direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Heteren, Muskushouwsestraat 1
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1734.0285HTRNmuskushst1-VSG1

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Op het bedrijventerrein 'Poort van Midden Gelderland Zuid' is aan de Muskushouwsestraat 1 in Heteren een tankstation gevestigd dat benzine en diesel verkoopt met een bij dat tankstation behorende shop en Subway-restaurant. Initiatiefnemer wil naast de al genoemde brandstoffen, de verkoop van LNG (Liquefied Natural Gas) en CNG (Compressed Natural Gas) mogelijk maken (hierna: LCNG). Deze soorten gas in vloeibare respectievelijk samengeperste vorm zijn veel schoner dan bijvoorbeeld diesel. Initiatiefnemer werkt aan de realisatie van een groeiend netwerk van LCNG-tankstations in Nederland, waarvan dit initiatief onderdeel uitmaakt. Om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken is deze partiële herziening van het geldende bestemmingsplan opgesteld.

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied ligt in de westrand van het bedrijventerrein 'Poort van Midden Nederland Zuid' aan de Muskushouwsestraat 1 in Heteren (figuur 1). Dit bedrijventerrein is al grotendeels ontwikkeld met verspreid nog wat braakliggende kavels. Op circa 1 kilometer ten noorden van het plangebied ligt de kern Heteren. Ten westen van het plangebied is McDonald's gevestigd aan de Polderstraat 41. Ten oosten ligt een bedrijfsperceel met wasboxen aan de Muskushouwsestraat 1a. Een deel van deze percelen en het naastgelegen perceel Muskushouwsestraat 3, waar een drukkerij is gevestigd, zijn onderdeel van het plangebied. De begrenzing is mede bepaald door de ligging van de plaatsgebonden risicocontour PR 10-6 vanwege de verkoop van LCNG (zie paragraaf 5.7). Hierdoor behoort ook een deel van de percelen Muskushouwsestraat 10-12 en de Muskushouwsestraat zelf tot het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0285HTRNmuskushst1-VSG1_0001.png" Figuur 1: Bestaande situatie en omgeving. Plangebied zwart omlijnd.

De begrenzing van het plangebied is in onderstaande luchtfoto met een gele contour weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0285HTRNmuskushst1-VSG1_0002.jpg" Luchtfoto plangebied en omgeving.

1.3 Vigerende bestemmingsplannen

Voor onderhavig plangebied gelden de volgende bestemmingsplannen:

Bestemmingsplan   Raadsbesluit   Uitspraak ABRvS  
“Bedrijventerrein Heteren"   21 mei 2013   5 februari 2014  
"Overbetuwe, Parapluplan Bedrijventerrein"   4 februari 2014   n.v.t.  


Bestemmingsplan 'Bedrijventerrein Heteren'
Het gehele perceel van het tankstation is bestemd voor 'Bedrijventerrein' met functieaanduidingen 'bedrijf tot en met milieucategorie 3.2' en 'specifieke vorm van horeca - restaurant' (figuur 2). Daarnaast geldt de bestemming 'Verkeer'. Verder zijn op de gronden in dit plangebied de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie', 'Waarde - Archeologische verwachting 3' en 'Waterstaat - Waterlopen' van toepassing. Nagenoeg het gehele bedrijfsperceel is voorzien van een bouwvlak. De maximale goot- en bouwhoogte bedragen beide 12 meter. Het bouwvlak mag volledig worden bebouwd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0285HTRNmuskushst1-VSG1_0003.png" Figuur 2: Uitsnede verbeelding bestemmingsplan 'Bedrijventerrein Heteren'.

De verkoop van LCNG is in strijd met de gebruiksregels van het bestemmingsplan. De beoogde bebouwing past wel binnen de bouwregels. Het toestaan van LCNG omvat dus alleen een wijziging van de toegestane functies op het perceel. Hierbij dient tevens te worden geregeld dat het aspect externe veiligheid goed wordt geborgd door het vastleggen van de veiligheidscontour en dat er geen kwetsbare objecten zijn toegestaan binnen die contour.

Bestemmingsplan 'Overbetuwe, Parapluplan Bedrijventerreinen'
Het bestemmingsplan 'Overbetuwe, Parapluplan Bedrijventerreinen' is een aanvulling op het hiervoor beschreven bestemmingsplan 'Bedrijventerrein Heteren'. Dit bestemmingsplan blijft van kracht, met dien verstande dat enkele aanvullende en vervangende regels gelden. Het betreft regels met betrekking tot afwijken van de bouwregels binnen de bestemming 'Bedrijventerrein' (bouwen op de bouwperceelsgrens), strijdig gebruik en de aanduiding 'veiligheidszone - bevi'. Voor het onderhavige initiatief zijn deze regels niet direct van belang. Waar nodig zijn de regels in dit bestemmingsplan doorvertaald.

1.4 Leeswijzer

Hoofdstuk 2 beschrijft de bestaande situatie. De planbeschrijving van de nieuwe toestand is opgenomen in Hoofdstuk 3. In Hoofdstuk 4 wordt het beleidskader uiteengezet. Hierin wordt het voor de realisatie van het bestemmingsplan relevante rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid beschreven. Hoofdstuk 5 omvat de omgevingsaspecten, te weten milieu, waterparagraaf, archeologie en natuur. Hoofdstuk 6 bevat de juridische vertaling. Daaropvolgend wordt de financiële en economische haalbaarheid van het plan aangeduid in Hoofdstuk 7. Hoofdstuk 8 is gewijd aan de uitvoerbaarheid. Hier wordt met name ingegaan op de maatschappelijke uitvoerbaarheid, het overleg ex artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening en de uitkomsten van de inspraak.

Hoofdstuk 2 Bestaande situatie

2.1 Bestaande situatie

Het plangebied aan de Muskushouwsestraat 1 betreft een bedrijfskavel op het bedrijventerrein 'Poort van Midden Gelderland Zuid' te Heteren. Binnen het plangebied is een BP-tankstation gevestigd waar benzine en diesel wordt verkocht en een bij dat tankstation behorende shop. Voorts is er een Subway-restaurant met drive-thru aanwezig. De bestaande situatie is weergegeven in figuur 3.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0285HTRNmuskushst1-VSG1_0004.png" Figuur 3: bestaande situatie.

Ten oosten van het plangebied is een carwash en een zetterij/drukkerij aanwezig. Ten westen van het plangebied ligt een vestiging van McDonald's. Direct ten zuiden van de Muskushouwsestraat liggen een bedrijfsverzamelgebouw (Muskushouwsestraat 10) en een groothandel/winkel (Muskushouwsestraat 12).

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0285HTRNmuskushst1-VSG1_0005.png" Luchtfoto bestaande situatie (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl).

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0285HTRNmuskushst1-VSG1_0006.png" Huidige situatie plangebied vanaf Muskushouwsestraat (bron Google Earth).

Hoofdstuk 3 Planbeschrijving

3.1 Nieuwe situatie

Het bestaande tankstation wordt uitgebreid met de verkoop van LNCG. Vanuit planologische en milieutechnische overwegingen wordt deze ontwikkeling toegejuicht, omdat wordt ingespeeld op het verduurzamen van het autopark door duurzame brandstoffen zoals LCNG aan te bieden, waardoor een bijdrage kan worden geleverd aan vermindering van de CO2-uitstoot. In paragraaf 3.2 wordt hierop nader ingegaan.

De geplande locatie voor de verkoop van de alternatieve brandstoffen is op het onverharde deel op de voorzijde van het perceel. In het verlengde van de bestaande bebouwing wordt een overkapping met een technische ruimte gerealiseerd. In figuur 4 is de nieuwe situatie opgenomen. Aanzichttekeningen van de bestaande en nieuw situatie zijn opgenomen in figuren 5 en 6.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0285HTRNmuskushst1-VSG1_0007.png" Figuur 4: Tekening nieuwe situatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0285HTRNmuskushst1-VSG1_0008.png" Figuur 5: Westgevel bestaand (boven) en nieuw (onder).

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0285HTRNmuskushst1-VSG1_0009.png" Figuur 6: Oostgevel bestaand (boven) en nieuw (onder).

3.2 Verantwoording behoefte en locatiekeuze

In paragraaf 4.1.3 van deze toelichting is beschreven dat de Ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing is op dit bestemmingsplan. Er is immers geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Verder is er, gelet op de bestaande bestemming (bedrijven tot en met milieucategorie 3.2) slechts sprake van de verkoop van een ander type brandstof. Vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening is een nadere verantwoording van de behoefte aan een LCNG-tankstation in het plangebied echter wel wenselijk. In deze paragraaf wordt daartoe eerst de landelijke vraag- en aanbodstructuur van LCNG-tankstations voor zwaar wegverkeer verkend. Vervolgens wordt ingezoomd op de casus Heteren en worden de regionale vraag- en aanbodstructuur en de locatieaspecten belicht. Hierbij wordt opgemerkt dat het gebruik van de brandstof LCNG relatief nieuw is. Er zijn zodoende nog maar weinig cijfers en data over de marktwerking van LCNG bekend. Aangezien dit een andere markt is dan reguliere brandstoffen worden reguliere tankstations buiten beschouwing gelaten.

3.2.1 Toenemende vraag naar LCNG in Nederland

Diverse overheden stimuleren duurzaam en verantwoord ondernemen en ook bedrijven worden zich steeds meer bewust van het nut en noodzaak hiervan. In het kader van het SER energieakkoord heeft het Ministerie van Infrastructuur en Milieu in 2014 het beleidsstuk 'Een duurzame brandstofvisie met LEF' gepubliceerd. De visie geeft op de lange termijn inzicht en houvast bij de verduurzaming van de mobiliteit en een overgang naar meer duurzaam energieverbruik in de transportsector. Om deze SER-doelen te bereiken wordt voor het wegvervoer o.a. ingezet op een meer duurzame en CO2-arme brandstofmix. Onderdeel van deze brandstofmix is dat voor het zware wegverkeer ingezet wordt op de transitie van de vervuilende diesel naar schonere alternatieven waaronder LCNG. Door middel van subsidies en de financiering van onderzoek probeert de Rijksoverheid de transportsector te overtuigen van de diverse voordelen van LCNG. De verwachting is dat het aandeel diesel aangedreven vrachtwagens in Nederland steeds minder zal worden en het aandeel LNG-trucks zal stijgen.

3.2.2 Vergelijking LCNG en diesel

LCNG heeft een aantal voordelen ten opzichte van reguliere diesel. Ten eerste is het beter voor het milieu, omdat er minder schadelijke stoffen worden uitgestoten. LCNG stoot, afhankelijk van het type voertuig en gebruik, 33% minder CO2 en circa 50% minder Vluchtig Organische Componenten (VOC) uit. Daarbij zijn gasmotoren over het algemeen veel stiller dan dieselmotoren. Zodoende mogen voertuigen op gas onder bepaalde voorwaarden buiten de venstertijden in stadscentra rijden en vraagt een LNG-truck bij aan een betere en prettigere leefomgeving rondom winkels en distributiecentra, omdat er minder geluids- en luchtvervuiling optreedt dan bij dieseltrucks. Eén van de doelstellingen uit de eerder aangehaalde brandstoffenvisie is dat in 2030 ca. 25% van de trekker-oplegger vloot in Nederland op LNG rijdt, hiervan zal een groot deel van de huidige dieseltrucks vervangen. Parallel hieraan stijgt ook de vraag naar LCNG-tankstations voor zwaar wegverkeer.

3.2.3 LCNG-tankstations in Nederland

In 2014 waren er in totaal zeven LCNG-tankstations in Nederland, dit aantal is inmiddels uitgegroeid naar 25 verspreid over het land. Er staan in de nabije toekomst nog meer tankstations op de planning, waaronder het beoogde planinitiatief. Uit een globale aanbodanalyse blijkt dat deze stations gevestigd zijn in en rondom industrie/distributieterreinen. De verwachting is dat het aantal tankstations parallel aan het groeiend aantal LNG-trucks zal uitgroeien naar circa 100 in 2030 (bron: Nationaal LNG platform, op basis Ministerie van Infrastructuur en Milieu 'Een duurzame brandstofvisie met LEF', 2014). Het aantal LCNG-Tankstations zal dus vervijfvoudigen in een relatief korte tijd (figuur 7). Resumerend duidt dit op een sterk groeiende vraag naar LNG. Het beoogd planinitiatief levert hieraan een bijdrage.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0285HTRNmuskushst1-VSG1_0010.png" Figuur 7: LNG-tankstations in Nederland. Bron: Nationaal platform LNG, beeld (2020).

3.2.4 Planinitiatief, klantenbestand en ontwikkeling van dekkend netwerk LCNG-tankstations

De initiatiefnemer wil om aan de toenemende vraag naar LNG te voorzien door een dekkend netwerk van LCNG-tankstations in Nederland realiseren. De locatie aan de Muskushouwsestraat te Heteren is gekozen vanwege de centrale ligging, direct gelegen aan de autosnelweg A50 en in de omgeving van de A15 richting Rotterdam en de A12 richting Arnhem en Duitsland. Daarbij kent de stedelijke regio Arnhem/Nijmegen een groot aantal distributie- en overslagterreinen. Hierdoor zal het tankstation doorgaand LNG-verkeer kunnen bedienen. Voorts is voor deze locatie gekozen vanwege de ligging in de directe nabijheid van het recent gerealiseerde distributiecentrum van Kruidvat en enkele andere transporteurs en distributeurs gevestigd op het bedrijventerrein.

Het merendeel van de klanten van het te realiseren tankstation zal bestaan uit deze gevestigde bedrijven. In de opstartjaren zal het gaan om een klein aantal voertuigen van circa 80 vrachtwagens per dag. De Kruidvat transporteurs hebben reeds bij initiatiefnemer aangegeven te willen overstappen op LNG, zodra er een goede tankmogelijkheid in de directe nabijheid van het distributiecentrum beschikbaar is. Op grond van deze aangeleverde informatie mag verondersteld worden dat het beoogde initiatief deels zijn eigen markt creëert. Op dit moment moet er voor LNG worden uitgeweken naar Duiven (35 kilometer), Geldermalsen (45 kilometer) of Veghel (50 kilometer).

Het aantal passanten zal gaandeweg toenemen, maar het merendeel van het klantenbestand zal afkomstig blijven zijn van het industrieterrein zelf. Zodoende voorziet het tankstation vooral in de behoefte van het groeiende LNG-wagenpark van het industrieterrein en heeft het tankstation een 'eigen verzorgingsgebied'.

3.2.5 Conclusie

Het planinitiatief voorziet in een actuele behoefte. Zowel landelijk als in de regio zal de vraag naar LNG als brandstof toenemen en het beoogd initiatief voorziet hierin. De locatiekeuze voor Heteren is gebaseerd op enerzijds de goede bereikbaarheid aan de autosnelweg en anderzijds omdat het tankstation het 'eigen' industrieterrein zal bedienen, in het bijzonder de voertuigen van Kruidvat en haar transporteurs. De vestiging wordt passend geacht in relatie tot de aanwezige functies.

3.3 Verkeer en parkeren

Verkeer
De gemeente Overbetuwe heeft in 2018 een onderzoek laten uitvoeren naar de toekomstbestendigheid van de ontsluiting van de Poort van Midden-Gelderland Zuid. Uit het eindrapport "Onderzoek toekomstbestendigheid verkeersontsluting bedrijventerrein Poort van Midden-Gelderland Zuid" van 9 maart 2018 is gebleken dat het verkeer in de huidige situatie (2017) en de mogelijke ruimtelijke ontwikkelingen waaronder de realisatie van een LNG-station op korte termijn aan kon. Of, waar en met welk toekomstig gebruik er een LNG-station wordt gerealiseerd beïnvloedt het beeld nauwelijks.

De realisatie van een LCNG-tankstation kan een verkeersaantrekkende werking tot gevolg hebben. Dit type tankstation is specifiek gericht op vrachtwagens. Met name in de transportsector wordt van Bio-LNG en Bio-CNG gebruik gemaakt. De infrastructuur in de omgeving van het plangebied is berekend op het verwerken van vrachtwagens. Dit is noodzakelijk voor een goed functioneren van het bedrijventerrein. De Muskushouwsestraat is ingericht als een brede en overzichtelijke weg, die deze verkeersbewegingen kan verwerken. Verkeer zal in hoofdzaak vanaf de afrit van de A50 via de Cora Baltussen-allee en Polderstraat naar het plangebied aan de Muskushouwsestraat rijden en het tankstation in noordwestelijke richting via deze straat weer verlaten. Het terrein wordt zo ingericht dat er een voldoende brede in- en uitrit aanwezig blijft en er voldoende manoeuvreerruimte voor de vrachtwagens aanwezig is.

Parkeren
Het parkeerbeleid van de gemeente Overbetuwe is vastgelegd in de Nota parkeernormen 2016. Het plangebied behoort tot het gebied 'rest bebouwde kom'. Voor een LCNG-tankstation is, gezien de specifieke gebruiksvorm, geen specifieke norm opgenomen in de nota. Parkeren van vrachtwagens bij het tankstation wordt niet beoogd; het tankstation is niet bedoeld om vrachtauto's, anders dan kortstondig gedurende de tankbeurt, te parkeren. Er zijn dan ook geen vrachtwagenparkeerplaatsen benodigd. Op het perceel zijn aan de noordwest- en de noordoostkant al parkeerplaatsen aanwezig voor personenauto's.

Hoofdstuk 4 Beleidskaders

4.1 Rijksbeleid

4.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)

In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte staan de plannen van de Rijksoverheid voor ruimte en mobiliteit. Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Om dit te kunnen bewerkstelligen, laat het Rijk de ruimtelijke ordening meer over aan de decentrale overheden (provincie en gemeenten) en komt de gebruiker centraal te staan. Het Rijk kiest voor een selectieve inzet van rijksbeleid op slechts 14 nationale belangen. Voor die belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 14 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Tevens werkt het Rijk aan een eenvoudigere regelgeving. Hierdoor neemt de bestuurlijke drukte af en ontstaat er ruimte voor regionaal maatwerk. Het Rijk blijft verantwoordelijk voor het systeem van ruimtelijke ordening. Daarnaast kan een rijksverantwoordelijkheid aan de orde zijn indien:

  • een onderwerp nationale baten en/of lasten heeft en de doorzettingsmacht van provincies en gemeenten overstijgt. Bijvoorbeeld ruimte voor militaire activiteiten en opgaven in de stedelijke regio's rondom de mainports, brainports, greenports en valleys;
  • over een onderwerp internationale verplichtingen of afspraken zijn aangegaan. Bijvoorbeeld voor biodiversiteit, duurzame energie, watersysteemherstel of werelderfgoed;
  • een onderwerp provincie- of landsgrensoverschrijdend is en ofwel een hoog afwentelrisico kent ofwel in beheer bij het Rijk is. Bijvoorbeeld de hoofdnetten van weg, spoor, water en energie, maar ook de bescherming van gezondheid van inwoners.

Het Rijk kiest drie doelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):

  • het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;
  • het verbeteren en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
  • het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

Conclusie
Het voorgenomen initiatief heeft gezien de aard en omvang van de ontwikkeling geen relatie met het ruimtelijke ordeningsbeleid op nationaal niveau (nationale belangen). Geconstateerd wordt, dat het initiatief niet conflicteert met het nationaal ruimtelijk ordeningsbeleid. Wel wordt gesteld, dat het project een bijdrage levert in het streven naar het gebruik van duurzame energie en met name alternatieve brandstoffen.

4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) (2011)

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. Deze vorm van normstelling sluit aan op de vroegere pkb's met concrete beleidsbeslissingen en beslissingen van wezenlijk belang die ook van betekenis waren voor de lagere overheden. Het besluit (eerste tranche) is vastgesteld op 22 augustus 2011 en is op 30 december 2011 in werking getreden. Op 1 oktober 2012 zijn enkele wijzigingen in werking getreden.

In het SVIR wordt bepaald welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Barro bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken.

De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels worden gerespecteerd. Het merendeel van de regels legt beperkingen op, daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'nee-tenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling.

Conclusie
Omdat het initiatief geen relatie met het nationaal ruimtelijk ordeningsbeleid heeft en hiermee dan ook niet conflicteert, heeft het Barro geen doorwerking naar dit bestemmingsplan.

4.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking

De Ladder voor duurzame verstedelijking is sinds 1 oktober 2012 opgenomen in artikel 3.1.6, tweede lid van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en stelt eisen aan bestemmingsplannen met het oog op een zorgvuldige afweging, transparante besluitvorming en een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. De Ladder voor duurzame verstedelijking heeft als doel om zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren en overprogrammering op regionaal niveau te voorkomen. Per 1 juli 2017 is het Bro gewijzigd met als doel om de Ladder te vereenvoudigen en de onderzoekslasten te verminderen waarbij de effectiviteit van het instrument behouden blijft. Met deze wijzigingen is niet beoogd het doel van de regeling te wijzigen. De nieuwe Ladder voor duurzame verstedelijking bevat geen treden meer. Artikel 3.1.6 tweede lid van het nieuwe Besluit ruimtelijke ordening bepaalt, dat de toelichting bij een bestemmingsplan, dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving bevat van de behoefte aan die ontwikkeling, en, als het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Eerst wordt beoordeeld of er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Het plan voorziet in het toestaan van de verkoop van LCNG. De bijbehorende bebouwing past al binnen het huidige bestemmingsplan. Er is geen sprake van nieuw ruimtebeslag. Daarmee is er alleen sprake van een functiewijziging. In haar uitspraak van 6 april 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:915) oordeelt de ABRvS dat een bestemmingsplan dat voorziet in een functiewijziging niet voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de aard van de functies waarin het huidige plan ten opzichte van het voorheen geldende plan voorziet weliswaar verschilt, maar dat de omvang van hetgeen binnen de nieuwe functies wordt mogelijk gemaakt, relatief gering is. In feite gaat het niet om een functiewijziging, maar om de verkoop van een nieuwe soort brandstof. Het plan wordt op grond van bovenstaande niet beschouwd als een nieuwe stedelijke ontwikkeling.

Conclusie
Er hoeft niet te worden getoetst aan Ladder voor duurzame verstedelijking. In paragraaf 3.2 is in het kader van een goede ruimtelijke ordening aan de hand van de Ladder voor duurzame verstedelijking wel ingegaan op de behoefte en de locatiekeuze.

4.2 Provinciaal beleid

4.2.1 Omgevingsvisie Gelderland

Provinciale Staten van Gelderland hebben op 19 december 2018 de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. Sinds 1 maart 2019 is deze Omgevingsvisie van kracht. De provincie heeft in de Omgevingsvisie een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal gesteld.

  • Gezond en veilig. Dat is een gezonde leefomgeving, schone en frisse lucht, een schoon milieu, een niet vervuilde bodem, voldoende schoon en veilig (drink)water, bescherming van onze flora en fauna. Dat is voorbereid zijn op klimaatverandering, zoals hitte, droogte, bosbranden en overstromingen. En, dat is aandacht hebben voor verkeersveiligheid en veilige bedrijvigheid.
  • Schoon en welvarend. Dat is een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat, goed bereikbaar en met een goed functionerende arbeidsmarkt en dito kennis- en onderwijsinstellingen. Maar dat is ook: het tegengaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen. En: het investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie.

Onderdeel van de Omgevingsvisie zijn diverse thematische visieschetsen met de volgende thema's:

  • Energietransitie: van fossiel naar duurzaam.
  • Klimaatadaptie: omgaan met veranderend weer.
  • Circulaire economie: sluiten van kringlopen.
  • Biodiversiteit: werken met de natuur.
  • Bereikbaarheid: duurzaam verbonden.
  • Vestigingsklimaat: een krachtige, duurzame topregio.
  • Woon- en leefomgeving: dynamisch, divers, duurzaam.

Per ambitie is de provinciale aanpak beschreven. De Omgevingsvisie bevat de strategische ambities voor de lange termijn.

De Omgevingsvisie is concreet uitgewerkt in de hierna beschreven Omgevingsverordening Gelderland. Deze verordening bevat concrete regels, waaraan het initiatief wordt getoetst. De Omgevingsvisie zelf bevat geen regels, die voor dit bestemmingsplan direct van belang zijn. Het plan is ook te kleinschalig van omvang om een wezenlijke bijdrage aan de provinciale ambities uit de Omgevingsvisie bij te dragen. Op het aspect van een goede woon- en leefomgeving voor de planontwikkeling wordt in deze toelichting nader ingegaan (met name Hoofdstuk 5).

Toetsing planinitiatief
Onderhavig plan is niet strijdig met de provinciale omgevingsvisie. Het plan betreft een uitbreiding van een tankstation met LCNG-brandstof binnen bestaand stedelijk gebied. Wat betreft locaties binnen bestaand stedelijk gebied geven de omgevingsvisie en –verordening veel beleidsruimte. Verder strookt het plan met de in de Omgevingsvisie geformuleerde ambities om over te stappen naar alternatieve, duurzame brandstoffen.

Conclusie
De Omgevingsvisie is zelfbindend voor de provincie. Het realiseren van een duurzaam netwerk tankstations met alternatieve (duurzame) brandstoffen draagt bij aan deze doelstelling en past binnen de ambities energietransitie en bereikbaarheid van de provincie en haar partners om te komen tot innovatie en tot een bereikbare en verbonden regio. Tevens past dit in de maatschappelijke ambities van de samenwerkende partijen, omdat een uitbreiding van het tankstation met alternatieve duurzame brandstoffen voor vrachtwagens mogelijk wordt gemaakt. Het plan is in overeenstemming met de Omgevingsvisie.

4.2.2 Omgevingsverordening Gelderland

Provinciale Staten hebben de Omgevingsverordening Gelderland (hierna: de Omgevingsverordening of verordening) vastgesteld op 24 september 2014. De verordening wordt geregeld geactualiseerd. De meest recente actualisatie van de Omgevingsverordening dateert van 19 december 2018. De regels in de verordening kunnen betrekking hebben op het hele provinciale grondgebied, op delen of op gebiedsgerichte thema's. Gemeenten moeten binnen een bepaalde termijn hun bestemmingsplan afstemmen op de in de verordening opgenomen regels. De regels in de verordening zijn gebaseerd op de provinciale omgevingsvisie en hebben de status van algemeen verbindende voorschriften.

De Omgevingsverordening wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch gewaarborgd is. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen.

Toetsing planinitiatief
Het plangebied maakt onderdeel uit van een bestaand bedrijventerrein als bedoeld in artikel 2.10 van de Omgevingsverordening (nieuw bedrijventerrein en uitbreiding van bestaand bedrijventerrein). Er is alleen sprake van een uitbreiding van een bestaand tankstation met verkoop van LNG-brandstof voor vrachtwagens. Er is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als genoemd in de Ladder voor duurzame verstedelijking (zie paragraaf 4.1.3). De behoefte is aangetoond in paragraaf 3.2.

Conclusie
Het bestemmingsplan is in overeenstemming met de Omgevingsverordening Gelderland.

4.3 Gemeentelijk beleid

4.3.1 Omgevingsvisie Overbetuwe 2040

Op 1 oktober 2019 heeft de gemeenteraad van Overbetuwe de Omgevingsvisie Overbetuwe 2040 (hierna: Omgevingsvisie) vastgesteld. De Omgevingsvisie geeft de integrale koers en ambities van de gemeente Overbetuwe voor de fysieke leefomgeving voor de periode tot en met 2040 aan. De Omgevingsvisie is er primair op gericht om de kwaliteit van het leefmilieu te behouden en waar mogelijk te versterken. Samenwerking tussen verschillende partijen staat centraal en is noodzakelijk om deze doelen te bereiken. De visie is opgesteld vanuit een brede blik, waarbij ruimtelijke ordening, milieu, economie en bereikbaarheid met elkaar worden verbonden.
De gemeente onderscheidt een aantal kernwaarden die als vertrekpunt en inspiratiebron voor nieuwe ontwikkelingen dienen. Deze kernwaarden zijn ontstaan in het cultuurhistorisch gegroeide Betuwse rivierenlandschap. Kernwaarden zijn beschreven op het gebied van bodem en landschap, netwerk en infrastructuur en occupatie. De verschillende kernen in de gemeente kennen elk een eigen karakteristieke identiteit en waarden. Deze worden eveneens als leidraad voor nieuwe ontwikkelingen gehanteerd. Behoud van de karakteristiek en (specifieke) kwaliteiten van deze kernen en het buitengebied is een speerpunt in het beleid.

Bedrijventerreinen
Bij verschillende kernen liggen aantrekkelijke bedrijventerreinen, direct gelegen aan en bereikbaar via de snelwegen, waaronder de Poort van Midden Gelderland aan de A50. Er bestaat een grote diversiteit aan regionale en lokale bedrijventerreinen, voornamelijk gericht op het MKB (midden- en kleinbedrijf). De variëteit uit zich in de verschillende karakteristieken, afhankelijk van grootte en leeftijd. Soms klein en lokaal, zoals St. Walburg bij Zetten. Soms groot en regionaal, zoals Park15 gelegen bij Knoop 38 als hotspot aan de logistieke corridor langs belangrijke infrastructuur van snelweg en Betuweroute.

In de Omgevingsvisie wordt de focus gelegd op zes opgaven:

  • 1. Vitaal buitengebied in beweging;
  • 2. Innovatieruimte voor ondernemerschap;
  • 3. Samen werken aan energietransitie;
  • 4. Gevarieerde dorpse woonomgeving;
  • 5. Netwerk verbonden met samenleving;
  • 6. Voorzieningen geclusterd.

De volgende opgaven zijn relevant voor dit planinitiatief.

Innovatieruimte voor ondernemerschap
In Overbetuwe is ondernemerschap erg belangrijk. Op bedrijfsterreinen waar de werkfunctie domineert. Dit belang vraagt om goed om te gaan met veranderingen. Bijvoorbeeld economische en technologische ontwikkelingen noodzaken hiertoe. Ondernemers hebben steeds vaker te maken met verandering die ook steeds sneller gaat.
De gemeente omarmt flexibel en innovatief ondernemen en hecht daarom belang aan het generen van ruimte voor toekomstgerichtheid en innovatie. Bedrijven moeten immers snel kunnen reageren op de snelle en vele veranderingen. Innovatief handelen is hierbij gewenst.

Toetsing planinitiatief
Het uitbreiden van een tankstation met alternatieve duurzame brandstoffen voor vrachtwagens speelt in op de innovatieruimte voor ondernemerschap. De ontwikkeling is passend op het bedrijventerrein 'Poort van Midden Gelderland Zuid', dat een regionale functie heeft. De ontwikkeling van overige bedrijven op het bedrijventerrein wordt niet belemmerd. De kwaliteit van het bedrijventerrein blijft daarmee gewaarborgd. Het plangebied is uitstekend bereikbaar en gelegen op korte afstand van de rijksweg A50.

Conclusie
De omgevingsvisie heeft een hoog abstractieniveau, waarop geen uitspraken worden gedaan op perceelsniveau. De voorgenomen ontwikkeling van het toevoegen van LNG en CNG aan een bestaand benzinestation draagt bij aan de doelstelling tot het streven naar duurzaamheid door het creëren van een duurzaam netwerk van innovatieve brandstofvoorzieningen. Het plan is in overeenstemming met de uitgangspunten van de Omgevingsvisie Overbetuwe 2040.

Hoofdstuk 5 Milieu- en omgevingsaspecten

5.1 Inleiding

De beleidsvelden milieu en ruimtelijke ordening groeien de laatste decennia steeds meer naar elkaar toe. Ook op rijksniveau wordt steeds meer aandacht gevraagd voor de wisselwerking tussen milieu en ruimtelijke ordening. Milieubeleid kan beperkingen opleggen aan de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen maar is primair bedoeld om een zo optimaal mogelijke leefomgeving te realiseren. In dit hoofdstuk komen alle relevante milieu- en omgevingsaspecten aan bod die een rol spelen bij deze ruimtelijke ontwikkeling. Het betreffen hier de randvoorwaarden en beperkingen die voorkomen uit het beleid en wetgeving op het gebied van vormvrije m.e.r.-beoordeling, bodem, geluid, bedrijven en milieuzonering, luchtkwaliteit, externe veiligheid, geurhinder, water, natuur en archeologie, cultuurhistorie en monumenten.

5.2 Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Wettelijk kader
Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r. gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r. wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een gevoelig natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom vanaf 1 april 2011 ook bij kleine bouwprojecten, zoals de initiatieven in dit plan, beoordelen of een m.e.r.(-beoordeling) nodig is.

Sinds 16 mei 2017 is de Implementatiewet 'herziening m.e.r. richtlijn' in werking. De richtlijn wijzigt de procedure en de inhoud van het MER en de m.e.r.-beoordeling, maar ook de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Dit heeft gevolgen voor de inhoud en procedure van ruimtelijke plannen. Voor activiteiten, die zijn opgenomen in onderdeel D van de Bijlage bij het Besluit m.e.r. en waarvan de omvang beneden de in kolom 2 genoemde drempel ligt, geldt een vormvrije m.e.r.-beoordeling.

Onderzoek/ beoordeling
Met dit bestemmingsplan wordt een LNG-tankinstallatie toegestaan ter plaatse van een bestaand tankstation op een bedrijventerrein. Deze activiteit komt niet voor op lijst C van de Bijlage bij het Besluit m.e.r. Een directe m.e.r.-plicht is daarom niet aan de orde. Op grond van categorie 25.2 van Lijst D, is er wel sprake van een m.e.r.-beoordelingsplicht bij een project dat ziet op het oprichten, wijzigen of uitbreiden van een installatie bestemd voof bovengrondse opslag van aardgas, voor zover de opslagcapaciteit 100.000 m³ of meer is. In dit geval is er sprake van bovengrondse opslag van LNG en is deze categorie dus van toepassing. De opslagcapaciteit is echter slechts maximaal 70 m³ (LNG) en 12 m³ (LIN). De activiteit blijft daarmee ver onder de drempelwaarde. Een directe m.e.r.-beoordelingsplicht is niet aan de orde, er moet een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsvinden. Daarom is een aanmeldnotitie opgesteld, die in in bijlage 1 is opgenomen. In de aanmeldnotitie is een beschrijving van de activiteiten gegeven, is ingegaan op de mogelijke milieu-effecten die zich kunnen voordoen en op de afstand tot gevoelige objecten. Voor een beschrijving van deze effecten wordt verwezen naar genoemde bijlage, alsmede de opvolgende paragrafen van dit hoofdstuk van de toelichting.

Op basis van de aanmeldnotitie kan worden vastgesteld, dat er geen sprake is van significant nadelige milieu-effecten. Bij een calamiteit zal er gedurende korte tijd overlast kunnen ontstaan, maar dit betreft kortdurende en niet-onomkeerbare overlast. Door middel van de in het plan opgenomen veiligheidszone van 50 meter rondom het vulpunt, wordt voorkomen dat er kwetsbare en beperkte kwetsbare functies op te korte afstand van het vulpunt worden opgericht. Het doorlopen van een m.e.r.-beoordelingsprocedure wordt daarom niet nodig geacht. Hierover wordt een afzonderlijk besluit genomen voor de publicatie van het ontwerpbestemmingsplan.

Conclusie
Zoals uit de Aanmeldingsnotitie volgt zijn er geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu en is het niet noodzakelijk een m.e.r. uit te voeren in het kader van dit bestemmingsplan.

5.3 Bodem

Wettelijk kader
Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft.

Onderzoek/ beoordeling
De bodemkwaliteit is vanaf de eerste planontwikkeling in 1990 onderzocht. Destijds was aangetoond dat het gehele plangebied licht verontreinigd was. Deze lichte verontreinigingen staan de ontwikkeling, dan wel de partiële herziening van het bedrijventerrein niet in de weg. In verband hiermede is een actualisatie van het bodemonderzoek achterwege gelaten. Voor de uitbreiding van het tankstation zal in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteiten bouwen en milieu een actualiserend bodemonderzoek worden overlegd.

Wanneer grond van de locatie moet worden afgevoerd of ergens anders zal moeten worden toegepast zal initiatiefnemer de kwaliteit van de vrijkomende grond laten onderzoeken conform de eisen van het Besluit Bodemkwaliteit of hetgeen is gesteld in het grondstromenbeleid van het bevoegd gezag.

Conclusie
Er zijn geen risico's voor de volksgezondheid en het milieu aanwezig zijn met betrekking tot de voorgenomen activiteit op het onderhavige plangebied.

5.4 Geluid

5.4.1 Wegverkeerslawaai

Wettelijk kader
Wegverkeerslawaai kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog niveau van wegverkeerslawaai kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. De Wet geluidhinder (Wgh) verplicht ertoe onderzoek uit te voeren naar de geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen binnen vastgestelde onderzoeksgebieden (zones) langs wegen (art. 74-75 Wgh). Tevens stellen de Wgh en het Besluit geluidhinder regels aan de maximale geluidsbelasting op deze bestemmingen.

Onder geluidsgevoelige bestemmingen worden verstaan (Art. 1 Wgh):

  • Woningen
  • Onderwijsgebouwen
  • Ziekenhuizen en verpleeghuizen
  • Geluidsgevoelige terreinen (bij onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen en woonwagenstandplaatsen)

Onderzoek/ beoordeling
Het plangebied ligt binnen de onderzoekszone van rijksweg A50, provinciale en gemeentelijke wegen. In deze situatie is sprake van bestaande wegen en nieuwe bedrijfsbebouwing. Een uitbreiding van een tankstation valt niet onder de noemer geluidsgevoelige gebouwen, zodat de Wet geluidhinder hierop niet van toepassing is voor wat betreft wegverkeerslawaai ten gevolge van de nabij gelegen wegen.

Conclusie
Vanuit de Wet geluidhinder, onderdeel wegverkeerslawaai, bestaan er geen beperkingen tegen deze planontwikkelingen.

5.4.2 Spoorweglawaai

Wettelijk kader
Op 1 juli 2012 is regeling voor hoofdspoorwegen gewijzigd. Middels de vaststelling van geluidproductieplafonds (gpp’s) is een grens voor de maximale optredende geluidniveaus voor langs Rijksinfrastructuur vastgelegd. De bij vaststelling gehanteerde gegevens zijn vastgelegd in het bronregister. Voor de beoordeling van een plan blijft de Wgh van toepassing maar dient gebruik te worden gemaakt van de brongegevens uit het register.

Onderzoek/ beoordeling
De planontwikkeling ligt niet binnen de onderzoekzone van een spoorlijn. Er is bovendien geen sprake van een geluidgevoelige bestemming, zodat het Besluit geluidhinder niet van toepassing is voor deze ontwikkeling.

Conclusie
Vanuit de Wet geluidhinder, onderdeel spoorweglawaai, vormt deze planontwikkeling geen belemmering.

5.4.3 Industrielawaai

Wettelijk kader Industrielawaai
Industrielawaai kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog niveau van industrielawaai kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. De Wet geluidhinder (Wgh) verplicht ertoe een industrieterrein te zoneren, indien het bestemmingsplan de vestiging van zogenaamde grote lawaaimakers (conform artikel 2.4, Inrichtingen en Vergunningenbesluit) toestaat (artikel 40 Wgh). Dat betekent dat de maximale geluiduitstraling van het industrieterrein wordt vastgelegd middels het opnemen van een 50 dB(A)-contour voorkeursgrenswaarde in het bestemmingsplan voor realisatie van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen binnen de zone voor industrielawaai.

Onderzoek/ beoordeling
Het plangebied ligt niet binnen een geluidszone van een industrieterrein. De richtafstanden van het tankstation ten opzichte van de nabijgelegen woningen worden in acht genomen, zoals beschreven in paragraaf 5.5. Er vindt geen extra geluidproductie plaats, waardoor geluidgevoelige bestemmingen in de omgeving (onaanvaardbaar) worden belast. Dit wordt aangetoond in het door Cauberg Huygen te Maastricht uitgevoerde akoestisch onderzoek van 18 mei 2020 met referentie 05304-50174-03, Bijlage 2. Uit de resultaten hiervan kan het volgende worden afgeleid (overgenomen uit rapport).

Op deze locatie is een tankstation van BP gevestigd. Dit tankstation wordt uitgebreid met installaties om LNG/CNG te tanken. Met dit akoestisch onderzoek wordt inzicht gegeven in de geluiduitstraling van de totale inrichting (na verandering) naar de omgeving. Met de aangereikte maximaal representatieve bedrijfssituatie, geluidmetingen bij vergelijkbare inrichtingen en bureau-ervaringscijfers is een akoestisch rekenmodel opgesteld. De geluiduitstraling van de inrichting richting de omgeving is met dit rekenmodel berekend. Uit de rekenresultaten blijkt het volgende:

  • Op 50 meter afstand van de inrichtingsgrens bedraagt het berekende langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) ten hoogste 52 dB(A) in de dagperiode, 56 dB(A) in de avondperiode en 52 dB(A) in de nachtperiode. De berekende geluidniveaus voldoen in de avond- en nachtperiode niet aan de ambitiewaarden uit de gemeentelijke geluidnota, maar wel aan de grenswaarden. Tijdens de dagperiode wordt wel voldaan aan de ambitie- en grenswaarden.
  • Op de gevels van de onderzochte woningen bedraagt het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in de dagperiode ten hoogste 39 dB(A), 42 dB(A) in de avondperiode en 36 dB(A) in de nachtperiode. De berekende geluidniveaus voldoen bij de woningen Polderstraat 20 en 36 in alle perioden aan de ambitiewaarden en derhalve ook aan de grenswaarden.
  • Ter plaatse van de onderzochte woningen bedraagt het maximaal geluidniveau (LAmax) ten hoogste 58 dB(A) in de dagperiode en 59 dB(A) in de avond- en nachtperiode. De berekende geluidniveaus voldoen hiermee aan de grenswaarden uit de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening.
  • Bij de geluidgevoelige bestemmingen is geen sprake van indirecte hinder.
  • De inrichting voldoet aan het BBT-principe. Verdergaande geluidreducerende maatregelen zijn niet realistisch.


Conclusie
Dit bestemmingsplan voorziet niet in het toevoegen van geluidsgevoelige functies. Tevens is er geen sprake van een geluidzoneringsplichtige inrichting. Uit het onderzoek blijkt dat op de meest nabij gelegen woningen kan worden voldaan aan de ambitiewaarden uit het gemeentelijk geluidbeleid. Het aspect geluid is geen belemmering voor de uitvoering van het bestemmingsplan.

5.5 Bedrijven en milieuzonering

Wettelijk kader
Bedrijvigheid is een milieubelastende activiteit. Ten gevolge van aanwezige bedrijvigheid kan mogelijk hinder voor de omgeving optreden met betrekking tot de milieuaspecten geluid, geur, stof en gevaar. Nieuwe situaties, waarin milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies met elkaar worden gecombineerd, moeten worden beoordeeld op mogelijke hindersituaties. Daarbij wordt getoetst aan de Wet milieubeheer, Algemene Maatregelen van Bestuur onder de Wet milieubeheer en de brochure Bedrijven en Milieuzonering (VNG, 2009).
De richtafstanden in Bedrijven en Milieuzonering gelden ten opzichte van een milieugevoelige functie, zoals bedoeld tot de omgevingstypen rustige woonwijk of rustig buitengebied. In het geval de milieugevoelige functies zijn gelokaliseerd in omgevingstype gemengd gebied kan een afwijkende systematiek worden toegepast, die meer ruimte biedt aan bedrijven. De richtafstanden uit de VNG-publicatie voor de omgevingstypen bij verschillende hindercategorieën zijn in tabel 5.1 vermeld.

Tabel 5.1: Richtafstanden en omgevingstype

Milieucategorie   Richtafstand tot omgevingstype rustig woongebied   Richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied  
1   10 m   0 m  
2   30 m   10 m  
3.1   50 m   30 m  
3.2   100 m   50 m  


Onderzoek/ beoordeling
Het bedrijventerrein ligt aan ontsluitingswegen nabij rijksweg A50. Het gebied kan worden beschouwd als een gemengd gebied. Dit bestemmingsplan voorziet niet in de toevoeging van gevoelige functies. Het betreft immers al een bestaand tankstation. Met dit bestemmingsplan wordt ook de verkoop van twee nieuwe brandstoffen (CLNG) mogelijk gemaakt. Dit bedrijfstype, benzinestation met CNG en LNG, is niet in de VNG-brochure opgenomen. Het betreft dan ook een betrekkelijk recente innovatie. Qua geur- en geluidhinder kan echter gezien de aard van de functie worden aangesloten bij de hierin opgenomen categorieën benzineservicestations in milieucategorie 3.1 met een richtafstand van 50 m in gemengd gebied (SBI-code 473).
Ten aanzien van de aspecten geur en geluid geldt een richtafstand van 30 meter. Voor het aspect stof geldt een minimale afstand van 0 meter. Binnen deze afstanden bevinden zich geen gevoelige objecten. Voor het aspect gevaar dient een richtafstand van 50 meter te worden aangenomen en/of de berekende 10-6 contour. Dit volgt uit de Circulaire externe veiligheid LNG-tankstations. Het aspect gevaar is dan ook maatgevend. Dit aspect komt in paragraaf 5.7 (externe veiligheid) nader aan de orde.

In dit bestemmingsplan is met een gebiedsaanduiding bepaald dat geen kwetsbare objecten mogen worden gerealiseerd binnen de richtafstand van 50 meter. De gebiedsaanduiding reikt deels buiten het perceel van het LCNG-tankstation. Binnen deze aanduiding zijn thans geen gevoelige of kwetsbare objecten aanwezig en zijn door de regeling in onderhavig plan ook geen nieuwe kwetsbare objecten mogelijk.

Aan de te hanteren richtafstanden ten opzichte van gevoelige objecten wordt voldaan. Hieruit volgt dat er bij de woningen in de omgeving sprake is van een goed woon- en leefklimaat en dat de overige bedrijven niet in de bedrijfsvoering worden belemmerd door de omgeving. De shop en het restaurant (Subway) maken deel uit van de inrichting en zijn daarom in het kader van dit plan geen milieugevoelige objecten. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt dan ook geen belemmering voor de voorgestane ontwikkeling.

Conclusie
De planontwikkeling geeft vanuit milieuzonering geen beperkingen voor bestaande milieugevoelige en milieubelastende activiteiten. Het woon- en leefklimaat in de omgeving van het plangebied kan in voldoende mate worden gegarandeerd.

5.6 Luchtkwaliteit

Wettelijk kader
Sinds 15 november 2007 staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Bij de start van nieuwe bouwprojecten moet onderzocht worden of het effect van een nieuw initiatief relevant is voor de luchtkwaliteit. Er is geen relevantie als aannemelijk kan worden gemaakt, dat de luchtkwaliteit "niet in betekenende mate" aangetast wordt. Daartoe is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels vastgelegd zijn die betrekking hebben op het begrip NIBM.

In de bijlagen bij de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoren woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen of indien dit uit de aard en omvang van het project volgt, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven.

Onderzoek/ beoordeling
De voorgenomen ontwikkeling betreft de vestiging van een LCNG-tankstation op een bedrijventerrein. Deze of een daarmee direct vergelijkbare ontwikkeling wordt niet genoemd in de Regeling NIBM. De meeste bedrijfsfuncties op een bedrijventerrein, zeker op een meer regionaal georiënteerd bedrijventerrein zoals de Poort van Midden Gelderland Zuid, hebben een verkeersaantrekkende werking. Dit geldt ook voor een LCNG-tankstation dat, gelet op de brandstoffen die worden verkocht, met name vrachtverkeer zal aantrekken. In dat kader heeft DPA Cauberg-Huygen B.V. een luchtkwaliteits- onderzoek uitgevoerd (rapport van 28 augustus 2017, Bijlage 3). Hieruit kan het volgende worden afgeleid (overgenomen uit rapport).

Met het onderzoek wordt inzicht gegeven in de bijdrage van het totale tankstation (na verandering) aan de luchtkwaliteit in de omgeving. Gerelateerd aan de activiteiten binnen de inrichting is een aantal relevante bronnen van luchtverontreiniging aan te wijzen. Vanwege de voertuigbewegingen van (tank)vrachtwagens, personenwagens en busjes treden verbrandingsemissies naar de lucht op. De emissies ten gevolge van deze voertuigen zijn opgenomen in een model van een rekenprogramma. Concentratiegrenswaarden voor NO2 en fijnstof zijn de meest kritische en daarmee maatgevende parameters voor beoordeling of het aspect luchtkwaliteit een belemmering vormt voor het plan. Voorliggend onderzoek richt zich vanwege het voornoemde enkel op de emissie en immissie van stikstofoxiden en fijn stof. Uit de berekeningen volgt dat de bijdrage van de activiteiten van het tankstation aan de jaargemiddelde concentraties NO2 en PM10 op beoordelingspunten in de omgeving ruimschoots beneden de grenswaarde van 1,2 µg/m³ van het NIBM-principe ligt. Gelet op bovenstaande bevindingen is het aspect luchtkwaliteit niet belemmerend voor de uitbreiding van het tankstation.

Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor deze ontwikkeling.

5.7 Externe veiligheid

5.7.1 Wettelijk kader

Bij Externe Veiligheid (EV) gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de opslag, productie of het transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Binnen de EV worden twee normstellingen gehanteerd:

  • Het Plaatsgebonden risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers.
  • Het Groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen.

Bebouwing is niet toegestaan binnen de zogenaamde 10-6 contour van het PR:

  • rond inrichtingen, waarin opslag/verwerking van gevaarlijke stoffen plaatsvindt;
  • langs transportroutes (weg, spoor, water, buisleiding) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd.

Risico's verbonden aan het transport van gevaarlijke stoffen zijn in kaart gebracht in de diverse risicoatlassen. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI) is opgenomen dat voor iedere toename van het GR een verantwoordingsplicht geldt, ook als de verandering geen overschrijding van de norm veroorzaakt.

5.7.2 Beleidsvisie externe veiligheid

De gemeente Overbetuwe wil haar burgers een veilige leefomgeving bieden en draagt als het gaat om externe veiligheid een belangrijke verantwoordelijkheid. De gemeente heeft op 5 november 2013 de Beleidsvisie Externe Veiligheid vastgesteld om invulling aan de beleidsvrijheid in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen bij deze verantwoordelijkheid te geven. Tevens wordt duidelijk gemaakt welke externe veiligheidsrisico's in de gemeente aanwezig zijn en hoe met deze en toekomstige risico's dient te worden omgegaan. Onder meer wordt invulling gegeven aan de wettelijke verplichting aangaande het groepsrisico (GR) en het plaatsgebonden risico (PR). De Beleidsvisie ziet met name op nieuwe ontwikkelingen.
De gemeente streeft naar een beheersbare externe veiligheidssituatie, waarbij:

  • de externe veiligheidsrisico's binnen de gemeente goed in beeld zijn gebracht en ambtenaren en bestuurders zich bewust zijn van de aanwezige risico's;
  • een zorgvuldige afweging plaatsvindt tussen nut en noodzaak van nieuwe ontwikkelingen en hun gevolgen voor externe veiligheid;
  • door middel van beleidsuitvoering en handhaving wordt gezorgd voor de beheersbaarheid en bestrijdbaarheid van bestaande en toekomstige externe veiligheidsrisico's;
  • communicatie met de burger plaatsvindt over de aanwezige risico's en de te volgen gedragsrichtlijn bij een calamiteit.

In het beleid zijn generieke uitspraken opgenomen. Deze zijn uitgewerkt voor de Bevi-inrichtingen per onderscheiden gebiedstype. Het LNG-tankstation is gelegen binnen het gebiedstype Bedrijventerrein waarvoor de volgende relevante uitspraken zijn opgenomen:

Bedrijventerreinen
o Binnen een PR 10-6 contour zijn nieuwe beperkt kwetsbare objecten, mits gemotiveerd, toegestaan. Dit betekent dat met de richtwaarde voor het PR wordt omgegaan zoals bedoeld in wet- en regelgeving.
o Met de oriëntatiewaarde wordt omgegaan zoals bedoeld in wet- en regelgeving. Toename van het groepsrisico, waarbij eventueel de oriëntatiewaarde wordt overschreden, kan gemotiveerd worden toegestaan. Hierbij wordt invulling gegeven aan de verantwoordingsplicht voor het groepsrisico zoals opgenomen in wet- en regelgeving.
o Nieuwvestiging van een Bevi-inrichting die zijn invloedsgebied over woongebieden heeft, is niet toegestaan.  


Toetsing planinitiatief aan Beleidsvisie externe veiligheid
Algemeen (toetsing aan bedrijventerreinen)

  • De PR 10-6 contour geldt als richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beperkt kwetsbare objecten mogen alleen worden toegestaan mits dat voldoende is gemotiveerd. Hierover wordt opgemerkt dat in het bestemmingsplan een veiligheidszone is opgenomen ter grootte van de effectafstand (50 meter rondom LNG vulpunt) waarin nieuwe kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten worden uitgesloten. Deze nieuwe PR 10-6 contour als gevolg van realisatie van het plan komt over een bestaand beperkt kwetsbaar object (autowasstraat) te liggen. Conform wet- en regelgeving is dit uitsluitend gemotiveerd toegestaan. Deze motivatie is opgenomen in paragrafen 5.7.4, 5.7.5 en 5.7.6. Op deze manier wordt voldaan aan de beleidsuitspraken van de 'Beleidsvisie externe veiligheid'.
  • Er is een risicoberekening uitgevoerd waaruit blijkt dat de oriëntatiewaarde van het groepsrisico wordt overschreden. Conform wet- en regelgeving kan deze overschrijding gemotiveerd worden toegestaan door het groepsrisico te verantwoorden. Dit is gebeurd in paragrafen paragrafen 5.7.4, 5.7.5 en 5.7.6. Hiermee is invulling gegeven aan de wettelijke verantwoordingsplicht. Op deze manier wordt voldaan aan de beleidsuitspraken van de 'Beleidsvisie externe veiligheid'.
  • De inrichting wordt gerealiseerd op het bedrijventerrein Heteren waarbij het invloedsgebied van deze inrichting niet over woongebieden ligt. Hierdoor voldoet het plan aan deze beleidsuitspraak, zodat dit punt geen verdere bespreking hoeft.

Toetsing planinitiatief
De gemeente Overbetuwe accepteert op bedrijventerreinen een enigszins minder streng veiligheidsregime dan in woongebieden. Op deze terreinen is de komst van risicobronnen onder voorwaarden mogelijk. De vestiging van het LNG tankstation op het bedrijventerrein Poort van Midden Gelderland voldoet aan deze voorwaarde. Daarnaast is LNG een opkomende duurzame brandstof. Om hiervoor tankstations te kunnen ontwikkelen moeten afnemers nabij zijn en is locatiekeuze een wezenlijke. De gekozen locatie nabij voor het LNG tankstation voldoet hieraan, temeer daar het station is gelegen op een bedrijventerrein met logistieke bedrijven en een op- en afrit van rijksweg A50. Er zijn dan ook geen andere mogelijkheden om deze ontwikkeling te kunnen realiseren.
Verder is in het advies van de Omgevingsdienst Regio Arnhem, zoals verwerkt in de paragrafen 5.7.3, 5.7.4 en 5.7.5 voldoende onderbouwd dat:

  • 1. kan worden afgeweken van de 10-6 risicocontour voor de wasstraat als beperkt kwetsbaar object, omdat in de autowasstraat weinig personen verblijven en dit logischerwijs een aanvullende functie betreft naast het tankstation;
  • 2. er een veiligheidszone in het bestemmingsplan wordt opgenomen van 50 m rondom het vulpunt, waardoor nieuwe kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten worden uitgesloten. Hiermee voldoet het bestemmingsplan aan de grens- en richtwaarde van het Bevi;
  • 3. er voor drie beperkt kwetsbare objecten binnen de effectafstand voldoende vluchtroutes zijn en het bestemmingsplan geen nieuwe kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten mogelijk maakt binnen de effectafstand.
5.7.3 Onderzoek/ beoordeling

Inleiding
Aan het op- en overslaan van Liquefied Natural Gas (LNG) zijn risico's verbonden. Deze risico's moeten getoetst worden aan het beleid voor externe veiligheid. Externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van de risico's voor omgeving vanwege de handelingen met gevaarlijke stoffen. Vanuit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de 'Circulaire externe veiligheid LNG tankstations' vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico's ten gevolge van deze handelingen.

Liquefied Natural Gas (LNG)
Oftewel vloeibaar aardgas wordt in verschillende delen van de wereld al langere tijd gebruikt als motorbrandstof. Voor Europa is LNG een opkomend fenomeen. Vanwege de vloeibare vorm heeft LNG een grotere energie-inhoud per liter dan bijvoorbeeld CNG (gecomprimeerd aardgas). Dit maakt LNG uitermate geschikt voor lange afstandsvervoer en is daarom interessant voor de transportsector.  

De risico's moeten aan drie aspecten worden beoordeeld, te weten plaatsgebonden risico, het groepsrisico en de effect georiënteerde aanpak.

Plaatsgebonden risico
Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is.

Groepsrisico
Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm).
Voor elke verandering van het groepsrisico (af- of toename) in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd, over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van groepsrisico moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de veiligheidsregio.

Effect georiënteerde aanpak
Om te anticiperen op de maatschappelijke en politieke wens om ook effecten van ongevallen bij besluitvorming te betrekken, is een effectgerichte lijn ontwikkeld. De effectgerichte lijn bij LNG-tankstations richt de aandacht op de beperking van het aantal slachtoffers binnen de effectafstand, uitgaande van het meest risicorelevante ongevalsscenario. Het meest risicorelevante scenario is het falen van een losslang bij verlading van een tankwagen.

5.7.4 Beoordeling externe veiligheid

Het bestemmingsplan staat de vestiging van een LNG tankstation toe. Dit LNG tankstation wordt gerealiseerd aan de Muskushouwsestraat 1 te Heteren. Onderstaand de beoordeling externe veiligheid van het LNG tankstation. Verder op in deze paragraaf worden eveneens de aanwezige overige risicobronnen in de omgeving beschouwd die mogelijk beperkend kunnen zijn voor deze ontwikkeling.

5.7.4.1 Beoordeling externe veiligheid LNG tankstation

Plaatsgebonden risico
Uit de verkregen risicoberekening 'Risicoanalyse/ LNG tankstation Heteren', d.d. 4 december 2019 opgesteld door AVIV te Enschedé blijkt dat de 10-6 risicocontour een reikwijdte heeft van ca. 45 meter (rapport van 4 december 2019, project 193942 Bijlage 4). Deze contour is alleen gelegen over de naastgelegen autowasstraat aan de Muskushouwsestraat 1a te Heteren (zie figuur 8).

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0285HTRNmuskushst1-VSG1_0011.png"
Figuur 8: Ligging 10-6 risicocontour (zie rode lijn) van het LNG tankstation.

Conform Bevi betreft de autowasstraat een beperkt kwetsbaar object. Voor dergelijke objecten geldt de 10-6 risicocontour als richtwaarde en is gemotiveerd afwijken mogelijk. Omdat het een autowasstraat betreft waar weinig personen verblijven, de verblijfsduur beperkt is en dit logischerwijs als aanvullende functie naast een tankstation is gesitueerd, acht de gemeente afwijking van de richtwaarde acceptabel. Ter volledigheid het tankstation met bijbehorend Subway restaurant maken onderdeel uit van de inrichting (zie Bijlage 5). Hierdoor is toetsing van dit object niet nodig. Bij externe veiligheid beoordeelt de Omgevingsdienst Regio Arnhem alleen wat de risico's voor de omgeving zijn.

Ten aanzien van het huidige bestemmingsplan “Bedrijventerrein Heteren” (onherroepelijk 4 februari 2014) staat dit zowel geprojecteerd kwetsbare als beperkt kwetsbare objecten toe binnen de 10-6 risicocontour. Conform het beleid externe veiligheid zijn geprojecteerd kwetsbare objecten niet toegestaan binnen de 10-6 risicocontour. In het bestemmingsplan is hiervoor een veiligheidszone opgenomen ter grootte van de effectafstand (50 meter rondom LNG vulpunt) waarin nieuwe kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten worden uitgesloten. De 10-6 risicocontour is hier volledig binnen gelegen. Hiermee wordt voldaan aan het beleid voor externe veiligheid.

Groepsrisico
De gemeente Overbetuwe is op grond van het Bevi artikel 13 verplicht voor de komst van het LNG tankstation het groepsrisico te verantwoorden. De gemeente heeft bij het invullen van de verantwoordingsplicht een grote mate van beoordelingsvrijheid. Ten aanzien van de motivatieonderdelen H en I heeft de Veiligheidsregio adviesrecht. Voor de verantwoording groepsrisico is gebruik gemaakt van het advies van Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland-Midden (VGGM) van 27 augustus 2020 (kenmerk: 200827-0018, Bijlage 6), de rapportage 'Risicoanalyse/ LNG tankstation' van AVIV d.d. 4 december 2019 (Bijlage 4) en de notitie 'Voorbereiding verantwoording groepsrisico LNG-tankstation Heteren' van AVIV (rapport van 7 juli 2020, Bijlage 7). In overeenstemming met het Bevi artikel 13 worden in de motivering (verantwoording) van het betrokken besluit de volgende gegevens (A tot en met I) opgenomen:

A. Aanwezige dichtheid personen invloedsgebied
In paragraaf 3.2 van de rapportage 'Risicoanalyse / LNG tankstation Heteren' is aangegeven hoe de dichtheid van personen is bepaald met een aanvulling voor een nog niet in het BAG opgenomen gebied. Totaal zijn overdag maximaal 3066 aanwezigen in het invloedsgebied. In de nacht zijn 673 aanwezigen binnen het invloedsgebied aanwezig. Hierbij zijn de gebouwen die slechts voor een deel binnen het invloedsgebied liggen volledig meegenomen. Dit is een conservatieve aanname. Door het toestaan van het LNG tankstation bij het bestaande tankstation zal het aantal aanwezigen niet veranderen.

B. Hoogte groepsrisico
Uit de risicoberekening blijkt dat door de realisatie van het LNG-tankstation een groepsrisico ontstaat. Uit de risicoberekening blijkt eveneens dat het groepsrisico boven de oriëntatiewaarde ligt (zie figuur 9). Mogelijk dat het groepsrisico iets lager uitpakt omdat de gebouwen die gedeeltelijk binnen het invloedsgebied liggen volledig zijn meegenomenn. Echter blijft er een overschrijding van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico.
Daarnaast is in de rapportage 'Risicoanalyse/ LNG tankstation' onderzocht in hoeverre venstertijden voor de levering van LNG nog invloed heeft op de hoogte van het groepsrisico. Uit het onderzoek bleek dat het groepsrisico voor ca. 70% wordt bepaald door de LNG-opslag en niet door de tankauto. Het vastleggen van venstertijden heeft dan ook weinig tot geen invloed op de hoogte van het groepsrisico.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0285HTRNmuskushst1-VSG1_0012.png"

Figuur 9: Weergave van het groepsrisico ten opzichte van de oriëntatiewaarde. Overgenomen uit de rapportage 'Risicoanalyse/LNG-tankstation Heteren'.

C. Maatregelen tot beperking van het groepsrisico door inrichting houder
De initiatiefnemer treft onderstaande maatregelen ter beperking van de risico's. Daarnaast moet de LNG installatie voldoen aan de Best Beschikbare Techniek, vastgelegd in PGS 33-1.

  • 1. Er wordt een 'Emergency Shutdown (ESD)' systeem toegepast. Het doel van dit systeem is dat bij een noodsituatie op het tankstation of tankcontainer tijdens het vullen van de tank het complete systeem binnen of gelijk aan 5 seconden automatisch wordt stilgezet.
  • 2. Bovenvulling wordt toegepast. Hiermee wordt voorkomen dat bij het laden en lossen terugstroming mogelijk is.
  • 3. Verlading vindt plaats door middel van een pomp met een voordruk kleiner dan 3,2 barg1. Doordat de pomp blokkeert bij falen van de slang en dit de uitstroom belemmert, veroorzaakt dit een potentieel kleinere uitstroom.

D. Maatregelen tot beperking van het groepsrisico in het besluit
In het ruimtelijk besluit worden geprojecteerd (beperkt) kwetsbare objecten uitgesloten binnen de effectafstand (50 meter rondom LNG vulpunt). Hierdoor kunnen nabij de risicobron zich geen nieuwe objecten van derden vestigen met een hoge personendichtheid.

E. Voorschriften ter beperking van het groepsrisico in de omgevingsvergunning
In de omgevingsvergunning wordt uitgegaan van de best beschikbare techniek (vastgelegd in PGS33-1) en hieraan verbonden voorschriften.

F. Voor- en nadelen van andere mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen
De gemeente Overbetuwe heeft beleid ontwikkeld voor externe veiligheid. De gemeente accepteert op bedrijventerreinen een minder streng veiligheidsregime dan in woongebieden. Hierdoor zijn op deze terreinen de komst van risicobronnen onder voorwaarde mogelijk.
De vestiging van het LNG tankstation op bedrijventerrein Poort van Midden Gelderland voldoet aan deze voorwaarde. Daarnaast is LNG een opkomende duurzame brandstof. Om hiervoor tankstations te kunnen ontwikkelen moeten afnemers nabij zijn en is locatiekeuze een wezenlijke. De gekozen locatie voor het LNG tankstation voldoet hieraan. Er zijn dan ook geen andere mogelijkheden om deze ontwikkeling te kunnen realiseren.

G. De mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico in de nabije toekomst
Naast de maatregelen genoemd onder C. en D. zijn er in de toekomst geen toekomstige maatregelen te verwachten.

H. Mogelijkheden bestrijdbaarheid
Uit het advies van VGGM (kenmerk: 200827-0018) blijkt het volgende: 'Volgens de circulaire externe veiligheid LNG-tankstations is het meest risicorelevante ongevalsscenario het falen van de slang van de tankwagen tijdens het lossen gevolgd door een wolkbrand. Een LNG (plas)brand is door de brandweer niet te bestrijden. Vanwege de potentiële escalatie zal het brandweeroptreden zich beperken tot het afschermen van aangestraalde installatieonderdelen'.
De VGGM geeft in haar advies aan dat de LNG installatie moet aansluiten bij de voorschriften uit PGS 33-1 en bij de uitwerking van het plan rekening te houden met de bereikbaarheid en bluswatervoorziening(en) en brandpreventieve zaken. Deze zaken zullen betrokken worden bij de verlening van de omgevingsvergunning.

I. Mogelijkheden zelfredzaamheid
Uit het advies van de VGGM (kenmerk: 200827-0018) blijkt het volgende: 'Het plangebied ligt op een bedrijventerrein in Heteren aan de A50. In de omgeving van het plan liggen bedrijfspanden en o.a. een vestiging van de fastfoodketens Subway (onderdeel tankstation) en McDonalds. Het tankstation vormt daarmee een risico voor de activiteiten die in de omgeving plaatsvinden. Gezien het karakter van de omgeving ligt het in de verwachting dat de aanwezige personen zich zelf in veiligheid kunnen brengen, mits geïnformeerd en tijdig gewaarschuwd. De mogelijkheden voor de hulpverlening worden naar verwachting niet overstegen'.
Ten aanzien van tijdig waarschuwing en informatie, hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS palen) en NL-Alert. Verder is het plangebied in westelijke- en oostelijke richting te ontvluchten via de Muskushouwsestraat en Polderstraat en in zuidelijke richting via Weerbroek en Komkleiland

Effectgeoriënteerde aanpak
De initiatiefnemer heeft aangegeven te gaan voldoen aan de kleinste effectafstand (50 meter). Hiervoor past de initiatiefnemer de volgende systeem beveiligingen toe op het LNG tankstation:

  • 1. Er wordt een 'Emergency Shutdown (ESD)' systeem toegepast. Het doel van dit systeem is dat bij een noodsituatie op het tankstation of tankcontainer tijdens het vullen van de tank het complete systeem binnen of gelijk aan 5 seconden automatisch wordt stilgezet. Conform de circulaire moet aangetoond worden doormiddel van een testrapport de ESD responstijd daadwerkelijke 5 seconde bedraagt. Hiervoor heeft initiatiefnemer onafhankelijk advies ingewonnen bij het RIVM. Het RIVM heeft geadviseerd de uitgevoerde test als voldoende te beschouwen.
  • 2. Bovenvulling wordt toegepast. Hiermee wordt voorkomen dat bij het laden en lossen terugstroming mogelijk is.
  • 3. Verlading vindt plaats door middel van een pomp met een voordruk kleiner dan 3,2 barg. Doordat de pomp blokkeert bij falen van de slang en dit de uitstroom belemmert, veroorzaakt dit een potentieel kleinere uitstroom.

Uit figuur 8 blijkt dat de effectafstand (licht rood gearceerd vlak) over een drietal objecten is gelegen, waaronder een wasstraat aan de oostzijde en een tweetal objecten gedeeltelijk aan de zuidzijde. Conform Bevi betreffen dit allemaal beperkt kwetsbare objecten. Dergelijk objecten zijn, mits gemotiveerd, toegestaan. Deze motivatie is echter minder zwaar dan bij het toestaan van beperkt kwetsbare objecten binnen de 10-6 risicocontour. De motivatie hiervoor hoeft alleen in te gaan op de beperking van het aantal slachtoffers in geval van een calamiteit. Onderstaand de motivatie:

  • Eén van de objecten betreft een autowasstraat waar weinig personen verblijven;
  • De overige twee objecten zijn maar voor een klein gedeelte gelegen binnen de effectafstand;
  • Rondom het plan zijn er voldoende vluchtroutes aanwezig (zie verantwoording groepsrisico, onderdeel I);
  • Instellen van venstertijden is onderzocht door de initiatiefnemer maar had nauwelijks tot geen invloed op de hoogte van het groepsrisico;
  • Verder zal de gemeente bij de initiatiefnemer erop aandringen dat er gecommuniceerd moet worden over de gevaaraspecten met de gebruikers van objecten gelegen binnen de effectafstand.
  • Het bestemmingsplan staat geen nieuwe kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten toe binnen de effectafstand (50 meter rondom LNG vulpunt).

Hiermee voldoet het LNG tankstation aan de effectgeoriënteerde aanpak.

5.7.5 Beoordeling externe veilighied overige risicobronnen

Plaatsgebonden risico
Rondom het plangebied zijn de volgende risicobronnen aanwezig: de snelweg A50, A15, de Betuweroute en Kruidvat Retail B.V. Doordat het plan alleen een BEVI inrichting mogelijk maakt kan toetsing van het plaatsgebonden risico achterwege blijven. Risicobronnen worden niet onderling aan elkaar getoetst voor het plaatsgebonden risico (zie Bevi artikel 1 lid 2).
Wellicht ten overvloede ligt het plangebied buiten de 10-6 risicocontour van de snelweg A50, A15 en de Betuweroute conform de Regeling basisnet. Het plangebied is eveneens niet gelegen binnen de 10-6 risicocontour van Kruidvat retail B.V.

Groepsrisico
Ten aanzien van het groepsrisico is het plan alleen gelegen in het invloedsgebied van de snelweg A50, A15, de Betuweroute en Kruidvat Retail B.V. Ontwikkelingen binnen het invloedsgebied hebben mogelijk invloed op de hoogte van het groepsrisico. Echter doordat het plangebied al bestemd is als bedrijventerrein en al gebruikt wordt als tankstation, neemt het aantal personen niet toe. Hierdoor zal de gevraagde wijziging - wanneer berekend in een risicoberekening voor het groepsrisico - niet zichtbaar zijn. Hierdoor kan een verdere beoordeling van het groepsrisico achtwege blijven.
Wellicht ten overvloede de gemeente Overbetuwe heeft geen route gevaarlijke stoffen vastgesteld. Transport van gevaarlijke stoffen over gemeentelijke wegen is mogelijk. In en rond het plangebied is enkel bestemmingsverkeer met gevaarlijke stoffen te verwachten. In dit geval Kruidvat Retail B.V., het LNG tankstation en Westfalen Gassen B.V. De aantallen zijn echter beperkt waardoor conform de 'Vuistregels vervoer over de weg' uit de 'Handleiding Risicoanalyse Transport' dit niet kan leiden tot een plaatsgebonden risicocontour 10-6 dan wel een groepsrisico.

5.7.6 Conclusie

Met dit bestemmingsplan wordt de mogelijkheid geboden voor het bestemmen van een LNG tankstation. Deze ontwikkeling moet getoetst worden aan het plaatsgebonden risico, het groepsrisico en effectgeoriënteerde aanpak.

Plaatsgebonden risico
De 10-6 risicocontour is gelegen over een naastgelegen autowasstraat. Conform Bevi betreft dit een beperkt kwetsbaar object. Voor dergelijke objecten geldt de 10-6 risicocontour als richtwaarde en is gemotiveerd afwijken mogelijk. Omdat het een autowasstraat betreft waar weinig personen verblijven en dit logischerwijs als aanvullende functie naast het tankstation is gesitueerd, acht de gemeente afwijking van richtwaarde acceptabel.
Verder wordt er in het bestemmingsplan een veiligheidszone opgenomen, van 50 meter rondom het vulpunt. Hierin worden nieuwe kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten uitgesloten. Hiermee voldoet het bestemmingsplan aan de grens- en richtwaarde van het Bevi.

Groepsrisico
De gemeente Overbetuwe acht de toename van het groepsrisico als gevolg van het ruimtelijk mogelijk maken van een LNG tankstation acceptabel, om de volgende redenen:

  • 1. De initiatiefnemer heeft het toepassen van venstertijden onderzocht voor de levering van LNG op de hoogte van het groepsrisico. Hieruit bleek dit nauwelijks tot geen invloed heeft op de hoogte van het groepsrisico. De hoogte van het groepsrisico overschrijdt de oriëntatiewaarde.
  • 2. De realisatie van het LNG tankstation draagt bij aan een duurzaam energiegebruik en is maatschappelijk en economisch belangrijk voor het bedrijf en de gemeente Overbetuwe.
  • 3. De realisatie van een LNG tankstation op Poort van Midden Gelderland past in het beleid externe veiligheid van de gemeente Overbetuwe (vastgesteld op 5 november 2013).
  • 4. Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland-Midden geeft in haar advies van 27 augustus 2020 (kenmerk: 200827-0018) geen onoverkomelijke bezwaren aan met betrekking tot rampenbestrijding en zelfredzaamheid door oprichting van een LNG tankstation op deze locatie.

In de afweging weegt de gemeente Overbetuwe mee dat bij een maatgevend ongevalsscenario de schade in het plangebied, ondanks getroffen maatregelen, aanzienlijk kan zijn. De gemeente Overbetuwe acht dit restrisico acceptabel.

Effect georiënteerde aanpak
Voor het LNG-tankstation geldt een effectafstand van 50 meter. Hierbinnen zijn drie beperkt kwetsbare objecten gelegen. Dit kan mits gemotiveerd toegestaan worden. De gemeente acht dit acceptabel, omdat er voldoende vluchtroutes zijn, de gemeente erbij de initiatiefnemer op aandringt dat gecommuniceerd moet worden met de omgeving over de gevaaraspecten en het bestemmingsplan geen nieuwe kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten mogelijk maakt binnen de effectafstand.

5.8 Waterparagraaf

Water en ruimtelijke ordening hebben veel met elkaar te maken. Aan de ene kant is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik. Aan de andere kant kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een Watertoets geeft aan wat de gevolgen zijn van een ruimtelijk plan voor de waterhuishouding in het betreffende gebied. Doel van de watertoets is de relatie tussen planvorming op het gebied van de ruimtelijke ordening en de waterhuishouding te versterken.

5.8.1 Rijksbeleid

Op 10 december 2015 hebben de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken het Nationaal Waterplan 2016 – 2021 (NWP2) vastgesteld. Het NWP2 is het formele rijksplan voor het nationale waterbeleid en is, voor wat betreft de ruimtelijke aspecten, een structuurvisie zoals bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening. In de Waterwet is vastgelegd dat het Rijk dit plan eens in de zes jaar actualiseert. Het NWP2 geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot duurzaam waterbeheer. Het NWP2 richt zich op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit, een duurzaam beheer en goede milieutoestand van de Noordzee en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart.
In het Nationaal Waterplan zijn de maatregelen benoemd die worden genomen om de verschillende doelen te bereiken. In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal:

  • Nederland blijft de veiligste delta in de wereld;
  • Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater;
  • Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht;
  • Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement;
  • Nederlanders leven waterbewust.

Het waterbeleid zoals geformuleerd in het NWP2 werkt door op provinciaal en regionaal niveau, om zo te komen tot gebiedsgericht beleid. Via het provinciaal en gemeentelijk waterbeleid en het beleid van de waterschappen dient het rijksbeleid zoals geformuleerd in het NWP door te werken tot op bestemmingsplanniveau. De watertoets, die is geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening, blijft een belangrijk instrument om de waterbeheerder vroegtijdig bij ruimtelijke planprocessen te betrekken. Daarnaast is in het NWP2 aangegeven dat aandacht moet worden geschonken aan de planologische borging van beschermingszones van primaire waterkeringen, door deze vast te leggen in bestemmingsplannen. Eén en ander is op rijksniveau in het Barro vastgelegd.

5.8.2 Provinciaal beleid

Op 19 december 2018 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. De hoofdzaken van het provinciaal beleid voor water zijn gericht op een veerkrachtig en duurzaam water- en bodemsysteem. Dit systeem bestaat uit bodem en ondergrond, grondwater en oppervlaktewater en is duurzaam als het ook in de toekomst kan blijven functioneren en in stand kan worden gehouden tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten.

De provincie onderschrijft de ambitie van de Europese Kaderrichtlijn Water dat uiterlijk in 2027 het grond- en oppervlaktewater in Europa schoon en ecologisch gezond moet zijn en dat er voldoende water is voor duurzaam gebruik en voert deze uit. De beschermde gebieden voor grondwater, waterberging, de Kaderrichtlijn Water en Natura 2000 zijn leidend bij de uitwerking van dit beleid in programma's of in kaders in de verordening. Er worden condities gesteld voor effectief en zuinig gebruik van drinkwater, speciale waterecologie (Hoogst Ecologisch Niveau wateren en Specifiek Ecologische Doelstelling wateren), (grond)waterafhankelijke landnatuur plus de beschermingszones natte landnatuur en grondwateronttrekkingen voor drinkwater en industrie, groter dan 150.000 m³/jaar.

De provincie stelt via uitvoerend beleid de doelen voor de regionale wateren voor de Kaderrichtlijn Water vast en geeft daarbij ook invulling aan de voorzieningenniveaus. Met de Gelderse waterschappen en de landbouw geeft de provincie invulling aan het vasthouden van water in de bodem, het grondwater en de haarvaten van het watersysteem. Bescherming tegen overstromingen vindt primair plaats op basis van preventie, waar nodig aangevuld met maatregelen in de ruimtelijke ordening en evacuatie. Deze bescherming gebeurt bij voorkeur in combinatie met het ontwikkelen en versterken van karakteristieke riviernatuur in Natura 2000-gebieden.

5.8.3 Beleid Waterschap Rivierenland

Waterbeheerprogramma 2016-2021
Op 27 november 2015 heeft het bestuur van Waterschap Rivierenland het Waterbeheerprogramma 2016-2021 vastgesteld. Het waterbeheerprogramma richt zich op het veilig houden van het rivierengebied tegen overstromingen, om voldoende en schoon water te hebben en om het afvalwater effectief te zuiveren. Het plan is ingegaan op 22 december 2015 en heeft een looptijd van zes jaar.

Waterschap Rivierenland speelt bij het waterbeheer in op veranderingen in de omgeving zoals klimaatverandering. De doelen richten zich op de lange termijn. Zo moeten bijvoorbeeld de dijken in 2050 voldoen aan de nieuwe veiligheidsnormen en de waterkwaliteit moet in 2027 aansluiten bij de doelen uit de Kaderrichtlijn Water. Hogere overheden als het rijk, de provincies en de Europese Unie hebben deze doelen voor het waterbeheer bepaald. Waterschappen hebben ook gezamenlijke doelen afgesproken, onder andere in het Bestuursakkoord Water en het Klimaatakkoord. Waterschap Rivierenland trekt in het Waterbeheerprogramma 2016-2021 de lijn door van het vorige waterbeheerplan. De koers wordt niet gewijzigd, maar het werk wordt gecontinueerd. De doelen voor de lange termijn blijven het uitgangspunt. Om de inhoudelijke ambities te realiseren, wordt geanticipeerd op nieuwe ontwikkelingen en worden strategische allianties aangegaan. Het accent ligt in de periode 2016-2021 onder meer op:

  • gebiedsgericht werken;
  • waterbewustzijn;
  • innovatie.

Waterveiligheid
Het beschermen van het rivierengebied tegen overstromingen is de hoogte prioriteit van dit programma. Veel rivierdijken zijn momenteel niet veilig genoeg op basis van de veiligheidsnormen. Overheden werken hard aan de waterveiligheid met als doel dat men hier veilig kan wonen en werken. Het beleid volgt het principe van 'meerlaagsveiligheid': preventie, ruimtelijke inrichting en crisisbeheersing. De komende 6 jaar zijn er forse verbeteringen nodig bij zowel onze primaire keringen als de regionale keringen. Het waterschap gaat tot en met 2021 het volgende doen:

  • verbetering van afgekeurde dijken;
  • toepassing van innovatieve dijkverbeteringen;
  • behoud van sterke dijken;
  • deelname aan regionaal programma WaalWeelde;
  • grensoverschrijdende samenwerking.

Watersysteem
Er zijn diverse maatregelen die wateroverlast moeten voorkomen. Deze maatregelen dragen bij aan een betere waterkwaliteit waardoor men in het hele watersysteem over voldoende en schoon water kan beschikken. Een goed waterpeil en goede grondwatercondities worden bediend door aan- en afvoer van water. Een aandachtspunt hierbij is dat de belangen van de verschillende partijen in het gebied zo goed mogelijk nagestreefd worden. De ambitie is dat er in 2021 voldoende water van goede kwaliteit beschikbaar is voor stedelijk gebied, bedrijfsleven, landbouw, natuur en recreatie.

Waterketen
Afvalwater wordt in de waterketen ingezameld, getransporteerd en gezuiverd. De gemeenten zijn verantwoordelijk voor de inzameling en het transport tot aan een overnamepunt. Vanuit deze overnamepunten transporteert het waterschap het afvalwater naar de rioolwaterzuivering waar het wordt gezuiverd. Aandachtspunten hierbij zijn het doelmatig en duurzaam zuiveren waarbij een goede samenwerking in de waterketen onontbeerlijk is. Het doel is dat in 2021 zuiveringen efficiënter werken en het gezuiverde afvalwater schoner is. Om dit te bereiken worden energie, grondstoffen en water hergebruikt.

Keur Waterschap
De keur is regelgeving van het waterschap. Deze regelgeving is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging.

Wateren
Alle wateren binnen het beheergebied van Waterschap Rivierenland, voor zover ze deel uitmaken van het watersysteem, hebben een functie. De wateren zijn van belang voor het functioneren van het watersysteem, maar sommige wateren zijn daarbij belangrijker dan andere. Er wordt onderscheid gemaakt in A-, B- en C-wateren:

  • A-wateren kunnen worden gezien als de 'slagaders' van het watersysteem. Ze hebben zowel een bergende als een aan- en afvoerende functie. Vanwege het waterhuishoudkundige belang van A-wateren worden ze door het waterschap zelf onderhouden. A-wateren hebben daarom een beschermingszone van 4 meter;
  • B-wateren kunnen worden gezien als de 'aders' van het watersysteem. Ook B-wateren hebben een bergende en een aan- en afvoerende functie, maar zijn minder van belang voor het functioneren van het watersysteem in vergelijking met A-wateren. B-wateren worden onderhouden door de eigenaren van de aangrenzende percelen. Het waterschap voert jaarlijks controles uit ('schouw') om de instandhouding van de B-wateren te waarborgen. B-wateren hebben een beschermingszone van 1 meter;
  • C-wateren kunnen worden gezien als de 'haarvaten' van het watersysteem. Ze hebben alleen een waterbergende functie. C-wateren worden niet geschouwd, maar het waterschap en de eigenaren van de aangrenzende percelen hebben er wel een belang bij dat de wateren in stand worden gehouden. C-wateren hebben geen beschermingszone.

De kernzone van een water betreft de zone tussen de 'insteken' van het water. Onder de insteek wordt het punt verstaan waar het maaiveld overgaat in het talud. De beschermingszone wordt gemeten vanuit de insteek.

5.8.4 Waterplan gemeente Overbetuwe

Het gemeentelijke waterplan is in 2008 in samenwerking met het Waterschap Rivierenland opgesteld teneinde inzicht te geven in de relevante wateropgaven voor:

  • Wateroverlast, het zoeken van oplossingen om wateroverlast tegen te gaan;
  • Waterkwaliteit, het onderzoeken van mogelijkheden voor het verbeteren van de waterkwaliteit;
  • Grondwater, het inventariseren van grondwateroverlast;
  • Beleving van water, burgers betrekken bij water;
  • Afspraken en taken van waterschap en gemeente.

Dit alles met als doel om te streven naar een gezond, veerkrachtig en goed functionerend watersysteem en waterketen in samenhang met de ruimtelijke inrichting. In het waterplan worden de volgende thema's onderscheiden: watersysteem, waterketen, functies van water, waterorganisatie.
Ten aanzien van het watersysteem wordt in het waterplan gesteld dat ernaar wordt gestreefd om problemen zoals wateroverlast en een watertekort brongericht aan te pakken. Water wordt zo veel mogelijk vastgehouden daar waar het valt of kwelt (retentiegebieden, verbrede waterlopen). Voor het zoeken naar oplossingen ter voorkoming van wateroverlast wordt de drietrapsstrategie vasthouden - bergen - afvoeren gehanteerd. Voor het zoeken naar oplossingen ter voorkoming van watertekorten wordt de drietrapsstrategie vasthouden - bufferen - aanvoeren gehanteerd (brongerichte maatregel). Wat betreft de waterketen is in het waterplan de visie neergelegd om geen ongezuiverde lozingen in het buitengebied meer plaats te laten vinden. Negatieve beïnvloeding van het watersysteem vanuit de waterketen door riool overstorten en regenwaterlozingen wordt (naast de basisinspanning) alleen verder teruggedrongen als de waterkwaliteit plaatselijk onder de maat is of als functioneel gebruik of de belevingswaarde daar aanleiding voor zijn.

Met betrekking tot ruimtelijke plannen is het streven om water mede ordenend te laten zijn. Gemeente en waterschap hebben gezamenlijk afspraken ten aanzien van locatiekeuze en -inrichting vastgelegd. Water krijgt de juiste aandacht bij het inrichten van nieuwe woon- en werkgebieden. Enerzijds om mogelijke (toekomstige) problemen te voorkomen en anderzijds om de leefomgeving en de belevingswaarde te verbeteren. In de bebouwde gebieden draagt het water bij aan een aantrekkelijke en veilige woonomgeving met optimale belevings- en gebruiksmogelijkheden. Water is zichtbaar in de vorm van open water en is functioneel. Nieuwe wijken zijn 'wateraantrekkelijk' ingericht. Ten slotte kan wat betreft de waterorganisatie worden gesteld dat gemeente en waterschap in ieder geval jaarlijks contact hebben op bestuurlijk niveau en frequenter op ambtelijk niveau. Er vindt goede afstemming van activiteiten en taken plaats en er is een goede afstemming en planning voor het onderhoud en beheer van het aanwezige water.

5.8.5 Onderzoek/ beoordeling

Veiligheid en waterkeringen
Het plangebied ligt niet in een kern- of beschermingszone van een waterkering. Er zijn geen beperkingen voor het plangebied.

Waterkwantiteit
Elke ruimtelijke ontwikkeling kan invloed hebben op water. Niet alleen bouwen nabij of op een waterkering, maar ook een toename van verhard oppervlak. Een ruimtelijke ontwikkeling moet minimaal voldoen aan de belangrijkste minimale voorwaarde: “het standstill beginsel”. Dit beginsel houdt in dat door het plan geen verslechtering van de waterhuishouding mag ontstaan. In het kader van een watertoetsproces moeten de gemeente en het waterschap zoeken naar kansen om het watersysteem te verbeteren en duurzaam in te richten.

Dit bestemmingsplan voorziet in planologisch opzicht niet in een toename van verhard oppervlak. Op basis van het vigerende bestemmingsplan 'Bedrijventerrein Heteren' mag het plangebied nagenoeg geheel worden bebouwd. Dit wijzigt met voorliggend bestemmingsplan niet. Waterhuishoudkundig gezien is de ontwikkeling dan ook neutraal. Ter plaatse van het bedrijfsperceel is geen oppervlaktewater aanwezig (figuur 10). Wel ligt er ten noorden van het bedrijfsperceel een A-watergang met een beschermingszone van 4 m. Het plan heeft geen gevolgen voor deze watergang. Deze blijft ongewijzigd gehandhaafd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0285HTRNmuskushst1-VSG1_0013.png" Figuur 10: Uitsnede Legger Wateren. Plangebied aangeduid met rode cirkel.

Watersysteemkwaliteit en ecologie
Voor de (nieuwe) bouwwerken wordt gebruik gemaakt van niet-uitloogbare bouwmaterialen (geen zink, lood, koper en PAK's-houdende materialen) om diffuse verontreiniging van water en bodem te voorkomen. Indien desondanks gebruik wordt gemaakt van uitloogbare materialen, dienen deze te worden voorzien van een coating om uitloging tegen te gaan.

Afvalwaterketen en riolering
Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering overeenkomstig de door de gemeente gestelde eisen. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:

  • hemelwater vasthouden voor benutting;
  • (in-)filtratie van afstromend hemelwater;
  • afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater;
  • afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI.

De riolering die in de Muskushouwsestraat aanwezig is betreft een HWA- en een DWA-riool. Het water dat afkomstig is van de terreinverharding in het plangebied, dient op de HWA-riolering te worden aangesloten. Dakwater zou eventueel na goedkeuring van het bevoegd gezag op de watergang ten oosten van het plangebied kunnen worden afgevoerd. Het waterschap Rivierenland is het bevoegd gezag voor deze watergang. Het afvalwater van bijvoorbeeld toilet en keuken dient te worden afgevoerd op het DWA-riool.

5.8.6 Wateradvies

Het voorontwerpbestemmingsplan wordt om advies voorgelegd aan het Waterschap Rivierenland. De resultaten worden verwerkt, nadat het vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro is afgerond.

Drinkwa terbesch erm in g

5.8.7 Drinkwaterbescherming

Het plangebied is gelegen binnen een intrekgebied grondwater, een boringsvrije zone en koude- en warmteopslag vrije zone. Hiervoor zijn specifieke regels opgenomen in de Omgevingsverordening Gelderland (artikel 3.5, 3.25 t/m 3.32) ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de drinkwaterwinning. Deze regels hebben onder meer betrekking op de aanleg van boorputten (waaronder sonderingen), grond- of funderingswerken en open of gesloten bodemenergiesystemen. Zo zijn bodemenergiesystemen verboden en is het verboden om boorputten op te richten. Tevens is het verboden om grond- of funderingswerkzaamheden uit te voeren op een diepte van 3 meter of meer onder het maaiveld. Deze verboden gelden niet indien wordt voldaan aan bepaalde voorschriften die opgenomen zijn in de verordening. Voorafgaand aan het oprichten van een boorput of het uitvoeren van grond- of funderingswerkzaamheden dieper dan 3 meter dient door degene die de activiteit onderneemt een melding te worden gedaan bij Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland.

De zorgplicht grondwaterbescherming vraagt aandacht om te voorkomen dat bepaald handelen of juist het nalaten daarvan de kwaliteit van het grondwater aantast. Omdat bij de uitvoering van werkzaamheden in het plangebied moet worden voldaan aan de regels die opgenomen zijn in de Omgevingsverordening voor boringsvrije zones, KWO-vrije zones en intrekgebieden, is op de verbeelding van het bestemmingsplan de aanduiding 'milieuzone - beschermingsgebied grondwater' opgenomen. In de regels is bepaald dat hier tevens de regels uit de Omgevingsverordening Gelderland gelden vanwege de ter plaatse aanwezige boringsvrije zone, KWO-vrije zone en het intrekgebied. De aanduiding 'milieuzone - beschermingsgebied grondwater' vervult daarmee een signaleringsfunctie en maakt direct duidelijk dat deze regels uit de verordening ten behoeve van de bescherming van het grondwater in acht genomen moeten worden. De regels die opgenomen zijn In de Omgevingsverordening Gelderland hebben een rechtstreekse werking en deze gelden altijd dus ook los van het bestemmingsplan.

5.8.8 Conclusie

Vanuit waterhuishoudkundige overwegingen bestaan er geen bezwaren tegen deze planontwikkeling.

5.9 Flora en fauna

Wettelijk kader
Op 1 januari 2017 is de Wet Natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Doelen van de Wet natuurbescherming zijn het beschermen en ontwikkelen van de natuur, het behouden en herstellen van biologische diversiteit en het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur en het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen. De Wet Natuurbescherming zorgt voor bescherming van gebieden, diersoorten, plantensoorten en bossen. In de wet blijft de bescherming van Natura 2000-gebieden vrijwel hetzelfde. De bescherming van Beschermde Natuurmonumenten is komen te vervallen. Wel kunnen provincies ervoor kiezen om deze gebieden alsnog te beschermen via het provinciale beleid. De provincie voegt dan gebieden toe aan het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische hoofdstructuur (EHS) of wijst ze aan als bijzonder provinciaal natuurgebied of -landschap.

Onderzoek/ beoordeling
Gebiedsbescherming
Het plangebied valt buiten de invloedssfeer van de voor de Wet Natuurbescherming aangewezen gebieden. Het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied (Rijntakken) ligt op circa 1,9 kilometer ten noorden van het plangebied (figuur 11). Op basis van toetsing van de rekenresultaten van de AERIUS-berekening aan het huidige wettelijk kader wordt geconcludeerd dat voor de activiteiten van het tankstation geen sprake is van meldings- of vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming (in paragraaf 5.9.1 wordt dit aangetoond). Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling, mede in relatie tot de bestaande juridisch-planologische mogelijkheden, zijn significante negatieve effecten op dit beschermd natuurgebied uitgesloten.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0285HTRNmuskushst1-VSG1_0014.png" Figuur 11: Uitsnede Natura2000-gebieden provincie Gelderland. Plangebied aangeduid met rode stip.

5.9.1 Stikstofdepositie

Natura2000-gebieden kunnen gevoelig zijn voor stikstofdepositie. Het op circa 1,9 km noordelijk gelegen Natura2000-gebied 'Rijntakken' is een stikstofrelevant habitatrichtlijngebied. In onderhavige situatie is er sprake van uitbreiding van een benzineverkooppunt. Gelet op de afstand zijn significante effecten door de bebouwing onwaarschijnlijk. Belangrijke nadelige milieugevolgen voor de natuur vallen echter niet op voorhand uit te sluiten. In verband hiermee zijn berekeningen van de stikstofdepositie uitgevoerd door Agel Adviseurs te Oosterhout. De memo van 30 maart 2021 is opgenomen in Bijlage 9. Uit de resultaten van de berekeningen blijkt dat de bouw en het toekomstig gebruik niet leidt tot een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van de stikstofgevoelige habitattypen in het omliggende Natura 2000-gebied. Op grond van de Wet natuurbescherming geldt een vrijstelling van de vergunningplicht en is nader onderzoek niet nodig. De Wet natuurbescherming vormt daarom voor dit bestemmingsplan geen belemmering.

5.9.2 Effect vergunnen activiteiten

Het plangebied is momenteel grotendeels verhard met aan de voorzijde gemaaid gras. Gelet op de inrichting van het plangebied en de omgeving alsmede de aard van de omgeving, kan de aanwezigheid van strikt beschermde soorten in het plangebied op voorhand redelijkerwijs worden uitgesloten. Het plangebied is niet geschikt als broed- of foerageergebied voor vogels of vleermuizen. De sloot ten noorden van het plangebied blijft ongewijzigd gehandhaafd. Er vinden voorts geen kap- of snoeiwerkzaamheden plaats van groen. De kans is dan ook nihil dat de voorgenomen activiteit een schadelijk effect heeft op beschermde soorten. Dit in combinatie met voortzetting van het gebruik voor bedrijfsdoeleinden maakt dat hier geen te beschermen ecologische waarden verwacht worden. Om deze reden wordt vanuit een goede ruimtelijke ordening nader onderzoek niet noodzakelijk geacht.

Algemene zorgplicht
De Wet natuurbescherming bepaalt dat eenieder die weet dat zijn of haar handelen nadelige gevolgen voor flora of fauna veroorzaakt, verplicht is om maatregelen te nemen (voor zover redelijkerwijs kan worden gevraagd) die deze negatieve gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken. Wanneer er toch beschermde soorten worden gevonden, dan zal hiervoor tijdig ontheffing worden aangevraagd.

Conclusie
Gelet op het vorenstaande kan worden geconcludeerd er vanuit de gebiedsbescherming en soortenbescherming geen belemmeringen bestaan tegen deze planontwikkeling.

5.10 Archeologie en cultuurhistorie

5.10.1 Archeologie

Wettelijk kader
In 1992 is het Verdrag van Malta tot stand gekomen en in 1998 door Nederland geratificeerd. Doelstelling van het verdrag is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen. In het verdrag van Malta wordt gesteld dat archeologie van wezenlijk belang is voor de geschiedschrijving van de mensheid. Het verdrag is erop gericht deze waarden voor de toekomst te behouden. De gehanteerde uitgangspunten zijn:

  • archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren (behoud in situ);
  • in ruimtelijke ordening (planvorming) al rekening houden met archeologische waarden;
  • de bodemverstoorder betaalt archeologisch vooronderzoek en mogelijke opgravingen.

Het verdrag is geïmplementeerd in de Erfgoedwet die per 1 juli 2016 in werking is getreden. Deze wet is in de plaats gekomen van 6 wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed. De gemeenten zijn verplicht om bij het vaststellen van ruimtelijke plannen rekening te houden met eventueel aanwezige archeologische waarden.

De gemeente Overbetuwe heeft voor haar gemeentelijk grondgebied een Erfgoedplan en een archeologische beleidsadvieskaart gemaakt. Het plangebied heeft hierin een lage archeologische verwachting, zoals aangegeven in figuur 12 (AWV, categorie 6). Onderzoek is nodig bij grondingrepen groter dan 2.500 m² en de diepte van de ingreep dieper reikt dan 30 cm -Mv. Het erfgoedplan beoogt versterking van de plaats en betekenis van cultuurhistorie als factor in het ruimtelijk beleidsproces. Het erfgoedplan beoogt versterking van de plaats en betekenis van cultuurhistorie als factor in het ruimtelijk beleidsproces. Dit erfgoedbeleid is onder meer vertaald in het vigerende bestemmingsplan 'Bedrijventerrein Heteren'.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0285HTRNmuskushst1-VSG1_0015.png" Figuur 12: Uitsnede Archeologische beleidskaart (plangebied zwart omcirkeld).

Onderzoek/ beoordeling
In het geldende bestemmingsplan heeft het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 4' conform de Archeologische beleidskaart (figuur 12). Een archeologisch onderzoek is nodig indien er sprake is van het oprichten van een bouwwerk groter dan 2.500 m². De drempelwaarde voor archeologisch onderzoek wordt niet overschreden en daarom zijn er vanuit deze dubbelbestemming geen bezwaren of voorwaarden verbonden aan dit bestemmingsplan.

Conclusie
Het initiatief tast de archeologische waarden niet aan, zodat er vanuit dit gezichtspunt geen beperkingen worden gesteld aan deze planontwikkeling. Hiermee is dit bestemmingsplan uitvoerbaar ten aanzien van archeologie.

Het is niet volledig uit te sluiten dat binnen het plangebied toch nog archeologische resten voorkomen. Het verdient aanbeveling om de uitvoerder van toekomstig grondwerk te wijzen op de plicht archeologische vondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet.

5.10.2 Cultuurhistorie en monumenten

Met ingang van 1 januari 2012 is het gewijzigde Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in werking getreden. Het voorstel tot wijziging is een uitvloeisel van de Beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg (MoMo) uit 2009. Op basis van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a Bro moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. In het plangebied staat eenvoudige bebouwing, die geen specifieke waarde heeft. Evenmin worden de cultuurhistorische waarden in en rondom het gebied aangetast.

Conclusie
Het initiatief tast de cultuurhistorische waarden niet aan, zodat er vanuit dit gezichtspunt geen beperkingen worden gesteld aan deze planontwikkeling.

5.11 Overige realiserings- en uitvoeringsaspecten

5.11.1 Kabels en leidingen

In het plangebied liggen, behoudens de gebruikelijke kabels en leidingen voor huisaansluitingen van gas, water, elektra, kabel/telefoon en openbare verlichting geen planologisch relevante watertransportleidingen en gastransportleidingen, zodat een beschermende regeling niet nodig is.

Hoofdstuk 6 Juridische planbeschrijving

6.1 Algemene opzet

Inleiding 
Dit hoofdstuk bevat de concrete vertaling van het beleidsgedeelte (voorafgaande hoofdstukken) in het juridisch gedeelte van het bestemmingsplan (de verbeelding en regels). Het bestemmingsplan 'Heteren, Muskushouwsestraat 1' bestaat uit de volgende onderdelen:

De toelichting
In de toelichting is de ontwikkeling verantwoord, zowel op basis van het beleid, als op basis van milieu-hygiënische aspecten, aangevuld met een toelichting op de juridische opzet.

De regels
De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De regels zijn, overeenkomstig de SVBP 2012, onderverdeeld in vier hoofdstukken:

  • Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. In artikel 1 zijn de begrippen opgenomen die van belang zijn voor de toepassing van de regels. Artikel 2 betreft de wijze van meten, waarin is aangegeven hoe bij de toepassing van de bestemmingsregels wordt gemeten.
  • Hoofdstuk 2 bevat de bestemmingsregels. In dit hoofdstuk zijn per bestemming regels opgenomen voor het toegestane gebruik en de toegestane bebouwing van de gronden. In paragraaf 6.3.2 wordt nader ingegaan op de bestemmingen die voorkomen binnen het plangebied.
  • Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Het betreft regels die voor het hele plangebied of voor verschillende bestemmingen van toepassing zijn. In dit hoofdstuk zijn onder andere de anti-dubbeltelregel, algemene bouw- en gebruiksregels, algemene aanduidingsregels, algemene afwijkingsregels en overige regels voor parkeren opgenomen.
  • Hoofdstuk 4 bevat twee artikelen. In het eerste artikel is het overgangsrecht opgenomen, zoals dat ingevolge het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Het tweede artikel bevat de slotregel. In de slotregel is aangegeven hoe de regels kunnen worden aangehaald.

De verbeelding
Op de verbeelding zijn de enkelbestemmingen 'Bedrijventerrein' en 'Verkeer' en de dubbelbestemmingen 'Waarde – Archeologische verwachting 4' en 'Waterstaat - Waterlopen' opgenomen. Verder is een aantal specifieke aanduidingen opgenomen, alsmede de gebiedsaanduiding 'veiligheidszone - LCNG'.

6.2 Toelichting op regels

Het bestemmingsplan is een juridisch plan, dat bindend is voor de burgers en voor de overheid. Qua systematiek is aangesloten bij het vigerende bestemmingsplan 'Bedrijventerrein Heteren'. Op de verbeelding zijn de bestemmingen onderscheiden. De bestemmingen zijn afgeleid uit het gebruik (de aanwezige of gewenste functies). De bestemmingen met bijbehorende regels vormen het zogenaamde casco van het plan, waarvan in beginsel niet mag worden afgeweken.

6.2.1 Inleidende regels

Dit hoofdstuk bevat 2 artikelen.

Artikel 1 Begrippen
In het artikel 'Begrippen' wordt een aantal in de planregels voorkomende begrippen nader omschreven. Door de omschrijving wordt de interpretatie van deze begrippen beperkt, waarmee de duidelijkheid van het plan en daarmee de rechtszekerheid wordt vergroot.

Artikel 2 Wijze van meten
In het artikel 'Wijze van meten' wordt aangegeven hoe de in het plan voorgeschreven maatvoeringen dienen te worden bepaald.

6.2.2 Bestemmingsregels

Dit hoofdstuk bevat de regels waarin de materiële inhoud van de op de verbeelding gegeven bestemmingen zijn opgenomen. Bij de opzet van de artikelen is, zoals de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012) bepaalt, een vaste indeling aangehouden. Voor de volgorde van de bestemmingen leidt dit ertoe dat eerst de bestemmingsomschrijvingen worden benoemd en hierna de bouwregels en in voorkomende geval nadere eisen, afwijken van de bouwregels, specifieke gebruiksregels, afwijken van de gebruiksregels en omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden.

Artikel 3 Bedrijventerrein
De gronden binnen deze bestemming zijn bestemd voor bedrijven binnen de milieucategorieën 1 tot en met 3.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten. Voorts is hier horeca en een tankstation toegestaan. Hiervoor zijn de functieaanduidingen 'specifieke vorm van horeca - restaurant' en 'specifieke vorm van bedrijventerrein - verkooppunt motorbrandstoffen met LCNG' opgenomen. De volgende gebruiksvormen zijn toegestaan:

  • bedrijven genoemd in de als bijlage toegevoegde 'Staat van Bedrijfsactiviteiten B' tot maximaal milieucategorie 3.2;
  • een restaurant;
  • een verkooppunt voor motorbrandstoffen, inclusief LNG en CNG;
  • nutsvoorzieningen;
  • parkeren;
  • geluidswerende voorzieningen;
  • water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • groenvoorzieningen;
  • in- en uitritten.

Eén en ander correspondeert grotendeels met de mogelijkheden die het huidige bestemmingsplan 'Bedrijventerrein Heteren' biedt, met dien verstande dat het LCNG-tankstation expliciet wordt toegestaan. De bouwregels sluiten nagenoeg geheel aan op de bouwmogelijkheden van het vigerende bestemmingsplan. Hiermee wordt voldoende flexibiliteit voor de uiteindelijke uitvoering van het plan behouden.

Artikel 4 Verkeer
De gronden binnen de bestemming 'Verkeer' zijn bestemd voor wegen en straten en alle daarbij horende voorzieningen ten behoeve van de stroomfunctie (doorgaande weg).

Artikel 5 Waarde - Archeologische Verwachting 4
De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische Verwachting 4' is overgenomen uit het geldende bestemmingsplan. Dit gebied met middelmatige archeologische verwachtingswaarde is bestemd als 'Waarde - Archeologische verwachting 4'. Dit gebied wordt eveneens beschermd door middel van een verplichting tot het overleggen van een archeologisch onderzoek bij bouwaanvragen en een omgevingsvergunning ten behoeve van het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden. Voor deze dubbelbestemming geldt een onderzoeksplicht:

  • 1. bij bouwaanvragen vanaf 2.500 m²;
  • 2. bij uitvoeren van andere werken waarvoor een omgevingsvergunning ten behoeve van het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden noodzakelijk is bij roering van de grond vanaf 2.500 m² en op een grotere diepte dan 0,30 meter.

Binnen de bestemming is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarbij deze dubbelbestemming kan worden verwijderd. Dit kan blijken uit archeologisch onderzoek ter plaatse op basis waarvan inzichten gewijzigd kunnen zijn en het schrappen van deze dubbelbestemming noodzakelijk kan zijn.

6.2.3 Algemene regels

Dit hoofdstuk bevat meerdere artikelen die op de bestemmingen uit hoofdstuk 2 van toepassing zijn.

Artikel 6 Anti-dubbeltelregel
Het artikel 'Anti-dubbeltelregel' bevat een regeling waarmee wordt voorkomen dat met het bestemmingsplan strijdige situaties ontstaan of worden vergroot.

Artikel 7 Algemene bouwregels
In het artikel 'Algemene bouwregels' is een aantal aanvullende bouwregels opgenomen die voor alle bestemmingen kunnen gelden, zoals extra bouwmogelijkheden voor kelders en ondergronds bouwen.

Artikel 8 Algemene gebruiksregels
In het artikel 'Algemene gebruiksregels' is een algemeen verbod opgenomen voor gebruik in strijd met de bestemmingen.

Artikel 9 Algemene aanduidingsregels
In de 'Algemene aanduidingsregels' zijn zones opgenomen die over verschillende bestemmingen heen liggen. Het betreft 'veiligheidszone - LCNG'. Daarnaast is op de verbeelding en in de regels een veiligheidszone met verbodsbepalingen voor kwetsbare objecten opgenomen. Binnen de aangegeven contour mogen dus geen nieuwe kwetsbare objecten worden gerealiseerd.
Daarnaast ligt het gebied in een beschermingsgebied voor grondwater. Hiervoor is de 'milieuzone - beschermingsgebied grondwater' opgenomen.

Artikel 10 Algemene afwijkingsregels
Het artikel 'Algemene afwijkingsregels' is gebaseerd op artikel 3.6, lid 1 onder c van de Wro en heeft onder meer tot doel enige flexibiliteit in de regels aan te brengen. Met een door het bevoegd gezag te verlenen afwijking kunnen onder meer geringe wijzigingen in de maatvoeringen voor bouwwerken, zoals genoemd in hoofdstuk 2 van de regels, worden aangebracht en (openbare) nutsvoorzieningen worden gerealiseerd.

Artikel 11 Overige regels
In dit artikel zijn de regels over parkeren opgenomen met verwijzing naar de Nota parkeernormen gemeente Overbetuwe 2016. Als regel wordt uitgegaan van de maximum parkeernorm. Voorts is in dit artikel een afwijkingsbevoegdheid opgenomen om te kunnen afwijken van de parkeernormen uit de gemeentelijke parkeernota.

6.2.4 Overgangs- en slotregels

Het laatste hoofdstuk van de planregels bevat twee artikelen.

Artikel 12 Overgangsrecht
Het artikel 'Overgangsrecht' heeft ten doel de rechtstoestand te begeleiden van situaties die afwijken van de regels van het bestemmingsplan. Lid 1 van dit artikel geeft regels voor bouwwerken die op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan gebouwd zijn of gebouwd kunnen worden en die afwijken van de bebouwingsregels van het plan. Lid 2 van dit artikel regelt het gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken in het plan, voor zover dit gebruik op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan, afwijkt van de in het plan gegeven bestemming.

Artikel 13 Slotregel
Het artikel 'Slotregel' bevat de titel waaronder het bestemmingsplan kan worden geciteerd. Dit artikel wordt dan ook wel het citeerartikel genoemd.

6.3 Handhaving bestemmingsplan

Het ontwikkelen van beleid en de vertaling daarvan in een bestemmingsplan heeft alleen zin, indien na de vaststelling van het bestemmingsplan handhaving plaatsvindt. Daarom is het belangrijk om reeds ten tijde van het opstellen van een bestemmingsplan aandacht te besteden aan de handhaafbaarheid van de voorgeschreven regels.

Vier factoren zijn van wezenlijk belang voor een goed handhavingsbeleid:

  • 1. Voldoende kenbaarheid van het plan

Een goed handhavingsbeleid begint bij de kenbaarheid van het bestemmingsplan bij degenen die het moeten naleven. De wet bevat enkele waarborgen ten aanzien van de te volgen procedure: deze heeft in de bestemmingsplanprocedure een aantal inspraakmomenten ingebouwd.

  • 2. Voldoende maatschappelijk draagvlak voor beleid en regeling in het plan

De inhoud van het plan kan slechts gehandhaafd worden indien het beleid en de regeling vanuit een oogpunt van algemeen belang aanvaardbaar is. De belangen van omwonenden worden hierbij vooraf gewogen in het kader van de inspraak.

  • 3. Realistische en inzichtelijke regeling

Een juridische regeling dient realistisch en inzichtelijk te zijn; dat wil zeggen niet onnodig beperkend of inflexibel. Bovendien moeten de bepalingen goed controleerbaar zijn. De regels moeten derhalve niet meer regelen dan noodzakelijk is.

  • 4. Actief handhavingsbeleid

Het sluitstuk van een goed handhavingsbeleid is voldoende controle van de feitelijke situatie in het plangebied. Daarnaast moeten adequate maatregelen worden getroffen indien de regels worden overtreden. Indien dit wordt nagelaten, ontstaat een grote mate van rechtsonzekerheid.

Conclusie
Het bestemmingsplan is zodanig opgesteld met toelichting, regels en verbeelding dat handhaving op naleving hiervan goed mogelijk is.

Hoofdstuk 7 Financiële toelichting

CEF BIOLNG4EU
Het station Heteren is onderdeel van het project BIOLNG4EU dat mede gefinancierd wordt uit het CEF (Connecting Europe Facility) programma van de Europese Commissie. Het CEF programma is het belangrijkste infrastructuurprogramma van de Europese Commissie. In toenemende mate staat dit programma in het teken van duurzame mobiliteit en het reduceren van de CO2 emissies van transport. De introductie van alternatieve brandstoffen en de uitbreiding van de tankinfrastructuur voor deze brandstoffen speelt hierin een cruciale rol. De Europese Commissie richt zich op het realiseren van deze infrastructuur in de nabijheid van 9 internationale TEN-T transportcorridors. Van deze TEN-T corridors lopen er 2 door Gelderland.

In het project BIOLNG4EU, dat mede wordt gefinancierd uit het Europese CEF programma, ontwikkelt Rolande de eerste infrastructuur voor Bio-LNG in Nederland en België. Rolande investeert in locaties voor de productie van Bio-LNG en in vier nieuwe tankstations voor Bio-LNG blends. De locatie Heteren is één van de vier (bio-)LNG tankstations die binnen dit project kan worden gerealiseerd. Naast het realiseren van tankinfrastructuur voert Rolande in het project BIOLNG4EU een real life trial uit met 35 trucks die op Bio-LNG blends gaan rijden. De real life trial wordt uitgevoerd in samenwerking met IVECO, VOLVO, SCANIA en 10 transportbedrijven. Tijdens deze trial wordt waardevolle data verzameld over de performance en kosten van de trucks, de tankstations en de productielocaties. De locatie Heteren is interessant vanwege de nabijheid van grote verladers die interesse hebben in (bio-)LNG en en vanwege de nabijheid tot belangrijke internationale transportcorridors.

Kostenverhaal
Uitgangspunt voor de beoogde ontwikkelingen is dat deze voor de gemeente budgetneutraal worden ontwikkeld. Op grond van artikel 6.12 lid 1 Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de gemeenteraad van Overbetuwe verplicht om, indien er sprake is van een bouwplan, de gemeentelijke kosten te verhalen.

Met onderhavig bestemmingsplan wordt een bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) mogelijk gemaakt. Met de ontwikkelende eigenaar van de gronden die binnen het plangebied gelegen zijn, is een anterieure overeenkomst gesloten zoals is bepaald in artikel 6.24 Wro, voordat het bestemmingsplan is vastgesteld. Daarom geldt de verplichting tot het vaststellen van een exploitatieplan niet. In de anterieure overeenkomst zijn afspraken gemaakt over het verhaal van kosten. Dit aspect is daarin op afdoende wijze vastgelegd.

Financiële haalbaarheid
De initiatiefnemer beschikt over voldoende middelen om de voorgestane ontwikkelingen te kunnen realiseren. Er zijn geen onvoorziene hoge kosten te verwachten. Ook is er geen sprake van onzekere financiële bijdragen van anderen. De financieel-economische haalbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond.

Hoofdstuk 8 Overleg en inspraak

8.1 Inleiding

De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien kan het noodzakelijk zijn om belanghebbenden de gelegenheid te bieden om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Dit is afhankelijk van de inspraakverordening van de gemeente. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan.

8.2 Vooroverleg

Artikel 3.1.1 van het Bro geeft aan dat het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

8.3 Inspraak

De Wro zelf bevat geen bepalingen over inspraak. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze personen en rechtspersonen hun mening kenbaar kunnen maken. Voor dit bestemmingsplan heeft, gezien de aard en kleinschalige omvang van de wijziging, geen inspraak plaatsgevonden.

8.4 Vaststellingsprocedure

Het ontwerpbestemmingsplan heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening vanaf 20 mei 2021 gedurende een periode van zes weken ter inzage gelegen. Gedurende deze periode is één schriftelijke zienswijze ingegediend door Vitens.

Samenvatting zienswijze
Het plangebied ligt in het intrekgebied, boringsvrije zone en koude - en warmteopslag (KWO) vrije zone behorende bij de drinkwaterwinnning Herveldse Veld. Het provinciale omgevingsbeleid van de provincie Gelderland voorziet in een zorgplicht en diverse aanvullende bepalingen voor gebieden die van belang zijn voor de drinkwaterwinning. Voor boringsvrije zones en KWO-vrije zones gelden randvoorwaarden ten aanzien van ingrepen in de bodem op basis van artikel 3.25 t/m 3.32 van de Omgevingsverordening. Voor intrekgebieden geldt, naast het verbod op de winning van fossiele energie, ook de zorgplicht. Dit blijkt uit de toelichting op artikel 3.5 van de verordening.
Om de bescherming van drinkwaterbelangen bij nieuwe plannen goed te borgen wordt gevraagd om in de regels en op de verbeelding den aanduiding 'milieuzone - beschermingsgebied grondwater op te nemen.

Reactie
De zienswijze geeft aanleiding tot aanpassing van het ontwerpbestemmingsplan door in het plangebied de 'milieuzone - beschermingsgebied' op te nemen in de toelichting, regels en op de verbeelding. Hiermee wordt tegemoet gekomen aan het verzoek van Vitens. Het rapport zienswijzen is opgenomen in Bijlage 10.

8.5 Beroep

Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.