| Plan: | Servicegebouw stuw- en sluiscomplex Driel |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1734.0238BUITsluisDriel-VSG1 |
In 1958 startte Rijkswaterstaat met de aanleg van drie stuwcomplexen: in Amerongen, Driel en Hagestein. Dit om de waterhuishouding in Noord-Nederland te verbeteren en om de bevaarbaarheid van de rivieren te waarborgen. De drie stuwcomplexen regelen de waterhuishouding in Noord-Nederland (verdeling van water tussen de Rijn, Maas en Waal). Om er voor te kunnen zorgen dat de stuwcomplexen hun functie ook de komende vijftig jaar kunnen blijven uitoefenen, worden de drie complexen tussen 2015-2020 gerenoveerd. Onderdeel hiervan is het vervangen van de automatisering en bediening van de vizierschuiven en de sluis. In de bestaande situatie vindt bediening op elk complex afzondelrijk plaats, in de vernieuwde situatie zal dat centraal (vanaf Amerongen) gebeuren. Om dat mogelijk te maken is een servicegebouw op elke locatie noodzakelijk waar de installaties in komen en waar een noodbediening komt. Ook komt hier verblijfsruimte en sanitaire voorzieningen in voor het personeel dat onderhoud aan het complex pleegt.
Het stuwcomplex van Driel is grotendeels binnen het grondgebied van de gemeente Overbetuwe gelegen; een klein gedeelte valt onder de gemeente Renkum. Het huidige bedieingsgebouw en het beoogde servicegebouw bevinden zich beide in Overbetuwe. Op basis van het vigerende bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe' is de realisatie van een servicegebouw bij het stuwcomplex in Driel niet mogelijk. De gemeente Overbetuwe wil, mede gelet op het belang van renovatie van het stuwcomplex, medewerking aan deze ontwikkeling verlenen. Daarvoor is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. Voorliggend bestemmingsplan 'Servicegebouw stuw- en sluiscomplex Driel' voorziet in het juridisch-planologische kader om de gewenste ontwikkeling bij het stuw- en sluiscomplex van Driel mogelijk te maken. Het servicegbouw heeft betrekking de functieaanduiding 'specifieke vorm van water - sluizencomplex'. De overige bestemmingen binnen het plangebied blijven ongewijzigd.
Het servicegebouw maakt onderdeel uit van het stuwcomplex Driel, dat grotendeels binnen de gemeente Overbetuwe en voor een klein gedeelte binnen de gemeente Renkum gelegen is. Het stuwcomplex is gelegen in de Nederrijn en bestaat uit een sluis aan de noordkant en een stuw aan de zuidkant, met een bedieningsgebouw op het tussenliggende eiland, alsmede bijbehorende infrastructuur. Het nieuwe servicegebouw zal achter (ten oosten van) het bestaande bedieningsgebouw worden gerealiseerd op het grondgebied de gemeente Overbetuwe.
Het plangebied is gelegen aan de noordkant van Overbetuwe ter plaatse van het schiereiland in de Nederrijn, ten noorden van de kern Driel (Drielse Rijndijk 57). Kadastraal is het plangebied bekend als gemeente Heteren, sectie O, nummer 1661. Het plangebied beslaat niet het gehele stuwcomplex, maar uitsluitend het deel van het aanduidingsvlak 'specifieke vorm van water - sluizencomplex' waar het nieuwe servicegebouw wordt beoogd (zie ook hierna, paragraaf 1.3). De ligging en begrenzing van het plangebied en de locatie van het nieuwe servicegebouw worden hierna in figuur 1 weergegeven.
|
|
| Figuur 1: ligging van het plangebied, locatie van het beoogde servicegebouw en begrenzing van het plangebied (rood vlak) |
Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe'. De gronden van het plangebied hebben hierin de volgende bestemmingen 'Natuur', 'Waterstaat – Waterstaatkundige functie' en 'Waarde – Archeologische verwachting 4'. Verder hebben de gronden de functieaanduiding 'specifieke vorm van water – sluizencomplex' en de gebiedsaanduidingen 'ehs – natuur' en 'waardevol landschap'. Het plangebied volgt de begrenzing van de aanduiding 'specifieke vorm van water – sluizencomplex'.
|
| Figuur 2: uitsnede vigerend bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe' |
Het nieuwe servicegebouw is in strijd met het geldende bestemmingsplan, omdat ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van water – sluizencomplex' de oppervlakte aan gebouwen niet meer dan 360 m² mag bedragen. Deze maximale oppervlakte wordt met de realisatie van het nieuwe servicegebouw (maximaal 192 m²) overschreden. De totale oppervlakte aan gebouwen bedraagt na realisatie maximaal 552 m².
Vanuit de van toepassing zijnde gebiedsaanduidingen volgt een aantal voorwaarden, waarmee rekening dient te worden gehouden bij de voorgenomen afwijking van de bouwregels.
De gronden ter plaatse van de aanduiding 'ehs natuur', zijn mede bestemd voor het beschermen en ontwikkelen van de landschappelijke en ecologische kernkwaliteiten en omgevingscondities van het gebied. Een besluit tot het verlenen van een omgevingsvergunning ter plaatse van deze gebiedsaanduiding voor het afwijken van de bouwregels wordt niet genomen indien sprake is van een significante aantasting van kernkwaliteiten of omgevingscondities van het gebied, met dien verstande dat significante aantastingvan kernkwaliteiten of omgevingscondities van het gebied geen belemmering vormt voor het nemen van dat besluit:
De gronden ter plaatse van de aanduiding 'waardevol landschap' zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het beschermen en ontwikkelen van de bijzondere kwaliteiten van het waardevol landschap. Een besluit tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor het afwijken van de bouwregels ter plaatse van deze aanduiding wordt uitsluitend genomen voor zover dit besluit:
Allereerst wordt, na dit inleidende hoofdstuk, in hoofdstuk 2 ingegaan op het beleid dat van toepassing is op de onderhavige ontwikkeling. Daarna worden in hoofdstuk 3 de milieu- en omgevingsaspecten beschreven die van toepassing zijn. Het daarop volgende hoofdstuk bevat de planbeschrijving. De huidige situatie en de voorgenomen ontwikkeling komen hier aan bod. Hoofdstuk 5 bevat de juridische vertaling van de voorgenomen ontwikkeling. Daaropvolgend wordt de financiële en economische haalbaarheid van het plan aangeduid. Afgesloten wordt met het hoofdstuk voor de te volgen procedure.
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)
In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte staan de plannen van de Rijksoverheid voor ruimte en mobiliteit. Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Om dit te kunnen bewerkstelligen laat het Rijk de ruimtelijke ordening meer over aan de decentrale overheden (provincie en gemeenten) en komt de gebruiker centraal te staan. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor die belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Tevens werkt het Rijk aan een eenvoudigere regelgeving. Hierdoor neemt de bestuurlijke drukte af en ontstaat er ruimte voor regionaal maatwerk.
Het Rijk blijft verantwoordelijk voor het systeem van ruimtelijke ordening. Daarnaast kan een rijksverantwoordelijkheid aan de orde zijn indien:
Het Rijk kiest drie doelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):
Uit bovenstaande drie doelen zijn de dertien nationale belangen naar voren gekomen. Voor de regio Oost-Nederland (bestaande uit de provincies Overijssel en Gelderland) zijn de volgende opgaven van nationaal belang:
Conclusie
De voorgestane ontwikkeling is van belang met het oog op de versterking van de primaire waterkeringen (in dit geval de Nederrijn) en de daarop gerichte deelprogramma's. Het nieuwe servicegebouw, waarin dit bestemmingsplan voorziet, draagt bij aan het functioneren van het stuwcomplex van Driel, dat van groot belang is voor de waterhuishouding rondom en de bevaarbaarheid van de Nederrijn. Het complex zorgt daarnaast voor de verdeling van het water tussen de Waal, IJssel en Nederrijn. Geconstateerd kan worden dat de ontwikkeling bijdraagt aan een belangrijke regionale doelstelling van de SVIR.
Het plangebied is daarnaast gelegen in de nabijheid van de EHS (thans: Natuurnetwerk Nederland). Dit aspect wordt in paragraaf 3.10 (flora en fauna) uitgebreid besproken.
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) (2011)
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. Deze vorm van normstelling sluit aan op de vroegere pkb's met concrete beleidsbeslissingen en beslissingen van wezenlijk belang die ook van betekenis waren voor de lagere overheden. Het besluit (eerste tranche) is vastgesteld op 22 augustus 2011 en is op 30 december 2011 in werking getreden. Op 1 oktober 2012 zijn enkele wijzigingen in werking getreden.
In de SVIR is vastgesteld dat voor een beperkt aantal onderwerpen de bevoegdheid om algemene regels te stellen zou moeten worden ingezet door de Rijksoverheid. Het gaat onder meer om de volgende nationale belangen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote Rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Ecologische Hoofdstructuur (EHS), Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, Primaire waterkeringen buiten het kustfundament en IJsselmeergebied. In het SVIR wordt bepaald welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Barro bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken.
De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels worden gerespecteerd. Het merendeel van de regels legt beperkingen op, daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'nee-tenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling.
Conclusie
De voorgestane ontwikkeling heeft betrekking op de nationale belangen grote rivieren, primaire waterkering buiten het kustfundament (de Nederrijn) en de (voormalige) EHS. Titel 2.4, 2.10 en 2.11 zijn van topassing. Geconstateerd kan worden dat de ontwikkeling van het servicegebouw bijdraagt aan een veilig en doelmatig gebruik van de Nederrijn en er wordt voldaan aan artikel 2.4.4 van het Barro. De voorgenomen bebouwing heeft geen invloed op het functioneren van de primaire waterkering. De ontwikkeling draagt dan ook bij aan de nationale belangen volgend uit het Barro. De relatie van de ontwikkeling tot de ligging nabij de (voormalige) EHS wordt in paragraaf 3.10 (flora en fauna) nader beschouwd.
Ladder voor duurzame verstedelijking
Per 1 oktober 2012 is in artikel 3.1.6 Bro een lid 2 ingevoegd waarin een motiveringsplicht is opgenomen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen in bestemmingsplannen. In de toelichting van het bestemmingsplan moet hiervoor een verantwoording plaatsvinden aan de hand van een drietal opeenvolgende treden (de "ladder voor duurzame verstedelijking"). De eerste trede in deze ladder is een beschrijving dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte. Hierbij kan het gaan om zowel kwantitatieve als kwalitatieve aspecten. De beide vervolgstappen uit de genoemde ladder hebben betrekking op vraag of de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied ingepast kan worden en als dat niet mogelijk is op andere locaties, die vooral goed ontsloten moeten zijn.
Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van een nieuw servicegebouw (maximaal 192 m²) ten behoeve van het stuwcomplex van Driel. Het betreft in relatieve en absolute zin een kleinschalige ontwikkeling. Er is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Artikel 3.1.6 lid 2 Bro is derhalve niet van toepassing en de ladder voor duurzame verstedelijking behoeft niet te worden doorlopen.
Omgevingsvisie Gelderland
Provinciale Staten hebben de Omgevingsvisie Gelderland op 9 juli 2014 vastgesteld. Op 25 februari 2015 hebben Provinciale Staten een herziening van de Omgevingsvisie vastgesteld. Deze is op 18 juni 2015 gepubliceerd. Op 8 juli 2015 is een tweede actualisatie (natuur en water) gedeeltelijk vastgesteld. De provincie kiest er in de Omgevingsvisie voor om vanuit twee hoofddoelen bij te dragen aan gemeenschappelijke maatschappelijke opgaven. Deze zijn:
Deze twee hoofddoelen benadrukken de rol en kerntaken van de provincie als middenbestuur. Zij beïnvloeden elkaar. Economische structuurversterking vraagt om een aantrekkelijk vestigingsklimaat. Dat is een goede bereikbaarheid en voldoende vestigingsmogelijkheden. Het betekent ook een aantrekkelijke woon- en leefomgeving met de unieke kwaliteiten van natuur, water en landschap in Gelderland.
Het plangebied is gelegen binnen de volgende aanduidingen:
Conclusie
In de Stadsregio Arnhem Nijmegen streven de provincie en haar partners naar innovatie en economische structuurversterking, bereikbaarheid, sociaal-economische vitaliteit en verstedelijking en het benutten van de gebiedskwaliteiten van het buitengebied (natuur en cultuurhistorie). De belangrijkste regionale opgaven zijn:
Het onderhavige initiatief doet geen afbreuk aan deze opgaven, maar is specifiek gericht op een algemeen belang dat niet in de Omgevingsvisie is vastgelegd maar primair in sectoraal beleid, namelijk de waterhuishouding.
Omgevingsverordening Gelderland
Provinciale Staten hebben de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld op 24 september 2014. Een actualisatie van deze verordening is vastgesteld op 8 juli 2015 en gepubliceerd op 21 augustus 2015.
De regels in de verordening kunnen betrekking hebben op het hele provinciale grondgebied, delen of gebiedsgerichte thema's. Gemeenten moeten binnen een bepaalde termijn hun bestemmingsplan afstemmen op de in de verordening opgenomen regels. De voorschriften in de verordening zijn gebaseerd op de hierboven beschreven provinciale Omgevingsvisie.
Het plangebied is gelegen binnen de volgende aanduidingen:
Groene ontwikkelingszone
In artikel 2.7.2.2 ('Uitbreiding') van de Omgevingsverordening staat aangegeven dat in een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden gelegen binnen de Groene ontwikkelingszone uitbreiding van bestaande functies met meer dan 30 procent mogelijk kan worden gemaakt. Indien in de toelichting bij het bestemmingsplan wordt aangetoond dat de kernkwaliteiten van het betreffende gebied, in hun onderlinge samenhang bezien, per saldo substantieel worden versterkt en deze versterking is verankerd in hetzelfde dan wel een ander, gelijktijdig vast te stellen bestemmingsplan.
Het vigerend bestemmingsplan maakt 360 m2 bebouwing mogelijk. Door de realisatie van het servicegebouw wordt de maximale oppervlakte bebouwd terrein met de realisatie van het nieuwe servicegebouw met ca. 192 m² overschreden. De totale oppervlakte aan gebouwen bedraagt na realisatie ca. 552 m². Daarmee is er een toename van circa 50 procent en dienen de kernkwaliteiten van het betreffende gebied substantieel versterkt te worden. Binnen twee jaar na onherroepelijk worden van dit bestemmingsplan dient dit gerealiseerd te zijn. In de regels is hier een voorschrift voor opgenomen.
Conclusie
Het initiatief is specifiek gericht op een algemeen belang dat niet in de Omgevingsverordening is vastgelegd maar primair in sectoraal beleid, namelijk de waterhuishouding. De beschreven aanduidingen zijn voor het onderhavige bestemmingsplan niet van belang, met uitzondering van de groene ontwikkelingszone. Het initiatief doet gelet op de aard en omvang, geen afbreuk aan de in de Omgevingsverordening beschreven doelstellingen.
Regionaal Plan 2005-2020, Stadsregio Arnhem-Nijmegen
Het 'Regionaal Plan 2005-2020' is de opvolger van het 'Regionaal Structuurplan KAN 1995-2005' en is in 2006 door de Stadsregio Arnhem-Nijmegen vastgesteld met als doel bewoners, bedrijven en bezoekers aan de regio te binden door het verbeteren van condities voor 'het goede leven': het bieden van mogelijkheden voor prettig wonen en succesvol werken in een mooi, aantrekkelijk landschap en waar men zich snel en comfortabel kan verplaatsen. Het Regionaal Plan zet hiervoor de hoofdlijnen uit en biedt andere partijen aanknopingspunten om de komende jaren hieraan samen te werken.
Enkele subdoelstellingen, die in het kader van voorliggend bestemmingsplan van belang zijn, zijn het vergroten van de toegankelijkheid en aantrekkelijkheid van het landelijk gebied en het verbeteren van de kwaliteit van het wonen in stad, dorp en platteland.
Verstedelijking vormt een bedreiging voor de ruimtelijke verscheidenheid en identiteit van de dorpen en voor de kwaliteiten van het landelijk gebied. De ruimtelijke verscheidenheid en identiteit van de regio dreigt hiermee verloren te gaan. Daarom dient in beginsel terughoudend te worden omgegaan met stedelijke ontwikkeling in het landelijk gebied.
Conclusie
Het voorliggende bestemmingsplan is specifiek gericht op een algemeen belang dat niet in het Regionaal Plan is vastgelegd maar primair in sectoraal beleid, namelijk de waterhuishouding. Gelet op de aard en omvang van het initiatief, wordt geen afbreuk gedaan aan de doelstellingen van het Regionaal Plan.
Toekomstvisie+ 'Overbetuwe verbindt'
De Toekomstvisie+ is het kader voor de ontwikkeling van de gemeente Overbetuwe tot 2020 en is een overkoepelend beleidsdocument dat richting geeft aan het beleid en handelen van de gemeente. De visie geeft een richting voor de ruimtelijke, maatschappelijke en economische ontwikkeling aan de hand van een viertal kernopgaven. De in de visie geschetste identiteit kan bijdragen aan het behouden en aantrekken van inwoners en bedrijven. In de Toekomstvisie+ wordt de gemeente onderverdeeld in twee delen: het oostelijk en het westelijk deel. Het oostelijk gedeelte is een intermediair gebied in de stadsregio tussen Arnhem en Nijmegen, terwijl het westelijk gedeelte een meer agrarisch karakter heeft. Het plangebied is gelegen in het oostelijke gedeelte. In deze zone zijn meer functies gevestigd die voor de hele stadsregio een rol spelen, zoals wonen, werken, verkeer en recreatie.
Conclusie
Het plangebied is gelegen in het uiterwaardenlandschap rondom de Nederrijn. De uiterwaarden vormen een waardevol landschap en maken onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland (voormalige EHS) en de daaromheen gelegen Groene ontwikkelingszones. De dijken bieden door het open karakter van de uierwaarden een uitzicht over het buitendijkse landschap.
Dit bestemmingsplan voorziet in de realisatie van een kleinschalig servicegebouw ten behoeve van de waterhuishouding. Door de gekozen situering van het gebouw in lijn met het reeds bestaande gebouw, wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de kwaliteiten van het gebied. Door de beperkte hoogte en omvang blijft ehet uitzicht vanaf de Drielse Rijndijk over de uiterwaarden behouden. Het plan is dan ook in overeenstemming met de Toekomstvisie+.
Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r. gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r. wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een gevoelig natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom vanaf 1 april 2011 ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is.
Conclusie
Om te bepalen of een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is, dient bepaald te worden (1) of de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst D van het Besluit m.e.r. overschrijdt, (2) of de ontwikkeling in een gevoelig gebied ligt en (3) of er belangrijke milieugevolgen zijn.
Een m.e.r.-beoordeling is gezien het voorgaande niet noodzakelijk.
In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgelegd dat, indien in het plangebied geluidgevoelige functies (zoals woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van (rail- en weg)verkeerslawaai, akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden. De zones langs wegen zijn vastgelegd in artikel 74 Wgh. Alle straten en wegen hebben een geluidzone, met uitzondering van:
De voorkeursgrenswaarde in buitenstedelijk gebied bedraagt 48 dB (artikel 82 Wgh). De maximale ontheffingswaarde bedraagt 53 dB (artikel 83 lid 1 Wgh).
Conclusie
Dit bestemmingsplan voorziet in de realisatie van een servicegebouw ten behoeve van het stuw- en sluiscomplex van Driel. Er worden geen geluidgevoelige objecten toegevoegd. Evenmin is er sprake van toevoeging van geluidhinder veroorzakende functies. De voorgenomen ontwikkeling heeft geen negatieve akoestische effecten en er is geen sprake van belemmeringen.
Sinds 15 november 2007 staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Hiermee is het Besluit luchtkwaliteit 2005 vervallen. Bij de start van nieuwe bouwprojecten moet onderzocht worden of het effect van een nieuw initiatief relevant is voor de luchtkwaliteit. Er is geen relevantie als aannemelijk kan worden gemaakt, dat de luchtkwaliteit 'niet in betekenende mate' aangetast wordt. Daartoe is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels vastgelegd zijn die betrekking hebben op het begrip NIBM.
In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoren woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven.
Conclusie
Dit bestemmingsplan voorziet in de realisatie van een servicegebouw ten behoeve van het stuw- en sluiscomplex van Driel. Deze ontwikkeling is dusdanig kleinschalig en heeft bovendien nauwelijks tot geen verkeersaantrekkende werking, zodat de ontwikkeling zonder meer NIBM bijdraagt.
Bij een planontwikkeling dient rekening gehouden te worden met milieuzoneringen van bestaande en toekomstige bedrijven om zodoende enerzijds de kwaliteit van het leefmilieu voor woningen en andere gevoelige functies te handhaven en te bevorderen en anderzijds te voorkomen dat bedrijven en andere milieubelastende functies onevenredig worden beperkt of belemmerd. Bij milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde Lijst van Bedrijfsactiviteiten (publicatie 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009). Hierin wordt per bedrijfssoort aangegeven welke milieu-invloed (in de vorm van geur, stof, geluid en gevaar) hiervan kan uitgaan en welke indicatieve afstand hierbij (minimaal) in acht genomen worden.
Deze afstanden kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. In het algemeen wordt door middel van het aanbrengen van een zonering (afstand) tussen bedrijvigheid en woonbebouwing de overlast ten gevolge van de bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden.
Conclusie
Dit bestemmingsplan voorziet in de realisatie van een servicegebouw ten behoeve van het stuw- en sluiscomplex van Driel. Er wordt geen gevoelige functie mogelijk gemaakt. Een kleinschalig servicegebouw heeft, gezien de lage gebruiksintensiteit en de aard van het gebruik, een zeer beperkte milieuhygiënische impact vergelijkbaar met milieucategorie 1. In een straal van meeer dan 440 meter rondom het plangebied bevinden zich overigens geen gevoelige objecten. Vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering is er dan ook geen sprake van belemmeringen of beperkingen.
Op 1 januari 2007 is de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) in werking getreden. Deze wet vormt het toetsingskader voor vergunningen op grond van de Wet milieubeheer, waar het gaat om stank veroorzaakt door het houden van dieren. Daarnaast is de wet van belang in verband met de zogenoemde 'omgekeerde werking' in het kader van de ruimtelijke ordening. De Wgv kent een aantal standaardnormen. In het buitengebied geldt een geurnorm van maximaal 8 odour units per vierkante meter lucht (art. 6 sub c Wgv). Daarnaast hebben gemeenten de mogelijkheid gekregen om binnen een wettelijk bepaalde bandbreedte van deze standaardnormen af te wijken.
Conclusie
Dit bestemmingsplan maakt geen nieuwe geurgevoelige objecten mogelijk. In het servicegebouw zullen immers slechts zeer beperkt mensen verblijven. Vanuit het aspect geurhinder bestaan dan ook geen belemmerigen voor de voorgenomen ontwikkeling.
De bodemkwaliteit vormt een belangrijk aspect bij bouwontwikkelingen. Ook in het kader van functiewijziging en herinrichting vormt de bodemkwaliteit bij ontwikkeling van ruimtelijke functies een belangrijke afweging. Op basis van art. 8 Woningwet en art. 2.4.1 van de Bouwverordening van de gemeente Overbetuwe (2012) geldt een verbod voor het bouwen van bouwwerken, waarin voortduren of nagenoeg voortdurend mensen verblijven, op vervuilde grond.
Conclusie
Dit bestemmingsplan voorziet in de realisatie van een nieuw servicegebouw ten behoeve van het stuw- en sluiscomplex van Driel. In het plangebied bij het centraal bedieningsgebouw van het complex is een ondergrondse HBO-tank (6.000 liter) aanwezig. Er is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, waarin de bodemkwaliteit ter plaatse van het sluis- en stuwcomplex van Driel is onderzocht. Het rapport van dit onderzoek is als Bijlage 1 bij deze toelichting opgenomen. De resultaten van het onderzoek worden hieronder beknopt weergegeven.
Tijdens de veldwerkzaamheden zijn plaatselijk bijmengingen met resten puin aangetroffen en ter plaatse van één boring zijn in de bovengrond resten met kool aangetroffen. Bij een aantal boringen zijn licht verhoogte gehalten aangetroffen. Het betreft zink, cadmium, kwik, lood en minerale olie in de bodem en zink en barium in het grondwater. Omdat het uitsluitend lichte verontreinigingen betreft, waarbij de tussen- en interventiewaarden niet worden overschreden, is nader bodemonderzoek niet noodzakelijk. De bodemkwaliteit ter plaatse van het stuw- en sluiscomplex is voldoende vastgesteld en is geschikt voor het beoogde gebruik.
Bij externe veiligheid gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de productie, het behandelen of het vervoer van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Er worden twee normstellingen gehanteerd. Het plaatsgebonden risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers: bebouwing in de vorm van kwetsbare objecten is niet toegestaan binnen de zogenaamde 10-6-contour. Het groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen. Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege:
Externe veiligheid heeft betrekking op de veiligheid van degenen die niet bij de risicovolle activiteit zelf zijn betrokken, maar als gevolg van die activiteit wel risico's kunnen lopen, zoals omwonenden. Het beleid is verankerd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In bovenstaande besluiten is vastgelegd dat voldaan moet worden aan de eisen van het besluit bij nieuwe activiteiten / situaties. Het gaat daarbij niet alleen om het oprichten van of veranderen van inrichtingen, transportroutes en/of buisleidingen of projecteren van nieuwe bestemmingen. Ook bij het vaststellen of herzien van een bestemmingsplan dient de externe veiligheid te worden beoordeeld.
Conclusie
Het onderhavige bestemmingsplan voorziet in de realisatie van een servicegebouw ten behoeve van het stuw- en sluiscomplex van Driel. Er worden geen nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten of risicobronnen mogelijk gemaakt. Vanuit het aspect externe veiligheid is er dan ook geen sprake van belemmeringen.
Gezien het feit dat de regio waarin het plangebied gelegen is tijdens de Tweede Wereldoorlog mede het strijdtoneel vormde rond opratie 'Market Garden', bestaat de kans dat in het plangebied nog sprake is van onontplofte munitie. Om de uitvoeringswerkzaamheden ten behoeve van het servicegebouw veilig te laten verlopen, is een explosievenonderzoek (historisch voronderzoek conventionele explosieven) uitgevoerd ter plaatse van het plangebied en de directe omgeving. De rapportage is bijgevoegd als Bijlage 2.
Uit het onderzoek blijkt dat in het onderzoeksgebied conventionele explosieven aangetroffen kunnen worden. Een deel van de gronden op het eiland waartoe het plangebied behoort, zijn verdacht ten gevolge van grondgevechten uit de tweede wereldoorlog. Verder is een deel van het plangebied en de directe omgeving verdacht op het mogelijk aantreffen van raketten ten gevolge van raketbeschietingen door geallieerde bommenwerpers en/of van afwerpmunitie. Op basis van het historisch vooronderzoek zijn de verdachte gebieden afgebakend. Het plangebied behoort tot een verdacht gebied. Geadviseeerd wordt om een Projectgebonden Risicoanalyse (PRA) uit te voeren voorafgaand aan de uitvoering van de werkzaamheden.
De benodigde PRA is eveneens verricht en is als Bijlage 3 bijgevoegd. Dit onderzoek heeft betrekking op alle werkzaamheden die in het kader van de renovatie van het sluiscomplex worden uitgevoerd en heeft tot doel dat de geplande werkzaamheden veilig kunnen worden uitgevoerd. Middels de PRA zijn de specifieke risico's onderzocht en beoordeeld. In kaart gebracht zijn de mogelijk aan te treffen conventionele explosieven (CE) en de gevaren-/uitwerkingsfactoren daarvan. Op basis daarvan is de navolgende risico-inventarisatie opgesteld.
|
| Figuur 3: risico-inventarisatie werkzaamheden |
Voor het onderhavige bestemmingsplan zijn de werkzaamheden onderhoud aan het sluiscomplex en het verwijderen van een huisbrandolietank relevant. Deze werkzaamheden vinden (deels) plaats binnen het plangebied.
Op basis van de uitgevoerde PRA worden de volgende conclusies getrokken:
Gelet op deze conclusies kunnen de werkzaamheden voor het onderhoud aan het sluiscomplex op reguliere wijze zonder opsporingswerkzaamheden worden uitgevoerd. Voor het verwijderen van de HBO tank geldt dit, evenals overigens voor de andere uit te voeren werkzaamheden, eveneens. Er zijn geen explosievenopsporingswerkzaamheden noodzakelijk.
Het verrichten van werkzaamheden in de nabijheid van hoogspanningsmasten, hoogspanningslijnen, hoogspanningskabels, warmwaterleidingen e.d. kan gevaar met zich meebrengen. Om dit gevaar zoveel mogelijk te beperken dient de leidingbeheerder aan te geven onder welke voorwaarden de werkzaamheden veilig plaats kunnen vinden. Er is een inventarisatie en onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van kabels en leidingen rondom het stuw- en sluiscomplex van Driel. De rapportage is bijgevoegd als Bijlage 4. Tevens is een Klic-melding gedaan.
Op het stuw- en sluiscomplex bevindt zich een stelsel van mantelbuizen met tussenliggende trekputten. Deze zijn voorzien van stalen deksels. De kabels en leidingen buiten deze trekputten zijn geïnventariseerd. Er zijn geen onbekende kabels en leidingen gevonden buiten de trekputten. Hierdoor is het niet noodzakelijk om kabels of leidingen bij de WION aan te melden. De aanwezige kabels en leidingen zijn in beeld gebracht. Ook de ligging van de glasvezelkabels tussen de glasvezelkast in het plangebied en en de A50 is in beeld gebracht. Op de locatie van het servicegebouw zijn geen kabels en leidingen aanwezig. Er is geen sprake van belemmeringen.
Rijksbeleid
Nationaal waterplan 2016-2021
In december 2015 heeft het kabinet het Nationaal Waterplan 2016-2021 (NWP) vastgesteld. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de betreffende periode voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het NWP richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water, en diverse vormen van gebruik van water. Ook worden de maatregelen genoemd die hiertoe worden genomen.
Het NWP is opgesteld op basis van de Waterwet, die met ingang van 22 december 2009 van kracht is. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. Het NWP bevat de hoofdlijnen van het nationaal waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het ruimtelijk beleid. Hierin zijn onder meer de afspraken volgend uit het Bestuursakkoord Water en het Deltaprogramma verwerkt. Het Deltaprogramma is gericht op duurzame waterveiligheid en zoetwatervoorziening.
In het NWP zijn de volgende (hoofd)principes verankerd:
Provinciaal beleid
Provinciaal Waterplan
In het Waterplan Gelderland is het waterbeleid beschreven aan de hand van een aantal thema's, zoals landbouw, wateroverlast, watertekort, natte natuur, grondwaterbescherming en hoogwaterbescherming. Voor deze thema's is beschreven welke doelstellingen voor 2027 en 2015 er liggen. Daarbij is beschreven hoe wij voor de planperiode de uitvoering van acties zien om die doelstellingen te bereiken. Bij sommige thema's gelden aanvullende waterdoelstellingen voor specifieke waterhuishoudkundige functies.
In het kort hier de belangrijkste doelstellingen voor de planperiode:
Beleid Waterschap Rivierenland
Waterbeheerplan 2016-2021
Dit plan, vastgesteld op 27 november 2015, gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en omvat alle watertaken van het waterschap: waterkwantiteit, waterkwaliteit, waterkering en waterketen. In het Waterbeheerplan staat wat Waterschap Rivierenland de komende zes jaar gaat doen om inwoners van het rivierengebied veiligheid en voldoende schoon en mooi water in sloten en plassen te kunnen blijven bieden. Het plan is in samenwerking met onder meer de gemeente Overbetuwe opgesteld.
Keur Waterschap Rivierenland 2014
Voor waterhuishoudkundige ingrepen is de 'Keur Waterschap Rivierenland' van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen, die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Zo is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor het onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het Waterschap. De wateren en waterkeringen waarop de keur van toepassing is, zijn vastgelegd in de legger wateren.
Realisatie van nieuwe bebouwing en/of verhard oppervlak moet hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Bij het toevoegen van bebouwing of verharding geldt een compensatieplicht. Er geldt een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht wanneer minder verharding dan 500 m2 in stedelijk gebied of minder dan 1.500 m² in landelijk gebied wordt toegevoegd.
Gemeentelijk beleid
Waterplan Overbetuwe
In 2008 heeft de gemeente Overbetuwe het Waterplan vastgesteld. In het waterplan wordt het beleidskader geschetst en worden concrete maatregelen voor het watersysteem uitgewerkt. Naast het waterplan wordt parallel een Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) opgesteld waarin de maatregelen voor de riolering (waterketen) worden uitgewerkt.
Met het opstellen van een waterplan wordt inzicht gegeven in de relevante wateropgaven voor de gemeente Overbetuwe, zoals:
In het waterplan is een RO-attentiekaart per kern opgenomen en een overzichtskaart van de gehele gemeente.
Watertoets
Dit bestemmingsplan voorziet in de realisatie van een servicegebouw ten behoeve van het stuw- en sluiscomplex van Driel. Het complex is, samen met de complexen in Amerongen en Hagestein van groot belang voor de waterhuishouding in het stroomgebied van de Rijn, zoals weergegeven in het Nationaal Waterplan 2016-2021. Voor de zoetwatervoorziening heeft het kabinet met de tussentijdse wijziging van het Nationaal Waterplan gekozen voor optimalisaties waarmee het water in de rivieren beter te sturen en te benutten is, onder meer bij de stuwen bij Driel, Amerongen en Hagestein. De voorgenomen ontwikkeling draagt in belangrijke mate bij aan deze doelstelling.
Het servicegebouw waarin voorliggend bestemmingsplan voorziet heeft een brtuo oppervlakte van maximaal 192 m². De oppervlakte aan verharding neemt derhalve toe. De realisatie van nieuw verhard oppervlak moet waterneutraal worden uitgevoerd. Dit betekent dat de vergunningaanvrager voldoende compenserende maatregelen moet nemen, zodat het oppervlaktewatersysteem na het gereedkomen van de verharding niet zwaarder wordt belast dan voordien. Er geldt een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht wanneer minder verharding dan 500 m2 wordt toegevoegd. Met de bouw van het servicegebouw wordt de compensatieplicht niet overschreden. Waterhuishoudkundig gezien is de ontwikkeling neutraal. Hemelwater van daken en verhardingen wordt afgekoppeld, zodat scheiding van vuilwater en hemelwater wordt bewerkstelligd.
Natuurwetgeving
De bescherming van de natuur is in Nederland vastgelegd in respectievelijk de Natuurbeschermingswet 1998 en de Flora- en faunawet. Deze wetten vormen een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatig gebiedsbescherming plaats door middel van de het Natuurnetwerk Nederland (de voormalige EHS).
De Natuurbeschermingswet 1998 heeft betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden en de Beschermde natuurmonumenten. Ruimtelijke ontwikkelingen die effecten hebben op de vastgestelde natuurwaarden van deze gebieden, zijn in beginsel niet toegestaan. Indien er een kans bestaat dat effecten zullen optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden.
De Flora- en faunawet heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek) vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten (uit de groepen kevers, mieren, schelp- en schaaldieren) en op een honderdtal vaatplanten. Bij ruimtelijke ontwikkelingen hoeft echter alleen rekening gehouden te worden met de juridisch zwaarder beschermde soorten uit 'tabel 2' en 'tabel 3' van de Flora- en faunawet, en met vogels. Voor deze soorten moet een ontheffing worden aangevraagd wanneer een ruimtelijke ontwikkeling leidt tot schade aan de soort of verstoring van leefgebied. Voor soorten van 'tabel 3' en vogels geldt hierbij een strenger afwegingskader dan voor soorten van 'tabel 2'. Voor soorten van 'tabel 2' en vogels geldt bovendien dat een ontheffing niet nodig is wanneer gewerkt wordt conform een door LNV goedgekeurde gedragscode.
Quickscan flora en fauna
Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een quickscan flora en fauna verricht. Het rapport is als Bijlage 5 bij deze toelichting opgenomen.
Resultaten gebiedsbescherming
Het plangebied behoort niet tot een Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland/Gelders Natuurnetwerk. Door de aard en omvang van de ontwikkeling, worden er geen negatieve effecten op beschermde natuurgebieden verwacht.
Wel ligt het plangebied in de Groene Ontwikkelingszone (GO) op basis van de provinciale Omgevingsvisie en Omgevingsverordening. Voorts legt de aanduiding 'ehs natuur' vanuit het vigerende bestemmingsplan beperkingen op. De GO heeft een dubbele doelstelling. Er is ruimte voor verdere economische ontwikkeling in combinatie met een (substantiële) versterking van de samenhang tussen aangrenzende en inliggende natuurgebieden. De GO bestaat uit terreinen met een andere bestemming dan bos of natuur die ruimtelijk vervlochten zijn met het Gelder Natuurnetwerk (GNN). Het gaat vooral om landbouwgrond, maar ook om terreinen voor verblijfs- en dagrecreatie, infrastructuur, woningen en bedrijven. Bij een uitbreiding voor de overige functies gaat het om het 'per saldo' niet significant aantasten (bij een beperkte uitbreiding) dan wel om het substantieel versterken (bij een grote uitbreiding) van de kernkwaliteiten. Voor de GO heeft de provincie een aantal ontwikkelingsdoelstellingen en kernkwaliteiten geformuleerd. Als kernkwaliteiten worden onder meer benoemd waarden voor weidevogels, water- en moerasvogels, vleermuizen, amfibieën, vissen, ringslang en bever. Door middel van het plaatsen van vleermuiskasten in de muren van het servicegebouw, wordt de kwaliteit van het plangebied voor vleermuizen verbeterd (zie uitgebreider in het vervolg van deze paragraaf) onder 'aanvullend onderzoek'.
Vanuit het aspect gebiedsbescherming zijn er gelet op het voorgaande geen belemmeringen aanwezig. Wel is er een toename van het bebouwd oppervlakte binnen de groene ontwikkelingszone en dienen daarom de kernkwaliteiten substantieel versterkt te worden. Hiertoe worden maatregelen getroffen, die verankerd zijn in de regels van dit bestemmingsplan.
Resultaten soortenbescherming
Tijdens het veldonderzoek zijn geen strikt beschermd flora- en faunasoorten aangetroffen in het onderzoeksgebied, maar steenbreekvaren, algemene broedvogels en verschillende soorten vleermuizen worden wel verwacht in het plangebied. De voorgenomen realisatie van het servicegebouw heeft mogelijk effecten op vleermuizen (verstoring en aantasten van verblijfsplaatsen van vleermuizen) en op broedvogels (verstoren van broedgevallen). Vleermuizen en broedvogels zijn strikt beschermd (tabel 3). Overige werkzaamheden aan het sluiscomplex, zoals renovatie en/of vervanging van de sluisdeuren, kademuren en putten kunnen ook effecten hebben op steenbreekvaren (tabel 2-soort). Voor deze soort is een gedragscode beschikbaar.
Aanvullend onderzoek
Vanwege de verwachte aanwezigheid van de genoemde soorten is een vervolgonderzoek uitgevoerd naar de mogelijke aanwezigheid van deze soorten voorafgaand aan de ingrepen en in een voor de beoordeling geschiktere periode (Bijlage 6).
In het aanvullend onderzoek is op basis van de resultaten van de quickscan onderzocht of vleermuizen en/of verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig of te verwachten zijn en of er overige beschermde soorten aanwezig zijn. Ten behoeve van het onderzoek zijn vier bezoeken aan de onderzoekslocatie verricht. Daarbij zijn in en rondom het plangebied zijn foeragerende vleermuizen (gewone dwergvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis) waargenomen, met name in de voorjaarsperiode. Deze soorten hebben hun verblijfsplaatsen vermoedelijk buiten het plangebied. In- en uitvliegende vleermuizen zijn niet waargenomen. De functionaliteit van het foerageergebied blijft voor alle aangetroffen vleermuissoorten behouden. Effecten op de vliegroutes treden niet op. Er is mogelijk sprake van een zeer korte periode waarin vleermuizen hinder ondervinden van lichtverstoring. Om een substantiële versterking van de aanwezigheid van vleermuizen in en rondom het plangebied te bereiken worden in de muren van het servicegebouw vleermuiskasten geplaatst, zodat er verbeterde verblijfsmogelijkheden voor de vleermuizen zijn ten opzichte van de huidige situatie.
De kademuren van de stuw en andere geschikte groeiplaatsen voor muurvegetatie zijn eveneens onderzocht. Strikt beschermde soorten muurvegetatie zoals steenbreekvaren zijn daarbij niet aangetroffen. Ook reptielen zijn niet aangetroffen, maar eerder is door derden een ringslang waargenomen. Deze soort kan sporadisch (doortrekkend/zwervend) op het stuwcomplex voorkomen. Effecten vanwege de werkzaamheden zijn niet te verwachten, omdat het een incidentele waarneming betreft.
Nesten van jaarrond beschermde broedvogels zijn niet aangetroffen. Algemene vogelsoorten broeden mogelijk in de groenstructuren van het stuwcomplex. Aangezien er ter plaatse van het servicegebouw geen broedvogels voorkomen, zijn er geen mitigerende maatregelen nodig.
Conclusie
De bouw van het servicegebouw heeft geen effecten op de natuurwaarden in het gebied. Er zijn mogelijk uitsluitend effecten op de aanwezigheid van de gewone dwergvleermuis, laagvlieger en rosse vleermuis. Om een substantiële verbetering voor deze soorten te bereiken, worden in de muren van het servicegebouw vleermuiskasten geplaatst. Voor de genoemde soorten is een ontheffing aangevraagd. Bij besluit van 8 juli 2014 is door de Staatssecretaris een ontheffing verleend (zie Bijlage 7). Aan de ontheffing zijn voorschriften verbonden. Voor algemene broedvogels kan geen ontheffing worden verleend. Daar er op de locatie van het servicegebouw geen broedvogels voorkomen, zijn er geen mitigerende maatregelen nodig.
Daarnaast is er een toename van de bebouwd oppervlakte. Uit de provinciale Omgevingsverordening volgt dat er daarom een substantiële versterking van de kernkwaliteiten vereist is. In overleg met de provincie worden passende maatregelen getroffen om deze versterking te garanderen. Deze zijn middels een voorwaardelijke verplichting in de regels verankerd (artikel 3.3.2).
Sinds de invoering van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMZ) op 1 september 2007 is de verantwoordelijkheid ten aanzien van het bodemarchief gedecentraliseerd naar de gemeente. De provincie Gelderland blijft hierbij bestemmingsplannen (en afwijkingen hierop) toetsen op archeologie en cultuurhistorie, maar gaat er daarbij wel vanuit dat de gemeente zijn eigen taak naar behoren zelfstandig zal uitvoeren. De gemeente Overbetuwe heeft voor haar gemeentelijk grondgebied een erfgoedplan en een archeologische beleidsadvieskaart vervaardigd. Het erfgoedplan beoogt versterking van de plaats en betekenis van cultuurhistorie als factor in het ruimtelijk beleidsproces.
Conclusie
In het plangebied geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 4'. Archeologisch onderzoek is noodzakelijk voor ingrepen groter dan 2.500 m² met een diepte van meer dan 30 cm-mv of voor bodemverhogingen van meer dan 1 meter. De voorgenomen ontwikkeling overschrijdt deze drempelwaarden niet. Derhalve is in het kader van dit bestemmingsplan geen archeologisch onderzoek noodzakelijk. De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 4' wordt in dit bestemmingsplan overgenomen.
De drie stuwcomplexen in Amerongen, Driel en Hagestein regelen de waterhuishouding in Noord-Nederland (verdeling van water tussen de Rijn, Maas en Waal), en houden de rivieren bevaarbaar. Elke complex heeft een aantal bouwwerken om het complex te kunnen bedienen en beheren. Het stuw- en sluiscomplex van Driel is gelegen in de Nederrijn, die ter plaatse van het plangebied een noordelijke en een zuidelijke tak heeft, waartussen zich een middeneiland bevindt. Het plangebied is gelegen op dit middeneiland. Het stuw- en sluiscomplex van Driel bestaat uit een sluis aan de noordkant en een stuw aan de zuidkant, met een bedieningsgebouw op het middeneiland. Verder is er bijbehorende infrastructuur aanwezig. In de bestaande situatie vindt bediening van de vizierschuiven op elk complex plaats, in de toekomstige situatie zal dat centraal (vanaf Amerongen) gebeuren.
In figuur 3 is de bestaande situatie weergegeven, met aangegeven de sluis (1.), de stuw (2.) en het bedieningsgebouw (3.).
|
| Figuur 3: bestaande situatie stuw- en sluiscomplex Driel |
Het plangebied bestaat, naast de beschreven voorzieningen, hoofdzakelijk uit grasland en is opgehoogd ten opzichte van de rest van het middeneiland.
De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van een servicegebouw van ca. 192 m², zodat de bediening van de sluizen van Amerongen, Driel en Hagestein centraal kan plaatsvinden (vanuit Amerongen). Het nieuwe servicegebouw wordt geplaatst aan de noordoostzijde van het bestaande bedieningsgebouw terug liggend ten opzichte van de gevel aan de sluiszijde. Het servicegebouw wordt als bijgebouw van het bestaande gebouw ontworpen, omdat dit gebouw gehandhaafd blijft en herbestemd wordt. Het servicegebouw is echter functioneel geheel zelfstandig.
De ligging in de nabijheid van de bestaande techniek is van belang voor de uitvoering van de vervanging van de installaties en bekabeling. Bovendien ligt het nieuwe servicegebouw op beperkte afstand van de parkeerplaats aan de noordkant van de Nederrijn. Dit is van belang voor onderhouds- en calamiteitenpersoneel. De afstand tussen de gebouwen is ca. 5 meter.
|
| Figuur 4: situering nieuwe servicegebouw |
De hoogte van het gebouw is overeenkomstig de laagbouw van het bestaande en te handhaven bedieningsgebouw (zie figuur 5) en bedraagt ca. 3,5 meter. Het vloeroppervlak is conform de ruimtebehoefte voor de onder te brengen functies. In het servicegebouw worden onder meer een systeemruimte, kantoor, bedieningsruimte en een noodstroomvoorziening grealiseerd. Ook komen er een verblijfsruimte en sanitaire voorzieningen voor het personeel dat onderhoud aan het complex pleegt. Er is geen sprake van permanent verblijf van personen in het gebouw.
Een impressie van het nieuwe servicegebouw wordt hieronder weergegeven.
|
| Figuur 5: impressie van het nieuwe servicegebouw |
Inleiding
Dit hoofdstuk bevat de concrete vertaling van het beleidsgedeelte (voorafgaande hoofdstukken) in het juridisch gedeelte van het bestemmingsplan (de verbeelding en de regels).
Het bestemmingsplan 'Servicegebouw stuw- en sluiscomplex Driel' bestaat uit de volgende onderdelen:
De toelichting
In de toelichting is de ontwikkeling verantwoord, zowel op basis van het beleid, als op basis van milieuhygiënische aspecten, aangevuld met de onderhavige toelichting op de juridische opzet.
De bestemmingsregels
In de bestemmingsregels zijn de bouw- en gebruiksregels binnen de verschillende bestemmingen opgenomen. Daarnaast zijn voor zover nodig afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden opgenomen, om het plan de benodigde flexibiliteit te geven.
De verbeelding
Op de verbeelding is bestemming ('Natuur') weergegeven, alsmede de van toepassing zijnde aanduidingen en dubbelbestemmingen.
De opzet van het plan
Het bestemmingsplan is een juridisch plan, dat bindend is voor burgers en voor de overheid. Qua systematiek is voor de regels aangesloten bij het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe'. Aan de regels en verbeelding zijn ten opzichte van de huidige regeling slechts beperkte wijzigingen aangebracht.
Op de verbeelding zijn de bestemmingen onderscheiden. De bestemmingen zijn afgeleid uit het gebruik (de beoogde functies). De bestemmingen vormen het zogenaamde casco van het plan, waarvan in beginsel niet mag worden afgeweken. In dit bestemmingsplan is slechts één enkelbestemming opgenomen, 'Natuur'. Verder zijn de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologische verwachting 4' en 'Waterstaat - Waterstaatkundige functie' opgenomen. Naast de betreffende dubbelbestemming hebben de betrokken gronden altijd nog de hoofdbestemming 'Natuur'. De bepalingen van de hoofdbestemming en de dubbelbestemming(en) zijn beide van toepassing, maar bij strijd tussen deze bepalingen prevaleren de bepalingen van de dubbelbestemming. De reden hiervoor is dat de belangen van de dubbelbestemming zwaarder wegen dan die van de hoofdbestemming.
Natuur
Gebruik
De gronden zijn bestemd voor het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van landschappelijke, ecologische waarden en natuurwaarden, extensieve dagrecreatie en waterhuishoudkundige doeleinden, waterberging en waterlopen. De aanduiding 'specifieke vorm van water - sluizencomplex' is in het plangebied opgenomen, waarmee het sluizencomplex is toegestaan. Tevens zijn bijbehorende voorzieningen zoals bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wegen en paden toegestaan.
Bouwen
Op deze gronden zijn gebouwen ten behoeve van de beschreven doeleinden toegestaan. De maximale gezamenlijke oppervlakte bedraagt 560 m² en de maximale hoogte 7 meter. De maximale oppervlakte is afgestemd op de aanwezige bebouwing en de voorgenomen realisatie van het servicegebouw. De situering van de gebouwen is niet axact vastgelegd, maar gekoppeld aan de aanduiding 'specifieke vorm van water - sluizencomplex'. Dit sluit aan bij de thans geldende regeling.
Voorts zijn natuurobservatieposten met een maximale oppervlakte van 6 m² en een maximale bouwhoogte van 2 meter toegestaan, alsmede bruggen (4 meter) en overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde (1 meter).
Omgevingsvergunning werken en werkzaamheden
Er is een omgevingsvergunningplicht opgenomen voor het uitvoeren van diverse werken en werkzaamheden. Hieraan is, op basis van de gebiedsaanduiding 'overige zone - ehs' de voorwaarde verbonden dat de van de werkzaamheden direct of indirect te verwachten gevolgen geen blijvend onevenredige afbreuk doen aan de natuur- en landschapswaarden en hieraan door het stellen van voorwaarden niet of onvoldoende kan worden tegemoet gekomen. Uitsluitend op deze grond mag de vergunning worden geweigerd.
Waarde - Archeologische verwachting 4
In het plan is deze dubbelbestemming opgenomen, ten behoeve het behoud en de bescherming van archeologische waarden in of nabij het plangebied. De dubbelbestemming bevat een omgevingsvergunningplicht voor bodemingrepen groter dan 2.500 m² en met een diepte van meer dan 30 cm-Mv.
Waterstaat - Waterstaatkundige functie
Gelet op de functie van de Nederrijn en in het bijzonder het stuw- en sluiscomplex, is deze dubbelbestemming opgenomen in het plangebied. De gronden met deze dubbelbestemming zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor:
met bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals duikers, keerwanden en merktekens. Aanvullend op de overige bouwregels, mogen ter plaatse van deze gronden tevens bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten dienste van de dubbelbestemming worden gebouwd met een maximale bouwhoogte van 12 meter.
Het uitvoeren van werkzaamheden, waarvoor een watervergunning is vereist, is op deze gronden slechts toegestaan na inwerkingtreding van die vergunning.
Algemene regels
Anti-dubbeltelregel
Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.
Algemene bouwregels
Dit artikel bevat een regeling voor afwijkende bestaande maatvoering of afstanden, alsmede een regeling met betrekking tot ondergronds bouwen.
Algemene gebruiksregels
In dit artikel is aangegeven wat in ieder geval als met het bestemmingsplan strijdig gebruik wordt aangemerkt.
Algemene aanduidingsregels
De algemene aanduidingsregels bevatten de regels die, aanvullend op de overige bestemmingen, van toepassing zijn ter plaatse van de opgenomen gebiedsaanduidingen 'overige zone - ehs' en 'overige zone - waardevol landschap'. Deze aanduidingen zijn opgenomen ter bescherming van de natuur- en landschapswaarden in en nabij het plangebied.
Algemene afwijkingsregels
In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels waarvan door middel van een omgevingsvergunning afgeweken kan worden van het bestemmingsplan. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Er zijn bevoegdheden opgenomen met betrekking tot de maatvoering, bouwgrenzen, evenementen, nutsvoorzieningen, de maximale inhoud van woningen en tijdelijk kamperen.
Algemene wijzigingsregels
Dit artikel bevat een bevoegdheid om het plan te wijzigen ten behoeve van kleinschalige gebouwen en geringe veranderingen van bestemmingsgrenzen.
Overgangs- en slotregels
Overgangsrecht
Het voor alle bestemmingsplannen verplichte overgangsrecht is opgenomen. Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingbevoegdheid. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet.
Slotregel
Dit artikel geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.
Kostenverhaal
Uitgangspunt voor de beoogde ontwikkeling is dat deze voor de gemeente budgetneutraal wordt ontwikkeld. Op grond van artikel 6.12 lid 1 Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de gemeenteraad van Overbetuwe verplicht om, indien er sprake is van een bouwplan, de gemeentelijke kosten te verhalen. Met onderhavig bestemmingsplan wordt een bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 Bro mogelijk gemaakt, zodat artikel 6.12 lid 1 Wro van toepassing is.
Financiële haalbaarheid
De initiatiefnemer van de voorgenomen ontwikkeling beschikt over voldoende middelen om deze ontwikkeling te kunnen realiseren. Gebleken is dat er geen onvoorziene hoge kosten te verwachten zijn. Ook is er geen sprake van onzekere financiële bijdragen van anderen. De financieel-economische haalbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond.
De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien kan het noodzakelijk zijn om belanghebbenden de gelegenheid te bieden om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Dit is afhankelijk van de inspraakverordening van de gemeente. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan.
De Wet ruimtelijke ordening zelf bevat geen bepalingen omtrent inspraak. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze personen en rechtspersonen hun mening kenbaar kunnen maken. Voor het onderhavige bestemmingsplan heeft, gezien de zeer geringe omvang en de aard en impact van de voorgenomen ontwikkeling, geen inspraak plaatsgevonden.
Artikel 3.1.1 van het besluit ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Gezien de geringe omvang en de aard en impact van de voorgenomen ontwikkeling heeft vooroverleg niet plaatsgevonden.
De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan zal plaatsvindenvolgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan is in dit kader ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken van 15 september 2016 t/m 26 oktober 2016. Gedurende deze periode kon een ieder zijn zienswijzen kenbaar maken tegen het plan. Binnen de betreffende periode zijn geen zienswijzen tegen het ontwerpbestemmingsplan ingediend.
Het bestemmingsplan is op 10 januari 2017 ongewijzigd vastgesteld door de gemeenteraad van Overbetuwe. Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.