direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Buitengebied, Saterslostraat 6 Deurningen
Status: vastgesteld
Plantype: wijzigingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1774.BUIWPSATERSLOSTR6-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Voor de locatie Saterslostraat 6 in Deurningen is een plan ontwikkeld. De initiatiefnemers willen het huidige woonvlak op de locatie Saterslostraat 6 te Deurningen vergroten om hiermee de nieuwbouw van een bijgebouw mogelijk te maken. Twee bestaande bijgebouwen worden gesloopt. Initiatiefnemer is voornemens om dit bijgebouw gedeeltelijk op gronden te realiseren die momenteel bestemd zijn voor agrarisch gebruik. Deze ontwikkeling past binnen de beleidsmatige uitgangspunten van de gemeente Dinkelland maar niet binnen het geldende bestemmingsplan, waardoor een wijziging van het bestemmingsplan noodzakelijk is. Voorliggend wijzigingsplan is opgesteld om deze ontwikkeling mogelijk te maken.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied bestaat uit een woonperceel aan de Saterslostraat 6 in Deurningen. Het plangebied ligt op ca. 400 meter ten noorden van de kern Deurningen, in het buitengebied van de gemeente Dinkelland. Het plangebied staat kadastraal bekend als gemeente Dinkelland, sectie W, perceelsnummer 34. Het perceel kent een totaaloppervlakte van circa 2.830 m². In figuur 1.1 is de ligging van het plangebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIWPSATERSLOSTR6-VG01_0001.png" Figuur 1.1: Ligging plangebied (rood omcirkeld) nabij Deurningen (bron: PDOK)

De begrenzing van het plangebied komt voort uit het bestaande woonperceel, de kadastrale perceelsgrenzen en de gewenste uitbreiding van het woonerf. Onderstaande afbeelding weergeeft globaal de begrenzing van het plangebied. Op de digitale verbeelding is de exacte begrenzing van het plangebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIWPSATERSLOSTR6-VG01_0002.png" Figuur 1.2: Begrenzing plangebied, rood omkaderd (bron: kadastralekaart.com)

1.3 Vigerend bestemmingsplan

Voor de Saterslostraat 6 te Deurningen geldt het bestemmingsplan 'Bestemmingsplan Buitengebied 2010'. Het bestemmingplan 'Bestemmingsplan Buitengebied 2010' is door de gemeenteraad van Dinkelland op 18 februari 2010 vastgesteld. In figuur 1.3 is een fragment uit de verbeelding van dit bestemmingsplan opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIWPSATERSLOSTR6-VG01_0003.png" Figuur 1.3: Uitsnede bestemmingsplan 'Bestemmingsplan Buitengebied 2010' (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Aan de locatie Saterslostraat 6 te Deurningen is de bestemming 'Wonen' en 'Agrarisch -1' toegekend. De gronden zijn daarmee in eerste instantie bestemd voor enerzijds woonhuizen en bijbehorende bouwwerken en anderzijds agrarisch gebruik. Initiatiefnemers wensen het bestaande bijgebouw richting het zuidwesten uit te breiden. Het nieuwe gedeelte van het (grotere) bijgebouw zal deels buiten de woonbestemming, in de bestemming 'Agrarisch - 1' vallen. Het realiseren van het nieuwe bijgebouw op deze gronden is niet bij recht toegestaan.

Het geldende bestemmingsplan voorziet met artikel 3.7 lid o in een wijzigingsbevoegdheid op basis waarvan de bestemming 'Agrarisch - 1' gewijzigd kan worden naar 'Wonen' ten behoeve van het vergroten van bestemmingsvlakken. Het voorliggende wijzigingsplan geeft invulling aan deze wijzigingsbevoegdheid. Een wijziging van het geldende bestemmingsplan is noodzakelijk. Voor dit plan is een principeverzoek ingediend en positief beoordeeld.

1.4 De bij het plan behorende stukken

Het onderhavige bestemmingsplan ''Buitengebied, Saterslostraat 6 in Deurningen" bestaat naast deze toelichting uit de volgende stukken.

  • Verbeelding (identificatie NL.IMRO.1774.BUIWPSATERSLOSTR6-VG01);
  • Bijlagen bij de toelichting;
  • Regels;
  • Bijlagen bij de regels.

1.5 Leeswijzer

De toelichting van het bestemmingsplan kent de volgende opbouw. In hoofdstuk 2 worden de huidige situatie en het te realiseren plan beschreven. Hoofdstuk 3 schetst het beleidskader. In hoofdstuk 4 worden de resultaten van de uitgevoerde omgevingsonderzoeken behandeld. In hoofdstuk 5 wordt het bestemmingsplan in juridisch opzicht toegelicht. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de economische uitvoerbaarheid en in hoofdstuk 7 wordt ten slotte de maatschappelijke uitvoerbaarheid belicht.

Hoofdstuk 2 Het plan

2.1 Huidige situatie

In de huidige situatie is er aan de Saterslostraat 6 in Deurningen reeds sprake van een woonerf met een vrijstaande woning en twee bijgebouwen. De rest van het perceel is ingericht als tuin. Onderstaand is een recente luchtfoto van de locatie weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIWPSATERSLOSTR6-VG01_0004.png" Figuur 2.1: Huidige situatie Saterslostraat 6 Deurningen (bron: Google Maps)

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIWPSATERSLOSTR6-VG01_0005.png"
Figuur 2.2 Luchtfoto (bron GoogleMaps)

Het perceel is gelegen aan de Saterslostraat en ontsluit ook op deze weg. In figuur 2.1 is een aanzicht uit 2020 weergegeven. Het perceel is omgeven door agrarische cultuurgronden. In figuur 2.2 zijn foto's opgenomen van de achterzijde van het erf. Het betreft twee bijgebouwen en wat opslag van materiaal.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIWPSATERSLOSTR6-VG01_0006.png" Figuur 2.3: Foto's achterzijde erf, Saterslostraat 6 te Deurningen (bron: initiatiefnemer, 2020)

2.2 Toekomstige situatie

Initiatiefnemers hebben het plan opgevat om de bestaande bebouwing en opslag weergegeven in figuur 2.3 te slopen en verwijderen. Hiervoor in de plaats wensen ze een nieuw bijgebouw te realiseren. Het nieuwe bijgebouw wordt ten zuiden van het huidige woonhuis gerealiseerd. Het bijgebouw zal een oppervlakte krijgen van maximaal 100 m², conform de totaaloppervlakte van bijgebouwen uit de regels van het bestemmingsplan 'Bestemmingsplan Buitengebied 2010'.

De situering van het bijgebouw past momenteel echter niet in het bestemmingsplan, aangezien de beoogde bouwlocatie grotendeels bestemd is voor agrarisch gebruik. Onderstaand is een impressie van de het toekomstige bijgebouw weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIWPSATERSLOSTR6-VG01_0007.png"

Figuur 2.3: Bestaande en toekomstige situatie Saterslostraat 6 Deurningen (bron: initiatiefnemers)

Om de ontwikkeling mogelijk te maken is een vergroting van de huidige woonbestemming noodzakelijk. Dit wordt mogelijk gemaakt door toepassing te geven aan de wijzigingsbevoegdheid. Een uitgangspunt uit de wijzigingsbevoegdheid is dat de ontwikkeling landschappelijk ingepast wordt. Hiervoor is een erfinrichtingsplan opgesteld. Voor het gehele plan wordt verwezen naar Bijlage 1.

Het Landschap

Saterslostraat 6 ligt in het buitengebied - direct ten noorden - van Deurningen in een Essen-Kampenlandschap dat wordt omgeven door jong ontginningslandschap. Het oude boeren landschap op zandgrond kenmerkt zich door de kleinschaligheid, de afwisseling van akkers en weilanden omgeven met singels en het glooiende karakter van de essen ontstaan door eeuwenlange bemesting. Het landschapsbeeld is contrastrijk en afwisselend, vormgegeven door de essen op de hogere dekzandvlakken en volgend aan de oude organische patronen van het natuurlijke landschap.

Ontwikkeling

De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit het bouwen van een nieuwe schuur (principe ‘standaard schuur’) ter vervanging van 2 bestaande schuurtjes en een opslagterrein t.p.v. een voormalige kapschuur. Het ontwerp van de nieuwe schuur sluit aan op de kenmerken van de woning en is ondergeschikt aan de woning door zijn eenvoudige uitstraling. De beoogde bouwlocatie past binnen het huidige verkavelingspatroon en ligt langs de Zuid-Westelijke erfgrens van het perceel.

Deze locatie geeft invulling aan het principe van bouwen langs bestaande lijnen en het typerende erfbeeld van het essenlandschap, namelijk het verstrooid op het erf aanwezig zijn van bebouwing achter het woonhuis.

Het verplaatsen van de bestaande bijgebouwen en opslagterrein naar 1 centraal bijgebouw aan de rand van het erf draagt bij aan een geordend erf met een compacte erfindeling waarbij tevens de open structuur op het erf wordt vergroot.

De schuur vormt een schakel tussen de aanwezige houtwal en het voorliggend woonerf. Zo ontstaat er een natuurlijke overgang naar het omliggende landschap, waarbij het kenmerkende patroon van kleinschalig landschap wordt versterkt. Door de schuur aan de achterzijde ‘visueel met de bestaande houtwal te verbinden’ wordt de bebouwing vanaf achterliggende provinciale weg grotendeels aan het zicht ontnomen. De bestaande bomen en struiken blijven daarbij behouden.

De voorgenomen ontwikkeling vergroot de ruimtelijke kwaliteit met als resultaat dat erf en omgeving met elkaar in harmonie zijn.

Hoofdstuk 3 Beleid

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden.

Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:

  • Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  • Duurzaam economisch groeipotentieel;
  • Sterke en gezonde steden en regio's;
  • Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:

  • Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte;
  • Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere;
  • Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling voorziet uiteindelijk in de realisatie van een nieuw bijgebouw in het buitengebied van Deurningen en vindt daarmee het beste een aansluiting bij de prioriteit 'toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied'. Onderhavig wijzigingsplan past daarmee binnen de prioriteiten van de NOVI. Het bijgebouw wordt voorzien van zonnepanelen en levert een bijdrage in duurzaamheid en energietransitie.

3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking

Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat van een nieuwe 'stedelijke ontwikkeling' die in een bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt moet worden aangetoond dat er sprake is van een behoefte. De toelichting bij het bestemmingsplan bevat daartoe een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, bevat een toelichting tevens een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Dit wordt de 'Ladder Duurzame Verstedelijking' genoemd.

De beschrijving van de behoefte aan de betreffende, 'stedelijke ontwikkeling', moet inzichtelijk maken of, in relatie tot het bestaande aanbod, concreet behoefte bestaat aan de desbetreffende ontwikkeling. Die behoefte moet dan worden afgewogen tegen het bestaande aanbod, waarbij moet worden gemotiveerd dat rekening is gehouden met het voorkomen van leegstand.

De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling.

Onderhavig plan

Uit jurisprudentie is inmiddels gebleken dat de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing is voor kleinschalige ontwikkelingen. Een project ten behoeve van de bouw van 11 woningen wordt bijvoorbeeld niet aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling, zoals ook in de overzichtsuitspraak voor de ladder van duurzame verstedelijking van 28 juni 2017 is aangegeven (ECLI:NL:RVS:2017:1724).

Onderhavig bestemmingsplan houdt in dat circa 600 m2 agrarische grond wordt gewijzigd in de bestemming 'Wonen'. Hierdoor wordt de nieuwbouw van een bijgebouw mogelijk gemaakt. De toegestane oppervlakte aan hoofdgebouw en/of bijgebouwen conform het vigerende bestemmingsplan op het perceel wordt daarbij niet vergroot. De overige gronden worden gebruikt als tuin. Vastgesteld kan worden dat er sprake is van een kleinschalige ontwikkeling, die niet als nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt aangemerkt.

3.2 Provinciaal beleid Overijssel

3.2.1 Omgevingsvisie Overijssel

De Omgevingsvisie Overijssel 2017 geeft de provinciale visie op de fysieke leefomgeving van Overijssel weer. Hierin worden onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur in samenhang voor een duurzame ontwikkeling van de leefomgeving. De Omgevingsvisie is onder andere een structuurvisie onder de Wet ruimtelijke ordening. De Omgevingsvisie is op 12 april 2017 vastgesteld en op 1 mei 2017 in werking getreden.

Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn de leidende principes of 'rode draden' bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel.

3.2.2 Omgevingsverordening Overijssel

De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren.

Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel 2017. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is.

3.2.3 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel

De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel 2017 geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving.

Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten:

  • generieke beleidskeuzes;
  • ontwikkelingsperspectieven;
  • gebiedskenmerken.

Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht.

Generieke beleidskeuzes

Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase het zgn. principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik gehanteerd. Hierin komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaand bebouwd gebied wordt benut, voordat er uitbreiding in de groene omgeving kan plaatsvinden.

Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en verbindingszones enzovoorts. De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend en verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel.

Ontwikkelingsperspectieven

Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities.

De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven.

Gebiedskenmerken 

Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en lust- en leisurelaag) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt.

Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIWPSATERSLOSTR6-VG01_0008.png"

Figuur 3.1: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel 2017 (Bron: provincie Overijssel)

Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten Omgevingsvisie Overijssel

Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan de Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld.

Generieke beleidskeuzes

Of een ontwikkeling nodig of mogelijk is, wordt bepaald op basis van generieke beleidskeuzes. Hierbij is onder andere het principe van 'zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik' (artikel 2.1.3) van belang die er voor staat dat in eerste instantie bestaande bebouwing en stedelijk gebied wordt benut, voordat er nieuwbouw in de groene omgeving plaatsvindt.

Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik

In artikel 2.1.3, lid 2 (zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik) is het volgende bepaald: Bestemmingsplannen voor de Groene Omgeving voorzien uitsluitend in ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen anders dan de uitleg van steden en dorpen wanneer aannemelijk is gemaakt:

  • dat (her)benutting van bestaande erven en/of bebouwing in de Groene Omgeving in redelijkheid niet mogelijk is;
  • dat mogelijkheden voor combinatie van functies op bestaande erven optimaal zijn benut.

Toets

In onderhavig plan is sprake van het vergroten van de woonbestemming om de bouw van een nieuw bijgebouw mogelijk te maken. Binnen het bestaande erf waarvoor een woonbestemming is opgenomen is er geen ruimte om de gewenste bouw van het bijgebouw te realiseren. Om die reden wordt aansluitend aan het bestaande erf - aan de zuidzijde - het erf uitgebreid. De ontwikkeling wordt zo geconcentreerd mogelijk gehouden door het nieuwe bijgebouw te bouwen op de locatie van een bestaand bijgebouw. Het voornemen voldoet aan een zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik.

Ruimtelijke kwaliteit

In artikel 2.1.5 is bepaald dat in de toelichting op bestemmingsplannen wordt onderbouwd dat de nieuwe ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt, bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken.

Toets

Voorliggend plan heeft betrekking op het uitbreiden van de woonbestemming. De uitbreiding van het erf is voorzien op een deel dat reeds in gebruik is als tuin. Voorliggend plan wordt voorzien van een erfinrichtingsplan, waardoor de bebouwing op een landschappelijk passende wijze wordt ingepast. De toets aan de ter plaatse geldende gebiedskenmerken vindt plaats in deze paragraaf.

Ontwikkelingsperspectieven

De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. In dit geval zijn uitsluitend de ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving van belang. In figuur 3.2 is een fragment van de kaart van de ontwikkelingsperspectieven behorende bij de Omgevingsvisie weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIWPSATERSLOSTR6-VG01_0009.png"

Figuur 3.2: Fragment ontwikkelingsperspectievenkaart, Omgevingsvisie Overijssel, de locatie is aangegeven met een marker (bron: provincie Overijssel)

Het plangebied is gelegen in het ontwikkelingsperspectief 'wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap'.

Het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap' richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid. Ontwikkelingsmogelijkheden worden nadrukkelijk verbonden met het behoud en de versterking van de cultuurhistorische, natuurlijke en landschapselementen.

De plannen van initiatiefnemers doen geen afbreuk aan het eigen karakter van het gebied. De ontwikkeling is voorzien op gronden die reeds benut worden ten behoeve van het woonerf en liggen binnen de omliggende landschappelijke structuren. Bovendien levert de ontwikkeling geen extra belemmeringen op voor aanwezige functies in de omgeving. Het voornemen is passend binnen het toegekende ontwikkelingsperspectief.

Gebiedskenmerken

Voor het plangebied gelden de volgende gebiedskenmerken:

  • natuurlijke laag: dekzandvlakte en ruggen;
  • laag van het agrarisch cultuurlandschap: deels essenlandschap en deels oude hoevenlandschap;
  • stedelijke laag: n.v.t.
  • lust- en leisurelaag: n.v.t.

Op de locatie van het plangebied is een woonerf aanwezig. De natuurlijke laag is ter plaatse niet meer direct zichtbaar doordat het landschap in cultuur gebracht is. De voorgenomen ontwikkeling tast de landschappelijke structuur ter plaatse niet aan en is dan ook passend binnen de gebiedskenmerken.

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat de in dit voorliggende bestemmingsplan besloten planologische wijziging volledig in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Bestemmingsplan 'Buitengebied 2010'

In artikel 3.7 lid o van het bestemmingsplan 'Buitengebied 2010' is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen ten behoeve van de omzetting van agrarische gronden in een woonbestemming. De wijzigingsbevoegdheid luidt als volgt:

Vergroten bestemmingsvlakken wonen

de bestemming ‘Agrarisch - 1’ wordt gewijzigd in de bestemming ‘Wonen’ ten behoeve van het vergroten van bestem­mingsvlakken, mits:

  • 1. na toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid de regels van artikel 36 van overeenkomstige toepassing zijn;
  • 2. de oppervlakte van het betreffende bestemmingsvlak voor het wonen na toepassing van de wijzigingsbevoegdheid ten hoogste 2.000 m² zal bedragen;
  • 3. er geen sprake is van onevenredige schade voor de aangrenzende (agrarische) bedrijven, in dié zin dat de bedrijven in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt;
  • 4. er sprake is van een goede landschappelijke inpassing van de gronden ten behoeve van het wonen en de gronden als één aaneengesloten geheel worden ingericht;
  • 5. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuurlijke en landschappelijke waarden, de archeologische waarden, de waarden van de historische buitenplaatsen en de gebruiksmogelijkheden van de aangren­zende gronden;

Toets

Het plan is getoetst aan de voorwaarden zoals hierboven beschreven. Hieruit komt het volgende naar voren:

  • de regels van artikel 36 'Wonen' blijven onverkort van toepassing bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid;
  • De oppervlakte van het bestemmingsvlak voor wonen bedraagt na toepassing van de wijzigingsbevoegdheid maximaal 2.000 m².
  • Er is geen sprake van (onevenredige) schade voor aangrenzende (agrarische) bedrijven. De ontwikkeling zorgt niet voor belemmering van deze bedrijven. Zie hiervoor paragraaf 4.2.
  • Het erfinrichtingsplan is bijgevoegd in Bijlage 1. De voorziene uitbreiding van de woonbestemming vindt plaats op open gronden (in gebruik als gazon). Het voornemen heeft dan ook niet tot nauwelijks invloed op de landschapstructuren ter plaatse. Bovendien wordt de ontwikkeling juist, qua bouwstijl en vorm, in aansluiting op de bestaande bebouwing gerealiseerd en ingepast.
  • Er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de waarden zoals beschreven in voorwaarde 5. Uit onderhavig bestemmingsplan (met name Hoofdstuk 4) blijkt dit. De gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden buiten het plangebied worden niet belemmerd.

Vastgesteld wordt dat er wordt voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de wijzigingsbevoegdheid.

3.3.2 Omgevingsvisie Dinkelland

De gemeenteraad van de gemeente Dinkelland heeft op 31 maart 2021 'MijnOmgevingsvisie Dinkelland' vastgesteld. Deze visie gaat over de toekomst van de leefomgeving van de gemeente Dinkelland, waarbij wordt ingegaan op diverse thema's (o.a. leefbaarheid, gezondheid, veiligheid en duurzaamheid). De visie geeft aan hoe de gemeente Dinkelland en samenleving willen sturen. Wat moet er behouden worden, wat moet er versterkt worden en wat moet er worden ontwikkeld.

De omgevingsvisie 'MijnOmgevingsvisie Dinkelland' gaat uit van vier kernprincipes. Dit zijn manieren van werken: werkwijzen die altijd gelden. De vier principes zijn:

  • 1. We doen het samen;
  • 2. We geven het goed voorbeeld;
  • 3. We wentelen niet af op volgende generaties;
  • 4. We combineren zoveel mogelijk functies, zodat de beschikbare ruimte optimaal wordt gebruikt.

De gemeente Dinkelland wil een economische sterk buitengebied met veel verschillende functies, waarin alle bewoners en gebruikers aan hun trekken komen. Het Twentse landschap van Dinkelland is een uniek coulisselandschap met houtwallen, singels, essen, ontginningen, natuurgebieden en landgoederen. Dit landschap draagt in grote mate bij aan de identiteit van de streek. De houtwallen en singels vormen verbindingen van natuurgebied naar natuurgebied die voor veel planten en dieren belangrijk zijn. Kortom zowel mensen als dieren voelen zich hier thuis. Het is voor iedereen belangrijk om een sterk en mooi buitengebied te behouden.

In het buitengebied van Dinkelland komen veel verschillende functies voor die allemaal ruimte nodig hebben. Zoals landbouw, natuur, toerisme en bedrijvigheid, recreatie en ook wonen. Daarnaast vragen nieuwe functies om ruimte. Dit zijn bijvoorbeeld de hernieuwbare opwekking van energie en de vraag naar voldoende waterberging.

Al deze functies leggen samen veel druk op het buitengebied. Daarom het uitgangspunt: de goede functies op de goede plek. Combinaties van functies zullen nodig zijn, om alles aan bod te laten komen. De gemeente Dinkelland streeft naar een buitengebied met een mooie balans tussen het landgebruik, de leefbaarheid en de kwaliteit van landschap, bodem, water en lucht. Dat maakt het buitengebied sterker en is gunstig voor de leefbaarheid. Dit wordt gedaan samen met de inwoners, partners en de gebruikers.

De speerpunten voor het buitengebied zijn:

  • toekomstgerichte agrarische sector waarbij duurzamere landbouw wordt gestimuleerd;
  • goede staat van landschap en biodiversiteit waarbij we samenwerking zoeken met de landbouw;
  • kwalitatief toerisme waarbij groei mogelijk is met respect voor landschap en natuur.

Toets

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIWPSATERSLOSTR6-VG01_0010.png" Figuur 3.3: Waardenkaart Omgevingsvisie gemeente Dinkelland (bron: gemeente Dinkelland)

Middels de uitbreiding van het bestemmingvlak met de bestemming 'Wonen' en daarmee het kunnen bouwen van een nieuw bijgebouw, worden de gebruiks- en bouwmogelijkheden van het perceel vergroot. Het plangebied ligt binnen de Waardenkaart binnen het landschap 'gericht op beperkte ontwikkeling door gemiddelde waarde en dynamiek'. Gezien de landschappelijke structuur die ter plaatse verder ongewijzigd blijft, is reeds sprake is van een goed ingepast perceel. De functionele en landschappelijke indeling zal niet/nauwelijks veranderen door onderhavig wijzigingssplan. De ontwikkeling is in lijn met de uitgangspunten vanuit de Omgevingsvisie Dinkelland.

3.3.3 Nota 'De casco benadering in Noordoost-Twente'

De gemeente Dinkelland heeft de beleidsnota 'De casco-benadering in Noordoost-Twente' vastgesteld. Het Nationaal Landschap Noordoost Twente is een gebied met zeldzame en unieke landschapskwaliteiten. Het is een gebied met stuwwallen, bronnen, beken en fraaie cultuurlandschappen. Kernkwaliteit is het waardevolle cultuurlandschap met een variatie in open en een kleinschalig besloten landschap. Schaalvergroting in de grondgebonden landbouw staat op gespannen voet met deze kleinschaligheid. Het verdwijnen van landschapselementen op perceelsgrenzen tast het kleinschalige groene karakter aan en leidt tot een afname van landschapsdiversiteit. De gemeente Dinkelland heeft samen met de provincie Overijssel en de gemeenten Tubbergen, Losser en Oldenzaal de ambitie uitgesproken om de tendens van schaalvergroting in de grondgebonden landbouw zodanig vorm te geven dat deze niet ten koste gaat van de kwaliteit van het landschap.

Om vorm en inhoud te geven aan deze ambitie is een generieke methode ontwikkeld: de casco benadering. Voor de gemeente is de casco-benadering te gebruiken als beoordelingskader voor ingrepen in het landschap. Aan de hand van de casco-kaart (figuur 3.4) kan bezien worden of landschappelijke structuren deel uitmaken van het casco.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIWPSATERSLOSTR6-VG01_0011.png" Figuur 3.4: Fragment casco-kaart (bron: www.overijssel.nl/cascokaart)

Op basis van de casco-kaart kan vastgesteld worden of het landschapselement tot het casco behoort of niet; daaruit volgen drie mogelijk aanvragen op basis van het casco, dit zijn:

  • 1. Regulier casco: het te verwijderen element is geen casco en de initiatiefnemer compenseert op een lijn uit de cascokaart.
  • 2. Afwijking van de compensatie: het te verwijderen element is geen casco, maar de initiatiefnemer wil compenseren op een andere plek dan aangegeven op de cascokaart.
  • 3. Afwijking van het casco: het te verwijderen element behoort tot het casco en het te compenseren element ligt of op de cascokaart, zo niet dan is de een aanvraag een combinatie met situatie 2 (afwijking compensatie).

Toets
Er bevinden zich geen cascoelementen binnen het plangebied. Voor het overige worden de bestaande cascoelementen niet aangetast als gevolg van de planvorming. Het initiatief voldoet aan de uitgangspunten van het casco-beleid.

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving staan van het verrichte onderzoek naar de voor het plan relevante feiten en de af te wegen belangen (Algemene wet bestuursrecht, artikel 3.2).

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de geldende wet- en regelgeving die op voorliggend plan en plangebied van toepassing zijn. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden daarom de resultaten van het onderzoek naar o.a. de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreffen voor zover relevant de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, verkeer, water en vormvrije m.e.r-beoordeling.

4.1 Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Op 1 april 2011 is het huidige Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Op 7 juli 2017 zijn er enkele wijzigingen doorgevoerd binnen dit besluit om de m.e.r.-procedure eenduidiger en overzichtelijker te maken, alsmede het aspect milieueffectrapportage explicieter te behandelen in aanvragen. Dit besluit heeft tot doel het vaststellen van mogelijke, ernstig nadelige milieugevolgen ten gevolge van een activiteit binnen de aanvraag.

Binnen het Besluit milieueffectrapportage zijn een tweetal mogelijkheden opgenomen hoe om te gaan met dit besluit bij een aanvraag. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd, maar onder de gestelde drempelwaarden blijft, volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd en bovendien de gestelde drempelwaarden overstijgt, is de betreffende aanvraag m.e.r.-plichtig. Op dat moment zal een m.e.r.-rapportage op moeten worden gesteld.

Toets

Er wordt middels dit wijzigingsplan een uitbreiding van het woonvlak aan de Saterslostraat 6 te Deurningen mogelijk gemaakt. De ontwikkeling is concreet beschreven in Hoofdstuk 2. De huidige bestemming van het plangebied is wonen en deels agrarisch.

Uit voorgaande volgt dat de vergroting van een bestemmingsvlak 'Wonen' in algemene zin niet te kwalificeren is als stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r.. Het betreft een bestaande woonfunctie welke uitgebreid wordt. De gevolgen voor het milieu zijn als nihil aan te merken. In die gevallen is het Besluit m.e.r. niet van toepassing en hoeft geen aanmeldnotitie te worden opgesteld.

4.2 Milieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:

  • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is.

Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied' dan wel 'gemengd gebied'. In figuur 4.1 zijn de richtafstanden weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIWPSATERSLOSTR6-VG01_0012.png" Figuur 4.1: Richtafstanden VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering

Toets

Met voorliggende ontwikkeling wordt de woonbestemming vergroot om een nieuw bijgebouw mogelijk te maken. Dit betreft geen milieugevoelig object. Voor de volledigheid is echter wel een toets aan de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uitgevoerd.

In het plangebied wordt enkel het bestemmingsvlak 'Wonen' uitgebreid. Het bestemmingsvlak komt hiermee dichter (ca. 180 meter afstand) bij het glastuinbouwbedrijf aan de Saterslostraat te liggen. Een dergelijk bedrijf wordt op basis van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' aangemerkt als een categorie 2 bedrijf. Hiervoor geldt, uitgaande van het omgevingstype 'rustige woonwijk' een grootste richtafstand van 30 meter. De afstand van het bestemmingsvlak van het glastuinbouwbedrijf tot aan het uitgebreide bestemmingsvlak 'Wonen' bedraagt ongeveer 180 meter.

Verder komt het bestemmingsvlak 'Wonen' dichter bij diverse agrarische bedrijven te liggen. Het dichtstbijzijnde agrarisch bedrijf betreft het bedrijf aan de Vlijertsdijk 2, op circa 185 meter afstand. Dit bedrijf kan echter buiten beschouwing worden gelaten, omdat het bestemmingsvlak 'Wonen' na uitbreiding niet dichter bij dit bedrijf komt te liggen. Ook voor de overige omliggende agrarische bedrijven levert de bestemmingsplanwijziging geen problemen op. De voorgenomen ontwikkeling past in de omgeving en vormt geen belemmering voor de huidige bedrijven in de omgeving.

Voor het overige zijn er geen milieubelastende activiteiten in de omgeving van het plangebied aanwezig waarvan een nadere beschouwing vereist is. Het aspect 'milieuzonering' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.3 Geur

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden.

Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden:

  • ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen;
  • ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht.

Toets

In paragraaf 4.2 is reeds aangegeven dat de dichtstbijzijnde milieubelastende activiteit een agrarisch bedrijf op meer dan 150 m betreft. Middels dit wijzigingsplan wordt echter geen oprichting van een nieuw geurgevoelig object mogelijk gemaakt. Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'geur' geen belemmering oplevert voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.4 Bodem

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient in de daarvoor aangewezen gevallen een bodemonderzoek te worden verricht.

Artikel 3.1.6 van het Bro bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat een eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of de (financiële) uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het opstellen of wijzigen van het bestemmingsplan of een planologische afwijking. Als er verontreiniging aanwezig is moet bepaald (nader onderzoek) worden of het een geval is in de zin de Wbb of een diffuse verontreiniging. In de exploitatieopzet moeten de saneringskosten en de verwerkingskosten voor diffuus verontreinigde grond worden opgenomen.

Toets

Op basis van de Woningwet, de Wabo en bijbehorende regelgeving gelden de volgende uitzonderingen voor de bodemonderzoekplicht:

  • als het gaat om bouwwerken die de grond niet raken het bouwwerk een te verwezenlijken bebouwingsoppervlakte heeft van ten hoogste 50 m²;
  • als het gaat om het bouwen van bouwwerken waarin niet (nagenoeg) voortdurend mensen zullen verblijven (Woningwet, artikel 8, derde lid). Hierbij wordt een verblijftijd van minder dan 2 uur gehanteerd;
  • als B&W vrijstelling verlenen omdat er al voldoende gegevens met betrekking tot de bodemkwaliteit bekend zijn, bijvoorbeeld op basis van een reeds eerder uitgevoerd bodemonderzoek (maximaal 5 jaar oud en waarbij het gebruik sindsdien niet is gewijzigd)

Het voorliggende plan maakt een bijgebouw mogelijk en derhalve geen bouwwerken waarin mensen langer dan 2 uur zullen verblijven. Het gebied is in de bodemkwaliteitskaart van Regio Twente aangemerkt als AW-2000/vrij toepasbaar en daarmee schoon. Dat neemt niet weg dat er sprake kan zijn van verontreinigingsbronnen. Bovendien bevat het bestaande bijgebouw geen asbestverdachte materialen waardoor eventuele drupperlzones kunnen ontstaan. Op deze plek heeft geen bebouwing gestaan.

Op basis van voornoemde kan gesteld worden dat het woon- en leefklimaat ter plaatse niet onevenredig wordt aangetast. Derhalve geldt dat het uitvoeren van een bodemonderzoek niet noodzakelijk is. Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.5 Geluid

In het kader van de Wet geluidhinder moet er bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, c.q. een ontheffing op grond van de Wro, een onderzoek worden gedaan naar de geluidsbelasting op de gevels van geluidsgevoelige objecten, voor zover deze geluidsgevoelige objecten zijn gelegen binnen een zonering van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen.

De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies:

  • Woningen.
  • Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal).
  • Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc.

Enerzijds betekent dit dat (geluids-)eisen worden gesteld aan de nieuwe milieubelastende functies, anderzijds betekent dit eveneens dat beperkingen worden opgelegd aan de nieuwe milieugevoelige functies.

Toets

Voorliggend wijzigingsplan voorziet in de uitbreiding van de woonbestemming ter plaatse van de Saterslostraat 6 te Deurningen. Hierdoor wordt de nieuwbouw van een bijgebouw mogelijk gemaakt. Een bijgebouw wordt in het de Wet geluidhinder niet als geluidsgevoelig object aangeduid. Gelet op voorenstaande is akoestisch onderzoek niet vereist. Het aspect 'geluid' vormt derhalve geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.6 Luchtkwaliteit

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit.

In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen:

  • Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen);
  • Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).

Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen

Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats.

In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:

  • woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg;
  • woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen;
  • kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden.

Besluit gevoelige bestemmingen 

Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen.

De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.

Toets

Voorliggend wijzigingsplan voorziet niet in de toename van verkeersbewegingen ter plaatse. Derhalve draagt de ontwikkeling niet in betekende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit.

Ook is er geen sprake van een nieuwe (extra) gevoelige bestemming volgens 'besluit gevoelige bestemmingen'. Daarnaast is er nu en in de toekomst geen sprake van overschrijdingen van de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit (geldt voor heel Oost-Nederland).

Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is niet nodig. Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt derhalve geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.7 Externe veiligheid

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het daarbij om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer:

  • het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi);
  • de Regeling externe veiligheid (Revi);
  • het Registratiebesluit externe veiligheid;
  • het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015);
  • het Vuurwerkbesluit.

Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing.

Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico.

  • Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is.
  • Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is.

In het BEVI zijn de risiconormen wettelijk vastgelegd. Deze normen zijn niet effectgericht maar gebaseerd op een kansberekening. Tevens geven de risiconormen alleen de kans weer om als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen te overlijden. Gezondheidsschade en de kans op verwonding of materiële schade zijn daarin niet meegenomen. Er is in het BEVI geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar slechts een oriënterende waarde. Er is sprake van een verantwoordingsplicht in geval van een toename van het groepsrisico.

Risicokaart

Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven.

Toets

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIWPSATERSLOSTR6-VG01_0013.png" Figuur 4.2: Uitsnede risicokaart, plangebied rood omcirkeld (bron: ArcGIS)

Op circa 625 meter ten noorden van het plangebied is een buisleiding van de Gasunie gelegen. Het plangebied valt ruim buiten de risicocontour van deze leiding. Uit de inventarisatie blijkt tevens dat ten zuiden van het plangebied op circa 885 meter een tankstations met LPG-vulpunt ligt. Het plangebied valt ook buiten de risicocontouren van dit tankstation. Binnen een straal van 625 m van het plangebied bevinding zich geen risico's op basis van de externe veiligheid zijn gelegen, derhalve geldt dat het plangebied:

  • zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen, danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico);
  • zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is;
  • niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen;
  • niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.

Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid.

4.8 Water

Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).

Waterbeleid

De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de SVIR en het Nationaal Waterplan (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen).

Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen.

Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2016-2021. De belangrijkste ruimtelijk relevante thema's zijn de Kaderrichtlijn Water en retentiecompensatie. Daarnaast is de Keur van Waterschap Vechtstromen een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden.
Op gemeentelijk niveau zijn het in overleg met Waterschap Vechtstromen opgestelde gemeentelijk Waterplan en het gemeentelijk Rioleringsplan van belang bij het afwegen van waterbelangen in ruimtelijke plannen.

Waterbeheerplan 2016-2021

Watersysteem

In het waterbeheer van de 21e eeuw worden duurzame, veerkrachtige watersystemen nagestreefd. Dit betekent concreet dat droge perioden worden doorstaan zonder droogteschade, vissterfte en stank, en dat in natte perioden geen overlast optreedt door hoge grondwaterstanden of inundaties vanuit oppervlaktewateren. Problemen worden niet afgewenteld op andere gebieden of latere generaties. Het principe "eerst vasthouden, dan bergen, dan pas afvoeren" is hierbij leidend. Rijk, provincies en gemeenten hebben in het Nationaal Bestuursakkoord Water doelen vastgelegd voor het op orde brengen van het watersysteem.

Afvalwaterketen

Het zoveel mogelijk scheiden van vuil en schoon water is belangrijk voor het bereiken van een goede waterkwaliteit. Door te voorkomen dat grote hoeveelheden relatief schoon hemelwater door rioolstelsels worden afgevoerd, neemt het aantal overstorten van verontreinigd rioolwater op oppervlaktewater af en neemt de doelmatigheid van de rioolwaterzuivering toe. Hierdoor verbetert zowel de kwaliteit van oppervlaktewateren waarop overstorten plaatsvinden als de kwaliteit van het effluent ontvangende oppervlaktewater. Indien het schone hemelwater door middel van infiltratie in het gebied wordt vastgehouden alvorens het wordt afgevoerd naar oppervlaktewater, draagt dit bovendien bij aan de duurzaamheid van het watersysteem. Vandaar dat het principe "eerst schoonhouden, dan scheiden, dan pas zuiveren" een belangrijk uitgangspunt is bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Als het hemelwater niet wordt aangekoppeld of wordt afgekoppeld van het bestaande rioolstelsel is oppervlakkige afvoer en infiltreren in de bodem uitgangspunt. Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst.

Watertoetsproces

Op 22 juni2021 is via www.dewatertoets.nl de digitale watertoets verricht, zie Bijlage 2. Op basis van de verrichte toets is de standaard waterparagraaf van toepassing. Met in achtneming van de algemene uitgangspunten van het waterschap geeft het waterschap Vechtstromen een positief advies.

4.9 Ecologie

Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet natuurbescherming) en provinciale regelgeving (NNN in provinciale verordening).

Toetsing 

Natuurnetwerk Nederland

Het plangebied ligt niet in het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Gronden die tot het NNN behoren liggen op minimaal 55 meter afstand van het plangebied.

Natura 2000-gebied

Het plangebied behoort niet tot Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op minimaal 3,2 km afstand ('Lonnekermeer').

Vanwege de lokale invloedsfeer en de kleinschaligheid van de ontwikkeling hebben de voorgenomen activiteiten geen negatieve effecten op deze Natura 2000- of Natuurnetwerk Nederland gebieden. Er is geen nader onderzoek nodig in het kader van gebiedsbescherming en er hoeft geen ontheffing van de Omgevingsverordening Overijssel of Wet natuurbescherming aangevraagd te worden.

Soortenbescherming

Voor de te slopen opstallen is een Quickscan flora en fauna uitgevoerd. Deze is opgenomen in Bijlage 3. De quickscan flora en fauna is gebaseerd op een eenmalige veldbezoek op 04 juni 2021 [Onbewolkt, 25 graden Celsius en windkracht 2]. Dit veldbezoek heeft als doel een indruk te krijgen van de aanwezige biotoop en de geschiktheid ervan voor beschermde soorten. Om te bepalen welke soorten er in de omgeving van het projectgebied voorkomen is gebruik gemaakt van de meest recente verspreidingsgegevens. Op basis van deze methode zijn uitspraken gedaan over de eventuele aanwezigheid van beschermde planten en dieren in het projectgebied. Deze quickscan is uitgevoerd op basis van de momenteel geldende uitwerking en interpretatie van beleid en wetgeving.

Opdrachtgever is voornemens aan de Saterslostraat 6 in Deurningen (Gemeente Dinkelland, Provincie Overijssel) een nieuwe schuur te bouwen. Voor de bouw van deze nieuwe schuur is de sloop van één schuur (schuur 1) noodzakelijk. Men is voornemens daarnaast nog één schuur te slopen (schuur 2). Verder worden geen bomen gekapt of struweel verwijderd of watergangen / poelen gedempt. De nieuwe schuur wordt gebouwd op de locatie van schuur 1 en een deel van het wekelijks gemaaide gazon. Voor dit initiatief is een quickscan flora en fauna uitgevoerd.

Met de sloop van schuur 1 is, indien de nestkast van de huismus verplaatst wordt binnen het erf en buiten het broedseizoen, geen sprake van aantasting van vaste rust- en verblijfplaatsen van strikt beschermde soorten. Een ontheffing in het kader van de Wnb is niet noodzakelijk. In schuur 2 broeden 2 paar huismussen onder de dakpannen. Door het nemen van mitigerende maatregelen is bij de sloop van schuur 2 tevens gaan sprake van overtreding van de Wnb.

Verder geldt te allen tijde de algemene zorgplicht. Dit houdt in dat men rekening moet houden met de werkzaamheden, zodat opzettelijk doden en verwonden wordt voorkomen. Denk daarbij aan het werken in één richting en het slopen van de schuren buiten het kwetsbare voortplantingsseizoen.

Mitigerende maatregelen

Het advies is om voorafgaand aan de sloop van schuur 1 de nestenkast in de periode september tot maart te verplaatsen binnen het perceel. Daarna kan gestart worden met de bouw van de nieuwe schuur waarbij voldoende ruimte moet zijn voor nestmogelijkheden voor de huismus. Kennisdocument Huismus van BIJ12 beschrijft de maatregelen die tijdens de bouw genomen kunnen worden om nestgelegenheid te bieden voor de huismus. Voor iedere nestlocatie die verloren gaat dienen minimaal 2 nieuwe nestlocaties aangeboden te worden, dit betekent dat minimaal 4 nestgelegenheden in de nieuwe schuur gerealiseerd worden. Het niet toepassen óf verplaatsen van vogelschrootjes naar de 2e rij dakpannen over een lengte van ca.15m zou in dit geval passend zijn. Met de sloop van schuur 2 verdwijnt ca. 5m en met de nieuwbouw komt er 3 keer zoveel terug. De nieuwe schuur biedt meer nestgelegenheid dan dat in de huidige situatie aanwezig is. Tot slot wordt schuur 2 pas gesloopt nadat de potentiële nestlocaties in de nieuwe schuur gerealiseerd zijn en in gebruik zijn genomen door de huismus.

Het aspect 'ecologie' vormt derhalve geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

4.10 Archeologie en Cultuurhistorie

Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. In de Erfgoedwet worden zes wetten en regelingen, waaronder de Monumentenwet 1988, gebundeld in één wet die de bescherming van het cultureel erfgoed in Nederland regelt. Sommige onderdelen van de Monumentenwet 1988 over naar de Omgevingswet die naar verwachting in 2021 wordt ingevoerd. Tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet blijven deze onderdelen van kracht binnen het overgangsrecht van de Erfgoedwet. Het gaat om artikelen die betrekking hebben op beschermde monumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten, archeologische monumentenzorg en handhaving.

Na inwerkingtreding van de Omgevingswet regelt deze wet samen met de Erfgoedwet de integrale bescherming van het cultureel erfgoed. Voor het gebouwde erfgoed betekent dit dat de aanwijzing van rijksmonumenten gebeurt op grond van de Erfgoedwet, maar de vergunningverlening voor het wijzigen van rijksmonumenten is geregeld in de Omgevingswet. De aanwijzing en omgang met beschermde stads- en dorpsgezichten geschiedt straks op grond van de Omgevingswet. De wetgeving over archeologie wordt opgesplitst. De verdeling is grofweg: het certificeringsstelsel en de aanwijzing van archeologische rijksmonumenten staat in de Erfgoedwet en de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving (de vergunningverlening) in de Omgevingswet.

Archeologie

Op de archeologische verwachtings- en advieskaart van de gemeente Dinkelland is het plangebied aangemerkt als 'dekzandwelvingen en -vlakten'. Een verhoogde kans op archeologische resten uit de Steentijd op de hoogste delen van dekzandwelvingen en op resten uit de Late Middeleeuwen langs randen van dekzandhoogten en ruggen met een plaggendek. Archeologische resten vlak onder het maaiveld daardoor kwetsbaar voor bodemingrepen. Archeologische resten hierdoor vaak minder goed geconserveerd.

Archeologisch onderzoek is noodzakelijk in plangebieden groter dan 5000 m² bij bodemingrepen dieper dan 40 centimeter. Voor gebieden kleiner dan 5000 m² geldt een vrijstelling voor archeologisch onderzoek.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIWPSATERSLOSTR6-VG01_0014.png" Figuur 4.2: Uitsnede archeologische verwachtingenkaart (bron: gemeente Tubbergen)

Het onderhavig bestemmingsplan voorziet niet in ontwikkeling die de genoemde 5.000 m² zullen overschrijden. Het plangebied is immers kleiner dan de drempelwaarde van 5.000 m². Het aspect 'archeologie' vormt derhalve geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

Cultuurhistorie

Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988 (die nog geldt als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet). Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties.

Uit de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Overijssel kan worden afgeleid dat in de directe omgeving geen cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig zijn. Derhalve wordt geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'cultuurhistorie'.

4.11 Verkeer / parkeren

Het bestaande erf aan de Saterslostraat 6 te Deurningen ontsluit op de Saterslostraat, een buitenweg die vooral dienst doet voor bestemmingsverkeer. Dit betreft een weg met een 60 km/u snelheidsregime. Door de realisatie van de nieuwe schuur die aan de hand van onderhavig plan mogelijk wordt gemaakt ontstaan geen extra verkeersbewegingen. Het aspect 'verkeer' levert geen belemmeringen op voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

Het parkeren vindt plaats op eigen erf, waar voldoende ruimte is om in parkeerplaatsen te voorzien. Het aspect 'parkeren' levert derhalve geen belemmeringen op voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

Hoofdstuk 5 Juridische toelichting

5.1 Planopzet en systematiek

De in Hoofdstuk 2 beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die bindend is voor overheid, bedrijven en burgers. Het wijzigingsplan bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding (plankaart) vormen het juridisch bindende deel. Op de verbeelding worden de toegekende bestemmingen en aanduidingen visueel weergegeven.

De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. Het voorliggende plan betreft een wijzigingsplan en zodoende wordt aansluiting gezocht bij de bestemmingsregels uit het moederplan 'Tubbergen Buitengebied 2016'. De wijzigingen als gevolg van dit plan zijn zichtbaar op de verbeelding door de wijziging van het aanwezige bestemmingsvlak voor wonen. De toelichting heeft zelf geen juridische bindende werking, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen.

5.2 Toelichting op de regels

Bestemmingen

  • 'Wonen'

De wijziging van het bestemmingsvlak 'Wonen' in voorliggend plan betreft een uitbreiding van de omvang van het bestaande bestemmingsvlak. De digitale verbeelding geeft het nieuwe bestemmingsvlak 'Wonen' ter plaatse van de Saterslostraat 6 te Deurningen weer.

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor burgerwoningen. Woningen mogen een maximale inhoud hebben van 750m³, tenzij de bestaande inhoud van een woning binnen een hoofdgebouw meer bedraagt dan 750 m³, in welk geval de inhoud van een woning binnen een hoofdgebouw ten hoogste de bestaande inhoud zal bedragen. De gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij een hoofdgebouw zal ten hoogste 100 m² bedragen. De verschijningsvorm past binnen de gebiedskenmerken c.q. de omvang van woningen zoals die algemeen binnen de gemeente Dinkelland voorkomt. De bestemming 'Wonen' wordt conform het vigerende bestemmingsplan in dit wijzigingsplan overgenomen.

Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een ontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden
naar de uitvoerbaarheid van het plan. Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is.

De gemeentelijke kosten, waaronder leges en planschadekosten, komen voor rekening van de aanvrager. Hiermee is het kostenverhaal anderzins verzekerd en kan de raad op grond van artikel 6.12, lid 2 onder a besluiten geen exploitatieplan vast te stellen.

Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

7.1 Vooroverleg

Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met instanties, zoals gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.

Provincie Overijssel

De provincie Overijssel heeft in juli 2016 een uitzonderingslijst opgesteld van categorieën bestemmingsplannen en projectbesluiten van lokale aard waarvoor vooroverleg niet noodzakelijk is. Het plan valt onder categorie B onder 1, waardoor vooroverleg niet nodig is.

Waterschap Vechtstromen

Op 22 juni 2021 is het plan via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het waterschap Vechtstromen. De conclusie van die digitale toets is dat het waterschap een positief advies geeft. Hiermee is voldaan aan het verplichte vooroverleg.

7.2 Zienswijzen

Het ontwerp wijzigingsplan heeft met ingang van 17 september voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze periode kon een ieder zijn of haar zienswijze ten aanzien van dit wijzigingsplan kenbaar maken. Tijdens de termijn van de terinzagelegging zijn geen zienswijzen binnengekomen.