direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Varakker ongenummerd B, Opheusden
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1740.bpOPvarakkerB-vst1

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doel van het plan

Containerteelt Cor Huibers en Zn, hierna, hierna initiatiefnemer, heeft het voornemen om de bedrijfsactiviteiten met betrekking tot de containerteelt te scheiden van de boomkwekerij aan de Varakker 4 in Opheusden. Een aantal jaren terug heeft de initiatiefnemer daartoe enkele percelen aangekocht (D301, D300, D198 en een deel van D199), ten westen van de bestaande bedrijfslocatie. Het plan is nu om op deze percelen een op zich zelf staand containerteelt bedrijf te beginnen. Op de locatie zijn een nieuwe bedrijfsloods, tunnelkassen en mogelijk een nieuwe bedrijfswoning voorzien.

Het initiatief past niet in het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Kesteren' uit 2014. Een herziening van het geldend bestemmingsplan is noodzakelijk. Via voorliggend document wordt gemotiveerd waarom medewerking wordt verleend en waarom dat kan volgens de Wet ruimtelijke ordening (Wro).

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied is gelegen aan de Varakker ongenummerd, ten westen van de boomkwekerij aan de Varakker 1 in het buitengebied van Opheusden, gemeente Neder-Betuwe. De directe omgeving betreft een agrarisch gebied met bomenteelt en diverse woonpercelen aan het lint. Onderstaande afbeelding toont globaal de ligging van het plangebied in de omgeving.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpOPvarakkerB-vst1_0002.png"

Globale ligging plangebied (bron: openstreetmap.org)

1.3 Geldende plannen

Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied Kesteren' uit 2014. Het plangebied heeft de bestemming 'Agrarisch'. Ter bescherming van de watergang langs de Varakker en de ecologische waarden van de oevers van deze watergang zijn de dubbelbestemmingen 'Waterstaat - Beheerszone watergang' en 'Waarde - Ecologie' opgenomen. Vanwege de bescherming van een gasleiding die aan de zuidkant door het plangebied heenloopt, is een dubbelbestemming 'Leiding - Gas' opgenomen. Verder gelden binnen het plangebied de gebiedsaanduidingen 'geluidzone - spoor' (hele plangebied) en 'vrijwaringszone - weg' (noordkant).

In navolging van het bestemmingsplan 'Buitengebied Kesteren' gelden voor de gehele gemeente Neder-Betuwe de parapluplannen 'Parkeren' en 'Archeologie', beide uit 2018. Het meest noordelijke stukje van het plangebied ligt binnen de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2'. De overige gronden van het plangebied zijn uitgesloten van een archeologische waardeaanduiding. Het aspect parkeren komt later aan bod, onder 4.1. Navolgende afbeelding toont een uitsnede van het bestemmingsplan 'Buitengebied Kesteren'.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpOPvarakkerB-vst1_0003.png"

Uitsnede van het geldende bestemmingsplan'Buitengebied Kesteren' (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl).

Strijdigheid met het vigerende bestemmingsplan

Het plangebied heeft de enkelbestemming 'Agrarisch' zonder bouwvlak. Deze gronden zijn onder andere bestemd voor grondgebonden agrarische productie, teelt op folie, worteldoek of goten en het weiden van dieren. Door het ontbreken van een bouwvlak zijn bedrijfsgebouwen en bedrijfswoningen niet toegestaan. Het initiatief is daarmee in strijd met het vigerende bestemmingsplan.

1.4 Leeswijzer

Het bestemmingsplan bestaat uit meerdere onderdelen: een verbeelding waarop de bestemmingen in het plangebied zijn aangegeven en regels waarin de bepalingen voor de op de verbeelding vermelde bestemmingen zijn opgenomen. Het bestemmingsplan gaat vergezeld van een toelichting waarin de achtergronden van het bestemmingsplan zijn beschreven. De verbeelding vormt samen met de regels het juridische bindende deel van het bestemmingsplan. In de toelichting worden de keuzes die in het bestemmingsplan worden gemaakt nader gemotiveerd en verantwoord.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Bestaande situatie

Cor Huibers boomkwekerijen is een kwekerij met een breed assortiment sier-, vorm-, fruit- en meerstammige bomen. De kwekerij past verschillende vormen van teelt toe, waaronder containerteelt. De containerteelt wordt nu nog, net als de rest van het bedrijf, uitgeoefend aan de Varakker 4 en het daar tegenover gelegen perceel D199. De containerteelt heeft een dusdanig sterke groei doorgemaakt de laatste jaren dat uitbreiding gewenst is. De initiatiefnemer heeft daarom het voornemen om de containerteelt fysiek te scheiden van de overige bedrijfsvoering en elders aan de Varakker, binnen het plangebied, een nieuw containerteeltbedrijf te starten. Het betreft de percelen 'Gemeente Opheusden, sectie D, nummer 148' en 'Gemeente Opheusden, sectie D, nummer 198'. De locatie heeft een totaal oppervlak van circa 1 ha en biedt daarmee voldoende ruimte voor de gewenste bedrijfsmogelijkheden. Het plan komt inhoudelijk verder aan bod in navolgende paragraaf 2.2.

Het gebied ten noorden van de A15 tussen Opheusden en Kesteren is door de gemeente Neder-Betuwe in haar structuurvise aangewezen als een gebied waar de laanboomteelt zich mag ontwikkelen (zie ook paragraaf 3.3.1). Het plangebied aan de Varakker ligt in dit gebied en is nu nog in gebruik als landbouwgrond. Bebouwing is er niet aanwezig. Rondom de perceelsgrenzen liggen de voor dit gebied kenmerkende sloten. Ten zuiden van de locatie liggen achtereenvolgend de Betuwelijn en de snelweg A15. Aan de noordkant ligt de Varakker. Aan deze weg liggen, net als in de rest van het westelijk buitengebied van Opheusden, voornamelijk boomkwekerijen. Navolgende afbeelding toont een luchtfoto van het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpOPvarakkerB-vst1_0004.png"

Luchtfoto van het plangebied (bron foto: omgevingsvisie Gelderland).

2.2 Toekomstige situatie

2.2.1 Programma en ruimtelijke ontwikkeling

Het plan is om een containerteeltbedrijf te beginnen binnen het plangebied. Daarvoor zijn onder andere een bedrijfsloods en tunnelkassen voorzien. Ook maakt voorliggend bestemmingsplan de realisatie van één bedrijfswoning mogelijk op het perceel. Ten behoeve van de toekomstige inrichting van het plangebied is een schetsontwerp/beplantingsplan gemaakt. Navolgende afbeelding toont hier een uitsnede van.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpOPvarakkerB-vst1_0005.png"

Uitsnede van het schetsontwerp van de toekomstige inrichting van het plangebied (bron: SRO)

De toekomstige bebouwing is geclusterd vooraan op het perceel. De bedrijfsloods krijgt een oppervlak van circa 500 m². De loods zal voornamelijk worden gebruikt voor het oppotten van bomen die vanuit de volle grond in de specifiek daarvoor bedoelde boomcontainers worden geplaatst, waarna de bomen verkoopklaar aan klanten kunnen worden verkocht. Verdere verzending van bomen en de logistieke activiteiten vinden op de bestaande locatie plaats. De bijbehorende vervoersbewegingen zullen nagenoeg allemaal via de bestaande dam plaatsvinden om de tijd op de openbare weg zo kort mogelijk te maken. Direct achter de loods zijn tunnelkassen voorzien. Deze tunnelkassen zorgen ervoor dat zeker de vorstgevoelige boomsoorten kunnen overwinteren. Achter op het perceel is ruimte voor teeltvelden in de buitenlucht. Om voldoende afstand te creëren tussen de bedrijfswoning en de snelweg A15 en de Betuwelijn, is deze vooraan op het perceel voorzien.

Voorliggend project biedt de initiatiefnemer de ruimte om de gewenste groei van het bedrijf te kunnen realiseren. Ruimtelijk gezien zorgt de bedrijfsverplaatsing ook voor een positief effect. In de bestaande situatie zijn er, zeker in de winter, veel verkeersbewegingen nodig tussen het bedrijf aan de Varakker 4 en de teeltgronden aan de andere kant van het bestaande bedrijf. Door de clustering van de bedrijfsfuncties op één locatie komen deze verkeersbewegingen te vervallen.

2.2.2 Beplantingsplan

De toekomstige bedrijfslocatie wordt landschappelijk ingepast door de aanleg van verschillende landschapselementen. Het beplantingsplan is te raadplegen in bijlage 1 van de regels. Het aanleggen van de landschapselementen is als een voorwaardelijke verplichting opgenomen.

In het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) Neder-Betuwe wordt inzichtelijk gemaakt hoe de gemeente de ontwikkeling van het landschap voor de komende 10 jaar wil begeleiden. Rekening houdend met de ontwikkeling van de verschillende functies in het landelijke gebied wordt beschreven hoe de landschappelijke waarden behouden en versterkt kunnen worden, onder andere door een samenhangende benadering van verschillende aspecten waaronder laanboomteelt en het landschap. Daarnaast gaat de visie in op de mogelijkheden om het landschap te beleven.

Uitgangspunt van het beplantingsplan is het creëren van een terreininrichting die passend is voor dit gebied. Parallel aan de westelijke perceelsgrens komt een groenzone. Vooraan deze zone komt een bomenrij van de soort 'es', waarna de zone overgaat in een extensief beheerd grasland afgewisseld met knotwilgen. In de tuin van de toekomstige bedrijfswoning is ruimte voor een solitaire boom. Te denken valt aan een treurwilg, linde of walnoot. Verder bakent een haag (beukenhaag, liguster of veldesdoorn) de bedrijfswoning af van de rest van de bedrijfslocatie. Het verbreden van de bestaande sloot aan de oostzijde van het perceel draagt bij aan de waterberging van het gebied. De verbreding biedt kansen voor de aanleg van een ecologische oever.

De samenhangende benadering van de laanboomteelt en het landschap uit het Landschapsontwikkelingsplan wordt zichtbaar in het zuidelijke deel van het plan. Daar is gekozen om de landschapsstructuur die gevormd wordt door de Linge ruimtelijk extra te accentueren. Gescheiden door een 15 meter brede strook extensief beheerd grasland volgen de kwekerij velden de contouren van de Linge. Deze strook geeft tegelijkertijd fysiek ruimte aan de Linge waardoor in de toekomst landschappelijke versterkingen uitgevoerd kunnen worden. Door de zuidgrens van de kwekerij niet parellel te laten lopen met de Varakker maar de contouren van de Linge te laten volgen wordt de verbinding van de kwekerij met de Linge en het landschappelijke karakter versterkt.

2.2.3 Ontsluiting en parkeren

De toekomstige bedrijfswoning en het containerbedrijf zullen door een gezamenlijke inrit worden ontsloten op de Varakker. Binnen eigen terrein is voldoende ruimte aanwezig voor het parkeren van voertuigen. Meer over het aspect verkeer volgt in paragraaf 4.1.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Nationaal beleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Gebiedsgericht

De SVIR benoemt een aantal aspecten van nationaal ruimtelijk belang. Het betreft de bescherming van de waterveiligheid aan de kust en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, de uitoefening van defensietaken, het Natuurnetwerk Nederland (voorheen de ecologische hoofdstructuur), de elektriciteitsvoorziening, de toekomstige uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet en de veiligheid rond rijksvaarwegen. Voorts betreft het enkele specifieke gebieden zoals de mainportontwikkeling van Rotterdam en Schiphol.

In het Barro heeft het Rijk voor deze onderwerpen regels opgesteld waarmee de SVIR juridisch verankerd is richting lagere overheden. Via het Besluit ruimtelijke ordening en het Besluit omgevingsrecht zijn deze regels aanvullend vastgelegd.

In de SVIR worden, naast de onderwerpen van nationaal belang, accenten geplaatst op het gebied van bestuurlijke verantwoordelijkheden. Het beleid betekent een decentralisatie van rijkstaken en bevoegdheden. Het Rijk gaat zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten zitten en biedt lagere overheden, burgers en bedrijven, zolang het nationaal belang niet in het geding is, de ruimte om oplossingen te creëren.


Ladder duurzame verstedelijking

Een meer algemeen onderwerp uit de SVIR is 'duurzame verstedelijking'. Via de 'ladder voor duurzame verstedelijking' wordt een zorgvuldige afweging en besluitvorming geborgd bij ruimtelijke vraagstukken in stedelijk gebied. Het gebruik van deze ladder is opgenomen in het Bro (artikel 3.1.6 onder 2).

De ladder richt zich op nieuwe stedelijke ontwikkelingen. In de toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, dient de behoefte aan die ontwikkeling te worden beschreven. Als de ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied plaatsvindt, moet bovendien gemotiveerd worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Het Bro beschrijft wat een stedelijke ontwikkeling is: "een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen." Onder 'bestaand stedelijk gebied' wordt het volgende verstaan: "bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur."


Per 01 juli 2017 is de ladder voor duurzame verstedelijking herzien. Bij de herziening zijn onder meer de drie afzonderlijke 'treden' van de ladder losgelaten en is het begrip 'acute regionale behoefte' gewijzigd in 'behoefte'. Nieuw is dat de laddertoets bij flexibele plannen kan worden doorgeschoven naar het moment van vaststelling van een wijzigings- of uitwerkingsplan.

3.1.2 Conclusie

Gebiedsgericht

Het plangebied ligt niet in een van de aangewezen gebieden van de SVIR en het Barro.

Ladder duurzame verstedelijking

In voorliggend plan wordt een bestaande boomkwekerij verplaats aan de Varakker verplaatst naar een locatie elders aan deze zelfde weg. Het perceel waar het containerteeltbedrijf zal worden gevestigd heeft reeds een agrarische functie. Het plan voorziet in een nieuwe loods en een bedrijfswoning. Dit valt echter niet onder een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef i, van het Bro. Een verdere toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is daarom niet noodzakelijk.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Algemeen beleid

Op 19 december 2018 zijn de geactualiseerde Omgevingsvisie- en Omgevingsverordening Gelderland in werking getreden. De Omgevingsverordening is een uitwerking van de Omgevingsvisie en stelt regels waaraan bestemmingsplannen moeten voldoen.

3.2.2 Omgevingsvisie Gaaf Gelderland

De provincie wil de focus leggen op een duurzaam, verbonden en een economisch krachtig Gelderland. Door daarin te investeren wil de provincie werken aan een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal. Om dat te bereiken wordt de focus gelegd op zeven ambities op het gebied van energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, vestigingsklimaat en woon- en leefomgeving. Deze ambities worden hieronder kort samengevat:

  • Een versnelde energietransitie, gericht op forse vergroting van het aandeel duurzame energie en passend bij de Gelderse kwaliteiten;
  • Een op de toekomst toegerust beschermend klimaatbeleid;
  • Een voortvarend en innovatief circulair beleid;
  • Een stimulerend en beschermend beleid voor biodiversiteit;
  • Efficiënte, duurzame en innovatieve bereikbaarheid, toegesneden op de veranderende vraag;
  • Een duurzaam, dynamisch en toegankelijk economisch vestigingsklimaat, waar voor ondernemers en inwoners een sterke aantrekkingskracht vanuit gaat;
  • Een duurzaam en divers woon- en leefklimaat, dat steeds weet te anticiperen op ontwikkelingen.


Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik

De provincie en partners gaan nieuwe ontwikkelingen bezien in samenhang met de bestaande voorraad. Als leidend principe wordt de Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik gehanteerd. De juridische basis hiervoor is de ladder voor duurzame verstedelijking die het Rijk heeft vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).

3.2.3 Omgevingsverordening

De Omgevingsverordening vormt de juridische doorwerking in regels van het beleid uit de Omgevingsvisie. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening.

3.2.4 Conclusie

De provinciale Omgevingsvisie en Omgevingsverordening stellen geen specifieke eisen aan voorliggende locatie. De Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik is niet aan de orde, omdat er geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Geconcludeerd wordt dat het initiatief uitvoerbaar is vanuit het provinciale beleid.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie Neder-Betuwe 2018

Op 5 maart 2018 heeft de gemeenteraad van Neder-Betuwe de Structuurvisie Neder-Betuwe 2018 vastgesteld. Doel van deze structuurvisie is het bieden van een actueel en integraal ruimtelijk kader, dat voor de langere termijn als toetsingskader op hoofdlijnen dient voor alle ruimtelijke ontwikkelingen.

Planspecifiek

Navolgende afbeelding toont een uitsnede van de structuurvisiekaart ter plaatse van het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpOPvarakkerB-vst1_0006.png"

Uitsnede uit de Structuurvisiekaart Neder-Betuwe 2018, plangebied rood omlijnd (bron: gemeente Neder-Betuwe)

Het plangebied ligt binnen het 'dynamisch middengebied' en 'ontwikkeling laanboomteelt'. Voorliggend initiatief maakt de oprichting van een nieuw laanboomteelt bedrijf (waar ook de containerteelt onder valt)

mogelijk op een plek die in de bestaande situatie in gebruik is als landbouwgrond. De toekomstige functie past daarmee goed binnen de gebiedsidentiteit en sluit aan op de structuurvisie.

Het initiatief past binnen de Structuurvisie Neder-Betuwe 2018.

3.3.2 Landschapsontwikkelingsplan Neder-Betuwe (2009)

In het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) Neder-Betuwe wordt inzichtelijk gemaakt hoe de gemeente de ontwikkeling van het landschap voor de komende 10 jaar wil begeleiden. Rekening houdend met de ontwikkeling van de verschillende functies in het landelijke gebied wordt beschreven hoe de landschappelijke waarden behouden en versterkt kunnen worden. Daarnaast gaat de visie in op de mogelijkheden om het landschap te beleven.


Planspecifiek

Navolgende afbeelding toont een uitsnede van de visiekaart ter plaatse van de omgeving van het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpOPvarakkerB-vst1_0007.png"

Uitsnede uit het Landschapsontwikkelingsplan, plangebied rood omlijnd (bron: gemeente Neder-Betuwe)


Het plangebied ligt binnen het dynamisch middengebied waar grootschaligheid van het landschap behouden dient te blijven waar boomteelt zich kan ontwikkelen. Met name bij de inpassing van nieuwe ontwikkelingen is het creëren en behouden van lange doorgaande lijnen van belang. De ontwikkeling van een boomteeltbedrijf waarin de bebouwing zicht voegt naar de verkavelingsrichting, past binnen deze landschappelijke visie. De voorgenomen ontwikkeling heeft geen gevolgen voor het grondgebruik langs de Linge.

Het initiatief past binnen het Landschapsontwikkelingsplan.

3.3.3 Intergemeentelijke Strategische Visie Laanboomcentrum Betuwe

In juli 2015 is door de Gemeenten Neder-Betuwe, Overbetuwe en Buren een intergemeentelijke strategische visie voor de laanboomteelt in de Betuwe opgesteld. Het integrale karakter van de visie wordt primair gezocht in een samenhangende benadering van de aspecten laanboomteelt, infrastructuur, landschap, natuur, recreatie, cultuurhistorie, wonen en werken. De visie dient als input voor de structuurvisie van de deelnemende gemeenten en voor activiteiten gericht op de versterking van de laanboomteelt.

De visie doet een uitspraak over waar de sector op ruimtelijke aspecten gefaciliteerd dient te worden en op welke wijze. Daarnaast gaat de visie in op hoe de sector een bijdrage kan leveren aan landschappelijke, ruimtelijke en milieukwaliteiten.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpOPvarakkerB-vst1_0008.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpOPvarakkerB-vst1_0009.png"

De laanboomteeltsector is een belangrijk fundament voor de economie van het gebied en heeft een intensieve samenwerking op regionaal en landelijk niveau. Het Laanboomcentrum Betuwe is een groen, gezond en gerespecteerd cluster. Hierbij heeft het Laanboomcentrum Betuwe een sterke internationale marktpositie en een ketenregiefunctie in de laanboomteelt gekregen. Het gebied herbergt diverse gecertificeerde laanboomteeltbedrijven van de toekomst aangevuld met ondersteunende bedrijven, waardoor een optimalisatie van de hele keten van bedrijven plaatsvindt. Tevens heeft het Laanboomcentrum Betuwe een toonaangevende positie in kennis, innovatie en hoogwaardige arbeid.

De gemeente wil dat de sector zich verder kan ontplooien en geeft boomkwekerijen de ruimte te groeien en zich verder te ontwikkelen met ruimte voor innovatie. Dit betekent dat het gehele buitengebied, met uitzondering van de uiterwaarden en het weidevogel- en ganzengebied, kan worden ingezet om groei van deze sector mogelijk te maken en heeft het de prioriteit ten opzichte van andere functies, zoals recreatie en toerisme en wonen. Als vanzelfsprekend zal rekening moeten worden gehouden met landschappelijke inpassing van de laanboomteeltbedrijven en de groene dooradering met boomteeltproducten. Indien dit vanuit de kwaliteiten van het landschap nodig en mogelijk is, zullen randvoorwaarden worden gesteld aan de inpassing van nieuwe agrarische bouwpercelen, niet grondgebonden teelten (containerteelt) en teeltondersteunende voorzieningen. De randvoorwaarden zijn afhankelijk van de aard en de locatie van de voorzieningen.

In de gemeente Neder-Betuwe is gekozen het accent voor het behoud van de openheid te leggen op het door de provincie aangewezen weidevogelgebied, het Eldikse en Dodewaardse Veld. Het weidevogelgebied in het Eldikse en Dodewaardse Veld vormt het hart van het komgebied langs de A15 in contrast met de beslotenheid en kleinschaligheid van de oeverwal bij Ochten en Eldik in het zuiden en de oeverwal van Kesteren - Opheusden in het noorden. Uitbreiding van laanboomteelt, hoog opgaande beplanting of de realisatie van nieuwe erven met bebouwing is vanuit een landschappelijke visie hier niet wenselijk.

Planspecifiek

Het plangebied is gelegen binnen het boomteeltconcentratiegebied. Dit is het gebied waar de laanboomteeltsector de ruimte krijgt. Realisatie van een nieuw bouwperceel past hiermee binnen de ambitie van de structuurvisie. Het plangebied is niet gelegen binnen weidevogelgebied. Uitbreiding van boomteelt op de planlocatie is vanuit landschappelijk en ecologisch oogpunt passend binnen de structuurvisie.

Het initiatief past binnen de Intergemeentelijke Strategische Visie Laanboomcentrum Betuwe.

3.3.4 Beleidsnotitie "Criteria nieuwe agrarische bouwpercelen"

Voor het toestaan van nieuwe agrarische bedrijven met bedrijfsbebouwing heeft de gemeente Neder-Betuwe

de beleidsnotitie 'Criteria nieuwe agrarische bouwpercelen' (2008) opgesteld. In deze beleidsnotitie worden de criteria geconcretiseerd voor de aanwijzing van een nieuw agrarisch bouwperceel op een locatie waar geen bouwvlak aanwezig is. Deze criteria gelden zowel voor een bouwperceel voor een nieuw agrarisch bedrijf, als voor een te verplaatsen bestaand agrarisch bedrijf. De aanwijzing van een agrarisch bouwperceel is alleen mogelijk voor een in hoofdzaak grondgebonden bedrijf, met uitzondering van containerteelt. Er worden geen bouwpercelen in het komgebied aangewezen. Belangrijke voorwaarden zijn dat het moet gaan om volwaardig agrarisch bedrijf dat reeds drie jaar bestaat en dat aantoonbaar geen geschikte hergebruikslocaties aanwezig zijn.

Deze criteria zijn de volgende:

Beschikbaarheid hergebruikslocatie

Criterium a: Er is aantoonbaar geen hergebruikslocatie voorhanden binnen het zoekgebied. Het zoekgebied wordt gedefinieerd als de zone binnen 1 kilometer van alle in eigendom zijnde, en voor de vestiging geschikte, percelen van de aanvrager. Met "geschikt" wordt bedoeld dat de omvang minimaal 1,5 ha dient te bedragen. Het aantoonbaar betekent dat het op de weg van aanvrager ligt om e.e.a. te onderbouwen, maar in elk geval dient de aanvrager minimaal 1 jaar actief te hebben gezocht naar een bestaande locatie (bijv. via inschrijvingen bij makelaars). Een hergebruikslocatie met uitsluitend een woning en/of totaal ongeschikte bebouwing danwel te weinig grond voor de benodigde bebouwing en/of in al deze gevallen met een aankoopprijs boven de € 400.000; wordt op voorhand beschouwd als ongeschikt.


De initiatiefnemer heeft de afgelopen jaren gezocht naar geschikte locaties in de omgeving van zijn teeltgronden om daarop de bedrijfslocatie te kunnen ontwikkelen. Gezocht is naar locaties op een afstand van maximaal 1 kilometer van de percelen waar de teelt plaatsvindt. De zoektocht is in een rapportage verslagen, deze rapportage is als bijlage 1 toegevoegd aan de toelichting. De conclusie is dat er geen geschikte hergebruikslocatie is gevonden.


Volwaardig bedrijf

Criterium b: Het dient een volwaardig bedrijf te betreffen dat ook reeds minimaal drie jaar als volwaardig bedrijf operationeel is, hetgeen middels accountantsverklaringen hard kan worden gemaakt. De advisering over de volwaardigheid wordt in handen gesteld van de provincie of een andere onafhankelijke agrarische instantie.


De onafhankelijke Stichting Advisering Agrarische Bouwplannen zal beoordelen of er minimaal drie jaar sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf. Op basis van de aangeleverde gegevens heeft de Stichting Advisering Agrarische Bouwplannen geoordeeld dat de opbrengsten uit het bedrijf renderend zijn en in een volwaardig inkomen voorzien.

Geen vestiging in agrarisch komgebied

Criterium: c. Situering in een agrarisch komgebied is niet toegestaan. Er wordt gestreefd naar een locatie in de bestemming "agrarisch gebied", dat wil zeggen de gebieden zonder specifieke landschappelijke en/of natuurlijke waarden. In het agrarisch oeverwalgebied zijn er evenwel mogelijkheden indien dit niet leidt tot aantasting van de aanwezige landschappelijke, cultuurhistorische en/of natuurlijke waarden.


Vigerend bestemmingsplan

De locatie van het gewenste agrarische bouwvlak binnen het plangebied behoort tot het bestemmingsplan Buitengebied Kesteren. De vigerende bestemming is 'Agrarisch'. Op gronden met deze bestemming zijn landschappelijke waarden niet of zeer beperkt aanwezig. Ook zijn er op de locatie geen cultuurhistorische elementen aanwezig. Het bebouwen van het plangebied en het realiseren van een containerteeltbedrijf past in zijn geheel binnen de landschappelijke context. Voor de inrichting van het plangebied is een beplantingsplan opgesteld (bijlage 1 van de regels). Uitgangspunt van het beplantingsplan is het creëren van een terreininrichting die passend is voor dit gebied, met onder andere een groenzone parallel aan de westelijke perceelsgrens, een bomenrij van de soort 'es' en enkele solitaire bomen binnen het plangebied. Ook wordt in het plan rekening gehouden met de instandhouding van een landschappelijke zone van extensief beheerd grasland parallel aan de Linge, die aan de zuidkant van het plangebied stroomt. Middels een Quickscan flora en fauna is in paragraaf 4.10 nader gemotiveerd dat voorliggend plan niet leidt tot aantasting van aanwezige natuurwaarden. Daarmee wordt aan dit criterium voldaan.


Landschapsontwikkelingsplan

Volgens het Landschapsontwikkelingsplan ligt de locatie van het gewenste bouwvlak in het Dynamisch Middengebied. Het beleid is erop gericht de grootschaligheid van het landschap te behouden. Met name bij de inpassing van nieuwe ontwikkelingen is het creëren en behouden van lange doorgaande lijnen van belang. De ontwikkeling van een boomteeltbedrijf waarin de bebouwing zicht voegt naar de verkavelingsrichting, past binnen deze landschappelijke visie. Zoals reeds in voorgaande alinea gemotiveerd voorziet voorliggend plan in een landschappelijke zone van extensief beheerd grasland langs de Linge waarbinnen agrarische bedrijfsactiviteiten niet worden toegestaan. Daarmee wordt aan dit criterium voldaan.


Overwegend grondgebonden bedrijf

Criterium d: Het dient een overwegend grondgebonden bedrijf te betreffen (geen intensieve veehouderijen). Een uitzondering hierop wordt gevormd door containerteelt, welke formeel gezien niet grondgebonden is, maar wel als een onlosmakelijk onderdeel van de boomteeltsector wordt beschouwd. Een agrarisch bouwperceel wordt alleen toegekend indien het bedrijf zich overwegend richt op teelt/productie. Een overwegend handelsbedrijf (zowel in dieren als in planten) wordt niet beschouwd als een agrarisch bedrijf. Ondergeschikte handelsactiviteiten passen uiteraard wel binnen een agrarische bestemming.

Het bedrijf, waarvoor een agrarisch bouwperceel is gewenst, teelt bomen. Het is daarom een bedrijf dat gekenmerkt wordt door een volledig grondgebonden bedrijfsvoering.


Bouwperceel van maximaal 1 ha

Criterium e: De oppervlakte van het nieuwe bouwperceel wordt afgestemd op de benodigde bebouwing (concreet bouwplan) met een max. oppervlakte van 1 ha, via wijziging onder de gebruikelijke voorwaarden te vergroten tot 1,5 ha.

Het gewenste bouwperceel aan de Varakker beslaat een oppervlakte van 4500 m². Deze oppervlakte voldoet aan het gestelde criterium van maximaal 1 ha.


Bedrijfswoning

Criterium f: Indien een bedrijfswoning, met name voor gezinsbedrijven (niet voor het personeel), aantoonbaar noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering (op advies van een onafhankelijk agrarische adviesinstantie), kan deze worden meegenomen in de bestemmingsplanherziening.

Op basis van de aangeleverde gegevens zal Stichting Advisering Agrarische Bouwplannen in het vervolg van de planontwikkeling advies uitbrengen over de noodzaak van een bedrijfswoning.


Gesitueerd aan verharde openbare weg

Criterium g: Een agrarisch bouwperceel wordt uitsluitend gesitueerd aan een verharde openbare weg en is bij voorkeur goed ontsloten.

Het gewenste bouwperceel wordt ontsloten op de Varakker. Dit is een verharde openbare weg die van diverse richtingen bereikbaar is. Aan de weg zijn meerdere boomteelt bedrijven gelegen. Om deze locatie vanuit de doorgaande wegen te bereiken is het niet noodzakelijk het landelijke gebied over grote afstanden te doorkruizen.


Conclusie

Op basis van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat aan alle criteria uit de beleidsnotitie "Criteria

nieuwe agrarische bouwpercelen" wordt voldaan.

3.4 Conclusie beleid

Het bestemmingsplan is passend binnen de beleidskaders van het Rijk, de provincie Gelderland en de gemeente Neder-Betuwe.

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

4.1 Verkeer & parkeren

4.1.1 Verkeer
4.1.1.1 Regelgeving

De gemeenteraad stelde op 8 maart 2018 het Neder-Betuws Verkeer- en Vervoerplan (NBVVP) vast. Dit geeft de visie tot 2025 weer hoe de gemeente Neder-Betuwe nu en in de toekomst om gaat met vraagstukken op het gebied van verkeer en vervoer dan wel de mobiliteit. Het plan bestaat uit twee onderdelen:

  • Beleidsrapportage met daarin de visie van de gemeente tot 2025. Belangrijk onderdeel hierin is ook het Uitvoeringsprogramma, waarin staat welke projecten de gemeente de komende jaren wil uitvoeren en voor welke projecten geld beschikbaar is.
  • Achtergrondrapportage met daarin achtergrondinformatie bij de beleidsrapportage. In de achtergrondrapportage zijn de resultaten van de inventarisatie en (knelpunt)analyse opgenomen.

4.1.1.2 Doorvertaling bestemmingsplan

Door voorliggend plan verplaatsen de bedrijfsactiviteiten van het bedrijf aan de Varakker 4 naar het plangebied. Op de nieuwe locatie worden de bomen geteeld, opgepot en verkoop klaar gemaakt. De verzending van bomen en de logistieke activiteiten vinden op de bestaande locatie plaats. Voor de bijbehorende vervoersbewegingen betekent dat concreet dat in het seizoen (oktober – mei) gemiddeld 5 vrachtwagens per week, buiten het seizoen zal dit 1-2 vrachtwagens op de locatie aankomen. Hiermee wordt voornamelijk potgrond en pootgoed aangeleverd. Laden en Lossen vindt gedurende de dagperiode 7:00 tot 19:00 plaats via een laad-los dock rechtstreeks in de schuur plaats, zodat hinder door laden en lossen beperkt blijft. Deze vervoersbewegingen zullen nagenoeg allemaal via de bestaande dam plaatsvinden om de tijd op de openbare weg zo kort mogelijk te maken.

Per saldo treed er geen noemenswaardige verandering op ten aanzien van de bijbehorende verkeersbewegingen van klanten en bezoekers. Omdat alle activiteiten nu op één locatie worden gevestigd verdwijnen de 'interne' verkeersbewegingen van personeel tussen de bestaande bedrijfslocatie en de teeltgronden (personeel rijdt nu 15 tot 20 keer per dag heen en weer tussen de Varakker 4 en de teeltgronden aan de andere kant van de Varakker (afstand van circa 1 km). Daar staat tegenover dat in de toekomstige situatie klanten en bezoekers vanaf de Parallelweg verder door moeten rijden over de Varakker. Het gaat echter over een afstand die maar zeer beperkt wordt vergroot (ca. 250 m). Gesteld kan worden dat per saldo daarom geen sprake is van een noemenswaardige veranderingen ten aanzien van de verkeersbewegingen en verkeerssituatie behorende bij het containerteeltbedrijf.

 

Het initiatief heeft geen noemenswaardig effect op de verkeerssituatie ter plaatse.

4.1.2 Parkeren
4.1.2.1 Regelgeving

De Nota Parkeernormen Neder-Betuwe (11 mei 2017) is van toepassing op nieuwe ontwikkelingen in de gemeente Neder-Betuwe. Hierin worden onder andere parkeernormen gesteld op basis van de toe te voegen functies.

4.1.2.2 Doorvertaling bestemmingsplan

Op basis van de Nota Parkeernormen Neder-Betuwe (2017), geldt een parkeernorm van 1.3 parkeerplaatsen per 100 m² BVO. Uit is gegaan van een arbeidsextensief / bezoekers extensief bedrijf, dit is reeds afgestemd met de gemeente. De toekomstige bedrijfsloods krijgt een omvang van 500 m². De som voor het aantal benodigde parkeerplaatsen die hier uit volgt betreft 1.3 * 5 = 6,5, afgerond 7 benodigde parkeerplaatsen. Op het beplantingsplan (bijlage 1 van de regels) is weergegeven dat binnen eigen terrein voldoende ruimte aanwezig is voor de aanleg van 7 parkeerplaatsen. Ook voor de 3 benodigde parkeerplaatsen voor de bedrijfswoning is op eigen terrein voldoende ruimte aanwezig.

4.1.3 Conclusie

De uitvoerbaarheid van het initiatief voor verkeer is hiermee aangetoond.

4.2 Bodem

4.2.1 Regelgeving

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in verband met de uitvoerbaarheid van een project rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). De Wet bodembescherming heeft betrekking op landbodems; waterbodems vallen onder de Waterwet. Op grond van de Woningwet en de Bouwverordening dient voor elke individuele bouwlocatie aangetoond te worden dat de bodem geschikt is voor de beoogde bebouwing, alvorens een omgevingsvergunning verleend kan worden.

Bij het opstellen van een bestemmingsplan is de vraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Het uitgangspunt hierbij is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem en dat de bodemkwaliteit niet verslechtert door grondverzet. Dit is het zogenaamde stand still-beginsel. Het vaststellen van de bodemkwaliteit wordt bij het opstellen/wijzigen van een bestemmingsplan dan ook alleen van belang geacht voor de locaties waar ontwikkelingen gepland zijn (zoals functiewijzigingen, bouwen, graven/ophogen).

4.2.2 Doorvertaling bestemmingsplan

In 2016 is er ter plaatse van het plangebied een verkennend bodemonderzoek naar de kwaliteit van de toplaag van de bodem volgens de NEN 5740 strategie uitgevoerd. Het rapport is te raadplegen in bijlage 2. Uit het onderzoek blijkt dat de toplaag als schoon wordt gekwalificeerd. De toplaag voldoet aan de bodemkwaliteitsklasse achtergrondwaarde waarmee de bodemkwaliteit van de toplaag in lijn ligt met het beoogde gebruik van het plangebied. Gezien de goede kwaliteit van de toplaag en het ongestoorde, niet geroerde, bodemprofiel bij de overgang naar de onderlaag op 0,5 m-mv, luidt het vervolg van de conclusie dat mag worden aangenomen dat ook de onderlaag zijn natuurlijke achtergrondwaarde kwaliteit zal bezitten. Om deze laatste conclusie kracht bij te zetten is op een later moment, in 2020, een historisch bodemonderzoek volgens de NEN 5725 strategie uitgevoerd, zie bijlage 3. Daarin is de conclusie opgenomen dat de onderzoeklocatie volledig onverdacht is. Dit geldt voor zowel de toplaag als de onderlaag. De conclusie luidt dat in verband met de aangetroffen schone toplaag, zie de voorgaande conclusie, dat ook de onderlaag en het grondwater onverdacht en dus niet verontreinigd zullen zijn.

Opgemerkt dient te worden dat er na het onderzoek naar de toplaag van de bodem uit 2016 geen activiteiten en bouw- en of/sloopwerkzaamheden binnen het plangebied hebben plaatsgevonden die de milieuhygiënische kwaliteit van de toplaag aan hebben kunnen tasten. De conclusies zijn daardoor nog representatief. Geconcludeerd wordt dat de kwaliteit van de bodem in lijn ligt met het beoogde gebruik. Nader bodemonderzoek is niet aan de orde.

4.2.3 Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'bodem' geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling.

4.3 Geluid

4.3.1 Regelgeving

Belangrijke basis voor de ruimtelijke afweging van het aspect geluid is de Wet geluidhinder (Wgh). Overeenkomstig de Wgh zijn (spoor-)wegen en industrieterreinen waar zich grote lawaaimakers kunnen vestigen voorzien van zones. Het gebied binnen deze zones geldt als akoestisch aandachtsgebied waar een toetsing uitgevoerd dient te worden. Daarbij beperkt de Wgh zich tot een toetsing ter plaatse van zogenaamde geluidsgevoelige objecten. Dit zijn onder andere woningen, onderwijsgebouwen, gezondheidszorggebouwen, kinderdagverblijven, woonwagenstandplaatsen en ligplaatsen voor woonboten.

Voor de geluidsgevoelige gebouwen en terreinen die binnen bepaalde afstanden (zones) van de verschillende geluidsbronnen liggen, schrijft de Wgh voor dat een aangewezen bevoegd gezag (meestal Burgemeester en Wethouders) (maatwerk)grenswaarden bepaalt. De terminologie die de wet hiervoor hanteert is: ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting. De getalsmatige invulling van deze grenswaarden voor nieuwe of bestaande geluidgevoelige bestemmingen verschillen per locatie en per geluidssoort. Naast grenswaarden op de gevels van de geluidsgevoelige gebouwen, zijn er in de Wgh ook grenswaarden gericht op de bescherming van het akoestische klimaat binnen de bestaande gebouwen.

De grenswaarden moeten bij de aanleg, dan wel wijzigingen van een (spoor)weg of industrieterrein in acht worden genomen. Dit geldt ook bij vaststelling of herziening van een bestemmingsplan of bij een projectbesluit wanneer de betreffende gronden/gebouwen voor een geluidgevoelige functie in een geluidszone zijn gelegen. Onder bepaalde voorwaarden is een hogere geluidsbelasting dan de voorkeursgrenswaarde mogelijk (tot de maximaal toelaatbare geluidsbelasting). Hiervoor moet een “hogere waarde procedure” worden doorlopen door het college van burgemeester en wethouders. Een uitzondering waar toetsing aan de grenswaarden niet hoeft, is wanneer een geluidsgevoelig gebouw een zogenoemde "dove" gevel heeft. Een "dove gevel" is een bouwkundige constructie:

  • waarin geen te openen delen aanwezig zijn en met een bepaalde geluidwering;
  • waarin alleen bij uitzondering te openen delen aanwezig zijn, mits de delen niet direct grenzen aan een geluidsgevoelige ruimte.

Bij ontheffing van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting kan (in het kader van de omgevingsvergunning) een nader akoestisch onderzoek noodzakelijk zijn ten behoeve van het woon- en leefklimaat in de woning. De karakteristieke geluidwering van de gevel dient voor nieuwbouw zodanig te zijn dat wordt voldaan aan de eisen uit het Bouwbesluit, zijnde het verschil tussen de geluidsbelasting op de gevel en het gewenste binnenniveau met een minimum van 20 dB.

4.3.2 Railverkeerslawaai

Regelgeving

In de Wgh en het Bgh is de zonering van spoorwegen (en ook van tram en metro) en het daarbij horende normenstelsel geregeld. Bij spoorweglawaai is de breedte van de zone onder andere afhankelijk van het aantal sporen en de verkeersintensiteit. In de Regeling Zonekaart spoorwegen is per spoortraject de zonebreedte vastgesteld. Deze zonebreedte varieert van 100 tot maximaal 1300 meter. Binnen deze zone is de Wgh van toepassing.

Doorvertaling bestemmingsplan

Om de gevolgen vanuit railverkeer (Betuwelijn) op de toekomstige bedrijfswoning te onderzoeken is een akoestisch onderzoek uitgevoerd, zie bijlage 4. De geluidsbelasting door railverkeer bedraagt ten hoogste 60 dB. De voorkeursgrenswaarde van 55 dB wordt daar overschreden. De maximale hogere waarde van 66 dB wordt niet overschreden. Omdat het treffen van bronmaatregelen niet mogelijk blijkt, wordt vanuit railverkeer een hogere waarde aangevraagd van ten hoogste 60 dB conform tabel IV.1.

4.3.3 Wegverkeerslawaai

Regelgeving

In de Wgh en het Bgh is de zonering van wegen en het daarbij horende normenstelsel geregeld. Een zone is het akoestisch aandachtsgebied. Volgens de Wgh bevinden zich langs alle wegen wettelijke geluidzones, met uitzondering van woonerven, 30-km/uur-gebieden en wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveaukaart blijkt dat de geluidsbelasting op 10 meter uit de meest nabij gelegen wegas 48 dB of minder bedraagt.

Bij vaststelling van een bestemmingsplan dient voor alle wegen waarvan de zone een overlap met het plangebied kent, een akoestisch onderzoek te worden verricht (art.76 lid 1 Wgh). De breedte van deze zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de aard van de omgeving (stedelijk of buitenstedelijk), zie navolgende tabel.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpOPvarakkerB-vst1_0010.png"

Overzicht zonebreedtes (vanaf de as van de weg tot de volgende breedte aan weerszijden van de weg)

De definities van het buitenstedelijk en stedelijk gebied zijn opgenomen in artikel 1 van de Wgh. Als buitenstedelijk gebied wordt aangemerkt het gebied buiten de bebouwde kom en het gebied binnen de zone van een autoweg of autosnelweg, die binnen de bebouwde kom ligt.

4.3.4 Doorvertaling bestemmingsplan

Om de gevolgen vanuit wegverkeer (Varakker en A15) op de toekomstige bedrijfswoning te onderzoek is een akoestisch onderzoek uitgevoerd, zie bijlage 4. De geluidsbelasting door wegverkeer over de rijksweg A15 bedraagt op de zuidgevel (zijgevel) ten hoogste 56 dB na aftrek van 2 dB ex art 110-g Wgh. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt daarmee overschreden. De maximale hogere waarde van 58 dB voor agrarische bedrijfswoningen buiten de bebouwde kom wordt niet overschreden. Omdat het treffen van maatregelen aan de bron (A15) niet mogelijk blijken, dient voor de gevels van de agrarische bedrijfswoning wel een hogere waarde te worden aangevraagd van ten hoogste 56 dB voor geluid door wegverkeer over de A15 conform tabel III.2.

De geluidsbelasting door wegverkeer over de Varakker bedraagt ten hoogste 46 dB na aftrek van 5 dB ex art 110-g Wgh. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt niet overschreden. Op basis van deze uitkomsten zijn hogere waarden voor de geluidsbelasting over de Varakker niet nodig.

4.3.5 Conclusie

Voor de bedrijfswoning zal, gelijktijdig met de procedure van voorliggend bestemmingsplan, een hogere waarde procedure worden doorlopen voor zowel wegverkeer als railverkeer. Met het vaststellen van hogere grenswaarden, vormt het aspect 'geluid' geen belemmering voor de uitvoering van voorliggend bestemmingsplan.

4.4 Bedrijven en Milieuzonering

4.4.1 Regelgeving

Wanneer ruimtelijke ontwikkelingen in de directe omgeving van inrichtingen en/of bedrijven worden gerealiseerd, zal een milieukundig onderzoek uit moeten wijzen in hoeverre er sprake is van mogelijke beperkingen ten gevolge van de aanwezige inrichtingen en of bedrijven. Maar ook andersom dient aandacht te worden besteed aan de rechten van de aanwezige inrichtingen en/of bedrijven. Het is immers niet de bedoeling dat nieuwe ontwikkelingen de huidige bedrijfsvoering in de directe omgeving zullen beperken. Datzelfde geldt uiteraard ook voor de situatie dat inrichtingen en/of bedrijven wijzigen in de nabijheid van bestaande gevoelige functies.

Via de milieuwetgeving wordt milieuhinder zoveel mogelijk voorkomen. Alle bedrijven en inrichtingen die in potentie hinder zouden kunnen veroorzaken, moeten een vergunning hebben in het kader van de Wet milieubeheer of moeten middels een melding aantonen dat zij aan de hierin gestelde richtwaarden kunnen voldoen. De gestelde richtwaarden zijn veelal vertaald in minimale afstanden tussen de inrichtingen waar activiteiten plaatsvinden en de milieugevoelige functies in de directe omgeving. Behalve van de aard en omvang van een bedrijf of inrichting, is deze mede afhankelijk van de omgevingskarakteristiek. Voor een rustige woonomgeving gelden andere afstanden (strengere eisen) dan voor bijvoorbeeld drukke woonwijken of een gemengd gebied.

Voor het vaststellen van de genoemde minimale richtafstanden tussen inrichtingen en milieugevoelige functies worden in de regel de lijsten zoals deze zijn opgenomen in de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' gebruikt. Bedrijven zijn in de VNG-handreiking ingedeeld in een aantal categorieën met bijbehorende gewenste richtafstanden tot milieugevoelige functies. De categorieën geven de zwaarte van bedrijvigheid en mogelijke milieuhinder weer. De richtafstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype gemengd gebied.

Naast de omgevingstypen 'rustige woonomgeving' en 'gemengd gebied' kent de VNG-publicatie ook het type 'gebied met functiemenging'. Het begrip 'gebied met functiemenging' heeft geen betrekking op de typering van een gebied maar op de toelaatbaarheid van hinderveroorzakende functies, zoals stadscentra, dorpskernen, winkelcentra, horecaconcentratiegebieden, zones met functiemenging langs stedelijke toegangswegen en (delen van) woongebieden met kleinschalige dan wel ambachtelijke bedrijvigheid.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpOPvarakkerB-vst1_0011.jpg"

Richtafstanden VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'

Bovenstaande tabel geeft een overzicht van de richtafstanden voor verschillende bedrijfscategorieën ten opzichte van een woonwijk en gemengd gebied. Indien de richtafstand niet wordt overschreden, kan verdere toetsing voor het aspect in beginsel achterwege blijven: inpassing is dan mogelijk. Indien niet aan de richtafstanden wordt voldaan, is een nadere beschouwing danwel onderzoek nodig. Hiertoe wordt ten aanzien van het geluidsaspect gebruik gemaakt van de beoordelingssystematiek uit de VNG-publicatie. Tijdens het inwerking zijn van inrichtingen zullen deze worden getoetst aan het Activiteitenbesluit.

4.4.2 Doorvertaling bestemmingsplan

Een containerteeltbedrijf is in de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' aangewezen als een tuinbouwbedrijf met bedrijfsgebouwen. Voor dit type bedrijfsvoering geldt een milieucategorie 2, met een bijbehorende maximale richtafstand van 30 m op basis van geluid. Het dichtstbijzijnde gevoelige object (woning) ligt tegenover het toekomstige bedrijf, aan de Varakker 8. De afstand tussen het woonperceel en het toekomstig bouwvlak bedraagt 60 m. Er wordt voldaan aan de richtafstand. Gevoelige objecten uit de omgeving ondervinden geen nadelige hinder vanuit milieuzonering.

Vanuit omgekeerde werking is het mede van belang te kijken naar het milieueffect van omliggende bedrijven op de toekomstige bedrijfswoning. In de omgeving van de toekomstige bedrijfswoning liggen voornamelijk teeltvelden van bomenkwekerijen. De mogelijke effecten vanuit het aspect spuitzonering komen in navolgende subparagraaf 4.5 aan bod. Andere vormen van bedrijfsactiviteiten ontbreken, waardoor er vanuit milieuzonering sprake is van een goed woon- en leefklimaat voor de toekomstige bedrijfswoning.

Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering.

4.5 Spuitzonering

4.5.1 Regelgeving

Bij het telen van bollen-, boom- en fruit in de open lucht kan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen van belang zijn. Dit vanwege mogelijk vrijkomende drift (verwaaiing van spuitvloeistof) bij het bespuiten. Er gelden, behoudens het niet mogen belasten van oppervlaktewater (Afdeling 3.5 van het Activiteitenbesluit), in Nederland geen wettelijke bepalingen over een minimaal aan te houden afstanden tussen de teeltgronden en voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige objecten, zoals woningen en bedrijven. In de bestemmingsplanpraktijk word daarom een vuistregel gehanteerd om een afstand van 50 meter aan te houden tussen een genoemde teelten en een gevoelige bestemming. Dit is een in de praktijk gegroeide indicatieve vuistregel.

Sinds 1 januari 2017 is het grond van het artikel 3.78a Activiteitenbesluit milieubeheer verplicht om bij open teelten te spuiten met een driftreductie van 75%. Uitgaande van deze verplichte spuitmethode is middels de onderzoeksresultaten van de WUR te onderbouwen dat met een minimale afstand van 35 meter van de bebouwing tot de eerste bomenrij er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Aan beide afstanden wordt in het betreffende geval niet voldaan, omdat de afstand tussen het bestemmingsvlak 'Wonen', een gevoelige bestemming, en de agrarische gronden nagenoeg 0 m is.

In de uitspraak in zaak 2015-06413/1/R2 is naar voren gekomen dat locatie specifieke omstandigheden in de overwegingen dienen te worden betrokken. De uitspraak van de Raad van State d.d. 10 september 2014 betekent in dit verband dat de afstand van 50 meter niet overal behoeft te worden toegepast. Er kunnen zich omstandigheden voordoen waar van deze aan te houden afstand (gemotiveerd) kan worden afgeweken. Het gaat om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op/in de gevoelige functies en de borging van de te nemen maatregelen om tot dit klimaat te komen. Om te bepalen of afgeweken kan worden van de vuistregel zijn onder andere de volgende aspecten relevant:

  • 1. wat wordt planologisch mogelijk gemaakt en wat zijn de geldende bestemming(en);
  • 2. wat is het huidige gebruik van de gronden / welke teelten vinden plaats;
  • 3. welke gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt en welke spuitmethode wordt gebruikt;
  • 4. wat zijn de effecten van driftreducerende middelen (vaak hagen en bomenrijen);
  • 5. wat is de overheersende windrichting.
4.5.2 Doorvertaling bestemmingsplan

Voorliggend bestemmingsplan maakt de oprichting van een zogenaamd 'driftgevoelig' object (bedrijfswoning) mogelijk. In de omgeving van de toekomstige bedrijfswoning zijn meerdere agrarische percelen aanwezig. Op deze agrarische gronden is het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen toegestaan. Daarom is een onderzoek naar spuitdrift van gewasbeschermingsmiddelen uitgevoerd, zie bijlag 5.

In het onderzoek is uitgegaan van een worst-case scenario met een fictieve boomgaard met laagstamfruitteelt op minder dan 50 m afstand ten opzichte van de locatie voor de geplande driftgevoelige bestemming ( bedrijfswoning). Uit het onderzoek blijkt dat, rekening houdend met een viertal situaties zoals opgenomen op pagina 15 van het onderzoek, dat om gezondheidsrisico's tot een aanvaardbaar niveau te beperken, er ten opzichte van de boomgaard zonder maatregelen een afstand van 30 m aangehouden dient te worden. Doordat de afstand tussen de driftgevoelige bestemming (bedrijfswoning) en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen binnen het agrarisch perceel in de beoogde situatie minimaal 30 m (westelijk en noordelijk) bedraagt, wordt op basis van het voorliggende plan ten opzichte van deze boomgaarden aan het afstandscriterium voldaan.

In de regels en de verbeelding van voorliggend bestemmingsplan is geborgd dat de bedrijfswoning alleen is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning'. Daarmee is planologisch geborgd dat de woning niet dichter dan 30 m tot de omliggende agrarische percelen mag worden opgericht. Met voorliggend initiatief worden daarnaast bestemmingsplanmatig geen nieuwe spuitmogelijkheden gecreëerd waardoor nadere toetsing inzake spuitzonering voor omliggende woningen niet aan de orde is.

4.5.3 Conclusie

Het aspect spuitzonering vormt gezien het voorgaande geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.

4.6 Luchtkwaliteit

4.6.1 Regelgeving

In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht.

De Wet luchtkwaliteit van 15 november 2007, opgenomen in hoofdstuk 5, onder titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) gaat in op luchtkwaliteitseisen. In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb) en koolmonoxide (CO).

Projecten dienen te worden beoordeeld op basis van de 'Wet luchtkwaliteit' c.q. artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor vergunningverlening als:

  • er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt;
  • een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging;
  • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden.

In artikel 2 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is opgenomen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de zogenaamde '3% grens' niet wordt overschreden. Na vaststelling van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) op 1 augustus 2009 is deze grens gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2.

In artikel 4 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden.

4.6.2 Onderzoek

Een project draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen dan 1,2 µg/m3. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen. In de regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen aan een ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het initiatief betreft slechts het toestaan van één bedrijfswoning binnen het plangebied. De overige gronden van het plangebied zullen in gebruik worden genomen als tuinbouwbedrijf. Een tuinbouwbedrijf is in de Regeling NIBM aangewezen als één van de activiteiten die op voorhand aangemerkt kan worden als een activiteit die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Nader onderzoek op grond van de Wet luchtkwaliteit is niet noodzakelijk.

Goede ruimtelijke ordening (NSL-monitoringstool)

Vanuit een goede ruimtelijke ordening is de huidige luchtkwaliteit ter plaatse getoetst met behulp van de NSL Monitoringstool (www.nsl-monitoring.nl). Door de metingen ter plaatse te toetsen aan de grenswaarden is gekeken of sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Uit metingen van het rekenpunt 695087 (aan de A15 ter hoogte van plangebied) zijn de volgende concentraties naar voren gekomen:

  NO2 (stikstofdioxide)   PM10 (Fijn stof)   PM12,5(Zeer fijn stof)  
Gemeten totale concentratie jaargemiddelde 2020 (µg/m3)   25,9 µg/m3   20,5 µg/m3   12,5 µg/m3  
Grenswaarde concentratie (µg/m3)   40 µg/m3   40 µg/m3   25 µg/m3  

De gemeten concentraties stikstofdioxide en fijn stof liggen ruim onder de gestelde grenswaarden.

4.6.3 Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'luchtkwaliteit' geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling.

4.7 Geur

4.7.1 Regelgeving

Wet geurhinder en veehouderij

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) bevat het beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen die vergunningplichtig zijn op basis van de Wet milieubeheer (Wm). Het beoordelingskader is als volgt:

  • voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld (in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv))) geldt een maximale geurbelasting) op een geurgevoelig object;
  • voor andere diercategorieën geldt een minimale afstand van de dierenverblijven ten opzichte van geurgevoelige objecten.

Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden (conform Reconstructiewet) en niet-concentratiegebieden en tussen situaties binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom. De wet beschrijft in artikel 3 de maximale norm voor geurbelasting van een veehouderij ten opzichte van een gevoelig object in vier situaties, zie navolgende tabel.

    Concentratiegebied   Niet-concentratiegebied  
Binnen bebouwde kom   diercategorieën Rgv   max. 3 ouE/m³   max. 2 ouE/m³  
  andere diercategorieën   min. 100 m t.o.v. geurgevoelig object   min. 100 m t.o.v. geurgevoelig object  
Buiten
bebouwde kom  
diercategorieën Rgv   max. 14 ouE/m³   max. 8 ouE/m³  
  andere diercategorieën   min. 50 m t.o.v. geurgevoelig object   min. 50 m t.o.v. geurgevoelig object  

Geurnormen Wgv

De Wgv biedt gemeenten de mogelijkheid om afwijkende geurnormen vast te stellen voor (delen van) het grondgebied. Op deze wijze kan de gemeente een geurhinderbeleid vaststellen dat is afgestemd op de plaatselijke situatie.

Regeling geurhinder en veehouderij

In de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) is de wijze vastgelegd waarop:

  • de geurbelasting wordt bepaald;
  • de afstand tussen veehouderij en geurgevoelig object) wordt gemeten.

Activiteitenbesluit

Per 1 januari 2013 zijn agrarische activiteiten onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit gebracht. In het Activiteitenbesluit zijn voor alle agrarische activiteiten, waaronder akkerbouwbedrijven en veehouderijen, eisen opgenomen. Voor de veehouderijen is aangesloten bij de systematiek uit de Wgv, dat wil zeggen dat in bepaalde gevallen een maximaal toegestane geurbelastingen geldt (diercategorieën waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld, bijvoorbeeld varkens en pluimvee) en in andere gevallen vaste afstandseisen gelden (diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, waaronder melkrundvee).

Geurgebiedsvisie gemeente Neder-Betuwe

Op 15 september 2011 heeft de gemeenteraad de geurverordening en bijbehorende geurgebiedsvisie vastgesteld. Doelstelling van deze visie is het opstellen van een gemeentedekkend gebiedsgericht geurbeleid voor de gemeente Neder-Betuwe gebaseerd op de Wet geurhinder en veehouderij, waarin een afweging is gemaakt tussen geurbelasting en geurbeleving. De gebiedsvisie brengt de geurknelpunten in beeld en geeft de mogelijkheid om maatwerk te leveren in de (nog te bepalen) deelgebieden. Met geurknelpunten worden situaties bedoeld waarbij de geurcontouren van agrarische bedrijven rond een bouwblok over geurgevoelige objecten reiken als zijnde voor grondwaarde, of een situatie waarbij verschillende agrarische bedrijven gezamenlijk een niet acceptabel hinderpercentage leveren als zijnde achtergrondwaarde.

4.7.2 Doorvertaling bestemmingsplan

De gemeente Neder-Betuwe heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid om met een gemeentelijke verordening af te wijken van de wettelijke normen. De gemeenteraad heeft een geurverordening vastgesteld op grond van artikel 6 van de Wet geurhinder en veehouderij. De vaststelling van de geurverordening is onderbouwd in de herziening van de Gebiedsvisie, behorende bij de geurverordening N-B 2011, vastgesteld 15 september 2011.

In de gebiedsvisie zijn kaarten opgenomen met achtergrondbelasting, waarbij rekening is gehouden met toekomstige ontwikkelingen van de veehouderijen. Op de kaart waarop de maximale geursituatie is weergegeven, zie navolgende afbeelding, is af te leiden dat de leefsituatie ter plaatse van het plangebied 'goed' is. Gelet op de grote afstanden en de aanwezigheid van meerdere geurgevoelige objecten tussen deze veehouderijen en het plangebied, is op basis van de enigszins verouderde gegevens te concluderen dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een acceptabel geurniveau.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpOPvarakkerB-vst1_0012.png"

De dichtstbijzijnde veehouderij aan de Hamsestraat 58 in Opheusden ligt op ca 600 m tot de nieuwe bedrijfswoning. Door deze ruime afstand zijn er geen belemmeringen voor gevoelige functies te verwachten met betrekking tot de uitvoerbaarheid van het plan. Ook worden geen agrarische bedrijven in hun bedrijfsvoering belemmerd door het initiatief. Verder onderzoek naar het aspect 'geur' is dan ook niet nodig.


Ten aanzien van het aspect geur is het plan uitvoerbaar.

4.8 Externe veiligheid

4.8.1 Regelgeving

Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen als vuurwerk, lpg en munitie over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid rondom externe veiligheid is vastgelegd in circulaires, regelingen, AMvB's en wetten.

In Nederland worden twee maten gehanteerd voor externe veiligheidsrisico's, namelijk het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij het plaatsgebonden risico (PR) gaat het om de kans per jaar dat een denkbeeldig persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen als deze persoon zich onafgebroken en onbeschermd in de nabijheid van een risicovolle inrichting of transportas bevindt. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven als een contour rondom de risicovolle inrichting of de transportas.

Het groepsrisico (GR) is de cumulatieve kans dat een (werkelijk) aanwezige groep van 10, 100 of 1.000 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico moet verantwoord worden voor het gebied waarbinnen zich de gevolgen van een incident met gevaarlijke stoffen voordoen. Dit is de zogenaamde 1 %-letaliteitsgrens; de afstand vanaf een risicobedrijf waarop nog slechts 1 % van de blootgestelde mensen in de omgeving overlijdt bij een ongeval op het risicobedrijf (invloedsgebied).

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein, bijvoorbeeld rondom chemische fabrieken, LPG-tankstations en spoorwegemplacementen waar goederentreinen met gevaarlijke stoffen rangeren. Deze bedrijven verrichten soms risicovolle activiteiten dichtbij woningen, kantoren, ziekenhuizen, scholen of winkels. Het besluit verplicht gemeenten en provincies wettelijk vanaf de inwerkingtreding van het besluit bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van ruimtelijke plannen met externe veiligheid rekening te houden. Het gaat daarbij niet alleen om het oprichten van of veranderen van inrichtingen of projecteren van nieuwe bestemmingen. Ook bij het vaststellen of herzien van een bestemmingsplan dient de externe veiligheid te worden beoordeeld. Het besluit is op 27 oktober 2004 in werking getreden.

Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. Daarin wordt geregeld hoe een gemeente moet omgaan met risico’s langs relevante buisleidingen. De hogedruk gasleidingen van de Gasunie zijn het meest relevant. De risico’s worden met name bepaald door de maximale druk en diameter van de leiding, maar ook door getroffen maatregelen.

Op 1 april 2015 is de Wet basisnet in werking getreden. De Wet basisnet voorziet in een wijziging van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (“Wvgs”) ter verankering van een landelijk basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het basisnet is een samenstel van wegen, binnenwateren en hoofdspoorwegen waaraan een bepaalde risicoruimte voor het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt toegekend. Als deze risicoruimte, de zogenaamde risicoplafonds, door een groei van het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt overschreden of dreigt te worden overschreden, dient de minister maatregelen te nemen. De risicoplafonds moeten daarnaast in acht worden genomen bij het toestaan van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van basisnetroutes. Op deze manier kan de veiligheid langs de transportroutes voor gevaarlijke stoffen in toenemende mate worden gegarandeerd. Gelijktijdig met de Wet Basisnet zijn ook andere regelingen in werking getreden zoals de wijziging van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen (Bvgs), de Regeling basisnet en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) is een aandachtgebied gedefinieerd waarbinnen het groepsrisico verantwoord dient te worden (200 meter). Buiten deze zone dient in het invloedsgebied alleen ingegaan te worden op de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid (beperkte verantwoording).

Beleidsvisie externe veiligheid 2015-2018

Neder-Betuwe wil een aantrekkelijke gemeente zijn om te wonen en te werken. Dat stelt eisen aan de kwaliteit van de leefomgeving. Externe veiligheidsrisico's zijn daar een onderdeel van. Externe veiligheid gaat over het beschermen van burgers tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen. De risico's - veroorzaakt door het werken met - opslaan van of vervoer van gevaarlijke stoffen, zijn niet uit te sluiten. We kunnen ze wel beheersen door een adequate uitvoering van relevante taken en vooraf afspraken te maken hoe met de huidige en toekomstige risico's wordt omgegaan.

Doel van deze beleidsvisie externe veiligheid is het bieden van een toetsingskader dat duidelijk maakt hoe om te gaan met externe veiligheidsrisico's. De ambities in deze visie zijn naast de wettelijke regels met name van toepassing bij het vaststellen van omgevingsbesluiten en de vergunningverlening voor risicobedrijven. Ook zijn in deze visie ambities met betrekking tot de organisatie van de uitvoering van de wettelijke regels opgenomen. Door toepassing van deze ambities worden ad hoc besluiten voorkomen. De gemeente past de uitgangspunten en ambities in deze visie verder toe bij andere gemeentelijke activiteiten en ontwikkelingen waarbij externe veiligheid een rol speelt.

De gemeente streeft naar een beheersbare externe veiligheidssituatie, waarbij:

  • 1. de externe veiligheidsrisico's goed in beeld zijn gebracht;
  • 2. de gemeentelijke organisatie zich bewust is van de aanwezige risico's;
  • 3. een zorgvuldige afweging plaatsvindt tussen nut en noodzaak van nieuwe ontwikkelingen en hun gevolgen voor de externe veiligheid;
  • 4. beleidsuitvoering en handhaving zorgen voor de beheersbaarheid van bestaande en nieuwe EV risico's;
  • 5. communicatie met de burger plaatsvindt over de aanwezige risico's en de te volgen gedragsrichtlijn bij een calamiteit.
4.8.2 Doorvertaling bestemmingsplan

Omdat voorliggend plan de oprichting van een kwetsbaar object mogelijk maakt (bedrijfswoning), is het van belang om mogelijke risico's vanuit externe veiligheid te bepalen. Om die reden is een onderzoek naar de risico's door inrichtingen, buisleidingen en vervoer over weg, water en/ of spoor uitgevoerd. Het onderzoek is te raadplegen in bijlage 6. In het vervolg van deze paragraaf zijn de belangrijkste conclusies opgenomen.

Risico's door inrichtingen

Plaatsgebonden risico

De plaatsgebonden risicocontouren van de risicovolle inrichtingen (twee LPG-tankstations ten zuidwesten van het plangebied) reiken niet over het voorziene kwetsbare en beperkt kwetsbare object, binnen het plangebied. Het plaatsgebonden risico vormt, om die reden, geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

Groepsrisico

Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van de, bij inrichtingen behorende, risicobronnen. Om die reden hoeft het groepsrisico niet nader beschouwd te worden en vormt het geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

Risico's door buisleidingen

Aan de zuidkant van het plangebied ligt een hogedruk aardgasleiding van het type N-574-10 met een maximale werkdruk van 40 bar.

Plaatsgebonden risico

In voorliggend plan wordt de beschermingszone aan weerszijden van de aardgasleiding overgenomen. In het plan worden geen gebouwen of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogelijk gemaakt ter plaatse van de beschermingszone. Het bouwvlak in dit bestemmingsplan is buiten de belemmeringenstrook gelegd. Om voornoemde vormt het plaatsgebonden risico geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

Groepsrisico

Binnen het invloedsgebied van de aardgasleiding (1 km aan weerszijden van de leiding) liggen nagenoeg geen (beperkt) kwetsbare objecten. Omdat er als gevolg van de beoogde ontwikkeling binnen het plangebied niet meer dan 10 personen gelijktijdig aanwezig zullen zijn, is het groepsrisico per kilometer buisleiding nabij het plangebied niet relevant. Er zal naar verwachting geen overschrijding van de oriëntatiewaarde zijn en geen rekentechnische toename van het groepsrisico. Om die reden kan een risicoberekening achter wege worden gelaten. Vanwege de ligging binnen het invloedsgebied en de beperkte toename van het aantal personen, dient het groepsrisico beperkt verantwoordt te worden. Deze beperkte verantwoording is opgenomen in hoofdstuk 6 van het onderzoek Externe veiligheid uit bijlage 6.

Risico's door vervoer over weg, water of spoor

In de omgeving van het plangebied liggen de volgende transportroutes die mogelijk een risico vormen in verband met het vervoer van gevaarlijke stoffen:

  • Betuweroute;
  • A15.

Plaatsgebonden risico

Het plangebied ligt niet binnen de 10-6 contouren van voorgaande transportroutes. Het plaatsgebonden risico vormt daarmee geen belemmering voor de gewenste ontwikkeling.

Groepsrisico

Het plangebied ligt binnen de invloedsgebieden van de gevaarlijke stoffen die over de rijksweg A15 en Betuweroute worden vervoerd. Vanwege de marginale toename van het aantal personen is er geen rekentechnische verandering van het groepsrisico te verwachten en zal de oriëntatiewaarde niet worden overschreden. Om die reden hoeft het groepsrisico niet nader beschouwd te worden. Wel dient het groepsrisico beperkt verantwoord te worden. Deze beperkte verantwoording is opgenomen in hoofdstuk 6 van het onderzoek Externe veiligheid uit bijlage 6.

4.8.3 Conclusie

Het aspect externe veiligheid is relevant vanwege de aardgasleiding door het plangebied en het vervoer van gevaarlijke stoffen over de A15 en de Betuweroute. Gelet op de hiervoor genoemde overwegingen zijn er gezien vanuit het plangebied voldoende mogelijkheden voor de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid bij een zwaar ongeval op deze transportroutes. Dit betekent dat vanwege deze aardgasleiding en transportroutes geen nadere eisen aan het plan gesteld hoeven te worden in het kader van het aspect externe veiligheid.

Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect externe veiligheid.

4.9 Waterhuishouding

4.9.1 Regelgeving

Algemeen

Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Waterschap Rivierenland. Voor het plangebied is het volgende waterhuishoudkundige beleid van toepassing:

  • Rijksbeleid: Waterwet, Nationaal Waterplan 2009 - 2015, Vierde Nota Waterhuishouding, Waterbeleid in de 21e eeuw en Nationaal Bestuursakkoord Water;
  • Provinciaal beleid: Omgevingsvisie en -Verordening Gelderland;
  • Waterschapsbeleid: Waterbeheerprogramma 2016 – 2021 'Koers houden en kansen benutten', Nota riolering 'Samen door één buis' (2012) en de Keur voor waterkeringen en wateren;

Voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, wordt door de overheid het volgende criterium met betrekking tot het duurzaam omgaan met water gehanteerd. Doordat een toename van het verhard oppervlak ertoe leidt dat het afvoerverloop niet meer natuurlijk is, is het beleid erop gericht het regenwater zoveel mogelijk te infiltreren naar het freatisch grondwater, waardoor een meer natuurlijk afvoerverloop ontstaat. Dit vertaalt zich in de volgende richtlijnen:

  • 1. Nieuwe plannen dienen te voldoen aan het principe van het “hydrologisch neutraal” bouwen. Hierbij moet de hydrologische situatie, voor wat betreft de afvoer van hemelwater, minimaal gelijk blijven aan de oorspronkelijke situatie. De oorspronkelijke landelijke afvoer (naar het oppervlaktewater) mag niet overschreden worden.
  • 2. In aansluiting op het landelijk beleid hanteert het waterschap het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht dient te worden hoe met het schone hemelwater omgegaan kan worden.
  • 3. Bij alle nieuwbouwplannen moet (vuil) afvalwater en (schoon) hemelwater gescheiden worden behandeld. Het schone en vuile water worden daarbij apart aangeleverd aan de riolering of, indien mogelijk, wordt het schone water aan de natuur teruggegeven. Dit is ook het geval als in openbaar gebied nog steeds een gemengd rioolstelsel aanwezig is.

Bij de inrichting, het bouwen en het beheer dienen zo min mogelijk vervuilende stoffen aan het bodem- en oppervlaktewatersysteem te worden toegevoegd. Hierbij verdient het materiaalgebruik speciale aandacht: uitloogbare of uitspoelbare bouwmaterialen dienen te worden vermeden teneinde watervervuiling te voorkomen.

Uitgangspunten Waterschap Rivierenland

De uitgangspunten die door het waterschap worden gehanteerd in het kader van de watertoets kunnen worden verwoord als:

  • a. Waterneutraal inrichten. Om te voorkomen dat door de aanleg van nieuw verhard oppervlak wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang om het verlies aan waterberging in de bodem te compenseren.
  • b. Schoon inrichten. Om te voorkomen dat de waterkwaliteit van het oppervlaktewater negatief wordt beïnvloed. Binnen het stedelijk gebied zal daarom schoon hemelwater van nieuwbouwprojecten gescheiden van het vuilwater dienen te worden afgevoerd: afkoppelen. Het waterschap streeft naar 100% afkoppeling van schoon hemelwater van verharde oppervlakken (gebouwen, wegen en ander terreinverharding).
  • c. Veilig inrichten. Door nieuwbouwplannen mag de veiligheid van een (primaire) waterkering, het waterkerend vermogen, niet worden aangetast. Dit geldt niet alleen voor de dijk zelf, maar tevens voor de beschermingszones ter weerszijden van de dijk.

Voor het lozen van overtollig hemelwater op het oppervlaktewater, hetzij rechtstreeks, hetzij via een bestaande of een nieuwe inrichting (zoals een regenwaterriool), is een watervergunning noodzakelijk. Daarnaast moeten in die gebieden die onderhevig zijn aan rivierkwel de effecten van de voorgenomen plannen op de kwel in beeld worden gebracht. Indien compensatie vereist is hanteert Waterschap Rivierenland de volgende twee ontwerpbuien ten aanzien van de benodigde bergingscapaciteit :

  • De T=10+10% neerslag. Hierbij mag het peil (van het oppervlaktewater) niet meer dan 20 of 30 cm stijgen, afhankelijk van het deelgebied waarin de ontwikkeling plaats vindt. Vuistregel hierbij is 436 m3 berging per ha verhard oppervlak, overeenkomend met een neerslag van 43,6 mm.
  • De T=100+10%-neerslag. Hierbij is een peilstijging toegestaan tot laagste putdekselhoogte op wijkniveau. Vuistregel hierbij is 664 m3 berging per ha verhard oppervlak, overeenkomend met een neerslag van 66,4 mm. Deze vuistregel geldt met name voor droogvallende voorzieningen.

Indien de waterberging wordt gerealiseerd in de vorm van droogvallende retentie, wordt onderscheid gemaakt tussen systemen waarbij infiltratie naar de ondergrond wel en niet mogelijk is. In dat laatste geval dient de bodem van de voorziening zich gelijk of hoger dan de GHG te bevinden en mag bij een ontwerpbui T=100+10% het systeem tot aan maaiveld gevuld zijn. De ledigingstijd van het systeem dient 48 tot 96 uur te bedragen.

Volgens de Beleidsregels Keur Waterschap Rivierenland geldt vanaf nieuw verhard oppervlak een vrijstelling van de compensatieplicht voor toename tot 500 m² voor stedelijk gebied en 1.500 m2 voor het buitengebied. Als peildatum voor het eenmalig gebruik is 1 januari 2010 aangehouden, Dit betekent dat alleen aanspraak gemaakt kan worden op de vrijstelling als hier in het verleden (na 1 januari 2010) nog geen gebruik van is gemaakt.

Gemeentelijke rioleringsplan 2019-2023

De gemeente Neder-Betuwe heeft voor de periode 2019-2023 een Gemeente RioleringsPlan (GRP) vastgesteld waarin ook het voormalige Waterplan is opgenomen. Het plan bestaat daarmee uit twee delen en is opgezet volgens een regionaal format. Samenwerking op het gebied van de waterketen in de regio rivierenland heeft in 2017 geleid tot deze gezamenlijke blauwdruk en de invulling van een eerste regiovisie GRP in een separaat hoofdstuk. Omdat de opgave in het watersysteem door uitvoering van maatregelen de afgelopen jaren aanzienlijk kleiner is, is het eerder op zichzelf staande waterplan in het GRP geïntegreerd opgenomen. In het GRP zijn de kaders van het riool en waterbeleid vastgelegd en zijn de gemeentelijke visie en ambities voor de komende jaren opgenomen.

Met betrekking tot het watersysteem en de inpassing in de ruimtelijke ordening is het volgende van belang. Water moet in een vroeg stadium van de ruimtelijke planvorming worden meegenomen. Bij nieuwe ontwikkelingen speelt water zelfs al een belangrijke rol in de locatiekeuze. Zo wordt vroegtijdig zicht gekregen op de gevolgen voor het watersysteem en op de restricties voor de voorgenomen ontwikkeling. Het realiseren van ruimte voor water is een volwaardig onderdeel van de grondexploitatie. De gekozen (hemel)waterstructuur wordt in de bestemmingsplannen planologisch veilig gesteld. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen die worden gerealiseerd moeten klimaatbestendig en water robuust zijn en zullen hydrologische neutraal moeten worden aangelegd. Dat houdt in dat een plan geen negatieve effecten mag hebben op het functioneren van het watersysteem, zowel in kwantitatief als in kwalitatief opzicht. Concreet betekent dit dat:

De afvoer uit het gebied niet groter is dan in de uitgangssituatie.

  • De omvang van de grondwateraanvulling in het plangebied gelijk blijft of toeneemt.
  • De grond- en oppervlaktewaterstanden in de omgeving gelijk blijven of verbeteren.
  • De grondwaterstanden in het plangebied moeten aansluiten op de (nieuwe) functie(s) van het plangebied zelf.
  • Het plangebied zo moet worden ingericht dat de gevolgen op de (grond)waterstanden, niet leiden tot knelpunten in of rondom het plangebied.
  • Bij de toetsing wordt rekening gehouden met klimaatverandering en extreme situaties.
4.9.2 Doorwerking plangebied

Het plangebied is in de bestaande situatie onverhard. Langs de Varakker is een A-watergang gelegen. Een deel van de beschermingszone van deze A-watergang ligt binnen het plangebied. Als gevolg van de toekomstige inrichting van het plangebied neemt het verhard oppervlak aanzienlijk toe, met circa 4600 m².

Compensatie verhard oppervlak

Om de toename van het verhard oppervlak te compenseren en zorg te dragen dat ook in de toekomst overtollig hemelwater niet voor problemen zorgt, is een water compensatieplan opgesteld. Het plan is toegevoegd als bijlage 7. Om de toename van het verhard oppervlak te compenseren zal de bestaande sloot aan de oostkant van het plangebied worden verbreed. Aan de zuidkant komt daarnaast een waterpartij. Gezamenlijk dragen deze maatregelen bij aan het compenseren van een ontwerpbui eens in de 10 jaar.

Overige wateraspecten

De nieuwe bebouwing wordt op het bestaande rioolpersleidingstelsel aangesloten. Het hemelwater vanaf de dakoppervlakken wordt vertraagd afgevoerd naar het oppervlaktewater langs de Varakker.

Over het noordelijk deel van het plangebied geldt, ter bescherming van de A-watergang, de dubbelbestemming 'Waterstaat - Beheerszone watergang'. Binnen deze zone mogen geen bouwwerken worden gebouwd. In de toekomstige situatie zijn geen bouwwerken voorzien binnen deze zone. De zone met beschermende regeling is in onderhavig bestemmingsplan overgenomen.

4.9.3 Conclusie

Het aspect 'water' vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

4.10 Ecologie

4.10.1 Regelgeving

Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt drie oude wetten: de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming: Natura 2000), de Flora- en faunawet (soortenbescherming) en de Boswet (kapvergunningen).

4.10.1.1 Soortenbescherming

Voor ruimtelijke ingrepen die resulteren in overtreding van één of meer artikelen van de Wnb moet ontheffing worden aangevraagd. Voor een aantal soorten geldt daarenboven het beschermingsregime van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor werkzaamheden die uit een bestemmingsplan voortvloeien dient voor de start van die werkzaamheden ontheffing te worden aangevraagd indien beschermde soorten voorkomen. Bij de vaststelling van het plan dient duidelijk te zijn of en in hoeverre een ontheffing kan worden verkregen.

Voor alle in de wet genoemde diersoorten (inclusief vogels) geldt dat het verboden is individuen van deze soorten (opzettelijk) te doden of te vangen. Bovendien is het verboden nesten (en eieren) en (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen dan wel weg te nemen. Voor de in de wet genoemde plantensoorten geldt dat het verboden is exemplaren in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. In de Wnb worden drie beschermingsregimes onderscheiden voor beschermde soorten. Voor de eerste twee regimes gelden aanvullende verbodsbepalingen.

  • 1. Het beschermingsregime Vogelrichtlijn (Vrl), dat van toepassing is op van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vrl. Met betrekking tot deze vogelsoorten geldt dat het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen - verboden is vogels opzettelijk te storen, behalve als de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en dwingende redenen van groot openbaar belang zijn geen reden om ontheffing te verlenen. Ontheffing is uitsluitend toegestaan op basis van de ontheffingsgronden die in de Vrl zijn genoemd. Overigens is het, indien geen ontheffing nodig is, volgens de huidige interpretatie van de wet wel verplicht rekening te houden met het broedseizoen van vogels. Voor sommige vogelsoorten met vaste verblijfplaatsen geldt dat deze vaste verblijfplaatsen en het essentiële leefgebied jaarrond beschermd zijn.
  • 2. Het beschermingsregime Habitatrichtlijn (Hrl), dat van toepassing is op soorten van bijlage IV bij de Hrl, bijlage I en II bij het Verdrag van Bern en bijlage I bij het Verdrag van Bonn. Met betrekking tot deze soorten is het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen - verboden dieren opzettelijk te verstoren. Ontheffing wordt voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling alleen verleend indien:
    • a. er geen andere bevredigende oplossing is, en
    • b. geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort, en
    • c. sprake is van één van de volgende (bij ruimtelijke ontwikkeling relevante) belangen:
      • de bescherming van wilde flora en fauna of natuurlijke habitats, of
      • de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten.
  • 3. Het beschermingsregime Andere Soorten, dat van toepassing is op soorten van de bijlage behorende bij artikel 3.10 van de Wnb. Ontheffing is alleen mogelijk indien:
    • a. er geen andere bevredigende oplossing is, en
    • b. indien geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort.

Er is echter geen ontheffing nodig indien gewerkt wordt volgens een geldige gedragscode die van toepassing is op de betreffende soort(en). Vaak is daarnaast ecologische begeleiding en een ecologisch werkprotocol nodig bij de uitvoering van werkzaamheden.

De provincies kunnen voor het beschermingsregime Andere Soorten een algemene vrijstelling verlenen voor onder meer ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. In de gemeente Neder-Betuwe is de provincie Gelderland het bevoegd gezag voor de Wnb.

Indien nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van soorten niet (kunnen) worden ontzien, is ontheffing noodzakelijk. Ontheffing is niet benodigd indien de functionaliteit van de nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen gegarandeerd wordt (het beschadigen en vernielen wordt voorkomen door maatregelen of er zijn voldoende alternatieven).

Ten slotte is altijd de algemene zorgplicht van toepassing, die inhoudt dat een ieder voldoende zorg in acht neemt voor alle inheemse dieren en planten en hun directe leefomgeving (artikel 1.11 van de Wnb). Concreet betekent dit dat bij ruimtelijke ontwikkeling gezorgd moet worden dat dieren niet gedood worden en dat planten verplant worden. Ook dient gelet te worden op bijvoorbeeld de voortplantingsperiode van amfibieën en de zoogperiode van zoogdieren.

4.10.1.2 Gebiedsbescherming

Natura2000

De Wnb ziet op de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vrl- en Hrl-gebieden). Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor één of meerdere soorten en/of habitats. Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de Natura 2000-gebieden en tevens voor ontwikkelingen daarbuiten die van invloed kunnen zijn (door 'externe werking') op die beschermde natuurgebieden, gelden (strenge) restricties. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Middels een 'habitattoets' dient te worden onderzocht of een activiteit (significante) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden veroorzaakt. De uitkomsten van de habitattoets dienen te worden beoordeeld door het bevoegd gezag.

Natuurnetwerk Nederland

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden (de voormalige Ecologische Hoofdstructuur / EHS). Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het doel van het NNN is de instandhouding en ontwikkeling van natuurgebieden om daarmee een groot aantal soorten en ecosystemen te laten voortbestaan. Sinds 2014 zijn de provincies het eerste verantwoordelijke bevoegde gezag voor het NNN (daarvoor was dat de rijksoverheid). De provincies hebben in een verordening regelgeving vastgelegd ten aanzien van het NNN.

4.10.2 Doorvertaling bestemmingsplan

Ten aanzien van voorliggend plan is een quickscan Flora en Fauna uitgevoerd, zie bijlage 8. In aanvulling op de quickscan is ook een voortoets stikstofdepositie uitgevoerd. Dat rapport is als bijlage 9 toegevoegd. In het vervolg van deze subparagraaf zijn de belangrijkste conclusies van beide rapportages opgenomen.

4.10.2.1 Soortenbescherming

De beoogde realisatie van het plan (bedrijfswoning, loods, uitbreiding kwekerij en het verbreden van de sloot) leidt, mits maatregelen worden getroffen ten aanzien van poelkikker en grote modderkruiper, niet tot overtreding van de Wet Natuurbescherming. De initiatiefnemer zal de te treffen maatregelen zoals opgenomen op bladzijde 13 van de quickscan in acht nemen.

4.10.2.2 Gebiedsbescherming

Ten aanzien van het effect van het plan op beschermde natuurgebieden kan worden gesteld dat de locatie geen onderdeel uitmaakt van een Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake.

In navolging van voorgaande conclusie is middels het uitvoeren van een voortoets, het mogelijke effect van het plan vanuit de stikstofdepositie berekend (Bijlage 9). Als gevolg van de ontwikkelingen in het plangebied waarvoor de berekeningen zijn uitgevoerd neemt de stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden in de gebruiksfase niet toe. Er is geen sprake van significante effecten op beschermde Natura 2000-gebieden, het aanvragen van een Wnb-vergunning is daarom niet nodig voor dit project.

4.10.3 Conclusie

De ontwikkeling aan de Varakker ong. is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (artikel 3.1.6 Bro).

4.11 Archeologie & cultuurhistorie

4.11.1 Regelgeving

In artikel 3.1.6 lid 5 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt bepaald dat in de toelichting ten minste een beschrijving wordt opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden.

Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Met deze wetswijziging is de Monumentenwet 1988 opgesplitst: een gedeelte (dat ziet op de fysieke leefomgeving) zal in 2021 opgaan in de Omgevingswet, het overige gedeelte is opgenomen in de nieuwe Erfgoedwet. Daarbij is voorzien in overgangsrecht. Met de Erfgoedwet is sprake van een betere integratie met verschillende soorten erfgoed. Daarnaast zijn de procedures uniformer en daarmee overzichtelijker geworden.

Onderdelen van de Monumentenwet 1988 met betrekking tot de fysieke leefomgeving worden opgenomen in de Omgevingswet. De aanwijzing van ruimtelijk cultureel erfgoed - beschermde stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen - en omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving, komen in 2021 in de Omgevingswet terecht en zijn dus niet in de Erfgoedwet geregeld. Hierbij wordt wel als vuistregel gehanteerd: omgang met het erfgoed in de Omgevingswet, duiding van het erfgoed in de Erfgoedwet.

De inwerkingtreding van de Omgevingswet staat gepland voor 2021. Voor de onderdelen die in de Omgevingswet zullen worden opgenomen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de periode 2016-2021. De bepalingen uit de Monumentenwet 1988 die in 2021 naar de Omgevingswet over zullen gaan, blijven van kracht tot de Omgevingswet in werking treedt.

Het Besluit ruimtelijke ordening en de Erfgoedwet schrijven niet voor in welke mate met archeologie rekening dient te worden gehouden. De gemeente heeft wat dit betreft beleidsvrijheid en kan het archeologische belang afwegen ten opzichte van andere belangen, de belangen van de burger en van de gemeente.

4.11.2 Doorvertaling bestemmingsplan
4.11.2.1 Archeologie

Op basis van het Parapluplan Archeologie uit 2018 is in het meest noordelijke puntje van het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' opgenomen. Voorliggend plan voorziet niet in bouwactiviteiten ter plaatse van deze archeologische waardeaanduiding. Ter bescherming van de mogelijke aanwezige archeologische resten in de bodem bij eventuele andere toekomstige bouwactiviteiten, zal de dubbelbestemming worden overgenomen in dit plan. De overige gronden van het plangebied zijn vrij van archeologische waarden aanduidingen. Het plan heeft daarmee geen negatief effect vanuit archeologie. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.

4.11.2.2 Cultuurhistorie

In of nabij het plangebied zijn geen cultuurhistorisch waardevolle objecten of structuren. Het plan is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect cultuurhistorie.

4.11.3 Conclusie

Voorliggend initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect archeologie en cultuurhistorie.

4.12 Leidingen

4.12.1 Regelgeving

Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:

  • gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen;
  • aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18”;
  • defensiebrandstoffen;
  • warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18”.
4.12.2 Doorvertaling bestemmingsplan

Aan de zuidkant van het plangebied ligt een gasleiding van de Nederlandse Gasunie. Voorliggend plan staat ter plaatse van de leiding en de aangrenzende beschermingszone van 4 m aan weerszijde van de leiding, geen bouwwerkzaamheden toe. De dubbelbestemming 'Leiding - Gas' en de daarbij behorende regels zullen worden overgenomen in dit plan, zodat de leiding ook bij toekomstige (bouw)activiteiten beschermd blijft.

Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect leidingen.

4.13 Trillingen

Bij het aspect trillingen gaat het in de afweging meestal om bescherming van personen tegen trillinghinder. Er kan echter ook sprake zijn van verstoring van activiteiten door trillingen (bijvoorbeeld laboratoria of computercentra). In Nederland bestaat tot op heden geen wetgeving voor het voorkomen van hinder of schade door trillingen. In de praktijk wordt veelal aangesloten bij de SBR-richtlijn "Meet- en beoordelingsrichtlijnen voor trillingen". Deze richtlijn bestaat uit drie delen:

  • Deel A, Schade aan gebouwen
  • Deel B, Hinder voor personen in gebouwen
  • Deel C, Storing aan apparatuur

Planspecifiek

Ten zuiden van het plangebied, op 21 m vanaf de meest zuidelijke plangrens, ligt de Betuwelijn. Vanuit het aspect trillingen is het daarom van belang om de mogelijke hinder voor zowel de bedrijfswoning als voor de toekomstige bedrijvigheid te beoordelen.

Ten aanzien van de trillinghinder voor gevoelige objecten zoals woningen geldt een grens van 100 m vanaf het hart van de spoorlijn. De toekomstige bedrijfswoning komt op minimaal 180 m van de spoorlijn af te liggen. Enig nadelig effect voor het toekomstig woonklimaat vanuit trillinghinder kan daarmee op voorhand worden uitgesloten.

Voor wat betreft de toekomstige bedrijfsactiviteiten is het van belang onderscheidt te maken tussen de mogelijke negatieve effecten voor de werknemers die werkzaam zijn binnen bedrijfsgebouwen en de mogelijke aanwezigheid van gevoelige apparatuur. De toekomstige bedrijfsloods zal voornamelijk in gebruik worden genomen voor de opslag van goederen. Werknemers zullen er slechts incidenteel aanwezig zijn. Van het gebruik van gevoelige apparatuur is geen sprake. De aanwezigheid van de Betuweroute zorgt daarmee niet voor enig nadelig trillingseffect.

Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect trillingshinder.

4.14 Milieueffectrapportage

Voor activiteiten die belangrijke milieugevolgen kunnen hebben, is het verplicht een milieueffectrapportage (m.e.r.) uit te voeren en een Milieu Effect Rapport (MER) te maken. Hiermee krijgt het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming. De m.e.r. onderzoekt de milieugevolgen van een plan of een besluit en (milieuvriendelijker) alternatieven. Een plan of besluit is m.e.r.-plichtig in een van de volgende situaties:

  • in het Besluit milieueffectrapportage, artikel 7.4 bijlagen C en D zijn activiteiten aangewezen waarvoor direct een m.e.r.-plicht geldt;
  • een m.e.r.-plicht kan volgen uit een passende beoordeling in het kader van de Wet Natuurbescherming;
  • op grond van de provinciale milieuverordening kunnen aanvullend op het Besluit m.e.r. activiteiten worden aangewezen waarvoor een m.e.r.-plicht geldt.

M.e.r.-beoordeling

Een aantal activiteiten op kleinere schaal zijn m.e.r.-beoordelingsplichtig als een indicatieve drempelwaarde uit bijlage D wordt overschreden. Ook als de drempelwaarden niet worden overschreven kan in overleg worden bekeken of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling, omdat er mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Er kunnen twee uitkomsten zijn:

  • als de conclusie is dat er geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden hoeft er geen m.e.r.-procedure te worden doorlopen. Dit wordt in het betreffende plan of besluit gemotiveerd en moet ook formeel bekend worden gemaakt door het bevoegd gezag;
  • als belangrijke nadelige milieugevolgen niet uitgesloten kunnen worden, moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen.

Planspecifiek

Een containerteelt bedrijf is geen activiteit zoals bedoeld in bijlage C en D van artikel 7.4, Besluit milieueffectrapportage. Daarmee kan op voorhand worden gesteld dat het plan niet mer-plichtig is.

4.15 Explosieven

4.15.1 Regelgeving

In de tijd van de Tweede Wereldoorlog is het gebied in de gemeente Neder-Betuwe diverse malen getroffen door bombardementen. De gevechten hebben geleid tot munitieresten in de grond. Bij ontwikkelingen die gepaard gaan met bodemingrepen moet worden nagegaan of er explosieven aanwezig zijn.

4.15.2 Doorvertaling bestemmingsplan

Voor de hele gemeente is een bureau onderzoek gedaan naar of er explosief materiaal in de grond te verwachten is. Uit dit onderzoek blijft dat het plangebied is aangewezen als verdachte locatie met betrekking tot afwerpmunitie en artillerie-mortier en raketbeschietingen. Afhankelijk van de exacte locatie van de nieuwe gebouwen zal een oppervlaktedetectie onderzoek moeten uitwijzen of er daadwerkelijk explosief materiaal aanwezig is. Dit onderzoek wordt uitgevoerd bij de aanleg van deze werkzaamheden. Tegelijkertijd kan, indien er materiaal wordt gedetecteerd, dit op een veilige manier worden opgeruimd. In het kader van voorliggende ontwikkeling is het voldoende aannemelijk dat dit aspect de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg staat. Voorafgaand aan het verrichten van verdere bodemingrepen, zal een detectie-onderzoek worden overlegd.

Het initiatief is daarmee uitvoerbaar op het gebied van explosieven.

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving

5.1 Algemeen

Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding vormen het juridisch bindende deel, terwijl de toelichting geen juridische binding heeft, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen.

In deze paragraaf worden de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, de Wabo en de standaardregels van de gemeente Neder-Betuwe. Voor het bouwen is verder het Besluit omgevingsrecht (Bor) van belang. In het Bor zijn onder andere regels voor vergunningsvrije bouwwerken opgenomen.

In het vervolg van dit hoofdstuk wordt de opbouw en dergelijke van de regels kort toegelicht.

5.2 Inleidende regels

Begrippen 
In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. 

Wijze van meten 
Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.

5.3 Bestemmingsregels

5.3.1 Opbouw bestemmingen

In de bestemmingsregels zijn de verschillende bestemmingen opgenomen. Deze zijn als volgt opgebouwd:

Bestemmingsomschrijving 
Bevat de omschrijving van de doeleinden die met de bestemming aan de grond worden toegekend. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies zoals bedrijven, wonen, centrum etc. De aard van de toegelaten inrichtingen van gronden (bouwwerken en werken, geen bouwwerken zijnde) vloeit dan voort uit de toegelaten functies.

Bouwregels 
In de bouwregels worden voor alle hoofdgebouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de van toepassing zijnde bouwregels gesteld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding.

Afwijken van de bouwregels 
In deze bepaling zijn afwijkingsbevoegdheden toegekend aan het bevoegd gezag ten aanzien van bepaalde bouwregels.

Specifieke gebruiksregels 
In dit onderdeel kan worden aangegeven welke vormen van gebruik men in ieder geval strijdig acht met de bestemming. Het is niet de bedoeling alle mogelijke strijdig gebruiksvormen te noemen, maar alleen die, waarvan het niet op voorhand duidelijk is dat deze in strijd zijn met de bestemming. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling op de doeleindenomschrijving.

Afwijken van de gebruiksregels 
In deze bepaling zijn afwijkingsbevoegdheden toegekend aan het bevoegd gezag ten aanzien van bepaalde gebruiksregels.

5.3.2 Bestemmingen

Hieronder volgt in het kort een beschrijving van de verschillende bestemmingen.

Agrarisch

Het plangebied heeft in de bestaande situatie de bestemming 'Agrarisch'. Deze bestemming blijft voor het gehele plangebied behouden. Om het nieuwe bedrijf mogelijk te maken wordt ter plaatse van de gronden grenzend aan de Varakker een agrarisch bouwvlak toegevoegd. Daarbinnen is de oprichting van bedrijfsgebouwen ten behoeve van de bestemming toegestaan. De bedrijfswoning is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning', vooraan het bouwvlak. Om te voorkomen dat teelt tot aan de Linge kan plaatsvinden is in de regels van deze bestemming geborgd dat binnen een zone van 15 m vanaf de zuidelijke plangrens teelt niet is toegestaan. De gronden binnen deze zone mogen alleen worden ingericht en in stand gehouden als extensief beheerd grasland. Afwijkend ten opzichte van de bestemming 'Agrarisch' uit het vigerende bestemmingsplan is de (kleinschalige) verkoop van eigen producten op het perceel niet toegestaan.

Dubbelbestemming 'Leiding - Gas'

Deze bestemming is opgenomen voor het transport van aardgas. Ter plaatse van deze dubbelbestemming zijn enkel bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan ten behoeve van de daaronder geldende bestemming.


Dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2'

Binnen de archeologische zone is een omgevingsvergunning nodig voor bodemingrepen groter dan 1.000 m² en dieper dan 30 cm.

Dubbelbestemming 'Waarde - Ecologie'

Ter bescherming van het ecologische lint langs de sloot die parallel aan de Varakker in het gebied ligt. Binnen deze zone zijn enkel bouwwerken toegestaan.

Dubbelbestemming 'Waterstaat - Beheerszone watergang'

Deze bestemming is, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming, beheer en verbetering van watergangen en voorzieningen voor de waterhuishouding.


Met dit hoofdstuk is voldaan aan artikel 3.1.3 van het Bro.

5.4 Algemene regels

Anti-dubbeltelbepaling 
Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.

Algemene gebruiksregels 

Deze bepaling bevat de vormen van gebruik, die in ieder geval strijdig zijn met de regels van het bestemmingsplan. Daarnaast zijn regels voor (niet-publieksgerichte) aan huis verbonden beroeps- en bedrijfsactiviteiten en het parkeren opgenomen.

Algemene aanduidingsregels

Aanvullend op de regels die bij de bestemmingen zijn gegeven gelden bijzondere bepalingen die met een aanduiding op de geometrische plaatsbepaling zijn weergegeven. Ter plaatse van het plangebied gelden de gebiedsaanduidingen:

  • 'Geluidzone - spoor';
  • 'Vrijwaringszone - weg'.

Algemene afwijkingsregels 

In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels waarvan door middel van een omgevingsvergunning afgeweken kan worden van het bestemmingsplan. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven.  Er zijn onder meer algemene afwijkingsregels opgenomen voor publieksgerichte aan huis verbonden beroeps- en bedrijfsactiviteiten, bed & breakfastaccommodaties, mantelzorg en kleinschalig kamperen.

Algemene wijzigingsregels 

In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven.

Overige regels

Er is een regeling inzake parkeren opgenomen. Indien op grond van één van de in het voorliggende plan opgenomen bestemmingen wordt gebouwd dan wel het gebruik wordt gewijzigd, dient voorzien te worden in voldoende parkeergelegenheid. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de Nota Parkeernormen d.d. mei 2017. Indien de parkeernota in de toekomst herzien wordt, dient getoetst te worden aan de rechtsopvolger van de voorgenoemde nota.

5.5 Overgangs- en slotregels

Overgangsrecht 

Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bouwregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan, mag eveneens worden voortgezet.

Slotregel

Dit artikel geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Economische uitvoerbaarheid

6.1.1 Exploitatieverplichting

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting van een bestemmingsplan minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens bestaat op grond van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten kunnen worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Een en ander dient te worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten met iedere grondeigenaar. Als er met een grondeigenaar geen overeenkomst is gesloten en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, dient een exploitatieplan te worden opgesteld welke tegelijkertijd met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld.

6.1.2 Conclusie

De ontwikkelingskosten komen geheel voor rekening en risico van de initiatiefnemer. De kosten die door de gemeente gemaakt worden voor het voeren van de planologische procedure zijn verrekend in de leges.

Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd kan worden dat het plan economisch uitvoerbaar is.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling wordt afgezien van het houden van inspraak. De initiatiefnemer heeft de naaste buren van de voorgenomen wijziging op de hoogte gesteld.

Hoofdstuk 7 Procedure

7.1 Overleg

In deze paragraaf, of in een separate bijlage, worden te zijner tijd de resultaten van het vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro opgenomen.

7.2 Inspraak

De initiatiefnemer heeft de eigenaren van de omliggende gronden geïnformeerd over het plan. Gezien de zeer lokale impact van de voorgenomen ontwikkeling wordt de voorontwerpfase overgeslagen en wordt het bestemmingsplan gelijk als ontwerp ter inzage gelegd.

7.3 Ontwerpfase

Van 24 juni 2021 t/m 4 augustus 2021 heeft het ontwerp ter inzage gelegen. Naar aanleiding van een ingekomen zienswijze is het plan gewijzigd ter vaststelling aangeboden. De beantwoording van de zienswijze is als BIjlage 10 toevoegd aan deze toelichting.

7.4 Vaststellingsfase

Op 9 december 2021 heeft de gemeenteraad het bestemmingsplan gewijzigd vastgesteld.

Tegen het besluit tot vaststelling staat voor belanghebbenden direct beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Direct na de beroepstermijn treedt, indien tijdens de beroepstermijn geen verzoek om voorlopige voorziening is ingediend, het plan in werking waarna tot planrealisatie kan worden overgegaan.