| Plan: | Hoofdstuk 22n Weerselo, Bossenstrategie |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | TAM-Omgevingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1774.TAMBUIBOSSENSTRTG-VG01 |
Dit plan is tot stand gekomen door de behoefte van bosontwikkeling op twee percelen op het landgoed 't Oasterik te Weerselo. Het plangebied waar het om gaat ligt nabij de Plegtsweg 1. Deze bosontwikkeling wordt gerealiseerd in het kader van de Overijsselse Bossenstrategie, welke een nadere uitwerking is van de landelijke Bossenstrategie. De ambitie van de Bossenstrategie is dat er in Nederland in 2030 10% meer bos is. Bosuitbreiding is nodig om de klimaatdoelen te realiseren (vastlegging van koolstof) en draagt bovendien bij aan verhoging van de biodiversiteit en aan een gezondere leefomgeving.
Om het nieuwe bos in de toekomst veilig te stellen, wil de eigenaar de functie op het perceel laten wijzigen van 'Agrarisch-1' naar 'Bos en Natuur'. Om gebruik te kunnen maken van de Bossenstrategie subsidie heeft provincie Overijssel aangegeven dat eerst de functiewijziging naar 'Bos en Natuur' moet plaatsvinden.
Ligging
Het landgoed ligt ten westen van Weerselo en ten oosten van Almelo in de gemeente Dinkelland. Ten noorden van het landgoed loopt de Plegtsweg en Hollinkweg en ten zuiden loopt de Gunnerstraat. Het plangebied is gelegen nabij de Plegtsweg 1 te Weerselo en betreft een agrarisch perceel. Het ligt in het buitengebied van Weerselo. Kadastraal staat het plangebied bekend als perceel WSL02-T-545 en aangrenzend perceel WSL02-T-2012. De twee percelen hebben een totaal oppervlak van 43.962m2. In figuur 1.1 is de ligging van het plangebied globaal in het rood omcirkeld.
Figuur 1.1 Globale ligging plangebied omcirkeld in rood (Bron: Google Maps)
Begrenzing
De begrenzing van de percelen wordt in figuur 1.2 weergegeven met een rode omkadering. Aan de noordzijde grenst een woonfunctie. Aan de oost-, zuid en westzijde grenst het perceel aan agrarische percelen. Met in de zuid- oost kant een reeds bestaand bos.
Figuur 1.2 Begrenzing plangebied, plangebied globaal in rood omkaderd (Bron: kadastralekaart.com)
Beoordelingskader
De voorgenomen activiteit voldoet niet aan de regels van het omgevingsplan. Het initiatief kan alleen leiden tot een wijziging van het omgevingsplan als er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Om dit te kunnen beoordelen moeten alle voor de fysieke leefomgeving en milieu relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader worden onderzocht en afgewogen.
De taak om te voorzien in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties ligt primair bij de gemeente. De beleidsruimte van de gemeente wordt op verschillende manieren ingekaderd. De belangrijkste zijn de instructieregels van het Rijk en de provincie. Op basis van artikel 8.0b lid 1 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de volgende regels en instructies van toepassing:
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld.
Bij de beoordeling of wij een besluit willen nemen tot wijziging van het omgevingsplan is rekening gehouden met deze regels dan wel zijn de regels betrokken of in acht genomen.
Daarnaast heeft de gemeente haar beleidsruimte ingevuld met beleidsregels voor de fysieke leefomgeving, zodat de wijziging van het omgevingsplan ook hieraan wordt getoetst. Het gaat hier om de omgevingsvisie en de andere beleidsdocumenten voor de verschillende specifieke onderdelen.
De evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt met zich mee dat alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij dit projectgebied aan de orde zijn op een zorgvuldige wijze zijn afgewogen. De aanvrager wenst de gevraagde activiteiten te realiseren. De gemeente wenst de doelen uit haar beleid te verwezenlijken. De belangen van de omwonenden zijn gelegen in een goed woon- en leefklimaat. De omliggende bedrijven hebben belang bij een ongehinderde bedrijfsvoering en een goed werkklimaat.
Belangenafweging
De raad heeft bij het bepalen om een besluit tot wijziging van het omgevingsplan vast te stellen beleidsruimte om te bepalen of een bepaalde ontwikkeling met de daarbij behorende functies en maatvoering vanuit het oogpunt van evenwichtige toedeling van functies aan locaties aanvaardbaar is.
Een dergelijk besluit is immers in belangrijke mate afhankelijk van de inzichten die bij de gemeente bestaan over de wenselijk geachte ontwikkelingen in het projectgebied. Verder mag het project niet in strijd zijn met de instructie(regels)s van het Rijk en de provincie. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt met zich mee dat alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij dit projectgebied aan de orde zijn op een zorgvuldige wijze worden afgewogen.
Ondanks dat het initiatief in strijd is met het omgevingsplan kan worden besloten tot wijziging van het omgevingsplan, omdat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Zoals uit de hierna opgenomen hoofdstukken blijkt draagt het initiatief bij aan de visie en beleid die de gemeente voor dit plangebied heeft en blijkt dat wordt voldaan de instructieregels van het Rijk en provincie. In de voorbereidingsfase heeft bestuurlijke afstemming plaatsgevonden. Provincie en het waterschap zijn akkoord met het project. Verder is het project afgestemd met omwonenden en heeft initiatiefnemer daarvan een verslag overgelegd. Voorts zijn in hoofdstuk 5 de ruimtelijk relevante aspecten voor het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit afgewogen.
Gelet op alle aspecten die zijn afgewogen en de belangen van omwonenden, levert de wijziging van het omgevingsplan geen onaanvaardbare aantasting van deze belangen op. Het wijzigen van het omgevingsplan is evenwichtig en geschikt om het project te realiseren.
In hoofdstuk 2 wordt een omschrijving gegeven van de gewenste ontwikkeling.
In hoofdstuk 3 wordt het voorgenomen plan getoetst aan het omgevingsplan en worden de strijdigheden in beeld gebracht.
Hoofdstuk 4 omschrijft de toetsing van de ontwikkeling aan de visie en beleid voor het plangebied op rijks-, provinciaals en gemeentelijk niveau. Daarna wordt ingegaan op de resultaten van het (bestuurlijk) vooroverleg, het participatietraject.
In hoofdstuk 5 wordt getoetst aan de aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving waarbij eveneens wordt ingegaan op de verschillende milieuaspecten.
In hoofdstuk 6 komt de financiële haalbaarheid van het initiatief aan de orde.
Tot slot is in hoofdstuk 7 een toelichting op de planregels opgenomen.
Huidige situatie
In 2010 is het bestemmingsplan 'Buitengebied 2010' vastgesteld door gemeente Dinkelland. Deze is onderdeel van het 'Omgevingsplan gemeente Dinkelland' die in juli 2024 is vastgesteld. Het betreffende perceel is ingezet voor agrarische doeleinden (weiland of akker). Zie figuur 2.1. Figuur 2.2 geeft het plangebied weer vanaf de Plegtsweg.
Figuur 2.1 Luchtfoto van het plangebied (Bron: Google Maps)
Figuur 2.2 Zicht op planlocatie vanaf de Plegtsweg (Bron: Google Maps)
Toekomstige situatie
Zoals benoemd bij de huidige situatie zijn de percelen nog als weiland in gebruik. Het plan is om in het kader van de Overijsselse Bossenstrategie bos aan te planten. Op verzoek van provincie Overijssel wordt de functie gewijzigd op de betreffende percelen. Dit bos wordt aan de zuidkant van het plangebied geplant. Bij de aanleg van het bos wordt gestreefd naar een hoge toekomstbestendigheid door middel van het gemengd aanplanten van verschillende boom- en struiksoorten die passen bij de groeiplaats en zoveel mogelijk klimaatbestendig zijn. Tevens wordt rekening gehouden met het creëren van natuurlijke bosranden. Door hier nu goed rekening mee te houden wordt op langere termijn een structuurrijk bos ontwikkelt. Tabel 1 geeft de beplantingslijst per deelgebied aan. Deze lijst is opgesteld door Bosgroep Noord-Oost Nederland. Figuur 2.3 geeft het inrichtingsplan van het te bebossen gebied weer. Het gehele inrichtingsplan is te zien in Bijlage 1 Inrichtingsplan. Op deze kaart zijn de verschillende deelgebieden aangegeven.
Figuur 2.3 Inrichtingsplan landgoed 't Oasterik van Bosgroep Noord-Oost Nederland
Het te realiseren bos sluit aan op bestaand bos dat aan de zuidoost zijde van het plan gebied ligt. De ligging en vorm van het bos zijn in overeenstemming met soortgelijke bossen in de gemeente en de landschapsdeskundige ontwerpen. Aan de hand van het bodemtype, hoogteligging en grondwatertrappen is het bostype en de daarbij behorende boom- en struiksoorten bepaald. Hierdoor wordt er rekening gehouden met de omgeving van het plangebied. Door het vochtige karakter van het zuidelijke en oostelijke deel van het perceel, leent dit gebied (2a) zich het beste voor het creëren van een vochtig bostype. Langs het vochtige bos worden struiksoorten aangeplant (2b) om een geleidelijke bosrand te creëren. Langs het westen van het perceel loopt een houtwal, deze wordt versterkt door het aanplanten van verschillende boom- en struikvormers op gebied 1. De bomen worden in een rij aangeplant op een afstand van 1,5 meter van elkaar. De struikvormers worden rondom de bomen geplant.
Figuur 2.4 Weergave van horizontale bosstructuur uit inrichtingsplan Bosgroep Noord-Oost Nederland
Het initiatief heeft betrekking op de functiewijziging van een deel van twee agrarische percelen om beschermd bos te planten in het kader van de Overijsselse Bossenstrategie.
Het initiatief heeft betrekking op de volgende activiteiten:
De beoogde locaties liggen binnen het plangebied van het zogenoemde omgevingsplan van rechtswege van de gemeente Dinkelland.
Het plangebied is gelegen binnen de plangrenzen van het 'Omgevingsplan gemeente Dinkelland'. Het onderliggende van toepassing zijnde bestemmingsplan betreft 'Buitengebied 2010' en is onderdeel van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Het plangebied heeft de functie 'Agrarisch – 1'. In figuur 3.1 is een uitsnede van de plankaart van dit omgevingsplan opgenomen met kadastrale grenzen en het plangebied globaal in rood omkaderd.
Figuur 3.1 Uitsnede omgevingsplan gemeente Dinkelland (Bron: regels op de kaart)
De gronden met de functie 'Agrarisch – 1' zijn hoofdzakelijk bestemd voor agrarische activiteiten. Daaraan ondergeschikt zijn het behoud, het herstel en de ontwikkeling van natuurlijke waarden, doeleinden van agrarisch natuurbeheer, wegen en paden, beken, plassen, poelen, vennen, sloten en/ of andere watergangen en/ of -partijen. Daarnaast mag de grond ingezet worden als cultuurgrond, voor openbare nutsvoorzieningen worden gebruikt, extensief dag recreatief medegebruik en als terrein voor evenementen. Onder artikel 3.6.1 lid b en c van het bestemmingsplan 'Buitengebied 2010' word er voorgeschreven dat het aanplanten van houtgewassen en bomen onder de 1 hectare met een schriftelijke vergunning aangelegd kunnen worden onder de agrarische functie. Uit het inrichtingsplan van Bosgroep Noord-Oost Nederland komt naar voren dat de te beplanten gronden groter zijn dan 1 hectare. Zoals te zien is in tabel 1 in paragraaf 2.1. Om gebruik te maken van de subsidie die onderdeel is van de Bossenstrategie, heeft de provincie Overijssel de eis gesteld om eerst de functie te wijzigen naar 'Bos en Natuur' om de subsidie te verlenen voor het aanleggen van het bos.
De bruidsschat bevat regels over onderwerpen die tot het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet in nationale regelgeving waren opgenomen (door het Rijk opgestelde regels). Onder de Omgevingswet worden deze door gemeenten geregeld. De bruidsschat maakt onderdeel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. De bruidsschat bevat regels op het gebied van bouwen, milieubelastende activiteiten en overige activiteiten en is opgenomen in hoofdstuk 22 van de regels van het omgevingsplan. Het grootste gedeelte van deze regels is gericht op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Op dit moment zijn er geen artikelen uit de bruidsschat van toepassing op de beoogde ontwikkeling.
Toetsing aan nationaal, provinciaal en gemeentelijk beleid/kaders. Vanuit het oogpunt van beleidsdoorwerking vooral gericht op gemeentelijke (omgevings)visie en beleid.
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden.
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:
Toets
Het plan word gezien als ontwikkeling onder de toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijke gebied. Dit is één van de vier prioriteiten die de NOVI beschrijft. Het plan past binnen het Rijksbeleid de NOVI.
Provinciale Omgevingsvisie
De Omgevingsvisie Overijssel geeft de provinciale visie op de fysieke leefomgeving van Overijssel weer. Hierin worden onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur aangehaald in samenhang voor een duurzame ontwikkeling van de leefomgeving.
Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn de leidende principes of 'rode draden' bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel.
Provinciale Omgevingsverordening
De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren.
Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel van de provincie Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is.
Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel
De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten:
Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht.
Generieke beleidskeuzes
Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase het zgn. principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik gehanteerd. Hierin komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaand bebouwd gebied wordt benut, voordat er uitbreiding in de groene omgeving kan plaatsvinden.
Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en verbindingszones enzovoorts. De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend en verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel 2024.
Ontwikkelingsperspectieven
Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities. De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent door vertaald in de ontwikkelingsperspectieven.
Gebiedskenmerken
Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en lust- en leisurelaag) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en – opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt. Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.
Figuur 4.1 Uitvoeringsmodel omgevingsvisie Overijssel (Bron: provincie Overijssel)
Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten Omgevingsvisie Overijssel
Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan de Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld.
Generieke beleidskeuzes
Of een ontwikkeling mogelijk is, wordt bepaald op basis van generieke beleidskeuzes. Onder Afdeling 4.2 (Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking) van de Omgevingsverordening 2024 staan de generieke beleidskeuzes opgenomen. Artikel 4.2 stelt voor de provinciale doelstellingen voor ruimtelijke kwaliteit, duurzaamheid en sociale kwaliteit, aanvullende eisen op de Ladder voor duurzame verstedelijking en is gericht op de concentratie van stedelijke functies in kernen, het bevorderen van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en toekomstbestendigheid. Met betrekking tot dit project zijn de volgende beleidskeuzes van belang:
Artikel 4.6 (toekomstbestendigheid)
In omgevingsplannen worden alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt, anders dan voor tijdelijk gebruik, waarvan aannemelijk is dat die toekomstbestendig zijn en dus:
Toets
Het beoogde initiatief wordt aangelegd in het kader van de Overijsselse Bossenstrategie. Door de aanplant van nieuw bos wordt er bijgedragen aan het welzijn van mensen en wordt de natuurlijke voorraad aangevuld. In het aanplanten van het bos wordt er rekening gehouden met de lokale soorten. Het toevoegen van nieuw bos heeft een lange termijn toegevoegde waarde. Het initiatief is hiermee in overeenstemming met artikel 4.6 van de Omgevingsverordening Overijssel.
Artikel 4.8 (ontwikkelen met ruimtelijke kwaliteit)
In omgevingsplannen worden alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt die de ruimtelijke kwaliteit versterken.
Toets
Het beoogde initiatief wordt aangelegd in het kader van de Overijsselse Bossenstrategie. Door de aanplant van nieuw bos wordt de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied versterkt. De natuurlijke voorraad wordt namelijk aangevuld. In het nieuw aan te planten bos word er gebruik gemaakt van inheemse beplanting. Voor een nadere toelichting op de landschappelijke inpassing wordt verwezen naar Hoofdstuk 2 en Bijlage 1 Inrichtingsplan. Geconcludeerd kan worden dat onderhavig plan voldoet aan een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Het plan is daarmee in overeenstemming met artikel 4.8 van de Omgevingsverordening Overijssel.
Artikel 4.55 (nieuwe ontwikkelingen in Nationaal landschap Noordoost-Twente)
Lid 1
Een omgevingsplan voorziet alleen in nieuwe ontwikkelingen binnen het nationaal Landschap Noordoost-Twente als die nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan het behoud of de ontwikkeling van de kernkwaliteiten van dat landschap.
Lid 2
De kernkwaliteiten van het nationaal Landschap Noordoost-Twente zijn:
a. het samenhangend complex van beken, essen, kampen en moderne ontginningen;
b. de grote mate van kleinschaligheid;
c. het groene karakter.
Toets
Voorliggend initiatief wordt gerealiseerd in het kader van de Overijsselse Bossenstrategie. Deze heeft als kern het versterken van bos in Overijssel. Daarnaast word voorliggend initiatief ontwikkeld met de kernkwaliteiten van het nationaal Landschap Noordoost-Twente in gedachten. Het bos draagt kleinschalig bij aan het samenhangend complex aan beplanting en het groene karakter van het landschap. Geconcludeerd kan worden dat onderhavig plan voldoet aan het bijdragen van behoud van de kernkwaliteiten van het landschap. Het plan is daarmee in overeenstemming met artikel 4.55 van de Omgevingsverordening Overijssel
Ontwikkelingsperspectieven
De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. In het geval van het plangebied is het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap' van toepassing. Figuur 4.2 geeft de uitsnede van het ontwikkelingsperspectief behorende bij de Omgevingsvisie weer.
Figuur 4.2 Uitsnede ontwikkelperspectievenkaart, Omgevingsvisie Overijssel plangebied globaal rood gemarkeerd (Bron: provincie Overijssel)
Het plangebied valt onder ontwikkelperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap'. Het ontwikkelingsperspectief richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid.
De ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw, maar ook die voor de andere sectoren, willen we in dit ontwikkelingsperspectief nadrukkelijk verbinden met behoud en versterking van cultuurhistorische, natuurlijke en landschapselementen.
Toets
Het voorliggende project zorgt ervoor dat er een nieuw bos wordt aangelegd die beschermd wordt onder de functie 'Bos en Natuur'. Het aanleggen van een nieuw kleinschalig bos zorgt voor toevoeging van nieuw bos aan een landschap die zich kenmerkt met kleinschalige bossen en het groende karakter. Het initiatief doet geen afbreuk aan het eigen karakter van het gebied en leveren geen extra belemmeringen op voor de omgeving.
Gebiedskenmerken
Het plangebied ligt binnen het Nationaal Landschap Noordoost-Twente. Het plangebied heeft als gebiedskenmerken 'Dekzandvlakte en ruggen' en 'Jong heide- en broekontginningslandschap'. Figuur 4.3 geeft de gebiedsspecifieke beleidskeuze van het nationaal landschap Noordoost-Twente weer, 4.4 en 4.5 geven de bijbehorende gebiedskenmerken weer.
Figuur 4.3 Uitsnede Nationaal Landschap Noordoost-Twente. Plangebied globaal in rood gemarkeerd (Bron: provincie Overijssel)
Het glooiende landschap van Noordoost-Twente is zeer gevarieerd door een fijnmazig samenstel van beken, essen, kampen en moderne ontginningen. Houtwallen, singels en bossen zorgen voor een kleinschalig en groen karakter. De specifieke landschappelijke (kern)kwaliteiten zijn:
Figuur 4.4 Uitsnede dekzandvlakte en ruggen, omgevingsvisie Overijssel. Plangebied globaal in rood gemarkeerd (Bron: provincie Overijssel)
De dekzandgronden beslaan een groot gedeelte van de oppervlakte van de provincie. Na de ijstijden bleef er in grote delen een reliëfrijk – door de wind gevormd – zandlandschap achter, dat gekenmerkt wordt door relatief grote verschillen tussen hoog/droog en laag/ nat gebied. Soms vlak bij elkaar, soms verder van elkaar verwijderd. De ambitie is de natuurlijke verschillen tussen hoog en laag en tussen droog en nat functioneel meer sturend en beleefbaar te maken. Door gebruik te maken van meer natuurlijke watersystemen en door beplanting met 'natuurlijke' soorten beplanting.
De norm voor deze dekzandvlakten en ruggen is het instandhouding van de hoofdlijnen het huidige reliëf. Daarnaast geeft de provincie richting aan deze gebieden, zoals als ontwikkelingen plaats vinden, dan dragen deze bij aan het beter zichtbaar en beleefbaar maken van de hoogteverschillen en het watersysteem. En bij ontwikkelingen is de (strekkings)- richting van het landschap, gevormd door de afwisseling van beekdalen en ruggen, het uitgangspunt.
Figuur 4.5 Uitsnede jong heide- en broekontginningslandschap, omgevingsvisie Overijssel. Plangebied globaal in rood gemarkeerd (Bron: provincie Overijssel)
De grote oppervlakte aan – voormalige – natte en droge heidegronden was oorspronkelijk functioneel verbonden met het essen- en oude hoevenlandschap; hier werd geweid en werden de plaggen gestoken voor in de stal; in de stal bemeste plaggen dienden als structuurverbeteraar en bemesting voor de akkergronden op de essen. Na de uitvinding van kunstmest ging deze functie verloren en werden deze gronden grotendeels in cultuur gebracht.
De ambitie voor deze gronden is de ruimtelijke kwaliteit van deze gebieden een stevig impuls te geven en waar nodig transformatie wanneer daar aanleiding toe is. De dragende structuren worden gevormd door landschappelijk raamwerken van lanen, bosstroken en waterlopen, die de rechtlijnige ontginningsstructuren versterken. Hierin wordt er gestuurd op projecten die bijdragen aan het behoud en versterking van de dragende lineaire structuren van lanen, bosstroken en waterlopen en ontginningslinten met erven en de kenmerkende ruimtematen.
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat het plan de gebiedskenmerken versterkt en in overeenstemming is met de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.
De gemeenteraad van de gemeente Dinkelland heeft op 31 maart 2021 'MijnOmgevingsvisie Dinkelland' vastgesteld. Deze visie gaat over de toekomst van de leefomgeving van de gemeente Dinkelland, waarbij wordt ingegaan op diverse thema's (o.a. leefbaarheid, gezondheid, veiligheid en duurzaamheid). De visie geeft aan hoe de gemeente Dinkelland en samenleving willen sturen. Wat moet er behouden worden, wat moet er versterkt worden en wat moet er worden ontwikkeld. De omgevingsvisie 'MijnOmgevingsvisie Dinkelland' gaat uit van vier kernprincipes. Dit zijn manieren van werken: werkwijzen die altijd gelden. De vier principes zijn:
Om sturing te kunnen geven aan de manieren van werken heeft de gemeente enkele speerpunten geformuleerd. Deze geven richting aan de richting waarop de gemeente Dinkelland zich wilt ontwikkelen. Het gaat om de volgende speerpunten:
De gemeente wil een economisch sterk buitengebied met veel verschillende functies waarin alle bewoners en gebruikers aan hun trekken komen. Het Twentse landschap is een uniek coulisselandschap met houtwallen, singels, essen, ontginningen, natuurgebieden en landgoederen. Het landschap draagt in grote mate bij aan de identiteit van de streek. Door veel verschillende functies die ruimte vragen in het buitengebied is het uitgangspunt 'de goede functies op de goede plek' opgesteld. Er wordt gestreefd naar een buitengebied met een mooie balans tussen het landgebruik, de leefbaarheid en de kwaliteit van landschap, bodem, water en lucht.
Speerpunten voor het buitengebied:
Toets
Om te zien wat in de omgeving belangrijk is, heeft de gemeente Dinkelland een waardenkaart opgesteld. Het plangebied ligt volgens de waardenkaart in het licht groene gebied 'Gericht op ontwikkeling door lage waarde en hoge dynamiek' (zie figuur 4.6). Bij dit gebied horen de volgende waarden:
Bij ontwikkelingen binnen dit gebied kan worden ingespeeld op:
Figuur 4.6 Uitsnede waardenkaart, waarde 'Gericht op ontwikkeling', projectgebied globaal in rood omkaderd (Bron: Dinkelland)
De planlocatie ligt in het buitengebied van Weerselo. De wijziging van functie om bos te planten past binnen de kaders van de opgestelde waardenkaart en is in lijn met de speerpunten die zijn opgesteld voor het buitengebied. In het specifiek gaat het hier om de: 'Goede staat van landschap en biodiversiteit waarbij we samenwerking zoeken met de landbouw'. De beoogde ontwikkeling ligt in lijn met de Omgevingsvisie van gemeente Dinkelland.
De gemeente Dinkelland heeft de beleidsnota 'De casco-benadering in Noordoost-Twente' vastgesteld. Het Nationaal Landschap Noordoost Twente is een gebied met zeldzame en unieke landschapskwaliteiten. Het is een gebied met stuwwallen, bronnen, beken en fraaie cultuurlandschappen. Kernkwaliteit is het waardevolle cultuurlandschap met een variatie in open en een kleinschalig besloten landschap. Schaalvergroting in de grondgebonden landbouw staat op gespannen voet met deze kleinschaligheid. Het verdwijnen van landschapselementen op perceelsgrenzen tast het kleinschalige groene karakter aan en leidt tot een afname van landschapsdiversiteit. De gemeente Dinkelland heeft samen met de provincie Overijssel en de gemeenten Tubbergen, Losser en Oldenzaal de ambitie uitgesproken om de tendens van schaalvergroting in de grondgebonden landbouw zodanig vorm te geven dat deze niet ten koste gaat van de kwaliteit van het landschap.
Om vorm en inhoud te geven aan deze ambitie is een generieke methode ontwikkeld: de casco benadering. Voor de gemeente is de casco-benadering te gebruiken als beoordelingskader voor ingrepen in het landschap. Aan de hand van de casco-kaart kan bezien worden of landschappelijke structuren deel uitmaken van het casco.
Op basis van de casco-kaart kan vastgesteld worden of het landschapselement tot het casco behoort of niet; daaruit volgen drie mogelijk aanvragen op basis van het casco, dit zijn:
Toets
Uit de Casco kaart blijkt dat er casco elementen aanwezig zijn op het perceel, zoals te zien is in figuur 4.7. Casco elementen zijn in beginsel beschermd. In voorliggend plan word er nieuw bos aangeplant in het kader van de Overijsselse Bossenstrategie. Hiermee worden er waardevolle nieuwe elementen toegevoegd aan het landschap.
Figuur 4.7 Uitsnede Casco kaart, plangebied in zwart globaal omcirkeld (Bron: gemeente Dinkelland)
Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met de Nota 'De casco benadering in Noordoost-Twente'.
De provincie Overijssel heeft de 'uitzonderingenlijst vooroverleg ruimtelijke initiatieven 2023' vastgesteld. In dit document is opgenomen welke ruimtelijke initiatieven/ontwikkelingen de provincie niet hoeft te zien zolang geen ander provinciaal beleid en/of andere provinciale belangen zoals NNN en grondwaterbescherming geraakt worden.
Provincie Overijssel is direct betrokken bij dit plan. In het kader van de Overijsselse bossenstrategie kan er bij de provincie een subsidie worden aangevraagd. Bij de aanvraag van dit plan in het kader van de bossenstrategie heeft de provincie Overijssel de eis gesteld om eerst een functiewijziging door te voeren. Om de subsidie te ontvangen moet de agrarische grond een 'Bos en Natuur' functie krijgen. Aan deze eis word voldaan met het voorliggende plan.
Op 25 maart 2025 is de digitale watertoets uitgevoerd via www.hetwateradvies.nl, hieruit is gebleken dat er een normale procedure geldt. Zoals te zien is in Watertoets. Op 17 april is schriftelijk gereageerd dat het waterschap geen bezwaren heeft op voorliggend initiatief, zie paragraaf 5.12.
De gemeenteraad heeft het beleid 'Inwonersparticipatie' vastgesteld en daarin is een 'Checklist Aan de slag met inwonersparticipatie' opgenomen. Beschrijving van de wijze van participatie, de keuze waarom voor deze wijze van participatie is gekozen en wat het resultaat hiervan is: De mate waarin mensen worden betrokken bij een plan moet in verhouding staan tot het effect dat het bouwplan op de omgeving kan hebben. Over het algemeen geldt: hoe groter en uitgebreider het plan, hoe belangrijker participatie.
Er hebben overleggen plaatsgevonden met omwonenden. Bosgroep Noord-Oost Nederland geeft aan dat hier geen belemmeringen uit voortgekomen zijn. Zoals ook te zien is in Bijlage 4.
Zoals blijkt uit hoofdstuk 1.2 geldt dat alleen een besluit tot wijziging van het omgevingsplan mogelijk is als er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2 lid 1 Ow).
Om dit te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen.
Voor de beoordeling van de wijziging van het omgevingsplan zijn op basis van artikel 8.0b lid 1 Bkl de volgende regels en instructies van toepassing:
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld, zoals bijvoorbeeld het effect van cumulatie. Voor zover relevant is er voor de aspecten fysieke leefomgeving en milieu ook getoetst aan het gemeentelijk beleid.
Algemeen
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik van de fysieke leefomgeving en het tegengaan van leegstand van gebouwen. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) verplicht om bij een wijziging van het omgevingsplan, dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, rekening te houden met de behoefte aan de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling.
Artikel 5.129g, tweede lid, Bkl behelst een motiveringseis en vraagt om explicitering van gemaakte keuzes. Voor het maken en onderbouwen van die keuzes is zo nodig, op grond van artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht (Awb), onderzoek geboden waarbij de nodige kennis wordt vergaard omtrent de behoefte aan de in het project voorziene nieuwe stedelijke ontwikkeling. Met de uitkomsten daarvan dient in het omgevingsplan rekening te worden gehouden. Het bestuursorgaan heeft bij de toepassing van deze instructieregel beoordelingsvrijheid. Andere belangen dan het belang dat wordt gediend met de instructieregel kunnen de doorslag geven.
Inhoud en strekking van de instructieregel komen overeen met de laddertoets die vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold op basis van artikel 3.1.6 lid 3 Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Met artikel 5.129g, tweede lid, Bkl is geen wijziging beoogd ten opzicht van artikel 3.1.6 lid 2 Bro.
Artikel 5.129g, tweede lid, Bkl is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen, maar bewerkstelligt dat de wens om in een nieuwe stedelijke ontwikkeling te voorzien aan de hand van het toetsingskader van dit artikellid nadrukkelijk wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied en met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. Deze bepaling schrijft geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling (uitspraken van 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1421 (Hengelo) en van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2579 (Eindhoven).
Uit artikel 3.129g, eerste lid, Bkl volgt dat de laddertoets in ieder geval van toepassing is op een stedelijk ontwikkeling of uitbreiding van o.a. bedrijventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening. De opsomming in het eerste lid is niet limitatief, ook andere dan de genoemde ontwikkelingen kunnen zich als een stedelijke ontwikkeling kwalificeren. Voorts geldt dat een stedelijke ontwikkeling voldoende substantieel dient te zijn om als nieuwe stedelijke ontwikkeling te worden aangemerkt. Of aan dit criterium wordt voldaan is in sterke mate afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval.
Stedelijke ontwikkeling
Het voorliggende plan betreft het wijzigen van een deel van de agrarische grond naar bos en natuur grond om 1,31 hectare bos aan te planten in het buitengebied van Weerselo. Er is hierdoor geen sprake van een stedelijke ontwikkeling.
Conclusie
Het beoogde initiatief bevind zich in het buitengebied van Weerselo, ook bevindt zich geen bebouwing op de percelen en worden deze ook niet mogelijk gemaakt met het initiatief. Het gaat hier dus niet over stedelijk gebied. Hierdoor is er geen ladder onderbouwing benodigd.
Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Uit bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen:
Indien een wijziging van het omgevingsplan wordt opgesteld dat een kader vormt voor een project-mer-(beoordelings)plichtige projecten dan is een plan-mer aan de orde (artikel 16.36 lid 1 Ow). Ook is een plan-mer aan de orde als voor plan / programma een passende beoordeling voor natuur moet worden opgesteld zoals bedoeld in artikel 16.53c Ow (artikel 16.36 lid 2 Ow). Als een plan wordt gemaakt voor een klein gebied op lokaal niveau of het plan maakt een kleine wijziging mogelijk, kan worden volstaan met een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36 lid 3 Ow) als uit de beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten heeft.
Middels het voorliggende TAM-IMRO Omgevingsplan wordt een functiewijziging van 'Agrarisch-1' naar 'Bos - Natuur' mogelijk gemaakt op delen van percelen, waarbij bos zal worden aangeplant. De eerste vraag die beantwoord moet worden is of het project voldoet aan de omschrijving die is opgenomen in kolom 1 van bijlage V van het Ob. Een dergelijk project (eerste bebossing) wordt benoemd in kolom 1 van bijlage V van het Ob. Het plan valt onder nummer A4, “Eerste bebossing of ontbossing met als doel een andere ruimtelijke functie van de grond”. Wanneer sprake is van een zogenaamde 'kleine wijziging' of voor situaties waarbij het voorgenomen plan of programma betrekking heeft op 'kleine gebieden op lokaal niveau', dan is het toegestaan om eerst een plan-mer-beoordeling uit te voeren. Als uit deze plan-mer-beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten kan hebben, bestaat er geen verplichting een plan-MER te maken( art. 16.36, lid 3, Ow). Als niet gekozen wordt voor de plan-mer-beoordeling, geldt een plan-mer-plicht. Wanneer de ontwikkeling van zodanig kleinschalige aard is kan het zo zijn dat geen sprake is van een project in de zin van m.e.r. onder het Ob. Het voorliggende plan voegt nieuwe bebossing toe aan het huidige landschap. Daarnaast word er aangesloten op een stuk bestaande bebossing.
De beoogde aanplant van bos wordt gedaan in het kader van de bossenstrategie zoals vastgesteld door het Rijk en de provincies en draagt bij aan verdere versterking en verbinding van bestaande natuurgebieden. Er wordt geen bebouwing mogelijk gemaakt. De ontwikkeling draagt bij aan het versterken en verbinden van bestaande landschappelijke structuren, alsmede de aanwezige natuurlijke en landschappelijke kenmerken ter plaatse. Tevens is de ontwikkeling naar aard en omvang passend in de omgeving. Voorliggend plan zal vanwege de aard en omvang dan ook niet leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Sterker nog, de plannen in het kader van de bossenstrategie leveren juist een bijdrage aan het verbeteren van het milieu en de kwaliteit van de natuur in Nederland. Plannen in het kader van de bossenstrategie dragen bij aan het compenseren van de houtkap die recent heeft plaatsgevonden binnen Natura 2000 gebieden.
Conclusie
Op basis van bovengenoemde beoordeling van kenmerken en locatie van het project en de kernmerken van het potentiële effect van het project is vastgesteld dat er geen sprake is van een project dat belangrijke gevolgen heeft, zodat het geen milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt (artikel 16.43 jo. artikel 16.53 Ow).
Algemeen
De visie op verkeer en vervoer is opgenomen in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2018. De verkeersgeneratie moet worden bepaald aan de hand van de meest recente CROW-uitgave. De toename en de verkeersveiligheid wordt beoordeeld aan de hand van de verkeersgeneratie en de wegencategorisering in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2018. Er moet worden beoordeeld of de betreffende weg/wegen de toename aan het verkeer kunnen afwikkelingen en niet leidt tot verkeersonveilige situaties. Het parkeren wordt getoetst aan de Beleidsnotitie bouwen & parkeren 2018.
Verkeerskundige effecten ontwikkeling (verkeersgeneratie en –afwikkeling)
De verkeersgeneratie is bepaald aan de hand van de meest recente CROW-uitgave 'Toekomstbestendig parkeren, publicatie 381 (december 2018)'. Deze kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeersgeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen.
Voorliggend plan voorziet niet in een toename van verkeersbewegingen. Het gaat om aanplant van bos.
Parkeren
Voor het bepalen van de parkeerbehoefte vormen de gemeentelijke parkeernormen, de rekensystematiek definities, uitgangspunten en de afmetingen van de parkeerplaatsen in de gemeentelijke 'Beleidsnotitie Bouwen en Parkeren 2018' het toetsingskader.
Voorliggend plan voorziet niet in een toename van behoefte aan parkeerplaatsen. Het gaat om aanplant van bos.
Conclusie
Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren geen belemmeringen vormt voor de ontwikkeling.
De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit.
Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan of afwijken van het omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:
Situatie plangebied
Het perceel maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied. Ten oosten van Weerselo en het plangebied ligt een deel van het Natura 2000-gebied 'Lemselermaten'. De afstand tot dit Natura 2000-gebied is circa 2 km. De ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op dit Natura 2000-gebied.
Conclusie
Als gevolg van de plannen zijn geen negatieve effecten op Natura 2000-gebieden te verwachten. Een nadere analyse is niet nodig. Daarnaast bied het beoogde plan versterking van het landelijke gebied en de biodiversiteit door het aanplanten van bomen.
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten.
Situatie plangebied
Het perceel maakt geen onderdeel uit van het Natuur Netwerk Nederland (NNN). Het gebied rond de Stootmansbeek ten noorden van het perceel staat in het NNN als 'zone ondernemen met natuur en water buiten NNN'.
Conclusie
Als gevolg van de plannen zijn geen negatieve effecten op NNN-gebieden te verwachten. Een nadere analyse is niet nodig. Daarnaast bied het beoogde plan versterking van het landelijke gebied en de biodiversiteit door het aanplanten van bomen.
Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of:
In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.
Situatie plangebied
In de voorfase is er sprake geweest van een ecologische voortoets. Deze is te lezen in Bijlage 2. Hieruit is de volgende conclusie gekomen:
Op 17 januari 2024 is het werkgebied bezocht en daarnaast zijn de verspreidingsgegevens van beschermde soorten in en rondom het gebied geraadpleegd uit de NDFF. Uit de toetsing blijkt dat als gevolg van de plannen geen verblijfplaatsen of essentieel leefgebied van beschermde soorten verloren gaan. Dit komt door het ontbreken van waarnemingen van beschermde soorten uit de omgeving of op basis van het ontbreken van geschikt biotoop in het werkgebied of directe omgeving.
Conclusie
Het aspect soortenbescherming staat niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg.
Algemeen
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.
Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:
Situatie plangebied
Met dit plan wordt er bebossing toegevoegd die ten goede gaan van de luchtkwaliteit in Nederland en de regio.
Conclusie
Een nadere toetsing wordt niet noodzakelijk geacht.
In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu stelt het Besluit kwaliteit leefomgeving regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken (afdeling 3.5 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge).
Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl) gelden specifieke regels. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.
In dat kader zijn de regels in paragraaf 22.3.4 Bruidsschat van toepassing. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (artikel 22.57 Bruidsschat). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten:
Geluidsgevoelige gebouwen
De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel.
Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Geluidbeleid
De gemeente beschikt over een eigen geluidsbeleid, namelijk het 'Gebiedsgericht geluidbeleid van de gemeente Dinkelland' en de 'Nota hogere grenswaarden'. Het bevoegd gezag kan gemotiveerd afwijken van het geluidbeleid en een hogere waarde toekennen, indien aangetoond is dat aan de hoofd- en ontheffingscriteria kan worden voldaan. De gemeente past hierbij primair akoestische compensatiemaatregelen toe. Deze zijn per geluidsklasse verschillend.
Het bevoegd gezag beoordeelt het geluid bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied. Dit is een gebied waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde. Wegen, spoorwegen en industrieterreinen hebben een geluidsaandachtsgebied. Verder kan geluidhinder worden ondervonden als gevolg van omliggende bedrijvigheid. Ook het plan zelf kan geluidhinder opleveren voor de omgeving. Hierna worden deze aspecten behandeld voor de beoogde ontwikkeling.
Het voorliggende plan staat geen geluidgevoelige objecten toe. Het beoogde plan staat enkel bosaanplant toe in het kader van de Overijsselse Bossenstrategie.
Conclusie
Gelet op het vorengaande leidt het aspect geluid afkomstig van o.a. wegen niet tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat
Het voorliggende plan staat geen geluidgevoelige objecten toe. Het beoogde plan staat enkel bosaanplant toe in het kader van de Overijsselse Bossenstrategie.
In paragraaf 5.1.4.6.1 Bkl zijn de instructieregels opgenomen die geurbelastende activiteiten en/of geurgevoelige gebouwen in elkaars nabijheid mogelijk maken. Het gaat hierbij om drie geurbronnen waarvoor regels zijn gesteld, namelijk:
In artikel 5.92 Bkl staat vastgelegd dat in een omgevingsplan rekening gehouden wordt met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen en dat het omgevingsplan erin voorziet dat dit aanvaardbaar is, Hierbij moet rekening worden gehouden met de lokale specifieke omstandigheden en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten. De specifieke plaatselijke situatie kan mede bepalend zijn voor wat aanvaardbaar is en per geval verschillen. Afhankelijk van de gemeente kan lokaal beleid van toepassing zijn voor het aspect geur. Dit wordt dan vastgelegd in een Geurgebiedsvisie en Geurverordening.
Naast het toetsen van de geurbelasting door activiteiten op geurgevoelige functies, moet bij het toelaten van een nieuwe geurgevoelige functies ook worden getoetst of bedrijven in de omgeving worden beperkt in hun bedrijfsvoering. Wanneer hier sprake van is moet getoetst worden aan de geldende normen waar het bedrijf aan moet voldoen. Een nieuwe geurgevoelige functie is alleen aanvaardbaar als dit er niet toe leidt dat het bedrijf daardoor niet meer kan voldoen aan de voor het bedrijf geldende normen. Dit betekent dat er sprake is van een beperking in de bedrijfsmogelijkheden.
Toets
Het beoogde plan staat geen geurgevoelige objecten toe aan het plangebied. Daarnaast voegt het beoogde plan ook geen geurhinder toe aan de omgeving.
Conclusie
Het plangebied staat geen geurgevoelige objecten toe en voegt geen geurhinder toe aan de omgeving door de aanplanting van bos. Verdere toetsing aan het Bkl is niet benodigd.
Algemeen
Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij dit wijzigingsbesluit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van een branden, rampen of crises. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten:
Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving:
Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico's is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Voor het project moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden.
Voor een project dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het project kwetsbare gebouwen worden toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl).
Conclusie
Volgens bijlage VI bij artikel 5.3, tweede en derde lid van het Bkl valt het bos niet onder kwetsbare locaties. Het beoogde initiatief voegt geen kwetsbare locatie toe. Verdere toetsing van de omgevingsveiligheid op het beoogde initiatief is niet nodig.
De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. Trillingshinder kan op twee manier optreden. Ten eerste kan er sprake zijn van de toevoeging van een milieubelastende activiteit met een trillingsemissie. In artikel 22.88 van de bruidsschat, die onderdeel uitmaakt van het tijdelijke omgevingsplan, zijn maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen opgenomen.
Ten tweede kan er sprake zijn van de toevoeging van een trillinggevoelig gebouw. De Omgevingswet beschermt trillinggevoelige gebouwen tegen trillingen van activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels. Voor de activiteiten wonen, wegen, vaarwegen en spoorwegen zijn er geen instructieregels voor trillingen. De gemeente kan hier eigen regels voor opstellen.
Om de mogelijke trillingshinder in kaart te brengen kan de SBR-richtlijn worden gebruikt, de Beleidsregel Trillingshinder Spoor en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen. De gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillingshinder als gevolg van een spoorweg wordt getoetst is een zone tot 100 meter van het spoor.
Uit verschillende trillinghinderonderzoeken blijkt dat buiten deze afstand tot het spoor meestal geen trillingsniveaus optreden boven de streefwaarde van Vmax van 0,1. Binnen een afstand van 100 meter tot het spoor moet bij nieuwbouw rekening worden gehouden met spoortrillingen en het voorkomen van hinder hierdoor. Indien de afstand tot het spoor meer dan 100 meter en minder dan 250 meter bedraagt, kan een quickscan trillinghinder raadzaam zijn indien bestaande klachten, de bodemopbouw en/of het treinbeeld hiertoe aanleiding geven.
Conclusie
Met het beoogde project worden er geen trilling gevoelige objecten toegevoegd. Ook voegt het te planten bos geen trilling toe aan de omgeving. Trilling vormt geen belemmering voor het voornemen.
De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap.
Cultureel erfgoed
Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze gaan over:
Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels opgesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Daarnaast zijn in het Bal instructieregels opgenomen aangaande rijksmonumenten (hoofdstuk 13).
Archeologische resten
Het gemeentelijk beleid voor archeologie en cultuurhistorie staat veelal opgenomen in de archeologische beleidskaart en cultuurhistorische waardenkaart. Dit document schrijft per gebied voor welke onderzoekverplichtingen ter plaatse gelden. Wanneer een project binnen een archeologisch waardevol gebied ligt wordt hieraan getoetst.
Toets
Archeologie
Uit de archeologische waardenkaart van de gemeente Dinkelland, blijkt dat op de percelen verschillende archeologische waarden liggen. Binnen het plangebied liggen verschillende archeologische verwachtingswaarden:
1. Dekzandhoogten en – ruggen met een plaggendek: Archeologisch onderzoek bij 2.500 m² en dieper dan 40 cm;
2. Dekzandwelvingen en -vlakten: Archeologisch onderzoek bij 5.000 m² en dieper dan 40 cm;
3. Beekdalen en overige laagten: vrijstelling
Figuur 5.1 toont een uitsnede van de archeologische waardenkaart van de gemeente Dinkelland met het plangebied in het blauw gemarkeerd.
Figuur 5.1 Uitsnede archeologische verwachtings- en advieskaart gemeente Dinkelland. Plangebied in blauw gemarkeerd (Bron: gemeente Dinkelland)
Het gebied die betrekking heeft op de functiewijziging heeft een lage archeologische waarden (zuidzijde) en een middelmatige verwachting van archeologische waarden. Echter ligt het zuidelijke gedeelte wel in een bufferzone van een erf, adellijk huis of watermolen, waar een hoge verwachting is voor archeologische resten uit de Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Hiervoor geldt dat er archeologisch onderzoek uitgevoerd dient te worden bij bodemingrepen van groter dan 2.500 m² en dieper dan 40 cm.
Cultuurhistorie
Het plangebied bevat geen rijks-, provinciale of gemeentelijke monumenten. Ook in de nabijheid van het plangebied zijn deze niet aanwezig. Derhalve wordt geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect cultuurhistorie.
Toets
In voorliggend geval gaat het om de aanplant van nieuw bos en/of natuur, hierbij zal door het omploegen van de grond, de bodem geschikt worden gemaakt voor de nieuwe aanplant. Bij het omploegen zal de maximaal toegestane diepte bij bodemingrepen van 40 cm niet worden overschreden, omdat het jonge aanplant betreft is het niet nodig om dieper te gaan. Hierdoor zal de ontwikkeling geen archeologisch waardevolle grond verstoren.
Er zijn geen cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig op de betreffende percelen. Het gaat om gronden met een agrarische functie en ook als zodanig in gebruik zijn, die worden omgezet naar de functie 'Bos - Natuur'. Er wordt hierom geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'cultuurhistorie'.
Conclusie
Met voorliggend plan zullen er geen negatieve gevolgen zijn m.b.t. de archeologische en cultuurhistorische waarden ter plaatse. Het onderdeel archeologie en cultuurhistorie vormt geen belemmering voor uitvoering van dit plan.
Wanneer ontwikkelingen plaatsvinden m.b.t. de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie en/of activiteit. De bodemkwaliteit mag geen gezondheidsrisico opleveren voor gebruikers van de bodem. In deze paragraaf wordt omschreven hoe bij voorliggend project rekening zal worden gehouden met het aspect bodem. Voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie moet worden getoetst aan paragraaf 5.1.4.5.1 van het Bkl. Deze paragraaf bevat regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. De instructieregels zijn mede gesteld met het oog op het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw.
Uit artikel 5.89g van het Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op o.a. een bodemgevoelig gebouw en definieert het als een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Deze paragraaf is niet van toepassing op bijbehorende bouwwerken tot 50 m².
Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen.
Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem).
Toets
Voor het wijzigen van een agrarische functie naar de functie 'Bos - Natuur' ten behoeve van de aanplant van bos is geen bodemonderzoek nodig. Er worden geen gebouwen of ruimtes gerealiseerd waar mensen minimaal 2 uur verblijven op grond waarvan een bodemonderzoek vereist is. Daarnaast is het gezien de aard van de locatie niet aannemelijk dat er sprake is van een (ernstige) bodemverontreiniging. Daarbij komt dat geen sprake is van aanzienlijke bodemingrepen of wijziging naar een meer gevoelig gebruik. Er worden geen bouwactiviteiten uitgevoerd en ook geen handelingen verricht die kunnen leiden tot bodemverontreiniging en/ of het beïnvloeden van de structuur of de kwaliteit van de bodem. Daarom wordt een bodemonderzoek dan ook niet noodzakelijk geacht.
Conclusie
Er is voor het beoogde project geen bodem onderzoek nodig en vormt het milieuaspect bodem geen belemmering voor het beoogde project.
Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken.
Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl rijksregels met betrekking tot:
Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de oorspronkelijke watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven.
Ten slotte zijn de regels van art. 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de bruidsschat zijn.
Ruimtelijke ordening en water zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en worden sterk beïnvloed door de klimaatverandering. Er is meer ruimte nodig voor water, omdat klimaatverandering zorgt voor hoge piekafvoeren in de zomer en een gemiddeld hogere waterafvoer in de winter. Het gaat ook om langduriger periodes van droogte en om extreem warm weer, waar vooral stedelijk gebied last van kan hebben. Ook veranderingen in ruimtegebruik hebben gevolgen voor het waterbeheer. Het waterschap wil vroegtijdig meedenken over plannen en ontwikkelingen om samen met de gemeente en andere partners te zoeken naar de bijdrage die water kan leveren aan de verbetering van de leefomgeving.
Vanuit het leidend principe 'Water en mens in hun element' draagt het waterschap bij aan ruimtelijke kwaliteit en een duurzame leefomgeving. De zorg voor waterveiligheid, schoon water en voldoende water vraagt structureel aandacht en is continu in beweging. Dat doet het waterschap door het (grond)waterpeil te beheren, rioolwater te zuiveren en te zorgen voor schoon water in beken, sloten en rivieren en te zorgen voor stevige dijken. Als belangrijkste speerpunt voor de periode 2022-2027 ziet het waterschap de opgave om zijn gebied veerkrachtiger te maken tegen klimaatverandering. Hiervoor werkt het waterschap toe naar een andere balans van vasthouden-bergen-afvoeren (voorraadbeheer), rekening houdend met de meest recente inzichten over de snelheid van klimaatverandering.
In het waterbeheerprogramma 2022-2027 heeft het waterschap zijn doelen en werkzaamheden weergegeven in vier thema's.
Klimaatrobuust gebied
Het doel is het beheer, het onderhoud en de inrichting van het regionaal watersysteem zodanig te invullen, dat jaarrond een optimale balans tussen te nat en te droog wordt bereikt en tegelijkertijd inwoners, bedrijven en medeoverheden voldoende weerbaar zijn tegen de onvermijdelijke gevolgen van extreem weer.
Veilig gebied
Het waterschap zorgt voor veilige dijken, nu en in de toekomst. Onze ambitie is dat in 2050 de waterkeringen voldoen aan de nieuwe normen voor waterveiligheid, en dat we daarbij wendbaar inspelen op ontwikkelingen. Het waterschap voert het beheer op een duurzame wijze uit en werken aan behoud en verhoging van de biodiversiteit van de dijken.
Circulaire Economie en Energietransitie
Het waterschap wil in het uitvoeren van zijn primaire taak zoveel mogelijk bijdragen aan het beperken van klimaatverandering. Daarbij wil het waterschap in 2050 onderdeel zijn van een 100% circulaire economie waarin we onze taken klimaatneutraal uitvoeren.
Gezonde leefomgeving
Het waterschap zorgt voor een schoon en gezond watersysteem voor de mensen en de natuur in het gebied. Wij streven ernaar dat het water in onze leefomgeving geschikt is voor verschillende maatschappelijke functies en dat het geen risico's oplevert voor de volksgezondheid. Het doel van het waterschap is een oppervlaktewatersysteem te bereiken dat optimaal is voor ecologisch functioneren en biodiversiteit en natuurwaarden daarbinnen en -buiten bevordert.
De samenhang van de wateropgaven met andere opgaven in het gebied vraagt om nauwe samenwerking met gemeenten, provincies, inwoners en bedrijven. Om de waterbelangen bij ruimtelijke ontwikkelingen tijdig en goed in beeld te krijgen en mee te kunnen wegen, gebruiken we de (digitale) watertoets.
Toets
Voor de realisatie van het stuk bos is ervoor gekozen om de digitale watertoets in te vullen, zie Bijlage 3 voor de ingevulde watertoets. Na het invullen van de digitale watertoets is ervoor gekozen om direct contact te zoeken met het waterschap. Op 25 maart 2025 is de watertoets ingevuld. Hierop is op 2 april 2025 direct contact gezocht met de gemeente en is de waterparagraaf uit dit plan voorgelegd aan het waterschap. Op 17 april 2025 is een reactie vanuit het waterschap gekomen waarbij een positief advies wordt gegeven m.b.t. voorliggend plan. Onderstaande toets is in overeenstemming met waterschap Vechtstromen opgenomen.
Voorgenomen plan voorziet in het wijzigen van agrarische functie naar de functie 'Bos en Natuur' op het perceel nabij de Plegtsweg 1.
Binnen het plangebied is sprake van verschillende grondwaterstanden. Zo ligt de Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG) in het westen van het perceel tussen de 0,2 en de 0,4 meter onder het maaiveld. In het oosten van het perceel ligt de GHG op ongeveer 0,2 meter onder het maaiveld tot op het maaiveld. De Gemiddelde Laagste Grondwaterstand (GLG) op het perceel ligt tussen de 0,8 en de 1 meter onder het maaiveld. Langs het zuiden en oosten van het perceel loopt een sloot. Door het perceel lopen verder geen sloten of paden. Bij de bosaanplant worden geen watergangen gedempt of aangepast.
Door het vochtige karakter van het zuidelijke en oostelijke deel van het perceel, leent dit gebied zich het beste voor het creëren van een vochtig bostype. Langs het vochtige bos worden struiksoorten aangeplant om een geleidelijke bosrand te creëren. Langs het west van het perceel loopt een houtwal, deze wordt versterkt door het aanplanten van verschillende boom- en struikvormers. De bomen worden in een rij aangeplant op een afstand van 1,5 meter van elkaar. De struikvormers worden rondom de bomen geplant.
Daarnaast helpen bomen om water beter te laten infiltreren in de bodem en dragen ze bij aan het watervasthoudend vermogen van de bodem. Door het aanplanten van meer bos kan de grondwaterstand ter plaatse verbeterd worden. Hierdoor kan eventuele wateroverlast worden tegengegaan. Tevens draagt het voorgenomen plan bij aan de hoofdlijnen uit het waterbeheerprogramma. Het vasthouden van water in de bodem wordt met voorliggend plan bevorderd en door het aanplanten van meer bos wordt een bijdrage geleverd om klimaatverandering tegen te gaan.
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'waterbelang' geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling. Er worden met het initiatief geen belangen van het waterschap geraakt.
De investeringen die nodig zijn voor de te realiseren ontwikkelingen moeten passen in de budgetten die daarvoor beschikbaar zijn. Partijen die bouwen in de kernen, dorpen en in het buitengebied dragen op twee manieren bij aan Dinkelland/Tubbergen. Enerzijds door direct invulling te geven aan de visie voor de fysieke leefomgeving, zoals verwoord in MijnOmgevingsvisie. Anderzijds via financiering van deze ruimtelijke ontwikkelingen via kostenverhaal en financiële bijdragen voor ontwikkelingen ter verbetering van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ter uitvoering van deze visie heeft de gemeenteraad het Programma Kostenverhaal vastgesteld ten behoeve van een eenduidige en transparante manier van kosten verhalen bij bouwplannen en activiteiten vanwege gebruikswijzigingen in de gemeente.
De gemeente borgt het kostenverhaal en de financiële bijdrage voor een ruimtelijke ontwikkeling in een anterieure overeenkomst. Naast het kostenverhaal en een financiële bijdrage wordt in een anterieure overeenkomst ook het verhaal van nadeelcompensatie geregeld. Mogelijke claims voor nadeelcompensatie worden altijd doorgelegd aan initiatiefnemer.
Voor onderhavige ontwikkeling is met initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten over nadeelcompensatie.
Los van het kostenverhaal is initiatiefnemer leges verschuldigd voor het wijzigen van het omgevingsplan. Hierop is de legesverordening en de bijbehorende tarieventabel van toepassing, welke jaarlijks wordt vastgesteld.
Gelet op het vorengaande is het project financieel uitvoerbaar.
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op de bestaande situatie, het relevante beleid en de relevante milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het opstellen van dit TAM-IMRO Omgevingsplan, bestaande uit een plankaart (verbeelding) en regels. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de opzet van dit TAM-IMRO omgevingsplan. Daarnaast worden de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels verantwoord. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom bepaalde functies zijn aangewezen.
Met het ‘TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22n Weerselo, Bossenstrategie' wordt een stuk agrarische grond omgezet naar 'bos en natuur'. Deze wijziging op het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Dinkelland is technisch opgesteld conform het InformatieModel Ruimtelijke Ordening (IMRO), maar is inhoudelijk uitgewerkt op basis van de vereisten volgens de Omgevingswet.
Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In deze Bruidsschat zitten onder meer regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van artikel 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen.
Toepassing TAM-IMRO
De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de – onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte – IMRO-standaard en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl.
Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025. Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na 1 januari 2026 worden afgemaakt met TAM-IMRO.
Werkingsgebied
De regels in dit TAM-IMRO omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie nabij Plegtsweg 1 te Weerselo, waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1774.TAMBUIBOSSENSTRTG-VG01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl. In hoofdstuk 1 van deze ruimtelijke motivering is een overzichtskaart van het werkingsgebied c.q. plangebied opgenomen.
In de preambule is opgenomen dat het TAM-IMRO omgevingsplan gelezen moet worden als hoofdstuk in het gemeentelijk omgevingsplan en de artikelen als paragrafen van dat hoofdstuk. Dit om onduidelijkheden met het omgevingsplan van rechtswege te voorkomen.
Hoofdstuk 1 bevat bepalingen die gelden voor het gehele plangebied en bestaat uit:
In Hoofdstuk 2 is opgenomen welke functies binnen het plangebied zijn toegestaan. Per toegestane functie is aangegeven waar en hoe bouwen ten behoeve van de functie is toegestaan.
Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels voor activiteiten. Deze bepalingen gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit:
Kenmerk van de Nederlandse regelgeving op het gebied van de fysieke leefomgeving is dat er sprake is van een ‘ja, mits’-principe. Het omgevingsplan geeft voor veel functies aan onder welke voorwaarden ze voorstelbaar/inpasbaar zijn binnen het werkingsgebied of specifieke deelgebieden binnen het werkingsgebied. Het omgevingsplan vormt het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan welke functies op welke locaties binnen het werkingsgebied voorstelbaar worden geacht (en onder welke voorwaarden).
Toelichting op de regels
'Bos - Natuur'
De functie ‘Bos - natuur’ betreft de bestaande gebieden met een ecologische functie, namelijk de bestaande natuurgebieden (zoals aangegeven in de omgevingsvisie) en de gebieden die reeds in eigendom zijn van de natuurbeherende instanties en aangewezen als nieuwe natuur. Het behoud, herstel en ontwikkeling van de waarden van deze gebieden staanvoorop.