| Plan: | TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22al Schoolstraat 1 Ambt Delden |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | TAM-omgevingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1735.BGxSchoolstraat1-VS10 |
De initiatiefnemer is voornemens één schuurwoning te realiseren ter compensatie van de sloop van voormalige agrarische bedrijfsbebouwing. De initiatiefnemer is voornemens dit te realiseren in het kader van de rood voor rood regeling van de gemeente Hof van Twente. Hierbij wordt de functie van het perceel omgezet naar 'Wonen'. De melkveetak die nu nog aanwezig is zal worden afgebouwd en de gronden bijbehorend bij het agrarisch bedrijf zullen enkel nog worden ingezet voor ruwvoer. Tevens worden de mestsilo en één schuur behouden.
Om het voorgenomen bouwplan mogelijk te maken dient het omgevingsplan gewijzigd te worden. Voorliggend TAM-IMRO omgevingsplan is opgesteld om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken.
Ligging
Het plangebied is gelegen aan de Schoolstraat 1 in Ambt Delden en betreft een (voormalig) agrarisch bedrijfsperceel. Het plangebied bevindt zich in het buitengebied van de gemeente Hof van Twente, ten noordwesten van de kern Delden. In figuur 1.1 wordt de globale ligging van het plangebied weergegeven.
Figuur 1.1 Uitsnede luchtfoto globale ligging plangebied, plangebied globaal met rode ster aangegeven (bron: PDOK Viewer)
Begrenzing
Kadastraal staat het plangebied bekend als gemeente Ambt Delden, sectie P, perceelnummer 141. Dit perceel heeft en oppervlakte van 210.222 m2. De bergrenzing van het plangebied is globaal opgenomen in onderstaand figuur (rood omkaderd)
Figuur 1.2 (globale) begrenzing plangebied (bron: Omgevingsloket)
Het plangebied ligt binnen het 'Omgevingsplan gemeente Hof van Twente' tijdelijk onderdeel 'Buitengebied Hof van Twente'. Ook is het tijdelijke onderdeel 'Buitengebied hof van Twente Veegplan 2023' van toepassing op het plangebied. Binnen het plangebied ligt de functie 'Agrarisch met waarden'. Daarnaast zijn de volgende overige functies en aanduidingen van toepassing:
Dit betekent dat de gronden ter hoogte van de functie 'Agrarisch met waarden' in hoofdzaak zijn bedoeld voor behoud van de aanwezige landschapswaarden en de uitoefening van een agrarisch bedrijf. In figuur 1.3 ziet u een weergave van het geldende plan en de bijbehorende onderdelen.
Figuur 1.3 Uitsnede geldend omgevingsplan (bron: Omgevingsloket)
Strijdigheid
Het is niet toegestaan om een reguliere woning op te richten op een agrarisch erf. In voorliggend geval blijft weliswaar een deel van de bebouwing staan en worden nog wel agrarische activiteiten uitgevoerd in de toekomst, maar voor zowel de bestaande als de nieuw te bouwen woning zal echter een woonfunctie moeten worden aangebracht.
De toelichting van het bestemmingsplan kent de volgende opbouw. In hoofdstuk 2 worden de huidige situatie en het te realiseren plan beschreven. Hoofdstuk 3 schetst het beleidskader. In hoofdstuk 4 worden de resultaten van de uitgevoerde omgevingsonderzoeken behandeld. In hoofdstuk 5 wordt het bestemmingsplan in juridisch opzicht toegelicht. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de economische uitvoerbaarheid en in hoofdstuk 7 wordt ten slotte de maatschappelijke uitvoerbaarheid belicht.
In de huidige situatie is er sprake van een (voormalig) agrarisch bedrijf aan de Schoolstraat 1 in Ambt Delden. Het bedrijf is samengevoegd met een maatschap gevestigd in Doetinchem. Op het moment is nog sprake van huisvesting van jongvee. Op dit moment bestaat het erf uit de bedrijfswoning, twee stallen voor jongvee, een kapschuur, een stal voor melkvee en kuilplaten Op het erf is op het moment ook een mestopslag silo aanwezig, waarin 825 kuub mest opgeslagen kan worden. In figuur 2.1 is een luchtfoto van de huidige bebouwing weergegeven. In figuur 2.2 is een schets weergegeven van de huidige erfopbouw.
Figuur 2.1 luchtfoto houdige bebouwing plangebied (bron: Maatschap ter Weele - van Voorst)
Figuur 2.2 huidige erfopbouw plangebied (bron: Maatschap ter Weele - van Voorst)
In de toekomstige situatie zal zoals aangegeven een deel van het agrarische bedrijf behouden blijven ten behoeve van het inzetten van de 28 hectare landbouwgrond als agrarische landbouwgrond. Voor het te behouden deel van het agrarische bedrijf blijft één schuur voor opslagmogelijkheid staan.
Ten behoeve van het behoud van de agrarische activiteiten wordt deze mestopslag behouden. Deze mestsilo zal met beplanting worden omringd, zodat deze nauwelijks zichtbaar meer is en verweven wordt met de verdere landschapsinrichting (zie figuur 2.3). Op de mestopslag zal een specifieke aanduiding komen waarin geregeld wordt dat deze mestopslag gebruikt mag worden zolang deze is goedgekeurd, maar dat deze niet meer vervangen mag worden en van het erf moet worden verwijderd zodra de goedkeuring voor de opslag niet meer geldt.
Ten behoeve van de nieuwe schuurwoning is ook één bijgebouw aanwezig. Deze zal iets ten noordwesten van de nieuwe woning gesitueerd worden. De nieuwe woning zal middels een haag 'afgeschermd' worden van het weiland.
De woonfunctie zal worden toegekend aan het bestaande woonhuis, de gewenste schuurwoning en de te behouden schuur, waarbij de rest van het erf haar agrarische functie behoudt, inclusief de specifieke aanduiding op de mestopslag. In figuur 2.3 wordt de toekomstige erfinrichting weergegeven.
De schuur voor jongvee en opslag aan de linkerkant van figuur 2.2 en 2.3 zal behouden blijven. De stal voor het melkvee en haar twee silo's zullen gesloopt worden, evenals de kapschuur, de schuur voor jongvee en droge koeien en de garage. Daarnaast zullen de kuilplaten op het terrein verwijderd worden. Zoals aangegeven zal de agrarische functie (deels) behouden blijven ten behoeve van de mestopslag, hiervoor zal het bouwvlak wel verdwijnen. Het nieuwe erf wordt zo ingepast en de rest van het erf wordt teruggebracht naar agrarische cultuurgrond.
Figuur 2.3 Toekomstige erfinrichting plangebied (bron: Eeckhof bv)
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden.
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:
Conclusie
Wonen is één van de basisbehoeften van mensen. In de Nationale Omgevingsvisie wordt aangegeven dat iedereen in Nederland prettig moet kunnen wonen voor een redelijke prijs. Een woningvoorraad die aansluit op de huidige en toekomstige woonbehoefte van mensen is daarom van nationaal belang.
Het huidige woningtekort en de toename van het aantal inwoners en huishoudens vraagt een groei van de woningvoorraad (vooral in en bij de stedelijke regio’s) in een fijne, leefbare omgeving. Tussen 2019 en 2035 moet de woningvoorraad met circa 1,1 miljoen woningen worden vergroot.
De voorgenomen ontwikkeling voorziet in het realiseren van een nieuwbouw woning in de vorm van een schuurwoning aan de Schoolstraat 1 in Ambt Delden. Met de realisatie van de woning wordt er een woning toegevoegd aan de woningvoorraad. Daarnaast wordt de bestaande bedrijfswoning omgezet naar een reguliere woning, zodat deze breder kan worden ingezet in de woningmarkt. Het plan is gericht op een toekomstbestendige ontwikkeling en past daarmee binnen de prioriteiten van de NOVI.
Artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) schrijft voor dat van een nieuwe 'stedelijke ontwikkeling' die in een omgevingsplan wordt mogelijk gemaakt moet worden aangetoond dat er sprake is van een behoefte. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is.
De toelichting bij het omgevingsplan bevat daartoe een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling. Indien het omgevingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, bevat een toelichting tevens een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Dit wordt de 'Ladder Duurzame Verstedelijking' genoemd.
De beschrijving van de behoefte aan de betreffende, 'stedelijke ontwikkeling', moet inzichtelijk maken of, in relatie tot het bestaande aanbod, concreet behoefte bestaat aan de desbetreffende ontwikkeling. Die behoefte moet dan worden afgewogen tegen het bestaande aanbod, waarbij moet worden gemotiveerd dat rekening is gehouden met het voorkomen van leegstand.
De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling.
Toets
Met voorliggend plan wordt een bestaand agrarisch erf ingeperkt en wordt één extra woning toegevoegd op het erf. Tevens wordt de agrarische functie omgezet naar een woonfunctie, behoudens de mestsilo, waarbij gebruik wordt gemaakt van de Rood voor Rood regeling van de gemeente Hof van Twente. Voor deze ontwikkeling is de ladder voor duurzame ontwikkeling niet van toepassing, zoals blijkt uit de jurisprudentie van 16 september 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2921). Er word enkel één nieuwe woning gerealiseerd en één bedrijfswoning omgezet naar een reguliere woning, dit ligt onder de gestelde grens van 11 woningen, waarvan de Raad van State heeft aangegeven dat dit geen stedelijke ontwikkeling is. Verdere toetsing aan de ladder van duurzame verstedelijking is dan ook niet noodzakelijk.
Ook wanneer de ladder niet van toepassing is moet gemotiveerd worden dat de ontwikkeling voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL).
De Omgevingsvisie Overijssel geeft de provinciale visie op de fysieke leefomgeving van Overijssel weer. Hierin worden onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur aangehaald in samenhang voor een duurzame ontwikkeling van de leefomgeving. De omgevingsvisie is, onder de Omgevingswet, een verplicht instrument voor het Rijk, provincies en gemeenten.
Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn de leidende principes of 'rode draden' bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel.
De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren.
Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel 2024 van de provincie Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is.
De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving.
Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten:
Figuur 3.1: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: provincie Overijssel)
Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht.
Generieke beleidskeuzes
Of een ontwikkeling mogelijk is, wordt bepaald op basis van generieke beleidskeuzes. Onder Afdeling 4.2 (Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking) van de Omgevingsverordening 2024 staan de generieke beleidskeuzes opgenomen. Deze zijn gericht op de concentratie van stedelijke functies in kernen, het bevorderen van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en toekomstbestendigheid. Afdeling 4.3 stelt voor de provinciale doelstellingen voor ruimtelijke kwaliteit, duurzaamheid en sociale kwaliteit, aanvullende eisen op de Ladder voor duurzame verstedelijking. Met betrekking tot dit project zijn de volgende beleidskeuzes van belang:
Artikel 4.5 (zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik)
Lid 1
Omgevingsplannen maken alleen extra ruimtebeslag voor stedelijke functies in de Groene Omgeving mogelijk aansluitend op bestaand bebouwd gebied en als aannemelijk gemaakt is dat:
Toets
Met voorgenomen ontwikkeling wordt het slopen van enkele schuren en het bouwen van één schuurwoning mogelijk gemaakt. Met de realisatie van de schuurwoning neemt het totaal bebouwde oppervlak ten opzichte van de huidige situatie niet toe. Hiermee wordt dus geen extra ruimtebeslag gelegd op de Groene Omgeving. Het gehele erf zal als gevolg van de ontwikkeling tevens landschappelijk worden ingepast, zie bijlage 1. Hiermee kan gesteld worden dat er zuinig en zorgvuldig met de Groene Omgeving van de provincie Overijssel wordt omgegaan en dat voorgenomen ontwikkeling in lijn ligt met artikel 4.5.
Artikel 4.6 (toekomstbestendigheid)
In omgevingsplannen worden alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt, anders dan voor tijdelijk gebruik, waarvan aannemelijk is dat die toekomstbestendig zijn en dus;
Toets
Met voorliggende ontwikkeling wordt de realisatie van één schuurwoning en het omzetten van een (voormalig) agrarische bedrijfswoning naar een reguliere woning middels de Rood voor Rood regeling van de gemeente Hof van Twente mogelijk gemaakt. De nieuw te bouwen woning voorziet in een woonvoorziening voor de huidige generatie, maar ook in een woonvoorziening voor toekomstige generaties. Door middel van de ontwikkeling zal het hele erf toekomstbestendiger worden, aangezien er voorkomen wordt dat agrarische bedrijfsbebouwing komt te vervallen door het omzetten naar de functie naar wonen. Geconcludeerd kan worden dat voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met artikel 4.6.
Artikel 4.14 (woonafspraken)
Toets
Met voorliggende ontwikkeling wordt de realisatie van één schuurwoning en het omzetten van een (voormalig) agrarische bedrijfswoning naar een reguliere woning middels de Rood voor Rood regeling van de gemeente Hof van Twente mogelijk gemaakt. Deze ontwikkeling biedt één huishouden meer een woonverblijf. De bouw van deze woning is in lijn met de gemeentelijke afspraken, welke in lijn zijn met de provinciale uitgangspunten, zoals te lezen is in paragraaf 3.4. Er wordt voldaan aan artikel 4.14 uit de provinciale verordening van Overijssel.
Ontwikkelingsperspectieven
De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn geschetst
in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. In dit geval is met name het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap'. van belang. In figuur 3.2 is een uitsnede van de kaart van dit ontwikkelingsperspectief behorende bij de Omgevingsvisie weergegeven.
Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap
Het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap' richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid.
Figuur 3.2 Uitsnede ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap' (bron: Provincie Overijssel)
Toets
Het gebied valt binnen het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap'. Dit ontwikkelingsperspectief richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid.
De voorgenomen ontwikkeling betreft de sloop van bedrijfsbebouwing ten behoeve van de realisatie van een schuurwoning op het erf aan de Schoolstraat 1 in Ambt Delden. Daarnaast zal een deel van het huidige agrarische bedrijf behouden blijven ten behoeve van het inzetten van de 28 hectare landbouwgrond als agrarische landbouwgrond. Gezien het in harmonie ontwikkelen van een extra woning en daarnaast het te behouden gedeelte van het agrarische bedrijf, past voorgenomen ontwikkeling binnen het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap'.
Gebiedskenmerken
Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en lust- en leisurelaag) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt.
Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.
Natuurlijke laag
Figuur 3.3 Uitsnede natuurlijke laag 'Dekzandvlakte en ruggen' (bron: Provincie Overijssel)
Vanuit de natuurlijke laag ligt het plangebied binnen het gebiedstype 'Dekzandvlakte en ruggen'. De dekzandgronden beslaan een groot gedeelte van de oppervlakte van de provincie. Na de ijstijden bleef er in grote delen een reliëfrijk – door de wind gevormd – zandlandschap achter, dat gekenmerkt wordt door relatief grote verschillen tussen hoog/droog en laag/nat gebied. Soms vlak bij elkaar, soms verder van elkaar verwijderd. De ambitie van de provincie Overijssel is de natuurlijke verschillen tussen hoog en laag en tussen droog en nat functioneel meer sturend en beleefbaar te maken. Dit kan bijvoorbeeld door een meer natuurlijk watersysteem en door beplanting met 'natuurlijke' soorten. En door de (strekkings)richting van het landschap te benutten in gebiedsontwerpen Als ontwikkelingen plaats vinden, dan dragen deze bij aan het beter zichtbaar en beleefbaar maken van de hoogteverschillen en het watersysteem. Beiden zijn tevens uitgangspunt (her)inrichting.
Toets
Met voorliggende ontwikkeling wordt de realisatie van één schuurwoning en het omzetten van een (voormalig) agrarische bedrijfswoning naar een reguliere woning middels de Rood voor Rood regeling van de gemeente Hof van Twente mogelijk gemaakt. Voor de wijze waarop rekening wordt gehouden met onder meer de natuurlijke laag, wordt verwezen naar het erfinrichtingsplan (zie ). Door de afname in bebouwing en landschappelijke inpassing van het erf worden de landschappelijke structuren en kenmerken kracht bijgezet. Dit zorgt voor een betere kwaliteit en beleving van het landschap. Er wordt daarmee rekening gehouden met de uitgangspunten van de natuurlijke laag. Geconcludeerd kan worden dat het plan past binnen de kenmerken van de natuurlijke laag.
Laag van het agrarisch cultuurlandschap
Oude hoevenlandschap
Figuur 3.4 Uitsnede Laag van het agrarisch cultuurlandschap 'Oude hoevenlandschap' (bron: Provincie Overijssel)
Landschap met verspreide erven. Het werd ontwikkeld nadat de complexen met de grote essen ‘bezet’ waren en een volgende generatie boeren nieuwe ontwikkelingsruimte zocht. Die vonden ze bij kleine dekzandkopjes die individueel werden ontgonnen. Dit leidde tot een landschap dat de zelfde opbouw kent als het essenlandschap, alleen in een meer kleinschalige, meer individuele en jongere variant. Deze kleinere maat en schaal is tevens de reflectie van de natuurlijke ondergrond.
Als ontwikkelingen plaats vinden in het oude hoevenlandschap, dan dragen deze bij aan behoud en accentuering van de dragende structuren (groenstructuur en routes) van het oude hoevenlandschap, en aan de samenhang en de karakteristieke verschillen tussen de landschapselementen: de erven met erfbeplanting; open es(je); beekdal; voormalige heidevelden, de mate van openheid en kleinschaligheid.
Toets
Het plan is gelegen binnen het 'Oude hoevenlandschap'. Voor dit kenmerk wordt er aangegeven dat de ambitie is om verspreid liggende erven een kwaliteitsimpuls te geven. Deze erven bieden onder andere ruimte aan wonen, mits er wordt voorgebouwd aan de kenmerkende structuren van het landschap. Voor voorgenomen ontwikkeling is een erfinrichtingsplan opgesteld. Hiermee is rekening gehouden met de huidige structuur van de bebouwing, evenals de nieuw aan te planten beplanting waarmee rekening is gehouden met de kenmerken van het bestaande landschap. Voor het erfinrichtingsplan wordt verwezen naar Bijlage 1
Stedelijke laag
Het plangebied is gelegen in het buitengebied. In het gebied zijn de kenmerken van de 'stedelijke laag' niet aanwezig. Daarom kan toetsing van het plan aan dit gebiedskenmerk achterwege blijven.
Laag van beleving
Het plangebied is niet gelegen binnen de kenmerken van de 'laag van beleving'. Daarom kan toetsing aan dit gebiedskenmerk achterwege blijven.
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat de in dit voorliggende bestemmingsplan besloten planologische wijziging volledig in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.
Nederland is een waterrijk land. Bouwen in die gebieden kan niet zomaar. Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de gemeente voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder betrekken. Dit volgt uit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
Algemeen
Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).
Waterbeleid
De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2027 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de NOVI en het Nationaal Water Programma 2022-2027 (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen).
Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen. Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerprogramma 2022-2027. Het staat de komende jaren voor grote uitdagingen en blijft werken aan voldoende water (niet te veel, niet te weinig), omgaan met klimaatverandering, voldoen aan de eisen voor waterkwaliteit, de biodiversiteit versterken en daarnaast wordt gewerkt aan duurzame energie en circulair grondstoffengebruik. Op gemeentelijk niveau zijn het in overleg met Waterschap Vechtstromen opgestelde gemeentelijk Waterplan en het gemeentelijk Rioleringsplan van belang bij het afwegen van waterbelangen in ruimtelijke plannen.
Watervisie 2050
Het Waterschap Vechtstromen heeft op 14 april 2021 de Watervisie 2050 vastgesteld. In deze
Watervisie staat de drie belangrijkste opgaven waaraan Vechtstromen volgens zeven hoofdlijnen wil werken met partners en inwoners.
De drie belangrijkste opgaves zijn:
De Watervisie zal worden doorvertaald naar een Waterbeheerprogramma waarin wordt bepaald hoe het Waterschap in de periode 2022-2028 gaat werken aan haar opgaves. In het beheerprogramma zal het beleid en de maatregelen worden opgenomen. Totdat het beheerprogramma is uitgewerkt, gelden nog de beleidskaders van rijk en provincie die nader zijn uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2022-2027.
Waterbeheerprogramma 2022-2027
Het waterbeheerprogramma 2022-2027 is op 15 december 2021 vastgesteld door het algemeen bestuur van Vechtstromen. Het waterbeheerprogramma gaat in op alle aspecten van het watersysteembeheer (met uitzondering van het rioleringsbeheer en de drinkwaterzorg). Voor partners en ingezetenen verschaft het programma inzicht in de wijze waarop het waterschap omgaat met het water in het beheergebied.
Het waterbeheerprogramma volgt inhoudelijk op de Watervisie 2050, die op 14 april 2021 door het algemeen bestuur is vastgesteld. Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen Vechtstromen wil nemen in de planperiode 2022-2027 om te werken aan de ambities uit de Watervisie. Het waterbeheerprogramma sluit aan bij plannen van andere partijen zoals het Nationale waterplan (Nationaal Water Programma 2022-2027), het Stroomgebiedsbeheerplan Rijndelta en de Omgevingsvisie van de provincies Overijssel en Drenthe.
Belangrijk uitgangspunt van het Waterbeheerprogramma is de verandering van het klimaat. De weersomstandigheden zijn steeds minder vaak gemiddeld. Dat merken we de laatste twee decennia steeds duidelijker. De winters worden natter en in de zomer zijn er langere hete en droge perioden en vallen de buien steeds meer lokaal. Deze zomerbuien hebben vaker een zeer hoge intensiteit, wat leidt tot hoge afvoerpieken en overstromingen. Het watersysteem is nog niet goed toegerust op die verandering. Het is nu nog vooral ingericht op basis van gemiddelden - de normale beheersituatie enerzijds en het voorkomen van wateroverlast anderzijds - en niet op langdurige droge periodes en incidentele hoosbuien. Dit betekent dat het watersysteem aangepast moet worden. Daarbij heeft het waterschap de ambitie om te komen tot een klimaatrobuust watersysteem in 2050: een systeem dat zowel in kwantitatief als kwalitatief opzicht tegen een stootje kan en goed is toegerust op veranderingen en grotere weersextremen.
Overeenkomstig de Watervisie 2050 heeft het waterschap de volgende hoofdlijnen aangegeven waar de komende jaren aan gewerkt wordt:
Weging van het waterbelang in voorliggend plan
Paragraaf 5.1.3 van het Bkl bevat instructieregels voor het beschermen van de waterbelangen. Er wordt gesteld dat in het omgevingsplan rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van het watersystemen. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 tot en met 5.49 van het Bkl rijksregels met betrekking tot:
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de watertoets vervangen door de term 'weging van het waterbelang'. Het begrip houdt in dat de gemeente bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening moet houden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. De gemeente is verplicht om de waterbelangen mee te nemen in het omgevingsplan. Dit is een instructieregel van het Rijk die volgt uit artikel 5.37 Besluit kwaliteit leefomgeving.
Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de opvattingen van de waterbeheerder betrokken worden bij het omgevingsplan. Dit geldt in het algemeen voor alle waterbelangen. Voorbeelden zijn:
Toets
Op 15-10-2025 is de digitale watertoets uitgevoerd via www.hetwateradvies.nl, hieruit is gebleken dat in voorliggend geval sprake is van de korte procedure. Dit houdt in dat direct doorgegaan kan worden met de planvorming. Er is contact geweest met het Waterschap Vechtstromen via de mail op 15-10-2025, hierbij is aangegeven dat er geen relevante wateraspecten worden geraakt en dat er geen bezwaar vanuit het Waterschap tegen het plan is. De ingevulde watertoets is toegevoegd in Bijlage 2.
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'water' geen belemmeringen veroorzaakt voor het beoogde initiatief.
Op 7 juni 2010 heeft de gemeenteraad van gemeente Hof van Twente de structuurvisie
‘Structuurvisie landelijk gebied Hof van Twente’ vastgesteld. Het buitengebied van Hof
van Twente is volop in beweging, daarom is de structuurvisie landelijk gebied Hof van
Twente opgesteld. Voor het buitengebied zijn er een aantal kernkwaliteiten
geformuleerd. Het gaat om de volgende kernkwaliteiten:
In de structuurvisie wordt de ruimtelijke visie aan de hand van verschillende thema’s
beschreven. Voor het voorliggende plan is het thema ‘Wonen en Leven’ belangrijk.
Thema Wonen en Leven
Nieuwe woningen op bestaande erven
Om de karakteristiek van het landelijk gebied te behouden geldt als uitgangspunt dat zo min mogelijk niet functioneel aan het buitengebied gebonden bebouwing wordt toegevoegd. Dit kan ten koste gaan van de aanwezige landschapswaarden. Er wordt daarom geen medewerking verleend aan het toevoegen van nieuwe woningen door het realiseren van geheel nieuwe solitair gelegen woonerven. Het omvormen van voormalige agrarische erven, naar woonerven wordt ondersteund, mits er tevens een aantoonbare verbetering van de ruimtelijke kwaliteit plaatsvindt. Dit beleid is uitgewerkt in de Beleidsregel Rood voor Rood met gesloten beurs. Met dit beleid wordt ten eerste gestreefd naar een versterking van de ruimtelijke kwaliteit. De verbetering van de ruimtelijke kwaliteit komt hoofdzakelijk tot uitdrukking in de sloop van landschapsontsierende voormalige bedrijfsgebouwen, de realisatie van nieuwe landschapselementen rond het erf en het behoud van cultuurhistorische bebouwing. Ten tweede wordt gestreefd naar het ondersteunen van de leefbaarheid op het platteland door een leegloop te voorkomen. Uitgangspunt is dat de nieuwe woning wordt gerealiseerd op het erf waar ook de sloop plaatsvindt. De nieuwe woning moet daarbij wel deel uitmaken van een bestaand bebouwingscluster, bij voorkeur in een buurtschap of indien de sloop plaatsvindt binnen een landgoed, gelegen zijn op het betreffende landgoed.
Toets
Met voorgenomen ontwikkeling worden drie van de vier agrarische bedrijfsgebouwen op het erf aan de Schoolstraat 1 in Ambt Delden gesloopt. Hiervoor in de plaats zal één compensatiewoning in de vorm van een schuurwoning gerealiseerd worden. Deze schuurwoning zal gerealiseerd worden op het bestaande erf, waarbij de agrarische functie van het erf omgezet zal worden naar een woonfunctie. Doordat er gebouwd zal worden op het bestaande erf, is er sprake van een nieuw solitair erf in het buitengebied. Het bestaande bebouwingscluster zal behouden blijven, zoals te zien is in het in Bijlage 1. Geconcludeerd kan worden dat voorgenomen ontwikkeling in lijn is met de structuurvisie van de gemeente Hof van Twente.
In de gemeente Hof van Twente is het goed wonen, werken, recreëren en vertoeven. Een groene, landelijke gemeente met levendige kernen. De ambitie is: voor iedere inwoner een passende woning. Dit betekent niet alleen dat we de huidige woningvoorraad optimaal moeten benutten, maar ook dat er gericht woningen bijgebouwd moeten worden. Dit vraagt om flexibiliteit en maatwerk, waarbij we ten allen tijden de landelijke kwaliteit van de gemeente waarborgen.
Deze woonvisie behandelt de belangrijkste ambities, speerpunten en acties van de gemeente om dit doel te bereiken. De belangrijkste ambities zijn:
De oplopende woningbehoefte vraagt om onze voortdurende aandacht en om concrete acties. Versnelling van de woningbouw in de kernen en het buitengebied is nodig om te voorzien in de woningbehoefte. Er wordt ingezet op een evenwichtige verdeling van de bouwopgave onder alle kernen en het buitengebied. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de programmaruimte per kern en buitengebied tot 2030.
Figuur 3.5 woningbouwprogramma in de kernen en het buitengebied, 2020-2030 (bron: gemeente Hof van Twente)
Toets
Met voorgenomen ontwikkeling wordt het slopen van enkele agrarische bedrijfsgebouwen ten behoeve van één schuurwoning aan de Schoolstraat 1 in Ambt Delden mogelijk gemaakt. Volgens het woningbouwprogramma voor het buitengebied tot 2030 is er ruimte voor 160-165 nieuwe woningen in het buitengebied in de periode tussen 2020 en 2030. Door het toevoegen van één woning aan de woningvoorraad in het buitengebied van de gemeente. Hiermee is de beoogde ontwikkeling in lijn met de woonvisie van de gemeente Hof van Twente.
Sinds 2005 maakt de Hof van Twente gebruik van de Rood voor Rood-regeling. Waarbij de regels al een aantal keer zijn aangepast zodat ze beter aansluiten bij wat de behoefte is. De laatste jaren beëindigen steeds meer agrariërs hun bedrijfsactiviteiten en deze tendens zet zich ook de komende jaren nog voort. Hierdoor komen de voormalige agrarische bedrijfsgebouwen leeg te staan. Er wordt enerzijds gezocht naar mogelijkheden tot hergebruik van de bebouwing en anderzijds naar maatregelen om de sloop te bevorderen.
Ter compensatie van de sloop van minimaal 1.000 m2 landschap ontsierende bedrijfsgebouwen (waaronder ook torensilo’s en mestsilo’s en de helft van de oppervlakte van mestkelders buiten de stallen/opstallen) kunnen onder voorwaarden één bouwkavel voor een woning worden toegekend (compensatiekavels). De compensatiekavel wordt bij voorkeur toegekend op de locatie waar het meest wordt gesloopt en wordt gesitueerd in de directe omgeving van de te handhaven bedrijfswoning, om de erfstructuur te handhaven en de daarbij behorende clustering van bebouwing (ensemble) te bewerkstelligen.
Toets
De initiatiefnemer is voornemens om drie van de vier aanwezige agrarische schuren te slopen. Het slopen van de drie schuren levert 1.170 m2 aan sloopmeters op, waarvoor de eerste 1.000 m2 kunnen worden gebruikt als woonmeters ten behoeve van de realisatie van de compensatiewoning. Deze compensatiewoning zal een maximale inhoud van 750 m3 mogen hebben.
In principe gaat de rood-voor-rood regeling uit van de sloop van het gehele complex aan voormalige agrarische bebouwing, met uitzondering van de bedrijfswoning en eventuele karakteristieke gebouwen. In sommige situaties kan een agrarisch gebouw blijven bestaan voor het uitoefenen van een economische activiteit, afhankelijk van de relatie met de omgeving, de overige aanwezige en te realiseren gebouwen op het erf en de relatieve afname van bebouwing.
De initiatiefnemer wenst één schuur en de mestsilo te behouden voor het deels voortzetten van de agrarische activiteiten. Ten behoeve van het uitoefenen van de ruwvoerteelt en de daarvoor benodigde opslagmogelijkheden, is het in lijn met het KGO-beleid en haar maatwerk om het behoud van één schuur voor die gebruiksmogelijkheden toe te staan.
Hiermee wordt voldaan de uitgangspunten van de Rood voor Rood regeling zoals vastgelegd in het gemeentelijke beleid.
Een wijziging op het omgevingsplan kan alleen worden gedaan wanneer sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 8.0a, lid 2, Bkl). Bij ruimtelijke projecten moet, mede hierom, in toenemende mate rekening gehouden worden met diverse milieu- en omgevingsaspecten. Bij het beoordelen van deze milieu- en omgevingsaspecten zijn o.a. de volgende thema's relevant: milieuzonering, bodem, geluid, omgevingsveiligheid, water, ecologie, archeologie, verkeer en parkeren. Onderstaand worden de omgevingsaspecten in het kort behandeld.
De mer-regelgeving is uitgewerkt in verschillende onderdelen van de Omgevingswet (Ow). Afdeling 16.4 van de Omgevingswet bevat de regelgeving over milieueffectrapportage. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit (Ob). In bijlage V van het Omgevingsbesluit staan de plannen en de besluiten waarvoor een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt.
Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije
MER-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één MER-
beoordelingsprocedure. Op grond van artikel 16.43 van de Ow en artikel 11.6 van het Ob is de lijst met plan-mer-plichtige en plan-mer-beoordelingsplichtige plannen opgenomen in bijlage V van het Ob. In bijlage V is een tabel opgenomen met vier kolommen, deze kolom moet als volgt worden gelezen:
Indien sprake is van een plan-mer-beoordelingsplicht dan toetst het bevoegd gezag of er bij het plan aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden. De beoordeling vindt plaats aan hand van de relevante criteria van bijlage III van de mer-richtlijn (artikel 16.43 lid 3 Ow). Er zijn 2 uitkomsten mogelijk:
Toets
De eerste vraag die beantwoord moet worden is of het plan voldoet aan de omschrijving die is opgenomen in kolom 1 van bijlage V van het Ob. Een dergelijk plan wordt niet expliciet benoemd in kolom 1 van bijlage V van het Ob, de meest logische aansluiting kan worden gevonden onder nummer J11, een 'Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen'.
Het begrip 'Stedelijk ontwikkelingsproject' is niet gedefinieerd, wel zijn er een aantal voorbeelden van bouwprojecten die als stedelijk ontwikkelingsproject kunnen worden aangemerkt. Dit betreft o.a. woningen, parkeerterreinen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Gelet op de uitspraak van de Raad van State van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) lijken de volgende aspecten relevant voor de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject:
Wanneer sprake is van een zogenaamde 'kleine wijziging' of voor situaties waarbij het voorgenomen plan of programma betrekking heeft op 'kleine gebieden op lokaal niveau', dan is het toegestaan om eerst een plan-mer-beoordeling uit te voeren. Als uit deze plan-mer-beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten kan hebben, bestaat er geen verplichting een plan-MER te maken( art. 16.36, lid 3, Ow). Als niet gekozen wordt voor de plan-mer-beoordeling, geldt een plan-mer-plicht.
Wanneer de ontwikkeling van zodanig kleinschalige aard is kan het zo zijn dat geen sprake is van een plan in de zin van m.e.r. onder het Ob. Dit kan in sommige gevallen gemotiveerd worden op basis van jurisprudentie. In de uitspraak van 12 juni 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1879) heeft de Raad van State geoordeeld dat de realisatie van twee woningen op voorheen (hobbymatige) agrarische gronden niet wordt aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject. Met dit plan wordt de sloop van enkele agrarische bedrijfsgebouwen ten behoeve van de realisatie van één schuurwoning mogelijk gemaakt.
Gelet op de uitspraak van 12 juni 2019, worden geconcludeerd dat het plan niet voorziet in een nieuw stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1, nummer J11 van bijlage V van het Ob. Er is geen sprake van een plan-m.e.r. plicht of plan-m.e.r. beoordelingsplicht.
De Omgevingswet zorgt voor een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. Het maatschappelijk doel hierbij is 'ruimte voor ontwikkeling en waarborgen voor kwaliteit'. Om dit doel te bewerkstelligen is het ruimtelijk- en milieuspoor verder geïntegreerd.
In de bijlage bij artikel 1.1. van de Ow wordt het begrip Milieubelastende activiteit (Mba) als volgt gedefinieerd: 'activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een waterotrekkingsactiviteit'.
De VNG-uitgave 'Activiteiten en milieuzonering' gaat uit van zones die bij een grotere afstand tot gevoelige functies en locaties (bijvoorbeeld wonen) uitgaat van een oplopende gebruiksruimte voor geluid en geur per bedrijf. Daarbij staat het reguleren van gebruiksruimte voor geluid en geur centraal in de nieuwe systematiek voor milieuzonering. Daarbij wordt aansluiting gezocht bij Besluit kwaliteit leefomgeving waar 'gebruiksruimte' een belangrijk begrip is (zie paragraaf 3.3 “Sturen op de verdeling van gebruiksruimte onder de Omgevingswet” van de Nota van toelichting bij het Bkl. De gebruiksruimte van milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) is de milieuruimte die een milieubelastende activiteit op grond van het omgevingsplan mag benutten voor het uitoefenen van de bedrijfsvoering. In onderstaande tabel zijn de richtafstanden weergegeven.
Figuur 4.1 – Transponeringstabel richtafstanden VNG (Bron: VNG)
Toets
De vernieuwde handreiking van het VNG heeft verschillende gebiedstypen opgenomen. Tevens kunnen binnen deze gebiedstypen differentiaties worden aangebracht. Voorliggend initiatief is gelegen in stedelijk gebied/landelijk gebied. In de nabijheid van het plangebied zijn hoofdzakelijk uitleg omliggende bebouwing/functies. Om die reden wordt voor het bepalen van de richtafstanden in dit geval uitgegaan van het omgevingstype zie tabel.
Bij het realiseren van een functie dient gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe functie gerealiseerd wordt. Hierbij spelen twee vragen een rol:
1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking);
2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).
Externe werking
Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. Met voorliggende ontwikkeling wordt de realisatie van één schuurwoning en het omzetten van een (voormalig) agrarische bedrijfswoning naar een reguliere woning middels de Rood voor Rood regeling van de gemeente Hof van Twente mogelijk gemaakt. In het kader van milieuzonering betreft dit geen milieubelastende activiteit. Omliggende gevoelige functies worden hierdoor niet belemmerd omdat er geen milieugevoelig object wordt toegevoegd.
Interne werking
Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie binnen het plangebied hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving en andersom of de nieuwe functie die bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantast.
In de omgeving is één intensieve veehouderij aanwezig (Werninksweg 2). Op deze veehouderij fokken ze pluimvee. Op basis van de gemeten afstand tussen het plangebied en de milieubelastende activiteit wordt er voldaan aan de gestelde richtafstanden.
Daarnaast is op het eigen erf een mestsilo aanwezig, die in de toekomstige situatie zal blijven bestaan. Volgens artikel 5.112 lid 1 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), geldt er voor locaties buiten een bebouwingscontour geur een richtafstand van 50 meter. De gewenste schuurwoning ligt dus op voldoende/komt te liggen op afstand van deze mestsilo.
De te behouden agrarische schuur zal haar agrarische activiteiten voortzetten. Hierbij zal de nieuwe woning dus ook tegen hinder van de schuur beschermd moeten zijn. De te behouden agrarische schuur is meer dan 50 meter, voor locaties geldt een richtafstand van 50 meter. De gewenste schuurwoning zou dus komen te liggen buiten deze richtafstand voor geur. Voor de conclusie betreft de geur en de afstand wordt verwezen naar paragraaf 4.3.
| Functie | Afstand tot plangebied | Milieucategorie | Richtafstand | Voldaan ja/nee | |||
| Veefokker (Werninksweg 2) | 210 m | 3 | 100 m | ja | |||
| Mestsilo (Schoolstraat 1) | 50 m | 2 | 50 m | ja | |||
| Te behouden agrarische schuur | 55 m | 2 | 50 m | ja | |||
Figuur 4.2 - Tabel met richtafstanden tot plangebied
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'Milieubelastende activiteiten' geen belemmering veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.
In paragraaf 5.1.4.6.1 Bkl zijn de instructieregels opgenomen die geurbelastende activiteiten en/of geurgevoelige gebouwen in elkaars nabijheid mogelijk maken. Het gaat hierbij om drie geurbronnen waarvoor regels zijn gesteld, namelijk:
In artikel 5.92 Bkl staat vastgelegd dat in een omgevingsplan rekening gehouden wordt met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen en dat het omgevingsplan erin voorziet dat dit aanvaardbaar is, Hierbij moet rekening worden gehouden met de lokale specifieke omstandigheden en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten. De specifieke plaatselijke situatie kan mede bepalend zijn voor wat aanvaardbaar is en per geval verschillen. Afhankelijk van de gemeente kan lokaal beleid van toepassing zijn voor het aspect geur. Dit wordt dan vastgelegd in een Geurgebiedsvisie en Geurverordening.
Naast het toetsen van de geurbelasting door activiteiten op geurgevoelige functies, moet bij het toelaten van een nieuwe geurgevoelige functies ook worden getoetst of bedrijven in de omgeving worden beperkt in hun bedrijfsvoering. Wanneer hier sprake van is moet getoetst worden aan de geldende normen waar het bedrijf aan moet voldoen. Een nieuwe geurgevoelige functie is alleen aanvaardbaar als dit er niet toe leidt dat het bedrijf daardoor niet meer kan voldoen aan de voor het bedrijf geldende normen. Dit betekent dat er sprake is van een beperking in de bedrijfsmogelijkheden.
Toets
Zoals blijkt uit de toetsing in paragraaf 4.2 ligt het dichtstbijzijnde (intensieve agrarische) bedrijf in omgeving op een afstand van ongeveer 210 meter. De intensieve veehouderij ligt op voldoende afstand tot het plangebied vormt geen belemmering voor de nieuw te realiseren schuurwoning.
Daarnaast ligt op het eigen erf een mestsilo gelegen op circa 50 meter afstand. Gelet op artikel 5.112 lid 1 van het Bkl geldt er voor locaties buiten een bebouwingscontour geur een richtafstand van 50 meter. De afstand van de schuurwoning t.o.v. de mestsilo is dus gelegen op voldoende afstand.
De te behouden agrarische schuur zal haar agrarische activiteiten voortzetten. Hierbij zal de nieuwe woning dus ook tegen hinder van de schuur beschermd moeten zijn. De afstand op te behouden agrarische schuur is meer dan 50 meter, voor locaties geldt een richtafstand van 50 meter. De gewenste schuurwoning zou dus komen te liggen buiten deze richtafstand voor geur.
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat het omgevingsaspect 'geur' geen belemmeringen vormt voor voorgenomen ontwikkeling.
Wanneer ontwikkelingen plaatsvinden m.b.t. de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie en/of activiteit. De bodemkwaliteit mag geen gezondheidsrisico opleveren voor gebruikers van de bodem. In deze paragraaf wordt omschreven hoe bij voorliggend plan rekening zal worden gehouden met het aspect bodem.
Voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie moet worden getoetst aan paragraaf 5.1.4.5.1 van het Bkl. Deze paragraaf bevat regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. De instructieregels zijn mede gesteld met het oog op het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw.
Uit artikel 5.89g van het Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op o.a. een bodemgevoelig gebouw en definieert het als een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Deze paragraaf is niet van toepassing op bijbehorende bouwwerken tot 50 m².
Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen.
Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem).
Toets
Met voorliggende ontwikkeling wordt de realisatie van één schuurwoning en het omzetten van een (voormalig) agrarische bedrijfswoning naar een reguliere woning middels de Rood voor Rood regeling van de gemeente Hof van Twente mogelijk gemaakt. Hiermee is wel sprake van het mogelijk maken van een bodemgevoelig gebouw of bodemgevoelige locatie (functie). Volgens artikel 5.89g van het Bkl wordt een bodemgevoelig gebouw (woning) gedefinieerd als een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Om aan te tonen dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik is er verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door Dumea, zie
Resultaten onderzoek
Op een locatie gelegen aan de Schoolstraat 1-1a te Ambt Delden, kadastraal bekend gemeente: Ambt-Delden, Sectie: P, nummer(s): 141 is op 13 november 2025 een verkennend bodemonderzoek conform NEN5740 en 5707 uitgevoerd.
Naar aanleiding van de bevindingen van het historisch vooronderzoek wordt de locatie als verdacht beschouwd in het kader van de NEN5740 en de NEN5707.
Verkennend bodemonderzoek NEN5740
Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn boringen en inspectiegaten uitgevoerd ten behoeve van een bodemonderzoek conform de NEN5740 en NEN5707.
Gehele locatie
In de bovengrondmengmonsters en in de ondergrondmengmonsters zijn geen verhogingen angetroffen boven de interventiewaarde.In de grondwatermonsters zijn lichte verhogingen barium aangetoond.
Vml dieseltanks
In het bovengrondmengmonster zijn geen verhogingen aangetroffen. In het grondwatermonster zijn een olie-gerelateerde verhogingen aangetroffen.
Dieseltank
In het bovengrondmengmonster zijn geen verhogingen aangetroffen. In het grondwatermonster zijn een olie-gerelateerde verhogingen aangetroffen.
Verkennend bodemonderzoek NEN5707 "asbest in bodem"
Tijdens de maaiveld- inspectie zijn ter plaatse van de onderzoekslocatie geen asbestverdachte aterialen op het maaiveld aangetroffen.
Gehele locatie
Ter plaatse van de locatie zijn meerdere inspectiegaten gegraven, bemonsterd en geanalyseerd op de anwezigheid van asbest. In demengmonsters is analytisch geen asbest aangetoond.
Druppelzone
Ter plaatse van de druppelzone zijn twee inspectiesleuven gegraven. In het mengmonster van DZ1 is analytisch geen asbest aangetoond.
Algemeen
Op basis van onderhavig onderzoek wordt een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht. De waarde voor nader bodemonderzoek (index >0,5) wordt niet overschreden.
De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt geacht voor het beoogde gebruik.
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat vanuit het omgevingsaspect 'bodem' geen belemmeringen zijn voor voorgenomen ontwikkeling.
Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid.
Geluidsgevoelige gebouwen
In artikel 3.21 van het Bkl zijn de geluidsgevoelige gebouwen aangewezen. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond de woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel.
Onder geluidgevoelige gebouwen wordt verstaan:
Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen
Paragraaf 5.1.4.2a van het Bkl gaat over het toelaten van een nieuw geluidgevoelig gebouw bij wegen, spoorwegen en industrieterreinen alsook het geluid veroorzaakt door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen gelegen binnen een geluidaandachtsgebied.
Een geluidaandachtsgebied is een locatie langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde zoals opgenomen in de tabel in artikel 5.78t van het Bkl. Mocht er door een gemeente nog geen geluidaandachtsgebied in het omgevingsplan zijn opgenomen, dan gelden de afstanden uit artikel 17.5 Omgevingsregeling:
In het Bkl zijn eisen gesteld aan de maximaal toelaatbare geluidbelasting op de gevel van een geluidgevoelig gebouw. In figuur 2 zijn de standaardwaarden en grenswaarden weergegeven.
| Geluidbronsoort | Standaardwaarde | Grenswaarde | |
| Provinciale wegen Rijkswegen |
50 Lden | 60 Lden | |
| Gemeentewegen Waterschapswegen |
53 Lden | 70 Lden | |
| Lokale spoorwegen Hoofdspoorwegen |
55 Lden | 65 Lden | |
| Industrieterreinen | 50 Lden 40 Lnight |
55 Lden 45 Lnight |
|
Figuur 4.3 – Tabel 5.78t/5.78u: Standaardwaarde en grenswaarde geluidgevoelige gebouwen (bron: BKL)
Een nieuw geluidgevoelig gebouw kan zonder meer worden toegelaten als het geluid niet hoger is dan de standaardwaarden. Meer geluid dan de standaardwaarde kan echter als aanvaardbaar beoordeeld worden (artikel 5.78u tot en met 5.78ad Bkl). Een grenswaarde is een uiterste grens waar niet van mag worden afgeweken.
Bij geluid tussen de standaardwaarde en de grenswaarde zal beschouwd moeten worden welke maatregelen mogelijk zijn om de geluidbelasting te verlagen tot de standaardwaarden. Het bevoegd gezag kan alleen geluid tot en met de grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toestaan als ze:
Er zal bij de voorbereiding van een omgevingsplan onderzoek moeten worden gedaan naar de geluidbelasting op de gevels van geluidgevoelige objecten, wanneer deze zich binnen het geluidaandachtsgebied van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen bevinden.
Geluid door activiteiten
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) onder paragraaf 5.1.4.2.1 zijn regels voor het aspect geluid opgenomen die gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid voortbrengen. Deze instructieregels zijn van toepassing op het moment dat een omgevingsplan op een locatie een geluidbelastende activiteit of een geluidgevoelig gebouw planologisch mogelijk maakt. Daarmee gelden de instructieregels zowel bij het toestaan van de activiteit, als bij het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in de nabijheid van de activiteit.
Met uitzondering van het geluid van woonactiviteiten, zijn de instructieregels van deze paragraaf van toepassing op het geluid van alle denkbare activiteiten. Het gaat hierbij niet alleen om geluid van bedrijven en/of instellingen, maar bijvoorbeeld ook geluid afkomstig van locaties waar openbare voorzieningen zijn voorzien, zoals groen of speeltuinen. De instructieregels zijn ook van toepassing op geluid afkomstig van een locatie waar woningen met een bedrijf aan huis zijn toegelaten. Dat betekent dat het geluid dat afkomstig is van het wonen niet wordt beoordeeld, maar het geluid van de bedrijfsmatige activiteiten wel. In artikel 5.65 van het Bkl zijn standaardwaarden opgenomen die aan de eis van aanvaardbaarheid voldoen. Overigens kan een gemeente gemotiveerd afwijken van de standaardwaarden, mits aan de aanvaarbaarheid eis kan worden voldaan.
In afdeling 8.5 van het Bkl staan beoordelingsregels voor de omgevingsvergunning milieubelastende activiteit. Ten slotte voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het Bal. De instructieregels zijn niet van toepassing op tijdelijk gebouwen (minder dan 10 jaar) en op geluid afkomstig van doorgaand verkeer op wegen en spoorwegen.
Toets
Wegverkeerslawaai en spoorwegen
Met voorgenomen ontwikkeling worden drie van de vier agrarische bedrijfsgebouwen gesloopt ten behoeve van de realisatie van één schuurwoning. De bestaande bedrijfswoning zal hierbij de vorm van een reguliere woning aannemen. Hiermee wordt de functie van het plangebied omgezet naar wonen. Zoals te zien in figuur 4.4 is het plangebied niet gelegen binnen een geluidsaandachtsgebied van omliggende wegen. Daarnaast zijn er geen spoorwegen aanwezig in de buurt van het plangebied. Er kan geconcludeerd worden dat het aspect 'Wegverkeerslawaai en spoorwegen' geen belemmeringen vormen voor voorgenomen ontwikkeling.
Figuur 4.4 - Uitsnede ligging plangebied t.o.v. wegverkeerslawaai (bron: Atlas Leefomgeving)
Geluid door belastende activiteiten
De dichtstbijzijnde functie waarmee rekening moet worden gehouden m.b.t. het aspect is de intensieve veehouderij die zich op 210 meter afstand bevindt. De richtafstand m.b.t. geluid bedraagt 50 meter voor dit bedrijf, hieraan wordt ruimschoots voldaan. Nadere toetsing aan het aspect geluid m.b.t. geluid door activiteiten is niet noodzakelijk.
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat het omgevingsaspect 'geluid' geen belemmeringen vormen voor voorgenomen ontwikkeling.
Ter bescherming van de gezondheid zijn onder paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl instructieregels opgenomen voor de luchtkwaliteit. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10).
De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in zogeheten aandachtsgebieden, dit zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide of fijnstof.
In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Hierbij gaat het om activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Het gaat in zulke gevallen om activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben (bijvoorbeeld verkeer of bedrijfsemissies). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een plan niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m³. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. In artikel 5.54 staan standaardgevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:
Als een plan binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen valt, is het alsnog mogelijk om via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. Een andere manier om aannemelijk te maken dat een plan de 3%-grens niet overschrijdt is een kwalitatieve berekening. Met de NIBM-tool kan bekeken worden of een plan in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool.
Toets
Verkeer
Met dit plan wordt de realisatie van één schuurwoning mogelijk gemaakt op het bestaande erf aan de Schoolstraat 1 in Ambt Delden. Daarnaast zal de (voormalig) bedrijfwoning worden omgezet in een reguliere woning. Als gevolg hiervan zullen 8.2*2 = 16.4 extra verkeersbewegingen per etmaal plaatsvinden. Als wordt uitgegaan van een worst-case scenario kan het aantal verkeersbewegingen op 17 per dag gesteld worden. Er zal lichte sprake zijn van vrachtverkeer, aangezien een deel van de agrarische bedrijfsvoering blijft bestaan, waardoor het percentage vrachtverkeer op 10% gezet kan worden. In figuur 4.5 is de worst-case berekening weergegeven met het aantal extra voertuigbewegingen.
Figuur 4.5: Worst-case berekening voor bijdrage van extra verkeer (bron: infomil.nl)
Uit deze berekening volgt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekende mate is. Er is geen nader onderzoek nodig.
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat het omgevingsaspect 'Luchtkwaliteit' geen belemmering vormt voor voorgenomen ontwikkeling.
Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. De hoofdlijnen van het (wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten:
De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (Bkl) gaan over het toestaan van verschillende soorten gebouwen en locaties, afhankelijk van hun kwetsbaarheid. Dit betreft zowel beperkt kwetsbare, kwetsbare als zeer kwetsbare gebouwen, evenals beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Dit is relevant in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een specifieke locatie wordt uitgevoerd, zoals aangegeven in een omgevingsplan of een omgevingsvergunning.
Plaatsgebonden risico
Het plaatsgebonden risico is de kans dat per jaar iemand die onbeschermd en continu op een plek verblijft komt te overlijden als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen. Dit kan zijn: blootstelling aan hitte door brand, overdruk door een explosie of een concentratie giftige stoffen in de lucht. Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).
Aandachtsgebieden
Daarnaast dient rekening gehouden te worden met de kans dat als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen een groep van tien of meer personen overlijdt (het groepsrisico). Bij een beoordeling van het groepsrisico wordt gebruik gemaakt van aandachtsgebieden. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl).
Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV).
Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten.
Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang:
Toets
Uit het raadplegen van de risicokaart Nederland blijkt dat er ten noordwesten van het plangebied een risicobron aanwezig is (zie figuur 4.6). Dit betreft een buisleiding op ca. 780 meter afstand. Zoals af te lezen op de risicokaart is het plangebied niet gelegen binnen één van deze aandachtsgebieden. Gelet op het feit dat het plangebied niet binnen dit aandachtsgebied gelegen is, wordt het uitvoeren van een nader onderzoek niet nodig geacht.
Figuur 4.6 - Uitsnede risicokaart Nederland (bron: Atlas Leefomgeving)
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat vanuit het omgevingsaspect 'omgevingsveiligheid' geen belemmeringen zijn voor voorgenomen ontwikkeling.
Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN).
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
In het Besluit kwaliteit leefomgeving is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd (voorheen Ecologische Hoofdstructuur). De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Nationale omgevingsvisie (NOVI). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN/EHS zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN/EHS vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven.
Toets Natuurnetwerk Nederland
Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het plangebied ligt op een afstand van circa 190 meter van het meest nabijgelegen gebied van het NNN (zie figuur 4.7). Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot consequenties voor het NNN. Dit komt doordat het NNN geen externe werking kent in de provincie Overijssel. Daarnaast kan gesteld worden dat gezien de afstand en omvang van de voorgenomen ontwikkeling t.o.v. het NNN er geen consequenties zijn.
Figuur 4.7 - Uitsnede afstand tot dichtstbijzijnde NNN (bron: Atlas Leefomgeving)
Natura 2000-gebieden
Het gebiedsbeschermingsdeel van de Omgevingswet heeft als doel het beschermen van Natura 2000-gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Plannen die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk.
Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt in hoofdstuk 11 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor:
De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op. In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt.
Toets Natura 2000-gebieden
Het dichtstbijzijnde gevoelige gebied betreft het Natura 2000-gebied 'Borkeld', dat zich op een afstand van circa 8,0 kilometer van het projectgebied bevindt. Negatieve effecten zoals trillingen, geluid of oppervlakte verlies kunnen gezien deze afstand redelijkerwijs worden uitgesloten. In figuur 4.8 is de situering van het plangebied ten opzichte van het Natura 2000-gebied 'Borkeld' weergegeven.
Figuur 4.8 - Uitsnede afstand tot dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (bron: Atlas Leefomgeving)
Stikstofdepositie
Het voorgenomen plan voorziet in omschrijving ontwikkeling. Als een bouwproject afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, is daarvoor, naast een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwen (artikel 5.1 lid 1 sub a Omgevingswet) en een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit zelf, een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit nodig.
Degene die bouw- en sloopwerkzaamheden verricht, moet altijd adequate maatregelen treffen (zoalswerktuigen minder stationair laten draaien) om de stikstofemissie te beperken (artikel 7.19a, Bbl). Datgeldt alleen voor een van de volgende gevallen:
In artikel 6.15 van de Omgevingsregeling wordt benoemd dat de stikstofdepositie moet worden berekend met AERIUS Calculator. In het kader van dit plan is geen AERIUS-berekening uitgevoerd om de stikstofdepositie op Natura 2000-gebied te berekenen.
Toets stikstofdepositie
Gelet op de relatief grote afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied en de aard en omvang van het project zijn enige negatieve effecten met betrekking tot stikstof uitgesloten. Een stikstofberekning wordt niet noodzakelijk geacht.
Soortenbescherming
In de Omgevingswet (Besluit activiteit leefomgeving) is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten. In de Omgevingswet worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld:
Door een groot aantal activiteiten en invloeden staat het voortbestaan van veel dier- en plantsoorten onder druk. Daarom is soortenbescherming een onderdeel van de Omgevingswet. Sommige activiteiten kunnen gevolgen hebben voor dieren en planten in het wild. Dat zijn flora- en fauna-activiteiten. De Omgevingswet geeft regels over flora- en fauna-activiteiten om soorten te beschermen. Deze activiteit is vaak het gevolg van een andere activiteit zoals bouwactiviteit. In afdeling 8.6 van het Bkl zijn beoordelingsregels opgenomen voor omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit en flora- en fauna-activiteit. Artikel 8.74j tot en met 8.74n bevat beoordelingsregels voor flora- en fauna-activiteit.
Tot slot geldt een algemene specifieke zorgplicht. Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27, Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten.
Toets soortenbescherming
In het kader van voorliggend project is een quickscan natuurwaarden uitgevoerd, de conclusies uit dit onderzoek zijn onderstaand weergegeven. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar Bijlage 4
Resultaten quickscan
De voorgenomen ontwikkeling heeft negatieve gevolgen voor verschillende beschermde diersoorten. Als gevolg van het slopen van de stallen, schuur, garage en het uitvoeren van grondverzet worden mogelijk beschermde dieren gedood en gaan voortplantings- en rustplaatsen verloren. Voor sommige soorten geldt een vrijstelling voor het beschadigen en vernielen van de voortplantings- en rustplaats, dit geldt echter niet voor steenmarter, steenuil, boerenzwaluw, huiszwaluw en vleermuizen. Er dient nader onderzoek uitgevoerd te worden naar de functie van het plangebied voor steenmarter, steenuil, boerenzwaluw, huiszwaluw en vleermuizen.
Conclusies van toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden samengevat:
De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap.
Archeologische resten
Het gemeentelijk beleid voor archeologie en cultuurhistorie staat veelal opgenomen in de archeologische beleidskaart en cultuurhistorische waardenkaart. Dit document schrijft per gebied voor welke onderzoekverplichtingen ter plaatse gelden. Wanneer een plan binnen een archeologisch waardevol gebied ligt wordt hieraan getoetst.
Cultureel erfgoed
Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze gaan over:
Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels opgesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Daarnaast zijn in het Bal instructieregels opgenomen aangaande rijksmonumenten (hoofdstuk 13).
Toets
Archeologie
Uit de archeologische en cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Hof van Twente blijkt dat er een hoge archeologische verwachting op het plangebied, waarbij deze is gelegen om een historisch element.
Volgens de beleidskaders van de gemeente Hof van Twente geldt voor een gebied met een hoge archeologische verwachting in een zone om een historisch element (zie figuur 4.9) geen verplichting tot archeologisch onderzoek bij ingrepen kleiner dan 2500 m2 en bij ingrepen dieper dan 40 cm. Binnen het plangebied zal ca. 1170 m2 aan agrarische bedrijfsgebouwen gesloopt worden, waarbij de woning een maximale inhoud van 750 m3 dient te hebben. Qua oppervlakte zullen de werkzaamheden niet groter of gelijk aan 2500 m2 zijn. Archeologisch onderzoek is hierdoor niet noodzakelijk.
Het omgevingsaspect 'Archeologie' vormt geen belemmering voor het voorliggende plan.
Figuur 4.9 - Uitsnede archeologische waardenkaart gemeente hof van Twente (bron: gemeente Hof van Twente)
Cultuurhistorie
Zoals weergegeven in figuur 4.9 is binnen het plangebied een historisch element gelegen. Dit betreft het huidige woonhuis. Met voorgenomen ontwikkeling zal deze woning intact blijven, waardoor geen verdere consequenties zijn betreft de cultuurhistorie op het erf. Daarnaast blijft middels de landschappelijke inpassing het bestaande erfensemble intact. Dit kan de karakteristieke uitstraling versterken waardoor het woonhuis juist beter tot zijn recht komt.
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat de omgevingsaspecten 'Archeologie en cultuurhistorie' geen belemmeringen vormen voor voorgenomen ontwikkeling.
Bij het toelaten van een nieuwe functie moet worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij moet ook in beeld worden gebracht of er sprake is van (extra) parkeerbehoefte. De activiteit die mogelijk wordt gemaakt moet getoetst worden aan het gemeentelijk beleid. Het gemeentelijk beleid omtrent mobiliteit en parkeren is opgenomen in 'Parkeernormen Hof van Twente'. De verkeersgeneratie wordt bepaald aan de hand van de meest recente CROW-uitgave 'Toekomstig parkeren' (uitgave 744).
Verkeer
Voor de berekening van de verkeersgeneratie wordt uitgegaan van de volgende uitgangspunten:
Met voorgenomen ontwikkeling zal er één extra woning gerealiseerd worden op het bestaande erf. De berekening betreft de verkeersgeneratie voor dit plan is als volgt:
(7,8 + 8,6)/2 = 8,2 verkeersbewegingen extra per etmaal.
Met voorgenomen ontwikkeling zal er een toename zijn van 9 verkeersbewegingen per etmaal. De verkeersafwikkeling vindt plaats via de Schoolstraat. Gelet op het aantal toenemende verkeersbewegingen kan deze weg de verkeersbewegingen gemakkelijk afwikkelen. Daarnaast zal er waarschijnlijk minder vaak zwaar verkeer rijden omdat het agrarisch bedrijf haar activiteiten aardig inperkt, hierdoor zal feitelijk gezien het aantal verkeersbewegingen nauwelijks toenemen.
Parkeren
Voor het parkeren hanteert de gemeente Hof van Twente het beleid zoals benoemd in 'Parkeernormen Hof van Twente'. Hierin staat vastgelegd aan welke parkeernormen er moet worden voldaan bij verschillende functies. Met het realiseren van één extra woning aan de Schoolstraat 1 in Ambt Delden, zal de parkeerbehoefte toenemen. Voor het berekenen van de parkeerbehoefte worden dezelfde uitgangspunten gehanteerd als onder het kopje verkeer is aangegeven. Hiervoor geldt een parkeernorm van 2,4. De parkeernormen moeten naar boven worden afgerond, dus ontstaat er een extra parkeerbehoefte van 3 parkeerplaatsen.
Door de ruimte op het erf is het parkeren op eigen erf mogelijk, zie figuur 4.10. Met voorliggend plan wordt hiermee voorzien in het benodigd aantal parkeerplaatsen.
Figuur 4.10 - Erfinrichtingsplan toekomstige situatie (bron: Eeckhoff bv)
De Omgevingswet bevordert integrale besluitvorming en samenhang door alle relevante aspecten - waaronder gezondheid - in een zo vroeg mogelijk stadium te betrekken. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om:
Toets
Met voorgenomen ontwikkeling zullen drie van de vier agrarische bedrijfsgebouwen gesloopt worden ten behoeve van de realisatie van één schuurwoning op het erf aan de Schoolstraat 1 in Ambt Delden. Deze ontwikkeling zal mogelijk gemaakt worden middels de rood-voor-rood regeling van omwonenden/bezoekers/inwoners van de gemeente. De realisatie van de schuurwoning draagt bij aan de woningbehoefte binnen de gemeente Hof van Twente. De realisatie van een nieuwe woning in het buitengebied vergroot de leefbaarheid op het erf en het landelijke gebied. Daarnaast is er een significante afname van uitstoot in de vorm van ammoniak en stikstof door het beëindigen van de veehouderijtak. De luchtkwaliteit zal daardoor verbeteren en dat levert ook een gezondheidsvoordeel op.
Kostenverhaal
Afdeling 13.6 van de Omgevingswet bevat de regeling voor kostenverhaal. De wet geeft de uitgangspunten en vereisten op basis waarvan wordt bepaald of kostenverhaal verplicht is en hoe de kostenverhaalsbijdrage wordt bepaald. De verplichting tot kostenverhaal geldt voor particuliere grondeigenaren die een bouwplan als bedoeld in artikel 13.11 Omgevingswet en artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit kunnen realiseren. Het gaat dan bijvoorbeeld om de bouw van een of meerdere woningen of een nieuw hoofdgebouw.
Er zijn geen te verhalen kosten, de mogelijke kosten m.b.t. nadeelcompensatie zijn anderszins verzekerd.
Nadeelcompensatie
Nadeelcompensatie heeft betrekking op vergoeding van schade veroorzaakte door rechtmatigebesluiten en handelen van de overheid. Nadeelcompensatie binnen de Omgevingswet gaat over besluiten of maatregelen:
De schadeoorzaken zijn limitatief opgesomd in artikel 15.1 van de Omgevingswet. Dit betekent dat de wet de schadeoorzaken uitputtend regelt. Er zijn dus geen andere schadeoorzaken mogelijk dan die in de Omgevingswet staan. Schadeoorzaken zijn onder meer: een omgevingsvergunning, een regel in het omgevingsplan met rechtstreekse rechten of verplichtingen voor burgers en bedrijven of een maatwerkvoorschrift.
Middels een anterieure overeenkomst nadeelcompensatie zijn afspraken vastgelegd over nadeelcompensatie.
Als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het wettelijke vooroverleg
(op basis van artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening) vervallen. Echter is er wel een
algemeen artikel opgenomen waarin staat dat bestuursorganen onderling moeten
afstemmen (artikel 2.2 Ow). In dat kader wordt het vooroverleg door de verschillende
bestuursorganen alsnog gehanteerd.
Vooroverleg
Provincie Overijssel
Het plan wordt in het kader van het vooroverleg voorgelegd aan de provincie Overijssel.
Waterschap Vechtstromen
Via de digitale watertoets is het waterschap geïnformeerd in het kader van de 'weging van het waterbelang'. Er is contact geweest met het Waterschap Vechtstromen, hierbij is aangegeven dat er geen relevante wateraspecten worden geraakt en dat er geen bezwaar vanuit het Waterschap tegen het plan is.
Participatie
De initiatiefnemers zijn langs de directe buren geweest, waarbij ze de ontwikkeling hebben voorgelegd. Vanuit de buren waren er geen bezwaren tegen voorgenomen ontwikkeling (zie Bijlage 5).
Het ontwerp TAM-omgevingsplan heeft met ingang van 12 december 2025 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze periode kon een ieder zijn of haar zienswijze ten aanzien van dit TAM-omgevingsplan kenbaar maken. Tijdens de termijn van de terinzagelegging zijn geen zienswijzen binnengekomen.