direct naar inhoud van Motivering
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1734.0419BUITVogelzang3-VSG1

Motivering

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Initiatiefnemer is voornemens om op het perceel gelegen aan de Vogelenzangsestraat 3 te Driel de agrarische bebouwing te slopen en de bestemming “Agrarisch met waarden” om te zetten naar “Wonen”. In ruil voor de sloop van de agrarische bebouwing worden er naast de bestaande (bedrijfs)woning twee nieuwe vrijstaande woningen gerealiseerd. De gemeente beoordeelt het slopen van de bedrijfsgebouwen positief, en er zijn op basis van de beleidsregel functieverandering mogelijkheden om met de nieuwe woningen een ontwerp te realiseren dat past in het (agrarisch) buitengebied. In het kader van de LBV+-regeling (Landelijke Beëindigingsregeling Veehouderijlocaties) wordt de overtollige bedrijfsbebouwing gesloopt en wordt de activiteit intensieve veehouderij uitgesloten.

Het voorliggende initiatief is in strijd met het huidige omgevingsplan. Om het verzoek mogelijk te maken is een wijziging van het omgevingsplan noodzakelijk. De wijziging van het omgevingsplan wordt doorlopen met toepassing van de tijdelijke alternatieve maatregel (TAM). Middels dit TAM-omgevingsplan wordt het initiatief mogelijk gemaakt.

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied is gelegen aan de Vogelenzangsestraat nummer 3, waar een agrarisch bedrijf met intensieve veehouderij is beëindigd. Het perceel ligt ten noorden van het adres Vogelenzangsestraat 5 waar een woning aan de weg gesitueerd is. Het plangebied aan de Vogelenzangsestraat 3 is bereikbaar via een inrit die loopt langs de Vogelenzangsestraat 5.

Het perceel Vogelenzangsestraat 3 te Driel, kadastraal bekend gemeente Heteren, sectie O, nummer 365 en 789, ligt ten oosten van het dorp Driel in het buitengebied van de gemeente Overbetuwe. Het perceel heeft momenteel een agrarische functie en ligt in de landschappelijke buffer tussen Schuytgraaf (Arnhem) en Driel. Het plangebied heeft een totale grootte van circa 25.500 m².


afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0419BUITVogelzang3-VSG1_0001.png" Globale aanduiding locatie van het plangebied aan de Vogelenzangsestraat

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0419BUITVogelzang3-VSG1_0002.png" Luchtfoto van de locatie Vogelenzangsestraat 3

De Vogelenzangsestraat is gelegen op de oeverwallen. De oeverwallen zijn ontstaan op de oevers van de rivieren (stroomgeulen) waarop de grovere zand- en kiezeldeeltjes bezonken. Gebundelde oeverwallen vormden zich langzamerhand tot stroomruggen, die herkenbaar zijn als langgerekte hoger gelegen zones in het landschap. De stroomruggen waren door hun hoge ligging bij uitstek geschikt voor bewoning en landbouw. Binnen de gemeente Overbetuwe is o.a. de noord-zuid-gerichte stroomrug Oosterhout-Elst-Driel duidelijk herkenbaar. Het plangebied is gelegen op deze stroomrug.

1.3 Huidig juridisch-planologisch regime

Ten aanzien van alle gronden is van toepassing het bestemmingsplan “Buitengebied Overbetuwe”, welke op 5 maart 2013 werd vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Overbetuwe en onherroepelijk werd door de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State op 30 april 2014. Het bestemmingsplan is van rechtswege per 1 januari 2024 opgenomen in het tijdelijke omgevingsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0419BUITVogelzang3-VSG1_0003.png"
Uitsnede geldend omgevingsplan 'Buitengebied Overbetuwe'

Volgens dit bestemmingsplan rust op de grond de enkelbestemming “Agrarisch met waarden”. Daarnaast is er een bouwvlak opgenomen. Deze gronden zijn bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf, met aanduiding dat ook 'intensieve veehouderij' is toegestaan en met dien verstande dat niet-grondgebonden agrarische bedrijven niet zijn toegestaan.

Ter plaatse is een dubbelbestemming “Waarde - Archeologische verwachting 1” opgenomen, waar in het zuidwestelijk deel een dubbelbestemming "Waarde - Archeologie" geldt, en in de noordwestelijke hoek een dubbelbestemming "Waarde - Archeologische verwachting 2". Voor het gehele plangebied geldt bovendien de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - kleinschaligheid'. Tot slot is de gebiedsaanduiding 'overig - ehs verbinding' van toepassing op het gebied waar onderhavig plangebied zich binnen bevindt. Door deze aanduiding zijn de gronden mede bestemd voor het beschermen en ontwikkelen van de landschappelijke en ecologische kernkwaliteiten en omgevingscondities van het gebied.

1.4 Leeswijzer

Deze motivering is als volgt opgebouwd. Na dit inleidende hoofdstuk, worden in hoofdstukken 2 en 3 respectievelijk de bestaande en de toekomstige situatie in het plangebied beschreven. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op het bij deze omgevingsplanwijziging van toepassing zijnde rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. In hoofdstuk 5 komen de relevante milieu- en omgevingsaspecten aan de orde. Daarmee wordt inzichtelijk gemaakt of en hoe de ontwikkeling voldoet aan het criterium van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In hoofdstuk 6 is de juridische planopzet beschreven en in hoofdstuk 7 is de financiële toelichting opgenomen. In hoofdstuk 8 is de procedure beschreven.

Hoofdstuk 2 Bestaande situatie

In de bestaande situatie is sprake van een agrarisch bedrijf met 3 agrarische bedrijfsgebouwen en een bedrijfswoning, gelegen aan de Vogelenzangsestraat 3. De opstallen liggen centraal op het perceel met daaromheen gras- en akkerlanden. Verspreid over het perceel zijn een aantal kassen, teeltondersteunende voorzieningen, een paardenbak, maar ook (sleuf)silo's en voerbakken op het perceel aanwezig. Daarnaast is het gehele centrale deel van het plangebied verhard.

De agrarische bedrijfsgebouwen bestaan uit 3 gebouwen waarvan er twee gesloopt worden. Dat betekent dat één bedrijfsgebouw kan blijven staan. Het middelste en tevens kleinste bedrijfsgebouw zal blijven staan, en onderdeel worden van de woonfunctie. De overige gebouwen van circa 1.250 m² en 650 m² zullen worden gesloopt.

Het agrarische bedrijf is niet meer in gebruik, en voor de functieverandering naar wonen wordt in het kader van de LBV+-regeling de milieuvergunning ingetrokken.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0419BUITVogelzang3-VSG1_0004.png"

Luchtfoto bestaande situatie (bron: Oostzee, landschappelijke inpassing)


In de directe omgeving van het plangebied ligt ten westen het perceel van de Vogelenstraat 1 met direct daar aan grenzend de dorpskern van Driel. Ten noorden van het plangebied is een ontwikkeling gaande van woningen die worden ontwikkeld volgens het plan 'Driel, Baltussenweg 37 en Heteren, Poort van Midden Gelderland Blauw 14'. Ten oosten van het plangebied zijn agrarische percelen aanwezig die een overloop vormen naar het gebied van Arnhem Schuytgraaf. Hier bevindt zich ook een deel van de (ontwikkeling van de) ecologische hoofdstructuur. Ten zuiden is het verdere buitengebied van de gemeente Overbetuwe aanwezig.

Hoofdstuk 3 Toekomstige situatie

In het kader van de LBV+-regeling wordt de overtollige bedrijfsbebouwing gesloopt en wordt de activiteit intensieve veehouderij uitgesloten. Momenteel staan er twee grote bedrijfsgebouwen van gezamenlijk ca. 1.900 m² die daarvoor in aanmerking komen. De twee voornoemde grote agrarische bedrijfsgebouwen zijn door de beoogde bedrijfsbeëindiging overtollig en kunnen daarom gesloopt worden. De overige bedrijfsbebouwing blijft juist behouden.

Op basis van het geldende functieveranderingsbeleid hebben de initiatiefnemers de mogelijkheid om na sloop van bedrijfsgebouwen van meer dan 1.500 m² twee vrijstaande woningen te realiseren. In de toekomstige situatie zal middels dit TAM-omgevingsplan de bedrijfsbebouwing moeten worden gesloopt, en worden er op deze locatie twee extra woningen mogelijk gemaakt. Om de sloop te garanderen is in dit plan een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Daarnaast is er een aanduiding 'intensieve veehouderij uitgesloten' opgenomen om te voorkomen dat hier (niet-hobbymatig) landbouwhuisdieren mogen worden gehouden. Voor de stedenbouwkundige invulling is een inrichtingsschets opgenomen in het landschapsplan:

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0419BUITVogelzang3-VSG1_0005.png"
Inrichtingsplan met landschappelijke inpassing (bron: Oostzee Ontwerp en Omgeving)

Met toepassing van het functieveranderingsbeleid mogen er in ruil voor de sloop van de bedrijfsgebouwen twee vrijstaande woningen terug gebouwd worden. Het voorliggende plan voorziet in het slopen van de agrarische bedrijfsbebouwing door het weghalen van het agrarische bouwvlak op deze locatie. Deze te slopen agrarische bedrijfsbebouwing betreffen de twee grootste schuren. Deze gebouwen zijn na bedrijfsbeëindiging overtollig en worden derhalve gesloopt:

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0419BUITVogelzang3-VSG1_0006.png"
Te slopen agrarische bedrijfsgebouwen op basis van functieveranderingsbeleid (en LBV+-regeling)

Met toepassing van het functieveranderingsbeleid worden de achtergelegen gronden omgezet naar de functie 'Wonen'. Het bouwvlak voor het agrarische perceel zal op deze plek ook vervallen. De nieuwe woonpercelen zullen landschappelijk worden ingepast door middel van streekeigen beplanting. De overige gronden rondom het perceel zullen worden ingezet ten behoeve van agrarische gronden (grasland).

Landschappelijke kenmerken en inpassing
Voor het plan is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Deze is toegevoegd als bijlage 1 bij de regels van het plan. De landschappelijke inpassing sluit aan op de waarden en ambities voor deelgebied 13a 't Vlot zoals die in het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) staan. Het landschapsplan is opgesteld om de ruimtelijke kwaliteit en de aanwezigheid van natuurwaarden op het perceel te versterken en de biodiversiteit te vergroten. Bij onderhavig plan zal dus worden ingezet op het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit, landschappelijke kwaliteit en biodiversiteit.

Het landschap
Het nieuwe boerenerf gaat op in de groene ontwikkelingszone en is passend binnen de landelijke sfeer van de omgeving. Hiervoor is het landschapsplan tevens voorzien van een versterkingsplan, welke de provinciale kernkwaliteiten beschrijft en versterkt. Het plan is gelegen binnen het stroomruglandschap dat zich kenmerkt door de kleinschaligheid en afwisseling in karakteristieke boerderijen, boomgaarden, elzensingels en erfbeplanting. Het boerenerf wordt ruimtelijk herkenbaar gemaakt door aan de voor- en achterzijde een duidelijke uitstraling naar zijn omgeving toe te geven. Er wordt met name landschappelijke aansluiting gezocht bij het omringende stroomruglandschap. Dit betreft onder meer het realiseren van nieuwe landschappelijke elementen zoals een hoogstamboomgaard, struweelhagen, boomgroepen, solitaire bomen en kleinschalige weides ook het realiseren van contrast tussen omliggende open landschap en de beslotenheid van de erven van belang (openheid en zichtrelaties).

Het erf
Aan de Vogelenzangsestraat ligt het erf met de bebouwing. Hier worden naast de bestaande woning en te handhaven schuren twee vrijstaande woningen gerealiseerd. Het erf is als een samenhangend geheel ontworpen, ligt rondom een gemeenschappelijk erf die ontsloten wordt door één gezamenlijke inrit.

Het beeld in de toekomst sluit aan bij de traditionele opzet van een erf; er is sprake van een denkbeeldige scheiding tussen ‘voor‘ en ‘achter‘. De scheiding tussen het oorspronkelijk ‘wonen’ en ‘werken’. Er is sprake van één hoofdgebouw en verschillende bijgebouwen. Het hoofdgebouw staat ‘voor‘ en betreft de bestaande woning. De bijgebouwen staan ‘achter‘ en betreffen de nieuwe woningen. De nieuwe woningen krijgen de uiterlijke verschijningsvorm van een schuurwoning. Het kleur- en materiaalgebruik is ingetogen. Een meer eigentijdse schuurwoning is denkbaar.

De bijgebouwen staan verspreid over het erf. De kapschuur wordt verplaatst en biedt ruimte voor parkeerplaatsen aan de westelijk gelegen woning. Hier blijft ook de bestaande tijdelijke teeltondersteunende overkapping in de vorm van een kas behouden. Voor de noordelijk gelegen woning komt een bijgebouw op het voorerf te staan. De te behouden schuur dient voor machines en materieel voor beheer agrarische weides en heeft een inpandige ruimte als bijgebouw voor de nieuwe woning.

Ontsluiting en parkeren
Via de bestaande inrit wordt het erf ontsloten en is er een ruime toegang tot de woonkavels. De verharding zal bij voorkeur bestaan uit (gebakken) klinkers of halfverharding. Op iedere woonkavel is voldoende ruimte voor minimaal drie parkeerplaatsen, zodat wordt voldaan aan de parkeernorm van minimaal 2,8 parkeerplaatsen per woning.

Hoofdstuk 4 Beleidskader

4.1 Rijksbeleid

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie vastgesteld. Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving voor Nederland in 2050. De NOVI komt voort uit de Omgevingswet, die op 1 januari 2024 in werking is getreden. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Het Rijk wil sturen en richting geven op vier prioriteiten:

  • Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  • Een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel;
  • Sterke en gezonde steden en regio's;

Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Om beleidskeuzes op een heldere en voorspelbare manier te maken, hanteert de NOVI drie afwegingsprincipes, die helpen bij het prioriteren en afwegen van de verschillende belangen en opgaven:

  • 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Er wordt weer gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van ruimte.
  • 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: er moet altijd gekeken worden naar de context van het gebied. Keuzes in verschillende gebieden kunnen daarom verschillen.
  • 3. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties.

Beoordeling en conclusie
Gezien de kleinschalige omvang van het initiatief, zijn er in beginsel geen nationale belangen aan de orde. Het rijk zet in de NOVI voor het landelijk gebied in zijn algemeenheid in op een toekomstbestendige ontwikkeling. Dit betekent dat landgebruik in balans wordt gebracht met natuurlijke systemen en ontwikkelingen in het landelijk gebied niet ten koste mogen gaan van landschappelijke kwaliteiten. Met de sloop van de overtollige bedrijfsbebouwing en realisatie van twee woningen, in combinatie met een zorgvuldig landschappelijk ontwerp en inpassing, doet het initiatief geen afbreuk aan de landschappelijke kwaliteiten. Het initiatief sluit aan bij de ambities uit de NOVI.

Ladder voor duurzame verstedelijking
Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen, is in artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) de 'ladder voor duurzame verstedelijking' opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk maakt. Wat onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 5.129 g, eerste lid, Bkl bepaald: 'De ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, zeehaventerrein, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is'.

Bij de wijziging van een omgevingsplan, die voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, moet rekening worden gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling en een motivering, dat de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied of binnen stedelijk groen kan worden gerealiseerd als de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied plaatsvindt.

Beoordeling en conclusie
Het plan ziet toe op de sloop van overtollige agrarische bedrijfsbebouwing, en de realisatie van twee nieuwe woningen in het kader van het functieveranderingsbeleid van Overbetuwe. De bestaande bedrijfswoning wordt omgezet naar burgerwoning en de aanduiding 'intensieve veehouderij' vervalt. Volgens vaste jurisprudentie is er bij de realisatie van twee woningen geen sprake van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'. Daarom is een toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking niet aan de orde voor dit plan. Met de ontwikkeling van twee nieuwe woningen die middels het functieveranderingsbeleid passen binnen de behoefte aan woningbouw in de gemeente wordt voldaan aan de vereisten die zijn gesteld in het Bkl.

4.2 Provinciaal beleid

Omgevingsvisie Gaaf Gelderland
Provinciale Staten hebben op 19 december 2018 de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland (hierna: de Omgevingsvisie) vastgesteld. Deze is in werking getreden op 1 maart 2019. Het doel van de Omgevingsvisie is: een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland, vanuit het verleden én met het oog op de toekomst. De provincie is als middenbestuur een belangrijke schakel bij het bereiken van deze doelstellingen en wil op een aantal manieren waarde toevoegen:

  • met een brede blik kijken naar de inrichting en kwaliteit van de Gelderse leefomgeving;
  • stimuleren van ontwikkelingen enerzijds en beschermen van waarden anderzijds;
  • focussen op duurzaamheid, onderlinge verbondenheid en een economisch krachtig Gelderland;
  • door middel van 7 ambities verder verdiepen van de focus.

De 7 ambities van de provincie zien op de volgende thema's: energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, vestigingsklimaat en de woon- en leefomgeving. Per ambitie is de provinciale aanpak beschreven.

Beoordeling en conclusie
De Omgevingsvisie is concreet uitgewerkt in de hierna beschreven Omgevingsverordening Gelderland. Deze bevat concrete regels, waaraan concrete ontwikkelingen moeten worden getoetst. Ten aanzien van de Omgevingsvisie kan worden gesteld dat het initiatief een bescheiden bijdrage levert aan de realisatie van voldoende woningen, door op een daarvoor passende locatie en met behoud en versterking van de landschappelijke waarden nieuwe woonpercelen mogelijk te maken. Daarnaast worden er agrarische bedrijfsgebouwen gesloopt en zal het agrarische bouwvlak in het plangebied vervallen, inclusief de aanduiding voor intensieve veehouderij, om nieuwe bedrijfsbebouwing en -activiteiten uit te sluiten. Dit sluit aan bij de ambities van de provincie.

Omgevingsverordening Gelderland
Provinciale Staten actualiseren de Omgevingsverordening Gelderland (hierna: de Omgevingsverordening of verordening) regelmatig. De Omgevingsverordening is in januari 2024 in werking getreden en geactualiseerd in april 2025. De laatste actualisatie betreft kleine wijzigingen en heeft geen invloed op de voorgenomen ontwikkeling.

Wonen
Artikel 5.64 van de Omgevingsverordening geeft de instructieregel dat nieuwe woningen in een omgevingsplanwijziging alleen mogen worden toegestaan, als die ontwikkeling past binnen de regionale woonagenda. Het plan past binnen de afspraken uit de woonagenda. Aan de instructieregel wordt voldaan.

Gelderse streek Over-Betuwe
Het plangebied maakt onderdeel uit van de Gelderse streek Over-Betuwe. Artikel 5.41 van de Omgevingsverordening, dat is opgesteld met als doel om het (Gelderse) landschap te beschermen, bevat de instructieregel dat bij het toestaan van een nieuwe activiteit of ontwikkeling rekening moet worden gehouden met de voor die streek vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap.

Kernkwaliteiten zijn de essenties van het landschap van de Gelderse streken; de te behouden kenmerken waarmee de deelgebieden zich van elkaar onderscheiden. Deze kernkwaliteiten vormen de basis van de ruimtelijke kwaliteit en bepalen de identiteit van Gelderland. Ze zijn gebaseerd op de ruimtelijke opbouw van het historisch gegroeide landschap met de karakteristieken van de bodem en het watersysteem, de ecologie, ontginningsgeschiedenis, cultuurhistorie en verstedelijking. De ontwikkeldoelen geven aan wat wordt beoogd met versterking van de kernkwaliteiten. Uitgangspunt is dat alle ruimtelijke ontwikkelingen bijdragen aan de versterking van de kernkwaliteiten van de Gelderse streken.

De kernkwaliteiten voor de streek Over-Betuwe zijn als volgt geformuleerd:

  • 1. Verstedelijkt rivierengebied (als “Gelderse poort van de delta”) tussen Pannerdens Kanaal, Nederrijn en Waal, met een afwisseling van enkele nog relatief open (vrij van bebouwing) overwegend agrarische landschappen.
  • 2. Van oudsher wringt de Rijn zich tussen de stuwwallen van Montferland, Nijmegen en Veluwe. Met indrukwekkende en unieke splitsingspunten van rivieren: Rijn-Waal en Rijn-IJssel. Ruimtelijke ensembles waarin de combinatie van landschap en historie, afzijdige ligging, barrièrewerking en grens tot uitdrukking komt.
  • 3. Rivierengebied met klassieke opbouw van rivier, brede en smalle uiterwaarden, dijktrajecten, fijnmazige (hoger gelegen) oeverwallen en min of meer open (lager gelegen) komgronden.
  • 4. Vrij uitzicht vanaf dijken over het binnendijkse landschap, over de rivieren en naar de stuwwallen van de Veluwe en van Nijmegen.
  • 5. Verstedelijking vanuit Arnhem en Nijmegen via ‘riviersprongen’, aangevuld met landschapspark Lingezegen als buffergebied. Grote variatie in grondgebruik, infrastructuur en bebouwing.
  • 6. Gegraven Linge als structurerend landschapselement.
  • 7. Waardevol open komgebied Hollanderbroek: uitgestrekt grootschalig open landschap en rustig en stil gebied met oud ontwateringssysteem met de Linge. Zicht op de stuwwallen van het Veluwemassief.
  • 8. IJssellinie: (relicten van) een historische verdedigingslinie uit de jaren '50 van de 20e eeuw.
  • 9. Ecologische waarden met name langs de rivieren en zegen en in weidevogelgebieden. Natura 2000 waarden in Rijntakken en Huissense waarden.
  • 10. Overblijfselen en verwijzingen naar de Hollandse Waterlinie (Fort Pannerden) en Limes (UNESCO-waarde).
  • 11. Relatieve stilte en rust als contrast met de stedelijke zones, zoals in omgeving van Doornenburg, in de brede uiterwaarden en in de nog relatief ‘lege’ gebieden zoals het Hollanderbroek.

In de omgevingsverordening zijn groene ontwikkelingszones van de provincie aangewezen. Deze vallen onder de instructieregels van het omgevingsplan voor gemeenten. De groene ontwikkelingszones zijn opgenomen voor het bevorderen van de samenhang tussen de natuurgebieden, waardoor het Gelders Natuurnetwerk (GNN) wordt versterkt. Ter plaatse van de groene ontwikkelingszones zijn ontwikkelingen of nieuwe activiteiten alleen toegestaan als de kernkwaliteiten per saldo en naar rato van de ingreep worden versterkt, en de samenhang niet verloren gaat. De versterkingsopgave is in artikel 5.20 en als bijlage daarbij bepaald aan een aantal stappen: het bepalen van de verliesfactor aan de hand van een puntensysteem en de versterkingsmaatregelen om deze verliesfactor te compenseren.

Beoordeling en conclusie
Het plangebied ligt in het buitengebied tussen de kernen Driel en Arnhem Schuytgraaf.  Ongeveer 800 m ten noorden van de locatie is de rivier de Nederrijn gelegen. Het gebied kenmerkt zich door de overwegend agrarische landschappen met een relatief open karakter. Er liggen verschillende agrarische percelen met hier en daar woonfuncties op ruime vrijliggende percelen.

De oude overtollige bebouwing wordt gesloopt wat leidt tot ruimtelijke kwalititeitsverbetering, die verder wordt verbeterd door de zorgvuldige landschappelijke inpassing. In deze inpassing is gelet op de kwaliteiten van het gebied, en is uitgegaan van een compact erf, waarbij de bebouwing aan een gemeenschappelijk plein zijn omsloten. De ontwikkeling past dan ook binnen de kernkwaliteiten van de Gelderse streek Over-Betuwe. Daarnaast is er voor de ontwikkeling van de ecologische groenzone een versterkingsplan opgesteld, om te voldoen aan dit onderdeel van het provinciale beleid. In het omgevingsaspect natuur in paragraaf 5.11 is dit nader beschreven.

De ontwikkeling is daarmee passend binnen de Omgevingsverordening Gelderland en de kernkwaliteiten die daarin worden omschreven.

4.3 Gemeentelijk beleid

Omgevingsvisie Overbetuwe 2040
Op 1 oktober 2019 heeft de gemeenteraad van Overbetuwe de Omgevingsvisie Overbetuwe 2040 (hierna: Omgevingsvisie) vastgesteld. De Omgevingsvisie geeft de integrale koers en ambities van de gemeente Overbetuwe voor de fysieke leefomgeving voor de periode tot en met 2040 aan. De Omgevingsvisie is er primair op gericht om de kwaliteit van het leefmilieu te behouden en waar mogelijk te versterken.

In de Omgevingsvisie wordt een omschrijving gegeven welke ontwikkelingen passend zijn in het buitengebied. Agrarisch wordt hierbij als belangrijk en karakteristiek gezien. Er wordt opgemerkt dat door digitalisering, schaalvergroting, verstedelijking en klimaatverandering ruimte nodig is voor verbreding naast de agrarische activiteiten. In Overbetuwe worden er zeven deelgebieden onderscheiden met verschillende ontwikkelmogelijkheden. Er zijn echter ontwikkelingen die overstijgend zijn aan de deelgebieden en deze overstijgen. Het gaat om de volgende vier ontwikkelingen:

  • 1. Bij vrijkomende agrarische bebouwing waardecreatie voorop stellen aan de hand van (verbeteren van) omgevings- en milieuwaarden, aansluitend op de ambities per deelgebied.
  • 2. Meer gedifferentieerd bezien van mogelijke nieuwe functies voor tijdelijk gebruik van vrijkomende agrarische loodsen, met respect voor de ambities per deelgebied.
  • 3. Toepassing van clustering en bundeling bij transformatie van (leegstaand) agrarisch vastgoed naar woonfuncties. Waar nodig gebruiken we daarbij ook saldering om 'plussen' en 'minnen' op meerdere locaties met elkaar te verbinden en als totaal meerwaarde te creëren.
  • 4. Kleinschalige extensieve recreatie (nevenfuncties) vooral stimuleren nabij het netwerk van recreatieve routes dat zich door het gehele buitengebied begeeft.

Beoordeling en conclusie
Het plangebied ligt in de dorpsrandzone van Driel. In dorpsrandzones is het streven om de ruimtelijke en functionele relatie tussen de dorpen en het omliggende landelijke gebied meer zichtbaar en beleefbaar te maken. Dit plan is gericht op het versterken van deze overgang tussen de dorpskern Driel en het platteland, door een agrarisch bedrijf te wijzigen naar woonerf.

De functieverandering biedt de mogelijkheid tot het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit van het terrein door overtollige bebouwing van het agrarische bedrijf te slopen en twee extra woningen op een gemeenschappelijk erf te realiseren, die landschappelijk worden ingepast. Hierdoor wordt voor de vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing waardecreatie voorop gesteld en een toekomstbestendige functie aan het gebied gegeven. Door het laten vervallen van de veehouderij is er sprake van het verdwijnen van een milieubelastend bedrijf en is er ruimte voor twee nieuwe woningen die worden ingepast en waarmee wordt aangesloten op de al bestaande bebouwing en een meerwaarde wordt gecreëerd voor de Vogelenzangsestraat. Door zorgvuldige inpassing en clustering van de bebouwing op het erf ontstaat er een compact en ingetogen erf, en blijft daaromheen het open agrarische karakter behouden.

Dit TAM-omgevingsplan is daarmee in overeenstemming met de gemeentelijke Omgevingsvisie.

Landschapsontwikkelingsplan Overbetuwe (LOP)
In het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) uit 2009 zijn de (algemene) doelstellingen en gebiedsspecifieke opgaven voor Overbetuwe geformuleerd. De hoofddoelstelling is het ontwikkelen van een sterke samenhangende landschappelijke structuur met een eigen Betuwse identiteit, die tegenwicht biedt aan de verstedelijking en waarbij belangrijke landschappelijke waarden duurzaam in stand worden gehouden. Per deelgebied zijn daarnaast gebiedsspecifieke opgaven opgenomen. In het LOP formuleert de gemeente de volgende hoofddoelstellingen:

  • In stand houden en versterken van de waardevolle samenhang tussen kom-oeverwal en uiterwaard (gradiënten);
  • Behouden en versterken van openheid, grootschaligheid en kenmerkende weidebouw in de kommen, tegenover de kleinschalige structuur van oeverwallen;
  • Waardevolle landschappelijke en historische elementen en structuren beter herkenbaar maken in het landschap;
  • Benutten van de landschapsecologische potenties die het watersysteem biedt;
  • Verbeteren van de overgangen tussen de stads- en dorpskernen en het platteland.

Beoordeling
Bij het opstellen van het inrichtingsplan is naast de door de gemeente aangeleverde kaders landschap en stedenbouw het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) van de gemeente Overbetuwe als basis gebruikt. Het plangebied is gelegen in het deelgebied 13a, ‘t Vlot. De volgende ruimtelijke uitgangspunten die essentieel van belang zijn voor de beoogde ontwikkeling aan de Vogelenzangsestraat 3 te Driel staan hieronder opgenoemd:

  • In stand houden en versterken van de waardevolle samenhang tussen kom-oeverwal en uiterwaard (gradiënten);
  • Behouden en versterken van de openheid, grootschaligheid en de kenmerkende weidebouw in de kommen, tegenover de kleinschalige structuur van de oeverwallen;
  • Waardevolle landschappelijke en historische elementen en structuren beter herkenbaar maken in het landschap;
  • Benutten van de landschapsecologische potenties die het watersysteem biedt;
  • Verbeteren van de overgangen tussen de stads- en dorpskernen en het platteland.

Daarnaast zijn er specifieke opgaven geformuleerd, waaronder verbeteren van de recreatieve toegankelijkheid van het gebied, versterken van de landschappelijke structuur van het gebied, stimuleren erfbeplantingen en hoogstamboomgaarden, en behoud en versterking van het kleinschalige besloten landschap.

Conclusie
Het boerenerf wordt ruimtelijk herkenbaar gemaakt door aan de voor- en achterzijde een duidelijke uitstraling naar zijn omgeving toe te geven. Er wordt met name landschappelijke aansluiting gezocht bij het omringende stroomruglandschap. Dit betreft onder meer het realiseren van nieuwe landschappelijke elementen zoals een hoogstamboomgaard, struweelhagen, boomgroepen, solitaire bomen en kleinschalige weides ook het realiseren van contrast tussen omliggende open landschap en de beslotenheid van de erven van belang (openheid en zichtrelaties). Hiermee sluit het aan op de uitgangspunten uit het LOP. In het kader van deze ontwikkeling en op basis van het LOP is een landschapsinpassingsplan opgesteld. Dit is opgenomen in bijlage 1 bij de regels van dit plan.

Verder is er sprake van functieverandering, waar aan voorwaarden voldaan moet worden om te voorkomen dat de gemeente Overbetuwe volstroomt met niet-agrarische functies. Sloop van agrarische bebouwing is één van die voorwaarden. Daarbij wordt ingezien dat bepaalde hergebruiksvormen niet onwenselijk zijn in bepaalde gebieden. Het omzetten van een agrarisch bedrijf naar een woonfunctie is op deze locatie een passende vorm van hergebruik, en past dan ook binnen de uitgangspunten van het LOP. Het plan sluit al met al goed aan op de doelstellingen uit het LOP.

Beleidsregel functieverandering en nieuwvestiging in het buitengebied gemeente Overbetuwe
Evenals de provincie Gelderland onderkent het gemeentebestuur van Overbetuwe de ‘leegloop’ in de agrarische sector en staat men niet in alle gevallen onwelwillend tegenover functieverandering in het buitengebied. Door functieverandering van bestaande gebouwen kan tegemoet worden gekomen aan de aanwezige behoefte aan wonen en werken in het buitengebied, zonder daarvoor extra bouwlocaties toe te voegen. Doelstelling van het beleid is een toetsingskader te bieden voor functieverandering in het buitengebied.

In het agrarisch gebied kan functieverandering naar wonen plaatsvinden. Voor dit gebied geldt bij sloop van minimaal 1.500 m² dat medewerking kan worden verleend aan functieverandering van maximaal drie woningen. Hierbij kan een combinatie worden gemaakt van hergebruik van een bestaand bijgebouw voor één woning en één nieuw woongebouw met twee woningen of in geval van sloop van alle bijgebouwen de realisatie van één nieuw woongebouw met drie woningen. Vervangende nieuwbouw kan ook plaatsvinden in de vorm van twee vrijstaande woningen.

Beoordeling en conclusie
Het initiatief is een functieverandering in het buitengebied. Dergelijke initiatieven worden getoetst aan de beleidsregel functieverandering. De activiteiten van het agrarisch bedrijf zijn reeds beëindigd. In totaal wordt er 1.900 m² aan overtollige bebouwing gesloopt. In ruil voor het beëindigen van het agrarische bedrijf en de m² te slopen bedrijfsgebouwen is het mogelijk om twee nieuwe vrijstaande woningen te realiseren. Daarnaast zal de bestaande bedrijfswoning wijzigen naar burgerwoning.

Plussenbeleid niet-grondgebonden veehouderij Overbetuwe (2020)
Het doel van het plussenbeleid is meer kwaliteit bij de ontwikkeling van niet-grondgebonden veehouderijbedrijven: in dialoog met de omgeving en extra investeren in fysieke maatregelen passend bij een gebied. Iedere uitbreiding van mogelijkheden voor de niet-grondgebonden veehouderij ten opzichte van het geldende bouwvlak (incl. eventuele beperkende regels die gelden binnen het bouwvlak) moet worden getoetst aan het plussenbeleid.

Tot het moment dat het plussenbeleid is geïmplementeerd in het omgevingsplan (voor een locatie of een gebied) wordt in de beleidsregels uitbreiding van agrarische bebouwing binnen de mogelijkheden van het bestaande bouwvlak gerespecteerd, wat betekent dat hierbij geen plussenbeleid toegepast hoeft te worden. De gemeente Overbetuwe heeft het plussenbeleid-gebied geregeld in het parapluplan bij gebruikmaking van de wijzigings- en afwijkings-bevoegdheden die flexibiliteit bieden. Dit betekent dat bij iedere verruiming van de planologische mogelijkheden voor de niet-grondgebonden veehouderij de spelregels van het plussenbeleid toegepast moeten worden.

Omdat het plussenbeleid niet onnodig belemmerend mag werken kan per niet-grondgebonden veehouderij(tak) elke 5 jaar éénmaal een uitbreiding van 500 m² of minder mogelijk worden gemaakt zonder dat de spelregels van het plussenbeleid van toepassing zijn. Bestaande niet-grondgebonden veehouderijen kunnen groeiruimte verdienen door maatschappelijke tegenprestaties (plussen) welke leiden tot een betere kwaliteit voor de leefomgeving en verduurzaming van de niet-grondgebonden veehouderij. Het voeren van een omgevingsdialoog speelt bij hierbij een belangrijke rol.

Beoordeling en conclusie
Het plussenbeleid van gemeente Overbetuwe is alleen van toepassing voor uitbreiding of verruiming van niet-grondgebonden veehouderijbedrijven. Onderhavige ontwikkeling gaat over het beperken van de veehouderij en verwijdering van het bouwvlak in het onderhavige plangebied van de agrarische functie.

Hoofdstuk 5 Milieu- en omgevingsaspecten

5.1 Milieueffectrapportage

Bijlage V bij het Omgevingsbesluit in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit bepalen of een besluit project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig is. Bijlage V bij het Omgevingsbesluit heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van projecten waarvoor een m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. In kolom 4 zijn de besluiten opgenomen die betrekking hebben op projecten waarvoor de m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. Of er voor het besluit een m.e.r.-plicht of een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, geldt een m.e.r.-plicht. Anders geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht, tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan.

Of een project, dat voorkomt in Bijlage V bij het Omgevingsbesluit, aanzienlijke milieueffecten heeft, wordt beoordeeld door het bevoegd gezag. Bij de beoordeling houdt het bevoegd gezag rekening met:

  • a. de relevante criteria van bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn;
  • b. voor zover relevant: de resultaten van eerder uitgevoerde controles of andere beoordelingen van milieueffecten die op grond van verordeningen, richtlijnen en besluiten als bedoeld in artikel 288 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie zijn verkregen.

In kolom 1 zijn verschillende categorieën van projecten aangewezen, waaronder een 'stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en parkeerterreinen' (J11). Voor deze categorie projecten is een m.e.r.-plicht, zoals genoemd in artikel 16.43, eerste lid, aanhef en onder a, niet van toepassing (kolom 2). Bij de aanleg, wijziging of uitbreiding van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' geldt wel een m.e.r.-beoordelingsplicht (kolom 3). Dit houdt in dat de initiatiefnemer van een project mededeling dient te doen bij het bevoegd gezag. Of een project als een stedelijk ontwikkelingsproject wordt beschouwd, hangt af van de specifieke omstandigheden van dat project. Aspecten zoals de aard, omvang, locatie, en omgeving van de ontwikkeling, de toename van bebouwd oppervlak, en het al dan niet plaatsvinden van een functiewijziging spelen hierbij een rol. Dit is niet uitsluitend gebaseerd op de vraag of er (netto) aanzienlijke negatieve milieueffecten kunnen optreden. Het kan variëren per regio of een beoogde ontwikkeling als een stedelijk ontwikkelingsproject wordt aangemerkt.

Beoordeling en conclusie
Gezien de omvang en locatie wordt de voorgenomen ontwikkeling, bestaande uit de functiewijziging van een agrarisch bedrijf met sloop van bedrijfsbebouwing en de realisatie van twee woningen, in het kader van de m.e.r. niet worden beschouwd als een stedelijk ontwikkelingsproject. Een m.e.r-plicht of m.e.r.-beoordeling is daarom niet aan de orde. Vanuit het milieuaspect milieueffectrapportage is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.2 Geluid

Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening te worden gehouden met het geluid door (spoor)wegen op geluidgevoelige gebouwen. Daarbij gelden er geluidaandachtsgebieden rondom (spoor)wegen. Binnen een dergelijk geluidsaandachtsgebied, moet het geluid op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn (par. 5.1.4.2a Bkl). Als het geluid op een geluidgevoelig gebouw (binnen een geluidaandachtsgebied) niet meer bedraagt dan de standaardwaarde, dan is er in ieder geval sprake van een aanvaardbare woon- en leefomgeving. De standaardwaarden zijn aangegeven in onderstaande tabel. Deze geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen.

Geluidbronsoorten   Standaardwaarde  
Rijkswegen en provinciale wegen   50 Lden  
Gemeentewegen en waterschapswegen   53 Lden  
Hoofdspoorwegen en lokale spoorwegen   55 Lden  

Tabel: Standaardwaarde geluid voor een geluidbron op een geluidgevoelig gebouw per (spoor)weg

De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van (spoor)wegen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een (spoor)weg.

Beoordeling

Wegverkeer
Het plan bevindt zich op geruime afstand van de A50. Het plan valt buiten het aandachtgebied van rijkswegen. Er zijn geen wegen in de directe omgeving gelegen waarvoor een Geluidsproductieplafond (GPP) is vastgesteld. De provincie Gelderland heeft daarnaast op 18 december 2024 geluidaandachtsgebieden (inclusief geluidproductieplafonds) vastgesteld. Het plangebied ligt niet binnen het aandachtsgebied van provinciale wegen.

De nabij het plangebied gelegen gemeentelijke weg is de Vogelenzangsestraat. Ter plaatse van het plangebied geldt een maximumsnelheid van 60 km/h. Voor de Vogelenzangsestraat geldt echter dat deze weg een verkeersintensiteit van minder dan 1.000 mvt/etmaal heeft. Uit de verkeersgegevens van de gemeente blijkt dat de Etmaalintensiteit gemotoriseerd verkeer op 290/320 en voor vrachtverkeer op 30/30 zijn berekend. Deze weg heeft daarom geen geluidaandachtsgebied. Akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai is daarom niet nodig.

Spoorwegverkeer
Met de voorliggende wijziging van het omgevingsplan worden twee nieuwe geluidgevoelige gebouwen mogelijk gemaakt aan de Vogelenzangsestraat . De dichtstbijzijnde spoorlijn bevindt zich hemelsbreed op meer dan 1,8 km ten oosten van het plangebied. Dit is de spoorlijn tussen Arnhem en Elst. Op deze afstand is akoestisch onderzoek naar spoorwegverkeerslawaai niet benodigd.

Conclusie
Vanuit het aspect geluid vanwege (spoor)wegen is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.3 Luchtkwaliteit

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen ter bescherming van de gezondheid staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl (paragraaf 5.1.4.1). Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10).

Aandachtsgebieden
De toetsing en monitoring van de luchtkwaliteit vindt plaats in de aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties NO2 en/of PM10. Aandachtsgebieden voor zowel NO2 als PM10 staan vermeld in artikel 5.51, lid 2 van het Bkl. Aandachtsgebieden voor alleen PM10 zijn aangewezen in artikel 5.51, lid 3 van het Bkl. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen (artikel 5.51 Bkl).

Niet in betekende mate
De beoordeling van de luchtkwaliteit in een aandachtgebied vindt niet altijd plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor NO2 en PM10 nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.

Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit
Sinds 1 januari 2023 wordt de luchtkwaliteit berekend en gemonitord via het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK).

Beoordeling
Het plangebied valt niet in een van de aandachtsgebieden voor zowel NO2 als PM10 of voor alleen PM10. Nader onderzoek naar luchtkwaliteit is daarom niet benodigd. Er wordt volstaan met een quickscan luchtkwaliteit, welke is gebaseerd op het CIMLK-instrument en de NIBM-tool.

CIMLK
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het van belang om aan te tonen of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat met betrekking tot luchtkwaliteit. Hierover kunnen uitspraken worden gedaan aan de hand van achtergrondwaarden voor NO2, PM10 en PM2.5 ter plaatse van het projectgebied.

Op basis van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK), zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 voor het monitoringsjaar 2023 (monitoringsronde 2024) bepaald. Hieruit blijkt dat de jaargemiddelde grenswaarden (40 µg/m3 voor NO2 en PM10 en 25 µg/m3 voor PM2,5) ter plaatse van het dichtstbijzijnde toetspunt (51178567_19998) voor PM10 zich aan de Vogelenzangsestraat (ter hoogte van nummer 8) 16,5 µg/m3 bedraagt. Voor de overige grenswaarden van NO2 en PM2,5 is het maatgevende toetspunt gelegen aan de Metamorfosenallee (toetspunt 9214908_15467021) en liggen de waarden op 15,4 voor NO2 en 8,9 voor PM2,5. Daarnaast is de trend dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten. Hieruit kan worden afgeleid dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat met betrekking tot luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied.

Effect op de luchtkwaliteit
De luchtkwaliteitseisen vormen geen belemmering voor een ruimtelijke ontwikkeling als een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt. Het plan voorziet in de realisatie van een functiewijziging met twee nieuwe woningen.

Voor de functieverandering van agrarisch bedrijf naar wonen zal de luchtkwaliteit verbeteren, aangezien de functiewijziging naar wonen minder milieubelastend zal zijn dan de intensieve veehouderij die hier voorheen gevestigd was. Daarnaast zal het aantal voertuigbewegingen ten opzichte van het voormalige agrarische bedrijf wat voorheen op de locatie aanwezig was significant afnemen. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling, is op voorhand duidelijk dat het plan niet in betekenende mate bijdraagt. Nader onderzoek is daarom niet aan de orde.

Conclusie
Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.4 Activiteiten en milieuzonering

Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang dat activiteiten met gebruiksruimte en milieugevoelige functies in evenwicht tot elkaar locaties krijgen toegedeeld in de fysieke leefomgeving. Dit kan in hoofdzaak op twee manieren:

  • 1. Menging van milieugevoelige en milieubelastende functies waar het kan en gewenst is.
  • 2. Scheiding van milieugevoelige en milieubelastende functies waar het moet.

Op deze manier wordt zowel voor ruimte voor bedrijvigheid gezorgd als voor het behoud van bescherming van de woon- en leefomgeving.

Daarbij moet worden voldaan aan de instructieregels uit het Bkl ten aanzien van geluid, geur en trilling door activiteiten, met als gevolg dat milieunormering in het omgevingsplan plaatsvindt om tot een evenwichtige toedeling van milieugevoelige en milieubelastende functies te komen. Deze milieunormen voor activiteiten met gebruiksruimte (gebiedsgerichte regels) beogen de gebruiksruimte van een activiteit specifiek te begrenzen, zodat die activiteit op een specifieke locatie kan worden verricht zonder onaanvaardbare gevolgen voor een milieugevoelige functie in dat gebied.

Het uitgangspunt is dat alle activiteiten met gebruiksruimte in meer of mindere mate milieu gerelateerde gebruiksruimte nodig hebben en dus belastend kunnen zijn. Alleen het wonen is hiervan uitgezonderd. Dat betekent dat wanneer het om wonen gaat, het niet nodig is om specifiek te kijken naar de impact op het milieu bij het bepalen van de ruimte die voor deze activiteit nodig is. Wel is wonen een milieugevoelige functie, net als o.a. onderwijs en gezondheidszorg. Bij een ontwikkeling die ziet op een milieugevoelige functie is het dus noodzakelijk te bepalen of er sprake is van een aanvaardbare woon- en leefomgeving.

In 2024 is de VNG-uitgave 'Activiteiten en milieuzonering' uit gekomen. Er wordt in deze handreiking geen gebruik gemaakt van milieucategorieën, maar van gebruiksruimte. Onder gebruiksruimte wordt verstaan de ruimte die een bedrijf mag benutten. Totdat de nieuwe VNG-handreiking 'Activiteiten en milieuzonering' is geïmplementeerd in het beleid van de gemeente, wordt nog uitgegaan van de richtafstanden uit de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. Voor het vaststellen van de minimum richtafstanden tussen bedrijven en milieugevoelige functies worden de lijsten zoals deze zijn opgenomen in de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' gebruikt.

Bedrijven zijn in de VNG-handreiking ingedeeld in een aantal categorieën met bijbehorende gewenste richtafstanden tot milieugevoelige functies. De categorieën geven de zwaarte van bedrijvigheid en mogelijke milieuhinder weer. De richtafstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandstap worden verlaagd als sprake is van omgevingstype gemengd gebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0419BUITVogelzang3-VSG1_0007.jpg"

Richtafstanden VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'

Voorgaande tabel geeft een overzicht van de richtafstanden voor verschillende bedrijfscategorieën ten opzichte van een woonwijk en gemengd gebied. Als de richtafstand niet wordt overschreden, kan verdere toetsing voor het aspect in beginsel achterwege blijven: inpassing is dan mogelijk. Wanneer niet aan de richtafstanden wordt voldaan, is een nadere beschouwing danwel onderzoek nodig.

Spuitzonering
Een specifiek relevant aspect betreffen spuitzones bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State moet bij het toestaan van nieuwe gevoelige functies een afstand van 50 meter in acht worden genomen ten opzichte van percelen waar het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen aan de orde is. In het 'Buitengebied Overbetuwe' zijn regels opgenomen voor agrarische percelen en het in acht nemen van deze spuitzone. Deze regels zijn in dit TAM-omgevingsplan overgenomen.

Beoordeling
Dit TAM-omgevingsplan voorziet aan de Vogelenzangsestraat in de sloop van agrarisch bedrijfsbebouwing, het beëindigen van het agrarische bedrijf met de wijziging van bedrijfs- naar burgerwoning, en het realiseren van twee woningen. Hiermee is er sprake van een milieugevoelige activiteit. Er worden met de oprichting van twee nieuwe woningen geen nieuwe milieubelastende activiteiten mogelijk gemaakt. Door de beëindiging van de agrarische bedrijfsactiviteiten zijn deze niet meer relevant en kunnen er met de functieverandering woningen gerealiseerd worden waarbij sprake is van een aanvaardbare woon- en leefomgeving.

Afstand tot bedrijven
De dichtstbijzijnde bedrijfsfunctie is gelegen aan de Baltussenweg 22 waar planologisch een gemengde functie geldt, waar bedrijven tot en met categorie 2 zijn toegestaan. Voor deze locatie geldt tevens de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - schoonmaakbedrijf' waarmee ook een schoonmaakbedrijf is toegestaan. Uitgaande van een categorie van 2 is de richtafstand binnen omgevingstype gemengd gebied 10 m. Het plangebied bevindt zich echter op ongeveer 50 m van dit bedrijf waardoor er geen belemmeringen plaats vinden op het gebied van activiteiten en milieuzonering.

Ten zuidoosten is tevens een bedrijfsfunctie aanwezig aan de Vogelenzangsestraat 9a waar een functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - agrarisch verwant bedrijf' is toegestaan. Hier is feitelijk een hoveniersbedrijf en kwekerij aanwezig. De afstand is echter meer dan 180 m waarmee aan de richtafstand van 30 m wordt voldaan. De ontwikkeling zal geen hinder ondervinden voor de bedrijfsvoering van dit perceel. Andersom zijn er geen bedrijven in de omgeving liggend die activiteiten ontplooien die een goed woon- en leefklimaat voor de woningen belemmeren.

Spuitzonering
Rondom het perceel liggen percelen met de functie 'Agrarisch met waarden'. In verband met het mogelijk spuiten van bestrijdingsmiddelen moet er tevens rekening worden gehouden met een spuitzone van 50 meter. Een tuin is ook een voor bestrijdingsmiddelen gevoelige functie. De bestaande (voormalige) bedrijfswoningen die onderdeel maken van het stoppende agrarische bedrijf zijn al een gevoelige functie. De te behouden agrarische bedrijfsbebouwing zal geen extra belemmeringen geven ten behoeve van spuitzonering omdat deze reeds aanwezig zijn.

Aangezien de agrarische bedrijfsvoering van het agrarische perceel gaat stoppen, en het bouwvlak met bedrijfsbebouwing hiervoor wordt beperkt middels dit TAM-omgevingsplan is niet te verwachten dat hier nog gewerkt wordt met gewasbeschermingsmiddelen die invloed hebben op het plangebied. In het landschappelijk inpassingsplan is er sprake van weides die worden beheerd als schraal grasland. Hier vindt dan ook geen gebruik van gewasbeschermingsmiddelen plaats. Ook ter plaatse van de boomgaard is gebruik hiervan uitgesloten. De regels betreffende spuitzonering zijn uit het vigerende plan overgenomen om bestaande rechten van omliggende bedrijven te respecteren. Daarvoor zijn de woonfuncties zo ingepast dat de bedrijfsvoerings van omliggende bedrijven niet wordt beperkt.

Het nieuwe erf aan de Vogelenzangsestraat bevat ten oosten van het plangebied agrarische percelen waar gewasbeschermingsmiddelen zijn toegestaan en worden gebruikt. Om te voorkomen dat dit overlast veroorzaakt tot de nieuwe te realiseren woningen zijn de woningen zo gesitueerd dat er minimaal 50 meter afstand van deze agrarische percelen is gehouden. Door het opnemen van de regeling voor spuitzonering en afstand te houden tot omliggende agrarische percelen waar gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, zorgt het niet voor belemmeringen van het initiatief of naastgelegen agrarische bedrijven.

Conclusie
Het aspect activiteiten en milieuzonering staat de uitvoering van het plan niet in de weg.

5.5 Geurhinder

Geurhinder kan optreden bij het houden van dieren in dierenverblijven (stallen, inclusief een vaste uitloop) en het opslaan en bewerken van agrarische bedrijfsstoffen (mest, kuilvoer, krachtvoer). Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Daarbij dient de geur op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar te zijn (par. 5.1.4.6 Bkl). Voor enkele, met name agrarische, activiteiten zijn standaardwaarden bepaald voor de geurbelasting of afstand waarbij er in ieder geval sprake is van een aanvaardbare woon- en leefomgeving. Voor bedrijfsmatige activiteiten zoals onder meer industrie worden geen waarden en afstanden toegekend. Ook in deze gevallen dient er rekening te worden gehouden met de geur afkomstig van deze activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Geurgevoelige gebouwen zijn gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat bijvoorbeeld een woon-, onderwijs- of zorgfunctie heeft. Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geur op grond van artikel 4.2 van de Omgevingswet. Dat doet de gemeente vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Beoordeling
Dit TAM-omgevingsplan maakt de realisatie van geurgevoelige gebouwen mogelijk. Er worden daarentegen geen nieuwe geurbelastende activiteiten mogelijk gemaakt.

Voor het aspect geur geldt dat er voor het plangebied geen veehouderijen binnen 100 meter van het plan aanwezig zijn. Er zijn in de omgeving geen veehouderijen (meer) aanwezig. Daarnaast zijn er binnen de straal van 2 km geen geitenhouderijen aanwezig tot de nieuwe gevoelige objecten (woningen). Ook op het gebied van geur van geitenveehouderijen zijn dus geen belemmeringen te verwachten. Bij de oprichting van geurgevoelige gebouwen op deze plekken is dus sprake van een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast worden er geen bedrijven met geurbelastende activiteiten geschaad in hun bedrijfsvoering.

Conclusie
Voor het aspect geur zijn er geen belemmeringen voor het plan.

5.6 Bodem

Het omgevingsplan bevat de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie (par. 5.1.4.5 Bkl). Het gaat daarbij om een gebouw of een deel van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Ook de aangrenzende tuin of perceel maakt hier onderdeel van uit. Bij het bepalen van de waarden voor de toelaatbare kwaliteit houdt de gemeente rekening met de interventiewaarden voor de verschillende stoffen en neemt de gemeente de grenswaarden in acht. Bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit kan alleen gebouwd worden als de door de gemeente voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen.

Daarnaast is in het omgevingsplan de landbodem in verband met grondverzet in de bodemfunctieklassen landbouw/natuur, wonen en industrie ingedeeld, rekening houdend met de functie van de locatie. Ook kunnen in het omgevingsplan bodembeheergebieden zijn aangewezen.

Beoordeling
Dit TAM-omgevingsplan maakt de realisatie van twee nieuwe woningen mogelijk waar een agrarisch bedrijf beëindigd wordt. Hiermee is er sprake van een nieuwe bodemgevoelige gebouwen op bodemgevoelige locaties. Daarom is een verkennend bodemonderzoek noodzakelijk. Dit onderzoek is uitgevoerd en de rapportage is opgenomen in bijlage 1. Hierna worden de resultaten van het onderzoek toegelicht.

Bodem
In de bovengrond worden verhogingen van cadmium, kobalt, kwik, lood en DDD aangetroffen ten opzichte van de klasse Landbouw/natuur. Tevens worden koper, DDE en OCB verhoogd ten opzichte van de klasse wonen aangetroffen. Op basis van de toetsing aan het Bal kan geconcludeerd worden dat de interventiewaarde in de bovengrond niet wordt overschreden. In de ondergrond worden géén van de onderzochte parameters verhoogd aangetroffen ten opzichte van de klasse Landbouw/natuur. Op basis van de toetsing aan het Bal kan geconcludeerd worden dat de interventiewaarde in de ondergrond ook niet wordt overschreden.

Grondwater
In het grondwater wordt een verhoging van barium aangetroffen ten opzichte van de streefwaarde.

Uit de analyseresultaten blijkt dat voor géén van de geanalyseerde parameters de interventiewaarde wordt overschreden. De resultaten van het bodemonderzoek geven geen aanleiding om nader onderzoek uit te voeren. Verhogingen ten opzichte van de klasse Landbouw/natuur, respectievelijk de streefwaarde worden vaker aangetroffen tijdens bodemonderzoeken en geven geen bezwaar voor het geplande gebruik van de locatie. Op basis van dit bodemonderzoek zijn er geen belemmeringen met betrekking tot het huidige en/of toekomstige gebruik van de locatie. Vanuit de resultaten bestaat geen noodzaak tot het uitvoeren van sanerende maatregelen.

Conclusie
Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties met betrekking tot de bodemkwaliteit.

5.7 Omgevingsveiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Een van de uitgangspunten van de Omgevingswet is dat overheden bij hun plannen zo vroeg mogelijk kijken naar veiligheid zodat de gevolgen van een brand, ramp of crisis voorkomen kan worden of de gevolgen zoveel mogelijk beperkt kunnen worden.

Voor externe veiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). In het Bkl komen de instructieregels voor omgevingsplannen van gemeenten terug. Op basis van artikel 8.0b in dat besluit moeten deze instructieregels ook worden toegepast in geval van een aanvraag omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Dit betreft onder andere regels over het plaatsgebonden risico, aandachtsgebieden, en groepsrisico. Uit de bepalingen van de genoemde paragraaf vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de veiligheidsrisico's ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze externe veiligheidsrisico's dienen te worden beoordeeld aan de normen voor het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor beide risiconormen geldt dat hoe groter de afstand tussen planontwikkeling en risicobron, des te kleiner zal de impact van het plan zijn op de hoogte van het risico.

Plaatsgebonden risico
Het plaatsgebonden risico heeft tot doel om hetzelfde minimale beschermingsniveau te bieden voor iedere burger in Nederland. Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6/jaar contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde voor (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties c.q. standaardwaarde voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties is.

Groepsrisico
De benadering van het groepsrisico, met aandachtsgebieden, moet ervoor zorgen dat het gemeentebestuur externe veiligheid eerder in ruimtelijke plannen meeneemt. Aandachtsgebieden laten zien waar extra aandacht nodig is om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden laten zien waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen gevaren uit de omgeving. Voorbeelden van die gevaren zijn warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Via de aandachtsgebieden worden deze gevaren zichtbaar op de kaart, zodat direct duidelijk is welke gevaren waar op kunnen treden. Daardoor heeft het bevoegd gezag bij het nemen van besluiten over ruimtelijke ordening de risico's van activiteiten met gevaarlijke stoffen meteen in beeld. Zo kan het bevoegd gezag ze al aan het begin van het planproces meenemen. Het groepsrisico blijft de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als gevolg van een ongewoon voorval. De gemeente moet in het omgevingsplan binnen aandachtsgebieden rekening houden met dit groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de veiligheidsregio.

Beoordeling
Het initiatief betreft het slopen van agrarische bedrijfsbebouwing, oprichting van twee burgerwoningen en het verwijderen van het bouwvlak van de agrarische bedrijfsbebouwing ter plaatse. Op basis van de signaleringskaart omgevingsveiligheid is een inventarisatie gemaakt van de risicobronnen in en rondom het plangebied, die een extern veiligheidsrisico kunnen veroorzaken. In onderstaande afbeelding is een uitsnede opgenomen van de risicokaart:

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0419BUITVogelzang3-VSG1_0008.png"

Uitsnede aandachtsgebied omgevingsveiligheid met aanduiding plangebied (bron: atlasleefomgeving.nl)

De planlocatie is niet gelegen binnen de aandachtsgebieden van de spoorlijn Nijmegen - Arnhem (ten oosten) of de vaarroute van gevaarlijke stoffen op de Nederrijn. Daarnaast zijn er geen andere activiteiten in de nabije omgeving van het plangebied die risico vormen op het gebied van omgevingsveiligheid. Een nadere beschouwing van het groepsrisico is derhalve niet benodigd.

Conclusie
Het aspect omgevingsveiligheid van de relevante risicobronnen vormt geen belemmering voor het voorgenomen initiatief.

5.8 Ontplofbare oorlogsresten

In de Tweede Wereldoorlog is de gemeente Overbetuwe getroffen door explosieven. Geschat wordt dat circa 10% van deze explosieven niet tot ontploffing is gekomen. Een deel hiervan is tijdens en na de Tweede Wereldoorlog al geruimd. Echter is er een kans op niet gesprongen explosieven in de grond.

Beoordeling en conclusie
Bij bodemroerende werkzaamheden, zoals het oprichten van gebouwen, graafwerkzaamheden, aanleg van kabels en leidingen en het uitvoeren van bepaalde onderzoeken, is de aanwezigheid van mogelijke niet-gesprongen explosieven (NGE's) van belang.

Ter plaatse van de Vogelenzangsestraat wordt het bouwvlak van het agrarisch bedrijf verwijderd, en worden woningen mogelijk gemaakt binnen ditzelfde te verwijderen bouwvlak. Het bouwvlak wordt dermate verkleind dat nader onderzoek naar explosieven afkomstig uit WOII niet benodigd wordt geacht. Indien er op de locatie Vogelenstraat 3 in de toekomst wordt gebouwd dan kan mogelijk rekening worden gehouden met aantoonbare naoorlogse bodemroeringen die het onderzoeksgebied kunnen verkleinen.

5.9 Kabels en leidingen

Het verrichten van werkzaamheden in de nabijheid van hoogspanningsmasten en -kabels en dergelijke, kan gevaar met zich meebrengen. Om dit gevaar zoveel mogelijk te beperken moet de hoogspanningleidingbeheerder aangeven onder welke voorwaarden de werkzaamheden veilig plaats kunnen vinden.

Beoordeling en conclusie
In het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante hoogspanningskabels en -leidingen aanwezig. Dit aspect levert dan ook geen belemmeringen op voor het plan.

5.10 Waterparagraaf

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b) moet inzicht worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Daarbij zijn de hierna beschreven beleidsstukken van belang.

Rijksbeleid
Nationaal Water Programma 2022-2027
Het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) is de opvolger van het Nationaal Waterplan uit 2015. Het NWP plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode tot en met 2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het NWP richt zich op schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook worden de maatregelen genoemd die hiertoe worden genomen, waaronder het overstromingsrisicobeheerplan en stroomgebiedbeheerplannen voor de rijkswateren.

Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het NWP, tot aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie.

Provinciaal beleid
Provinciaal Waterplan
In het Waterplan Gelderland is het waterbeleid beschreven aan de hand van een aantal thema's, zoals landbouw, wateroverlast, watertekort, natte natuur, grondwaterbescherming en hoogwaterbescherming. Voor deze thema's is beschreven welke doelstellingen voor 2027 en 2015 er liggen. Daarbij is beschreven hoe de provincie voor de planperiode de uitvoering van acties ziet om die doelstellingen te bereiken. Bij sommige thema's gelden aanvullende waterdoelstellingen voor specifieke waterhuishoudkundige functies.

Waterschap Rivierenland
Waterbeheerprogramma 2022-2027
In het waterbeheerprogramma (WBP) beschrijft het waterschap wat men in de periode tot en met 2027 wil bereiken, met wie, hoe en waarom. Eén van de voornaamste en voor de ruimtelijke ordening relevante principes is dat water bepalend is voor de inrichting van een gebied. De ambitie en samenwerking worden door gebiedsgericht te werken vormgegeven. Overbetuwe maakt onderdeel uit van het deelgebied Betuwe. Kerntaken van het waterschap zijn:

  • Dagelijks beheer van water en dijken;
  • Beschermen tegen overstromingen;
  • Water eerlijk verdelen;
  • Voorbereiden op extreem weer (klimaatadaptatie);
  • Werken aan schoon water;
  • Bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur.

Voor al deze taken zijn in het WBP ambities voor de lange termijn, concrete doelen voor de plantermijn, de strategie en maatregelen beschreven.

Waterschapsverordening Waterschap Rivierenland
Voor waterhuishoudkundige ingrepen is de 'Waterschapsverordening Waterschap Rivierenland' (2024) van toepassing. De waterschapsverordening bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen, die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Denk hierbij aan het onttrekken of infiltreren van water, lozingsactiviteiten, veranderingen van het watersysteem, etc. De wateren en waterkeringen waarop de regels uit de verordening van toepassing zijn, zijn vastgelegd in de legger wateren.

Realisatie van nieuwe bebouwing en/of verhard oppervlak moet hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Bij het toevoegen van bebouwing of verharding geldt een compensatieplicht. Er geldt een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht wanneer minder verharding dan 500 m² in stedelijk gebied of minder dan 1.500 m² in landelijk gebied wordt toegevoegd.

Gemeente Overbetuwe
Waterplan Overbetuwe
In 2008 stelde de gemeente Overbetuwe in samenwerking met het Waterschap Rivierenland het Waterplan Overbetuwe vast wat daarna verschillende keren is geactualiseerd in het waterbeheerplan. In het Waterplan Overbetuwe wordt het beleidskader geschetst en worden concrete maatregelen voor het watersysteem uitgewerkt.

Met het waterplan wordt inzicht gegeven in de relevante wateropgaven voor de gemeente Overbetuwe, zoals:

  • wateroverlast, het zoeken van oplossingen om wateroverlast tegen te gaan;
  • waterkwaliteit, het onderzoeken van mogelijkheden voor het verbeteren van de waterkwaliteit;
  • grondwater, het inventariseren van grondwateroverlast;
  • beleving van water, burgers betrekken bij water;
  • afspraken en taken van waterschap en gemeente.

In 2024 is het Water- en Rioleringsplan Overbetuwe vastgesteld: Samen Werken aan een Klimaatbestendige Toekomst. In het nieuwe Water- en Rioleringsprogramma (Wrp) voor 2025-2029 is er aandacht voor klimaatadaptatie (aanpassing aan het klimaat) en is er de wens wateroverlast en droogte aan te pakken en de kwaliteit van het water te verbeteren.

Belangrijke punten uit het plan:

  • water vasthouden waar het kan en afvoeren waar het moet;
  • afspraken over rioolheffing;
  • samenwerken met inwoners, bedrijven en organisaties voor een betere leefomgeving
  • scheiden van vuil- en regenwaterafvoer;
  • nieuwe initiatieven zoals het Klimaat Meekoppelbudget.

Beoordeling (watertoets)
Op het perceel Vogelenstraat 3 worden twee nieuwe woningen gerealiseerd. In de toekomstige situatie wordt op het perceel erfverharding gerealiseerd die er voor zorgt dat de woningen rond een gemeenschappelijk erf bereikbaar zijn. Daar tegenover staat dat er een deel van de bestaande agrarische bebouwing wordt gesloopt, en er aan de achterzijde van het perceel een significant deel van de verharding zal vervallen (circa 20 m x 40 m). Het oppervlak ‘verharding en bebouwing’ wordt door de functieverandering gereduceerd met ongeveer 55% (bestaande situatie: 4.950 m², en nieuwe situatie 2.275 m²).

Door het toevoegen van de woningen met bouwvlakken wordt het bebouwd en verhard oppervlak per saldo dus alsnog minder. De eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht op basis van de Waterschapsverordening is in geval van een beperkte toename zonder meer toepasbaar voor dit plan. De totale omvang van de toename van verharding is namelijk niet meer dan 1.500 m².

In planologisch opzicht is er sprake van een aanzienlijke afname, omdat het bebouwbare oppervlakte, door het vervallen van het agrarische bouwvlak, aanzienlijk wordt verkleind. Door het slopen van de agrarische bedrijfsbebouwing wordt namelijk het agrarische bouwvlak verwijderd zodat alleen de woningen nog een bouwvlak bevatten. Het bouwvlak was ca. 15.000 m² en de woonfunctie voor de drie woningen is ongeveer 5.500 m². De bebouwbare oppervlakte is binnen die woonfunctie (bouwvlak en bijbehorende bouwwerken) bovendien nog kleiner.

Grondwater
In het plangebied geldt grondwatertrap VI. Dit betekent dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) tussen de 40 en 80 cm beneden maaiveld is, maar dat de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) dieper dan 120 cm beneden maaiveld kan worden aangetroffen.

Oppervlaktewater
Het plangebied is gelegen nabij secundaire watergangen (B-watergang) die het gehele perceel omkaderen. De B-watergangen zijn niet aangeduid binnen het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe'. Uit het Wateradvies geldt dat er ook geen aanvullende regels in het TAM-omgevingsplan opgenomen hoeven te worden. De watergangen worden niet aangetast met het initiatief.

Een B-watergang is van secundair belang voor het waterbeheer en dient door de aangrenzende eigenaren te worden onderhouden. Langs een B-watergang zit een beschermingszone van 1 meter breed. Deze beschermingszone bij B-watergangen zijn vooral bedoeld om deze watergangen toegankelijk te houden voor het uitvoeren van inspecties. De beschermingszones worden altijd aan beide zijden van een B-watergang in de legger opgenomen.

Rondom het plangebied zijn dus enkele B-watergangen aanwezig. De planvorming heeft geen negatieve invloed op oppervlaktewater, omdat deze volledig intact blijven. Er worden geen belemmeringen voor het functioneren van de watergangen verwacht. Er is in het plangebied voldoende mogelijkheid tot het aanleggen van aanvullende waterberging en ruimte voor het vertraagd afvoeren van water op de watergangen. Tot slot liggen er geen waterkeringen met betreffende beschermingszone nabij het plangebied. Er gelden derhalve geen beperkingen vanwege het belang van waterkeringen.

Waterberging
Het betreft een bestaand erf waar het oppervlak verharding en bebouwing aanzienlijk zal afnemen door de beoogde ontwikkeling. Aangezien het verhard oppervlak afneemt is er geen extra waterberging in het plan benodigd. Regenwater wordt binnen het perceel zelf verwerkt. Conform het gemeentelijk beleid vindt er geen afvoer van regenwater plaats naar de straat / openbaar terrein. Aangezien er momenteel geen wateroverlast is op het terrein zorgt het huidige waterpeil niet tot belemmeringen voor het aspect waterhuishouding binnen het plangebied.

Hemelwater en vuilwater
Hemel- en afvalwater zullen bij de nieuwe woningen gescheiden worden afgevoerd. Het hemelwater van dakoppervlakte en verharding wordt afgekoppeld van het gemengd rioolstelsel en door middel van bijvoorbeeld infiltratiekratten, wadi of zakgreppel binnen het plangebied opgevangen. Dit komt ten goede aan het grondwater en beperkt verdroging en voorkomt het overstorten van rioolwaterzuiveringsinstallaties. Wat betreft de bestaande bedrijfswoning behorende bij het agrarische perceel, verandert er niets. De ontwikkeling is verder hydrologisch neutraal. Per saldo leidt de ontwikkeling echter tot een afname van de hoeveelheid afvalwater omdat het agrarische bedrijf beëindigd zal worden.

Op de riolering mag alleen afvalwater. Voor wat betreft capaciteit van de riolering voor afvoer van afvalwater betreft het een toevoeging van slechts twee woningen. De capaciteit van de bestaande drukriolering voldoet voor het toevoegen van twee woningen. Voor aansluiting van het plan op het bestaande rioleringsstelsel zijn geen aanpassingen benodigd.

Waterkwaliteit
De waterkwaliteit van de legger-watergangen (B in dit geval) zal niet verslechteren, en door het beperken van de agrarische bedrijfsactiviteiten zelfs significant verbeteren. Daarmee voldoet het plan aan het opgestelde beleid. Daarnaast wordt met het plan rekening gehouden met:

  • hemelwaterlozingen worden voorzien van zuiverende voorzieningen, zoals een helofytenfilter en/of bodempassage;
  • in verband met de waterkwaliteit wordt terughoudend omgegaan met bomen langs oppervlaktewater;
  • watergangen worden in principe voorzien van natuurvriendelijke oevers;
  • er worden geen uitlogende bouwmaterialen toegepast;
  • kansen voor klimaatadaptatie worden benut (opvang hevige neerslag, koelte realiseren, bestrijden van verdroging, gevolgen van een overstroming beperken, biodiversiteit versterken).


Advies Waterschap
In het kader van vooroverleg is advies gevraagd van het waterschap en een wateradvies uitgevoerd. Het wateradvies is als bijlage 2 bij de motivering van dit plan toegevoegd. In het advies van het waterschap is geconcludeerd dat de ontwikkeling voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als het gaat om het aspect waterhuishouding.

Conclusie
Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor de waterhuishouding. Dit aspect is in het plan op een evenwichtige wijze verwerkt en afgewogen. Het aspect water vormt dan ook geen belemmering in het kader van de omgevingsplanwijziging.

5.11 Natuur

Onder de Omgevingswet wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende activiteiten die de natuur betreffen. Daarbij kan bij de meest voorkomende activiteiten een tweedeling worden gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. De Omgevingswet introduceert daarbij nieuwe terminologie: zo wordt een activiteit die significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied voortaan aangeduid als een 'Natura 2000-activiteit', en een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten als een 'flora- en fauna-activiteit'. Een verdere vernieuwing onder de Omgevingswet is de vormgeving van de zorgplicht voor natuur. De provincie blijft in beginsel het bevoegd gezag voor taken op het gebied van de natuur (artikel 2.18, lid 1, onder g Ow).

De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden middels een voortoets (afd. 11.1 Bal). Projecten en activiteiten die een significant negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig (Natura 2000-activiteit). Indien nadelige effecten te verwachten zijn, welke niet significant zijn, geldt de specifieke zorgplicht. In dat geval moeten nadelige gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperkt, of ongedaan gemaakt worden.

Gebiedsbescherming
Op basis van artikel 7.8 lid 2 Bkl van de Omgevingswet dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd 'Natuurnetwerk Nederland'. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk is opgenomen in de provinciale verordening. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Binnen de provincie Gelderland bestaat het NNN uit het Gelders Natuurnetwerk (GNN). Daarnaast worden ook de Groene Ontwikkelzones (GO) beleidsmatig beschermd. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.

Soortenbescherming
Soortenbescherming heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten (afd. 11.2 Bal). De beschermde soorten zijn ingedeeld in drie categorieën:

  • vogels;
  • europees beschermde soorten;
  • nationaal beschermde soorten.

Er geldt een vergunningsplicht voor een flora- en fauna-activiteit wanneer schadelijke handelingen worden uitgevoerd. Op basis van de Omgevingswet is een flora- en fauna-activiteit een 'activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten'. Dit heeft betrekking op vrijwel alle ruimtelijke activiteiten. De provincie is het bevoegd gezag en kan bij onder meer ruimtelijke ontwikkelingen vrijstelling geven van de lijst met nationaal beschermde soorten in afstemming op de situatie in de provincie.

Ook geldt er een specifieke zorgplicht om nadelige gevolgen zoveel mogelijk te voorkomen, beperken of ongedaan te maken. Dit geldt voor alle beschermde soorten, alsmede soorten van de rode lijsten, en voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats. Voor deze soorten wordt vastgesteld of nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten. Is dit niet mogelijk, dan dienen preventieve maatregelen te worden getroffen om nadelige gevolgen te voorkomen.

Houtopstanden
De bescherming van houtopstanden heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de zogenaamde bebouwingscontour houtkap (afdeling 11.3 Bal). Wanneer deze houtopstanden worden geveld, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van de betreffende provincie. Daarnaast geldt er een specifieke zorgplicht voor houtopstanden. Indien natuurbescherming, instandhouding bosareaal of bescherming landschappelijke waarden in het geding komt, geldt een verplichting om nadelige gevolgen te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken, of achterwege te laten.

Beoordeling
Het plan voorziet in de functieverandering van agrarisch bedrijf naar twee burgerwoningen en het omzetten van de bedrijfswoning naar burgerwoning. Om de nieuwe woningen in te passen worden enkele landschapselementen toegevoegd. Omdat negatieve effecten op beschermde flora en fauna op voorhand niet volledig zijn uitgesloten, is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Het integrale rapport is als bijlage 3 aan deze motivering toegevoegd. In deze paragraaf zijn de bevindingen weergegeven.

Gebiedsbescherming
Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland en buiten andere natuurgebieden zoals Natura 2000. Het meest dichtbijgelegen Natura 2000-gebied is het Natura 2000-gebied “Veluwe”. Het habitat- en vogelrichtlijnengebied ligt op een afstand van 1,2 km ten noorden van de projectlocatie.

De projectlocatie is gelegen in deelgebied 'Over-betuwe' van de Omgevingsverordening Gelderland. De gronden van het plangebied zijn gelegen in de ‘groene ontwikkelingszone’. Ten behoeve van de groene ontwikkelingszone is extra ingezet op inpassing van groenelementen en invulling van de bebouwing daarbinnen. In het landschappelijk inpassingsplan in bijlage 1 bij de regels zijn specifieke maatregelen genomen die vertaald zijn in het versterkingsplan, die voldoet aan de regels zoals die zijn opgenomen in de Omgevingsverordening van de Provincie Gelderland. Deze bijlage is als voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels om de inpassing te waarborgen.

Naast een aantal hoogstamfruitboomgaarden die worden behouden en gerealiseerd, worden in het landschap en erf passende elementen, zoals struweelhagen, vogelbosje, knip- en scheerheggen en solitaire bomen gerealiseerd. Hiermee worden ecologisch waardevolle nieuwe elementen gerealiseerd en wordt de diversiteit in landschapstypen en plantensoorten aanzienlijk vergroot. Naast ecologische meerwaarde, hebben deze elementen ook cultuurhistorisch, landschappelijk en recreatief een meerwaarde. De toekomstige inrichting doet daarmee recht aan de kernkwaliteiten van de GO, waartoe het plangebied behoort en levert een bijdrage aan de versterking van die kernkwaliteiten.

Soortenbescherming
Het initiatief zal naar verwachting geen negatief effect hebben op de staat van instandhouding van beschermde soorten. Binnen het plangebied zijn geen (verblijfplaatsen van) strikt beschermde soorten aangetroffen die door de werkzaamheden worden beïnvloed. Uit de effectenbeschrijving van het integrale rapport blijkt dat er geen onevenredige directe of indirecte gevolgen zijn van de voorgenomen activiteiten op de voortplanting en instandhouding van beschermde dieren/of plantsoorten. Lokaal zullen mogelijk algemene soorten uit het plangebied trekken, op zoek naar een vervangende biotoop. Alle sloopwerkzaamheden dienen bij voorkeur verricht te worden buiten het broedseizoen (15 maart t/m 15 juli). De specifieke zorgplicht (artikel 11.27 Bal) blijft onverminderd van toepassing. Voor aanvang van de werkzaamheden dient derhalve geen aanvullend onderzoek plaats te vinden.

Houtopstanden
Voor houtopstanden geldt dat er geen monumentale bomen gekapt zullen worden. In het achtergebied van de twee te realiseren woningen zullen enkele bomen gekapt worden om deze woningen mogelijk te maken. Dit zal gedaan worden conform de regels omtrent houtopstanden van de gemeente Overbetuwe.

Stikstof
Voor de berekening van de stikstofuitstoot is een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd die onderdeel is van de LBV+-regeling waarbij maximaal 15% van de vergunde stikstofemissie ingezet mag worden om de nieuwe activiteiten te realiseren (o.a. sloop stallen en bouw nieuwe woningen) en te exploiteren. De rapportage hiervan is bijgevoegd als bijlage 4 van deze motivering.

In het rapport wordt inzichtelijk gemaakt welk deel van de natuurtoestemming ingetrokken kan worden, en welk deel nog nodig is ten behoeve van de vervolgfunctie. Het rapport bevat bijlagen en AERIUS-berekeningen die dienen als onderbouwing voor de Natura 2000-activiteit uit artikel 5.1, eerste lid, sub e. van de Omgevingswet.

In de beoogde situatie wordt het houden van landbouwhuisdieren definitief beëindigd (met uitzondering van hobbymatig houden van enkele dieren, niet bedoeld voor de productie van vlees, melk, en/of wol), en er twee nieuwe woningen opgericht. Voor de activiteiten na deelname aan de LBV+-regeling kan maximaal 15% van de vigerende stikstofemissie behouden blijven. Conclusie uit het rapport is dat de emissie in de beoogde situatie minder betreft dan 15% van de emissie in de referentiesituatie, waardoor aan dit aspect voldaan wordt. De resterende stikstofemissie in de beoogde situatie betreft ruimschoots minder dan 15% van de vigerende vergunde stikstofemissie.

In de beoogde situatie blijft sprake van significante depositie-effecten (> 0,00 mol/ha/jaar) op Natura 2000-gebieden. Een nieuwe natuurtoestemming voor de toekomstige activiteiten is daarom benodigd, gelet op de Rendac-uitspraak van de Raad van State van 18 december 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4923). Intern salderen mag worden ingezet als mitigerende maatregel. Omdat sprake is van deelname aan de LBV+-regeling, waarbij de vrijkomende stikstofruimte ten goede komt aan natuurherstel, dient ter borging van de vermindering van de stikstofuitstoot de vrijkomende ruimte ingetrokken te worden van de vigerende natuurtoestemming.

Uit het stikstofdepositieonderzoek blijkt dat er geen sprake van significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden. Daardoor is het aannemelijk dat de vergunningaanvraag voldoet aan het gestelde in de Omgevingswet, ten aanzien van de Natura 2000-activiteit, en de haalbaarheid van het initiatief blijkt.

Het aspect stikstof in relatie tot Natura 2000 vormt, na verlening van de aangevraagde Natura 2000-activiteit, geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

Conclusie
Voor gebiedsbescherming is een landschappelijke inpassing met versterkingsplan onderdeel van dit TAM-omgevingsplan. In het kader van de zorgplicht voor soorten moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. Het aspect stikstof in relatie tot Natura 2000 vormt, na verlening van de aan te vragen Natura 2000-activiteit geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

Vanuit het aspect natuur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.12 Archeologie en cultuurhistorie

De Erfgoedwet vormt samen met de Omgevingswet het wettelijke fundament voor de cultuurhistorie en archeologie in Nederland. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Er moet bij het toestaan van ruimtelijke ontwikkelingen in een omgevingsplan rekening gehouden te worden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, waaronder archeologische monumenten (par. 5.1.5.5 Bkl). Dit door regels te stellen ter bescherming van het cultureel erfgoed gericht op:

  • het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van op grond van het omgevingsplan beschermde archeologische monumenten;
  • het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur in situ.

Beoordeling
Cultuurhistorie
De cultuurhistorische kenmerken zijn opgenomen in de Cultuurhistorische Waardenkaart van Overbetuwe. Het plangebied ligt binnen een specifiek aangewezen cultuurhistorisch waardevol gebied. De grond ter plaatse van het plangebied is bekend als oude woongrond en/of andere oude cultuurlaag. Daarnaast is het erf bekend als opgehoogde woon- of vluchtplaats. Er is geen sprake van dorpsbebouwing van voor 1850, die ligt namelijk ten westen van het plangebied in de dorpskern van Driel.

Door de cultuurhistorische waarden is er in het landschappelijke inrichtingsplan rekening gehouden met de beoogde bebouwing en plek van de nieuwe woningen. Deze zijn zo geplaatst dat het plan een cluster vormt en er geen extra verharding / ontgronding plaatsvindt in het gebied. Daarnaast heeft de bebouwing geen karakteristieke of cultuurhistorische waarden. Zowel de agrarische bedrijfsbebouwing als de bedrijfswoning hebben geen monumentenstatus en zijn dus niet specifiek beschermd. Door het slopen van de agrarische bedrijfsbebouwing ontstaat er binnen het plangebied de mogelijkheid om de gemeenschappelijke ruimten te versterken en het erfensemble her in te richten. Door de zorgvuldige (landschappelijke) inpassing worden cultuurhistorische kenmerken juist omarmd.

Archeologie
De regels voor archeologie in het omgevingsplan zijn opgenomen aan de hand van de archeologische beleidskaart. De ingrepen zijn overwegend gepland binnen 'Waarde - Archeologische verwachting 1' waarbij de vrijgestelde oppervlakte voor het bouwen van een bouwwerk groter dan 50 m² geldt.

De nieuw op te richten woningen hebben een oppervlakte van circa 200 m² (zuidelijke woning) en 275 m² met een bijbehorend bouwwerk van circa 50 m² (noordelijke woning). In totaal wordt er dus 525 m² aan bebouwing opgericht. Op basis van de regels van het omgevingsplan en de archeologische waarden is echter bepaald dat deze woningen worden gebouwd op de plek van de bestaande bouwwerken (de te slopen agrarische bedrijfsbebouwing) en dat het bouwplan dus betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte met maximaal 50 m² wordt vergroot en de bestaande fundering wordt benut, waarbij de gebouwen maximaal 2,5 uit de bestaande funderingen mogen worden vergroot. Uit de uitsnede van de verbeelding (met ondergrond) blijkt desalniettemin dat de bouwvlakken van de nieuw te bouwen woningen overeenkomen met de contouren van de oude bebouwing:

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0419BUITVogelzang3-VSG1_0009.png"

Uitsnede verbeelding met bouwvlakken met contouren huidige bebouwing (lichtgrijs)

Op de verbeelding is ook af te zien dat het bijbehorende bouwwerk bij de westelijke woning die apart is aangeduid met een bouwaanduiding hier buiten valt. Deze is ongeveer 50 m² en valt binnen de gestelde uitzondering op de bouwregels. Op basis van de voor 'Waarde - Archeologische verwachting 1' aangewezen gronden wordt voldaan aan het behoud en bescherming van de te verwachten archeologische resten in de bodem.

Daarnaast is er in het zuidwestelijk gelegen deel van het plangebied een Terrein met Archeologische Waarden (TAW nummer 3873) gelegen. Dit gebied is in het bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe' opgenomen als 'Waarde - Archeologie' waar regels aan verbonden zijn over het bouwen van bouwwerken en werkzaamheden. Binnen dit gebied zijn echter geen bouwvlakken aanwezig en ook geen werkzaamheden voorzien. Hier zullen dan ook geen gebouwen in het kader van het TAM-omgevingsplan gebouwd worden. Onderstaand is een uitsnede uit de archeologische beleidskaart opgenomen:

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0419BUITVogelzang3-VSG1_0010.png"

Uitsnede uit archeologische beleidskaart Overbetuwe met aanduiding planlocatie

Op basis van het TAM-omgevingsplan zijn de dubbelbestemmingen die vallen buiten het archeologische onderzoeksgebied maar binnen het plangebied - die daar ten behoeve van het agrarische bouwvlak onderdeel van uit maken - gehandhaafd. Deze dubbelbestemmingen zijn in dit TAM-omgevingsplan overgenomen zodat de archeologische waarden beschermd blijven.

Conclusie
Vanuit het oogpunt van zowel cultuurhistorie als archeologie voldoet het plan aan een evenwichtige toedeling van functie aan locaties.

5.13 Verkeer en parkeren

Parkeren
De gemeente Overbetuwe heeft haar parkeerbeleid en -normen vastgelegd in de Nota Parkeernormen gemeente Overbetuwe 2016 (hierna: de Nota). Uitgangspunt is dat parkeren op eigen terrein plaatsvindt. Hierna is een overzicht opgenomen van de parkeerbehoefte in de nieuwe situatie en het aantal te realiseren parkeerplaatsen.

Het plan maakt twee nieuwe woningen mogelijk. Voor ontwikkelingen in het buitengebied wordt bij het bepalen van de parkeernorm uitgegaan van de lagere stedelijkheidsgraad 'niet stedelijk'. Op basis van de Nota geldt een parkeernorm van 2,8 parkeerplaatsen voor deze woningen (locatie: buitengebied). In het plan is voorzien in erven met meer dan voldoende ruimte voor minimaal 3 parkeerplaatsen bij de woningen, ook voor de 0,3 pp/woning voor het aandeel bezoekers per woning. Op iedere woonkavel is voldoende ruimte voor parkeren waarmee op eigen terrein voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd kunnen worden.

Verkeer
Voor de Vogelenzangsestraat geldt dat een agrarisch bedrijf in zijn activiteiten wordt beperkt. Hier wordt de bedrijfsbebouwing gesloopt, de bedrijfswoning omgezet naar burgerwoning, en worden er twee nieuwe burgerwoningen opgericht. Deze woningen zullen significant minder (vracht)verkeer genereren en dus een bijdrage leveren aan een verbetering van de verkeerssituatie aan de Vogelenzangsestraat. Om de verkeersgeneratie te berekenen wordt gebruikgemaakt van kencijfers van de CROW-publicatie 744 ‘Parkeerkencijfers, basis voor parkeernormering’ in combinatie met het gemeentelijke parkeerbeleid Nota parkeernormen gemeente Overbetuwe 2016. Voor vrijstaande woningen geldt een gemiddelde van 8,2 voertuigbewegingen per etmaal. Voor drie woningen geldt een totale verkeersgeneratie van 24,6 verkeersbewegingen.

Uit de verkeersgegevens van de gemeente blijkt dat de Etmaalintensiteit gemotoriseerd verkeer op 290/320 en voor vrachtverkeer op 30/30 zijn berekend. De Vogelenzangsestraat is een ontsluitingsweg waar de capaciteit dus voldoende van is om deze minimale extra verkeersgeneratie te kunnen opvangen. Om de ontsluitingsweg naar de Vogelenzangsestraat planologisch te borgen is de woonfunctie tot aan de weg opgenomen.

Conclusie
Vanuit het oogpunt van zowel parkeren als verkeer voldoet het plan aan een evenwichtige toedeling van functie aan locaties.

5.14 Trillingen

Er dient bij een wijziging van het omgevingsplan rekening te worden gehouden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen. Deze trillingen dienen aanvaardbaar te zijn (par. 5.1.4.4 Bkl). Indien de trillingen niet meer bedragen dan de standaardwaarde dan is er in ieder geval sprake van een aanvaardbare woon- en leefomgeving. Trillinggevoelige gebouwen zijn gebouwen met een woonfunctie, onderwijsfunctie of gezondheidszorgfunctie. Het gaat om activiteiten anders dan wonen die trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaken in trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, uitgezonderd industrieterreinen en verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen.

Bij het mogelijk maken van trillinggevoelige gebouwen in de buurt van spoorwegen moet in beginsel binnen een afstand van 100 meter van een spoorweg het risico op trillinghinder worden beoordeeld. In sommige gevallen is het nodig om het onderzoeksgebied uit te breiden tot 250 meter aan weerszijden van het spoor. Hier kan bijvoorbeeld sprake van zijn als er reeds klachten door trillinghinder van het spoor op een grotere afstand dan 100 meter bestaan.

Beoordeling en conclusie
Met deze omgevingsplanwijziging worden geen trillingsgevoelige gebouwen in de buurt van een spoorverbinding mogelijk gemaakt. Deze wijziging betreft geen toevoeging van een trillinggevoelig object/gebouw in de betreffende contour. Derhalve is het aspect 'trilling' niet van toepassing op de wijziging.

5.15 Gezondheid

In artikel 1.3 van de Omgevingswet zijn de maatschappelijke doelen van de wet uiteengezet, waaronder het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving. Landelijk bestaat de wens om gezondheid meer integraal en volwaardig te betrekken in het beleid over de fysieke leefomgeving. De inrichting van de fysieke leefomgeving kan direct bijdragen aan de gezondheid van inwoners.

Binnen de Omgevingswet hebben decentrale overheden de mogelijkheid om hun eigen gezondheidsambities en regels vast te leggen en uit te werken via instrumenten, zoals de omgevingsvisie, -verordening en programma's.

Beoordeling en conclusie
Ten eerste laat dit TAM-omgevingsplan een intensieve veehouderij vervallen, wat een significante impact heeft op de woon- en leefkwaliteit ter plaatse op het gebied van geur, geluid, en stikstof. Daarnaast maakt het de realisatie van twee nieuwe woningen mogelijk. Bij de inrichting van het plangebied is daarbij in ruime mate ruimte voor groen behouden. Dit draagt bij aan het behoud van een gezonde en prettige woon- en leefomgeving. Daarnaast ligt het plangebied op een locatie, waar de verblijfskwaliteit goed is. Dit is uit de voorgaande paragrafen gebleken. Er zijn daarnaast geen grote geurbelastende activiteiten zoals geitenhouderijen in de omgeving van het plangebied aanwezig. Het plan houdt op een verantwoorde wijze rekening met het gezondheidsbelang en de beoogde functie is met het oog op de gezondheid verantwoord op deze locatie.

Daarnaast zorgt dit TAM-omgevingsplan voor beëindiging van de agrarische bedrijfsactiviteiten op het perceel van de (voormalige) veehouderij. Dit betekent dat op het gebied van geluid, geur, luchtkwaliteit, en omgevingsveiligheid, een verbetering van de woon- en leefkwaliteit zal plaatsvinden aan de Vogelenzangsestraat. Verder zal er een vermindering van het aantal verkeersbewegingen zijn wat de verkeersveiligheid ten goede komt. Bovendien zal er veel verharding worden verwijderd, zodat groen hiervoor in de plaats kan komen. Dit is goed voor het voorkomen van hittestress, wat de gezondheidsambities van de gemeente volgt.

5.16 Duurzaamheid

Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties vereist dat bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen het onderdeel duurzaamheid integraal onderdeel uitmaakt van de belangenafweging in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Duurzaamheid is een breed begrip; de gemeente verstaat hieronder in ieder geval de volgende aspecten:

  • duurzaam en zorgvuldig omgaan met water;
  • duurzaam energieverbruik en beperking van energieverbruik en gebruik van andere natuurlijke hulpbronnen;
  • duurzaam materiaalgebruik en hergebruik;
  • bevorderen van het klimaatadaptief vermogen van de omgeving;
  • natuurinclusief bouwen;
  • versterking van landschaps-, natuur- en groene waarden.

Beoordeling
Bij het bepalen van de inrichting van het plangebied, de landschappelijke inpassing en de beeldkwaliteit van de nieuwe bebouwing is duurzaamheid een integraal onderdeel in het ontwerpproces. In het landschappelijk inpassingsplan in bijlage 1 bij de regels is hierover het nodige opgenomen. Hieronder worden de voornaamste overwegingen, maatregelen en principes beschreven:

  • Het hemelwater van dakoppervlakte en verharding wordt afgekoppeld van het rioolstelsel en door middel van bijvoorbeeld een wadi of zakgreppel binnen het plangebied opgevangen. Dit komt ten goede aan het grondwater en beperkt verdroging en voorkomt het overstorten van rioolwaterzuiveringsinstallaties.
  • Ter vermindering van hittestress blijft de woonkavel zo groen mogelijk en zal de hoeveelheid verharding bij voorkeur zo beperkt mogelijk worden toegepast.
  • De voorgeschreven beeldkwaliteit maakt vele “onzichtbare” technieken mogelijk. Te denken valt aan zonnepanelen integraal te verwerken in het dakvlak van de bebouwing en het toepassen van duurzame bouwmaterialen.
  • De nieuwe woningen worden gasloos gerealiseerd en energiezuinig uitgevoerd. Hiermee wordt bijgedragen aan verduurzaming van de woningvoorraad.
  • De bijgebouwen bieden ruimte voor natuurinclusieve elementen, met ruimte voor o.a. vleermuizen, huismussen en/of gierzwaluwen.
  • De aanplant van bomen en struiken zijn veelal soorten die vruchten-besdragend zijn. Aan te planten boom- en struiksoorten zijn onder andere appel, peer, pruim, kers, en heeft naast een landschappelijk-cultuurhistorische meerwaarde ook een ecologische meerwaarde.
  • Struweelhagen met inheemse soorten zorgen voor kleinschalig landschap en biedt fauna broed- en schuilgelegenheid.
  • Struweelhagen, vogelbosje en fruitboomgaarden zorgen voor noord-zuidverbinding (versterking GO).
  • Weides worden beheerd als schraal grasland.

Hoofdstuk 6 Juridische planopzet

6.1 Algemene opzet

Inleiding
Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het juridisch-planologisch wegbestemmen van de agrarische bebouwing aan de Vogelenzangsestraat en het toevoegen van twee woonfuncties op het achtergelegen perceel. Het TAM-omgevingsplan wordt als een nieuw hoofdstuk opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Overbetuwe. Het TAM-omgevingsplan (nieuwe hoofdstuk) wordt bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening, op https://www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen. Het TAM-omgevingsplan wordt in een later stadium opgenomen in het definitieve omgevingsplan van de gemeente Overbetuwe.

Het 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel' bestaat uit de volgende onderdelen:

De motivering
In de motivering is de ontwikkeling beschreven en verantwoord in het licht van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, zowel op basis van het beleid als op basis van milieu-hygiënische aspecten, aangevuld met een toelichting op de juridische opzet.

De regels
De regels worden opgenomen als afzonderlijk hoofdstuk binnen het omgevingsplan van de gemeente Overbetuwe. De regels bevatten de bouw- en gebruiksregels, die zijn gekoppeld aan werkingsgebieden op de digitale verbeelding. De regels van dit hoofdstuk gelden naast de overige regels van het omgevingsplan.

De (digitale) verbeelding
Op de digitale verbeelding zijn werkingsgebieden opgenomen, die zijn gekoppeld aan bepaalde (primaire) functies, in dit geval 'Agrarisch met Waarden', en 'Wonen'. Ook zijn er bouwvlakken en enkele werkingsgebieden (maatvoeringen) voor specifieke regels opgenomen. Tot slot zijn werkingsgebieden met het oog op de borging van de belangen van bepaalde andere functies opgenomen, namelijk archeologie en ecologische verbinding.

De opzet van het plan
Het omgevingsplan bevat regels, die bindend zijn voor eenieder. Gekozen is voor zoveel mogelijk concrete regels, omdat er sprake is van een concreet initiatief. Daarbij is aansluiting gezocht bij de TAM-omgevingsplan systematiek zoals die voor de gemeente Overbetuwe is vastgesteld in eerdere plannen die aan dit format voldoen.

6.2 Toelichting op de regels

Op de verbeelding zijn werkingsgebieden opgenomen, die zijn gekoppeld aan functies met bijbehorende regels. Hierna worden deze functies met bijbehorende regels kort toegelicht.

Agrarisch met waarden
Buiten de woonfuncties zijn de gebieden aangemerkt als 'Agrarisch met waarden', die ook op basis van de geldende functie van toepassing is. Het bouwvlak is hier niet opgenomen omdat deze vervalt ten behoeve van de te slopen agrarische bedrijfsbebouwing. De aanduiding intensieve veehouderij is vervallen. De gronden zijn bedoeld voor grondgebonden agrarisch gebruik, hobbymatig agrarisch gebruik, groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

Wonen
De toekomstige woonpercelen en de burgerwoningen krijgen het werkingsgebied 'Wonen'. Deze gronden zijn bedoeld voor de functies wonen (eventueel met een aan huis gebonden beroep/bedrijf), groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen en bijbehorende voorzieningen, waaronder tuinen en parkeervoorzieningen.

Er zijn beoordelingsregels voor het bouwen van hoofdgebouwen, bijbehorende bouwwerken, overkappingen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde opgenomen. Voor de nieuwe woningen geldt dat het hoofdgebouw binnen het bouwvlak moet worden gebouwd. In de beoordelingsregels zijn verder maatvoeringseisen voor de verschillende typen bouwwerken opgenomen. Indien aan deze beoordelingsregels wordt voldaan, kan een omgevingsvergunning worden verleend.

Waarde - Archeologische verwachting 1 - 2 en Waarde - Archeologie
Deze werkingsgebieden zijn opgenomen met het oog op de overkoepelende belangen van de archeologische waarden in het plangebied. Binnen dit gebied gelden aanvullende regels op de overige werkingsgebieden, waarbij onder voorwaarden een onderzoeksplicht voor eventueel archeologische waarden wordt gesteld. Er zijn regels opgenomen waarbij advies van een archeologisch deskundige wordt verplicht.

Algemene regels
In de algemene regels zijn regels opgenomen, die voor het gehele werkingsgebied van dit TAM-omgevingsplan van toepassing zijn.

Anti-dubbeltelregel
Deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens het omgevingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.

Algemene aanduidingsregels
Hier zijn regels opgenomen die de aanduiding verbindingszone van de ecologische hoofdstructuur betreffen.

Algemene afwijkingsregels
In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels waarvan door middel van een omgevingsvergunning afgeweken kan worden van de regels uit het omgevingsplan. Het gaat hier om kleinschalige afwijkingen van de voorschreven maatvoering of overschrijdingen van de bouwgrenzen.

Algemene bouwregels
In dit artikel zijn beoordelingsregels voor het bouwen opgenomen, die voor elke omgevingsvergunningplichtige bouwactiviteit van toepassing zijn. Het betreft onder meer een regeling voor ondergronds bouwen, parkeren en ondergeschikte bouwdelen.

Algemene gebruiksregels
Dit artikel bevat een algemene strijdige gebruiksbepaling, alsmede de vormen van gebruik, die in ieder geval strijdig zijn met het TAM-omgevingsplan. Ook is een parkeerregeling opgenomen, die van toepassing is bij een wijziging van het gebruik.

Overgangs- en slotregels
In dit hoofdstuk is overgangsrecht voor bouwwerken en voor gebruik opgenomen.

Hoofdstuk 7 Financiële toelichting

De realisatie van de ontwikkeling is in handen van één initiatiefnemer. Met deze partij heeft de gemeente een anterieure overeenkomst gesloten. Niet is gebleken dat de initiatiefnemer over onvoldoende middelen beschikt om de ontwikkeling te kunnen realiseren en de exploitatiebijdrage aan de gemeente te voldoen. Er zijn geen onvoorziene, hoge kosten te verwachten. De gemeente draagt bovendien geen hoge, financiële risico's. De ontwikkeling is dus economisch uitvoerbaar.

De ontwikkeling betreft een activiteit waarvan kosten moeten worden verhaald, zoals bepaald in artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit. Om de verschuldigde kosten te verhalen, is de gemeente op basis van artikel 13.13 van de Omgevingswet een overeenkomst aangegaan met de initiatiefnemer. Daarin zijn alle kosten voor de grondexploitatie meegenomen inclusief eventuele financiële bijdragen en nadeelcompensatie. Het opnemen van kostenverhaalsregels in het omgevingsplan is dus niet noodzakelijk.

Hoofdstuk 8 Overleg en inspraak

8.1 Inleiding

De procedures voor een wijziging van het omgevingsplan zijn door de wetgever geregeld. Daarnaast bepaalt de Omgevingswet dat bij ruimtelijke ontwikkelingen zorgvuldige participatie moet plaatsvinden en de gemeente overleg met belanghebbende instanties moet voeren.

8.2 Participatie

De wijze waarop participatie wordt uitgevoerd is door de wetgever niet bepaald. Gemeenten kunnen hiervoor beleid opstellen. De gemeente Overbetuwe beschikt over beleid op dit gebied.

De initiatiefnemer heeft de directe omgeving geïnformeerd over de plannen aan de Vogelenzangsestraat. Participatie heeft plaatsgevonden in de vorm van een omgevingsdialoog. Hieruit is gekomen dat omwonenden positief zijn over de voorgenomen plannen, en er zijn geen bezwaren naar voren gekomen. De verslaglegging van de omgevingsdialoog wordt als bijlage bij het besluit op dit plan opgenomen.

8.3 Overleg

Bij de voorbereiding van een wijziging van het omgevingsplan moet overleg worden gevoerd met bestuursorganen en instanties die belast zijn met de behartiging van belangen, welke in het plan (mogelijk) in het geding zijn, zoals de provincie en het waterschap.

De stukken behorende bij het ontwerpbesluit tot wijziging van het omgevingsplan zijn aan de betrokken vooroverlegpartners voorgelegd.

8.4 Wijziging van het omgevingsplan

Het ontwerpbesluit tot wijziging van het omgevingsplan is door de gemeente bekendgemaakt en gedurende zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode kon een ieder zijn zienswijzen kenbaar maken tegen het plan. Er zijn geen zienswijzen ingediend. De omgevingsplanwijziging wordt ongewijzigd vastgesteld door de gemeenteraad.

8.5 Beroep

Tegen het besluit van de gemeenteraad tot wijziging van het omgevingsplan kunnen belanghebbenden gedurende zes weken beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.