direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Delden-Zuid 2015, herziening Brinkweg 28
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1735.SDxBrinkweg28-VS10

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Aan de Brinkweg 28 in Delden is Deltex B.V. gevestigd. Het bedrijf is voornemens om het perceel ten noorden van het bedrijf in te richten als parkeer- en laad- en losplaats. Deze ontwikkeling past niet binnen het geldende bestemmingsplan, waardoor een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk is. Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld om deze ontwikkeling mogelijk te maken.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied is gelegen aan de Brinkweg, aan de zuidzijde van Delden. Het plangebied staat kadastraal bekend als gemeente Stad-Delden, sectie A, perceelnummer 3838 en kent een oppervlakte van 815 m2. De kadastrale grenzen vormen tevens de grenzen van het plangebied. In figuur 1.1 is de ligging van het plangebied weergegeven ten opzichte van Delden, figuur 1.2 toont de begrenzing van het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.SDxBrinkweg28-VS10_0001.png" Figuur 1.1: Ligging plangebied (ter plaatse van de ster) (bron: Esri Nederland, Jan Willem van Aalst)

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.SDxBrinkweg28-VS10_0002.png" Figuur 1.2: Begrenzing plangebied (rood omkaderd) (bron: Esri Nederland, Jan Willem van Aalst)

1.3 Vigerend bestemmingsplan

Het plangebied is gelegen binnen de grenzen van het bestemmingsplan ‘Delden Zuid 2015’, welke door de gemeenteraad van Hof van Twente is vastgesteld op 6 oktober 2015. In figuur 1.3 is een uitsnede van de verbeelding ter plaatse van het plangebied opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.SDxBrinkweg28-VS10_0003.png"

Figuur 1.3: Uitsnede bestemmingsplan ‘Delden Zuid 2015’ ter plaatse van het plangebied (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Het plangebied kent de enkelbestemming ‘Groen’ met de functieaanduiding 'volkstuin' en de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologische verwachting 1’.

De voor ‘Groen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen, voet- en fietspaden, toegangspaden en inritten, speelvoorzieningen, water, afvoer van water, tijdelijke berging, infiltratie van hemelwater, openbare nutsvoorzieningen, verblijfsdoeleinden, dagrecreatief medegebruik en volkstuinen ter plaatse van de aanduiding 'volkstuin’. De voor 'Waarde - Archeologische verwachting 1' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het herstel en behoud van archeologische waarden.

Het realiseren van een parkeer- en laad- en losplaats is op grond van het geldende bestemmingsplan niet mogelijk. Een herziening van het geldende bestemmingsplan is noodzakelijk om de ontwikkeling mogelijk te maken.

1.4 De bij het plan behorende stukken

Het onderhavige bestemmingsplan 'Delden-Zuid 2015, herziening Brinkweg 28' bestaat naast deze toelichting uit de volgende stukken.

  • Verbeelding (identificatie NL.IMRO.1735.SDxBrinkweg28-VS10);
  • Bijlagen bij de toelichting;
  • Regels;
  • Bijlagen bij de regels.

1.5 Leeswijzer

De toelichting van het bestemmingsplan kent de volgende opbouw. In hoofdstuk 2 worden de huidige situatie en het te realiseren plan beschreven. Hoofdstuk 3 schetst het beleidskader. In hoofdstuk 4 worden de resultaten van de uitgevoerde omgevingsonderzoeken behandeld. In hoofdstuk 5 wordt het bestemmingsplan in juridisch opzicht toegelicht. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de economische uitvoerbaarheid en in hoofdstuk 7 wordt ten slotte de maatschappelijke uitvoerbaarheid belicht.

Hoofdstuk 2 Het plan

2.1 Huidige situatie

In de huidige situatie bevinden zich in het plangebied enkele volkstuinen met bijbehorende schuurtjes. Aan de randen van het plangebied bevinden zich enkele bomen en opgaande beplanting. Het plangebied wordt ontsloten via de Brinkweg. Figuur 2.1 toont een luchtfoto van de huidige situatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.SDxBrinkweg28-VS10_0004.png" Figuur 2.1: Luchtfoto huidige situatie plangebied (bron: kadastralekaart.com)

2.2 Toekomstige situatie

In de toekomstige situatie zal het plangebied ingericht worden als parkeer- en laad- en losplaats voor het bedrijf Deltex B.V., gelegen ten zuiden van het plangebied. Er zullen 16 parkeerplaatsen gerealiseerd worden. Deze parkeerplaatsen zullen met groen omzoomd worden om ze af te schermen van de weg. Aan de oostzijde van het plangebied zal een laad- en losplaats gerealiseerd worden. Gelijktijdig met de realisatie van de voorgenomen ontwikkeling zal de Brinkweg heringericht worden. De gehele ontwikkeling aan de voorzijde van het bedrijf moet leiden tot een overzichtelijkere en veiligere situatie. Figuur 2.2 toont de toekomstige inrichting van het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.SDxBrinkweg28-VS10_0005.png" Figuur 2.2: Toekomstige situatie plangebied (bron: Kienhuis Bouwmanagement)

Hoofdstuk 3 Beleid

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is op 13 maart 2012 vastgesteld. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. Tevens vervangt het een aantal ruimtelijke doelen en uitspraken in onder andere de Agenda Landschap en de Agenda Vitaal Platteland. Daarmee wordt de SVIR het kader voor thematische of gebiedsgerichte uitwerkingen van rijksbeleid met ruimtelijke consequenties.

In de SVIR heeft het Rijk drie rijksdoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):

  • Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;
  • Het verbeteren, instandhouden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
  • Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

Voor de drie rijksdoelen worden de 13 onderwerpen van nationaal belang benoemd. Hiermee geeft het Rijk aan waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. Buiten deze nationale belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.

De drie hoofddoelen van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid kennen nationale opgaven die regionaal neerslaan. Opgaven van nationaal belang in Oost-Nederland (de provincies Gelderland en Overijssel) zijn:

  • Het waar nodig verbeteren van de internationale achterlandverbindingen (weg, spoor en vaarwegen) die door Oost Nederland lopen. Dit onder andere ten behoeve van de mainports Rotterdam en Schiphol;
  • Het formuleren van een integrale strategie voor het totale rivierengebied van Maas en Rijntakken (Waal, Nederrijn, Lek en de IJssel, deelprogramma rivieren van het Deltaprogramma) en de IJsselvechtdelta (deelprogramma's zoetwater en rivieren) voor waterveiligheid in combinatie met bereikbaarheid, ruimtelijke kwaliteit, natuur, economische ontwikkeling en woningbouw;
  • Het tot stand brengen en beschermen van de (herijkte) EHS (inmiddels NNN), inclusief de Natura 2000 gebieden (zoals de Veluwe);
  • Het robuust en compleet maken van het hoofdenergienetwerk (380 kV), onder andere door het aanwijzen van het tracé voor aansluiting op het Duitse hoogspanningsnet.

Voor het juridisch borgen van de nationale belangen uit deze Structuurvisie heeft het Rijk op basis van de Wet ruimtelijke ordening, twee besluiten waarmee dat mogelijk is. Deze twee besluiten zijn verschillend van elkaar in aard (beleidsmatig versus procesmatig):

  • Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Dit geeft de juridische kaders die nodig zijn om het vigerend ruimtelijk beleid te borgen.
  • Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het Bro stelt vanuit de rijksverantwoordelijkheid voor een goed systeem van ruimtelijke ordening juridische kaders aan de processen van ruimtelijke belangenafweging en besluitvorming bij verschillende overheden.

Conclusie

Voorliggend bestemmingsplan heeft geen raakvlakken met de nationale belangen zoals deze benoemd zijn in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Derhalve wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van strijd met het rijksbeleid.

3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking

Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat van een nieuwe 'stedelijke ontwikkeling' die in een bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt moet worden aangetoond dat er sprake is van een behoefte. De toelichting bij het bestemmingsplan bevat daartoe een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, bevat een toelichting tevens een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Dit wordt de 'Ladder Duurzame Verstedelijking' genoemd.

De beschrijving van de behoefte aan de betreffende, 'stedelijke ontwikkeling', moet inzichtelijk maken of, in relatie tot het bestaande aanbod, concreet behoefte bestaat aan de desbetreffende ontwikkeling. Die behoefte moet dan worden afgewogen tegen het bestaande aanbod, waarbij moet worden gemotiveerd dat rekening is gehouden met het voorkomen van leegstand.

De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling.

Onderhavig plan

Onderhavig plan maakt de uitbreiding van het bedrijfsperceel van Deltex B.V. mogelijk. De omvang van het bedrijfsperceel neemt met 815 m2 toe (alleen verharding, geen extra bebouwing). Op basis van de overzichtsuitspraak met betrekking tot de Ladder voor duurzame verstedelijking van 28 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:201:1724) is bepaald dat wanneer een bestemmingsplan voorziet in een ontwikkeling met een ruimtebeslag van meer dan 500 m2 deze ontwikkeling in beginsel als een stedelijke ontwikkeling aangemerkt dient te worden.

Omdat in onderhavig geval er sprake is van uitbreiding van het bedrijfsperceel met een oppervlakte van meer dan 500 m2 is er in beginsel sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling en dient er gemotiveerd worden dat er een behoefte is aan deze ontwikkeling. Als de nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte en gepland is binnen bestaand stedelijk gebied dan wordt voldaan aan de ladder. Als de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied is gepland, moet volgens artikel 3.1.6 lid 2 Besluit ruimtelijke ordening gemotiveerd worden waarom niet binnen bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. In onderstaande wordt het onderhavig plan getoetst aan de Ladder voor duurzame verstedelijking.

Bestaand stedelijk gebied

Zoals is beschreven voldoet een ontwikeling aan de Ladder als de behoefte is aangetoond en de ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied gerealiseerd wordt. In artikel 1.1.1. onder h van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip 'bestaand stedelijk gebied' vastgelegd. Als bestaand stedelijk gebied wordt aangemerkt: 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'.

Het plangebied is gelegen op een stuk openbaar groen, aansluitend aan bedrijvigheid en in de bebouwde kom van Delden. In de omgeving zijn wegen, woningen, volkstuinen en het Twentekanaal gelegen. De ontwikkeling sluit aan op bestaande bebouwing van Deltex. In dit geval is sprake van bestaand stedelijk gebied.

Behoefte

Uit dit bestemmingsplan blijkt dat het bedrijf een concrete behoefte heeft aan 16 parkeerplaatsen met een laad- en los plek mogelijkheid aanlsuitend bij het bedrijf. Op het huidige terrein van Deltex is momenteel geen ruimte om 16 parkeerplaatsen en een laad- en losplaats voor het bedrijf te realisen. Met name voor de laad- en los mogelijkheden is het van belang dat de gronden gelegen zijn aansluitend op het terrein. Daarnaast zijn er in de omgeving ook niet voldoende parkeerplaatsen aanwezig waar werknemers en bezoekers van Deltex gebruik van kunnen maken.

Hierbij is het ook niet wenselijk dat de parkeerplaatsen en laad- en los mogelijkheden gesplitst worden van het bedrijf. Hierdoor zullen nadere vervoersbewegingen (alsnog) noodzakelijk zijn om de producten en werknemers te brengen en halen naar het bedrijf. De extra verkeersbewegingen die dit zou veroorzaken en de kosten die daarmee gemoeid zijn wegen niet op tegen de baten.

Verplaatsing van het gehele bedrijf (zowel bestaande bebouwing en voorzieningen als de gewenste uitbreiding) is vanuit financieel oogpunt niet haalbaar. De gewenste voordelen van de uitbreiding zouden dan teniet worden gedaan door de extra kosten die verplaatsing van het bestaande bedrijf door aankoop van een bedrijfsperceel, het realiseren van nieuwe bedrijfsbebouwing en bijbehorende voorzieningen met zich meebrengt. Daarnaast is het terrein en de bebouwing ingericht op de huidige wensen van het bedrijf.

De locatie zorgt voor het optimaal kunnen bedienen van de klantenkring. Deltex heeft veel lokale en regionale klanten die vanuit de locatie kunnen worden voorzien van alle wensen. Het bedrijf is gebonden aan het dorp Delden, mede door haar werknemers die veelal afkomstig zijn uit Delden.

Bij de verplaatsing naar een bedrijventerrein zal minimaal een perceelsoppervlakte van circa 9000 m2 (dus 0,9 hectare) benodigd zijn (oppervlakte huidig bedrijfsperceel inclusief uitbreiding). Een geschikt perceel van een dergelijke grootte (of een beschikbaar te herstructureren pand/perceel) kan niet worden gevonden in de omgeving, of op bedrijventerreinen binnen de gemeente. Ook in buurgemeenten zoals kan deze ruimte niet worden gevonden. Aan de vestigingsvoorwaarden voor vestiging op het XL-Businesspark kan niet worden voldaan (minimale perceelgrootte dient 2 hectare te zijn). Daarnaast zou een dergelijke verhuizing voor een bedrijf als Deltex financieel niet haalbaar.

Er zijn door de jaren heen grote investeringen gedaan op het perceel Brinkweg 28. Deze investeringen zouden goeddeels teniet worden gedaan bij vertrek van deze locatie. De verkoopprijs van het comlex zal absoluut niet opwegen tegen de kosten van de gedane investeringen. Daarnaast is het ook maar de vraag welk bedrijf behoefte heeft aan de specifieke voorzieningen die Deltex gerealiseerd heeft.

Geconcludeerd wordt dat algehele verplaatsing leidt tot een onevenredige kapitaalsvernietiging voor het bedrijf evenals tot onaanvaardbare risico's.

Tot slot wordt opgemerkt dat de gewenste ontwikkeling gelegen is binnen bestaand stedelijk gebied, het aansluit op het bestaande pand én het voorziet in een specifieke regionale behoefte en wens.

3.2 Provinciaal beleid Overijssel

3.2.1 Omgevingsvisie Overijssel

Op 13 november 2019 is door de Provinciale Staten van Overijssel de Actualisatie Omgevingsvisie Overijssel 2018/2019 vastgesteld. De aanpassingen van de Omgevingsvisie die met de Actualisatie 2018/2019 zijn doorgevoerd zijn op 1 december 2019 in werking getreden. Met de Actualisatie 2018/2019 is de Omgevingsvisie weer bij de tijd gebracht.

De Omgevingsvisie Overijssel geeft de provinciale visie op de fysieke leefomgeving van Overijssel weer. Hierin worden onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur aangehaald in samenhang voor een duurzame ontwikkeling van de leefomgeving. De Omgevingsvisie is onder andere een structuurvisie onder de Wet ruimtelijke ordening.

Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn de leidende principes of 'rode draden' bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel.

3.2.2 Omgevingsverordening Overijssel

De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren.

Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Actualisatie Omgevingsverordening Overijssel 2018/2019 van de provincie Overijssel. De Provinciale Staten van Overijssel hebben de Actualisatie Omgevingsverordening Overijssel 2018/2019 op 13 november 2019 vastgesteld en is op 1 december 2019 in werking getreden. Met de vaststelling van de Actualisatie 2018/2019 is de Omgevingsverordening weer bij de tijd gebracht.

De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is.

3.2.3 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel

De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Actualisatie Omgevingsvisie 2018/2019 geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving.

Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten:

  • generieke beleidskeuzes;
  • ontwikkelingsperspectieven;
  • gebiedskenmerken.

Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht.

Generieke beleidskeuzes

Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase het zgn. principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik gehanteerd. Hierin komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaand bebouwd gebied wordt benut, voordat er uitbreiding in de groene omgeving kan plaatsvinden.

Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en verbindingszones enzovoorts. De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend en verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel.

Ontwikkelingsperspectieven

Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities.

De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven.

Gebiedskenmerken 

Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en lust- en leisurelaag) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt.

Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.SDxBrinkweg28-VS10_0006.png"

Figuur 3.1: Uitvoeringsmodel Actualisatie Omgevingsvisie 2018/2019 (Bron: provincie Overijssel)

Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten Omgevingsvisie Overijssel

Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan de Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld.

Generieke beleidskeuzes

Of een ontwikkeling mogelijk is, wordt bepaald op basis van generieke beleidskeuzes. Hierbij zijn onder andere het principe van 'zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik' (artikel 2.1.3) en ruimtelijke kwaliteit (2.1.5) van belang die er voor staat dat in eerste instantie bestaande bebouwing en stedelijk gebied wordt beut, voordat er nieuwbouw in de groene omgeving plaatsvindt.

Artikel 2.1.3 Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik

Lid 1

Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in stedelijke ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen op de Groene Omgeving wanneer aannemelijk is gemaakt:

  • dat er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied en de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en/of transformatie;
  • dat mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut.

Lid 2

Bestemmingsplannen voor de Groene Omgeving voorzien uitsluitend in ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen anders dan de uitleg van steden en dorpenwanneer aannemelijk is gemaakt:

  • dat (her)benutting van bestaande erven en/of bebouwing in de Groene Omgeving in redelijkheid niet mogelijk is;
  • dat mogelijkheden voor combinatie van functies op bestaande erven optimaal zijn benut.

Doorwerking voorliggend plan:

Onderhavig plan maakt de verruiming van de bedrijfsbestemming mogelijk. In paragraaf 3.1.2 is gemotiveerd dat de utibreiding binnen bestaand stedelijk gebied gelegen is en er een specifieke behoefte aanwezig is. Er is gekozen voor het plangebied door de ligging direct aan het bedrijf en de bedrijfsbestemming. Er wordt aangesloten bij het bedrijf en de parkeerplaatsen zullen ingepast worden. Met deze toevoeging wordt invulling gegeven aan de behoefte van Deltex B.V. op een stuk openbaar groen.

Artikel 2.1.5 Ruimtelijke kwaliteit

In de toelichting op bestemmingsplannen wordt onderbouwd dat de nieuwe ontwikkelingen die een bestemmingsplan mogelijk maakt, bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken.

Doorwerking voor voorliggend plan:

Als gevolg van dit bestemmingsplan is een schets gemaakt van de toekomstige situatie. Hieruit blijkt dat de ontwikkeling op een zorgvuldige, en in relatie tot de omgeving en de bestaande bebouwing, wijze wordt ingepast. Derhalve kan gesteld worden dat de ontwikkeling bijdraagt aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de gelende gebiedskenmerken. In het vervolg zullen de gebiedskenmerken nader besproken worden.

Ontwikkelingsperspectieven

De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. In dit geval zijn uitsluitend de ontwikkelingsperspectieven voor de stedelijke omgeving van belang. In figuur 3.2 is een fragment van de kaart van de ontwikkelingsperspectieven behorende bij de Omgevingsvisie weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.SDxBrinkweg28-VS10_0007.png"

Figuur 3.2: Fragment ontwikkelingsperspectievenkaart, Omgevingsvisie Overijssel, de locatie is aangegeven (bron: provincie Overijssel)

Het plangebied is gelegen binnen het ontwikkelingsperspectief 'Woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken'. In dit ontwikkelingsperspectief mag altijd gebouwd worden de lokale behoefte aan wonen, werken en voorzieningen, inclusief lokaal gewortelde bedrijvigheid, mits onderbouwd en regionaal afgestemd.

Onderhavig plan sluit aan op een concrete regionale behoefte van Deltex B.V. in Delden. In onderhavige toelichting is aangetoond dat er een noodzaak is voor het uitbreiden ten behoeve van parkeren en laden en lossen. De plannen van initiatiefnemers doen geen afbreuk aan het eigen karakter van het gebied en leveren geen extra belemmerignen op voor omliggende woningen.

Gebiedskenmerken

Natuurlijke laag

Het plangebied is gelegen in een dekzandlandschap, in de natuurlijke laag het plangebied derhalve het kenmerk 'Dekzandvlakten en ruggen' gekregen (zie figuur 3.3).

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.SDxBrinkweg28-VS10_0008.png"

Figuur 3.3: Natuurlijke laag, omgevingsvisie Overijssel, de locatie is aangegeven (bron: provincie Overijssel)

De dekzandgronden beslaan een groot gedeelte van de oppervlakte van de provincie. Na de ijstijden bleef er in grote delen een reliëfrijk – door de wind gevormd – zandlandschap achter, dat gekenmerkt wordt door relatief grote verschillen tussen hoog/droog en laag/nat gebied. Soms vlak bij elkaar, soms verder van elkaar verwijderd. Als ontwikkelingen plaats vinden, dan dragen deze bij aan het beter zichtbaar en beleefbaar maken van de hoogteverschillen en het watersysteem. Beiden zijn tevens uitgangspunt bij (her)inrichting.

Onderhavig plan doet geen afbreuk aan de kenmerken van de natuurlijke laag. Van natuurlijke hoogteverschillen in het fysisch geografische landschap is als gevolg van eerdere ontwikkelingen in het plangebied en haar omgeving geen sprake meer. Bij de ontwikkeling van het plangebied zal rekening gehouden worden met het watersysteem.

Laag van het agrarisch cultuurlandschap

De laag van het agrarisch cultuurlandschap heeft binnen het plangebied geen specifieke kenmeken en blijven daarom verder buiten beschouwing.

Stedelijke laag

De stedelijke laag kent het kenmerk 'Woonwijken 1955 - nu' en 'Informele trage netwerk' aan het gebied toe. In figuur 3.4 is een fragment van de betreffende kaart weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.SDxBrinkweg28-VS10_0009.png"

Figuur 3.4: stedelijke laag, omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel)

De woonwijken van 1955 tot nu zijn planmatig opgezette uitbreidingswijken op basis van een collectief idee en grotere bouwstromen. De functies (wonen, werken, voorzieningencentra) zijn uiteengelegd en de wijken zijn opgedeeld in buurten met een homogeen bebouwingskarakter: buurten met eengezinswoningen, flatwijken, villawijken, wijk(winkel)centra. Als ontwikkelingen plaats vinden in de naoorlogse woonwijken, dan voegt nieuwe bebouwing zich in de aard, maat en het karakter van het grotere geheel (patroon van o.a. wooneenheden en parken), maar is als onderdeel daarvan wel herkenbaar.

Onderhavig plan voorziet in de uitbreiding van een bestaand bedrifjsperceel. Er wordt aangesloten bij bestaande bebouwing,er zal geen nieuwe bebouwing gerealiseerd worden. Het plan doet derhalve geen afbreuk aan de gebiedskenmerken van de stedelijke laag.

De 'Stedelijke laag' en de 'Laag van de beleving' hebben binnen het plangebied geen specifieke kenmerken en blijven daarom verder buiten beschouwing.

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat de in dit voorliggende bestemmingsplan besloten planologische wijziging volledig in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Strategische Visie 'Hof van Twente - Zicht op 2030"

Doel van de toekomstvisie is het schetsen van de grote lijnen: wat kenmerkt de gemeente Hof van Twente nu en straks. Maar de visie geeft ook een mogelijk toekomstperspectief specifiek voor de gemeente, met vernieuwende ideeën en kansrijke oplossingsrichtingen. Een perspectief dat beoogt te boeien, te inspireren en richtinggevend te zijn bij het maken van keuzes.

Alle kernen en buurtschappen hebben hun eigen sterke en zwakke punten. In 2030 wordt het onderscheid tussen de verschillende delen gerespecteerd en krijgt het de ruimte. In die verscheidenheid schuilt de kracht van Hof van Twente. Vanzelfsprekend houden kernen uiteenlopende functies, maar door bewust accenten te leggen kan iedere kern werken aan een herkenbaar profiel van de eigen sterke punten en zich hiermee profileren. Voor Delden wordt gedacht aan het profiel van een 'Historie'.

Op basis van een schets van de identiteit van de gemeente en een analyse van trends is in de vorm van een wensbeeld een toekomstperspectief geschreven. Dit perspectief isgeschreven in de vorm van een twintigtal streefbeelden voor 2030. In het kader van het onderhavig bestemmingsplan is vooral streefbeeld 15 van belang.

Streefbeeld 15: Werkgelegenheid in kernen, concentraties technische en productiebedrijven in grotere kernen.

Hof van Twente beschikt in 2030 over een uitstekende bereikbaarheid over spoor, weg en water. Dit zijn belangrijke voorwaarden voor het vestigen van bedrijven in de gemeente. Binnen de gemeente is een grote diversiteit aan locaties ten behoeve van bedrijven. Voor grotere bedrijven is er het bedrijventerrein Zenkeldamshoek in Goor.

Wat de behoefte aan nieuwe bedrijfsterreinen betreft: door revitalisering en in hoogte bouwen (efficiënter ruimtegebruik) is de behoefte aan nieuwe terreinen beperkt. Bedrijventerreinen en bedrijfsverzamelgebouwen zullen in belangrijke mate centraal worden gecreëerd en gerevitaliseerd. Maar ook voor die centrale bedrijventerreinen geldt, dat ze voor lokale bedrijvigheid van binnen de gemeente bedoeld blijven en géén regionale functie bezitten. In de kleine kernen beperkt zich dit tot werkelijk lokaal gebonden bedrijvigheid. Niet sociaal economisch gebonden bedrijven zijn aangewezen op de centrale kernen.

Toets

Deltex is momenteel gelegen op een bestaand terrein dat is ingericht op de wensen van het bedrijf. Behoefte aan een nieuwe locatie is er niet. Het plangbied, direct gelegen aan het bestaande bedrijfsterrein, zal specifiek ingericht worden op de wensen van Deltex. Hiermee gaat Deltex de ruimte efficiënt gebruiken die in de directe omgeving beschikbaar is.

De strategische visie staat de uitbreiding, ten behoeve van parkeerplaatsen, staat de gewenste ontwikkeling niet in de weg. Met de gewenste ontwikkeling van de locatie wordt op een inbreidingslocatie (in Delden) voorzien in een specifieke wens van Deltex.

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving staan van het verrichte onderzoek naar de voor het plan relevante feiten en de af te wegen belangen (Algemene wet bestuursrecht, artikel 3.2).

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de geldende wet- en regelgeving die op voorliggend plan en plangebied van toepassing zijn. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden daarom de resultaten van het onderzoek naar o.a. de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreffen voor zover relevant de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, verkeer, water en vormvrije m.e.r-beoordeling.

4.1 Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Op 1 april 2011 is het huidige Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Op 7 juli 2017 zijn er enkele wijzigingen doorgevoerd binnen dit besluit om de m.e.r.-procedure eenduidiger en overzichtelijker te maken, alsmede het aspect milieueffectrapportage explicieter te behandelen in aanvragen. Dit besluit heeft tot doel het vaststellen van mogelijke, ernstig nadelige milieugevolgen ten gevolge van een activiteit binnen de aanvraag.

Binnen het Besluit milieueffectrapportage zijn een tweetal mogelijkheden opgenomen hoe om te gaan met dit besluit bij een aanvraag. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd, maar onder de gestelde drempelwaarden blijft, volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd en bovendien de gestelde drempelwaarden overstijgt, is de betreffende aanvraag m.e.r.-plichtig. Op dat moment zal een m.e.r.-rapportage op moeten worden gesteld.

Toets

Middels voorliggend plan wordt de uitbreiding van het bedrijfsperceel van Deltex B.V. met een parkeer- en laad- en losplaats, met een oppervlakte van 815 m2, mogelijk gemaakt. De ontwikkeling is concreet beschreven in Hoofdstuk 2. Het gaat om de uitbreiding van een bestaand bedrijf, welke in de huidige situatie reeds de bestemming 'Bedrijf' kent.

De ontwikkeling wordt in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage aangemerkt als D 11.2: De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. De m.e.r.- plicht geldt bij projecten van een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer omvatten.

De genoemde maximum oppervlakken gelden als drempelwaarden. Het ruimtebeslag van het onderhavige project ligt ruimschoots beneden de drempelwaarde. Conclusie die op grond hiervan getrokken kan worden is dat het onderhavige project niet m.e.r.-beoordelingsplichtig is.

Uit voorgaande volgt dat de uitbreiding van het bedrijfsperceel Deltex B.V. met een parkeer- en laad- en losplaats, met een oppervlakte van 815 m2, mogelijk gemaakt in algemene zin niet te kwalificeren is als stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. De kwalificatie is wel afhankelijk van specifieke omstandigheden van een project en de ruimtelijke gevolgen die het project met zich meebrengt. In die gevallen is het Besluit m.e.r. niet van toepassing en hoeft geen aanmeldnotitie te worden opgesteld.

De ontwikkeling wordt daarbij op passende wijze in het landschap opgenomen. De ruimtelijke uitstraling/de verandering die de ontwikkeling per saldo op de omgeving heeft is daardoor beperkt. Geconcludeerd kan worden dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als in de zin van het Besluit m.e.r.

4.2 Milieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:

  • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is.

Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied' dan wel 'gemengd gebied'. Het plangebied is gelegen in het omgevingstype rustige woonwijk. In figuur 4.1 zijn de richtafstanden weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.SDxBrinkweg28-VS10_0010.png"

Figuur 4.1: Richtafstanden VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering

Toets

Het onderhavige plan voorziet in de realisatie van een parkeer- en laad- en losplaats. Bij het realiseren van een dergelijke functie spelen in het kader van bedrijven en milieuzonering twee vragen een rol:

  • 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking);
  • 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).

Externe werking

Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hiervan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden wordt aangetast.

De bestaande bestemming 'Groen' zal gewijzigd worden in de bestemming 'Bedrijf' zonder bouwvlak. Deze uitbreiding zal plaatsvinden om het laden- en lossen en parkeren mogelijk te maken. Op basis van de VNG-uitgave geldt voor autoparkeerterreinen een maximale richtafstand van 30 meter voor het aspect geluid en een maximale richtafstand van 10 meter voor het aspect geur. Voor een laad- en losplaats is in de VNG-uitgave geen richtafstand opgenomen.

De meest nabijgelegen milieugevoelige functies betreffen de woningen die gelegen zijn aan de Hooi-esch 26 tot met 36. Deze woningen bevinden zich op circa 18 meter van het plangebied. Daarmee wordt niet voldaan aan de richtafstand voor het aspect geluid.

Het is toegestaan om gemotiveerd af te wijken van de richtafstanden, bijvoorbeeld door het uitvoeren van onderzoek. Door Geluid Plus Adviseurs is een akoetisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidsbelasting op de nabijgelegen woning als gevolg van het onderhavige plan. Het onderzoek is opgenomen als Bijlage 1 bij deze toelichting. Voor een nadere toelichting op de resultaten wordt verwezen naar paragraaf 4.4. In deze paragraaf wordt gesteld dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd kan worden.

Er blijft sprake van een aanvaardbare situatie voor wat betreft het aspect externe werking.

Interne werking

Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving. Een parkeer- en laad- en losplaats betreft geen milieugevoelige functie. Verder toetsing aan interne werking kan derhalve achterwege blijven.

Er blijft sprake van een aanvaardbare situatie voor wat betreft het aspect bedrijven en milieuzonering en een goed woon- en leefklimaat.

4.3 Bodem

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient in de daarvoor aangewezen gevallen een bodemonderzoek te worden verricht.

Artikel 3.1.6 van het Bro bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat een eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of de (financiële) uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het opstellen of wijzigen van het bestemmingsplan of een planologische afwijking. Als er verontreiniging aanwezig is moet bepaald (nader onderzoek) worden of het een geval is in de zin de Wbb of een diffuse verontreiniging. In de exploitatieopzet moeten de saneringskosten en de verwerkingskosten voor diffuus verontreinigde grond worden opgenomen.

Toets

Ten behoeve van onderhavig bestemmingsplan is door Kruse Milieu een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (kenmerk: 19073016) om de milieu-hygiënische kwaliteit van de bodem vast te stellen. De resultaten van het onderzoek staan hieronder weergeven. Het volledige bodemonderzoek is in Bijlage 2 bij deze toelichting opgenomen.

Resultaten veldwerk

De onderzoekslocatie is beschouwd als verdacht voor asbest. Door het voormalige gebruik van de onderzoekslocatie als moestuin zijn er mogelijk bestrijdingsmiddelen toegepast. Hierdoor wordt de bovengrond aanvullend op OCB onderzocht. Op verzoek van de opdrachtgever wordt de bovengrond aanvullend op PFAS onderzocht. In totaal zijn 6 inspectiegaten gegraven en is er 1 boring verricht. Eén diepe boring is doorgezet tot circa 2.60 m-mv en afgewerkt tot peilbuis. Gebleken is dat de bodem voornamelijk bestaat uit matig fijn zand. In de boven- en ondergrond zijn roest- en oerhoudende lagen aangetroffen. Zintuiglijk zijn geen bodemvreemde materiaal waargenomen. Het freatische grondwater is aangetroffen op 0.96 meter min maaiveld.

Resultaten chemische analyses

Op basis van de resultaten van de chemische analyses kan het volgende worden geconcludeerd:

  • de bovengrond (BG) is niet verontreinigd en bevat geen OCB;
  • de ondergrond (OG) is niet verontreinigd;
  • de bovengrond (BG - PFAS) bevat PFAS in gehalten lager dan de achtergrondwaarden;
  • het grondwater (PB 1) is licht verontreinigd met barium.

Resultaten asbestanalyses

  • MM FF - 01 bevat geen asbest.

Hypothese

De hypothese "onverdachte locatie" dient te worden verworpen, aangezien er een overschrijding van de streefwaarde is aangetoond.

De hypothese “verdacht van aanwezigheid van asbest” dient te worden verworpen, aangezien er geen asbest is aangetoond.

 Conclusies en aanbevelingen

In het grondwater is een verontreiniging aangetoond. Voor een beschrijving en mogelijke verklaringen wordt verwezen naar de paragrafen 4.3 en 4.4 van het onderzoek. In de boven- en ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetoond. De bovengrond bevat geen OCB. Aangezien de tussenwaarde niet wordt overschreden, wordt het uitvoeren van nader onderzoek niet noodzakelijk geacht.

Het bovengrondmengmonster (BG - PFAS) bevat PFAS in gehalten lager dan de achtergrond-waarden uit het “Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS houdende grond en baggerspecie”.

Op basis van de gemeten gehalten valt de bovengrond in functieklasse “Altijd toepasbaar”.

In het mengmonster van de fijne fractie MM FF - 01 is geen asbest aangetoond.

Slotconclusie

Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de bestemmingsplanwijziging en de voorgenomen realisatie van parkeerplaatsen, aangezien de vastgestelde verontreiniging geen risico voor de volksgezondheid oplevert. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (parkeerplaats met laad- en losmogelijkheid).

4.4 Geluid

In het kader van de Wet geluidhinder moet er bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, c.q. een ontheffing op grond van de Wro, een onderzoek worden gedaan naar de geluidsbelasting op de gevels van geluidsgevoelige objecten, voor zover deze geluidsgevoelige objecten zijn gelegen binnen een zonering van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen.

De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies:

  • Woningen.
  • Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal).
  • Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc.

Enerzijds betekent dit dat (geluids-)eisen worden gesteld aan de nieuwe milieubelastende functies, anderzijds betekent dit eveneens dat beperkingen worden opgelegd aan de nieuwe milieugevoelige functies.

Toets

Industrielawaai

In hoofdstuk 4.2 is gebleken dat een akoestisch onderzoek noodzakelijk is voor het bepalen van het industrielawaai ten hoogte van de Brinkweg 28. In onderhavig plan is een akoestisch onderzoek uitgevoerd door Geluid Plus adviseurs (kenmerk: 19.270).

Het onderzoek, opgenomen in Bijlage 1, maakt de geluidbelasting, het gemiddelde geluidniveau (het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau) en kortstondige pieken (het maximaal geluidniveau), ten gevolge van de uitbreiding van de inrichting inzichtelijk ter plaatse van de nabij gelegen woningen en overige geluidgevoelige gebouwen. Voor de huidige inrichting wordt er vanuit gegaan dat deze voor geluid voldoet aan de normen van het Activiteitenbesluit.

In de nabijheid van de uitbreiding liggen woningen (geluidgevoelige gebouwen) aan de Rauwland, Hooi-Esch, De Helle en de Vossenbrinkweg. Ter plaatse van maatgevende omliggende woningen is de geluidbelasting inzichtelijk gemaakt.

Het uitgangspunt van het voorliggende onderzoek is dat de huidige inrichting voldoet aan de normering van het “Activiteitenbesluit Milieubeheer”. Artikel 2.17 Activiteitenbesluit is van belang. Er geldt dat de niveaus op de tabel 4.1 genoemde plaatsen en tijdstippen niet meer bedragen dan de in die tabel aangegeven waarden:

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.SDxBrinkweg28-VS10_0011.png" Tabel 4.1. Activiteitenbesluit 2.17a.

De in de periode tussen 07.00 en 19.00 uur in tabel 4.1 opgenomen maximale geluidsniveaus L Amax zijn niet van toepassing op laad- en losactiviteiten.

Het bevoegd gezag kan op basis van artikel 2.1 zorgplicht - indirecte hinder maatwerkvoorschriften opleggen voor geluidhinder veroorzaakt door verkeersbewegingen van en naar de inrichting (hierna: indirecte hinder). Indirecte hinder wordt beoordeeld conform de Circulaire ‘Geluidhinder veroorzaakt door wegverkeer van en naar de inrichting;…’ van 29 februari 1996. De hierin opgenomen richtwaarden voor de geluidbelasting bedragen 50, 45 en 40 dB(A) voor het equivalente beoordelingsniveau (L Aeq ) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

Gemeentelijk geluidbeleid.

Voor ruimtelijke ontwikkelingen heeft de gemeente Hof van Twente gebiedsgericht geluidbeleid opgesteld. Voor de (woon)omgeving rondom Deltex zijn de volgende beleidsregels van toepassing:

  • De woonomgeving van Deltex kan, conform het beleid, het beste getypeerd worden als een woonwijk;
  • Beleidsambities voor industrielawaai voor woonwijken:
    • 1. Waarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau:
      • a. Ambitie: 40, 35 en 30 dB(A) voor resp. de dag-, avond- en nachtperiode;
      • b. Plafond: 50, 45 en 40 dB(A) voor resp. de dag-, avond- en nachtperiode;
  • Waarde voor het maximaal (piek)geluidniveau:
    • 1. Ambitie: 50, 45 en 40 dB(A) voor resp. de dag-, avond- en nachtperiode;
    • 2. Plafond: 70, 65 en 60 dB(A) voor resp. de dag-, avond- en nachtperiode;

Akoestische bedrijfssituatie en geluidvermogenniveaus

In dit akoestisch onderzoek is de representatieve bedrijfssituatie van de uitbreiding onderzocht. Deze bedrijfssituatie van de uitbreiding komt frequent voor en is akoestisch maatgevend.

Voor de uitbreiding is van het volgende uitgegaan:

  • Bedrijfstijden: 08:00 – 17:00 uur;
  • Personenauto’s:
    • 1. 10 stuks voor personeel;
    • 2. stuks voor bezoekers.
  • Vrachtwagens:
    • 1. Gemiddeld 3 stuks per week, maximaal 2 stuks op één dag;
    • 2. Laden en lossen met heftruck à ½ uur per vrachtwagens;
    • 3. Alleen in de dagperiode.

Het verkeer van en naar de inrichting vindt plaats via de Brinkweg, van en naar de kruising met de Beckumerweg. Het geluid van de verkeersbewegingen op het terrein van de inrichting betreft directe hinder. Het verkeer van en naar de inrichting, op de Binkweg, betreft indirecte hinder.

Representatieve bedrijfssituatie

In tabel 4.2 zijn de bedrijfsduur en aantallen van de relevante geluidbronnen opgenomen. Voor een uitgebreide toelichting op de gehanteerde geluidsvermogens wordt verwezen naar het akoestisch onderzoek, opgenomen in Bijlage 1.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.SDxBrinkweg28-VS10_0012.png" Tabel 4.2: Geluidsbronnen in de representatieve bedrijfssituatie.

Conclusie

Op grond van het akoestich onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd:

  • Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (L Ar,LT ) van de uitbreiding bedraagt ten hoogste 39 dB(A) in de dagperiode ter plaatse omliggende woningen. Hiermee wordt voldaan aan de ambitiewaarde conform het gemeentelijk beleid;
  • Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (L Ar,LT ) vanwege de cumulatie van bestaande activiteiten en de uitbreiding bedraagt ten hoogste 50 dB(A). Hiermee wordt voldaan aan de normering van het Activiteitenbesluit;
  • Het maximaal geluidniveau (L Amax ) van de uitbreiding bedraagt ten hoogste 70 dB(A) in de dagperiode ter plaatse van de omliggende woningen. Hiermee wordt aan de plafondwaarde conform het gemeentelijk beleid voldaan. Er kunnen geen doelmatige maatregelen getroffen worden om aan de ambitiewaarde van het gemeentelijk beleid te voldoen;
  • Het maximaal geluidniveau (L Amax ) van de bestaande inrichting inclusief uitbreiding bedraagt ten hoogste 70 dB(A) in de dagperiode ter plaatse van de omliggende woningen. Hiermee wordt aan de normering van het Activiteitenbesluit voldaan;
  • De equivalente geluidbelasting vanwege indirecte hinder, verkeersbewegingen van de inrichting op de Brinkweg, bedraagt ten hoogste 43 dB(A) in de dagperiode ter plaatse van omliggende woningen. De hoogste geluidbelasting is in de huidige situatie gelijk aan de bedrijfssituatie inclusief uitbreiding. Er wordt in beide situaties voldaan aan de Circulaire inzake indirecte hinder.

Voor de uitbreiding van Deltex kan geconcludeerd worden dat er een ruimtelijk passende situatie is, er wordt voldaan aan het gemeentelijk geluidbeleid. Voor de toekomstige bedrijfssituatie wordt voldaan aan het Activiteitenbesluit.

4.5 Luchtkwaliteit

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit.

In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen:

  • Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen);
  • Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).

Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen

Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats.

In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:

  • woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg;
  • woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen;
  • kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden.

Besluit gevoelige bestemmingen 

Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen.

De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.

Toets

Als gevolg van het onderhavig plan zal het aantal verkeerbewegingen van en naar het plangebied niet toenemen. Het uitvoeren van een worst-case berekening is derhalve niet noodzakelijk.

4.6 Externe veiligheid

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het daarbij om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer:

  • het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi);
  • de Regeling externe veiligheid (Revi);
  • het Registratiebesluit externe veiligheid;
  • het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015);
  • het Vuurwerkbesluit.

Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing.

Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico.

  • Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is.
  • Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is.

In het BEVI zijn de risiconormen wettelijk vastgelegd. Deze normen zijn niet effectgericht maar gebaseerd op een kansberekening. Tevens geven de risiconormen alleen de kans weer om als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen te overlijden. Gezondheidsschade en de kans op verwonding of materiële schade zijn daarin niet meegenomen. Er is in het BEVI geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar slechts een oriënterende waarde. Er is sprake van een verantwoordingsplicht in geval van een toename van het groepsrisico.

Risicokaart

Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven.

Toets

Als gevolg van het onderhavig plan wordt er geen gevoelige functie gerealiseerd. Daarbij zal als gevolg van het onderhavig geen toenoeme van het aantal personen binnen het plangebied gedurende de nacht- en dagperiode plaatsvinden. Een nadere beschouwing op het aspect externe veiligheid is dan ook niet noodzakelijk.

4.7 Water

Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).

Waterbeleid

De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de SVIR en het Nationaal Waterplan (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen).

Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen.

Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2016-2021. De belangrijkste ruimtelijk relevante thema's zijn de Kaderrichtlijn Water en retentiecompensatie. Daarnaast is de Keur van Waterschap Vechtstromen een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden.
Op gemeentelijk niveau zijn het in overleg met Waterschap Vechtstromen opgestelde gemeentelijk Waterplan en het gemeentelijk Rioleringsplan van belang bij het afwegen van waterbelangen in ruimtelijke plannen.

Waterbeheerplan 2016-2021

Watersysteem

In het waterbeheer van de 21e eeuw worden duurzame, veerkrachtige watersystemen nagestreefd. Dit betekent concreet dat droge perioden worden doorstaan zonder droogteschade, vissterfte en stank, en dat in natte perioden geen overlast optreedt door hoge grondwaterstanden of inundaties vanuit oppervlaktewateren. Problemen worden niet afgewenteld op andere gebieden of latere generaties. Het principe "eerst vasthouden, dan bergen, dan pas afvoeren" is hierbij leidend. Rijk, provincies en gemeenten hebben in het Nationaal Bestuursakkoord Water doelen vastgelegd voor het op orde brengen van het watersysteem.

Afvalwaterketen

Het zoveel mogelijk scheiden van vuil en schoon water is belangrijk voor het bereiken van een goede waterkwaliteit. Door te voorkomen dat grote hoeveelheden relatief schoon hemelwater door rioolstelsels worden afgevoerd, neemt het aantal overstorten van verontreinigd rioolwater op oppervlaktewater af en neemt de doelmatigheid van de rioolwaterzuivering toe. Hierdoor verbetert zowel de kwaliteit van oppervlaktewateren waarop overstorten plaatsvinden als de kwaliteit van het effluent ontvangende oppervlaktewater. Indien het schone hemelwater door middel van infiltratie in het gebied wordt vastgehouden alvorens het wordt afgevoerd naar oppervlaktewater, draagt dit bovendien bij aan de duurzaamheid van het watersysteem. Vandaar dat het principe "eerst schoonhouden, dan scheiden, dan pas zuiveren" een belangrijk uitgangspunt is bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Als het hemelwater niet wordt aangekoppeld of wordt afgekoppeld van het bestaande rioolstelsel is oppervlakkige afvoer en infiltreren in de bodem uitgangspunt. Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst.

Watertoetsproces waterschap Vechtstromen

Op grond van artikel 12 uit het besluit op de ruimtelijke ordening worden ruimtelijke plannen voorzien van een waterparagraaf. Hiervoor wordt het proces van de watertoets doorlopen. Bij het watertoetsproces gaat het om het hele proces van vroegtijdig meedenken, informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Waterschap Vechtstromen kijkt wat de invloed van het plan op de waterhuishouding is en geeft een wateradvies. Daarbij toetst het waterschap het plan aan het voorkeursbeleid dat is geformuleerd.

Op 5 december 2019 is via www.dewatertoets.nl de digitale watertoets verricht, zie Bijlage 3. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de Normale procedure van het watertoetsproces moet worden doorlopen. Daarom is er contact geweest met het waterschap.

Binnen het plangebied zal er geen sprake zijn van (huishoudelijk) afvalwater. Hemelwater zal op twee manieren worden afgevoerd: infiltratie en afvoer naar het oppervlaktewater. Het hemelwater wordt zo min mogelijk verontreinigd en komt ten goede aan het lokale water- of grondwatersysteem.

Een deel van het plangebied gelegen in de beschermingszone (5 meter vanaf de insteek) van leggerwaterloop WL02685, welke langs de Beckumerweg loopt. Op grond van de Keurverordening van het waterschap dient vooraf aan de, als gevolg van het onderhavig plan, uit te voeren werkzaamheden in de keurzone, een ontheffing bij het waterschap te worden aangevraagd in de vorm van een watervergunning.

Per project moet in het overleg tussen gemeente en waterschap worden bezien of maatwerkoplossingen nodig en/of wenselijk zijn. De initiatiefnemer (Deltex BV) is reeds in overleg met de gemeente en het waterschap in het kader van de voorgenomen ontwikkeling. Daarbij gaat het onder meer over het voornemen om de Brinkweg (de weg die het plangebied ontsluit) her in te richten.

4.8 Ecologie

Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet natuurbescherming) en provinciale regelgeving (NNN in provinciale verordening).

Toetsing 

In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is door Natuurbank Overijssel een flora- en faunaonderzoek uitgevoerd (Natuurbank Overijssel, 17-01-2020, projectnummer 2343, versie 1.0). Het volledige onderzoek is als Bijlage 4 bij deze toelichting opgenomen. De resultaten van het onderzoek zijn als volgt:

De voorgenomen activiteiten worden gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten geldt in Overijssel een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden, verwonden en het opzettelijk beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingsplaats’, als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. Voor beschermde soorten die niet op deze vrijstellingslijst staan, is een ontheffing vereist om ze te mogen verwonden en doden of om opzettelijk rust- en voortplantingsplaats te mogen beschadigen en te vernielen. In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten.

Natuurnetwerk Nederland

Het plangebied ligt op minimaal 256 meter afstand van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren. Figuur 4.2 weergeeft de ligging van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.SDxBrinkweg28-VS10_0013.png"

Figuur 4.3: Ligging Natuurnetwerk Nederland (bron: geo.overijssel.nl)

De invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten is lokaal. De voorgenomen activiteiten hebben geen negatief effect op beschermd (natuur)gebied. Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland. Omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking heeft, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties.

Natura 2000 gebieden

Het plangebied ligt op minimaal 8,51 kilometer afstand van gronden die tot Natura2000-gebied Lonnekermeer. Op figuur 4.4 wordt de ligging van Natura2000-gebied in de omgeving van het plangebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.SDxBrinkweg28-VS10_0014.png"

Figuur 4.4: Ligging Natura2000-gebied (bron: geo.overijssel.nl)

Niet alle Habitattypen in Natura2000-gebied zijn even gevoelig voor verzuring, als gevolg van stikstofdepositie, maar het Natura2000-gebied Lonnekermeer bestaat gedeeltelijk uit stikstofgevoelige Habitattypen.

Het plangebied ligt op 9,49 km afstand van een Natura 2000-gebied. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen fysieke activiteiten, is het niet aannemelijk dat de voorgenomen activiteiten zullen leiden tot een toename van NOx-depositie op verzuringsgevoelige Habitattypen in een Natura 2000-gebied. De inzet van materieel t.b.v. sloop en bouw (o.a. grondverzet) is gering en tijdens de bouw- en gebruiksfase neemt het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied licht toe. Deze verkeersbewegingen vinden plaats op enige afstand van Natura 2000-gebied. Er is geen berekening uitgevoerd m.b.v. het computerprogramma Aerius Calculator, maar deze conclusie is tot stand gekomen op basis van ervaring met het opstellen van diverse stikstofberekeningen voor soortgelijke projecten.

Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten en de ligging op enige afstand van Natura2000-gebied, is een negatief effect, als gevolg van de uitvoering van fysieke werkzaamheden uitgesloten. Als gevolg van de uitvoering van de voorgenomen activiteiten zijn effecten zoals geluid, trillingen en optische verstoring niet waarneembaar in Natura2000-gebied. Ook wordt het areaal Natura 2000-gebied niet verkleind en wordt grond- en oppervlaktewater niet aangetast.

Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen schaduwwerking kent. Gelet op de aard van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen Natura 2000-gebied en het plangebied, is het niet aannemelijk dat uitvoering van de voorgenomen activiteiten zal leiden tot een negatief effect op instandhoudingsdoelen voor een Natura 2000-gebied.

Conclusie

Mits er geen bezette vogelnesten beschadigd of vernield worden, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van soortbescherming. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten en de ligging op enige afstand van een beschermd (natuur)gebied, is het niet aannemelijk dat uitvoering van de voorgenomen activiteiten zal leiden tot een negatief effect op beschermd (natuur)gebied.

4.9 Archeologie en Cultuurhistorie

Nederland heeft in 1992 het verdrag van Malta ondertekend. Het verdrag van Malta heeft als doel het archeologisch erfgoed in de bodem beter te beschermen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar een reële verwachting bestaat dat er archeologische waarden aanwezig zijn dient er een archeologisch onderzoek uit te worden gevoerd, voordat er bodemingrepen plaatsvinden.

Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden ter vervanging van de Monumentenwet 1988. Een deel van de monumentenwet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2021 in werking treedt. Tot die tijd blijven deze onderdelen van de Monumentenwet 1988 gelden als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet.

Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.

Archeologie

Het plangebied ligt op basis van de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart in een gebied met een hoge archeologische verwachtingswaarde, zoals weergegeven is in figuur 4.5. Het plangebied kent op basis hiervan dan ook de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 1'.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.SDxBrinkweg28-VS10_0015.png" Figuur 4.5: Uitsnede archeologische verwachtingskaart.

Op basis van de archeologische verwachtingskaart kent het plangebied, rood omkaderd, een hoge archeoligsche verwachting. Archeologisch onderzoek is noodzakelijk bij ingrepen dieper dan 40 cm en met een oppervlakte groter dan of gelijk aan 2500 m2.

Daarnaast kent het plangebied kent de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 1'. De voor 'Waarde - Archeologische verwachting 1' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het herstel en behoud van archeologische waarden. Archeologisch onderzoek is noodzakelijk indien er bodemingrepen plaatsvinden met een oppervlakte van meer dan 2.500 m2.

Toets

Het plangebied kent een oppervlakte van 815 m2, archeologisch onderzoek is derhalve niet noodzakelijk.


Cultuurhistorie

Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988 (die nog geldt als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet). Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties.

Toets

Uit de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Overijssel kan worden afgeleid dat er zich binnen het plangebied geen cultuurhistorisch waardevolle structuren en elementen bevinden. Derhalve word geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'cultuurhistorie'.

4.10 Verkeer / parkeren

Het plangebied wordt ontsloten via de Brinkweg. De Brinkweg is een rustige weg met een maximale snelheid van 50 km/h, die Deltex en een boerderij ontsluit. Voorliggend plan voorziet in de toevoeging van 16 parkeerplaatsen en een laad- en losplek. Als gevolg van het onderhavig plan zal het aantal verkeerbewegingen van en naar het plangebied niet toenemen en zal er een verbeterde verkeerssituatie binnen en rond het plangebied ontstaan.

Op basis van vorenstaande wordt geconcludeerd dat de aspecten verkeer en parkeren geen beperking vormen voor de uitvoering van het onderhavig plan.

Hoofdstuk 5 Juridische toelichting

5.1 Planopzet en systematiek

De in Hoofdstuk 2 beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die bindend is voor overheid, bedrijven en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding (plankaart) vormen het juridisch bindende deel. Op de verbeelding worden de toegekende bestemmingen en aanduidingen visueel weergegeven. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De toelichting heeft zelf geen juridische bindende werking, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen.

5.2 Opbouw van de regels

In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, zoals verplicht is sinds 1 juli 2013. Dit houdt onder meer in dat het plan IMRO-gecodeerd wordt opgeleverd. Navolgend wordt de opbouw, indeling en systematiek van de regels kort toegelicht.

Inleidende regels

Begrippen
In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn.

Wijze van meten
Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding (plankaart) geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.

Bestemmingsregels

De opbouw van de bestemmingen ziet er als volgt uit:

  • Bestemmingsomschrijving:

De omschrijving van de doeleinden. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies;

  • Bouwregels:

In de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding (plankaart);

  • Afwijken van de bouwregels:

Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van de bouwregels ten aanzien van het oppervlak en de vorm van bijbehorende bouwwerken;

  • Specifieke gebruiksregels:

In dit onderdeel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval zijn toegestaan dan wel strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke toegestane en strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die functies, waarvan het niet op voorhand duidelijk is. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling/verduidelijking op de in de bestemmingsomschrijving genoemde functies;

  • Afwijken van de gebruiksregels:

Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van het in de bestemmingsomschrijving beschreven gebruik van hoofdgebouwen.

  • Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden:

In dit onderdeel is zijn bepalingen opgenomen met betrekking tot omgevingsvergunningen voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden.

Algemene regels

  • Anti-dubbeltelbepaling:

Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld;

  • Algemene bouwregels:

Deze bepaling bevat een opsomming van regels met betrekking tot bestaande maatvoering, de dakhelling van gebouwen, de situering van woningen en de situering bijgebouwen en paardenbakken.

  • Algemene gebruiksregels:

Deze bepaling bevat een opsomming van strijdig gebruik van gronden en bouwwerken in algemene zin;

  • Algemene aanduidingsregels:

De algemene aanduidingsregels hebben betrekking op de in plangebied voorkomende algemene aanduidingen;

  • Algemene afwijkingsregels:

In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven;

  • Algemene wijzigingsregels:

In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven;

  • Algemene procedureregels:

In deze bepaling zijn regels opgenomen over borging van de uitvoerbaarheid van eventuele wijzigingsplannen;

  • Regels in verband met vrijkomende agrarische bebouwing

In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om bij omgevingsvergunning te kunnen afwijken voor het gebruik van bestaande en legale bedrijfsgebouwen binnen een agrarisch bouwvlak dan wel voor het gebruik van bestaande en legale voormalige agrarische bedrijfsgebouwen binnen een andere bestemming ten behoeve van plattelandsappartementen, nevenactiviteiten, bebruik inpandige bedrijfsruimte van een boerderij voor bewoning, wijziging functie in verband met vrijkomende agrarische bebouwing en wijziging in verband met Rood voor Rood;

Overgangs- en slotregels

  • Overgangsrecht:

Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een bouwvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het overgangsrecht is opgenomen zoals opgenomen in artikel 3.2.1 Bro. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet;

  • Slotregel: 

Deze bepaling geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.

5.3 Bestemmingen

Bedrijf

De in het plangebied aanwezige individuele bedrijven zijn als 'Bedrijf' bestemd. In het onderhavig plan zijn de voor 'Bedrijf' aangewezen gronden hoofdzakelijk bedoeld voor parkeer- en laad- en losvoorzieningen.

Waarde - Archeologische verwachting 1

Gebieden met een hoge verwachtingswaarde hebben de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 1' gekregen. Het beleid dat voor deze bestemming geldt is dat archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij ingrepen dieper dan 40 cm en met een oppervlakte groter dan of gelijk aan 2.500 m2.

Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een ontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden
naar de uitvoerbaarheid van het plan. Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is.

De gemeentelijke kosten, waaronder leges en planschadekosten, komen voor rekening van de aanvrager. Hiermee is het kostenverhaal anderzins verzekerd en kan de raad op grond van artikel 6.12, lid 2 onder a besluiten geen exploitatieplan vast te stellen.

Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

7.1 Vooroverleg

Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met instanties, zoals gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.

Provincie Overijssel

Bij de voorbereiding van ruimtelijke plannen dient vooroverleg gevoerd te worden met onder meer de ambtelijke diensten van de provincie (artikel 3.1.1.1 Bro). Doel van het vooroverleg is om de provincie in staat te stellen de provinciale belangen in een vroeg stadium in te brengen, zodat deze tijdig kunnen worden betrokken bij de totstandkoming van de ruimtelijke plannen van gemeenten.

De wet (artikel 3.1.1.2 Bro) biedt de mogelijkheid om plannen aan te wijzen waarvoor geen vooroverleg is vereist. Van deze wettelijke mogelijkheid is gebruik gemaakt door vaststelling van een lijst waarop ruimtelijke plannen zijn aangegeven waarvoor het verplichte vooroverleg achterwege kan blijven. De huidige lijst wordt 'vooroverleglijst ruimtelijke plannen' genoemd. Omdat deze naam de lading niet goed dekt, wordt nu over de 'uitzonderingslijst vooroverleg ruimtelijke plannen' gesproken.

In de uitzonderingslijst vooroverleg ruimtelijke plannen van de provincie Overijssel is de volgende categorie benoemd in stedelijk gebied:

8. Functiewijziging onbebouwde gronden - Plannen/projectbesluiten die betrekking hebben op wijziging van de functie/gebruik van onbebouwde gronden waarbij bouwen niet aan de orde is.

Daardoor is vooroverleg met de provincie niet vereist.

Waterschap Vechtstromen
Op 5 december 2019 is het plan via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het waterschap Vechtstromen. Hier is de normale procedure uit voort gekomen. Er is contact opgenomen met het Vechtstromen. Een deel van het plangebied gelegen is in de beschermingszone van leggerwaterloop WL02685. Op grond van de Keurverordening van het waterschap dient vooraf aan de, als gevolg van het onderhavig plan, uit te voeren werkzaamheden in de keurzone, een ontheffing bij het waterschap te worden aangevraagd in de vorm van een watervergunning.

7.2 Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 19 maart 2020 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze periode kon een ieder zijn of haar zienswijze ten aanzien van dit bestemmingsplan kenbaar maken. Tijdens de termijn van de terinzagelegging zijn geen zienswijzen binnengekomen.