| Plan: | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Buitengebied Holten, Rutgersweg 4 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1742.TAMB2025006-0401 |
Aan de Rutgersweg 4 in Holten is het erf van de initiatiefnemer gelegen. Het gaat om een agrarisch erf in het buitengebied van Holten. Het agrarische bedrijf aan de Rutgersweg wordt beëindigd, aangezien er geen perspectief is voor de eigenaar om de agrarische activiteiten uit te blijven oefenen. Derhalve komt een deel van de bijbehorende bebouwing leeg te staan.
De initiatiefnemer is voornemens om de ongebruikte agrarische bebouwing te slopen en in het kader van de 'rood voor rood regeling' van het beleid 'Ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied 2024' een compensatiewoning te realiseren op het eigen erf. Ten behoeve van de wijziging wordt het perceel conform de regels in het Chw veegplan gedeeltelijk omgezet naar een 'Wonen - rood voor rood woning' en verdwijnt de aanduiding 'akkerbouwbedrijf'.
De initiatiefnemer wenst één van de gebouwen te behouden ten behoeve van zijn werkzaamheden in die schuur. De schuur heeft nu de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - ambachtelijk bedrijf'. Het gaat om een houtbewerkingsbedrijf. De aanduiding verandert met de ontwikkeling in 'Wonen - met voormalige agrarische bedrijfsbebouwing'. De schuur waarin de werkzaamheden plaatsvinden blijven behouden, dit past binnen de benoemde functie. De overige agrarische bebouwing zal gesloopt worden. Ook wenst de initiatiefnemer op het bestaande erf een nieuw bijgebouw te realiseren behorend bij de bestaande woning voor de werktuigen die benodigd zijn voor het bewerken van de agrarische gronden die in zijn bezit blijven. Het voorliggend plan voorziet in een planologisch-juridisch kader voor deze ontwikkelingen.
De planlocatie is gelegen aan de Rutgersweg 4 in het buitengebied ten noorden van de bebouwde kom van Holten, aan de oostkant ligt de Sallandse Heuvelrug op nog geen 0,5 km afstand. De locatie staat kadastraal bekend als kadastrale gemeente Holten, sectie G met perceelnummer 1044. Een overzichtskaart met daarop het plangebied blauw aangegeven is onderstaand zichtbaar.
De begrenzing van het plangebied is zichtbaar op de digitale verbeelding en komt overeen met het huidig agrarisch bedrijfsperceel, de gewenste ontwikkeling van het erf en de landschappelijke investeringen.
afbeelding 1.1: Luchtfoto met betreffende perceel (in blauw) ten opzichte van Holten (bron: kadastralekaart.com)
Het 'Veegplan buitengebied Rijssen-Holten’ is het vigerende beleid. Op basis van dit beleid heeft de planlocatie de volgende aanduidingen (zie Afbeelding 1.2):
De agrarische bestemming zal na het doorlopen van het rood voor rood proces worden aangepast naar de bestemming ‘wonen’. Op basis van artikel 188 is op deze locatie toegestaan: één bedrijfswoning met inwoning, opslag van caravans en goederen en het vervaardigen van houten producten. De initiatiefnemer wenst deze aanduidingen te behouden.
Daarnaast kent de locatie een aantal zoneringen, namelijk:
Voor deze zoneringen gelden specifieke regels die in acht worden genomen bij de realisatie van de plannen.
Afbeelding 1.2: uitsnede geldende verbeelding, huidig erf aangeduid (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Er is sprake van een aanduiding 'akkerbouwbedrijf' ten behoeve van akkerbouw en veehouderij activiteiten. De realisatie van een nieuwe woning is binnen deze functie niet zonder meer toegestaan. In de nieuwe situatie is de wens om de locatie om te zetten ten behoeve van reguliere woonerven met daarbij in totaal 2 woningen met bijbehorende bouwwerken. In deze ontwikkeling blijft de huidige woning bestaan, tevens blijft een bijgebouw in gebruik als houtbewerkingsbedrijf, oftewel een bedrijf tot en met categorie 2.
Zoals in de aanleiding reeds aangegeven past het bouwplan niet binnen de huidige planregels ter plaatse van de locatie. Een aanpassing van het omgevingsplan van rechtswege is daarvoor noodzakelijk.
Het plan "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Buitengebied Holten, Rutgersweg 4" bestaat uit de volgende stukken:
De verbeelding en de regels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het TAM-omgevingsplan en moeten in samenhang 'gelezen' worden. Op de verbeelding zijn de functies van de in het plangebied begrepen gronden aangegeven. Aan deze functies zijn regels gekoppeld teneinde de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan wordt daarnaast vergezeld van een motivering. De motivering heeft weliswaar geen juridisch bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de omschrijving, en verantwoording van het omgevingsplan.
Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 de huidige situatie van het plangebied en de omgeving beschreven. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 het ruimtelijk beleidskader van het Rijk, de provincie en de gemeente uiteengezet. Hoofdstuk 4 gaat over de omgevingsaspecten die voor dit plangebied relevant zijn. In hoofdstuk 5 wordt een toelichting gegeven op de regels van de diverse functies. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de financiele uitvoerbaarheid van het plan en tot slot in hoofdstuk 7 wordt de voorbereiding van de procedure en participatie beschreven.
Op de Rutgersweg 4 in Holten is het erf van de initiatiefnemer gelegen. Het gaat om een agrarisch erf in het buitengebied, ten noordwesten van de kern Holten.
Op het erf wordt het agrarische bedrijf beëindigd, de activiteiten kunnen niet worden voortgezet. Derhalve komen een aantal bijbehorende bouwwerken leeg te staan. De initiatiefnemer wenst één van de gebouwen te behouden ten behoeve van zijn werkzaamheden in die schuur. De initiatiefnemer is voornemens de twee gebouwen te slopen en mestopslag te verwijderen. Met de oppervlakte van sloop en de te verwijderen mestopslag kan er via de rood voor rood regeling een compensatiewoning gebouwd worden. Daarnaast kunnen er 2 bijgebouwen gerealiseerd worden van maximaal 150 m2 ten behoeve van de woningen.
De planlocatie is gelegen in een grootschalig dekzandgebied aan de flank van de stuwwal waar we het Nationaal Park Sallandse Heuvelrug vinden. Deze dekzandgebieden worden doorsneden door beekdalen met waterlopen die het water van de hoger gelegen stuwwal afvoeren. Het erf van de initiatiefnemer is aan het eind van de jaren '70 ontstaan, waardoor het de karakteristieken van het ontginningslandschap heeft aangenomen, met name de rechtlijnige structuur en de beplanting langs de weg. De groenstructuren langs de voormalige kamp zijn vanaf de ontginningsperiode (jaren '30) ook verdwenen. De structuur is nog terug te zien in de kavelverdeling en de loop van de Koeweideweg.
De bestaande woning is parallel aan de Rutgersweg gesitueerd en vormt het hoofdgebouw op het perceel. De opstallen zijn achter de voorgevel van deze woning gesitueerd. Langs de weg is een fruitgaard en een 'erfbos' gelegen wat het erf een groen aanzicht geeft. De achterkant van het erf, richting de omliggende gronden, is open, zoals ook een herkenbaar element is in de ontginningsgebieden.
Afbeelding 2.1: recente luchtfoto planlocatie met plangebied in rood (bron: PDOK.nl)
Afbeelding 2.2.: straataanzicht met planlocatie vanaf de zuidoostzijde (bron: Google Maps)
De locatie is gelegen in het buitengebied van Holten, op de overgang van het kampenlandschap naar het ontginningslandschap. Het erf is eind jaren '70 ontstaan, waardoor het de kenmerken van het ontginningslandschap heeft aangenomen, namelijk een rechtlijnige opzet met beplanting langs de straat (G en H op de situatietekening) en openheid richting het omliggende landschap. Het erf bestaat uit een woning (A) en (agrarische) opstallen.
De agrarische bedrijfsactiviteiten op het terrein worden beëindigd, waardoor de stallen leeg komen te staan en geen vervolgfunctie hebben. Op basis van het beleid van Rijssen-Holten is er een mogelijkheid om met sloop een compensatiekavel te realiseren.
Dit betekent dat het grootste deel van de opstallen wordt gesloopt (D). Ook de ondergrondse mestopslag zal worden verwijderd (F). Daarmee komt de gesloopte oppervlakte op 1.383 m2 op locatie. Een van de bijgebouwen (E) (295 m2) zal blijven bestaan ten behoeve van het ambachtelijk bedrijf, het houtbewerkingsbedrijf, ter plaatse. Een deel van de sloopmeters (1000 m2) zullen op het eigen erf worden ingezet voor een compensatiewoning (B). Er zal een nieuw bijgebouw gerealiseerd worden van maximaal 150 m2 behorend bij de compensatiewoning (C).
De bestaande woning (A) blijft behouden en er zal een nieuw bijgebouw worden gerealiseerd van maximaal 150 m2 (L) behorend bij de bestaande woning, omdat de initiatiefnemer ruimte nodig heeft voor het stallen van machines die hij gebruikt voor het bewerken van zijn (akker-)land. Het erf zal worden ingepast met nieuw aan te planten solitaire erfbomen (M) zodat de openheid aan de achterzijde van het erf behouden blijft.
De beplanting aan de straatzijde zal versterkt worden. Het noordelijk gelegen erfbos zal worden aangevuld met een aantal bomen in de soorten: eik, linde en kastanje. De bestaande boomgaard zal worden aangevuld met fruitbomen (I2). Daarnaast zal het voethek worden deel worden vervangen door een haag (N), om het Sallandse karakter van het erf te benadrukken.
Ten behoeve van de ruimtelijke kwaliteit zijn de volgende maatregelen genomen:
Een weergave van de beoogde situatie is zichtbaar in afbeelding 2.3 en opgenomen in Bijlage 2 bij de planregels.
Afbeelding 2.3: nieuwe landschappelijke situatie Rutgersweg 4 te Holten (bron: N+L Landschapsontwerpers)
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden.
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:
Vrijkomende Agrarische Bebouwing en de provinciale ruimte-voor-ruimteregelingen waardoor VAB-locaties omgevormd kunnen worden tot aantrekkelijke nieuwe woonlocaties. Ook wordt ingegaan op de aspecten 'economie en landschap'. Landschap is immers een belangrijk onderdeel van het vestigingsklimaat, zowel voor de meer verstedelijkte gebieden als voor de landelijke regio's. Voor een hoogwaardige kenniseconomie als de Nederlandse, is de bereikbaarheid en aantrekkelijkheid van het omringende landschap van groot belang in de concurrentie met andere landen. Een aantrekkelijke leefomgeving is tevens een randvoorwaarde voor toerisme.
De aantrekkelijkheid van de leefomgeving is immers vaak de reden dat bezoekers naar een regio komen. Een aantrekkelijk landschap maakt dat mensen daar willen wonen, werken en recreëren. Vrijkomende agrarische bebouwing kan bijvoorbeeld met provinciale ruimte-voor-ruimteregelingen omgevormd worden tot aantrekkelijke nieuwe woon- of werklocaties, waarbij de vrijkomende agrarische grond zo veel mogelijk kan worden ingezet voor een grotere grondgebondenheid van de omliggende agrarische bedrijven, of worden gebruikt voor agrarisch natuurbeheer. Rijk en regio's werken samen uit hoe kan worden omgegaan met de opgave van agrarische leegstand en herbestemming in relatie tot het combineren van functies in het landelijke gebied, behoud en versterking van de leefbaarheid op het platteland en het voorkomen van verdere aantasting van het landschap.
Beoordeling van het plan:
Dit plan heeft betrekking op een project waarbij geen nationale belangen in het geding zijn en waarbij geen sprake is van enige belemmering met betrekking tot de prioriteiten zoals verwoord in de NOVI. Juist kan het plan een bijdrage leveren aan de toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied en goede invulling van een VAB-locatie, omdat een voormalig agrarische erf wordt omgevormd naar regulier woonerf (met bedrijf aan huis) met behoud van de (voormalig agrarische) karakteristieken en een zorgvuldige landschappelijke inpassing.
Geconstateerd is dat een woonfunctie met twee woningen op deze locatie een logische vervolgfunctie betreft. Bij het uitwerken van het plan zijn de kenmerken en identiteit van het gebied centraal gesteld, hierbij wordt onder meer verwezen naar Bijlage 1 behorende bij de toelichting en de toetsing aan het provinciaal en gemeentelijk beleid. Geconcludeerd wordt dat de NOVI geen belemmering vormt voor de voorziene ontwikkeling.
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Een stedelijke ontwikkeling is gedefinieerd als "de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is."
Als een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt rekening gehouden met:
In artikel 5.129g van het Bkl wordt onder lid 1 het relevante begrip 'stedelijke ontwikkeling' gedefinieerd:
Stedelijke ontwikkeling: uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.
Beoordeling van de plannen:
Alvorens de twee treden van de Ladder voor duurzame verstedelijking uit te werken, dient allereerst de vraag beantwoord te worden of het voorgenomen bouwplan te beschouwen is als een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving.
Artikel 5.129g uit het Bkl geeft weliswaar aan dat er sprake dient te zijn van een ontwikkeling die voldoende substantieel is, maar geeft hierbij geen grens. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. Op basis van jurisprudentie blijkt dat de vraag of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang (toename van bebouwing of ruimtegebruik) van die ontwikkeling, in relatie tot de omgeving. Uit afdelingsjurisprudentie blijkt dat voor het realiseren van woningen geldt, dat woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen worden beoordeeld als zijnde een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' die ladderplichtig is. Hieronder worden deze uitspraken weergegeven:
Belangrijk uitgangspunt van de Ladder is het aspect zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik. In de Nota van toelichting wordt onder het begrip stedelijke ontwikkeling expliciet vermeld dat ontwikkelingen en regelingen die geen extra verstedelijking mogelijk maken, maar bebouwing reduceren of verplaatsen zoals de Ruimte voor ruimteregelingen niet worden gezien als stedelijke ontwikkeling in de zin van de Ladder.
In voorliggend geval wordt een voormalig agrarisch bedrijfsperceel omgevormd tot een woonperceel. Er is daarmee sprake van 1 nieuwe woning op de locatie. Volgens de Ladder voor Duurzame Verstedelijking is er pas sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling wanneer er 12 of meer woningen worden gebouwd. De ontwikkeling van 1 nieuwe woning valt niet onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een nadere toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is dan ook niet noodzakelijk.
Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van strijd met het rijksbeleid.
Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Overijssel
De omgevingsvisie is het overkoepelende provinciale beleidsplan voor de fysieke leefomgeving in Overijssel. De opgaven en kansen waar de provincie Overijssel voor staat, zijn vertaald in centrale beleidsambities voor negen beleidsthema's. De hoofdambitie van de Omgevingsvisie is een toekomstvaste groei van welvaart en welzijn met een verantwoord beslag op de beschikbare natuurlijke hulpbronnen en voorraden.
Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. Er wordt nadrukkelijk gestuurd op ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid. Uitgangspunt is dat verstedelijking en economische activiteiten gebundeld worden ten behoeve van een optimale benutting van bestaand bebouwd gebied.
Om te bepalen of een initiatief bijdraagt aan en/of passend is binnen de ambities van de provincie Overijssel, wordt het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel gebruikt. In dit uitvoeringsmodel staan de volgende stappen centraal:
Doorwerking plan:
In voorliggende geval zijn in het kader van de generieke beleidskeuzes de volgende artikelen relevant:
Onderstaand worden de beleidskeuzes benoemd en beoordeeld op welke wijze in het plan hiermee rekening is gehouden.
Artikel 4.4: Principe van concentratie
In omgevingsplannen worden alleen de ontwikkeling van woningbouw, bedrijventerrein, stedelijke voorzieningen, met bijbehorende infrastructuur en groenvoorzieningen mogelijk gemaakt als die voorzien in een lokale behoefte of in de behoefte van bijzondere doelgroepen.
Beoordeling van het plan:
In dit geval is sprake van een ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt op gronden die momenteel aangewezen zijn als agrarisch bedrijfsperceel. Deze wordt omgezet naar een woonerf met twee woningen en bijbehorende bouwwerken, waarvan één woning al aanwezig is. Het toevoegen van een woning sluit aan bij de lokale woonbehoefte. Een bestaand ambachtelijk bedrijf blijft behouden binnen een bestaand bijgebouw. Daarnaast wordt het erf landschappelijk ingepast, waarmee de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse wordt versterkt. Met deze ontwikkeling is sprake van een lokale behoefte en een goede invulling aan het principe van concentratie.
Artikel 4.5: Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik
Lid 1
Omgevingsplannen voorzien uitsluitend in stedelijke ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen op de Groene Omgeving wanneer aannemelijk is gemaak datt:
Lid 2
Omgevingsplannen voor de Groene Omgeving voorzien uitsluitend in ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen anders dan de uitleg van steden en dorpen wanneer aannemelijk is gemaakt:
Beoordeling van het plan:
De locatie ligt buiten bestaand stedelijk gebied. Er is sprake van een herontwikkeling, waarbij bestaande landschapsontsierende bebouwing wordt gesloopt en er hiervoor in de plaats een nieuwe woning en bijbehorend bouwwerk komt. Er is daarom sprake van nieuwbouw, maar wel op het bestaande bouwperceel. Er wordt daarmee nut gemaakt van een bestaand erf. Er is geen sprake van nieuwe bebouwing in de groene omgeving.
De ontwikkeling wordt zorgvuldig ruimtelijk en landschappelijk ingepast. Er is hiermee sprake van een zorgvuldig ruimtegebruik passend binnen dit artikel van de omgevingsverordening.
Artikel 4.9: Ruimtelijke kwaliteit
In de toelichting bij plannen wordt onderbouwd dat nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken, past binnen het ontwikkelingsperspectief, inzichtelijk wordt gemaakt op welke wijze toepassing wordt gegeven aan het Uitvoeringsmodel (OF-, WAAR- en HOE-benadering).
Beoordeling van het plan:
Voor het plangebied is een ruimtelijk kwaliteitsplan opgesteld dat gebaseerd is op de toegekende gebiedskenmerken. Het plan is toegevoegd aan Bijlage 1 en geeft een landschappelijke onderbouwing van het inrichtingsplan. Deze geldende gebiedskenmerken worden later in deze paragraaf ook afzonderlijk behandeld en getoetst. Hiermee wordt voldaan aan artikel 4.9.
Artikel 4.11: Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving
In dit artikel wordt een generieke mogelijkheid geboden om onder voorwaarden nieuwe ontwikkelingen
toe te staan in de Groene Omgeving. Deze regeling wordt 'Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving' genoemd, omdat van deze nieuwe ontwikkelingen wordt verwacht dat ze een extra impuls opleveren voor investeringen in de ruimtelijke kwaliteit in de omgeving.
Beoordeling van het plan:
Het voorliggende plan leidt tot een kwaliteitsimpuls in de groene omgeving (buitengebied). Deze meerwaarde vertaalt zich in:
In het onderhavig geval betreft het de ontmanteling van een voormalig agrarische bedrijfslocatie, sanering van de in onbruik geraakte voormalige bedrijfsgebouwen en de realisatie van een compensatiewoning met bijbehorende bouwwerken. Dit is in Bijlage 1 nader uitgewerkt. Met inachtneming van dit ruimtelijk kwaliteitsplan wordt voldaan aan artikel 4.11.
Artikel 4.14: woonafspraken
Beoordeling van het plan:
Voorliggende ontwikkeling betreft de omzetting van agrarisch bedrijfsperceel naar woonerf met 2 woningen op het huidige erf aan de Rutgersweg 4 in Holten (1 in bestaande bebouwing, 1 nieuwbouw op basis van de rood-voor-rood-regeling). Tegelijkertijd blijft er 1 opstal op het erf in stand, en worden er 2 nieuwe bijbehorende bouwwerken beoogd. De woningen voldoen aan de kwalitatieve en kwantiatieve behoefte en wordt gebouwd voor de lokale behoefte. Zoals uit paragraaf 3.3.2 blijkt is er in de gemeente ruimte voor het toevoegen van extra woningen. Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat voorliggend plan in overeenstemming is met artikel 4.14 uit de Omgevingsverordening Overijssel.
Ontwikkelingsperspectieven (waar)
Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van ontwikkelperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven. De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend en bieden de nodige flexibiliteit voor de toekomst.
Afbeelding 3.1: ontwikkelingsperspectief, plangebied in rood (bron: overijssel.tercera-ro.nl)
De planlocatie is aangemerkt als “Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap". Dat betekent dat diverse functies verweven moeten worden. Het belangrijkste landgebruik blijft melkveehouderij en akkerbouw, maar aan de andere kant is er ruimte voor landschap, natuur, milieubescherming, cultuurhistorie, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid. In elk geval staat de ambitie, "voortbouwen op kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen", voorop. De voorgenomen ontwikkeling past bij de gestelde ambitie. Er ontstaat ruimte voor wonen in combinatie met een vorm van kleinschalige bedrijvigheid. De omliggende gronden blijven in gebruik als agrarische gronden.
De kwaliteitsambities zijn, net als voor alle andere ontwikkelingsperspectieven: 'een zichtbaar en leefbaar mooi landschap', 'sterke ruimtelijke identiteit als merken voor Overijssel' en een 'continu en beleefbaar watersysteem'.
Het ontwikkelingsperspectief richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid.
De ontwikkeling van de extra woonfunctie binnen dit ontwikkelingsperspectief is mogelijk met inachtneming van Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving. Het omvormen van de agrarische bedrijfsfunctie naar een reguliere woonfunctie is een passende activiteit in het ontwikkelingsperspectief.
De voorgenomen ontwikkeling past goed bij de gestelde ambities.
Gebiedskenmerken (hoe)
Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en -opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. De kwaliteitsopgaven en -voorwaarden op basis van gebiedskenmerken kunnen te maken hebben met landschappelijke -inpassing, infrastructuur,- milieuaspecten, bodemaspecten, cultuurhistorie, toeristische en recreatieve aantrekkingskracht, natuur, water, etc. De gebiedskenmerken zijn over het algemeen richtinggevend of inspirerend.
De provincie onderscheidt de volgende vier lagen:
Natuurlijke laag
Afbeelding 3.2: uitsnede kaart natuurlijke laag, planlocatie in rood (bron: provincie Overijssel)
De natuurlijke laag is aanvankelijk ontstaan zonder toedoen van de mens door onder andere invloeden van abiotische processen als de ijstijden, de wind en water. De locatie ligt in een dekzandgebied. Onder koude omstandigheden in de laatste ijstijd heeft de wind ervoor gezorgd dat geërodeerd zand op de hogere delen in het landschap werd afgezet, zoals op de stuwwallen en tegen de flanken van de stuwwallen. Ten oosten van de planlocatie is een stuwwal te vinden die het dekzand tegenhield dat door de overheersende zuidwestenwind werd aangevoerd. Het plangebied is gelegen in een grootschalig dekzandgebied dat wordt doorsneden door lager gelegen beekdalen met waterlopen waardoor het water uit de hoger gelegen delen wordt afgevoerd.
Met de voorgenomen plannen wordt er geen afbreuk gedaan aan de natuurlijke kenmerken van het landschap, gezien er geen veranderingen worden aangebracht aan het reliëf of andere versterkende elementen van dit landschap.
Laag van cultuurlandschap
Afbeelding 3.3: uitsnede kaart laag van cultuurlandschap, planlocatie in rood (bron: provincie Overijssel)
Door menselijk ingrijpen in de natuurlijke omstandigheden ontstaat er een (agrarisch) cultuurlandschap. Het landschap werd functioneel ingericht waarbij men nooit heeft nagedacht over de schoonheid ervan. Nu waarderen wij juist de ingrepen van destijds. De eerste nederzettingen in Nederland werden gesticht op de rand van de hogere stuwwallen en dekzandruggen naar de overgang met de lagere gronden. Het plangebied is gelegen op een dergelijke overgang. De akkers op de hogere gronden werden intensief gebruikt en bemest met heideplaggen uit het voormalige potstal systeem. De heideplaggen kwamen van de grootschalige open heidecomplexen die pas laat zijn ontgonnen door - in eerste instantie - gebrek aan kennis.
De planlocatie valt onder het kenmerk 'oude hoevenlandschap' en is gelegen op de overgang tussen het kampenlandschap en het heideontginningslandschap. Van vroeger uit behoort het gebied tot het kampenlandschap, maar in de loop van de tijd zijn de kenmerken van dit landschap verdwenen. De robuuste groene omlijsting van de koeweide is in de loop van de tijd verdwenen, de Koeweideweg verwijst nog naar de voormalige contouren van de kamp, langs deze weg staat een bomenrij. Vanaf de jaren '30 van de twintigste eeuw zijn de heidegebieden ontgonnen. Dat was toen mogelijk door ontwikkelingen in de landbouw, met als belangrijkste uitvinding die van kunstmest. De ontginning werd planmatig en grootschalig aangepakt wat zorgde voor relatief grote, open ruimtes. Erven lagen in blokken aan de weg en de wegen kennen een rechtlijnige structuur. Beplantingen vinden we hier terug in de vorm van lanen en bosjes. Deze kenmerken zijn ook terug te vinden op de planlocatie, zoals het bosje langs de Rutgersweg.
De ontwikkeling moet bijdragen aan de herkenning van het landschap. De kenmerken van het landschap, beplanting in lanen en bosjes, de open ruimte en rechtlijnige structuren zijn namelijk terug te vinden in de voorgenomen plannen.
Laag van de beleving
Afbeelding 3.4: uitsnede kaart laag van de beleving, planlocatie in rood (bron: provincie Overijssel)
De laag van de beleving op de planlocatie wordt aangeduid als 'donkerte'. Dit zijn gebieden waar het 's nachts nog echt donker is. Het zijn de relatief 'luwe' dun bewoonde gebieden met een lage bevolkingsdruk. In dergelijke gebieden moeten we terughoudend zijn met het toevoegen van verlichting, langs bijvoorbeeld wegen, bedrijventerreinen e.d.. De voorgenomen ontwikkeling past in deze ambitie, omdat agrarische bedrijvigheid wordt gestaakt en een woning wordt toegevoegd, wat minder verlichting benodigd is.
De locatie is niet voorzien van een stedelijke laag, dus wordt deze niet opgenomen.
Conclusie
Het in Bijlage 1 opgenomen ruimtelijk kwaliteitsplan is gebaseerd om de toegekende ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken. Met inachtneming hiervan wordt geconcludeerd dat de in dit voorliggende TAM-omgevingsplan besloten planologische wijziging volledig in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.
Met de omgevingsvisie Rijssen-Holten geeft de gemeente een toekomstbeeld waarmee ze laten zien hoe de gemeente er over tien jaar uit kan zien en waar haar doelen en ambities liggen. Dit toekomstbeeld gaat over de fysieke leefomgeving: alles wat we buiten zien en nodig hebben om te kunnen leven, wonen, werken en ontspannen. Zowel binnen de kernen als in het buitengebied.
Met de omgevingsvisie geeft de gemeente richting, sturing en duidelijkheid over de wijze waarop ze Rijssen-Holten willen ontwikkelen, zowel voor haar inwoners als voor haar partners waarmee ze samen optrekken en investeren in een toekomstbestendig Rijssen-Holten. De gemeente zoekt hierbij een balans tussen het beschermen en benutten van haar leefomgeving en geven richting over de wijze waarop ze ontwikkelingen kunnen en willen bevorderen en faciliteren. De gemeente Rijssen-Holten maakt ruimte voor dat wat ze belangrijk vinden en zetten in op behoud van dat wat de gemeente koestert. Zo werken ze samen aan een toekomstbestendig Rijssen-Holten voor de generaties van nu en in de toekomst.
Beschermen, bevorderen en faciliteren zijn drie perspectieven op een gezonde leefomgeving van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). Het model van het PBL laat zien dat de drie verschillende perspectieven elkaar raken en overlappen, zo hebben het fysieke en sociale domein elkaar nodig om doelen te bereiken. De gemeente Rijssen-Holten heeft benutten als vierde perspectief toegevoegd, omdat ze dit perspectief vonden ontbreken. Elk perspectief zegt iets over de rol die de gemeente inneemt. Hieronder worden de perspectieven toegelicht:
De leidende principes in gemeente Rijssen-Holten zijn:
Ambitie en strategie voor het thema wonen
1. Beschermen
De gemeente Rijssen-Holten beschermt haar woningvoorraad door:
2. Benutten
De gemeente Rijssen-Holten benut kansen om haar woningvoorraad te verbeteren door:
3. Bevorderen
De gemeente Rijssen-Holten bevordert haar woningvoorraad door:
4. Faciliteren
De gemeente Rijssen-Holten faciliteert in de zoektocht naar een goede woningvoorraad door:
Beoordeling van de plannen:
De gewenste ontwikkeling betekent een impuls voor de ruimtelijke kwaliteit. De landschapsontsierende bebouwing wordt gesloopt, en een nieuwe ingepaste woning met bijbehorende bouwwerken wordt toegevoegd. Het plangebied wordt landschappelijk ingepast. Deze landschappelijke inpassing (Bijlage 1) is vastgelegd middels een voorwaardelijke verplichting in de regels van dit TAM-omgevingsplan. Dit past binnen het gestelde streefbeeld voor dit aspect.
Daarnaast is wordt er wordt er zorvuldig omgegaan met de ruimte, aangezien er geen sprake is van uitbreiding van bouwoppervlak en bebouwing, enkel vervanging. Tegelijkertijd biedt hetzelfde erf nu ruimte voor twee woningen in plaats van één, waardoor het slim inpast in de woonbehoefte van de gemeente Rijssen-Holten. Hiermee past de ontwikkeling binnen de principes van de visie.
In voorliggend geval is aantoonbaar te maken dat voorzien wordt in een specifieke woonbehoefte passend binnen gemeente Rijssen-Holten. In het kader van rood voor rood kan een extra woning worden toegevoegd op de planlocatie, waarbij ontwikkelruimte in evenwicht is met investeringen (in de vorm van sloop). Er wordt dan ook geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen het streefbeeld als geformuleerd in 'Rijssen-Holten 2010-2020 en doorkijk naar 2030''.
De markt van de woningbouw kantelt van aanbod- naar vraaggericht, waarbij er sprake is van een toenemende vraag naar differentiatie in woonvormen. De consument zegt hoe hij wil wonen en de ontwikkelaar/bouwer richt zich daarop. Als gemeente geven we richting aan woonopgaven in de omgevingsvisie en scheppen we de planologische kaders in de vorm van bijvoorbeeld bestemmingsplannen en omgevingsplannen. Binnen deze omkadering kunnen bedrijven of particulieren bouwen wat de markt vraagt. Hierbij laten we zoveel mogelijk speelruimte voor de eigen invulling van woonconcepten.
Een leven lang wonen
We proberen zo min mogelijk drempels op te werpen in de bouw. Ons streven naar duurzaamheid houdt ook in dat wonen voor iedereen beschikbaar moet zijn. Zelfstandig thuis wonen is de norm. Niet elke bestaande woning hoeft levensloopbestendig te zijn. Levensloopbestendig wonen op wijkniveau betekent dat er voldoende mogelijkheden zijn om binnen de wijk te verhuizen naar een passende woning en dat voorzieningen beschikbaar zijn. Een opgave voor de gemeente is het wegnemen van belemmeringen voor levensloopbestendige plannen en het stimuleren van gemêleerde wijken en buurten waarin mensen elkaar kennen en ontmoeten. Collectief Particulier Opdrachtgeverschap en het realiseren van alternatieve woonvormen past in deze opgave. We streven ernaar om jongeren te blijven binden, zodat zij hier hun leven lang wonen. Dit betekent dat er voldoende betaalbare woningen moeten zijn voor jongeren en dat onze gemeente goed bereikbaar is.
Woonlocaties
Rijssen-Holten is trots en zuinig op haar groene omgeving en wil investeren in behoud en verbetering van de leefkwaliteit. Inbreiding en vernieuwing gaan hierbij in beginsel voor uitbreiding van de stedelijke bebouwing, mits een ontwikkeling bijdraagt aan een duurzaam aantrekkelijke (en groene) leefomgeving. Afhankelijk van de opgaven in een gebied bepaalt de gemeente haar rol in de realisatie van deze opgaven.
Verduurzaming woningvoorraad
De wijzigende bevolkings- en huishoudsamenstelling en de energietransitie maken het noodzakelijk de bestaande woningvoorraad in kwalitatieve zin te transformeren. Bij deze transformatie hoort het terugbrengen van de CO2-uitstoot van woningen. Volgens een realistisch en duurzaam scenario hebben we in 2030 een aanzienlijke reductie in aardgasverbruik en hiermee CO2 uitstoot bij woningen behaald. Binnen de ruimte die het Rijk ons biedt scheppen we als gemeente de voorwaarden om optimaal in te spelen op nieuwe ontwikkelingen op het gebied van duurzaam wonen. Omdat fossiele brandstoffen eindig zijn en niet passen in een duurzame energievoorziening vergemakkelijken en ondersteunen we de transitie naar een niet-fossiele en waarschijnlijk meer decentrale energievoorziening. Energiebesparing in de woningbouw is niet alleen essentieel om de doelen van het lokale klimaatbeleid te realiseren; het draagt ook bij aan de betaalbaarheid van wonen.
Woningvoorraad als opgave
Het bouwen voor de lokale behoefte hanteren we als principe. Richting 2030 vormen de beschikbaarheid van voldoende nieuwbouwplannen en het betaalbaar kunnen wonen aandachtspunten. We willen ervoor zorgen dat we in onze gemeente een goede afstemming hebben van vraag en aanbod in de koop- en huursector waardoor onze inwoners kunnen wonen in een woning die past bij hun (gezins)inkomen en leeftijdsfase. .
Beoordeling van de plannen:
Er is sprake van toenemende krapte op de woningmarkt in gemeente Rijssen-Holten. De woningvraag is groter dan het aanbod en de gemeente wil hierop inspelen, om aan de wensen van de bewoners te voldoen.
Onderhavig plan heeft betrekking op de realisatie van één extra woning op een bestaand erf in het buitengebied. Hiermee wordt de bestaande woningvoorraad van de gemeente Rijssen-Holten uitgebreid met een woning en wordt ingespeeld op de stijgende vraag naar woningen om te voorzien in de lokale behoefte.
Geconcludeerd wordt dat het plan in overeenstemming is met de Woonvisie.
In de Kadernota Landelijk gebied, die de gemeenteraad op 15 december 2011 heeft vastgesteld, worden ruimtelijke kaders beschreven die worden gebruikt als toetsings- en afwegingskader voor ontwikkelingen in het buitengebied. De Kadernota doet echter geen concrete uitspraken over het toepassen van het rood- voor-rood beleid en het VAB-beleid. Daarom heeft de gemeenteraad op 4 juni 2015 als aanvulling op de Kadernota Landelijk gebied het beleid 'ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied' vastgesteld. De gemeenteraad heeft aangegeven deze aanvulling te willen evalueren en daarna te herzien. Aanleiding hiervoor is een aantal rood-voor-rood principeverzoeken die passend waren in het huidige beleid, maar door de commissie grondgebied niet positief ontvangen zijn. Daarnaast is er sprake van gewenste ontwikkelingen die niet passen in het huidige beleid. De gemeenteraad wil het huidige beleid aanvullen voor die situatie waarbij een compensatiewoning niet op de slooplocatie kan worden gerealiseerd. Hiervoor worden gebieden aangewezen waar compensatiewoningen kunnen worden gerealiseerd. Verder wordt er een alternatieve planologische route geboden om een inwoonsituatie om te zetten naar een reguliere woning. In de volgende hoofdstukken wordt een actueel beleidskader gegeven voor VAB-locaties en rood-voor-rood. Deze beleidsregels zijn een aanvulling op de Kadernota Landelijk gebied of de opvolger daarvan.
Bij een (grootschalige) uitbreiding of nieuwvestiging (al dan niet op een bestaand erf) in het buitengebied is de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving van toepassing, zoals opgenomen in de Omgevingsvisie van de provincie Overijssel. Het voorliggende beleid zal ook een richtlijn geven voor een rekenmethode waarbij de investering in de ruimtelijke kwaliteit bij ontwikkelingen in het buitengebied inzichtelijk wordt gemaakt.
Rood voor Rood
Er is in december 2024 nieuw beleid vastgesteld, namelijk het beleid 'Ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied 2024'. De regelingen zijn gebaseerd op eerdere regelingen, zo ook het rood voor rood beleid.
De rood-voor-rood regeling is al in 2004 opgesteld vanuit de provincie Overijssel. Sinds 2006 heeft de gemeente Rijssen-Holten zelf een beleidskader voor rood-voor-rood plannen opgesteld. Middels rood-voor-rood kan een compensatiekavel in het buitengebied worden gerealiseerd in ruil voor de sloop van landschapontsierende bebouwing. De kaders en voorwaarden die van toepassing zijn op een rood-voor-rood project worden in onderstaande paragrafen toegelicht.
Uitgangspunt voor deelname aan de rood-voor-rood regeling blijft de sloop van landschapontsierende bebouwing binnen de gemeente Rijssen-Holten. Dit kunnen buiten gebruik gestelde (agrarische) bedrijfsgebouwen, torensilo's, dan wel andere solitaire (bedrijfs-)bebouwing in het buitengebied zijn. De minimale sloopverplichting is afhankelijk van de gewenste ontwikkeling
Algemene voorwaarden
Naast het slopen van landschapontsierende bebouwing worden er aan de nieuw te realiseren functies voorwaarden gesteld aan bijvoorbeeld landschappelijke inpassing en uiterlijke verschijningsvormen. Voor een groot gedeelte gelden deze voorwaarden voor alle nieuwe functies, een aantal voorwaarden is echter specifiek en zullen verderop in deze paragraaf aan bod komen.
Algemene voorwaarden die gelden voor alle nieuwe functies zijn:
Nieuwe woningen
Een manier om in het buitengebied een nieuwe woning te realiseren is middels de rood-voor-rood regeling. Belangrijk uitgangspunt hierbij blijft het toevoegen van ruimtelijke kwaliteit, hiervoor geldt in ieder geval de volgende sloopverplichting:
Beoordeling van de plannen:
Dit TAM-omgevingsplan maakt het mogelijk om middels de beleidsnotitie 'Ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied' een extra woning toe te voegen. Op basis van de Rood voor Rood-regeling kan in ruil voor het slopen van minimaal 1.000 m2 aan landschapsontsierende bedrijfsbebouwing het recht op een compensatiewoning worden verkregen. Hiervoor zal een compensatiewoning (maximaal 200 m2) kan er een bijgebouw (maximaal 150 m2) worden gerealiseerd. Daarnaast kan ten behoeve van de andere woning ook een bijgebouw gerealiseerd worden van maximaal 150 m2.
Eén van de gebouwen (gebouw 1 van 295 m2) zal blijven staan in het kader van de VAB regeling, omdat deze in gebruik blijft ten behoeve van het ambachtelijk bedrijf.
Algemene voorwaarden
Het plan voldoet aan de algemene voorwaarden. Ten eerste vind de compensatie gedeeltelijk plaats op de locatie waar ook gesloopt wordt. Daarnaast wordt het plan landschappelijk ingepast op basis van het karakter van het erf en landschap. De ontwikkeling doet geen afbreuk aan de lokale bodem- en waterhuishouding en past hiermee binnen de voorwaarde conform duurzame realisatie.
Om te voldoen aan de voorwaarde dat de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse wordt verbeterd, worden de woonpercelen landschappelijk ingepast. Het volledige ruimtelijke kwaliteitsplan is opgenomen in Bijlage 1. Tevens is er een anterieure overeenkomst over een KGO taxatie, waarvan tevens een rapportage is opgesteld. De uitvoering en instandhouding van de maatregelen genoemd in dit plan worden geborgd in de regels van dit TAM-omgevingsplan, evenals de sloopopgave. De voorliggende ontwikkeling voldoet daarmee aan de uitgangspunten uit de beleidsnota 'Ruimtelijke Ontwikkelingen in het Buitengebied'.
Nieuwe woningen
De maatvoering van de compensatiewoning en bijgebouwen is gebaseerd op de huidige regels uit het veegplan.
Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling past binnen het 'Beleid Ruimtelijke Ontwikkelingen in het Buitengebied'.
De mer-regelgeving is uitgewerkt in verschillende onderdelen van de Omgevingswet. Afdeling 16.4 van de Omgevingswet bevat de regelgeving over milieueffectrapportage. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. In bijlage V van het Omgevingsbesluit staan de projecten en de besluiten waarvoor een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt.
Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije MER-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één MER- beoordelingsprocedure.
Het aparte m.e.r.-beoordelingsbesluit dat eerder nog moest worden genomen vervalt onder de Omgevingswet. Het resultaat en de motivering van de m.e.r.-beoordeling moeten in het (ontwerp)plan of (-)programma (zie de artt. 16.36, vijfde lid Omgevingswet en 11.1, eerste lid van het Omgevingsbesluit) of in het (ontwerp)besluit zelf (zie de art. 16.43, tweede en derde lid Omgevingswet en 11.11, tweede lid van het Omgevingsbesluit) worden opgenomen.
Beoordeling van de plannen:
De voorgenomen activiteit voor het slopen van landschapsontsierende bebouwing en het in plaats hiervan bouwen van een (compensatie)woning met bijgebouwen staat niet benoemd in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Daarmee geldt er ook geen noodzaak tot een m.e.r.-beoordeling.
Op basis van bovengenoemde beoordeling van kenmerken en locatie van het project en de kernmerken van het potentiële effect van het project is vastgesteld dat er geen sprake is van een project dat belangrijke gevolgen heeft, zodat geen milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt (artikel 16.43 jo. artikel 16.53 Ow).
In bijlage 1 van de Omgevingswet (Ow) is het begrip duurzame ontwikkeling gedefinieerd. Het gaat om "een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen." Artikel 1.3 en 2.1 Ow borgen het belang van duurzaamheid. In artikel 1.3 zijn de maatschappelijke doelen van de wet verwoord:
"Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang:
Artikel 2.1 geeft aan dat een bestuursorgaan zijn taken en bevoegdheden op grond van de wet uitoefent met het oog op de doelen van de wet, tenzij daarover specifieke regels zijn gesteld.
Artikel 1.3 geeft ook richting aan de voor burgers en bedrijven opgenomen zorgplicht in artikel 1.6 Ow, namelijk dat men "voldoende zorg draagt voor een goede leefomgeving". Met deze bepalingen wordt een duurzame ontwikkeling voor het gehele domein van de fysieke leefomgeving geborgd. Het vergt een samenhangende benadering vanaf het begin van de planvorming van alle relevante belangen, waaronder: ruimte, water, natuur, gezondheid en wonen.
Beoordeling van de plannen:
De plannen van initiatiefnemer geven invulling aan duurzame ontwikkeling. Er vindt meervoudig ruimtegebruik plaats op een voormalig agrarisch erf door de agrarische bedrijfsbebouwing te slopen en een nieuwe woning met bijbehorende bouwwerken te bouwen, waarbij ook een gebouw voor het ambachtelijk bedrijf ter plaats behouden blijft. Op het erf is voldoende ruimte om in de benodigde ruimtegebruik te voorzien. Tevens blijft er sprake van een woonfunctie op de bestaande woonboerderij.
Verder wordt een groene inpassing gerealiseerd conform de geldende gebiedskenmerken. Het plan geeft invulling aan een duurzaam gebruik van een bestaande erflocatie en zorgt voor toekomstbestendigheid. In onbruik geraakte bebouwing wordt verwijderd en behoudenswaardige bebouwing blijft geintegreerd in het compacte erfensemble. Het woongebruik voorziet in een duurzaam gebruik van de erflocatie, waarbij onderhoud en instandhouding voor de langere termijn worden gegarandeerd. Het plan geeft hiermee goede invulling aan het thema duurzaamheid.
Voor ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van bedrijvigheid dient onder de Omgevingswet gebruik gemaakt te worden van de publicatie 'Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet (Milieuzonering Nieuwe Stijl)', zoals gepubliceerd op 28 juni 2022 door de VNG.
De Omgevingswet zorgt voor een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. In de Omgevingswet zijn het ruimtelijk spoor en het milieuspoor verder geïntegreerd. In de nieuwe systematiek onder de Omgevingswet wordt gebruikgemaakt van milieuwaarden in plaats van vaste afstanden. Niet met een vaste richtafstand voor iedere activiteit, ongeacht of de activiteit die afstand wel nodig heeft, maar met een concrete waarde per activiteit met daarbij een zo reëel mogelijk ruimtebeslag. Hiermee wordt beoogd discussie over de toewijzing van bedrijven aan milieucategorieën en onnodig grote gebruiksruimte te voorkomen.
De VNG werkt momenteel aan de handreiking Activiteiten en milieuzonering als opvolger van de bekende uitgave Bedrijven en milieuzonering 2009 ('het groene boekje') en de uitgave Milieuzonering nieuwe stijl. Het streven van de VNG is om de nieuwe handreiking in het voorjaar 2024 te publiceren. Dit is om moment van schrijven nog niet gebeurd. In maart 2023 heeft de VNG daarom een kort advies gepubliceerd hoe in de tussenperiode om te gaan met actualisatie van planregelingen en nieuwe ontwikkelingen. Hierin wordt aangegeven dat de systematiek vanuit de bedrijven en milieuzonering 2009 voorlopig gehandhaafd kan blijven indien voldaan wordt aan de richtafstanden.
Voorgenomen ontwikkeling
De voorgenomen ontwikkeling betreft de sloop van voormalig agrarische bebouwing en de realisatie van woonfuncties. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de afstand tot omliggende functies/activiteiten.
Beoordeling van de plannen:
Met de beoogde toevoeging van de woonfunctie binnen het plangebied worden in feite geen onoverkomelijke wijzigingen aangebracht als het gaat om milieuzonering. De omgeving kenmerkt zich als buitengebied met verspreide woonerven.
De activiteit binnen het plangebied voor wonen kent geen milieucategorie. Er worden nieuwe compensatiewoningen toegevoegd binnen het plangebied en/of bestaande bebouwing worden als woning aangewend, waarbij de woonfunctie dus de hoofdfunctie zal vervullen.
De dichtstbijzijnde milieubelastende activiteit betreft een intensief veehouderijbedrijf, waarvan het bedrijfsperceel op circa 450 meter van het onderhavig plangebied ligt. Het is een rundveebedrijf, voor deze agrarische bedrijven geldt volgens de VNG handleiding uit 2024 een score van 1 voor geluid en een score van 3 voor geur. Deze scores komen overeen met een afstand van achtereenvolgens 30 en 100 meter. De afstand tot het agrarische bedrijf van 450 meter valt er ruim boven. Er is dus geen sprake van hinder van milieubelastende activiteiten.
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat het aspect 'bedrijven en milieuzonering' geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet (AbO) opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het AbO bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders die de Omgevingswet voor deze vormen van gebruik stelt, zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid.
De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door:
Op basis van paragraaf 5.1.4.5 uit het Besluit kwaliteit leefomgeving en artikel 22.2 uit het Besluit activiteiten leefomgeving dient in planvorming rekening gehouden te worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. Onder bepaalde omstandigheden kan het oprichten van gebouwen pas plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om die reden dient bij veel nieuwbouwactiviteiten de bodemkwaliteit door middel van onderzoek te worden vastgesteld.
Beoordeling van de plannen:
In een verkennend (asbest)bodemonderzoek de bodem onderzocht op een terrein aan de Rutgersweg 4 in Holten. Het rapport is opgenomen als Bijlage 2. Onderstaand is de samenvatting en conclusie van het rapport opgenomen.
Samenvatting en conclusie
De locatie betreft een voormalig agrarisch bedrijf.. Op de locatie is een woning met een aantal schuren en een mestzak aanwezig. Initiatiefnemer is voornemens het omgevingsplan te wijzigen, de ontsierende bebouwing te slopen en een nieuwe woning te realiseren. Naar aanleiding van de bevindingen van het historisch vooronderzoek wordt de locatie als verdacht beschouwd in het kader van de NEN5740 en de NEN5707.
Verkennend bodemonderzoek NEN5740
Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn boringen en inspectiegaten uitgevoerd ten behoeve van een bodemonderzoek conform de NEN5740 en NEN5707.
Gehele locatie
In de bovengrondmengmonsters en in de ondergrondmengmonsters zijn geen verhogingen aangetroffen boven de interventiewaarde.
In het grondwatermonster P04wm1 is een lichte verhoging barium aangetroffen. In het grondwatermonster Pb07wm1 zijn geen verhogingen aangetroffen.
Dieseltank
In het bovengrondmengmonster zijn geen verhogingen aangetroffen. In het grondwatermonster zijn geen olie-gerelateerde verhogingen aangetroffen.
Vml dieseltank
In het bovengrondmengmonster zijn geen verhogingen aangetroffen. In het grondwatermonster zijn geen olie-gerelateerde verhogingen aangetroffen.
Verkennend bodemonderzoek NEN5707 "asbest in bodem"
Tijdens de maaiveld- inspectie zijn ter plaatse van de onderzoekslocatie geen asbestverdachte materialen op het maaiveld aangetroffen.
Gehele locatie
Ter plaatse van de locatie zijn meerdere inspectiegaten gegraven, bemonsterd en geanalyseerd op de aanwezigheid van asbest.
In de mengmonsters is analytisch geen asbest aangetoond of het gewogen asbestgehalte is ruim lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek.
Druppelzone
Ter plaatse van de druppelzone zijn twee inspectiesleuven gegraven. In het mengmonster DZ1 is analytisch geen asbest aangetoond.
Resumerend
Op basis van onderhavig onderzoek wordt een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht. De waarde voor nader bodemonderzoek (index >0,5) wordt niet overschreden. De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt geacht voor het beoogde gebruik.
In de Bruidsschat (BS) is het onderdeel 'geluid' geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (zie artikel 22.57 Bruidsschat waar waarden gelden). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten:
Beoordeling van de plannen:
De Rutgersweg betreft een 60 km/u gebiedsontsluitingsweg in het buitengebied van de gemeente Rijssen-Holten. De intensiteiten in combinatie met de afstand tot de as van de weg maakt dat een overschrijding van geluidswaarden voor wegverkeerlawaai op de gevels van de woningen in het plangebied niet wordt verwacht. Het aspect wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de plannen.
Voor wat betreft industrielawaai wordt geconstateerd dat er geen geluidgezoneerde industrieterreinen in de omgeving van het plangebied aanwezig zijn. Voor railverkeer wordt op de planlocatie geen geluidsbelasting aangegeven en daarmee ligt de planlocatie ook buiten de hiervoor aangegeven geluidscontour.
Met inachtneming van het voorgaande blijft sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voor het aspect geluid.
In het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Dit volgt uit artikel 5.92 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Rekening houden met geur werkt twee kanten op:
Er moet dus overwogen worden wat de beste locatie is voor een geurveroorzakende activiteit. Of de beste locatie voor een geurgevoelig gebouw.
De geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw moet aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat beoordeeld moet worden of waarden, afstanden en gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. De gemeente heeft beleidsvrijheid om te bepalen welke mate van geurhinder aanvaardbaar is.
Bij het bepalen of geurregels in het omgevingsplan worden vastgelegd, spelen de volgende aspecten een rol:
Er moet ook rekening worden gehouden met mogelijke cumulatie van geur door meerdere activiteiten.
Beoordeling van de plannen:
Onderhavige plannen maken een ontwikkeling op het erf Rutgersweg 4 in het buitengebied van Holten mogelijk en voorzien het erf van een extra woning. De betreffende ontwikkeling beoogd daarmee om nieuwe geurgevoelige objecten te realiseren, waardoor er mogelijk belemmeringen aanwezig kunnen zijn van omliggende milieubelastende activiteiten.
De dichtsbijzijnde activiteit is een intensief agrarisch bedrijf, eveneens genoemd in 4.3. Het gaat om een rundveebedrijf. Volgens de VNG-handreiking geeft dit een score van 3 voor geur, overeenkomend met een afstand van 100 meter. Het bedrijf ligt op 450 meter afstand, dit is ruim voldoende. Er zijn dus geen belemmeringen betreft het aspect geur.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn instructieregels opgenomen voor luchtkwaliteit. Deze regels zijn gesteld ter bescherming van de gezondheid. In paragraaf 5.1.4.1 Bkl zijn omgevingswaarden voor onder andere stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) opgenomen. Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:
In artikel 5.51 lid 2 Bkl zijn aandachtsgebieden aangewezen. Dit zijn locaties met hoge concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De gemeente Rijssen-Holten is niet aangewezen als concentratiegebied.
Beoordeling van de plannen:
Het voorliggend plan voorziet in de transformatie van het erf ter plaatse, functiewijziging naar wonen en de bouw van een compensatiewoning op de locatie van de voormalige opstallen. Daarom is bekeken wat de effecten van verkeersbewegingen vanuit de ontwikkeling bijdraagt. De verwachte verkeersaantallen zijn uitgewerkt in paragraaf 4.12. Zie onderstaand de NIBM-tool voor de toename in verkeersbewegingen vanuit het plan.
Afbeelding 4.1: NIBM-tool worst-case berekening vanwege de ontwikkeling (bron: infomil.nl)
De NIBM-tool laat zien dat er geen sprake is van significante gevolgen voor de luchtkwaliteit. De gevolgen van het plan op de luchtkwaliteit is daarmee 'niet in betekende mate'.
Conclusie
Het voorliggende plan draagt niet bij aan een onevenredige verslechtering van de luchtkwaliteit.
Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Plaatsgebonden risico
Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een omgevingsplan in acht genomen. Dat geldt ook voor standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).
Groepsrisico
Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht.
Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen.
Beoordeling van de plannen:
Afbeelding 4.2: uitsnede risicokaart met afstand plangebied tot dichtstbijzijnde risicobron (bron: Atlas Leefomgeving)
Bovenstaande afbeelding toont een uitsnede van de risicokaart. Uit de kaart volgt dat zich op minstens 1,2 km van de nieuwe woningen de dichtstbijzijnde risicobron bevindt. Het gaat om een buisleiding voor gas. Het plangebied ligt echter ruim buiten de aandachtsgebieden als gevolg van deze functie. Op basis van deze informatie wordt geen belemmering vanuit deze risicobron inzake de omgevingsveiligheid gezien voor de voorliggende plannen. Voor het overige zijn ook geen risicobronnen in de nabijheid aanwezig die mogelijk beperkingen opwerpen.
Conclusie
Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit TAM-omgevingsplan.
Artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl regels met betrekking tot:
Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de oorspronkelijke watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven.
Ten slotte zijn de regels van art. 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de Bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de Bruidsschat zijn opgenomen voldoende. Met de bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften kan de gemeente voor specifieke bedrijven zo nodig aanvullende eisen stellen die passen bij de bedrijfssituatie.
Waterbeheerprogramma 2022-2027 Drents Overijsselse Delta.
Het waterschap Drents Overijsselse Delta zorgt voor het water in de omgeving. Vanuit de leidende visie ‘Meer dan water’ draagt het waterschap bij aan ruimtelijke kwaliteit en een duurzame leefomgeving.
De watervisie laat zien waar het waterschap voor wil staan en wat van het waterschap mag worden verwacht. Hierbij willen ze ambities nastreven die haalbaar en betaalbaar zijn. Het bestuur maakt bij het maken van keuzes een onderscheid tussen de wettelijke taken van het waterschap en andere maatschappelijke doelen en wensen. Het is eveneens het doel dat de watervisie doorwerkt in omgevingsvisies en ruimtelijke plannen van mede-overheden. De watervisie is tot stand gekomen met samenwerkingspartners die haar omgeving vertegenwoordigen.
De zorg voor waterveiligheid, schoon water en voldoende water vraagt structureel aandacht en is continu in beweging, deze is dan uitgewerkt in het programma Waterbeheer. Ook zijn de maatschappelijke doelen voor duurzaamheid, circulaire bedrijfsvoering, klimaatadaptatie, educatie en voorlichting uitgewerkt.
In dit Waterbeheerprogramma zet het waterschap extra stappen om klimaatrobuust te worden. Ook omdat te nemen maatregelen vaak om een lange voorbereiding vragen. Het waterschap heeft te maken met steeds meer verschillende taken. Ze blijven onverminderd doorgaan met het versterken van onze dijken om overstromingen te voorkomen. Het waterschap zorgt ervoor dat steden, het landelijk gebied en de natuur voldoende en schoon water hebben. Al worden de uitdagingen groter door klimaatverandering, energietransitie en door nieuwe stoffen die de waterkwaliteit bedreigen. Aanpassingen van de installaties die afvalwater zuiveren blijven dan ook de komende jaren nodig. Maar in de Watervisie staan veel meer onderwerpen die van belang zijn in het dagelijks werk van het waterschap. Zo bestaat de uitdaging om in 2025 energieneutraal te zijn, dat is een grote opgave. Ook is circulariteit belangrijk voor het waterschap. Het is de bedoeling om in 2030 50% minder grondstoffen te gebruiken.
Watertoetsproces
In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is op 24-02-2025 de digitale watertoets uitgevoerd, bijgevoegd in Bijlage 3. Uit het resultaat van deze watertoets is gebleken dat de korte procedure gevolgd dient te worden. Derhalve is de standaard waterparagraaf van toepassing voor dit plan. De bestemming en de grootte van het plan hebben, met inachtneming van voorgaande uitgangspunten, een geringe invloed op de waterhuishouding.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn diverse regels ter bescherming van de natuur opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van plant- en diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden.
Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).
Gebiedsbescherming
De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een omgevingsplan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:
In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten.
Stikstof
Stikstofdepositie is geregeld in artikel 22.20 van de Omgevingswet (Ow). De regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven gelden tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum. Hier vindt, vooralsnog, dus geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving. Na de -nog te bepalen- datum dient stikstof te worden gemonitord als omgevingswaarde.
Soortenbescherming
Onder de Ow zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland. Dit vorm krijgen in wet- en regelgeving, maar in fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Ow zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hiervoor actief beleid voeren. Gedacht kan worden aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming.
Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of:
In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.
Beoordeling van de plannen:
Voor de voorgenomen ontwikkeling is een Quickscan flora en fauna uitgevoerd door Natuurbank Overijssel, de volledige uitwerking is bijgevoegd als Bijlage 4.
Er zijn plannen om alle agrarische bebouwing op het adres Rutgersweg 4 in Holten te slopen en om een nieuwe woning te realiseren. Hierbij zijn er mogelijkheden voor bijbehorende bouwwerken. Op en rondom het erf wordt nieuwe beplanting gerealiseerd. Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Omgevingswet op voorhand niet uitgesloten worden. Daarom is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Omgevingswet in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven.
Het plangebied is op 7 maart 2025 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermde (natuur)gebieden, zoals Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland.
Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde gebieden:
Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan de provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het NNN (geen externe werking). Een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, kan niet op voorhand uitgesloten worden. Om te onderzoeken of uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebied, dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden voor de ontwikkelfase. Overige negatieve effecten op Natura 2000-gebied, zoals geluid, licht en optische verstoring, kunnen wél uitgesloten worden.
Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten:
De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied ongeschikt als groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels en bezetten grondgebonden zoogdieren amfibieën er een voortplantingsplaats en/of rustplaats. Het plangebied wordt door vleermuizen uitsluitend als foerageergebied benut.
Door het rooien van beplanting en het slopen van bebouwing tijdens de voortplantingsperiode van vogels wordt mogelijk een bezet vogelnest verstoord, beschadigd of vernield. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten is uitsluitend het bezetten nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het beschadigen of vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen worden, omdat de voorgenomen activiteiten niet als een in de wet genoemd belang wordt beschouwd. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren of vernielen van vogelnesten dienen daarom bij voorkeur buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridisch beschouwd wel plaatsvinden tijdens de voortplantingsperiode van vogels, mits geen bezette nesten verstoord, beschadigd of vernield worden. Indien de voorgenomen werkzaamheden uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode van vogels, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten.
Door het onvoorbereid uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan niet uitgesloten worden dat beschermde grondgebonden zoogdieren opzettelijk gedood worden en dat voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen beschadigd of vernield worden. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren, waarvan mogelijk de voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen negatief beïnvloed worden geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling 'beschadigen/vernielen van voortplantingsplaats en rustplaats'. Voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren geldt echter geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden zoogdieren opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden geen beschermde grondgebonden zoogdieren opzettelijk gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot overtreding van een verbodsbepaling. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet.
Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan niet uitgesloten worden dat beschermde amfibieën gedood worden en dat (winter)rust- of voortplantingsplaatsen beschadigd of vernield worden. Voor de beschermde amfibieën waarvan mogelijk de vaste (winter)rustplaatsen negatief beïnvloed wordt geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling 'beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaats'. Voor het doden van beschermde amfibieën geldt echter geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde amfibieën opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde amfibieën gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet.
Resultaten van toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden samengevat:
Conclusie
Er worden geen significante negatieve effecten op de NNN en Natura 2000-gebieden verwacht. Daarnaast zijn er geen negatieve effecten op beschermde soorten te verwachten. Het aspect natuurwaarden vormt geen belemmering voor het plan.
Als gevolg van de voorgenomen ontwikkelingen in het plangebied wordt stikstof (NOx) uitgestoten, zoals bij de verbranding van fossiele brandstof, welke kan neerslaan in kwetsbare natuur. Voor elk Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor alle beschermde soorten en habitatten die daar aanwezig zijn. Per soort of habitat is aangegeven of behoud van de huidige aantallen/arealen voldoende is, dan wel of uitbreiding of een verbetering nodig is. Niet alleen activiteiten binnen een Natura 2000-gebied maar ook activiteiten buiten een Natura 2000-gebied kunnen de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar brengen. Dit wordt externe werking genoemd. Gezien de mogelijke externe werking van de beoogde ontwikkeling op het nabijgelegen Natura 2000-gebied, is het van belang om te toetsen of de realisatie van de beoogde ontwikkeling conflicteert met de waarden waarvoor dit gebied is aangewezen. Hiervoor is in elk geval een toetsing aan de Omgevingswet noodzakelijk.
Veel Natura 2000-gebied is kwetsbaar voor stikstofdepositie. Een verhoogde stikstofdepositie vormt een bedreiging voor verschillende Habitattypen en de leefomgeving van verschillende Habitatsoorten. Om het effect van deze emissie te onderzoeken heeft Natuurbank Overijssel een zogeheten AERIUS-berekening uitgevoerd voor de ontwikkel- en gebruiksfase. Het rapport is bijgevoegd in Bijlage 5. In de ontwikkelfase wordt het tijdelijk karakter van de bouwfase onderzocht. In de gebruiksfase wordt onderzocht of er structurele stikstofemissies zijn op Natura 2000- gebied(en).
Resultaten ontwikkelfase
De activiteit in de ontwikkelfase leidt tot een NOx-emissie van 13,3 kg/jaar en een NH3-emissie van 0,3 kg/jaar. Het uitvoeren van de voorgenomen activiteit gedurende de ontwikkelfase, leidt tot een toename van stikstofdepositie van 0,01 mol N/ha/jaar in het Natura 2000-gebied Sallandse Heuvelrug. Het resultaat van de AERIUS-berekening is als bijlage 1 toegevoegd.
Berekende emissie NOx en NH3 gedurende de ontwikkelfase.
Op onderstaande afbeelding worden de hexagonen weergegeven die beïnvloed worden door de voorgenomen werkzaamheden.
Hexagonen waarbij toename stikstofdepositie is vastgesteld in Natura 2000-gebied Sallandse Heuvelrug.
In onderstaande figuur wordt aangegeven op welke delen van Natura 2000-gebied Sallandse Heuvelrug sprake is van toename stikstofdepositie. Dit betreft H4030 (Droge heiden). Voor dit habitattypen geldt dat de kritische depositiewaarde bereikt is.
Berekende toename stikstofdepositie per habitattype in Natura 2000-gebied Sallandse Heuvelrug.
Resultaten gebruiksfase
De activiteit in de gebruiksfase leidt tot een NOx-emissie van 0,5 kg/jaar en een NH3-emissie van 70,8 g/jaar. Het uitvoeren van de voorgenomen activiteit gedurende de gebruiksfase, leidt echter niet tot een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied. De voorgenomen activiteit leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft dan ook geen Omgevingsvergunning aangevraagd te worden. Het resultaat van de AERIUS-berekening is als bijlage 2 toegevoegd.
Berekende emissie NOx en NH3 gedurende de gebruiksfase.
Conclusie
Als gevolg van de ontwikkelfase vindt er een toename van depositie van 0,01 mol N/ha/jr plaats in één Natura 2000-gebied (Sallandse Heuvelrug). Er vindt een toename plaats in het habitattype Droge heiden (H4030) en er geldt voor dit habitattype dat de kritische depositiewaarde is bereikt. Deze toename is echter beperkt en van tijdelijke aard. Verder is er nog berekend of er een stikstofdepositie plaatsvind wanneer er emissieloze (elektrische) werktuigen ingezet worden. Ondanks de inzet van de elektrische werktuigen is er nog steeds sprake van een stikstofdepositie in het Natura 2000-gebied Sallandse Heuvelrug.
Geadviseerd wordt een ''voortoets effectstudie'' uit te voeren. Daarbij wordt het projectresultaat getoetst aan de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied Sallandse Heuvelrug. Indien uit de ''voortoets effectstudie'' blijkt dat er geen sprake is van significant negatief effect op instandhoudingsdoelen, is geen Omgevingsvergunning natura 2000- activiteit vereist.
Effectbeoordeling
Als gevolg van de stikstofberekening is er een aanvullende effectbeoordeling uitgevoerd, bijgevoegd als Bijlage 6. De conclusie hiervan is als volgt:
De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot significante gevolgen voor het nabijgelegen Natura 2000-gebied Sallandse Heuvelrug of voor andere omliggende Natura 2000-gebieden i.r.t. het aspect stikstofdepositie.
Als gevolg van het voorgenomen project is, zonder gebruik making van intern salderen, sprake van een tijdelijke, verwaarloosbare toename aan stikstofdepositie van maximaal 0,01 mol N/ha/jr op een klein deel van het totaal aan H4030 in het Natura 2000-gebied Sallandse Heuvelrug. Uit de ecologische beoordeling blijkt dat het voorgenomen project niet leidt tot een afname van de omvang of een in ecologische zin merkbare verslechtering van de kwaliteit van het habitattype H4030 in het Natura 2000-gebied Sallandse Heuvelrug. Het voorgenomen project staat er niet aan in de weg dat de uitbreidingsopgave voor het habitattype kan worden gerealiseerd. Significante gevolgen kunnen op voorhand met zekerheid worden uitgesloten, ook in combinatie met eventuele andere pro-jecten.
De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd is met de bepalingen uit artikel 5.1 van de Omgevingswet. Omdat geen gebruik wordt gemaakt van intern salderen en dus geen sprake is van mitigerende maatregelen, is het opstellen van een passende beoordeling niet aan de orde. Omdat op basis van een voortoets is vastgesteld dat significante gevolgen op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, hoeft geen Omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit te worden aangevraagd.
Kortom levert de ontwikkeling geen verdere belemmeringen betreft stikstofdepositie.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn ter bescherming van archeologische en cultuurhistorische waarden een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.
Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is vooruitlopend op de Omgevingswet opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst.
Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.
Beoordeling van de plannen:
Ter plaatse van het plangebied geldt voor een deel een hoge archeologische waarde. Archeologisch onderzoek is noodzakelijk bij bodemingrepen groter dan 2.500 m2 en dieper dan 50 cm. Het toekomstig erf waarop de compensatiewoning wordt gerealiseerd en waar ingrepen plaatsvinden is kleiner dan 2.500 m2, waardoor bodemingrepen beneden deze oppervlakte zullen blijven. Archeologisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk.
Mochten tijdens de werkzaamheden onverhoopt toch archeologische resten worden aangetroffen, of resten waarvan redelijkerwijze kan worden vermoed dat het om archeologische resten gaat, dan geldt op grond van de Erfgoedwet (art. 5.10) een meldingsplicht. Dit kan bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE).
Uit de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Overijssel kan worden afgeleid dat in de directe omgeving van de plangebieden geen cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig zijn waarop het voorliggende plan mogelijk een negatieve impact heeft.
Derhalve word geconcludeerd dat voorliggend plan, gezien het behoud van de aanwezige cultuurhistorische bebouwing, geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'cultuurhistorie'.
De regels in het omgevingsplan moeten leiden tot een evenwichtige toedeling van functie aan locaties (artikel 2.1 Omgevingswet). Bij een voorgenomen ontwikkeling moet daarom onder meer beoordeeld worden wat de effecten zijn op de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid binnen en rond het plangebied.
In het kader van ruimtelijke plannen dient verder te worden aangetoond dat het plan niet leidt tot ongewenste situaties ten aanzien van parkeren. Om de parkeerbehoefte en de verkeersgeneratie te bepalen, wordt doorgaans de CROW-publicatie ‘'Toekomstbestendig parkeren" gehanteerd. Voor deze locatie is het gemiddelde kencijfer voor ‘buitengebied’ en ‘niet stedelijk’ van toepassing.
Het voorliggend plan voorziet in de toevoeging van een woning. Als gevolg van de nieuwbouw van de woning neemt de verkeersgeneratie toe. De CROW publicatie geeft met één nieuwe vrijstaande woning een verkeersgeneratie van maximaal 8,6, afgerond 9.
Het aantal verkeersbewegingen neemt zodoende als gevolg van de plannen beperkt toe. Het bestaande wegennet is voldoende toegerust op de ontsluiting van het plangebied ten behoeve van de woningen.
Conclusie
Er blijft voor wat betreft verkeer sprake van een aanvaardbare situatie.
In voorliggend geval wordt voor wat betreft parkeren getoetst aan de eerder genoemde CROW-publicatie 'Toekomstbestendig parkeren'.
Uitgangspunten en parkeerbenodigdheden
Het plangebied ligt in een gebied met de stedelijkheidsgraad 'niet stedelijk' in een deel van de gemeente Rijssen-Holten dat behoort tot het gebiedstype 'buitengebied'. In voorliggend geval wordt in de nieuwe situatie een extra woning mogelijk gemaakt. Hiermee is sprake van een toename in parkeerbehoefte van 2,8 oftewel 3. Gelet op de omvang van de toekomstige woonerven is er ruim voldoende ruimte om op eigen erf in de parkeerbehoefte te voorzien. Overigens is er geen toename van de parkeerdruk in de omgeving, doordat er volledig op eigen erf wordt voorzien in de parkeervoorziening.
Conclusie
Het plan voorziet voldoende in de benodigde parkeervoorzieningen.
Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In deze Bruidsschat zitten onder meer regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van artikel 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen.
De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet en bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de - onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte - IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl.
Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025. Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na 1 januari 2026 worden afgemaakt met TAM-IMRO. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Klimaat geeft aan dat TAM-IMRO plannen uiterlijk voor 1 januari 2032 moeten worden omgezet naar de nieuwe Standaard officiële publicaties (STOP) met de bijbehorende Toepassingsprofielen omgevingsdocumenten (TPOD).
De Vereniging Nederlandse Gemeente (VNG) gaat uit van twee varianten van een TAM-IMRO omgevingsplan: de Basisvariant en de Crisis- en herstelwet-variant. Voorliggend TAM-IMRO omgevingsplan is opgezet volgens de Basisvariant. Deze blijft qua vorm en inhoud zo dicht mogelijk bij een bestemmingsplan. Daarbij wordt uiteraard wel aan alle eisen van de Omgevingswet en bijbehorende AMvB's voldaan.
De regels in dit TAM-IMRO omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Buitengebied Holten, Rutgersweg 4, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1742.TAMB2025006-0401. In Hoofdstuk 1 is een overzichtskaart van het werkingsgebied c.q. plangebied opgenomen.
Economische uitvoerbaarheid
In deze motivering is onderbouwd dat met het voorliggende besluit tot wijziging van het omgevingsplan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bereikt en dat de toegekende functies binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd. Gelet hierop kan, in het verlengde daarvan, aangenomen worden dat de realisatie economisch uitvoerbaar is. Op voorhand is er geen reden om aan te nemen dat de toegekende functies om financiële redenen niet binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd.
Kostenverhaal
Op grond van artikel 13.11 Omgevingswet is de gemeente verplicht tot kostenverhaal, indien sprake is van een of meerdere aangewezen bouwactiviteiten. Het gaat hier om kostenverhaalsplichtige activiteiten als genoemd in artikel 8.13 Omgevingsbesluit, (hierna: 'een aangewezen bouwactiviteit'). Dit houdt in dat de gemeenteraad kostenverhaalsregels dient vast te stellen in het omgevingsplan, tenzij middels gemeentelijke gronduitgifte en/of een anterieure overeenkomst, co-financiering, subsidies, gemeentelijk krediet, de kosten die het vanwege artikel 8.15 Omgevingsbesluit maakt, anderszins verzekerd zijn dan wel vrijstelling wordt/is verleend voor de kosten in de gevallen genoemd in artikel 8.14 Omgevingsbesluit (Ob).
Nadeelcompensatie
In artikel 8.15 Ob worden de kostensoorten in de tabellen A en B van bijlage IV aangewezen als verhaalbare kostensoorten. In onderdeel A11 staat “Nadeelcompensatie aan derden als bedoeld in hoofdstuk 15 van de wet”. Nadeelcompensatie is een regeling voor schadevergoeding voor rechtmatig overheidsoptreden. Het gaat over schade boven het normale maatschappelijke risico en het bedrijfsrisico die iemand onevenredig zwaar treft. Het kan gaan om directe of indirecte schade. Directe schade is het gevolg van inperking van bestaande rechten van de eigenaar. Indirecte schade wordt veroorzaakt door activiteiten in de omgeving. In titel 4.5 Algemene wet bestuursrecht (Awb) staan de grondslagen, inhoudelijke eisen en procedurele bepalingen over toekenning van nadeelcompensatie.
Onderhavig plan betreft een particulier initiatief. De gemeente Rijssen-Holten zal een overeenkomst over nadeelcompensatie sluiten met de initiatiefnemer, waardoor de eventuele kosten die hieruit voortkomen worden afgewenteld op initiatiefnemer. Verder worden ook leges geheven in het kader van de planvorming. Hiermee is de financiële uitvoerbaarheid gewaarborgd.
In dit hoofdstuk is de procedure van het TAM-omgevingsplan beschreven. In de eerste plaats is een toelichting gegeven van de verschillende stappen die in deze planprocedure onderscheiden kunnen worden. Vervolgens zijn de resultaten van de doorlopen participatie toegelicht.
Dit plan kent de volgende procedurestappen:
Het ontwerp TAM-omgevingsplan wordt behandeld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders. Een wijziging van het omgevingsplan ligt vervolgens gedurende zes weken ter inzage met de mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen bij de gemeenteraad.
De gemeenteraad heeft het plan vastgesteld op 10 maart 2026. Er zijn geen zienswijzen ingediend.
Nadat de raad het plan heeft vastgesteld, wordt het besluit tot vaststelling bekend gemaakt. Dit vaststellingsbesluit is bijgevoegd aan het plan. Daarna bestaat nog de mogelijkheid tot het indienen van beroep bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Provincie Overijssel
De provincie Overijssel heeft in april 2023 een uitzonderingslijst geplubliceerd van categorieën plannen en projectbesluiten waarvoor vooroverleg wel of niet noodzakelijk is. Het plan valt onder een plan op basis van de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving. Hiervoor dient de gemeente een kennisgevingsformulier te sturen aan de provincie, waarop de provincie zal reageren. Hiermee wordt voldaan aan het vooroverleg.
Waterschap Drents Overijsselse Delta
Het Waterschap Drents Overijsselse Delta is middels de Digitale Watertoets over de ontwikkeling geïnformeerd, omdat de korte procedure van toepassing is wordt gesteld dat met de ontwikkeling geen bijzondere waterschapsbelangen gemoeid zijn. Met inachtneming van de standaard uitgangspunten is verder vooroverleg daarom niet noodzakelijk geacht.
Het ontwerp van het TAM-Omgevingsplan ligt vanaf 10 december 2025 gedurende zes weken ter inzage. Tijdens deze periode kan eenieder een zienswijze indienen. Er zijn geen zienswijzen ingediend.
De initiatiefnemers hebben de buren bezocht en geïnformeerd over de plannen. Alle buren waren positief en hebben geen bezwaren kenbaar gemaakt. Het gaat om de volgende adressen:
Initiatiefnemer is blij met de reactie vanuit de participatie. Er is geen aanleiding om plannen te heroverwegen of aan te passen.