direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Buitengebied, partiële herziening Ottershagenweg 3 Oud Ootmarsum
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1774.BUIBPOTTERSHWEG3-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

De initiatiefnemer is voornemens een bestaande varkenshouderij, gelegen aan de Ottershagenweg 3 te Oud Ootmarsum uit te breiden om het toekomstpersectief van het bedrijf te waarborgen. Om de bedrijfsuitbreiding mogelijk te maken is het bestaande bouwvlak niet toereikend en zal het bouwvlak moeten worden vergroot.

Het bestaande bouwvlak van 16.103m2 wordt uitgebreid naar een bouwvlak met een totale oppervlakte van 27.028m2. Om de ontwikkeling mogelijk te maken, moet het bestemmingsplan worden herzien. Om de voorgenomen ontwikkeling van het plangebied planologisch-juridisch mogelijk te maken, is dit bestemmingsplan opgesteld.

1.2 Bij het plan behorende stukken

Het bestemmingsplan "Buitengebied, partiële herziening Ottershagenweg 3 Oud Ootmarsum" bestaat uit de volgende stukken:

  • toelichting
  • verbeelding,
  • regels;
  • bijlagen.

Een bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan en moeten samen "gelezen" worden. Op de verbeelding zijn de bestemming(en) van de in het plangebied begrepen gronden en opstallen aangegeven. Aan deze bestemmingen zijn regels en bepalingen gekoppeld teneinde de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt toch een belangrijk onderdeel van het bestemmingsplan. De toelichting geeft aan wat de beweegredenen en achtergronden zijn die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen en doet verslag van het onderzoek dat aan het bestemmingsplan vooraf is gegaan. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Daarnaast zijn bijlagen onderdeel van dit bestemmingsplan. Dit zijn bijvoorbeeld milieutechnische onderzoeken om de haalbaarheid van de plannen te onderbouwen.

1.3 Situering plangebied

Het plangebied is gelegen in de gemeente Dinkelland, ten noordoosten van Ootmarsum, aan de Ottershagenweg 3 te Oud Ootmarsum. Het plangebied is Kadastraal bekend onder gemeente Denekamp, Sectie K, nummer 0815, 0816 en 0834. Onderstaande afbeelding geeft de situering van het plangebied weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPOTTERSHWEG3-VG01_0001.png"

1.4 leeswijzer

In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de huidige en nieuwe situatie binnen het plangebied. In hoofdstuk 3 komt het relevante ruimtelijk beleid aan de orde. In Hoofdstuk 4 wordt aandacht besteed aan de voor het plan relevante milieu aspecten. De juridisch-technische aspecten van de opgenomen regeling zijn opgenomen in hoofdstuk 5. In hoofdstuk 6 en 7 wordt ingegaan op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Bestaande situatie

Het perceel ligt aan de aan de Ottershagenweg 3 te Oud Ootmarsum. Het betreft een bestaande varkenshouderij met een vergunning voor het houden van fokzeugen en gespeende biggen maar ook vleesvarkens. Daarnaast worden er zoogkoeien, bijbehorend jongvee, stieren en schapen gehouden.

Er is een bedrijfswoning aanwezig. Op onderstaande luchtfoto is het bedrijf zichtbaar.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPOTTERSHWEG3-VG01_0002.png"

Het plangebied maakt onderdeel uit van het Bestemmingsplan Buitengebied 2010 gemeente Dinkelland, vastgesteld 2010-02-18 en bekend met het nummer NL.IMRO.1774.BUIBPBUITENGEBIED-0402. De huidige bedrijvigheid vindt plaats binnen het bouwvlak, zie onderstaande uitsnede uit het bestemmingsplan buitengebied. Daarnaast is de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel gemengd agrarisch bedrijf' van toepassing, die intensieve veehouderij op het perceel mogelijk maakt.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPOTTERSHWEG3-VG01_0003.png"

2.2 Nieuwe situatie

Het bestaande bouwvlak van 16.103m2 wordt uitgebreid naar een bouwvlak met een totale oppervlakte van 27.028m2. Het doel van de uitbreiding is het realiseren van een toekomstgericht agrarisch bedrijf dat voldoet aan alle verplichtingen uit de Wet milieubeheeagr en de IPPC-richtlijn, met voldoende bedrijfseconomisch perspectief voor de toekomst. Door schaalvergroting kan het bedrijf economisch rendabel blijven, zodat geïnvesteerd kan worden in een duurzame en maatschappelijk verantwoorde

productie. De belangrijkste eisen hierbij zijn welzijn, gezondheid, voedselveiligheid, minimalisering van emissies (ammoniak, geur en stof) en de afzet dierlijke mest. Uitvoering van het uitbreidingsplan resulteert in de gewenste schaalvergroting waarmee de continuïteit van het bedrijf op langere termijn blijft gewaarborgd.

Concreet betekent dit dat stal 10 nieuw zal worden gerealiseerd voor de huisvesting van vleesvarkens en gespeende biggen. Deze stal zal volledig worden aangesloten op een gecombineerd luchtwassysteem met 85% ammoniak emissiereductie (85% geur* en 80% fijnstof emissiereductie) met watergordijn en biologische wasser. Stal 5 zal qua omvang niet worden uitgebreid, echter binnen de bestaande stal

worden 92 zeugen meer aangevraagd. Deze dierplaatsen zullen emissiearm worden gehuisvest en voldoen aan de best beschikbare techniek. Naast bovengenoemde vinden er enkele ondergeschikte wijzigingen in de bestaande bedrijfsgebouwen plaats. Op het bedrijf worden tevens een opslagsilo voor spuiwater en een silo voor mestopslag gerealiseerd.

Op onderstaande afbeelding is het huidige bouwvlak (roze) en het nieuwe bouwvlak (groen) weergegeven. Het bestaande bouwvlak van 16.103m2 wordt uitgebreid naar een bouwvlak met een totale oppervlakte van 27.028m2.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPOTTERSHWEG3-VG01_0004.png"

Vooruitlopend op dit bestemmingsplan is een aanmeldnotitie m.e.r. opgesteld. In deze notitie is tevens het bedrijfsontwikkelplan opgenomen. Voor de specifieke bedrijfsdetails van de bedrijfsuitbreiding die ten grondslag liggen aan deze bestemmingsplanwijzing wordt verwezen naar Bijlage 1 Aanmeldnotitie m.e.r. Mts. Bruggink.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

Het rijksbeleid voor de ruimtelijke ordening van Nederland is vastgelegd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. De uitvoering van dit rijksbeleid wordt gewaarborgd in de AMvB Ruimte, waarin met juridisch bindende regels de nationale belangen uit de Nota Ruimte zijn vastgelegd, die moeten doorwerken in provinciale en gemeentelijke ruimtelijke plannen.

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is een strategische nota op hoofdlijnen waarin de ambitie van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid van Nederland in 2040 zijn opgenomen. Hoofddoel is het scheppen van ruimte voor de ruimtevragende functies. Het Rijk mengt zich niet in kwesties op microniveau maar stuurt op hoofdlijnen. Het motto is, “Decentraal wat kan, centraal wat moet”.

Een belangrijk element in de visie vormt de nationale Ruimtelijke Hoofdstructuur (RHS). In de RHS zijn de gebieden en netwerken opgenomen die in belangrijke mate ruimtelijk structurerend zijn voor Nederland. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om de Ecologische hoofdstructuur en de mainports Schiphol en Rotterdam.

Het Rijk heeft voor de RHS een grotere verantwoordelijkheid dan daarbuiten. Buiten de RHS stelt het rijk zich terughoudend en selectief op. Hier is het beleid gericht op het waarborgen en zo mogelijk vergroten van de basiskwaliteit. De primaire verantwoordelijkheid voor deze kwaliteit ligt bij de provincies.

Noordoost Twente, waar het plangebied onderdeel van is, maakt deel uit van de Ruimtelijke Hoofdstructuur vanwege de ligging in het Nationaal Landschap Noordoost Twente. Nationale Landschappen zijn gebieden met internationaal unieke landschappelijke kwaliteiten en in samenhang daarmee, bijzondere natuurlijke en recreatieve activiteiten. In Nederland zijn in totaal 20 gebieden aangewezen als Nationaal Landschap. Landschappelijke, cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten van nationale landschappen moeten behouden blijven duurzaam beheerd en waar mogelijk worden versterkt. In samenhang hiermee zal de toeristisch-recreatieve betekenis toenemen. Uitgangspunt voor het ruimtelijk beleid is "behoud door ontwikkeling". Ruimtelijke ontwikkelingen zijn dus mogelijk, mits de kernkwaliteiten van het landschap behouden blijven of worden versterkt ('ja, mits'-regime).

In de AMvB Ruimte is dit "ja, mits'-principe ook juridisch vastgelegd. Daarbij zijn de kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap Noordoost Twente concreet benoemd:

  • 1. de grote mate van kleinschaligheid;
  • 2. het groene karakter;
  • 3. samenhangend complex van essen, beken, kampen en moderne ontginningen.

Onderhavig initiatief heeft vanwege de relatief kleinschalige aard en omvang geen gevolgen voor de nationale belangen binnen het Nationaal landschap Noordoost Twente. Conform het motto decentraal wat kan, zal de verantwoordelijkheid voor de inrichting van het ruimtelijk gebied binnen het nationale landschap Noordoost Twente wordt neergelegd bij decentrale overheden.

3.2 Provinciaal beleid

Het provinciaal beleid ten aanzien van het platteland van Overijssel is vastgelegd in de Omgevingsvisie. In de Omgevingsvisie staat beschreven dat er zuinig moet worden omgegaan met het buitengebied in de provincie. Waar bepaalde ontwikkelingen kunnen bijdragen aan behoud, vitaliteit en versterking van het platteland, zijn deze in principe gewenst, als van deze ontwikkelingen geen negatieve invloed uitstraalt over de omgeving. Het provinciaal beleid is verwoord in tal van plannen. Het belangrijkste plan betreft de Omgevingsvisie Overijssel, die is verankerd in de Omgevingsverordening.

Omgevingsvisie Overijssel

De Omgevingsvisie Overijssel 2017 geeft de provinciale visie op de fysieke leefomgeving van Overijssel weer. Hierin worden onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur in samenhang voor een duurzame ontwikkeling van de leefomgeving. De Omgevingsvisie is onder andere een structuurvisie onder de Wet ruimtelijke ordening. De Omgevingsvisie is op 12 april 2017 vastgesteld en op 1 mei 2017 in werking getreden.

Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn de leidende principes of 'rode draden' bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel.

De ambities in het kader van duurzaamheid zijn: klimaatbestendigheid, het realiseren van een duurzame energiehuishouding, het sluiten van kringlopen (circulaire economie) en het beter benutten van ruimte, bestaande bebouwing en infrastructuur.

Ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit wordt ingezet op het vergroten van de gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is daarbij van belang, waarbij een vitaal en samenhangend stelsel van gebieden met een hoge natuur- en waterkwaliteit wordt ontwikkeld. Ook de ontwikkeling van een continu en beleefbaar watersysteem, het voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen en het contrast tussen dynamische en luwe gebieden versterken, zijn ambities op het gebied van ruimtelijke kwaliteit. Het zorgvuldig inpassen van nieuwe initiatieven heeft als doel om de samenhang in en de identiteit van een gebied te versterken en nieuwe kwaliteiten te laten ontstaan. Een zichtbaar en beleefbaar landschap en het behouden en waar mogelijk verbreden van het bestaande aanbod aan woon-, werk- en mixmilieu's betreffen ruimtelijke kwaliteitsambities.

De ambitie van de provincie Overijssel is dat elk project bijdraagt aan de versterking van de ruimtelijke kwaliteit van de leefomgeving en dat nieuwe initiatieven worden verbonden met bestaande kwaliteiten. De Catalogus Gebiedskenmerken, die per gebiedstype beschrijft welke kwaliteiten behouden, versterkt en ontwikkeld moeten worden, is daarbij een instrument om te sturen op ruimtelijke kwaliteit. Ten aanzien van sociale kwaliteit is het koesteren en het gebruik maken van 'noaberschap' de ambitie, evenals het stimuleren van culturele identiteit van de provincie Overijssel, zowel lokaal als regionaal. Duurzame ontwikkeling van cultureel erfgoed (bijv. herbestemmen/hergebruik monumenten en karakteristieke bebouwing) hoort hier bij. Het realiseren van sociale kwaliteit wordt gedaan door het actief betrekken van bewoners bij projecten en het bieden van ruimte aan initiatieven van onderop.

Omgevingsverordening Overijssel

De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren.

Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel 2017. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is.

Uitvoeringsmodel Omgevingsverordening Overijssel

De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel 2017 geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving.

Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten:

  • generieke beleidskeuzes;
  • ontwikkelingsperspectieven;
  • gebiedskenmerken.

Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht.

Generieke beleidskeuzes

Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase de zgn. 'SER-ladder' gehanteerd. Deze komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaande bebouwing en herstructurering worden benut, voordat er uitbreiding kan plaatsvinden.

Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Ecologische Hoofdstructuur en verbindingszones enzovoorts. De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend.

Ontwikkelingsperspectieven

Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities.

De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven.

Gebiedskenmerken 

Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en lust- en leisurelaag) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt.

Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.

Het uitvoeringsmodel is verbeeld in de volgende illustratie, Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel 2017 (Bron: Provincie Overijssel)

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPOTTERSHWEG3-VG01_0005.png"

Toetsing van het initiatief aan de Ontwerp Omgevingsvisie Provincie Overijssel

SER ladder

Het bedrijf voorziet in ontwikkeling, uitbreiding is daarvoor noodzakelijk. Het huidige bouwvlak is volgebouwd, om die reden zal het bouwvlak moeten worden verruimd. Het is in redelijkheid niet mogelijk om het bestaande agrarische bouwperceel voor de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken aangezien dit perceel reeds volledig in gebruik is.

Landschappelijke inpassing

In het kader van de ontwikkeling vindt landschappelijke compensatie plaats. Er wordt geïnvesteerd in ruimtelijke kwaliteit, hiertoe is in het kader van het KGO beleid een investeringsplan opgesteld. Deze is opgenomen als Bijlage 3 Investering in het KGO bij dit bestemmingsplan.

Duurzaamheid

Het aspect kwaliteitswinst wat betreft duurzaamheid en sociale kwaliteit komt met name tot uiting tot een verlaging in de ammoniak emissie en de stikstofdepositie , aangezien dat verdergaande emissiearme technieken worden toegepast (BBT+ en BBT++). Dit is omschreven in Hoofdstuk 4 Randvoorwaarden, onderzoek en verantwoording.

Daarnaast wordt het op te richten dierenverblijf gecertificeerd middels de Maatlat Duurzame Veehouderij. Een Maatlat Duurzame Veehouderij (MDV)-stal is een veestal met een lagere milieubelasting, met maatregelen voor diergezondheid en dierenwelzijn en draagt daardoor bij aan verduurzaming van de veehouderij. Een MDV-stal voldoet aan strenge duurzaamheidseisen op de thema's:

  • Ammoniakemissie
  • Bedrijf & omgeving
  • Brandveiligheid
  • Diergezondheid
  • Dierenwelzijn
  • Fijn stof
  • Klimaat

Bron: www.smk.nl / https://www.maatlatduurzameveehouderij.nl/31/home.html

Er worden dan ook op alle bovengenoemde onderdelen bovenwettelijke inspanningen en investeringen gedaan bij de realisatie van de nieuwe veestal.

Het bedrijf maakt dan ook bij de uitbreiding gebruik van de best beschikbare technieken BBT++. De emissies zijn hierbij tot een minimum beperkt. Het voldoet aan alle milieutechnische toetsingskaders. Voor een optimaal dierwelzijn is in de voorgenomen realisatie van de nieuwe stal een vergroting van het leefoppervlak van 25% boven de wettelijke criteria gekozen. Dit resulteert in extra investeringskosten van ca. 25% ten behoeve van het dierwelzijn. Het bedrijf maakt gebruik van technieken om duurzame energie op te wekken. Zo zijn de daken deels uitgevoerd met zonnepanelen en is er een warmtepomp geplaatst die warmte uit de mest onttrekt om vervolgens de bedrijfsgebouwen mee te verwarmen. Het bedrijf betreft een gemengd bedrijf van een varkenshouderij, rundveehouderij, schapenhouderij en akkerbouw. De akkerbouwtak is nagenoeg volledig in gebruik ten behoeve van de voederproductie van het eigen bedrijf. Naast de productie van ruwvoeder voor de runderen en schapen is er sprake van de teelt van eigen granen in de vorm van korrelmais ten behoeve van de varkens. Een groot deel van de voederbehoefte van de varkens worden ingevuld door de voeders van eigen grond. Hierdoor is de externe aanvoer van voeders ten behoeve van het bedrijf tot een minimum beperkt. De geplande uitbreiding zal gepaard gaan met een goede landschappelijke inpassing. De voorgenomen bedrijfsontwikkeling zal op een duurzame wijze worden uitgevoerd.

Omgevingsdialoog

De dialoog met omwonenden heeft vroegtijdig plaatsgevonden. De initiatiefnemer heeft een bezoek gebracht aan de directe buren aan de overzijde van de Ottershagenweg, wonende op Ottershagenweg 8. In het overleg heeft de initiatiefnemer de plannen kenbaar gemaakt. Dit was een positief gesprek; de buren zijn ook agrariërs en begrijpen de beweegredenen van de initiatiefnemer en hebben dan ook geen enkel bezwaar tegen de voorgenomen bedrijfsontwikkeling. Er wordt in harmonie met de omgeving ondernomen.

Conclusie toetsing aan het provinciaal beleid

Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het provinciaal beleid zoals genoemd in de Omgevingsvisie Overijssel, die is verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel.

3.3 Gemeentelijk beleid

Het belangrijkste gemeentelijk beleidskader voor het initiatief betreft het recentelijk onherroepelijk geworden bestemmingsplan buitengebied 2010. In dit conserverende bestemmingsplan is het plangebied bestemd als 'agrarisch - 2'. De voorziene ontwikkeling in dit bestemmingsplan sluit hier op aan. De ontwikkeling is passend in het gemeentelijk beleid.

3.4 Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving

De beleidsregel Kwaliteitsimpuls groene omgeving is van toepassing bij die ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied, die niet passen in het geldende bestemmingsplan. Het buitengebied is waardevol en kwetsbaar. In 2008 heeft Provincie Overijssel in haar omgevingsvisie beleid opgenomen om onnodig ruimtebeslag op de groene omgeving tegen te gaan. Ontwikkelingen zijn mogelijk, de provincie eist wel een tegenprestatie, namelijk een investering in de kwaliteit van de omgeving rondom de ontwikkelingslocatie. Die kwaliteitsprestatie moet in evenwicht zijn met de ontwikkelingsruimte. Er is ruimte voor maatwerk. KGO vervangt in Overijssel eerdere regelingen zoals het Rood-voor-rood beleid en het VAB beleid (Vrijkomende Agrarische Bebouwing).

In dat kader heeft de initiatiefnemer een Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (KGO-plan) rapportage op te stellen voor de geplande uitbreiding van Maatschap Bruggink. Om de uitbreiding van het erf landschappelijk in te passen is het KGO plan opgesteld. De rapportage is als Bijlage 3 Investering in het KGO opgenomen bij dit bestemmingsplan.

In het rapport wordt een kwaliteitsslag voorzien waarbij waarbij er wordt geïnvesteerd in het groen en de voorziene ontwikkeling landschappelijk wordt ingepast. Het plan wordt ondersteund met een beplantingsplan incl. bestellijst en de kosten voor aanleg én onderhoud. De uitwerking van het KGO-plan voor Maatschap Bruggink staat weergegeven in onderstaande figuur. Het plan is bij dit bestemmingsplan opgenomen als Bijlage 4 Landschappelijk inpassingsplan. In dit plan wordt uitgegaan van een ontwikkeling zoals deze in een eerder planstadium was voorzien, met een groter bouwvlak dan in dit bestemmingsplan is voorzien. De investering in het kader van het KGO is daarmee ruimer dan noodzakelijk voor de ontwikkelingen voorzien in dit bestemmingsplan. Om die reden wordt ruimschoots voldaan aan de uitgangspunten en is een herziening van het landschapsplan niet noodzakelijk.

.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPOTTERSHWEG3-VG01_0006.png"

Het landschapsplan is een landschappelijke verbetering passende in het jonge heide- en broekontginningslandschap. De invulling van de basisinspanning en de extra kwaliteitsimpuls wordt met een zestal landschapselementen ingevuld.

Alle elementen binnen een straal van 10 meter binnen de nieuwe bedrijfsbestemming is gerekend onder de basisinspanning. Als basisinspanning wordt een fruitboomgaard, aan de achterzijde van de woning voorlangs de bestaande schuren.

Voor de invulling van de kwaliteitsinvestering is er gekeken naar de geldende cascokaart, waarbij de blauwe lijn wordt ingevuld middels de aanplant van een houtsingel. Een houtsingel én bomenrij aan de westkant van het perceel zorgt ervoor dat het erf - komende vanuit Ootmarsum - groen wordt ingepast.

Vanuit Lattrop zorgt de aanplant van een berkenrij ervoor dat de schuren landschappelijk worden ingepast. De investering in het groen is meer dan de verplichte investering. Het KGO bedrag wordt op de locatie ingevuld. Voor de details van de investering en uitwerking wordt verwezen naar de rapportage opgenomen als Bijlage 3 Investering in het KGO.

Met deze investering wordt het erf landschappelijk ingepast en voldaan aan het KGO beleid.

Hoofdstuk 4 Randvoorwaarden, onderzoek en verantwoording

4.1 Algemeen

Ingevolge artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt in dit hoofdstuk een beschrijving opgenomen van het verrichtte onderzoek naar relevante feiten en af te wegen belangen (artikel 3.2. Algemene wet bestuursrecht). In dit hoofdstuk zijn de milieueffecten van de nieuwe situatie beschreven en onderzocht. Waar nodig wordt verwezen naar een aanvullend onderzoeksrapport.

4.2 Mer beoordeling

4.2.1 Mer-beoordelingsplicht

In de Wet milieubeheer en het bijbehorende Besluit milieueffectrapportage (Besluit mer) is wettelijk geregeld voor welke plannen en besluiten een milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld of een mer-beoordeling noodzakelijk is. Op basis van het Besluit milieueffectrapportage zijn in onderdeel D van de bijlage van dit besluit activiteiten aangewezen waarvoor een m.e.r.- beoordelingsplicht geldt. Uit jurisprudentie is gebleken dat dit aan de orde is zodra sprake is van nieuw te bouwen stallen.

Voor het voornemen is een besluit op een aanvraag om een omgevingsvergunning noodzakelijk. Ten opzichte van de vigerende omgevingsvergunning is er in het kader van het besluit m.e.r. (rekening houdend met de jurisprudentie inzake oprichten/wijzigen en uitbreiding van een installatie) sprake van het oprichten/uitbreiden/wijziging van een installatie voor 3000 vleesvarkens (stal 10), 92 fokzeugen (stal 5) en 4608 gespeende biggen (stal 10).

Het voornemen overschrijdt niet de zgn. C-drempel van 3.000 vleesvarkens en/of 900 fokzeugen in het Besluit milieueffectrapportage (onderdeel C categorie 14). Dit betekent dat geen sprake is van een rechtstreekse MERplicht.

Wel overschrijdt het voornemen de zgn. D-drempel van 3.750 gespeende biggen en 2000 vleesvarkens in het Besluit milieueffectrapportage (onderdeel D categorie 14). Dit betekent dat een m.e.r.-beoordelingsplicht van toepassing is.

4.2.2 Aanmeldnotitie

Bij de besluitvorming over een mer-beoordelingsplichtige activiteit, wordt bekeken of er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Als dat het geval is dient een projectmer-procedure te worden doorlopen. Het bevoegd gezag neemt het mer-beoordelingsbesluit voorafgaand aan de beslissing op het verlenen van de vergunning. Ten behoeve van de besluitvorming is door de initiatiefnemer een aanmeldnotitie opgesteld. Dit rapport is opgenomen in Bijlage 1 Aanmeldnotitie m.e.r. Mts. Bruggink van dit bestemmingsplan. Op basis van Bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn dient de milieueffectenbeoordeling van projecten in te gaan op drie hoofdcriteria:

  • 1. kenmerken van het project;
  • 2. plaats van het project;
  • 3. kenmerken van het potentiële effect van het project.

Hieronder vallen subcriteria als cumulatie van projecten en/of activiteiten. Het gaat bij een m.e.r.-beoordeling vooral om de milieuthema's die de grootste impact hebben op de omgeving én om na te gaan of er (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Deze criteria en de belangrijkste milieuthema’s zijn integraal in het rapport verwerkt. Uit de resultaten van de uitgevoerde mer-beoordeling blijkt dat geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden.

4.2.3 Besluit

Op 16 augustus 2018 is op basis van de Aanmeldnotitie m.e.r. Mts. Bruggink besloten dat er geen mer noodzakelijk is. Het besluit is opgenomen als Bijlage 2 Besluit aanmeldingsnotitie MER 16082018 opgenomen bij dit bestemmingsplan.

In de volgende paragrafen worden de verschillende milieuaspecten beschreven en wordt inzicht gegeven in de milieueffecten ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling. In dit hoofdstuk van het bestemmingsplan worden deze resultaten samengevat en waar nodig verwezen naar een onderzoeksrapportage of naar Bijlage 1 Aanmeldnotitie m.e.r. Mts. Bruggink. In paragraaf 4.11 Conclusie wordt inzicht gegeven in de conclusies ten gevolge van de milieuaspecten.

4.3 Milieuzonering

In deze paragraaf wordt achtereenvolgens de eventuele emissie van ammoniak, geur en fijnstof beschreven en of wordt voldaan aan de daarvoor geldende richtlijnen.

4.3.1 Ammoniak en stikstofdepositie

Natuurbeschermingswetgebieden

De Natuurbeschermingswetgebieden bestaan uit Natura 2000-gebieden (Vogelen Habitatrichtlijngebieden) en Beschermde Natuurmonumenten.

Afstand tot Natura 2000-gebieden:

- Springendal & Dal van de Mosbeek, ca. 650 m1.

- Bergvennen & Brecklenkampse Veld, ca. 5.290 m1.

- Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek, ca. 3.100m1.

In de voornoemde Natura 2000-gebieden wordt reeds de kritische depositiewaarde overschreden. Dit betekent dat iedere toename in ammoniakdepositie significant nadelige effecten kan veroorzaken op de Instandhoudingsdoelstellingen voor de verschillende gebieden.

Beschermde Natuurmonumenten

De meeste Beschermde Natuurmonumenten zijn komen te vervallen als gevolg van de aanwijzing als Natura-2000 gebied. In de omgeving liggen geen Beschermde Natuurmonumenten.

Natuurbeschermingswetvergunning/ Wet Natuurbescherming

Het bedrijf heeft een vigerende Natuurbeschermingswetvergunning. Deze vergunning dateert van 23-01-2012 en behelst een vigerende ammoniakemissie van 8.740,62 kg. De voorgenomen eindsituatie bij onderhavige eindplan heeft een ammoniak emissie van 8.136,40 kg. Tevens is er sprake van een

gelijkblijvende of dalende situatie qua depositie.

De beoogde situatie zal ten opzichte van deze vergunning worden gewijzigd, omwille van een verdergaande reductie van de geuremissie en geurbelasting. Deze wijzigingen in de beoogde situatie hebben ook een positief effect op de ammoniakemissie en stikstofdepositie. Op alle gebieden is sprake van een afname in stikstofdepositie. In het voornemen hoeft geen aanspraak gemaakt te worden op de ontwikkelingsruimte in het kader van de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). In bijlage 6 van de aanmeldnotitie m.e.r. is de AERIUS-berekening (verschilberekening) bijgevoegd.

Aangezien de ammoniakemissie en stikstofdepositie niet toeneemt, worden de voorgenomen activiteiten op grond van de Wet Natuurbescherming (Wnb) niet als significant beoordeeld. Er is geen passende beoordeling nodig voor de effecten van de stikstofdepositie van de voorgenomen uitbreiding op de stikstofgevoelige habitats in de Natura 2000-gebieden in de omgeving.

Naast ammoniakemissie kunnen andere activiteiten eveneens significant negatieve effecten hebben op de instandhoudingsdoelstelling van Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied. Aangezien de voorgenomen uitbreiding (gezien de aard van de activiteiten en de afstand tot de beschermde gebieden) niet leidt tot een significante toename van storingsfactoren op het gebied van bijvoorbeeld verstoring door trilling of licht, kan een passende beoordeling in zijn geheel achterwege blijven. Het voornemen leidt niet tot significante gevolgen voor de Natura 2000-gebieden.

Door toepassing van de gemeentelijke coördinatieprocedure voor vergunningverlening en het bestemmingsplan is er sprake van een zgn. één-op-één inpassing. Het bestemmingsplan maakt niet meer mogelijk dan in de VVGB is verleend. Het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning, waarvan de VVGB onderdeel uitmaakt, zijn gezamenlijk vatbaar voor beroep in één procedure, zodat het bestemmingsplan niet onherroepelijk wordt zonder dat de omgevingsvergunning onherroepelijk is.

WAV-gebieden

De locatie is niet gelegen in een zeer kwetsbaar natuurgebied (Wav-gebied) of een zone van 250 meter daaromheen. Het dichtstbijgelegen Wav-gebied is het Springendal & Dal van de Mosbeek en ligt op ca. 585 m1 afstand. Er gelden voor deze locatie geen beperkingen vanuit de Wet ammoniak en veehouderij.

Overige natuurgebieden

De locatie is niet gelegen in de Ecologische Hoofdstructuur of een voor verzuring gevoelig gebied. De EHS ligt op ca. 160m1 afstand.

Conclusie

Ammoniak en natuur: Het voornemen veroorzaakt geen significant nadelige effecten op de beschermde natuurgebieden. Van cumulerende effecten is in het voornemen geen sprake. Een onherroepelijke Nbwet-vergunning is aanwezig. Er is geen sprake van een passende beoordeling, de nieuwe situatie heeft uitsluitend een verlaging in de ammoniak emissie en de stikstofdepositie tot gevolg.

Ammoniak en BBT: Het voornemen voldoet aan het Besluit emissiearme huisvesting en de Beleidslijn IPPC-omgevingstoetsing. Verdergaande emissiearme technieken worden toegepast (BBT+ en BBT++).

4.3.2 Geur

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) schrijft voor op welke wijze de geurhinder vanwege dierenverblijven beoordeeld moet worden indien een veehouderij een omgevingsvergunning aanvraagt. Op basis van de Wgv geldt voor de nabijgelegen woningen een geurnorm van 14,0 OuE/m³ (binnen concentratiegebied, buiten de bebouwde kom) en 3,0 OuE/m³ binnen de bebouwde kom.

De voorgenomen geuremissie bedraagt 134.170,1 OUE/sec (op basis van concept normen bio-combi wassers) en huidige wettelijke kader 92.285,5 OUE/sec. Met behulp van het programma V-stacks vergunning (versie 2010) is de geurbelasting als gevolg van het voornemen berekend (zie berekening in bijlage 7). Uit de berekening blijkt dat de geurnorm van 14,0 OuE/m³ voor woningen buiten de

bebouwde kom en 3,0 OuE/m³ bij woningen binnen de bebouwde kom op geen enkele woning in de buurt wordt overschreden.

Ten aanzien van de bedrijfswoningen van de veehouderijen wordt voldaan aan de geldende afstand van 50 meter. Er wordt daarmee voldaan aan de normen die gelden op basis van de Wet geurhinder en veehouderij. In de voorgenomen situatie is geen sprake van een overbelaste situatie. Het voornemen blijft ruimschoots binnen de voorgeschreven geurnormen uit de Wet geurhinder en Veehouderij.

Conclusie

Het voornemen voldoet aan de Wet geurhinder en veehouderij en aan de geurverordening van de gemeente Dinkelland.

4.3.3 Fijnstof

De fijn stof emissie (PM10) neemt in het voornemen ten opzichte van de vergunning van 2015 af 1.116.436 gram per jaar naar 829.404 gram per jaar. Dit betreft een afname van 287.032. gram per jaar. Ten opzichte van de vergunning van 28-3-2006 neemt de emmissie toe van 565.834 gr/jaar naar 829.404 gram per jaar. Dit betreft een toename van 263.570 gram per jaar. Deze laaste toename is als uitgangspunt genomen.

Uitgangspunt van de Regeling Beoordeling Luchtkwaliteit (RBL) is dat de luchtkwaliteit wordt vastgesteld op plaatsen waar mensen worden blootgesteld, en wel zodanig dat een goed beeld wordt verkregen van de luchtkwaliteit ter plaatse. Voor fijn stof geldt dat de blootstellingstijd significant moet zijn ten opzichte van een etmaal. Het blootstellingscriterium houdt in, dat de luchtkwaliteit alleen wordt beoordeeld op plaatsen waar een significante blootstelling van mensen plaatsvindt. Het gaat dan om een blootstellingsperiode, die in vergelijking met de middelingstijd van de grenswaarde (jaar, etmaal, uur) significant is. Hieruit volgt dat ter plaatse van woningen van derden moet worden getoetst aan de relevante grenswaarden van de Wet luchtkwaliteit.

Het dichtstbijzijnde te beschermen object (TBO) ten opzichte van de emissiepunten is de Ottershagenweg 6. De afstand tot de gevel van deze woning bedraagt ca. 119 meter, gemeten vanaf het dichtstbijgelegen emissiepunt.

In mei 2010 is de 'Handreiking fijn stof voor veehouderijen' door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu gepubliceerd. Deze handreiking gaat onder andere in op de regeling 'Niet in betekenende mate' (ook wel: Regeling NIBM). Door veehouderijen wordt fijn stof in de vorm van PM10 uitgestoten. In de handreiking wordt beschreven hoe om te gaan met de beoordeling van emissie van fijn stof vanuit veehouderijen in het geval sprake is van een beperkte toename of een afname van de emissie.

Het voornemen betreft volgens het bedrijfsontwikkelingsplan een geringe toename van de emissie van fijn stof. De toename is in het kader van de in mei 2010 verschenen 'Handreiking fijn stof voor veehouderijen' door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu te beschouwen als 'Niet in betekende mate' en is daarmee niet onderzoeksplichtig.

Ondanks dat de voorgenomen situatie als ‘niet in betekende mate’ (NIBM) kan worden beschouwd is deze situatie volledigheidshalve met het programma ISL3A inzichtelijk gemaakt. Uit het blk bestand blijkt dat sprake is van de hoogste belasting op de Ottershagenweg 6. Echter de belasting ligt ver onder de gestelde norm waarden.

Conclusie 

De fijnstof-concentratie voldoet aan de Wet luchtkwaliteit.

4.3.4 Conclusie

De voorziene ontwikkeling wordt niet beperkt door het aspect milieuzoneringen.

4.4 Bodem

Bij een bestemmingsplanherziening dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van de bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Tevens wordt in kaart gebracht of het toekomstig gebruik geen nadelige gevolgen heeft voor het aspect bodem. In de aanmeldnotitie m.e.r. is dit aspect nader onderzocht, in deze paragraaf is dit samengevat.

Bodemrisico

In het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling staan algemene voorschriften opgenomen ten aanzien van bodembedreigende activiteiten. Deze voorschriften betreffen verplichte maatregelen en voorzieningen om tot een 'verwaarloosbaar bodemrisico' te komen. Per activiteit is aan de hand van de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB) het vereiste voorzieningenniveau bepaald om dit verwaarloosbaar bodemrisico te bereiken.

In bestaande situaties waar achteraf geen voorzieningen meer aangebracht kunnen worden kan, na instemming van het bevoegde gezag, volstaan worden met een 'aanvaardbaar bodemrisico'.

Bodembeschermende voorzieningen

Bodembeschermende voorzieningen zijn fysieke voorzieningen, zoals vloeren, verhardingen en lekbakken. Bij bodembeschermende maatregelen gaat het om bijvoorbeeld organisatorische maatregelen. In de Activiteitenregeling is voor verschillende bedrijfsmatige activiteiten aangegeven welke combinaties van voorzieningen en maatregelen leiden tot een verwaarloosbaar bodemrisicio en binnen die inrichting getroffen moeten worden zodat aan dit doelvoorschrift wordt voldaan. Hierbij is aangesloten bij de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB). De NRB-aanpak is samen te vatten als 'vloeistofdichte vloer of verharding' met een minimum aan gedragsvoorschriften' of 'vloeistofkerende voorziening' en/of lekbakken met een zwaar accent op de daarop toegesneden gedragsvoorschriften'.

Voor activiteiten waarbij vloeistofkerende voorzieningen worden vereist, zijn in het Activiteitenbesluit en Activiteitenregeling specifieke beheermaatregelen opgenomen. Ze zijn gebaseerd op de NRB en moeten in combinatie worden toegepast. Het gaat om een inspectieprogramma voor apparatuur en emballage en een spill-controleprogramma.

Bodembeschermende voorzieningen moeten zo zijn uitgevoerd dat het morsen/lekken (spills) van bodembedreigende vloeistoffen effectief wordt opgevangen en opgeruimd. Brandbare vloeistoffen en giftige stoffen moeten direct worden opgeruimd. Verder moet de voorziening bestand zijn tegen de inwerking van de stof en genoeg opvangcapaciteit bieden.

Voor een veehouderijbedrijf met reguliere activiteiten heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 21 januari 1997 in een uitspraak (E03.95.0821) aangegeven dat, indien toereikende gedragsregels en voorzieningen met het oog op de bescherming van de bodem zijn voorgeschreven, zij ervan uitgaat dat bij naleving van die voorschriften de kwaliteit van de bodem en het grondwater niet in relevante mate nadelig zal worden beïnvloed. Een nulsituatie bodemonderzoek is bij reguliere activiteiten niet noodzakelijk. Dit standpunt is herhaald in uitspraken van 15 januari 1998 (E03.096.0162) en 20 februari 2002 (200104344/1).

De voorgenomen activiteiten zijn aan te merken als reguliere activiteiten voor een veehouderij.

Een nulsituatie bodemonderzoek is daarmee niet noodzakelijk. Als algemene zorgplicht geldt dat bodemverontreiniging voor zover mogelijk wordt voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is zoveel mogelijk wordt beperkt. Artikel 13 van de Wet bodembescherming (Wbb) is rechtstreeks van

toepassing op de inrichting. Voor zover in de op te leggen voorschriften niet specifiek is vastgelegd welke bodembeschermende maatregelen moeten zijn uitgevoerd, dwingt artikel 13 van de Wbb tot een zorgvuldige bedrijfsvoering. In verband met de strekking van het begrip bodemverontreiniging is van belang dat het begrip bodem ook het grondwater omvat. Het melden van ongewone en gewone voorvallen is geregeld in artikel 27 en 30 van de Wbb. Deze zorgplicht zal door de inrichtinghouder in acht worden genomen.

Een bodembedreigende activiteit is gedefinieerd de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB). De volgende voorgenomen activiteiten worden als bodembedreigend aangemerkt:

- Opslag van drijfmest

- Opslag van niet-verpompbare mest

- Opslag biologisch spuiwater luchtwassers

- Opslag reinigings- en ontsmettingsmiddelen in emballage

- Opslag van diergeneesmiddelen

- Opslag van kadavers

- Opslag dieselolie

-Spoelplaats

In Bijlage 1 Aanmeldnotitie m.e.r. Mts. Bruggink worden de specifieke maatregelen voor deze aspecten nader omschreven.

Conclusie

Binnen de inrichting vinden bodembedreigende activiteiten plaats, echter door het treffen van bodembeschermende maatregelen is sprake van een verwaarloosbaar bodemrisico conform de systematiek van de NRB.

De voorziene ontwikkeling wordt niet beperkt door het aspect bodem.

4.5 Water

De watertoets zoals deze in het kader van ruimtelijke plannen dient te worden uitgevoerd, is het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. De watertoets wordt uitgevoerd binnen de bestaande wet- en regelgeving op het gebied van ruimtelijke ordening en water. De watertoets vormt de verbindende schakel tussen het waterbeheer en de ruimtelijke ordening.

Het waterschap Regge en Dinkel is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de normale procedure wordt doorlopen.

In de bijlage van dit bestemmingsplan is de samenvatting van de watertoets opgenomen als Bijlage 5 Samenvatting Watertoets. In deze watertoets is uitgegaan van een nog grotere uitbreiding van het bouwvlak, de plannen zijn in een later stadium bijgesteld.

In de watertoets komt naar voren dat het plangebied wordt vergroot met een oppervlakte van 12.397m2, in de meest recente plannen betreft dit 10.925m2. Hierbij gaan we er vanuit dat dit oppervlakte wordt verhard. Deze verharding heeft invloed op de waterbergingscapaciteit van het plan. Daartoe worden maatregelen getroffen. De afwatering wordt op eigen terrein afgevoerd en wordt gelijkmatig geïnfiltreerd op de landbouwgrond in eigendom van de initiatiefnemer.

Conclusie

De voorziene ontwikkeling wordt niet beperkt door het aspect water.

4.6 Cultuurhistorie en Archeologie

Archeologie

Per 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet. Dit geldt ook voor de verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is.

De kern van de wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, archeologische resten intact moeten blijven. Als dit niet mogelijk is, is opgraving een optie. Om inzicht te krijgen in de kans op het aantreffen van archeologische resten in bepaalde gebieden, zijn op basis van historisch onderzoek archeologische verwachtingskaarten opgesteld.

Het plangebied heeft op de archeologische verwachtingskaart voor het overgrote deel een lage verwachting. Nagenoeg het gehele deel van de voorgenomen uitbreiding van het bouwvlak is gelegen in een gebied met een lage verwachtingswaarde. Er ligt een gering deel van het voorgenomen bouwvlak net op de grens van het gebied met de aanduiding hoge verwachtingswaarde. In het vigerende bestemmingsplan heeft onderhavige locatie geen specifieke archeologische aanduiding. Het onderdeel archeologie zal ten tijde van een aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen nader worden afgewogen. Op voorhand is geen aanvullend archeologisch rapport noodzakelijk.

Cultuurhistorie

Sinds 2012 is er een zorgplicht voor cultuurhistorie. Alle cultuurhistorische waarden dienen in ruimtelijke plannen meegewogen te worden. Deze maatregel is een gevolg van het project Modernisering van de Monumentenzorg (MoMo). Cultuurhistorische waarden kunnen bijdragen aan het landschap van de toekomst. Ze kunnen een bron van inspiratie zijn bij de inrichting van de ruimte en tegelijk iets van het verleden zichtbaar houden. Zo verhoogt cultuurhistorie de kwaliteit van de leefomgeving.

Het plangebied is ingericht als agrarisch perceel, er is geen sprake van cultuurhistorische waarden.

Conclusie

De voorziene ontwikkeling wordt niet beperkt door het aspect cultuurhistorie en archeologie.

4.7 Flora en fauna

Soortenbescherming

De bescherming van soorten is sinds 1 januari 2017 geregeld in de Wet Natuurbescherming (hierna: Wnb). Hierin zijn bepalingen opgenomen van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze wet is een aantal planten- en diersoorten aangewezen die licht, middelzwaar of zwaar beschermd zijn. Voor licht beschermde soorten geldt een vrijstelling bij ruimtelijke projecten. Voor middelzwaar beschermde soorten geldt alleen een vrijstelling wanneer de beoogde werkzaamheden worden uitgevoerd volgens een goedgekeurde gedragscode. Voor zwaar beschermde soorten dient bij ruimtelijke ingrepen ontheffing te worden aangevraagd. Behalve de Wnb is ook de Rode Lijst van belang, waarop zeldzame en bedreigde soorten zijn opgenomen. Veel zeldzame en bedreigde plantensoorten, die wel op de Rode Lijst staan, maar ook libellen, vlinders en vissen, vallen niet onder de Wnb. De Rode lijst heeft geen juridische status en bescherming kan niet wettelijk worden afgedwongen; wel geldt in zijn algemeenheid vanuit de de zorgplicht.

Ten aanzien van het plangebied kan het volgende worden opgemerkt:

- De beoogde uitbreiding vindt uitsluitend plaats op agrarische landbouwgrond. Deze grond vormt vanwege het agrarische gebruik (met regelmaat bemesten, maaien en begrazen) geen geschikte habitat voor beschermde soorten.

- Voor de beoogde uitbreiding worden geen gebouwen gesloopt en geen bomen of andere beplantingen verwijderd en geen sloten gedempt (deze zijn niet aanwezig op het stuk landbouwgrond waar de uitbreiding is voorzien).

Ten aanzien van het aspect soortenbescherming worden geen negatieve effecten verwacht.

Gebiedsbescherming

Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 beschermd.

De Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. De EHS is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van de EHS geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten.

Het bedrijf heeft een vigerende Natuurbeschermingswetvergunning. Deze vergunning dateert van 23-01-2012 en behelst een vigerende ammoniakemissie van 8.740,62 kg. De voorgenomen eindsituatie bij onderhavige eindplan heeft een ammoniak emissie van 8.136,40 kg. Tevens is er sprake van een

gelijkblijvende of dalende situatie qua depositie.

Aangezien de ammoniakemissie en stikstofdepositie niet toeneemt, worden de voorgenomen activiteiten op grond van de Wet Natuurbescherming (Wnb) niet als significant beoordeeld. Er is geen passende beoordeling nodig voor de effecten van de stikstofdepositie van de voorgenomen uitbreiding op de stikstofgevoelige habitats in de Natura 2000-gebieden in de omgeving.

Naast ammoniakemissie kunnen andere activiteiten eveneens significant negatieve effecten hebben op de instandhoudingsdoelstelling van Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied. Aangezien de voorgenomen uitbreiding (gezien de aard van de activiteiten en de afstand tot de beschermde gebieden) niet leidt tot een significante toename van storingsfactoren op het gebied van bijvoorbeeld verstoring door trilling of licht, kan een passende beoordeling in zijn geheel achterwege blijven. Het voornemen leidt niet tot significante gevolgen voor de Natura 2000-gebieden.

Gezien het voorgaande is van een negatief effect van de voorgenomen uitbreiding op beschermde flora en fauna is dan ook geen sprake. De voorgenomen uitbreiding leidt niet tot overtredingen van de Wet

natuurbescherming (Wnb). Een ontheffing is niet vereist. Door de beoogde uitbreiding verdwijnen geen biotopen van kwetsbare soorten. Wel zal door de gesloten KGO overeenkomst een aanzienlijke hoeveelheid beplanting binnen de inrichting en de nabije omgeving worden gerealiseerd.

Conclusie

De voorziene ontwikkeling is niet in strijd met de natuurregelgeving.

4.8 Externe veiligheid

Sinds 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) in werking getreden. Hierin zijn regels gesteld teneinde de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld door activiteiten met gevaarlijke stoffen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Bedrijven die onder het besluit vallen zijn onder meer grote chemische bedrijven, lpg-tankstations en bedrijven die 10.000 kilo of meer chemicaliën opslaan. Het besluit verplicht gemeenten en provincies voortaan met veiligheidsnormen rekening te houden. Op basis van de Risicokaart van de provincie Overijssel blijkt dat in de directe omgeving van de locatie geen risicovolle bedrijven zijn gevestigd die vallen onder

het Bevi. De basis voor de risicobenadering bij het vervoer van gevaarlijke stoffen (over weg, water en spoor) ligt in "Omgaan met risico's". De algemene uitgangspunten zijn uitgewerkt in de "Nota risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen" (RNVGS). Sinds augustus 2004 is er sprake van een "Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen". Met deze circulaire wordt het beleid

als vervat in de RNVGS verder geoperationaliseerd en verduidelijkt.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPOTTERSHWEG3-VG01_0007.png"

In de directe omgeving van het bedrijf zijn geen gevaarlijke inrichtingen gelegen. Op ca. 2.470 en 2.840 meter zijn een tweetal bedrijven gelegen, namelijk een gasproductievoorziening en een gasbehandelingsinstallatie. Gelet op de grote afstand heeft dit geen gevolgen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPOTTERSHWEG3-VG01_0008.png"

Op forse afstand van de locatie is sprake van routes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen middels een buisleidingen. De afstand bedraagt ca. 1778 meter. Deze buisleiding betreft een gastransport leiding. Gelet op de afstand heeft deze leiding geen gevolgen. Het voornemen ligt dan ook niet binnen de

veiligheidszone van een buisleiding.

Conclusie

De voorziene ontwikkeling wordt niet beperkt door het aspect externe veiligheid.

4.9 Geluid

Door Geurts Technisch Adviseurs BV is een onderzoek uitgevoerd naar de geluidsemissie van het varkens- annex rundveebedrijf aan de Ottershagenweg 3 te Oud Ootmarsum (gemeente Dinkelland). In het akoestisch onderzoek worden de akoestische effecten als gevolg van de bedrijfsactiviteiten

inzichtelijk gemaakt en wordt de geluidsbelasting ter plaatse van de meest nabij gelegen woningen

bepaald. De geluidbelasting wordt vervolgens getoetst aan de van toepassing zijnde richtwaarden

en grenswaarden uit de Nota geluidsbeleid Dinkelland (M.2006.0718.07.R001).

De onderzoeksrapportage is opgenomen in als Bijlage 6 Akoestisch onderzoek van dit bestemmingsplan. Het is tevens als bijlage 6 opgenomen als onderdeel van de aanmeldnotitie m.e.r.

De conclusies uit het rapport worden in deze paragraaf hieronder puntsgewijs beschreven.

  • De akoestisch relevante geluidsbronnen van het bedrijf zijn transportbewegingen, de ventilatoren van de stallen, de aanvoer van voer, aan- en afvoer van vee, afvoer van mest, de aanvoer van mais en gras in de sleufsilo's, de aan- en afvoer van graan, het gebruik van een tractor en heftruck op het buitenterrein, de aanvoer van diverse hulpstoffen en producten, het gebruik van de spoelplaats en het afvoeren kadavers.
  • Uit toetsing van het berekende langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT en het maximale geluidsniveau LAmax op de ontvangerpunten, gelegen op de gevel van woningen in de directe omgeving van de inrichting, blijkt dat in de representatieve bedrijfssituatie (RBS) voldaan wordt aan de richtwaarde van 45 dB(A) etmaalwaarde (LAr,LT) en de maximaal toelaatbare grenswaarde van 70 dB(A) etmaalwaarde (LAmax).
  • Incidenteel vinden activiteiten plaats die leiden tot een verhoging in de geluidbelasting ter plaatse van de woningen van derden. Deze activiteiten betreffen het aanvoeren van granen gedurende 5 dagen per jaar (bulkaanvoer), het aanvoeren mais en inkuilen in de sleufsilo gedurende 2 dagen per jaar en het aanvoeren en inkuilen van gras gedurende 5 dagen per jaar. Ter plaatse van de woningen Ottershagenweg 8 en 9 ontstaan overschrijdingen van het LAr,LT in de dagperiode tot maximaal 1 dB(A). Gelet op de frequentie waarmee deze activiteiten plaatsvinden, in totaal maximaal twaalf maal per jaar, kan deze conform de Handreiking Industrielawaai en Vergunningverlening voor de toetsing aan de grenswaarden buiten beschouwing worden gehouden.
  • Indirecte hinder ten gevolge van aan- en afrijdend verkeer is niet te verwachten. Het bedrijf voldoet aan de gestelde voorkeursgrenswaarde, te weten 50 dB(A) in de dagperiode.

Conclusie

De voorziene ontwikkeling wordt niet beperkt door het aspect geluid.

4.10 Verkeer

De Ottershagenweg betreft geen Provinciale of Rijksweg maar een lokale weg die beheerd wordt door de gemeente Dinkelland. De Ottershagenweg is te typeren als een verbindingsweg tussen Oud-Ootmarsum en Lattrop. Het bedrijf heeft enkel een ontsluitingsmogelijkheid aan de Ottershagenweg. Binnen de inrichting is voldoende manoeuvreerruimte, waardoor vrachtwagens niet op de openbare weg hoeven te keren of achteruit te rijden. Op het erf is ook voldoende parkeergelegenheid aanwezig.

Zowel in de vigerende als in de voorgenomen situatie vinden er transportbewegingen plaats met vrachtauto’s, personenauto’s en landbouwvoertuigen. De aanvoer van mengvoeders en granen geschied grotendeels per vrachtwagen, dit evenals de afvoer van landbouwhuisdieren en meststoffen. Naast bovengenoemde vinden er ook transportbewegingen plaats middels landbouwvoertuigen zoals tractoren. Deze vinden voornamelijk plaats gedurende de seizoensgebonden activiteiten. Zo worden er per tractor ruwvoeders maar ook mais aangevoerd. Daarnaast zal het deel van de meststoffen die op de eigen in de omgeving gelegen gronden worden aangebracht ook per tractor worden afgevoerd. De personenauto’s betreffen met name bezoekers en personeel.

In de voorgenomen situatie neemt het aantal te houden dieren toe, daarmee ook het aantal vervoersbewegingen. In de voorgenomen situatie zal circa 2.800 m3 extra  mest afgevoerd moeten worden op jaarbasis, dit staat gelijk aan ca. 84 vrachtwagens over het gehele jaar. Daarnaast wordt circa 240 ton extra voer aangevoerd moeten worden op jaarbasis, dit staat gelijk aan circa 8 vrachtwagens over het gehele jaar. Verder zullen er voor de afvoer van dieren circa 10 vrachtwagens extra op jaarbasis noodzakelijk zijn. Het aantal biggen wat zal worden afgevoerd neemt af, dus ook deze transporten. Het aantal vleesvarkens neemt toe. In principe zijn het de zelfde aantallen maar omdat de dieren groter zijn zullen er een aantal extra vrachtwagens noodzakelijk zijn.

In de huidige situatie is er een verkeersintensiteit van ca. 320 vrachtwagens per jaar. Op basis van de extra voerbehoefte, mestproductie en veetransport ontstaat een toename van ca. 102 vrachtwagens per jaar. Dit betekent een toename van maximaal twee vrachtwagens per week. Dit verschil is gering, effecten op de omgeving ten gevolge van de voorziene ontwikkeling, wat betreft het aspect verkeer, zijn dan ook niet te verwachten.

Conclusie

De voorziene ontwikkeling wordt niet beperkt door het aspect verkeer.

4.11 Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling wordt niet beperkt door milieuasepecten. Onderstaand puntsgewijs de conclusies ten aanzien van de meest relevante milieuaspecten:

  • Ammoniak en natuur: Het voornemen veroorzaakt geen significant nadelige effecten op de beschermde natuurgebieden. Van cumulerende effecten is in het voornemen geen sprake. Een onherroepelijke Nbwet-vergunning is aanwezig. Er is geen sprake van een passende beoordeling, de nieuwe situatie heeft uitsluitend een verlaging in de ammoniak emissie en de stikstofdepositie tot gevolg.
  • Ammoniak en BBT: Het voornemen voldoet aan het Besluit emissiearme huisvesting en de Beleidslijn IPPC-omgevingstoetsing. Verdergaande emissiearme technieken worden toegepast (BBT+ en BBT++).
  • Geur: Het voornemen voldoet aan de Wet geurhinder en veehouderij en aan de geurverordening van de gemeente Dinkelland.
  • Fijn stof: De fijnstof-concentratie voldoet aan de Wet luchtkwaliteit.
  • Flora- en Fauna: Een ontheffing is op voorhand niet vereist. De uitbreiding vindt geheel plaats op agrarisch bouwland. Er is ter plaatse geen enkele bebouwing, beplanting of watergang aanwezig.
  • Bodem: Binnen de inrichting vinden bodembedreigende activiteiten plaats, echter door het treffen van bodembeschermende maatregelen is sprake van een verwaarloosbaar bodemrisico conform de systematiek van de NRB.
  • Geluid: Er is een akoestisch onderzoek opgesteld, van een overschreiding van de maximale geluidswaarden is geen sprake. Het voornemen voldoet aan de gestelde geluidsnormen.
  • Landschap: De bebouwing wordt op een verantwoorde wijze ingepast in het landschap door middel van een landschappelijk inpassingsplan. Dit in samenspraak met de kwaliteitsgroep en conform de KGO overeenkomst.

Hoofdstuk 5 Juridisch bestuurlijke aspecten

5.1 Algemeen

In dit hoofdstuk wordt aangegeven op welke wijze de voorkomende functies in het bestemmingsplan worden geregeld. In de planopzet is aansluiting gezocht bij de recente uitgave "Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen", kortweg SVBP 2008.

De planregels

De planregels geven inhoud aan de op de plankaart gegeven bestemmingen. Ze geven aan waarvoor de gronden en opstallen al dan niet mogen worden gebruikt en wat en hoe er gebouwd mag worden.

De bij dit plan behorende planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken, te weten:

  • 1. Inleidende regels.
  • 2. Bestemmingsregels.
  • 3. Algemene regels.
  • 4. Overgangs- en slotregels.
5.1.1 Inleidende regels

Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten:

In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd.

Dit artikel geeft onder meer bepalingen waar mag worden gebouwd en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden. Op de verbeelding zijn soms bebouwingspercentages aangegeven. Als er geen percentages zijn aangegeven, mag het hele bouwvlak worden bebouwd, tenzij in de tekst anders vermeld. De op de verbeelding of in de regels aangegeven bouwhoogte wordt gemeten vanaf peil tot het hoogste punt (exclusief elementen zoals een schoorsteen, liftopbouw en dergelijke). Uitgangspunt is dat alleen gebouwd mag worden binnen de bouwgrenzen.

5.1.2 Bestemmingsregels

Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.:

  • I. Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan;
  • II. Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bebouwingshoogte, bebouwingspercentage, etc.);
  • III. Afwijkingen van de gebruiks- en bouwregels: onder welke voorwaarde mag afgeweken worden van de aangegeven bestemmingen en bouwregels.
5.1.3 Algemene regels

Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit:

Deze regel bepaalt dat er niet twee keer voor eenzelfde locatie een bouwplan kan worden ingediend.

In dit artikel worden de gebruiksregels beschreven.

In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven

5.1.4 Overgangs- en slotbepalingen

In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotbepalingen. In de overgangsbepalingen is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan.

5.2 Nadere toelichting op de bestemming

Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd.

Agrarisch - 2

De gronden binnen de bestemming ‘Agrarisch - 2’ bestaan uit een combinatie aan functies. Hier worden mogelijkheden geboden voor de voortzetting van de landbouwfunctie op bedrijfseconomische grondslag. Deze gronden zijn in gebruik voor het uitoefenen van de agrarische functie in combinatie met het behoud en ontwikkeling van landschappelijke waarden en natuurwaarden.

Functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel gemengd agrarisch bedrijf'

De functieaanduiding maakt intensieve veehouderij op het perceel mogelijk.

Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid

De ontwikkeling en realisatie van de plannen geschiedt voor rekening en risico van de initiatiefnemer. De gemeente Dinkelland heeft hiertoe bindende afspraken gemaakt met de initiatiefnemer. Daarmee is aangetoond dat de ontwikkeling economisch haalbaar is. De economische uitvoerbaarheid van het totale plan wordt geacht hiermee te zijn aangetoond.

Hoofdstuk 7 Inspraak en overleg

7.1 Vooroverleg

Het ontwerpbestemmingsplan zal, conform artikel 3.4 Awb, gedurende een periode van zes weken ter inzage worden gelegd. Iedereen heeft dan de mogelijkheid zijn of haar zienswijze in te dienen. Er zijn vooralsnog geen redenen om aan te nemen dat het plan maatschappelijk niet uitvoerbaar is. Op grond van artikel 3.1.1van het Bro zal het bestemmingsplan worden toegezonden aan het Waterschap. De resultaten van dit overleg worden in deze paragraaf verwerkt.

7.2 Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 30 april 2021 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze periode kon een ieder zijn of haar zienswijze ten aanzien van dit bestemmingsplan kenbaar maken. Tijdens de termijn van de terinzagelegging zijn geen zienswijzen binnengekomen.