueffectrapport hoeft niet te worden gemaakt (artikel 16.43 jo. artikel 16.53 Ow).
Algemeen
De visie op verkeer en vervoer is opgenomen in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2018. De verkeersgeneratie moet worden bepaald aan de hand van de meest recente CROW-uitgave 'toekomstig parkeren' (uitgave 381). De toename en de verkeersveiligheid wordt beoordeeld aan de hand van de verkeersgeneratie en de wegencategorisering in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2018. Er moet worden beoordeeld of de betreffende weg/wegen de toename aan het verkeer kunnen afwikkelingen en niet leidt tot verkeersonveilige situaties. Het parkeren wordt getoetst aan de Beleidsnotitie bouwen & parkeren 2018.
Verkeerskundige effecten ontwikkeling (verkeersgeneratie en -afwikkeling)
De verkeersgeneratie is bepaald aan de hand van de meest recente CROW-uitgave. Deze kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeersgeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen. De verkeersaantrekkende werking is berekend op basis van het woningbouwprogramma.
Het verkeer zal worden ontsloten via de Sombeekweg naar de Scandinaviëroute. Daarnaast komt er via het Berkenbos een ontsluiting op de Gildehauserdijk. De vervoersbewegingen zijn geschat op 16,4 + 109,2 + 81,4 = 207 voertuigbewegingen per etmaal. De Sombeekweg en de Gildehauserdijk heeft voldoende capaciteit om de extra verkeersbewegingen te verwerken.
De interne wegenstructuur wordt ingericht volgens de principes van Duurzaam Veilig met een maximumsnelheid van 30 km/uur. Voetgangers en fietsers krijgen eigen verbindingen naar de omliggende gebieden.
Parkeren
Voor het bepalen van de parkeerbehoefte vormen de gemeentelijke parkeernormen, de rekensystematiek definities, uitgangspunten en de afmetingen van de parkeerplaatsen in de gemeentelijke 'Beleidsnotitie Bouwen en Parkeren 2018' het toetsingskader.
Ter plaatse van het plangebied geldt het facetbestemmingsplan parkeren Dinkelland (vastgesteld 2018). Hierin wordt verwezen naar het voldoen aan de normen in de beleidsregels die zijn vastgelegd in de 'Beleidsnotitie Bouwen en Parkeren 2018'.
Het benodigd aantal parkeerplaatsen volgt uit 2 vrijstaande woningen, 14 twee-onder-één kap woningen, 5 rijtjeswoningen en 18 appartementen. De appartementen zijn gericht op één- of tweepersoonshuishoudens met een oppervlakte tussen de 75m² t/m 100m². Vanwege deze oppervlakte kan er 1 parkeerplaats per appartement worden aangehouden. Voor de 2 vrijstaande woningen en 14 twee-onder-één kapwoningen worden 16 parkeerplaatsen gerekend die worden opgevangen met eigen opritten. Het plan voorziet in 51 openbare parkeerplaatsen. In totaal worden 67 parkeerplaatsen gerealiseerd. De parkeerbehoefte is als volgt bepaald:
Tabel 5.4: Parkeerbehoefte
| Type | Aantal | Parkeernorm | Totaal benodigde parkeerplaatsen |
| Vrijstaand | 2 | 2,3 | 4,6 |
| Twee-onder-één kap | 14 | 2,2 | 30,8 |
| Rijwoningen | 5 | 2,0 | 10 |
| Appartementen | 18 | 1,0 | 18 |
| Totaal benodigd | 63,4 |
Met een totaal (afgerond) aantal benodigde parkeerplaatsen van 64 en een totaal aantal aanwezige parkeerplaatsen van 67 voorziet het plan in voldoende parkeerplaatsen. De realisatie en instandhouding van deze parkeerplaatsen zijn geborgd in de regels.
Conclusie
Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren geen belemmeringen vormt voor de ontwikkeling.
De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit.
Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan of afwijken van het omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:
Situatie plangebied
Het plangebied ligt niet in of direct grenzend aan beschermd natuurgebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, Dinkelland, ligt op 1,5 km afstand. Hierdoor kunnen negatieve effecten zoals verstoring door licht of geluid worden uitgesloten. Tijdens de aanleg- en gebruiksfase kan sprake zijn van een toename van stikstofdepositie op Natura2000-gebieden. Een AERIUS-berekening voor stikstofdepositie is uitgevoerd in april 2025 voor zowel de aanleg- als gebruiksfase (zie Bijlage 3). Uit de ecologische voortoets blijkt dat het plan geen significante effecten heeft op Natura 2000-gebieden.
Met betrekking tot de invoergegevens van de AERIUS-berekening is uitgegaan van deels elektrisch materieel. Deze uitgangspunten worden geborgd in het omgevingsplan.
Conclusie
Het project betreft, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, geen Natura 2000-activiteit en is gezien artikel 5.1 van de Omgevingswet niet vergunningplichtig. De voortoets voor het plan voldoet ten aanzien van de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden aan artikel 10.24, lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten.
Situatie plangebied
De plannen leiden niet tot vermindering van de oppervlakte of de samenhang tussen de gebieden van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN worden niet aangetast. Negatieve effecten op het NNN kunnen hierdoor worden uitgesloten. De dichtsbijzijnde NNN bevindt zich op minstens 800 meter afstand. In onderstaande afbeelding is de ligging van het plangebied ten opzichte van het NNN weergegeven.
Figuur 5.5: Ligging plangebied ten opzichte van NNN
Conclusie
De invloedsfeer van het voornemen is lokaal, waardoor de voorgenomen ontwikkeling geen negatief effect zal hebben op de kernkwaliteiten en omgevingscondities van het NNN.
Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren.
Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of:
In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.
Situatie plangebied
In februari 2025 is een natuurtoets uitgevoerd om na te gaan of het plan vanuit ecologisch oogpunt uitvoerbaar is. De natuurtoets is toegevoegd als Bijlage 4 van de motivering.
Uit de toetsing komt naar voren dat negatieve effecten op verblijfplaatsen van vleermuizen, jaarrond beschermde nesten van vogels en/of beschermde soorten uitgesloten kunnen worden mits rekening wordt gehouden met het broedseizoen en verstoring van vleermuizen wordt voorkomen.
Negatieve effecten op overige broedende vogels worden bij voorkeur voorkomen door buiten het broedseizoen te werken, dus buiten de periode (half februari) half maart tot half juli (eind september). Het is ook mogelijk voor het broedseizoen te starten met de werkzaamheden en continu door te werken. Dan is het waarschijnlijk dat vogels niet in het plangebied gaan broeden vanwege de continue verstoring.
Is de wens om de werkzaamheden in het broedseizoen te starten, dan is het nodig het plangebied voorafgaand aan de start te laten inventariseren op broedgevallen door een broedvogeldeskundige. Zijn er op dat moment vogels aan het broeden, dan kunnen de werkzaamheden pas starten als de jongen zijn uitgevlogen.
Daarnaast dient verstoring van vleermuizen voorkomen te worden door geen licht op de bomenrij en de houtsingel te laten schijnen.
Ten aanzien van de niet-vrijgestelde rugstreeppad worden maatregelen aanbevolen om vestiging van de rugstreeppad tijdens de aanlegfase te voorkomen.
Conclusie
Het aspect soortenbescherming vormt geen belemmering voor het voornemen.
Algemeen
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.
Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:
Situatie plangebied
Het voornemen betreft de realisatie van maximaal 39 woningen. Gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan vallen onder de standaardgevallen NIBM. De grens voor een standaardgeval NIBM ligt bij één ontsluitingsweg bij 1.500 woningen. Aangezien het hier gaat om de realisatie van maximaal 39 woningen, is er sprake van een niet-in-betekenende-mate effect op de luchtkwaliteit.
Het projectgebied bevindt zich daarnaast ver buiten de aandachtsgebieden voor luchtkwaliteit. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit is daarmee overbodig.
Voor de volledigheid is de Atlas Leefomgeving geraadpleegd om te bekijken wat de luchtkwaliteit is ter plaatse. In onderstaande figuur is de concentratie fijnstof weergeven als indicatie voor de luchtkwaliteit. Een aanvaardbaar woon- en leefomgeving wordt gewaarborgd.
Figuur 5.6: Fijnstof als indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied (geraadpleegd: 17-12-2024)
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het voornemen.
In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu stelt het Besluit kwaliteit leefomgeving regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken (afdeling 3.5 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge).
Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl) gelden specifieke regels. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.
In dat kader zijn de regels in paragraaf 22.3.4 Bruidsschat van toepassing. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (artikel 22.57 Bruidsschat). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten:
Geluidsgevoelige gebouwen
De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel.
Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Geluidbeleid
De gemeente beschikt over eigen geluidbeleid, namelijk het 'Gebiedsgericht geluidbeleid van de gemeente Dinkelland' en de 'Nota hogere grenswaarden'. Het bevoegd gezag kan gemotiveerd afwijken van het geluidbeleid en een hogere waarde toekennen, indien aangetoond is dat aan de hoofd- en ontheffingscriteria kan worden voldaan. De gemeente past hierbij primair akoestische compensatiemaatregelen toe. Deze zijn per geluidsklasse verschillend.
Het plangebied maakt onderdeel uit van het gebiedstype 'Woonwijk'. Voor dit gebiedstype geldt de ambitiewaarde voor wegverkeer 'redelijk rustig' (48 dB) en de bovengrens 'onrustig' (53 dB).
Het bevoegd gezag beoordeelt het geluid bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied. Dit is een gebied waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde. Wegen, spoorwegen en industrieterreinen hebben een geluidsaandachtsgebied. Verder kan geluidhinder worden ondervonden als gevolg van omliggende bedrijvigheid. Ook het plan zelf kan geluidhinder opleveren voor de omgeving. Hierna worden deze aspecten behandeld voor de beoogde ontwikkeling.
Weg- en railverkeerslawaai
In het omgevingsplan zijn nog geen geluidsaandachtsgebieden opgenomen. Daarom gelden voor wegen en spoorwegen de volgende afstanden:
De gevels van de geluidgevoelige gebouwen bevinden zich op meer dan 200 meter van de Scandinavië-route (N342). Daarmee bevinden de woningen zich buiten het geluidsaandachtgebied van deze weg. Nader onderzoek vanwege het geluid van wegverkeer van deze weg is niet aan de orde.
Het plangebied bevindt zich wel binnen het geluidaandachtsgebied van de Sombeekweg. In de eerste fase van Denekamp Oost is reeds de geluidbelasting, gecumuleerd met de Scandinavië-Route, inzichtelijk gemaakt ten behoeve van die fase. Het onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 6 De uitkomst hiervan is dat de waarden voor Lden maximaal 48 dB(A) bedraagt. Gezien de grotere afstand tot fase 2a en de woningen in fase 1 is het niet aannemelijk dat de standaardwaarden worden overschreden ter plaatse van het plan en wordt verder onderzoek onnodig geacht.
Industrielawaai
Er bevinden zich geen gezoneerde industrieterreinen in de omgeving.
Bedrijvigheid
Voor de beoordeling van geluid door bedrijfsmatige activiteiten zijn twee kaders van belang: de waarden uit de Bruidsschat (artikel 22.57) voor geluid door activiteiten en de VNG-handreiking 'Activiteiten en milieuzonering' (2024) voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Voor dit plan is specifiek gekeken naar het bedrijventerrein Sombeek III, waar bedrijven tot en met milieucategorie 3.2 zijn toegestaan. In de eerste fase van Denekamp Oost is al onderzoek gedaan naar een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daaruit blijkt dat een afstand van minimaal 50 meter tussen bedrijfspercelen en woningen voldoende is voor een acceptabel geluidniveau. Dit past binnen de richtafstanden voor gemengd gebied uit de VNG-handreiking. Bij deze afstand worden de bedrijven niet beperkt in hun bedrijfsvoering.
Fase 2a ligt op grotere afstand dan fase 1, waarbij fase 1 als buffer fungeert tussen het bedrijventerrein en het plangebied. De afstanden tot bedrijven zijn ruimer dan in fase 1. Hierdoor is aannemelijk dat voldaan kan worden aan zowel de standaardwaarden uit de Bruidsschat als aan een evenwichtige toedeling van functies. In de omgeving zijn geen andere relevante bedrijfsmatige activiteiten aanwezig die vanuit geluidoogpunt een belemmering vormen. Nader onderzoek naar geluid door bedrijfsmatige activiteiten is niet aan de orde.
Conclusie
Gelet op het vorengaande leidt het aspect geluid afkomstig van o.a. wegen niet tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Woonwijken zijn geen relevante bron van geluidshinder.
Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van fase 2a van Denekamp Oost.
Algemeen
In het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Dit volgt uit artikel 5.92 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Rekening houden met geur werkt twee kanten op:
Er moet dus overwogen worden wat de beste locatie is voor een geurveroorzakende activiteit. Of de beste locatie voor een geurgevoelig gebouw.
De geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw moet aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat beoordeeld moet worden of waarden, afstanden en gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. De gemeente heeft beleidsvrijheid om te bepalen welke mate van geurhinder aanvaardbaar is.
Bij het bepalen of geurregels in het omgevingsplan worden vastgelegd, spelen de volgende aspecten een rol:
Er moet ook rekening worden gehouden met mogelijke cumulatie van geur door meerdere activiteiten.
Voor een aantal activiteiten moet de gemeente geurregels opnemen in het omgevingsplan. Hiervoor staan instructieregels in het Bkl. Dit geldt voor rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi's), het houden van landbouwhuisdieren en andere agrarische activiteiten. Voor andere geurveroorzakende activiteiten kan de gemeente kiezen welke geurregels ze in het omgevingsplan geurregels stelt. De locatiekeuze bepaalt welke regels moeten gelden.
Als in het omgevingsplan regels over geur vanwege rwzi's of agrarische activiteiten zijn opgenomen, dan moet er ook een bebouwingscontour geur worden vastgelegd. Binnen de bebouwingscontour geldt een 'hoge bescherming', daarbuiten een 'lage bescherming' (artikel 5.97 Bkl). De gemeente wijst in ieder geval een bebouwingscontour aan rond het stedenbouwkundig samenstel van bebouwing. Het gaat hierbij om bebouwing voor:
Ook de openbare of sociaal-culturele voorzieningen en infrastructuur die bij deze bebouwing horen, vallen onder dit samenstel.
Zolang het tijdelijke omgevingsplan geldt, zijn voor 'geur' de regels uit de Bruidsschat (BS) van toepassing. En dus ook de regels over de bebouwde kom (paragraaf 22.3.6 BS), in plaats van een bebouwingscontour geur. De Bruidsschat bevat regels over:
Bij deze toets kan de Geurverordening van Dinkelland van belang zijn.
Situatie plangebied
Woningen zijn geurgevoelige gebouwen in het kader van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
Uit toetsing blijkt dat de dichtsbijzijnde relevante geuremitterende activiteit in de omgeving van het plangebied zich bevindt op ongeveer 300 meter afstand. Het betreft het bedrijf aan de Brandlichterweg 67 in Denekamp. Voor geurgevoelige gebouwen (voorheen: geurgevoelige objecten) binnen de bebouwde kom geldt een afstandsnorm van 100 meter (Bruidsschat artikel 22.101). Aan deze afstand wordt ruim voldaan.
Er zijn geen andere relevante geuremiterende activiteiten nabij het plangebied. Het aspect geur vormt geen belemmering voor het voornemen, daarnaast worden bedrijven niet beperkt in de bedrijfsvoering.
Dit betekent dat er verder geen bedrijven of activiteiten aanwezig zijn die een zodanige geurbelasting veroorzaken dat deze van invloed zou kunnen zijn op het woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen.
Conclusie
Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
Algemeen
Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij dit wijzigingsbesluit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van een branden, rampen of crises. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten:
Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving:
Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico's is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Voor het project moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden.
Voor een project dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het project kwetsbare gebouwen worden toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl).
Situatie plangebied
Het plangebied is getoetst aan de risicovolle activiteiten in de omgeving via het Register externe veiligheidsrisico's (REV). In figuur 4.3 is een uitsnede weergeven. Op basis hiervan zijn de volgende aspecten beoordeeld:
Plaatsgebonden risico
Binnen een straal van 680 meter van het plangebied bevinden zich geen risicovolle inrichtingen, transportroutes gevaarlijke stoffen of buisleidingen die relevant zijn voor het plaatsgebonden risico. De dichtstbijzijnde risicobron betreft een gasleiding van de Gasunie, waarvan het invloedsgebied niet tot het plangebied reikt.
Groepsrisico
Het plangebied ligt niet binnen een aandachtsgebied voor brand, explosie of gifwolk. Een nadere beoordeling van het groepsrisico of aanvullende bouweisen zijn daarom niet noodzakelijk.
Overige veiligheidsaspecten
Er zijn geen belemmeringengebieden van buisleidingen, vuurwerkbedrijven, ontplofbare stoffen of luchthavens die van invloed zijn op het plangebied.
Figuur 5.7: Risicovolle activiteiten in de omgeving (bron: REV)
Conclusie
Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor het voornemen.
Algemeen
Het aspect 'trillingen' is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat (BS). Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a BS.
In het algemeen moet binnen een afstand van 100 meter van het spoor het risico op trillingshinder worden beoordeeld. In sommige gevallen kan het zelfs nodig zijn om het onderzoeksgebied tot 250 meter aan weerszijden van het spoor uit te breiden. De afwegingen daarvoor zijn in de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen opgenomen. Met behulp van deze handreiking kunnen plannen worden gemaakt voor een gezonde fysieke leefomgeving.
Situatie plangebied
De Atlas Leefomgeving (d.d. 26 juni 2024) is geraadpleegd om na te gaan of er permanente bronnen van trilling in de omgeving zijn. Dit kunnen spoorwegen of bepaalde type industrie zijn. Er zijn geen permanente bronnen van trillingen in de omgeving van het plangebied. Verder onderzoek naar trillingen is daarmee overbodig.
Conclusie
Trillingen vormen geen belemmeringen voor het plan.
Algemeen
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn ter bescherming van archeologische en cultuurhistorische waarden een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.
Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is vooruitlopend op de Omgevingswet opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst.
Situatie plangebied
Archeologie
In het kader van de ontwikkeling Denekamp-Oost is door Hamaland Advies een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor het gehele ontwikkelgebied, waaronder het voorliggende plangebied fase 2a. Dit onderzoek bestond uit een bureauonderzoek conform BRL 4002 en een verkennend booronderzoek conform BRL 4003.
Het plangebied heeft volgens de gemeentelijke verwachtings- en beleidsadvieskaart een middelmatige archeologische verwachting. Uit het cartografisch onderzoek blijkt dat het gebied lang een heideveld is geweest, dat in de loop van de 19e en 20e eeuw na ontginning veranderde in wei- en bouwland. In circa de helft van het plangebied is een intacte veldpodzol aangetroffen. In de overige boringen is sprake van A/C-profielen, waarbij de oorspronkelijke podzolbodem door grondbewerking is opgenomen in de subrecente bouwvoor.
Vanwege de grootschalige bodemverstoring tot in de natuurlijke ondergrond door de jonge heideontginning en het landbouwkundig gebruik vanaf circa 1935 wordt vervolgonderzoek niet noodzakelijk geacht. De regioarcheoloog heeft het rapport en selectieadvies op 21 december 2020 beoordeeld en onderschrijft de conclusies. Op basis van het uitgevoerde archeologische onderzoek kunnen de voorgenomen activiteiten binnen het plangebied worden vrijgegeven. Het onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 7.
Cultuurhistorie
Op basis van de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Overijssel ligt het plangebied in het "Dinkelland". Ter plaatse heeft het plangebied enkel 'gemiddelde' waardering voor het thema ruilverkavelingen. Andere waarden zijn ter plaatse niet aan de orde. In figuur 4.5 is een uitsnede van de waarderingskaart weergeven.
Figuur 5.8: Waardenkaart terplaatse, geel geeft een gemiddelde waardering voor ruilverkaveling weer (bron: Waardenkaart Overijssel)
Landschap
Het plangebied bevindt zich in het landschapstype 'Heideontginningen en bossen'. In onderstaande afbeelding is de aanmerking weergeven.
Figuur 5.9: Landschapstype plangebied
Het plan houdt hier rekening mee. In het beeldkwaliteitsplan Bijlage 5 is de wijze van inpassing nader toegelicht.
Conclusie
De aspecten archeologie, cultuurhistorie en landschap vormen geen belemmering voor het voornemen.
Algemeen
Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet (AbO) opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het AbO bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders die de Omgevingswet voor deze vormen van gebruik stelt, zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid.
De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door:
Artikel 5.89i Bkl bepaalt dat waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, opgenomen worden in het definitieve omgevingsplan. Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 AbO).
Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het AbO en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal):
Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit.
Situatie plangebied
Met het voornemen wordt bodemgevoelige bebouwing mogelijk gemaakt. Op de onderzoekslocatie is in het verleden in 2019 een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd. Het voorgaande bodemonderzoek wordt niet meer als geheel representatief beschouwd.
Om te toetsen of de gronden veilig zijn voor gebruik als woonwijk is een actualiserend bodemonderzoek uitgevoerd door Sigma (4 februari 2025). Het onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 8 van de motivering. Op basis van de resultaten van het uitgevoerde bodemonderzoek geldt, ten aanzien van de milieuhygiënisch kwaliteit van de bovengrond, geen belemmering voor het beoogde gebruik van de onderzoekslocatie.
Conclusie
Het aspect bodem vormt geen belemmering voor het voornemen.
Algemeen
Artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl regels met betrekking tot:
Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de oorspronkelijke watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven.
Ten slotte zijn de regels van art. 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de Bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de Bruidsschat zijn opgenomen voldoende. Met de bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften kan de gemeente voor specifieke bedrijven zo nodig aanvullende eisen stellen die passen bij de bedrijfssituatie.
In onderhavig geval is met name de waterschapsverordening van belang. Hierover is met het betreffende waterschap gesproken. Dit komt hieronder aan de orde.
Situatie plangebied
Het verhard oppervlakte neemt toe in de toekomst. Dit bestaat uit circa 3.725 m2 voor de toekomstige rijbaan, trottoirs en parkeerplaatsen (verhardingen). Voor het voornemen is een waterhuishoudkundig plan opgesteld door Geofoxx. Het waterhuishoudkundig plan is toegevoegd als Bijlage 9.
Daarnaast zal de bebouwing zorgen voor een toename van het verhard oppervlak met circa 3.520 m2. Dit is inclusief inritten en een parkeerplaats op particulier terrein. Hierbij is uitgegaan van 180 m2 verharding voor een vrijstaande woning, 140 m2 bij een twee-onder-één-kap woning, en 100 m2 voor een rijtjeswoning. De verhardingen zijn inclusief bestrating en oprit.
De gemiddelde hoogte grondwater (GHG) wordt geschat op 24 tot 24,2 meter NAP. Het watersysteem in fase 2a zal worden aangesloten op de bestaande waterstructuur van fase 1. In navolgende figuur is het huidige watersysteem weergegeven.
Figuur 5.10: Huidig watersysteem fase 1. Hierop wordt aangesloten in fase 2a (bron: Geofoxx)
De ontwikkeling heeft na realisatie een hoeveelheid verhard oppervlak van 7.245 m2. Compenserende maatregelen zijn ten tijden van het opstellen van het waterhuishoudkundig plan noodzakelijk conform het Gemeentelijk Riool Plan 2019-2024 en waterschapsverordening van waterschap Vechtstromen. In een actualisatie naar het programma Water en Riolerings Programma Dinkelland 2025 - 2030 blijft deze verplichting bestaan.
Boven de 1.500 m2 is compensatie met 40 mm noodzakelijk voor een uitbreidingslocatie, minus 3 mm inloopverlies (=37 mm). Het te bergen hemelwater zal in de openbare ruimte geborgen moeten worden en zo mogelijk geïnfiltreerd.
De totale bergingsopgave komt uit op 268 m3. Zie onderstaande tabel voor de berekening.
Het watersysteem bestaat uit een wadi in het centraal westelijk deel en het oostelijk deel van het plangebied. In het oostelijk terreindeel wordt de bestaande greppel, welke gegraven is rondom het project Tiny Houses, uitgebreid worden in westelijke richting. De wadi in het westelijk deel wordt verbonden met een duiker.
In totaal wordt hiermee circa 200 m3 waterberging gecreëerd. De overige 68 m3 waterberging is wordt voorzien in de wadistructuur van fase 1. Hier is een overcapaciteit in het hemelwatersysteem aangelegd vanwege de toekomstige uitbreidingen, in verband met de aflopende hoogte van zuid naar noord. De totale capaciteit van dit systeem is geschat op 1.100 m3, waarvan ongeveer 500 m3 in gebruik is voor fase 1.
De wadi's dienen te voldoen aan een doorlatendheid van 0,5 meter per dag. Omdat de doorlatendheid van de bodem matig is, wordt de aanleg van drainage aanbevolen. De wadi's moeten voorzien zijn van een slokop met overstort voor situaties waarin de waterstanden hoger worden dan 0,3 meter. Bij de dimensionering van de wadi's gelden de volgende uitgangspunten:
De westelijke wadi wordt aangelegd op een bodempeil van 24,35 m NAP met een maximaal waterpeil van 24,65 m NAP. De oostelijke wadi heeft een bodempeil van 24,25 m NAP. Het maximale waterpeil in normale neerslagsituaties is 24,55 m NAP, dat via een bestaande duiker aan de noordzijde wordt afgevoerd.
Vuilwater wordt aangesloten op het bestaande stelsel in fase 1. In onderstaande afbeelding is het beoogde watersysteem weergegeven. Verdere details van de aanbevelingen voor het watersysteem zijn opgenomen in het waterhuishoudkundigplan (Bijlage 9).
Figuur 5.11: Toekomstige waterberging, DWA is vuilwater, HWA hemelwater.
In combinatie met het water- en bodemsysteem van eerdere fases van Denekamp Oost, en het naastgelegen Tiny Houses, is het plan uitgevoerd om nu en in de toekomst voldoende klimaatrobuust te zijn. Hierbij is het overschot aan waterberging in het noorden van het plangebied Fase 1, en het watersysteem aanleggen in lijn met het natuurlijke verloop van het gebied een goed voorbeeld van.
Conclusie
Het aspect water vormt geen belemmering voor het voornemen.
Algemeen
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat in het algemeen een afstand van 50 meter moet worden aangehouden tussen gevoelige functies (zoals wonen) en agrarische bedrijvigheid waarbij bestrijdingsmiddelen worden gebruikt. Die zone van 50 meter wordt een spuitzone, een spuit(vrije)zone of een milieuzone genoemd.
Bij het vaststellen van een bestemmingsplan of omgevingsplan dat nieuwe gevoelige functies toelaat, moet de planwetgever voor de nabijgelegen agrarische percelen uitgaan van hetgeen op grond van het bestemmingsplan (of omgevingsplan) maximaal is toegelaten. Of feitelijk ook van die maximale mogelijkheden gebruik wordt gemaakt, is in principe niet relevant. Een nieuwe gevoelige functie kan namelijk een belemmering opleveren voor de toekomstige exploitatie op het agrarische perceel.
Situatie plangebied
Alle omliggende gronden rondom het plangebied zijn in eigendom van de gemeente Dinkelland. In onderstaande afbeelding zijn de gronden in gemeente eigendom paars gearceerd.
Figuur 5.12: Gronden in eigendom van de gemeente Dinkelland.
Omdat de omliggende gronden in eigendom van de gemeente zijn, en het voornemen is om hier verdere woningbouw mogelijk te maken, zullen hier geen agrarische activiteiten met bestrijdingsmiddelen of andere schadelijke stoffen plaatsvinden. De dichtsbijzijnde agrarisch perceel bevindt zich op ca. 200 meter afstand.
Conclusie
Spuitzones ten behoeve van agrarische bedrijvigheid zijn niet aan de orde.
De investeringen die nodig zijn voor de te realiseren ontwikkelingen moeten passen in de budgetten die daarvoor beschikbaar zijn. Partijen die bouwen in de kernen, dorpen en in het buitengebied dragen op twee manieren bij aan Dinkelland. Enerzijds door direct invulling te geven aan de visie voor de fysieke leefomgeving, zoals verwoord in MijnOmgevingsvisie. Anderzijds via financiering van deze ruimtelijke ontwikkelingen via kostenverhaal en financiële bijdragen voor ontwikkelingen ter verbetering van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ter uitvoering van deze visie heeft de gemeenteraad het Programma Kostenverhaal vastgesteld ten behoeve van een eenduidige en transparante manier van kosten verhalen bij bouwplannen en activiteiten vanwege gebruikswijzigingen in de gemeente.
De gemeente borgt het kostenverhaal en de financiële bijdrage voor een ruimtelijke ontwikkeling in een anterieure overeenkomst. Naast het kostenverhaal en een financiële bijdrage wordt in een anterieure overeenkomst ook het verhaal van nadeelcompensatie geregeld. Mogelijke claims voor nadeelcompensatie worden altijd doorgelegd aan initiatiefnemer.
In voorliggend geval is er geen spraken van te verhalen kosten omdat er sprake is van een gemeentelijk plan. Gelet op het vorengaande is het project financieel uitvoerbaar.
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van voorliggend TAM-omgevingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
Zoals in de inleiding is aangegeven betreft het hier een TAM-omgevingsplan. TAM-IMRO is bedoeld voor gemeenten die nog geen gebruik kunnen maken van het planvormingsdeel van het DSO. Bijvoorbeeld doordat de plansoftware nog niet alle daarvoor benodigde functies biedt. Het kan ook zijn dat de gemeente te weinig tijd rest om het planproces goed te beproeven. Of dat er nog onvolkomenheden zijn in de landelijke voorziening. Met TAM-IMRO kunnen gemeenten toch hun omgevingsplannen wijzigen.
Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. IMRO is een bekende en functionerende techniek. De TAM-IMRO vraagt niet om alternatieve software. Het gaat meer om langduriger gebruik van de bestaande systemen en koppelingen.
De regels en verbeelding van voorliggend TAM-omgevingsplan zijn dan ook opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP). De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van een bestemmingsplan. Dit TAM-omgevingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het TAM-omgevingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken:
De IMRO-standaarden maken het niet mogelijk om een regeling te beginnen met een ander hoofdstuk dan hoofdstuk 1. De naamgeving van het hoofdstuk kan worden gewijzigd, maar hoofdstuk 1 blijft altijd zichtbaar. De IMRO-standaarden bieden ook geen mogelijkheid tot het gebruik van paragrafen. Ook voor de artikelen geldt dat deze in IMRO automatisch worden genummerd en dat de nummering dus bij 'artikel 1' begint.
Voor het TAM-IMRO omgevingsplan is de IMRO hoofdstuk- en artikelnummering onhoudbaar, omdat het omgevingsplan van rechtswege al een hoofdstuk 1 en een artikel 1 kent. Deze nummers zijn dus al bezet. Om duidelijk te maken hoe een TAM-IMRO omgevingsplan zich verhoudt tot de rest van het omgevingsplan, stelt de VNG voor om na het object Regels en voor het toevoegen van het object Hoofdstuk een preambule op te nemen. De preambule geeft aan hoe het TAM-IMRO omgevingsplan in samenhang met de rest van het omgevingsplan gelezen moeten worden. Hieronder is de preambule weergeven.
Preambule
Dit plan beoogt het realiseren van maximaal 39 woningen in Denekamp-Oost. Juridisch is het plan een nieuw hoofdstuk in het omgevingsplan van de gemeente Dinkelland. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1 lid 2 Besluit elektronische publicaties bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
Als het TAM-IMRO omgevingsplan wordt geraadpleegd, is de preambule direct zichtbaar boven de regels.
Het voor een bepaalde locatie vaststellen van nieuwe regels in een TAM-IMRO omgevingsplan zorgt er niet voor dat de oude regels op die locatie automatisch vervallen. Met andere woorden: het is niet mogelijk om in een TAM-IMRO omgevingsplan te 'ponsen'. Om te voorkomen dat op een bepaalde locatie zowel nieuwe als oude regels gelden, wordt in dit TAM-omgevingsplan een toepassingsbereikbepaling opgenomen in artikel 3 van de inleidende regels:
Artikel 3 (Toepassingsbereik)
Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit:
In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangsregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met deze wijziging van het omgevingsplan.
Bij het opstellen van dit TAM-omgevingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen de functies in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld.
Groen (Artikel 4)
Op de gronden ter plaatse van de wadi's hebben de gronden een 'Groen' functie. De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn hoofdzakelijk bedoeld voor groenvoorzieningen, speelvoorzieningen, voet- en fietspaden, in- en uitritten, parkeervoorzieningen en water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Op deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd. Verder is zoveel mogelijk aangesloten op de tijdelijke delen van het omgevingsplan.
Verkeer (Artikel 5)
Daar waar binnen het plangebied parkeer- en verkeersvoorzieningen zijn beoogd is de functie 'Verkeer' opgenomen. Deze gronden zijn bestemd voor onder meer wegen, straten en (fiets)paden en parkeervoorzieningen. Op deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd. Verder is zoveel mogelijk aangesloten op de tijdelijke delen van het omgevingsplan.
Wonen - Wonen in de bebouwde kom (Artikel 6)
Ter plaatse van de beoogde woningen is de functie 'Wonen – Wonen in de bebouwde kom' opgenomen. Deze gronden zijn hoofdzakelijk bedoeld voor wonen. Op de voor 'Wonen – Wonen in de bebouwde kom' bestemde gronden mag uitsluitend worden gebouwd voor zover dit in overeenstemming is met de omschrijving. Als hoofdgebouw mogen uitsluitend woningen worden gebouwd, waarbij geldt dat het aantal woningen per bouwvlak één is tenzij dat is aangegeven met de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden'.