| Plan: | Goor, herziening Wijnkamp 26/Rozenstraat |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1735.GOxWijn26Rozenstr-VS10 |
Voor het gebied liggend tussen de Wijnkamp en de Rozenstraat in Goor is een plan ontwikkeld. Initiatiefnemer wenst dit gebied te herontwikkelen voor 20 appartementen bestaande uit twee appartementengebouwen, waarbij er één is gesitueerd aan de Wijnkamp en de andere aan de Rozenstraat.
Deze planlocatie is aan de Rozenstraat onbebouwd en aan de zijde van de Wijnkamp, ter plekke van Wijnkamp 26-28, betreft het een voormalige winkelruimte. Het adres Wijnkamp 28 wordt nog bewoond, Wijnkamp 26 niet meer.
Deze ontwikkeling past niet binnen het geldende bestemmingsplan, waardoor een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk is. Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld om deze herontwikkeling mogelijk te maken.
Ligging
Het plangebied ligt in de kern Goor en bestaat uit de percelen Wijnkamp 26 en 28 en tevens een onbebouwde locatie aan de Rozenstraat (naast nummer 1). Het plangebied ligt dichtbij het centrum, aan de oostzijde van de kern Goor.
Het plangebied staat kadastraal bekend als gemeente Goor nummers 5470, 5471 (gedeeltelijk) , 5812 en 6598. In figuur 1.1 is de ligging van het plangebied weergegeven.
Figuur 1.1: Ligging plangebied (bron: GoogleMaps)
Begrenzing
De begrenzing van het plangebied is in figuur 1.2 weergegeven (rood kader). Op deze luchtfoto zijn de kadastrale grenzen weergegeven.
Op de verbeelding is de exacte begrenzing van het plangebied aangegeven.
Figuur 1.2: begrenzing plangebied (bron: PDOKviewer)
Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan "Goor", dat door de gemeenteraad van de Hof van Twente is vastgesteld op 30-10-2018. In figuur 1.3 is een uitsnede uit het geldende bestemmingsplan weergegeven.
Figuur 1.3: Uitsnede bestemmingsplan "Goor" (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Aan het plangebied is de bestemming 'Detailhandel' toegekend met, voor bijna het gehele plangebied, de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2'. Een kleiner gedeelte heeft de bestemming "Woongebied" en "Maatschappelijk".
De gronden zijn daarmee bestemd voor detailhandel, dienstverlenende bedrijven, webwinkels, bestaande aantal woningen op de verdieping van de gebouwen, groenvoorzieningen, water, verkeers- en verblijfsdoeleinden, parkeervoorzieningen, openbare nutsvoorzieningen.
Het gedeelte dat de woonbestemming heeft, is bedoeld voor het bestaande aantal woningen. Op dat gedeelte dat binnen het plangebied valt, bevindt zich geen woning en biedt dus geen mogelijkheid om woningen te realiseren.
De gronden met de maatschappelijke bestemming zijn bedoeld voor maatschappelijke voorzieningen, wonen t.b.v. verzorging en verpleging, groenvoorzieningen, water, verkeers- en verblijfsdoeleinden, parkeervoorzieningen, openbare nutsvoorzieningen.
Daarnaast geldt de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie verwachting 2" waarin is bepaald dat er geen bouwwerken mogen worden gebouwd waarbij de bodem dieper dan 40 cm wordt geroerd, met uitzondering van bouwwerken ter vervanging van de bestaande bouwwerken en niet worden uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut en bouwwerken met een oppervlakte kleiner dan 5.000 m² ten behoeve van andere voor deze gronden geldene bestemmingen.
Tevens ligt het plangebied in de 'milieuzone - intrekgebied', hetgeen betekent dat de gronden mede bestemd zijn voor de bescherming van de bodem- en de (grond)waterkwaliteit voor de drinkwatervoorziening.
Het geldende bestemmingsplan biedt daarmee geen mogelijkheden om 20 appartementen te realiseren op deze locatie. Een herziening van het geldende bestemmingsplan is noodzakelijk.
In het plangebied is tevens de bestaande woning Wijnkamp 30a meegenomen, omdat van de helft van het perceel de bestemming gewijzigd wordt naar een woonbestemming. Het gehele perceel wordt meegenomen in het plan.
Het onderhavige bestemmingsplan 'Goor, herziening Wijnkamp 26/Rozenstraat' bestaat naast deze toelichting uit de volgende stukken.
De toelichting van het bestemmingsplan kent de volgende opbouw. In hoofdstuk 2 worden de huidige situatie en het te realiseren plan beschreven. Hoofdstuk 3 schetst het beleidskader. In hoofdstuk 4 worden de resultaten van de uitgevoerde omgevingsonderzoeken behandeld. In hoofdstuk 5 wordt het bestemmingsplan in juridisch opzicht toegelicht. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de economische uitvoerbaarheid en in hoofdstuk 7 wordt ten slotte de maatschappelijke uitvoerbaarheid belicht.
In de huidige situatie is er aan de Wijnkamp in Goor sprake van een leegstaand pand waarin winkelruimte was gevestigd (zie figuur 2.1). Een pand bestaande uit drie bouwlagen.
Figuur 2.1: Huidig straatbeeld vanaf de Wijnkamp (bron: Googlestreetview)
Het gedeelte van de planlocatie aan de Rozenstraat is een onbebouwd, verhard terrein.
Figuur 2.2: Huidig straatbeeld vanaf de Rozenstraat (bron: GoogleStreetview)
Aan weerszijden van het voormalige winkelpand aan de Wijnkamp bevinden zich woningen. Ook aan de overzijde zijn woningen gelegen. In de nabije omgeving van het plangebied bevinden zich verder een basisschool, logopediepratijk, een dienstverlenend bedrijf, dagbestedingslocatie en een aantal kantoorruimtes.
Het voornemen is om in het plangebied twee appartementengebouwen te realiseren met in beide gebouwen 10 appartementen. Eén gebouw is georiënteerd op de Wijnkamp ("Het Wijnhof") en het andere appartementengebouw op de Rozenstraat ("Het Roosenhof"). In het gebied tussen de beide gebouwen is ruimte voor groen en parkeren ten behoeve van de appartementen. In dit gebied worden tevens de buitenbergingen voor de appartementen gerealiseerd.
Het betreft 16 middendure koopappartementen en 4 dure koopappartementen.
Figuur 2.3: Nieuwe situatie Wijnkamp / Rozenstraat (ten Dam architecten)
De beide gebouwen kennen drie bouwlagen, waarbij de derde bouwlaag compacter is en verder terug ligt dan de beide onderliggende bouwlagen en geeft daarmee een accent aan het gebouw. Op de eerste en de tweede bouwlaag worden 4 appartementen gerealiseerd en op de derde bouwlaag 2 appartementen. In de gebouwen zijn liften aanwezig, waardoor de appartementen levensloopgeschikt kunnen worden gemaakt.
De hoogte van de appartementengebouwen zijn maximaal 11 meter daar waar het gebouw een derde bouwlaag heeft.
In figuur 2.4 is een impressie gegeven van het toekomstige straatbeeld aan de Wijnkamp. De voorgevelrooilijn van het appartementengebouw ligt in één lijn met de bestaande bebouwing aan weerszijden van het nieuwe gebouw. Op twee plekken springt de voorgevel ter plaatse van de entree terug. Daardoor ontstaat er een parcellering en is het appartementengebouw meer passend in het bestaande straatbeeld.
De appartementen hebben het balkon c.q. terras aan de achterzijde.
Figuur 2.4: impressie toekomstig straatbeeld Wijnkamp (bron: Ten Dam architecten)
In figuur 2.5 is een impressie gegeven van het toekomstige straatbeeld vanaf de Rozenstraat.
Het Roosenhof aan de Rozenstraat krijgt een voorgevelrooilijn die verder oostwaarts terug springt en daardoor aansluit bij de voorgevelrooilijn van de naastgelegen basisschool.
De appartementen van het Roosenhof hebben een balkon c.q. terras aan de voorzijde.
Figuur 2.5: Impressie toekomstig straatbeeld Rozenstraat (bron: Ten Dam architecten)
Voor de beide appartementengebouwen worden buitenbergingen gerealiseerd. Deze zijn gepland in de tussenliggende openbare ruimte.
In de openbare ruimte tussen de beide gebouwen worden 30 parkeerplaatsen gerealiseerd ten behoeve van de appartementen. Op twee plekken komt een overkapping boven parkeerplaatsen. In deze openbare ruimte is ook ruimte voor groen aan de achterzijde van de beide gebouwen. Bomen maken ook deel uit van de inrichting van de openbare ruimte.
Langs de Rozenstraat worden vier extra langsparkeerplaatsen aangelegd. Aan de zuidzijde van deze straat verdwijnt een gehandicaptenparkeerplaats vanwege verhuizing van een welzijnsinstelling. Daarmee zijn er voldoende parkeerplaatsen.
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse
leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De
NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden.
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in
beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier
prioriteiten:
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen.
Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms
zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de
NOVI drie afwegingsprincipes:
Conclusie
Wonen is één van de basisbehoeften van mensen. In de Nationale Omgevingsvisie wordt aangegeven dat iedereen in Nederland prettig moet kunnen wonen voor een redelijke prijs. Een woningvoorraad die aansluit op de huidige en toekomstige woonbehoefte van mensen is daarom van nationaal belang.
Het huidige woningtekort en de toename van het aantal inwoners en huishoudens vraagt een groei van de woningvoorraad (vooral in en bij de stedelijke regio’s) in een fijne, leefbare omgeving. Tussen 2019 en 2035 moet de woningvoorraad met circa 1,1 miljoen woningen worden vergroot. De primaire verantwoordelijkheid voor de gebouwde omgeving, de woningvoorraad en de leefbaarheid ligt bij gemeenten en provincies. Het Rijk is systeemverantwoordelijk. Het is de rol van het Rijk om de kaders te stellen, te stimuleren, eventueel te sanctioneren, waar nodig middelen ter beschikking te stellen – bijvoorbeeld via de huurtoeslag, hypotheekrenteaftrek of de regeling woningbouwimpuls voor gemeenten – en met gemeenten en provincies samen te werken om (bovenlokale, inclusief grensoverschrijdende) knelpunten op te lossen en realisatie van de nationale belangen te waarborgen
De voorgenomen ontwikkeling voorziet in het realiseren van 20 appartementen in de kern van Goor, nabij het centrum. Zoals is beschreven ligt de primaire verantwoordelijkheid voor de gebouwde omgeving en de woningvoorraad bij de gemeente en de provincie. In de paragrafen 3.2.3 en 3.3.2 wordt de realisatie van de appartementen getoetst aan het provinciale beleid en aan het gemeentelijke beleid. Daarin wordt aangetoond dat het plan past binnen zowel het provinciale als het gemeentelijke woonbeleid. Daarmee past deze ontwikkeling binnen de prioriteiten van de NOVI en kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van strijd met het rijksbeleid.
Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat van een nieuwe 'stedelijke ontwikkeling' die in een bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt moet worden aangetoond dat er sprake is van een behoefte. De toelichting bij het bestemmingsplan bevat daartoe een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, bevat een toelichting tevens een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Dit wordt de 'Ladder Duurzame Verstedelijking' genoemd.
De beschrijving van de behoefte aan de betreffende, 'stedelijke ontwikkeling', moet inzichtelijk maken of, in relatie tot het bestaande aanbod, concreet behoefte bestaat aan de desbetreffende ontwikkeling. Die behoefte moet dan worden afgewogen tegen het bestaande aanbod, waarbij moet worden gemotiveerd dat rekening is gehouden met het voorkomen van leegstand.
De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling.
Voor woningbouw ligt de grens of er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, tussen de 11 en 12 woningen.
Toets
Dit bestemmingsplan maakt de realisatie van 20 appartementen mogelijk, op een locatie waar nu een winkelpand is gevestigd en het andere deel onbebouwd verhard terrein betreft.
Het aantal van 20 appartementen wordt gezien de uitspraak over de aantallen, gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld bij de Ladder van duurzame verstedelijking.
Conform de de vereisten van de Ladder dient een ontwikkeling aan een behoefte te voldoen, zowel kwantitatief (woningbouwaantallen) als kwalitatief (doelgroep, type woning etc).
Bestaand stedelijk gebied
Zoals is beschreven, voldoet een ontwikkeling aan de Ladder als de behoefte is aangetoond en de ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied gerealiseerd wordt. In artikel 1.1.1. onder h van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip 'bestaand stedelijk gebied' vastgelegd. Als bestaand stedelijk gebied wordt aangemerkt: 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'.
Het plangebied bevindt zich in bestaand stedelijk gebied. Het plangebied ligt aan de rand van het centrum van Goor, met rondom bebouwing. In de bestaande situatie staat in het plangebied reeds bebouwing. In de nieuwe situatie wordt meer bebouwing mogelijk gemaakt. De bebouwing beperkt zich tot de perceelsgrenzen. Er vindt daarnaast een functiewijziging plaats. De bestemmingen 'detailhandel' en 'maatschappelijk' worden gewijzigd in een woonbestemming. Wanneer de behoefte aan de ontwikkeling wordt aangetoond wordt er voldaan aan de Ladder en hoeft er niet naar de beschikbaarheid en geschiktheid van andere locaties gekeken te worden.
Behoefte
Voor de totale gemeente Hof van Twente is een behoefte van 675 - 730 woningen. Daarvan is er voor 20-30% behoefte aan appartementen. Binnen de kern Goor is voor de periode 2021 - 2025 behoefte aan 240 - 245 woningen. In paragraaf 3.3 wordt de behoefte nader toegelicht.
Deze herontwikkeling op een inbreidingslocatie voldoet daaraan en daarmee aan de Ladder voor duurzame ontwikkeling.
De Omgevingsvisie Overijssel geeft de provinciale visie op de fysieke leefomgeving van Overijssel weer. Hierin worden onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur aangehaald in samenhang voor een duurzame ontwikkeling van de leefomgeving. De Omgevingsvisie is onder andere een structuurvisie onder de Wet ruimtelijke ordening.
Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn de leidende principes of 'rode draden' bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel.
De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren.
Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel van de provincie Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is.
De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving.
Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten:
Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht.
Generieke beleidskeuzes
Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase het zgn. principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik gehanteerd. Hierin komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaand bebouwd gebied wordt benut, voordat er uitbreiding in de groene omgeving kan plaatsvinden.
Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en verbindingszones enzovoorts. De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend en verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel.
Ontwikkelingsperspectieven
Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities.
De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven.
Gebiedskenmerken
Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en lust- en leisurelaag) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt.
Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.
Figuur 3.1: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: provincie Overijssel)
Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten Omgevingsvisie Overijssel
Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan de Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld.
Generieke beleidskeuzes
Of een ontwikkeling mogelijk is, wordt bepaald op basis van generieke beleidskeuzes. De volgende artikelen zijn relevant:
artikel 2.1.2 Principe van concentratie
lid 1
Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in woningbouw, aanleg van bedrijventerreinen voor lokaal gewortelde bedrijvigheid en het realiseren van stedelijke voorzieningen, met bijbehorende infrastructuur en groenvoorzieningen om te voldoen aan de lokale behoefte en de behoefte van bijzondere doelgroepen
artikel 2.1.3 Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik
lid 1
Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in stedelijke ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen op de Groene Omgeving wanneer aannemelijk is gemaakt:
lid 2
Bestemmingsplannen voor de Groene Omgeving voorzien uitsluitend in ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen anders dan de uitleg van steden en dorpen wanneer aannemelijk is gemaakt:
Doorwerking voor voorliggend plan:
Het gaat in dit bestemmingsplan om een herontwikkeling van een locatie in de bebouwde kom. Het betreft dus een inbreidingslocatie. Het bestaande winkelpand wordt gesloopt en een nieuw appartementengebouw wordt op dezelfde locatie gerealiseerd. Het andere appartementengebouw wordt gerealiseerd op een onbebouwd, verhard terrein. Echter gezien de ligging nabij het centrum van de kern Goor, is het realiseren van een gebouw op deze locatie een logische plek.
In het gemeentelijk beleid heeft inbreiding de voorkeur boven uitbreiding van de bebouwde kom.
artikel 2.1.5 Ruimtelijke kwaliteit
In de toelichting op bestemmingsplannen wordt onderbouwd dat de nieuwe ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt, bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken.
Doorwerking voor voorliggend plan:
De nieuwe appartementengebouwen worden ingepast in de omgeving. Het ontwerp (de uitstraling) van het gebouw en de bouwhoogte sluiten aan op de directe omgeving, waarin de gebouwen bestaan uit twee bouwlagen, met een compactere, derde bouwlaag.
De Wijnkamp en de Rozenstraat zijn twee straten die aansluiten op het centrum/winkelgebied van de kern. Door de herontwikkeling van deze locatie verdwijnt een detailhandelsbestemming op een locatie net buiten het centrum. Een leegstaand pand dat wordt herontwikkeld en woningbouw voor terug komt. Dat is een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en leefbaarheid in de buurt.
artikel 2.2.2 Realisatie nieuwe woningen
Lid 1
Bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 onder
c van de Wabo, voorzien uitsluitend in de mogelijkheid tot het realiseren van nieuwe
woningen als de behoefte daaraan is aangetoond door middel van actueel onderzoek
woningbouw.
lid 4
De behoefte aan nieuwe woningen zoals bedoeld in lid 1 wordt in ieder geval geacht te
zijn aangetoond als realisatie daarvan past binnen de geldende woonafspraken zoals
die zijn gemaakt tussen gemeente en provincie op basis van regionale afstemming.
Doorwerking voor dit plan:
De gemeente Hof van Twente heeft in december 2021 de "Woonvisie gemeente Hof van Twente 2021-2025" vastgesteld. De visie raakt bestaande beleidskaders, waaronder Regionale Woonagenda Twente, waarin de gezamenlijke uitgangspunten voor het regionale woonbeleid zijn vastgelegd. Op basis daarvan is de kwantitatieve programmering bepaald in prestatieafspraken tussen de provincie Overijssel en de Twentse gemeenten. De kwalitatieve programmering betreft echter lokaal maatwerk, waar gemeenten zelf invulling aan kunnen geven binnen de gezamenlijke contouren van de Regionale Woonvisie. De Woonvisie geeft daar invulling aan. Er wordt geconcludeerd dat het voornemen voldoet aan de principes van artikel 2.2.2 van de Omgevingsverordening Overijssel. In paragraaf 3.3.2 wordt het voornemen tevens getoetst aan de woonvisie van de gemeente Hof van Twente.
Ontwikkelingsperspectieven
De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. In dit geval zijn uitsluitend de ontwikkelingsperspectieven voor de stedelijke omgeving van belang. In figuur 3.2 is een fragment van de kaart van de ontwikkelingsperspectieven behorende bij de Omgevingsvisie weergegeven.
Figuur 3.2: Fragment ontwikkelingsperspectievenkaart, Omgevingsvisie Overijssel, de locatie is aangegeven (bron: provincie Overijssel)
Aan het plangebied is het ontwikkelingsperspectief 'woon- en werklocatie buiten de stedelijke netwerken' toegewezen. Steden en dorpen buiten de stedelijke netwerken mogen altijd bouwen voor de lokale behoefte aan wonen, werken en voorzieningen, inclusief lokaal gewortelde bedrijvigheid (mits onderbouwd en regionaal afgestemd). Herstructurering en transformatie van de woon-, werk-, voorzieningen- en mixmilieus moeten deze vitaal en aantrekkelijk houden en de diversiteit aan milieus versterken. Daarnaast biedt dit kansen om te anticiperen op klimaatverandering en opwekken van duurzame energie.
Doorwerking voor dit plan
De plannen van initiatiefnemer doen geen afbreuk aan het eigen karakter van het gebied en leveren geen extra belemmeringen op voor functies in de omgeving noch afbreuk aan de historische bebouwing in het centrum. Er wordt voorzien in een lokale behoefte in woningbouw.
Gebiedskenmerken
Natuurlijke laag
De natuurlijke laag geeft aan het gebied het kenmerk 'Dekzandvlakte en ruggen' (zie figuur 3.3).
Figuur 3.3: Natuurlijke laag, Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel)
De kenmerken van deze aanduiding
De dekzandgronden beslaan een groot gedeelte van de oppervlakte van de provincie. Na de ijstijden bleef er in grote delen een reliëfrijk zandlandschap achter, dat wordt gekenmerkt door relatief grote verschillen tussen hoog/droog en laag/nat gebied.
De ambitie is om deze natuurlijke verschillen meer sturend en beleefbaar te maken.
Doorwerking voor dit plan
Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom, nabij het centrum, van Goor, tussen andere bebouwing. Er is geen sprake van waarneembare hoogteverschillen in deze buurt en is niet meer zodanig zichtbaar en beleefbaar.
Het realiseren van dit bestemmingsplan heeft geen gevolgen voor dit kenmerk 'dekezandvlakte en ruggen'.
Laag van het agrarisch cultuurlandschap
De laag van het agrarisch cultuurlandschap kent het kenmerk 'Oude Hoevenlandschap' aan het gebied toe. In figuur 3.4 is een fragment van de betreffende kaart weergegeven.
Figuur 3.4: Laag van het agrarische cultuurlandschap, Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel)
Het oude hoevenlanschap kenmerkt zich als een landschap met verspreide erven. Dit landschap ontwikkelde zich nadat de grote essen 'bezet' waren en een volgende generatie boeren nieuwe ontwikkelingsruimte zocht. Het landschap lijkt op het essenlandschap, alleen meer kleinschalig.
De provincie stuurt erop dat ontwikkelingen plaatsvinden bijdragen aan behoud en accentuering van de dragende structuren (groenstructuur en routes) van dit hoevenlandschap.
Doorwerking voor dit plan
Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom, nabij het centrum, van Goor, tussen andere bebouwing. Er is geen sprake (meer) van hoevenlandschap in de omgeving.
Het realiseren van de 20 appartementen heeft geen gevolgen voor dit landschap.
Stedelijke laag
Binnen de stedelijke laag valt het plangebied binnen het kenmerk "Historische centra, binnensteden en landstadjes" voor het appartementengebouw aan de Wijnkamp.
Het andere gedeelte van het plangebied, het gebouw aan de Rozenstraat, ligt in het kenmerk de 'Bebouwingsschil 1950-1955'.
Figuur 3.5: stedelijke laag, Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel)
Kenmerkend voor de aanduiding de 'Historische centra binnensteden' vormen de functionele en emotionele kernen van de steden en dorpen. Ruimtelijk kenmerkend zijn de compacte bebouwingsstructuur, veelal binnen (voormalige) omwalling.
De ambitie die hier bij hoort, is het versterken van het eigen karakter van het centrum, waarbij het patroon van straten, pleinen en andere openbare ruimten in stand wordt gehouden.
Ter inspiratie wordt gestuurd bij nieuwe bebouwing dat het individueel is en afwisselend, voegt zich in de structuur van de omgeving.
Kenmerkend voor de aanduiding "Bebouwingsschil 1900-1955" bestaat uit gemengde stadwijken en woonwijken direct aansluitend op de historische centra en binnensteden. De schil is op te delen in wijken met individuele panden, gekenmerkt door veel variatie in bebouwing en veel (openbaar) groen.
Doorwerking voor dit plan
De Wijnhof voegt zich in het straatbeeld van de Wijnkamp door de bestaande voorgevelrooilijn aan te houden, de uitvoering in bakstenen met accenten en in het metselwerk.
Het gedeelte van het plangebied dat valt binnen de "Bebouwingsschil 1900-1955" wordt eveneens in baksteen uitgevoerd, maar heeft ook andere uitstraling door de balkons en de verspringende voorgevel, die past in het beeld van de Rozenstraat. De individualiteit wordt in beeld gebracht door die verspringingen.
Laag van de beleving
De 'Laag van de beleving' heeft binnen het plangebied geen specifieke kenmerken. De Wijnkamp is wel onderdeel van de 'Historische infrastructuur'. Het bestaande pand heeft in de huidige situatie geen historische uitstraling. Het nieuwe gebouw is door de uitvoering in rode baksteen, passender in het historische straatbeeld.
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat de in dit voorliggende bestemmingsplan besloten planologische wijziging volledig in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.
De gemeente Hof van Twente heeft in juni 2010 de toekomstvisie 'Hof van Twente, zicht op 2030' vastgesteld. Het doel van deze toekomstvisie is het schetsen van de grote lijnen: wat kenmerkt de gemeente nu en straks.
Globaal kan de gemeente Hof van Twente omschreven worden als een gemeente met meerdere kernen, die een eenheid in verscheidenheid vormt. De kernen zijn allen uniek en voor een groot deel zelfvoorzienend. Wonen, werken, voorzieningen, scholing, recreëren is vaak binnen de eigen of naburige kern mogelijk.
Een landelijke trend is dat in de komende tientallen jaren de bevolking vergrijst en ontgroent. Om deze reden moeten er meerdere woningen gerealiseerd worden voor ouderen. Verder moeten er acties en maatregelen ondernomen worden om de gemeente weer aantrekkelijk te maken voor jongeren. Verder zal de gemeente zich richten op het verhogen van de kwaliteit van de nieuwbouw en de bestaande woningvoorraad en het verhogen van het aandeel levensloopbestendige woningen. Herstructurering en nieuwbouw zal samengaan met investeringen in duurzaamheid van woningen.
De toekomstvisie geeft een mogelijk toekomstperspectief voor de gemeente, met vernieuwende ideeën en kansrijke oplossingsrichtingen. In deze visie zijn 20 streefbeelden opgenomen. Voor het plangebied, is het streefbeeld 14 van belang: 'kwaliteit woningenbestand is hoog en divers, aansluitend op de markt/behoefte van inwoners maar toch betaalbaar gebleven. Belangrijker in omvang dan uitbreiding zijn de plannen voor inbreiding in kernen en voor vernieuwing/verduurzaming van de bestaande woningvoorraad.
Toets
Dit bestemmingsplan voorziet in het realiseren van 20 appartementen, die voor meer doelgroepen geschikt zijn vanwege de differentiatie in oppervlakte van de appartementen en door de aanwezigheid van een lift. De lift makt het pand toegankelijk voor jong en oud. Het betreft 16 middendure koopappartementen en 4 dure koopappartementen.
Door deze herontwikkeling verdwijnt een detailhandelsbestemming die aan de rand van het centrumgebied ligt en wordt voorzien in een woonbehoefte. Het plan geeft invulling aan de doelstellingen van de toekomstvisie.
De structuurvisie Goor 2025, vastgesteld in 2013, bevat de gemeentelijke visie op de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen voor de periode tot en met 2025 voor de kern Goor, met uitzondering van het centrum van Goor waarvoor een masterplan is opgesteld. De ambities ten aanzien van meerdere sectorale onderwerpen (zoals wonen, economie, verkeer en infrastructuur en cultuurhistorie) zijn hierin samengebracht, voor zover deze betrekking hebben op de ruimtelijke structuur van Goor. Daarnaast bevat de structuurvisie een visie op de ruimtelijke kwaliteit. De visie biedt hiermee één actueel ruimtelijk kader voor de verschillende beleidsterreinen. Nieuwe initiatieven worden in eerste instantie getoetst aan de structuurvisie, maar de gemeente staat ook open voor nieuwe initiatieven die niet direct in de visie staan omschreven.
Belangrijke ambities zijn het realiseren van een duurzame woon- en werkomgeving voor iedereen en het realiseren van een robuust groen-blauw raamwerk. Bij beide componenten speelt ruimtelijke kwaliteit een belangrijke rol. Ruimtelijke kwaliteit, met name ten aanzien van de versterking van de elementen 'groen en water' en verbetering van de kwaliteit van de openbare ruimte staan dan ook hoog in het vaandel.
Op de visiekaart staan de ambities afgebeeld, onderstaande afbeelding toont de ligging van het plangebied op deze kaart en de bijhorende ambitie-onderdelen. De ambities worden in de structuurvisie categorisch toegelicht. In de volgende subparagraaf wordt het plan getoetst aan de ambities die gelden voor het plangebied overeenkomstig de visiekaart. In afbeelding 3.1 is een fragment van de visiekaart weergegeven. Het plangebied is hierop aangeduid met de rode omlijning. In dit geval zijn hoofdzakelijk de thema's 'groen en water' en 'wonen' van belang.
Figuur 3.1 Fragment Structuurvisie Goor 2025
Groen en water
In vergelijking met de andere kernen binnen de gemeente Hof van Twente beschikt Goor over opvallend weinig openbaar groen. Er is nauwelijks sprake van een groen netwerk, aangezien elementen als wegbegeleidend groen, knooppunten en groene ruimten onvoldoende ontwikkeld en verbonden zijn.
De belangrijkste aanwezige groenelementen bevinden zich niet in de nabije omgeving van het plangebied.
De ruimtelijke opgave op wijkniveau ligt op het benadrukken van de identiteit van de afzonderlijke wijken. Hierbij is een evenwichtige verdeling van het groen over de wijken van belang, waarbij per wijk een structurele keuze moet worden gemaakt tussen het groen verspreid aanbrengen langs meerdere wegen en het groen te concentreren op enkele groen 'pleinen' en in de overige straatbeelden het particuliere groen het beeld laten bepalen.
Wonen
Demografische ontwikkelingen als ontgroening en vergrijzing zorgen voor een druk op de woningmarkt in Goor. Door aanhoudende gezinsverdunning blijft er behoefte aan nieuwe woningen. In Goor is, net als in de rest van de gemeente Hof van Twente, een tekort aan seniorenwoningen. Het grootste aandeel senioren en zorgbehoevenden wil zo lang mogelijk zelfstandig blijven wonen en voldoende zorgmogelijkheden bij of nabij de woning hebben. De woningen moeten drempelloos zijn en naar behoefte aangepast kunnen worden gedurende de levensloop (levensloopbestendige woningen).
Ook de vraag naar goedkope eengezinskoopwoningen is groter dan het aanbod. Hier manifesteert zich de vraag van starters. Starters hebben vooral behoefte aan eengezinswoningen met enkele slaapkamers en een tuin.
De gemeente zet primair in op inbreidingslocaties.
Om te voorkomen dat buiten het centrum, met name bij eventuele toekomstige concentratie van voorzieningen, te veel monotone woonwijken ontstaan is het wenselijk om (op kleine schaal) meer levendige wijken, met incidenteel niet-woonfuncties, te creëren. Hierdoor wordt de sociale samenhang versterkt en ontstaat meer contact tussen werkenden, ouderen en jongeren.
Deze meer levendige wijken zijn met name geschikt als overgang tussen centrum en de hedendaagse woonwijken. Particuliere initiatieven, zoals een door de buurt geïnitieerde en beheerde wijk- of speeltuin moeten een sleutelrol spelen in het verlevendigen en differentiëren van wijken.
Toets
In de huidige situatie is er sprake van bestaande bebouwing aan de Wijnkamp en de bestaande verharding aan de Rozenstraat. Er is dus geen groen aanwezig.
In de nieuwe situatie is de bebouwing aan de zijde van de Wijnkamp in oppervlakte aanzienlijk kleiner. Aan de zijde van de Rozenstraat komt het appartementengebouw op een deel van de bestaande verharding.
In het tussenliggende gedeelte komt de openbare ruimte met parkeerplaatsen en groen. De appartementen van Roosenhof krijgt aan de voorzijde een tuin met een groene afschermende haag.
In de visie is onderdeel van het ruimtelijke programma op hoofdlijnen (paragraaf 4.3 van de visie) : het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit en verblijfskwaliteit van de Pastoriestraat en omgeving, 't Schild, de Kerkstraat, de Hengevelderstraat en de Wijnkamp, waarbij in het laatste geval met name de aanpak en het voorkomen van leegstand aandachtspunt is. Het herontwikkelen van het perceel aan de Wijnkamp past daar prima binnen.
De appartementen zijn levensloopgeschikt, dus voor senioren, maar ook geschikt voor kleinere huishoudens en starters. De appartementen bevinden zich aan de rand van het centrum, op een inbreidingslocatie.
Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd kan worden dat deze ontwikkeling voldoet aan de Structuurvisie.
Op 14 december 2021 heeft de gemeenteraad van Hof van Twente de "Woonvisie gemeente Hof van Twente 2021-2025" vastgesteld.
De Woonvisie 2021-2025 heeft de volgende ambities:
* versnellen van de woningbouw;
* realiseren van betaalbare woningen;
* de juiste woning, op de juiste plek;
* bestaande voorraad toekomstbestendig maken;
* waarborgen vitaliteit en leefbaarheid in alle kernen en in buitengebied:
* bouwen aan inclusieve samenleving.
De programmaruimte voor de hele Hof van Twente is 675-730 woningen tot 2030. Voor de kern Goor wordt uitgegaan van een ruimte van 240 - 245 woningen.
Het streven is om circa 20 - 30% van de totale behoefte als appartementen te realiseren waarmee wordt ingespeeld op de toename van kleine huishoudens.
Toets
Dit bestemmingsplan voorziet in het realiseren van 20 appartementen en daarvan zijn er 16 in de middendure koopsector en 4 in de dure koopsector.
In de beide gebouwen zijn liften aanwezig en mede daardoor zijn de appartementen geschikt voor senioren. De appartementen zijn ook geschikt voor starters en kleinere huishoudens.
Hiermee wordt ingespeeld op de behoefte aan meer appartementen.
Daarnaast wordt op een inbreidingslocatie een leegstaand gebouw herontwikkeld voor woningbouw, nabij het centrum van de kern Goor. Dit is een impuls voor de leefbaarheid van de omgeving.
Gezien de herontwikkeling op een inbreidingslocatie aan de rand van het centrum van Goor, is het realiseren van deze appartementengebouwen een invulling op deze locatie die voldoet aan het gemeentelijk beleid en voorziet in een behoefte.
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving staan van het verrichte onderzoek naar de voor het plan relevante feiten en de af te wegen belangen (Algemene wet bestuursrecht, artikel 3.2).
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de geldende wet- en regelgeving die op voorliggend plan en plangebied van toepassing zijn. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden daarom de resultaten van het onderzoek naar o.a. de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreffen voor zover relevant de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, verkeer, water en vormvrije m.e.r-beoordeling.
Op 1 april 2011 is het huidige Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Op 7 juli 2017 zijn er enkele wijzigingen doorgevoerd binnen dit besluit om de m.e.r.-procedure eenduidiger en overzichtelijker te maken, alsmede het aspect milieueffectrapportage explicieter te behandelen in aanvragen. Dit besluit heeft tot doel het vaststellen van mogelijke, ernstig nadelige milieugevolgen ten gevolge van een activiteit binnen de aanvraag.
Binnen het Besluit milieueffectrapportage zijn een tweetal mogelijkheden opgenomen hoe om te gaan met dit besluit bij een aanvraag. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd, maar onder de gestelde drempelwaarden blijft, volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd en bovendien de gestelde drempelwaarden overstijgt, is de betreffende aanvraag m.e.r.-plichtig. Op dat moment zal een m.e.r.-rapportage op moeten worden gesteld.
Toets
Er worden middels dit bestemmingsplan 20 appartementen mogelijk gemaakt. De ontwikkeling is concreet beschreven in hoofdstuk 2. Het huidige gebruik van het plangebied is detailhandel en onbebouwd verhard terrein.
Woningbouw wordt in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage aangemerkt als de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject. De m.e.r.- plicht geldt bij projecten van een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer.
De genoemde maximum oppervlakken gelden als drempelwaarden. Het ruimtebeslag van het onderhavige project ligt ruimschoots beneden de drempelwaarde. Conclusie die op grond hiervan getrokken kan worden is dat het onderhavige project niet m.e.r.-beoordelingsplichtig is.
Per 16 mei 2017 is een aanmeldnotitie nodig wanneer sprake is van een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Dit geldt voor alle ruimtelijke ontwikkelingen die voorkomen in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. maar onder de drempelwaarden blijven (en daarmee niet planMER-plichtig zijn). Er is geen ondergrens wat betreft het plan zelf, dus ook bij de ontwikkeling van dit plan.
Conclusie
Voor de planontwikkeling is een aanmeldnotitie m.e.r. opgesteld. De aanmeldnotitie m.e.r. is als Bijlage 1 Aanmeldnotitie m.e.r. bij de toelichting opgenomen.
Gelet op de uitkomsten van deze aanmeldnotitie, waaruit blijkt dat er als gevolg van het bestemmingsplan geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden, is het niet noodzakelijk een milieueffectrapport op te stellen.
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is.
Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied' dan wel 'gemengd gebied'. In figuur 4.1 zijn de richtafstanden weergegeven.
Figuur 4.1: Richtafstanden VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering
Toets
Bij het realiseren van een nieuwe bestemming dient gekeken te worden of die nieuwe functie past in de omgeving (externe werking) en of de omgeving de nieuwe functie toelaat (interne werking). Het plangebied ligt aan de rand van het centrum van Goor.
Gezien de verscheidenheid aan functies in de omgeving van het plangebied, wordt voor de richtafstanden uitgegaan van het omgevingstype 'gemengd gebied'.
Externe werking
Bij de externe werking gaat het om de vraag of de realisatie van dit plan leidt tot hinder of belemmeringen voor de omgeving. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast.
De functie 'wonen' is geen milieubelastende functies voor de omgeving. Er is daarom geen sprake van een aantasting van het leefklimaat van omwonenden, maar juist een verbetering. De detailhandelsbestemming maakt namelijk plaats voor een woonbestemming.
Interne werking
Het gaat hierbij om de vraag of de nieuwe functie ondervindt van bestaande functies in de omgeving.
In de directe omgeving zijn de volgende functies aanwezig:
Figuur 4.2: Functies in de omgeving
In de tabel van figuur 4.2 zijn de bedrijven in de omgeving opgenomen, met de bijbehorende richtafstanden conform de VNG-brochure en de werkelijke afstand tussen de grens van het bestemmingsvlak van het betreffende bedrijf en het dichtstbijzijnde nieuwe appartementengebouw.
Uit de tabel blijkt dat de richtafstanden vanaf het plangebied tot de omliggende milieubelastende functies niet worden overschreden. Het plangebied bestaat momenteel uit een detailhandelsgebouw, een achtertuin en parkeerterrein, waarbij in de gewenste ontwikkeling het pand wordt gesloopt en twee appartementengebouwen worden gebouwd. De omliggende bedrijven worden ten opzichte van de huidige situatie niet extra belemmerd door de voorgenomen ontwikkeling.
In een bestemmingsplan moet onderbouwd worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. In de nabije omgeving is een basisschool aanwezig waarbij het aspect geluid van de buitenspelende kinderen een rol kan spelen. Dit is mede aanleiding geweest om een akoestisch onderzoek uit te voeren. De naast het plangebied gelegen dagstedingscentrum is bedoeld voor mensen met een verstandelijke en/of lichamelijke beperking. Dat heeft geen relevante geluidsemissie op naar de omgeving, zodat dit verder buiten beschouwing is gelaten.
Het onderzoek is uitgevoerd door Munsterhuis geluidsadvies (d.d. 15-10-2021, projectnummer 21.035), zie Bijlage 3 Akoestisch onderzoek.
Het onderdeel wegverkeerslawaai is tevens meegenomen in dit onderzoek. Dit onderdeel wordt toegelicht in paragraaf 4.5
Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat:
Conclusie
Gelet op het vorenstaande zijn er geen belemmeringen voor het aspect "bedrijven en milieuzonering". Daaraan wordt voldaan en daarmee is er sprake van dat er wordt voldaan aan een goed woon- en leefklimaat.
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden.
Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden:
Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht.
Voor andere milieubelastende bedrijven die eventueel voor geuroverlast kunnen zorgen, geldt dit aspect onderdeel is van de richtafstanden zoals zijn genoemd in de brochure "Bedrijven en milieuzonering". In paragraaf 2 is deze beoordeling meegenomen.
Toets
Het plangebied ligt in de bebouwde kom op (ruim) meer dan 1,4 km afstand van veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderij vormt geen belemmering voor deze ontwikkeling.
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient in de daarvoor aangewezen gevallen een bodemonderzoek te worden verricht.
Artikel 3.1.6 van het Bro bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat een eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of de (financiële) uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het opstellen of wijzigen van het bestemmingsplan of een planologische afwijking. Als er verontreiniging aanwezig is moet bepaald (nader onderzoek) worden of het een geval is in de zin de Wbb of een diffuse verontreiniging. In de exploitatieopzet moeten de saneringskosten en de verwerkingskosten voor diffuus verontreinigde grond worden opgenomen.
Toets
Lycens B.V. heeft een geohydrologisch en verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (d.d. 21 maart 2022, projectnummer 2021-0063), zie Geohydrologisch en bodemonderzoek. Voor het bodemonderzoek zijn de NEN5740 en NEN 5707 gevolgd.
Op basis van de resultaten van het vooronderzoek is de locatie beschouwd als 'verdacht'. Er bestaat geen direct verontreinigingsbeeld. De grond is (op verzoek opdrachtgever) aanvullend onderzocht op PFAS. In het kader van de NEN5707 is op basis van het vooronderzoek de locatie m.b.t. asbest beschouwd als 'verdacht'.
Resultaten grond
Chemisch-analytisch zijn de baksteen, kooldeel- en puinhoudende bovengrond licht verhoogde gehalten aan kwik, lood, zink, PAK en PCB aangetoond. Deze licht verhoogde gehalten zijn vermoedelijk te relateren aan de zintuiglijk waargenomen bodemvreemde bijmengingen. In de zintuiglijk schone bovengrond zijn geen parameters in verhoogde gehalten. In de baksteen- en kolengruishoudende ondergrond zijn eveneens licht verhoogde gehalten aan enkele zware metalen en PAK aangetoond. Deze gehalten zijn vermoedelijk ook te relateren aan de bodemvreemde bijmengingen.
Daarnaast blijkt uit de analyseresultaten van de separaat onderzochte sterk kooldeelhoudende laag in de ondergrond dat deze licht verhoogde gehalten aan een aantal zware metalen bevat.
Uit de aanvullende PFAS analyses blijkt dat zowel de boven- als ondergrond voldoen aan de kwaliteitsklasse Landbouw/Natuur ten aanzien van de stoffengroep PFAS.
Uit de asbest analyseresultaten blijkt dat de bovengrond op het noordelijk terreindeel een gewogen gehalte asbest van 14 mg/kg d.s. bevat. Hiermee is het gehalte asbest kleiner dan de norm voor nader onderzoek (50 mg/kg d.s.) en de interventiewaarde (100 mg/kg d.s.). In de bovengrond op het zuidelijk terreindeel is geen asbest aangetoond.
Conclusies en aanbevelingen
'Uit de resultaten en rapportage van het verkennend bodemonderzoek is gebleken dat over het algemeen sprake is van hooguit licht verhoogde gehalten in grond en licht verhoogde concentraties in het grondwater welke geen belemmeringen vormen voor de herontwikkeling van de locatie. Enkele VOCl componenten zijn echter matig tot sterk verhoogd gemeten in het grondwater. Deze concentraties vormen mogelijk wel belemmeringen waardoor nader onderzoek heeft plaatsgevonden.
Voor het nader onderzoek zijn rondom de verontreinigde peilbuis in totaal vijf aanvullende peilbuizen geplaatst. Het grondwater ter plaatse van deze vijf peilbuizen is niet verontreinigd met betreffende parameters. De verticale verspreiding van de verontreiniging dient nog vastgesteld te worden.
Op basis van de momenteel bekende gegevens verwachten wij een verontreiniging van relatief beperkte omvang welke mogelijk wel belemmeringen vormt voor de herontwikkeling van de locatie maar niet zal leiden tot het onmogelijk maken van de herontwikkeling.'
Conclusie
Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de geplande nieuwbouw, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen risico's voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en beoogd toekomstige gebruik (wonen met tuin).
In het kader van de Wet geluidhinder moet er bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, c.q. een ontheffing op grond van de Wro, een onderzoek worden gedaan naar de geluidsbelasting op de gevels van geluidsgevoelige objecten, voor zover deze geluidsgevoelige objecten zijn gelegen binnen een zonering van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen.
De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies:
Enerzijds betekent dit dat (geluids-)eisen worden gesteld aan de nieuwe milieubelastende functies, anderzijds betekent dit eveneens dat beperkingen worden opgelegd aan de nieuwe milieugevoelige functies.
Toets
Wegverkeerslawaai
Op grond van het artikel 74 van de Wet geluidhinder bevindt zich langs een weg een geluidszone, die aan weerszijde een breedte heeft van:
Deze zonering geldt niet:
De Wijnkamp en de Rozenstraat zijn beide wegen waar een 30 k/u-regime geldt, waarvoor geen geluidzone geldt. Een akoestisch onderzoek is daarvoor niet noodzakelijk.
Andere wegen die wel binnen 50 km/uur-regime vallen, bevinden zich verder weg (o.a. Hengevelderstraat/Deldensestraat) en daartussen is bestaande bebouwing aanwezig die het geluid afschermt.
Daarnaast ligt de basisschool aan de Rozenstraat op een afstand van circa 20 m (tussen het schoolplein en het appartementengebouw). Deze afstand dient volgens de VNG-brochure "Bedrijven en miliezonering" minimaal 10 meter te zijn in dit type gebied (gemengd gebied). Daaraan wordt wel voldaan.
Er moet er wel sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat. Munsterhuis heeft een akoestisch onderzoek uitgevoerd (d.d. 15-10-2021, projectnummer 21.035) zie Bijlage 3 Akoestisch onderzoek. In dit onderzoek is een berekening gemaakt voor de geluidbelasting als gevolg het wegverkeerslawaai van de Wijnkamp en de Rozenstraat en het geluid afkomstig van de spelende kinderen op de schoolplein.
Uit het onderzoek blijkt dat:
m.b.t. wegverkeerslawaai:
m.b.t. geluid afkomstig van de school:
Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning zal de binnenwaarde van de appartementen worden aangetoond.
Conclusie
Het aspect 'wegverkeerslawaai' vormt geen belemmering voor het realiseren van dit bestemmingsplan.
De spoorlijn van Hengelo - Zutphen ligt op afstand van minimaal 340 meter en dat levert geen problemen op.
De aspecten railverkeerslawaai en industrielawaai vormen geen belemmering voor het realiseren van dit bestemmingsplan.
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit.
In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen:
Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen
Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats.
In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden.
Besluit gevoelige bestemmingen
Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen.
De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.
Toets
Op basis van deze ontwikkeling worden er 20 appartementen gerealiseerd. Dit valt ruim onder de genoemde aantallen. Voor dit plan is een worst-case berekening gemaakt, zie figuur 4.3.
Figuur 4.3: NIBM-berekening (bron:
In de berekening is uitgegaan van een toename van 20 appartementen met de bijbehorende verkeersbewegingen. Hieruit blijkt dat de bijdrage niet in betekenende mate is en er geen nader onderzoek nodig is.
In de bestaande situatie is er een bestaand pand met winkelruimte (ca. 1200 m²), dat gesloopt gaat worden, hetgeen ook verkeersbewegingen met zich meebrengt. De bestaande aantallen zijn in deze berekening niet meegenomen.
Gelet op de aard en omvang van dit project, in verhouding tot hetgeen er nu aanwezig is, kan worden gesteld dat dit plan voor de realisatie van 20 appartementen 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging.
Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het daarbij om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer:
Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing.
Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico.
In het BEVI zijn de risiconormen wettelijk vastgelegd. Deze normen zijn niet effectgericht maar gebaseerd op een kansberekening. Tevens geven de risiconormen alleen de kans weer om als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen te overlijden. Gezondheidsschade en de kans op verwonding of materiële schade zijn daarin niet meegenomen. Er is in het BEVI geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar slechts een oriënterende waarde. Er is sprake van een verantwoordingsplicht in geval van een toename van het groepsrisico.
Risicokaart
Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven.
Toets
Hieronder is een uitsnede uit de risicokaart weergegeven. Het plangebied is met een blauwe contour aangeduid. In de directe omgeving bevinden zich geen risico's.
Figuur 4.2: uitsnede risicokaart (bron: risicokaart.nl).
Uit de inventarisatie blijkt dat het dichtstbijzijnde risico, de spoorlijn is (traject Hengelo - Zutphen) op een afstand van minimaal 340 meter. De spoorlijn is opgenomen in het basisnet. Op een afstand van circa 700 m bevindt zich een fabriek (dakspecialist) en produceert golfplaten voor de landbouwsector. Ten noorden van het plangebied bevindt zich op circa 750 meter afstand een aardgasleiding (40 bar).
Voor elk van deze risciobronnen geldt dat de afstand tot het plangebied dermate groot is dat zij geen gevaar vormen voor de te realiseren kwetsbare objecten.
Conclusie
Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid.
Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).
Waterbeleid
De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de NOVI en het Nationaal Waterplan (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen).
Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen.
Het Waterschap Vechtstromen heeft op 14 april 2021 de Watervisie 2050 vastgesteld.
In deze Watervisie staat de drie belangrijkste opgaven waaraan Vechtstromen volgens zeven hoofdlijnen wil werken met partners en inwoners.
De drie belangrijkste opgaves zijn:
- de toenemende droogte en wateroverlast als gevolg van klimaatverandering;
- de waterkwaliteit die onder druk staat:
- de transitie naar een duurzame ontwikkeling.
De Watervisie zal worden doorvertaald naar een Waterbeheerprogramma waarin wordt bepaald hoe het Waterschap in de periode 2022-2028 gaat werken aan haar opgaves. In het beheerprogramma zal het beleid en de maatregelen worden opgenomen.
Totdat het beheerprogramma is uitgewerkt, gelden nog de beleidskaders van rijk en provincie die nader zijn uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2016-2021. De belangrijkste ruimtelijk relevante thema's zijn de Kaderrichtlijn Water en retentiecompensatie. Daarnaast is de Keur van Waterschap Vechtstromen een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden.
Op gemeentelijk niveau zijn het in overleg met Waterschap Vechtstromen opgestelde gemeentelijk Waterplan en het gemeentelijk Rioleringsplan van belang bij het afwegen van waterbelangen in ruimtelijke plannen.
Waterbeheerplan 2016-2021
Watersysteem
In het waterbeheer van de 21e eeuw worden duurzame, veerkrachtige watersystemen nagestreefd. Dit betekent concreet dat droge perioden worden doorstaan zonder droogteschade, vissterfte en stank, en dat in natte perioden geen overlast optreedt door hoge grondwaterstanden of inundaties vanuit oppervlaktewateren. Problemen worden niet afgewenteld op andere gebieden of latere generaties. Het principe "eerst vasthouden, dan bergen, dan pas afvoeren" is hierbij leidend. Rijk, provincies en gemeenten hebben in het Nationaal Bestuursakkoord Water doelen vastgelegd voor het op orde brengen van het watersysteem.
Afvalwaterketen
Het zoveel mogelijk scheiden van vuil en schoon water is belangrijk voor het bereiken van een goede waterkwaliteit. Door te voorkomen dat grote hoeveelheden relatief schoon hemelwater door rioolstelsels worden afgevoerd, neemt het aantal overstorten van verontreinigd rioolwater op oppervlaktewater af en neemt de doelmatigheid van de rioolwaterzuivering toe. Hierdoor verbetert zowel de kwaliteit van oppervlaktewateren waarop overstorten plaatsvinden als de kwaliteit van het effluent ontvangende oppervlaktewater. Indien het schone hemelwater door middel van infiltratie in het gebied wordt vastgehouden alvorens het wordt afgevoerd naar oppervlaktewater, draagt dit bovendien bij aan de duurzaamheid van het watersysteem. Vandaar dat het principe "eerst schoonhouden, dan scheiden, dan pas zuiveren" een belangrijk uitgangspunt is bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Als het hemelwater niet wordt aangekoppeld of wordt afgekoppeld van het bestaande rioolstelsel is oppervlakkige afvoer en infiltreren in de bodem uitgangspunt. Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst.
Gemeentelijk rioleringsplan 2021-2024 (GRP)
De gemeentelijke watertaken komen met name voort uit de Waterwet en Wet Milieubeheer. Deze taken hebben betrekking op de gemeentelijke zorgplicht voor
- inzameling en transport van stedelijk afvalwater;
- het inzamelen en verwerken van afvloeiend hemelwater;
- grondwater(maatregelen).
Het GRP beschrijft de beleidskaders (ambities) en de activiteiten voor de inzameling, transport en verwerking van stedelijk afvalwater, hemel- en grondwater.
Het GRP gaat uit van de trits: vasthouden -> bergen -> afvoeren. De gedachte daarachter is dat water zoveel mogelijk wordt geïnfiltreerd. Als dit niet mogelijk is, dan dient het afstromende regenwater lokaal te worden geborgen in vijvers en watergangen. Pas in laatste instantie kan worden overwogen het water (zo traag mogelijk) af te voeren naar de omgeving.
De trits “schoonhouden --> scheiden --> zuiveren" omvat ten eerste het niet toelaten dat de kwaliteit van water verslechtert (schoon houden), vervolgens het gescheiden houden van schone en vuile waterstromen en als laatste het zuiveren (schoonmaken) van verontreinigd water. Door water schoon te houden en vuile waterstromen zoveel mogelijk gescheiden te houden kan de omvang van te zuiveren water worden beperkt en tevens het zuiveringsrendement worden verhoogd.
Ontvlechting vindt in principe plaats als dat doelmatig en kosteneffectief is.
Bij nieuwbouw is de aanleg van een gemeentelijk hemelwaterstelsel (riool of watergang) gebruikelijk, waar de particulier het hemelwater naartoe kan afvoeren. De infrastructuur wordt in principe zodanig ingericht dat de particulier in staat wordt gesteld het hemelwater (voor een deel) op eigen terrein te verwerken (lozen op aangrenzende sloot en/of infiltratie in de bodem). Is verwerking op eigen terrein niet mogelijk dan kan de particulier het hemelwater bovengronds afvoeren naar het gemeentelijk hemelwaterstelsel.
Bij de grondwaterzorgplicht hebben perceeleigenaren een eigen verantwoordelijkheid bij het voorkomen van grondwaterproblemen. Als de grondwaterstand echter te zeer wordt bepaald door factoren buiten het perceel van de grondeigenaar dan zal de gemeente, in samenspraak met waterbeheerder en provincie, maatregelen treffen om structurele grondwaterproblemen te voorkomen of te beperken.
Ten aanzien van de verwerking van grondwater bij nieuwbouw kan worden gesteld dat dit voldoende wordt ondervangen in het “watertoets proces”. Hierbij worden vooraf de waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze meegewogen bij de ontwikkeling van nieuwbouwlocaties.
Toetsing
Over de waterparagraaf heeft overleg plaatsgevonden tussen initiatiefnemer en de gemeente Hof van Twente. Initiatiefnemer heeft een onderbouwing opgesteld waarbij wordt ingegaan op de uitgangspuntennotitie van het Waterschap Vechtstromen. Deze onderbouwing is bijgevoegd, zie Bijlage 4 Onderbouwing beleidsregels waterschap Vechtstromen.
Het afvalwater zal worden aangesloten op het gemeenteriool, volgens de voorschriften van de gemeente.
Voor dit plan wordt de voorkeur gegeven aan het onzichtbaar afvoeren van hemelwater.
Er is geen sprake van toename van het verhard oppervlak, er is geringe afname. Dat is gerekend zonder de eventuele grasbetontegels.
Met betrekking tot hemelwater kan worden gesteld dat aan de waterbergingseis van 55 liter/m² kan worden voldaan door de aanleg van een IT-buis op eigen terrein. Afvoer van het overtollig hemelwater vindt plaats via het infiltratieriool in de Rozenstraat.
In het plan wordt rekening gehouden met realisatie van groene zones.
Conclusie
Het aspect 'water' vormt geen belemmering voor de voorgenomen herontwikkeling.
Watertoetsproces
Op 10 december 2021 is via www.dewatertoets.nl de digitale watertoets verricht, zie Bijlage 5 Uitgangspunten waterparagraaf. Daaruit volgt dat de normale procedure gevolgd moet worden.
Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet natuurbescherming) en provinciale regelgeving (NNN in provinciale verordening).
Toetsing
Lycens B.V. heeft een quickscan ecologisch onderzoek voor deze locatie uitgevoerd (22 november 2021, projectnummer 2021-0063), zie Bijlage 6 Quickscan ecologisch onderzoek
De resultaten zijn in de volgende alinea's opgenomen.
Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS))
Het plangebied ligt op minimaal 1,08 km afstand van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied weergegeven.
Figuur 4.3: Ligging plangebied t.o.v. NNN-gebied (www.ruimtelijkeplannen.nl)
Omdat het plangebied buiten het Natuurnetwerk Nederland ligt, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciaal beleid t.a.v. Natuurnetwerk Nederland. De bescherming van Natuurnetwerk Nederland kent geen externe werking in Overijssel. Uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming, zoals opgenomen in de Omgevingsverordening Overijssel.
Natura 2000-gebied
Het plangebied ligt op minimaal 6,23 km afstand van het dichtstbijziijnde Natura2000-gebied (De Borkeld).
Figuur 4.4: Afstand plangebied t.o.v. Natura 2000 (bron: pdokviewer.nl)
Conclusie
Wettelijke consequenties m.b.t. gebiedsbescherming
Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties, omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent in Overijssel. Een negatief effect van stikstof op Natura2000-gebied als gevolg van de voorgenomen activiteiten, kan niet worden uitgesloten. Een stikstofberekening is daarom noodzakelijk.
Stikstofdepositie
Voor de realisatie van de voorgenomen ontwikkeling zullen er werkvoertuigen ingezet worden die gebruik maken van fossiele brandstoffen. Bij de verbranding van fossiele brandstoffen wordt er stikstof in verbindingen uitgestoten welke kan neerslaan in kwetsbare natuur. Ook voertuigen van en naar de planlocatie die gebruik maken van fossiele brandstoffen stoten stikstof uit.
De effecten van deze emissie op kwetsbare natuur in Natura2000-gebieden zijn onderzocht, via een AERIUS-berekening. De rapportage is als g van dit bestemmingsplan opgenomen. Hieronder worden de resultaten van de AERIUS-berekening weergegeven.
De berekeningen zijn uitgevoerd met het programma AERIUS Calculator 2021. Voor de beoogde situatie is gerekend voor het rekenjaar 2022. Als bijlagen bij deze rapportage behoren AERIUS projectbestanden met rekenresultaten (bronnen, rekenpunten en resultaten) van de gebruiksfase Voor de rekenresultaten en invoergegevens wordt verwezen naar Bijlage 8 Stikstofonderzoek
Gebruiksfase
Uit de berekening volgt dat er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j.
Conclusie
Als gevolg van het gebruik van de appartementen aan de Wijnkamp - Rozenstraat komt er NOx en NH3 vrij. Door uitvoering van de AERIUS berekening is aangetoond dat dit niet leidt tot een meetbare depositie van NOx of NH3 in Natura 2000-gebied dat gevoelig is voor stikstof of ammoniak. In gebruiksfase ligt de emissie niet hoger dan 0,00 mol/ha/j. De ontwikkeling leidt niet tot een verslechtering van de milieukwaliteit van Natura 2000-gebieden. De AERIUS Calculator 2021 biedt voldoende inzicht in het effect van de voorgenomen activiteit op Natura 2000-gebieden voor het aspect stikstof en ammoniak. De uitkomsten van de berekeningen met de AERIUS Calculator zijn geldig en toepasbaar voor ruimtelijke plannen.
De Wet natuurbescherming vormt voor het aspect stikstof en ammoniak geen belemmering voor uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden.
Wettelijke consequenties m.b.t. soortenbescherming
De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten, maar wel een geschikt functioneel leefgebied van verschillende beschermde diersoorten. Beschermde diersoorten benutten het plangebied mogelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren en vleermuizen er een vast (winter)rust- en/of voortplantingsplaats, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en nestelen er vogels. Amfibieën bezetten geen voortplantingsplaats in het plangebied.
Verblijfsplaatsen van vleermuizen zijn jaarrond beschermd en mogen alleen met een onthefffing beschadigd of vernield worden en vleermuizen mogen alleen verstoord worden indien daarvoor een ontheffing is verkregen. Het bestaande pand aan de Wijnkamp is mogelijk geschikt als verblijfsplaats voor vleermuizen omdat achter de kantpannen kieren zitten, die kunnen dienen als invliegopening. Om de functie van de bebouwing voor vleermuizen vast te kunnen stellen, is specifiek vervolgonderzoek vereist.
Het te slopen pand aan de Wijnkamp is gedekt met dakpannen en dakbeschot. Tussen de dakpannen en dakgoot zitten kieren die huismussen kunnen benutten om er een nestplaats onder te bezetten. De nokpannen sluiten niet naadloos aan op de gevel waardoor nesten van gierzwaluwen in het gebouw niet uitgesloten kunnen worden. Het nest van een huismus en gierzwaluw is jaarrond beschermd en alleen met een ontheffing beschadigd of vernield worden en huismussen mogen alleen verstoord worden indien daarvoor een ontheffing is verkregen. Om nesten van huismussen en gierzwaluwen in de bebouwing in het plangebied te kunnen vaststellen, is specifiek vervolgonderzoek vereist.
Voor de overige nestelende vogelsoorten in het plangebied, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten.
Het plangebied is mogelijk geschikt voor de egel doordat er heggen en struiken aanwezig zijn. De egel en de vaste rust- en voorplantingsplaats van de egel zijn beschermd. De egel mag niet gedood worden en de vaste rust- en voortplantingsplaats mag niet zonder ontheffing beschadigd of vernield worden of er dient gewerkt te worden volgens een door de minister goedgekeurde en toepasbare Gedragscode. Voor het mogen uitvoeren van activiteiten, met negatieve gevolgen voor de egel, is een ontheffing van de verbodsbepalingen nodig.
Voor de egels is een ecologisch werkprotocol opgesteld, zie Bijlage 7 Egel
werkprotocol. Dit protocol is opgesteld om mitigerende maatregelen te borgen en te voorkomen dat verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming worden overtreden.
Het gaat in op mitigerende maatregelen die getroffen moeten worden ten behoeve van de voorgenomen werkzaamheden en wat te doen in geval van calamiteiten.
Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor sommigen beschermde dieren af. Echter leidt dit niet tot wettelijke consequenties.
Conclusie
Nader onderzoek naar de nestplaatsen van de gierzwaluw en huismus is noodzakelijk en tevens een nader onderzoek naar de verblijfsplaatsen van vleermuizen.
Met daarnaast het advies de beplanting te verwijderen buiten het broedvogelseizoen, leidt de Wet natuurbescherming niet tot belemmeringen voor deze ontwikkeling, mits dit ook uit de nadere onderzoeken blijkt.
Nederland heeft in 1992 het verdrag van Malta ondertekend. Het verdrag van Malta heeft als doel het archeologisch erfgoed in de bodem beter te beschermen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar een reële verwachting bestaat dat er archeologische waarden aanwezig zijn dient er een archeologisch onderzoek uit te worden gevoerd, voordat er bodemingrepen plaatsvinden.
Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden ter vervanging van de Monumentenwet 1988. Een deel van de monumentenwet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in werking treedt. Tot die tijd blijven deze onderdelen van de Monumentenwet 1988 gelden als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet.
Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.
Archeologie
De gemeenteraad van Hof van Twente heeft beleid voor archeologie vastgesteld (15 december 2009). Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart van de gemeente Hof van Twente staan archeologische rijksmonumenten en de kans op archeologische vondsten vermeld. Per gebied zijn criteria opgesteld wanneer een archeologisch onderzoek noodzakelijk is.
Hieronder is een uitsnede opgenomen van de verwachtings- en beleidsadvieskaart gemeente Hof van Twente.
Figuur 4.5: uitsnede archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart (bron:
gemeente Hof van Twente)
Toets
Het plangebied ligt in een gebied met een middelhoge verwachting. Dat betekent dat er bij ingrepen dieper dan 40 cm en met een oppervlakte groter dan of gelijk aan 5.000 m² een archeologisch onderzoek noodzakelijk is.
Het plangebied is ruim 3.100 m². Dat is minder dan de aangegeven 5.000 m² en een archeologisch onderzoek is daarom niet vereist.
In dit bestemmingsplan wordt de archeologische verwachtingswaarde conform het geldende bestemmingsplan (weer) opgenomen en wel als dubbelbestemming.
Cultuurhistorie
Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988 (die nog geldt als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet). Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties.
De gemeente heeft een Erfgoednotitie 2018-2022 van de Erfgoedcommissie Hof van Twente. Hierin wordt onder andere het beleid en de visie van erfgoed binnen de gemeente uiteengezet. Om te bepalen of het aspect cultuurhistorie van belang is voor het ontwikkelingsinitiatief is gebruik gemaakt van de rijks- en gemeentelijke monumentenlijst.
Toets
Op basis van de erfgoedlijsten kan worden geconcludeerd dat het plangebied geen monumenten omvat. Aan de Rozenstraat, aan de overzijde, is een gemeentelijk monument gesitueerd. Bij de uitvoering van de bouwwerkzaamheden dient rekening te worden gehouden met deze locatie.
Conclusie
Gezien het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het aspect 'cultuurhistorie' geen belemmering vormt voor deze planontwikkeling.
Eén appartementengebouw wordt gebouwd aan de Wijnkamp en de andere aan de Rozenstraat. De beide gebouwen krijgen een gezamenlijke ontsluiting via de Rozenstraat. Het parkeerterrein bevindt zich tussen de beide gebouwen en een aantal langsparkeerplekken langs de Rozenstraat en langs de Wijnkamp. Beide gebouwen hebben zowel een entree aan de voorzijde als aan de achterzijde.
Verkeer
Op basis van de gegevens van het CROW kunnen de complexen worden aangemerkt als 'koopappartementen, prijsklasse duur', in een gebied dat wordt aangemerkt als 'weinig stedelijk, centrum'. Uitgaande van de bijbehorende kencijfers betekent dat 144 verkeersbewegingen per etmaal voor deze appartementen.
In het pand was een woonwinkel gevestigd met een oppervlakte van circa 800 m². Uitgaande van dezelfde indeling, hoort hier een gemiddelde bij van 6,5 verkeersbewegingen per 100 m². Dat betekent 52 verkeersbewegingen per etmaal. Dit alles betekent een toename van 92 verkeersbewegingen.
Het verkeer wordt ontsloten via de Rozenstraat in de richitng van de Iependijk. Gelet op de inrichting van deze ontsluitingswegen gaat het verkeer op in het heersende verkeersbeeld en vindt er geen overlast plaats. De auto's die langs de Wijnkamp worden geparkeerd, kunnen via deze weg naar de Hengevelderstraat/Deldensestraat, die extra verkeersbewegingen prima aan kunnen.
Het aspect 'verkeer' levert geen belemmeringen op.
Parkeren
In het Gemeentelijk Mobiliteitsplan 2016-2020 is aangegeven dat een nieuwe ontwikkeling niet mag leiden tot een toename van de parkeerdruk op de openbare parkeerplaatsen. Daarom wordt voor het bepalen van de benodigde parkeercapaciteit, de parkeerkencijfers gehanteerd zoals die zijn verwoord in de Parkeernormen Hof van Twente (zie Bijlage 9 Parkeernormen Hof van Twente).
Er is bekeken welke parkeerbehoefte er is in de nieuwe situatie. Daaruit volgt dat er 27,2 parkeerplaatsen nodig zijn voor de 16 middeldure appartementen en 7,6 parkeerplaatsen voor de 4 dure appartementen. Dat zijn afgerond in totaal 35 parkeerplaatsen.
Op eigen terrein worden 30 parkeerplaatsen gerealiseerd. Langs de Rozenstraat worden aan de noordzijde van de straat, vier extra parkeerplaatsen (langsparkeren) aangelegd. Aan de zuidzijde wordt een gehandicaptenparkeerplaats opgeheven in verband met het verdwijnen van de welzijnsinstelling die gaat verhuizen.
Het plan kan daarmee voldoen aan de parkeernormen van de gemeente Hof van Twente.
Conclusie
Het aspect 'parkeren' levert geen belemmeringen op voor dit plan.
De in Hoofdstuk 2 beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die bindend is voor overheid, bedrijven en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding (plankaart) vormen het juridisch bindende deel. Op de verbeelding worden de toegekende bestemmingen en aanduidingen visueel weergegeven. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De toelichting heeft zelf geen juridische bindende werking, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen.
Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien deze in de regels daaraan wordt gegeven.
Op de verbeelding is informatie (topografische gegevens) opgenomen voor de leesbaarheid. Deze ondergrond heeft geen juridische status. Deze informatie is weergegeven bij de verklaring.
De regels zijn ingedeeld in vier hoofdstukken:
In deze paragraaf wordt de bestemmingsplanregeling van dit plan nader toegelicht. In dit bestemmingsplan komt de hoofdbestemming 'Woongebied - 1' voor en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2'.
Bestemming 'Woongebied -1' (artikel 3)
De voor woongebied-1 aangewezen gronden zijn hoofdzakelijk bestemd voor wonen. De gebouwen mogen worden gebouwd binnen het bouwvlak. het aantal woningen is op de verbeelding aangegeven met de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden'. De goot- en bouwhoogtes zijn op de verbeelding aangegeven.
Dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' (artikel 4)
De voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Ter bescherming van deze gronden zijn bepalingen opgenomen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden.
Algemene regels
Naast de bestemmingen bevat het plan een aantal algemene regels over bijvoorbeeld begrippen, wijze van meten, algemene afwijkingen en overgangsrecht. Deze min of meer standaardregels in bestemmingsplannen worden hier niet verder toegelicht.
Bij de voorbereiding van een ontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden
naar de uitvoerbaarheid van het plan. Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is.
De gemeentelijke kosten, waaronder leges en planschadekosten, komen voor rekening van de aanvrager. Hiermee is het kostenverhaal anderszins verzekerd en kan de raad op grond van artikel 6.12, lid 2 onder a besluiten geen exploitatieplan vast te stellen.
Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met instanties, zoals gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.
Provincie Overijssel
Conform het door de provincie Overijssel gehanteerde beleid is het plan voor vooroverleg verzonden aan de provincie. De provincie heeft in haar reactie van 1 september 2021 aangegeven dat het plan in het provinciaal ruimtelijk beleid past.
Waterschap Vechtstromen
Op 10 december 2021 is het plan via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het waterschap Vechtstromen. De conclusie van die digitale toets is dat de normale procedure van toepassing is.
Inmiddels is na een overleg met de gemeente over de uitgangspunten van het Waterschap in een onderbouwing (zie bijlage 3 toelichting) aangegeven hoe aan deze uitgangspunten kan worden voldaan.
Er is diverse keren overleg geweest met de buurtbewoners, zowel met enkele bewoners apart als met grotere groep buurtbewoners.
Daarbij is gesproken over de plannen en de aandachtspunten van de omwonenden.
Toegang tot de percelen, erfafscheidingen, maatvoering van de gebouwen en bezonning / inkijk in de tuinen zijn punten die naar voren komen.
De buren zijn positief over de herontwikkeling van een leegstaand pand.
Het ontwerpbestemmingsplan ‘Goor, herziening Wijnkamp 26/Rozenstraat’ heeft met ingang van 23 juni 2022 tot en met 3 augustus 2022 gedurende 6 weken voor eenieder ter inzage gelegen. Binnen de inzagetermijn zijn in eerste instantie drie zienswijzen ingediend, maar hiervan zijn er na overleg weer 2 ingetrokken. Daarmee blijft er één zienswijze over.
In Bijlage 10 Zienswijzennotitie ontwerpbestemmingsplan "Goor, herziening Wijkamp 26/Rozenstraat" wordt de zienswijze weergegeven, beoordeeld en aangegeven of dit heeft geleid tot wijzigingen.