direct naar inhoud van Motivering
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Burg. Goossensstraat 48 Bladel (voorm. Petrusschool)
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1728.TOBBurgGoosstr48-VAST

Motivering

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doel

Aan de Burg. Goossensstraat 48 is de Petrusschool gevestigd. Deze school is een leegstaand gebouw. De gemeente Bladel heeft hiervoor een plan ontwikkeld om de bestaande bebouwing te slopen en te vervangen door 22 woningen. De Burg. Goossenstraat is gelegen aan de rand van het centrum van het dorp Bladel. Het plangebied is gelegen binnen het bestemmingsplan 'Kom Bladel 2019', dat deel uitmaakt van het (tijdelijke deel) van het Omgevingsplan gemeente Bladel. Op basis van dit bestemmingsplan geldt ter plaatse van het plangebied de functie 'Maatschappelijk'. Binnen de functie 'Maatschappelijk' is het niet toegestaan om grondgebonden woningen te bouwen. Om de ontwikkeling mogelijk te maken, dient er te worden afgeweken van het huidig juridisch-planologisch kader.

De gemeente Bladel beschikt op moment van schrijven niet over een basis voor het nieuwe deel Omgevingsplan. De gemeente heeft er daarom voor gekozen om de woningbouwontwikkeling mogelijk te maken via de Tijdelijke Algemene Maatregel (TAM) Omgevingsplan via IMRO. TAM-IMRO biedt gemeenten de mogelijkheid om een nieuw deel van het Omgevingsplan via de oude technische publicatiewijze in procedure te brengen. Voorliggend document voorziet in het nieuw juridisch-planologisch kader voor het plangebied.

1.2 Plangebied

Het plangebied is gelegen aan de rand van het centrum van het dorp Bladel, zie figuur 1.1. Het gebied bestaat uit de bebouwing van de voormalige Petrusschool. De bebouwing van de voormalige Petrusschool staat op het moment van schrijven leeg en wordt herontwikkeld. Het plangebied omvat het perceel BDL01-G-5896, zie figuur 1.2.

afbeelding "i_NL.IMRO.1728.TOBBurgGoosstr48-VAST_0001.png"

Figuur 1.1: begrenzing plangebied (bron: kadastralekaart.com)

afbeelding "i_NL.IMRO.1728.TOBBurgGoosstr48-VAST_0002.png"

Figuur 1.2: begrenzing plangebied (bron: kadastralekaart.com)

1.3 Het omgevingsplan

Op 1 januari 2024 is het Omgevingsplan gemeente Bladel in werking getreden. In het tijdelijke deel zijn naast de bruidsschat de volgende bestemmingsplannen van toepassing:

  • Bestemmingsplan 'Kom Bladel' vastgesteld d.d. 20 juni 2019
  • Paraplubestemmingsplan 'Parkeren 2018 analoog' vastgesteld d.d. 20 september 2018

Bestemmingsplan 'Kom Bladel'

Op basis van het bestemmingsplan 'Kom Bladel' heeft het plangebied de functie 'Maatschappelijk'. Binnen deze bestemming is het niet toegestaan om grondgebonden woningen te bouwen. De realisatie van 22 woningen is hierdoor in strijd met de huidige functie. Daarnaast is in het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' aanwezig. Het aspect archeologie wordt in paragraaf 4.9 nader toegelicht.

afbeelding "i_NL.IMRO.1728.TOBBurgGoosstr48-VAST_0003.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1728.TOBBurgGoosstr48-VAST_0004.png"

Figuur 1.3: Uitsnede verbeelding bestemmingsplan 'Kom Bladel', plangebied blauw omlijnd (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Paraplubestemmingsplan 'Parkeren 2018 analoog'

Het 'Parapluplan parkeren 2018 analoog' voorziet in een gemeentedekkende regeling voor parkeren. Hiermee kan de gemeente bij nieuwbouwprojecten of wijzigingen van het gebruik eisen blijven stellen aan het aantal parkeerplaatsen en plannen toetsen aan de parkeernormen die zijn opgenomen in het actuele parkeerbeleid.

1.4 Leeswijzer

Na dit inleidende hoofdstuk volgt hoofdstuk 2, waarin een beschrijving van het plan is opgenomen. De daaropvolgende hoofdstukken vormen de verantwoording van de ontwikkeling die dit TAM-omgevingsplan mogelijk maakt. In hoofdstuk 3 wordt het Rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid beschreven. In hoofdstuk 4 wordt inzicht gegeven in diverse omgevingsaspecten die van belang zijn voor het voorliggende TAM-omgevingsplan. In hoofdstuk 5 is de juridische toelichting op de planopzet gegeven. In hoofdstuk 6 komt het financiële en maatschappelijke aspect aan bod.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Huidige situatie

Het plangebied is gelegen aan de Burg. Goossensstraat 48. De Burg. Goossensstraat bevindt zich aan de rand van het centrum van Bladel. De ligging van het plangebied is weergegeven op figuur 2.1. In de directe omgeving zijn voornamelijk woonfuncties aanwezig. Ten zuiden van het plangebied, op circa 200 meter afstand, bevindt zich het dorpscentrum van Bladel. Direct ten oosten van het plangebied is een groenvoorziening aanwezig.

Op dit moment bevindt zich op de locatie een schoolgebouw van 1 bouwlaag. De omliggende woningen bestaan voornamelijk uit één of twee bouwlagen met een kap. De omgeving kenmerkt zich door halfopen of gesloten grondgebonden woningen. Vrijwel alle woningen hebben een voortuin en in vrijwel elke straat is sprake van een rechte voorgevelrooilijn, evenwijdig aan de straat.

afbeelding "i_NL.IMRO.1728.TOBBurgGoosstr48-VAST_0005.png"

Figuur 2.1: Ligging plangebied (rood omcirkeld) (bron: google maps)

2.2 Toekomstige situatie

Ten behoeve van voorliggend planvoornemen is er een stedenbouwkundig ontwerp gemaakt, zie figuur 2.2. De huidige bebouwing wordt gesloopt, hiervoor worden 22 grondgebonden woningen gebouwd met 32 parkeerplaatsen. In paragraaf 2.3 wordt het aspect verkeer en parkeren nader toegelicht.

Het bouwblok aan de noordzijde bestaat uit 6 CPO-koopwoningen. De voorgevelrooilijn ligt evenwijdig aan de Christinelaan. Voor deze woningen geldt een goot- en bouwhoogte van maximaal 4 en 7 meter. In de regels is een 'specifieke bouwaanduiding - 1' opgenomen waarbij de maximale goot- en bouwhoogte 7 en 10 meter (2 bouwlagen plus kap) toegestaan is, mits dit stedenbouwkundig aanvaardbaar is; hieronder wordt in ieder geval verstaan dat alle woningen binnen het woonblok dezelfde goot- en bouwhoogte moeten hebben.

De woningen aan de oostzijde bestaan uit twee bouwblokken van 5 sociale huurwoningen, in totaal 10 sociale huurwoningen. Deze twee bouwblokken bestaan uit twee keer 4 beneden-boven woningnen en 2 tussenwoningen. Tussen deze twee bouwblokken wordt een pad in het groen aangelegd. De voorgevelrooilijn ligt evenwijdig aan het Julianaplein. Voor deze woningen geldt een goot- en bouwhoogte van maximaal 7 en 10 meter.

De woningen aan de zuidzijde van het plangebied bestaan uit 6 CPO-koopwoningen. De voorgevelrooilijn ligt evenwijdig aan de Burg. Goossenstraat. Voor deze woningen geldt een goot- en bouwhoogte van maximaal 4 en 7 meter. In de regels is een 'specifieke bouwaanduiding - 1' opgenomen waarbij de maximale goot- en bouwhoogte 7 en 10 meter (2 bouwlagen plus kap) toegestaan is, mits dit stedenbouwkundig aanvaardbaar is; hieronder wordt in ieder geval verstaan dat alle woningen binnen het woonblok dezelfde goot- en bouwhoogte moeten hebben.

afbeelding "i_NL.IMRO.1728.TOBBurgGoosstr48-VAST_0006.png"

Figuur 2.2: stedenbouwkundig ontwerp (bron: Gemeente Bladel)

2.3 Verkeer en parkeren

Het toevoegen of veranderen van een functie heeft een effect op de parkeervraag en het aantal verkeersbewegingen binnen en rondom het plangebied. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen optreden en of dit een effect heeft op de verkeersgeneratie en op de parkeervraag.

2.3.1 Verkeer

De te verwachten verkeersbewegingen voor de toekomstige woningen zijn afgeleid uit de CROW-publicatie 'Parkeerkencijfers 2024'. Deze kengetallen geven een indicatie van de met het plan gepaard gaande extra verkeersgeneratie. In deze kencijfers wordt rekening gehouden met de stedelijkheidsgraad en ligging van het plan in de gemeente. Voor de gemeente Bladel wordt uitgegaan van het gemiddelde van de bandbreedte en zijn de normen voor de stedelijkheidsgraad 'weinig stedelijk' van toepassing. Het plangebied ligt in het gebied 'rest bebouwde kom'.

Binnen het plangebied worden 22 woningen gerealiseerd. De parkeerkencijfers van het CROW worden gekoppeld aan het type woning en oppervlakteklasse. De volgende verdeling wordt gemaakt op basis van het voorgenomen initiatief:

  • 12 koop, huis, tussen/hoek woningen
  • 6 huur, huis, sociale huur (beneden-boven woningen)
  • 4 huur appartement, sociale huur (rijwoningen)

De berekening van het aantal verkeersbewegingen ziet er als volgt uit:

Type woning   Aantal   Kencijfer verkeersgeneratie   Verkeersgeneratie  
koop, huis, tussen/hoek woningen   12   7,4   88,8  
huur, huis, sociale huur   6   5,6   33,6  
huur appartement, sociale huur   4   4,1   16,4  
Totaal (afgerond)       138,8  

In totaal komt dit neer op een toename van 138,8 verkeersbewegingen per etmaal. Met de huidige inrichting van omliggende wegen worden geen problemen verwacht voor verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid op deze wegen.

2.3.2 Parkeren

De gemeente Bladel toetst nieuwe initiatieven aan het parkeerbeleid, zoals vastgesteld op 25 september 2025. In het parkeerbeleid is vastgelegd dat de meest actuele parkeernormen van het CROW van toepassing zijn. In de kencijfers van het CROW van 2024 wordt rekening gehouden met de stedelijkheidsgraad en ligging van het plan in de gemeente. Voor de gemeente Bladel wordt uitgegaan van het gemiddelde van de bandbreedte en zijn de normen voor de stedelijkheidsgraad 'rest bebouwde kom' van toepassing. Het plangebied ligt in het gebied 'weinig stedelijk'.

Binnen het plangebied worden 22 woningen gerealiseerd. De parkeerkencijfers van het CROW worden gekoppeld aan het type woning en oppervlakteklasse. De volgende verdeling wordt gemaakt op basis van het voorgenomen initiatief:

  • 12 koop, huis, tussen/hoek woningen
  • 6 huur, huis, sociale huur (beneden-boven woningen)
  • 4 huur appartement, sociale huur (rijwoningen)

Functie   Aantal   Kencijfer parkeren (gemiddeld)   normatieve parkeervraag  
Koop, huis, tussen/hoek woningen   12   1,8   21,6  
Huur, huis, sociale huur   6   1,1   6,6  
Huur, appartement, sociale huur   4   0,9   3,6  
Bezoeker parkeren   22   0,2   4,4  
TOTAAL       36,2  

Als binnen een ontwikkeling verschillende functies/voorzieningen worden gerealiseerd, is het mogelijk om bij het berekenen van de parkeerbehoefte rekening te houden met dubbelgebruik van parkeerplaatsen. Bij de berekening van dubbelgebruik zijn aanwezigheidspercentages van toepassing, zie onderstaande tabel:

Functie   werkdagochtend   werkdagmiddag   werkdagavond   werkdagnacht   vrijdagmiddag   vrijdagavond   zaterdagmiddag   zaterdag
avond  
zondagmiddag  
woningen bewoners   60%   60%   90%   100%   70%   80%   75%   80%   75%  
woningen bezoekers   40%   50%   75%   0%   60%   100%   100%   100%   90%  

Op basis de aanwezigheidspercentages uit bovenstaande tabel ziet de parkeerbehoefte voor de verschillende momenten van de week voor bewoners- en bezoekersparkeren er afgerond als volgt uit:


Functie  
werkdagochtend   werkdagmiddag   werkdagavond   werkdagnacht   vrijdagmiddag   vrijdagavond   zaterdagmiddag   zaterdagavond   zondagmiddag  
Koop, huis, tussen/hoek, woningen   12,96   12,96   19,44   21,6   15,12   17,28   16,2   17,28   16,2  
Huur, huis, sociale huur   3,96   3,96   5,94   6,6   4,62   5,28   4,95   5,28   4,95  
Huur, appartement, sociale huur   2,16   2,16   3,24   3,6   2,52   2,88   2,7   2,88   2,7  
Bezoekersparkeren   1,76   2,2   3,3   0   2,64   4,4   4,4   4,4   3,96  
Totaal   20,84   21,28   31,92   31,8   24,9   29,84   28,25   29,84   27,81  

In het plangebied kunnen 32 openbare parkeerplaatsen aangelegd worden. Hiermee wordt voldaan aan het parkeerbeleid van de gemeente Bladel en voorzien worden in voldoende parkeergelegenheid voor zowel bewoners als bezoekers.

2.3.3 Conclusie

Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor het planinitiatief.

Hoofdstuk 3 Beleid

3.1 Rijksbeleid en regels

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie

Met de Nationale omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Om dit te kunnen bewerkstelligen, laat het Rijk de inrichting van de fysieke leefomgeving meer over aan de decentrale overheden en komt de gebruiker centraal te staan.

Het Rijk blijft verantwoordelijk voor het systeem van de fysieke leefomgeving. Daarnaast kan een rijksverantwoordelijkheid aan de orde zijn indien:

  • een onderwerp nationale baten en/of lasten heeft en de doorzettingsmacht van provincies en gemeenten overstijgt, bijvoorbeeld het reserveren van ruimte voor militaire activiteiten en het stellen van opgaven in de stedelijke regio's rondom de mainports, brainports, greenports en valleys;
  • over een onderwerp internationale verplichtingen of afspraken zijn aangegaan, bijvoorbeeld het stimuleren van biodiversiteit, duurzame energie, watersysteemherstel of het beschermen van werelderfgoed;
  • een onderwerp provincie- of landsgrensoverschrijdend is een ofwel een hoog afwentelrisico kent ofwel in beheer bij het Rijk is. Bij dit laatste gaat het bijvoorbeeld om de hoofdnetten van weg, spoor, water en energie, maar ook de bescherming van gezondheid van inwoners is op rijksniveau relevant.

Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:

  • 1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie
  • 2. duurzaam economisch groeipotentieel
  • 3. sterke en gezonde steden en regio's
  • 4. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is om combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Dit is echter niet altijd mogelijk. In die gevallen dienen belangen te worden afgewogen. Hiervoor gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:

  • 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies te vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI zoeken we naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte.
  • 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere.
  • 3. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze samenleving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties.

Doorwerking plangebied

De verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid ligt voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen. Hierdoor kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Het onderhavige plan omvat geen ontwikkelingen die in strijd zijn met de nationale belangen en waar de NOVI op van invloed is. Bovendien is er sprake van een toename van woningen en daarmee sluit de ontwikkeling aan op het streven van het ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening om 900.000 woningen te bouwen tot en met 2030.

3.1.2 Instructieregels Rijk

Op het stellen van regels in het omgevingsplan zijn de instructieregels in hoofdstuk 5 van het Bkl, de provinciale instructieregels en eventuele instructies uit art. 2.34 van de Ow van toepassing.

De rijksinstructieregels gelden voor verschillende onderwerpen. Hiervoor geeft het Bkl instructieregels. De hoofdonderwerpen zijn hieronder opgesomd:

  • waarborgen van veiligheid (paragraaf 5.1.2)
  • beschermen van waterbelangen (paragraaf 5.1.3)
  • beschermen van gezondheid en milieu (paragraaf 5.1.4), waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit;
  • beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5), waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking;
  • het behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6) voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden; het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7), waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën;
  • het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8).

Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen.

Doorwerking plangebied

In het plangebied gelden de volgende gebiedsaanwijzingen:

  • 1. Gebieden waar windturbines het radarbeeld kunnen verstoren
  • 2. Uitsluitingsgebieden hyperscale datacentra

In dit gebied gelden beperkingen voor het omgevingsplan voor een goede werking van de radar op de radarstations Herwijnen en Volkel. Het gaat hier om hoogtebeperkingen voor het bouwen van windturbines.

Het voorliggende plan maakt geen bouwwerken mogelijk die de maximum toegestane hoogte op grond van het Rijksbeleid overschrijdt en biedt geen mogelijkheid voor de oprichting/vestiging van hyperscale datacentra.

3.1.3 Beperkingengebied

Een beperkingengebied is een breed verzamelbegrip en wordt in de Omgevingswet gedefinieerd als een gebied dat bij of krachtens de wet (door Rijk of provincie) is aangewezen, waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object, regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object.

De Omgevingswet verplicht Rijk en provincie om beperkingengebieden aan te wijzen, zoals zones rond wegen, hoofdspoorwegen, waterkeringen, rijkswegen en vaarwegen.

Binnen deze beperkingengebieden stelt de provincie eisen aan aanduidingen, informatieborden en uitwegen.

Kortgezegd zijn dit de gebieden rondom wegen en waterstaatswerken waar beperkingen gelden. Dit betekent dat er beperkingen gelden voor activiteiten van derden, ter plaatse van de weg of het waterstaatswerk als ook in de daaraan grenzende (beschermings)zones. Een beperkingengebied is in feite wat nu de (beschermings)zones onder de huidige wetgeving zijn en in veel gevallen omvat het beperkingengebied ook de locatie van de weg of het waterstaatswerk of object zelf.

Doorwerking plangebied

Het plangebied ligt niet binnen een beperkingengebied.

3.2 Provinciaal beleid en regels

3.2.1 Omgevingsvisie provincie Noord-Brabant

De omgevingsvisie is hét beleidsinstrument voor de fysieke leefomgeving. De omgevingsvisie is het richtinggevende beleidsinstrument van de Omgevingswet: het benoemt ambities, centrale opgaven en strategie vanuit een samenhangend perspectief op ruimte, milieu, natuur en landschap, water, verkeer en vervoer en cultureel erfgoed. Vanuit deze samenhang zet een omgevingsvisie ook de koers uit voor ontwikkelingen op het gebied van wonen, werken, voorzieningen en recreatie in de provincie. Een belangrijke trend is de toenemende aandacht voor nieuwe thema's zoals veiligheid, gezondheid en duurzaamheid.

Hoofddoelstellingen van de Omgevingsvisie Noord-Brabant zijn 'zuinig ruimtegebruik' met daaraan gekoppeld de 'concentratie van verstedelijking'. De accenten moeten hierbij liggen op 'inbreiding' en 'herstructurering'. Daarbij stuurt de provincie aan op concentratie van verstedelijking: het is belangrijk dat er verschil bestaat en blijft bestaan tussen de steden en dorpen. De stedelijke structuur bestaat uit de steden en dorpen in Noord-Brabant en is onderverdeeld in 'concentratiegebieden' en 'overig stedelijk gebied'. In concentratiegebieden wordt de bovenlokale groei van verstedelijking opgevangen. Daarnaast moet hier een hoog voorzieningenniveau worden geboden, waardoor de (suburbane) kernen en dorpen buiten het concentratiegebied het huidige (landelijke) karakter behouden. In overig stedelijk gebied is grootschalige verstedelijking ongewenst. Wel kan hier voor de eigen behoefte worden gebouwd.

Naast concentratie van verstedelijking wil de provincie binnen de stedelijke structuur het volgende bereiken:

  • zorgvuldig ruimtegebruik;
  • meer aandacht voor ruimtelijke kwaliteit;
  • betere verknoping van stedelijke ontwikkelingen aan de infrastructuur;
  • versterking van de economische kennisclusters.

Doorwerking plangebied

Het project betreft de realisatie van in totaal 22 woningen binnen het 'stedelijk gebied'. In het plan is rekening gehouden met de provinciale Omgevingsvisie door in te spelen op het 'zorgvuldig ruimtegebruik' en 'meer aandacht voor ruimtelijke kwaliteit'.

De ontwikkeling moet in lijn zijn met de basisopgave, waarin een veilige, gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit centraal staan. In hoofdstuk 4 wordt onderbouwd waarom de beoogde ontwikkeling geen negatieve invloed heeft op deze drie aspecten en waarom deze aspecten anderzijds geen belemmering vormen voor de ontwikkeling zelf.

3.2.2 Omgevingsverordening Noord-Brabant

Op 1 januari 2024 is de Omgevingsverordening van Noord-Brabant in werking getreden. De Omgevingsverordening vormt het toetsingskader voor nieuwe ontwikkelingen in de provincie Noord-Brabant. De provinciale omgevingsverordening bevat alle provinciale regels voor de fysieke leefomgeving en vervangt alle bestaande verordeningen. Er kunnen in de omgevingsverordening naast direct werkende regels ook instructieregels zijn opgenomen over taken en bevoegdheden van gemeenten en waterschappen.

In de Omgevingsverordening Noord-Brabant is een basisregeling geformuleerd voor een duurzame stedelijke ontwikkeling. Uitgangspunt daarbij is dat eerst de mogelijkheden in stedelijk gebied worden benut. Hiermee wordt invulling gegeven aan het basisprincipe 'Zorgvuldig ruimtegebruik'.

Bij een stedelijke ontwikkeling dient toepassing te worden gegeven aan de ladder voor duurzame verstedelijking, zoals bedoeld in artikel 5.129g van het Bkl, en er dient een relatie te worden gelegd met de afspraken die in het regionaal overleg zijn gemaakt.

Doorwerking plangebied

De kern Bladel is aangewezen als 'stedelijk gebied', zie figuur 3.1.

Voor het bouwen van woningen binnen het 'stedelijk gebied' geldt op grond van artikel 5.55, eerste lid, dat dit dient te passen binnen de regionale afspraken die over wonen zijn gemaakt. Het bevorderen van zorgvuldig ruimtegebruik staat hierbij centraal en is uitgangspunt voor elke stedelijke ontwikkeling. Dat betekent dat een stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen in beginsel plaatsvindt binnen het 'stedelijk gebied' en dat de ruimte binnen het 'stedelijk gebied' zo goed als mogelijk wordt benut.

afbeelding "i_NL.IMRO.1728.TOBBurgGoosstr48-VAST_0007.png"

Figuur 3.1: Uitsnede basiskaart stedelijk gebied, landelijk gebied, Natuur Netwerk Brabant (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

De gemeente Bladel behoort tot de regio Kempengemeenten. De gemeenten die onderdeel zijn, hebben een gezamenlijke regionale visie opgesteld 'Kempische visie op wonen 2023-2030', zie paragraaf 3.3.1. Voor de periode 2023-2030 is er binnen de gemeente Bladel een behoefte aan 1.030 woningen. Voorgenomen planinitiatief voorziet in een deel van deze behoefte. Het planvoornemen past dan ook binnen de regionale afspraken. Door het benutten van een locatie in het 'stedelijk gebied' is er sprake van zorgvuldig ruimtegebruik.

Het plangebied ligt niet binnen beschermde natuurgebieden. Op bijgaande figuur 3.1 is wel te zien dat in de omgeving van het plangebied gebieden zijn aangewezen als Natuur Netwerk Brabant (lichtgroene vlakken).

3.2.3 Conclusie

Naast de in deze paragraaf belichte onderwerpen zijn er geen provinciale belangen van invloed op het plangebied en past de woningbouwontwikkeling binnen de doelstellingen en het beleid van de provincie.

3.3 Regionaal beleid

3.3.1 Regionale woondeal Zuidoost-Brabant 2022-2030

In het eerste kwartaal van 2022 heeft het Rijk de Nationale Woon- en Bouwagenda uitgebracht, met als kerndoelen: beschikbaarheid, betaalbaarheid en kwaliteit. Hierin stelt het Rijk dat er landsdekkende regionale woondeals moeten komen. In het voorjaar van 2022 heeft het Rijk aan de provincies gevraagd een Woonbod op te stellen om tot provinciale woningbouwafspraken te komen.

De provincie Noord-Brabant heeft met de minister een handtekening gezet onder een totaal van 130.600 woningen in de periode t/m 2030. Hiervan dienen 41.985 (netto) woningen te worden gerealiseerd in de Regio Zuidoost-Brabant. Elke gemeente neemt een evenwichtig aandeel op basis van het aantal inwoners. De woningbouwopgave voor de gemeente Bladel is 765 woningen (netto) in de periode 2022-2030.

Om deze woningbouwopgave te realiseren, is het noodzakelijk om te beschikken over voldoende harde plancapaciteit. 'Harde' woningbouwplannen betreffen plannen waarvan het bestemmingsplan vastgesteld of onherroepelijk is. In de gemeente Bladel is momenteel onvoldoende 'harde' plancapaciteit aanwezig om te voorzien in de woningbehoefte.

Doorwerking plangebied

Om het aandeel van de gemeente Bladel aan de woningbouwopgave te behalen, dienen 'zachte' woningbouwplannen te worden omgezet in 'harde' plannen. Het onderhavig initiatief betreft de realisatie van 22 woningen en levert daarmee een bijdrage aan de 'harde' plannen binnen de gemeente Bladel. Onderhavig plan past derhalve binnen de kwantitatieve woningbehoefte.

De woningen die mogelijke worden gemaakt zijn passend binnen de Woondeal Zuidoost Brabant 2022-2030.

3.3.2 Kempische visie op wonen 2024-2028

De gemeente Bladel is onderdeel van de Kempengemeenten gezamenlijk met de gemeenten Bergeijk, Eersel, en Reusel-De Mierden. Binnen de samenwerking werken de gemeenten samen op de vakgebieden zoals maatschappelijke dienstverlening, vergunningen, toezicht, handhaving en ICT. Gezamenlijk is de Kempische visie op wonen 2024-2028 opgesteld, vigerend van d.d. 18 juli 2024.

De vier gemeenten hebben veel overeenkomsten, ze liggen in een omgeving met veel rust en natuur. Het kenmerkt zich door gezellige kernen waaruit je snel in Eindhoven of Veldhoven bent. De omgeving maakt het aantrekkelijk voor mensen opzoek naar groen, gemeenschapsgevoel en Brabantse gemoedelijkheid. Echter is er ook een verschil tussen deze gemeenten, denk bijvoorbeeld aan het voorzieningenniveau of de sociale cohesie. Het feit is echter dat de opgaven op het beid van wonen een gezamenlijke oplossing vagen. De groei van de hele Brainportregio gaat in razend tempo en trekt steeds meer mensen naar onze gemeenten. Als gevolg van die groei staat de woningmarkt onder grote druk. Woningprijzen stijgen. Starters en jonge gezinnen komen er steeds moeilijker tussen en de roep om meer betaalbaar aanbod (zowel koop als huur) is groot. Dit vraagt aan de ene kant om snelle woningbouw en het voorkomen van verdringing. Maar ook om een transitie naar betaalbaarder bouwen. Zodat mensen met een lager inkomen ook een woning kunnen blijven vinden in onze gemeenten.

Ze werken de woonvisie uit aan de hand van vijf thema's. Dit zijn:

  • 1. De (schaal)sprong vooruit;
  • 2. Toegroeien naar een betaalbaardere woningvoorraad;
  • 3. Wonen met zorg of ondersteuning;
  • 4. Werken aan vitaliteit in de kernen;
  • 5. Op weg naar een duurzame toekomst.

Een tekort aan woningen

Het groeiend woningtekort is op dit moment één van de grootste problemen in Nederland, en ook in de Kempen. Te veel mensen vinden geen geschikte en betaalbare woning. Daarbovenop hebben ze in de Kempen relatief weinig sociale huurwoningen en betaalbare en kleine koopwoningen. Dit maakt het voor jongeren en mensen met een lager inkomen lastig om een start te maken op de woningmarkt. De gevolgen van de woningnood zijn dan ook zichtbaar: van dertigers die nog bij hun ouders wonen tot mensen met een middeninkomen die tussen wal en schip raken, spoedzoekers die geen sociale huurwoning kunnen vinden of ouderen die in een grote gezinswoning moeten blijven wonen. De provincie houdt voor de Kempen in de periode tot en met 2030 rekening met woningbouwopgave van bijna +2.600 woningen. Tussen 2030 en 2040 wordt een extra groei van minimaal +2.350 woningen voorspeld.

In de Ontwikkelstrategie Zuidoost-Brabant (2023) wordt in het kader van de schaalsprong in de Kempen een maximale behoefte in de Kempen geschetst van ongeveer 13.000 woningen in de periode t/m 2040 (dit is inclusief de lokale woningbehoefte). Voor het realiseren van deze woningen sluiten we per gemeente zoveel mogelijk aan bij de lokale behoefte. De volgende aantallen beschouwen ze daarbij als ondergrens:

afbeelding "i_NL.IMRO.1728.TOBBurgGoosstr48-VAST_0008.png"

Er is een behoefte aan 3.220 extra woningen in de regio voor de periode van 2023-2030. In de periode 2023-2030 is er voor de gemeente Bladel een behoefte aan 1030 nieuwe woningen. In de komende jaren wordt sterker ingezet op betaalbaarheid. Er wordt getoetst aan de volgende prijssegmentering (prijspeil 2025):

afbeelding "i_NL.IMRO.1728.TOBBurgGoosstr48-VAST_0009.png" afbeelding "i_NL.IMRO.1728.TOBBurgGoosstr48-VAST_0010.png"

Doorwerking plangebied

Het onderhavig initiatief betreft de realisatie van 22 woningen en voorziet in een kwantitatieve woningbehoefte. De woningen die mogelijk worden gemaakt zijn passend binnen de Kempische visie op wonen.

3.4 Waterschapsbeleid en regels

De Omgevingswet bepaalt dat bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Dit wordt de 'weging van het waterbelang' genoemd. Middels de weging van waterbelangen dient inzicht te worden geboden in de effecten van het project op stedelijk afvalwater, grondwater en hemelwater. De weging van het waterbelang zorgt er voor dat per ontwikkeling de klimaatbestendigheid van het watersysteem en een water robuuste inrichting van de omgeving vroegtijdig in de planvorming worden betrokken. Daarbij is het van belang dat er op een gestructureerde wijze afstemming tussen waterschap en de gemeente plaatsvindt, waarbij een constructieve en doorlopende afstemming van belang is.

3.4.1 Waterschapsverordening

Het plangebied valt onder het beheer van Waterschap De Dommel. De doelen van het waterschap voor de periode 2022-2027 staan beschreven in het Waterbeheerprogramma 'Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving'. Deze doelstellingen en ambities zijn gericht op een veilig en bewoonbaar beheergebied, voldoende, schoon, natuurlijk en recreatief water.

Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Provinciaal Water- en Milieuplan van Noord-Brabant, het Waterbeheerprogramma 2022-2027 Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving van het Waterschap De Dommel, het Gemeentelijk Rioleringsplan 2021-2025 Bladel, het Nationaal Waterplan, WB21, het Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Algemeen punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Hierdoor legt water een ruimteclaim op het (stads)landschap waaraan voldaan moet worden.

  • Vasthouden - bergen - afvoeren (waterkwantiteit);
  • Schoon houden - scheiden - zuiveren (waterkwaliteit).

In de Waterschapsverordening is opgenomen dat het in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van het verhard oppervlak of door afkoppelen van de bestaande oppervlakte, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen.

Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Bij ontwikkelingen waarbij de toename van het verhard oppervlak 500 m² of groter is, worden vanuit het waterschap compenserende maatregelen geëist.

Doorwerking plangebied

Door de beoogde ontwikkeling wijzigt het verhard oppervlak. Op grond van het waterschapsbeleid is het vereist om voldoende waterberging te realiseren. Dit wordt in paragraaf 4.8 nader uitgewerkt.

Het planvoornemen is in overeenstemming met het waterschapsbeleid.

3.5 Gemeentelijk beleid

3.5.1 Structuurvisie Bladel

Op 22 mei 2008 is de Structuurvisie Bladel vastgesteld. De visie vormt de hoofdlijnen van het gemeentelijk ruimtelijk beleid. Deze structuurvisie beschrijft thematisch de ambities van de gemeente Bladel voor de toekomst. De structuurvisie bestaat uit een analyse, een beleidskader en een visie op hoofdlijnen die uitmonden in een Ruimtelijk Casco. Het Ruimtelijk Casco geeft met beleidsregels voor de lange termijn richting aan duurzame, perspectiefrijke ruimtelijke ontwikkelingen. Het Ruimtelijk Casco bestaat uit een kaartbeeld en een toelichting. In de toelichting staat per legendaeenheid beschreven waar het element betrekking op heeft en welke ruimtelijke strategie daarbij hoort. Het plangebied is op het kaartbeeld van het Ruimtelijk Casco aangeduid als gelegen in 'woongebied'. Hieronder is een uitsnede opgenomen van het ruimtelijke casco.

afbeelding "i_NL.IMRO.1728.TOBBurgGoosstr48-VAST_0011.png"

Figuur 3.2: Uitsnede ruimtelijk casco Structuurvisie Bladel. Het projectgebied is met een zwarte pijl aangegeven.

De strategie voor het bestaande woongebied is gericht op beheer en waar mogelijk intensivering. De structuur van de verschillende buurten en wijken dient behouden te worden en waar mogelijk te worden versterkt. Met name bij jongere buurten en wijken wordt gestreefd naar een verbetering van de stedenbouwkundige structuur. De variatie in bebouwing dient gehandhaafd en/of verbeterd te worden en indien sprake is van een verwevenheid van de bebouwing met het omliggende landschap, dient dit karakter te worden behouden en zo mogelijk te worden versterkt. Nieuwbouw in de woongebieden dient qua maat en schaal passend te zijn in de omgeving.

Doorwerking plangebied

De omliggende woningen bestaan voornamelijk uit één of twee bouwlagen met een kap. De omgeving kenmerkt zich door halfopen of gesloten grondgebonden woningen. Vrijwel alle woningen hebben een voortuin en in vrijwel elke straat is sprake van een rechte voorgevelrooilijn, evenwijdig aan de straat. Onderhavig initiatief past qua maat en schaal in de omgeving.

De beoogde ontwikkeling is in overeenstemming met de uitgangspunten uit de Structuurvisie Bladel.

3.5.2 Omgevingsvisie 1.1

Op 20 september 2018 is de Omgevingsvisie 1.1 vastgesteld. De Omgevingsvisie 1.1 is een eerste stap naar een volwaardige omgevingsvisie die een meer eenduidig beleid weergeeft voor de fysieke leefomgeving. De omgevingsvisie 1.1 herziet voor het buitengebied op onderdelen het beleid dat is vastgesteld in de Plattelandsnota 2013 en bevat derhalve geen beleid dat relevant is voor onderhavig initiatief dat in stedelijk gebied gesitueerd is. Toetsen aan de Omgevingsvisie 1.1 kan daarom voor dit initiatief achterwege blijven.

3.5.3 Omgevingsvisie 2040 - Vitaal Bladel, alles bij de hand

In deze omgevingsvisie is het bestaande lokale beleid voor de fysieke leefomgeving gebundeld en aangevuld met de belangrijkste ambities voor de toekomst. De visie beschrijft de belangrijkste ambities en keuzes die de fysieke leefomgeving aangaan en heeft als doel richting te geven aan het te voeren beleid. Daarnaast draagt de visie bij aan het ontwikkelen en beoordelen van plannen. Vanuit de Omgevingswet is een gebiedsdekkende omgevingsvisie een vereiste.

De gemeente Bladel stelt verschillende opgaven en ambities per thema voor de gehele gemeente:

  • 1. Leefomgeving
  • Versterken van sociale cohesie en voorzieningen.
  • Toegankelijke openbare ruimte en ontmoetingsplekken.
  • Elke kern behoudt mulitfunctionele accommodaties, sportpark en basisschool.

  • 2. Wonen
  • Doel: 2.900 woningen bijbouwen tot 2040.
  • Focus op betaalbare woningen voor starters, senioren en arbeidsmigranten.
  • Inbreiden heeft voorkeur, maar uitbreiding aan randen van kernen is nodig.

  • 3. Economie
  • Bladel is economisch hart van de Kempen.
  • Groei van bedrijventerreinen en maakindustrie.
  • Verduurzaming en vergroening van bedrijventerreinen.
  • Vrijetijdseconomie (recreatie, toerisme) is belangrijk.

  • 4. Mobiliteit
  • Verbeteren OV-verbindingen met Eindhoven en Tilburg.
  • Investeren in fietsinfrastructuur en duurzame mobiliteit.
  • Verkeersveiligheid en leefbaarheid staan centraal.

  • 5. Natuur en Klimaat
  • Klimaatadaptatie: waterberging, vergroening, biodiversiteit.
  • Energietransitie: CO2-reductie, zonne- en windenergie.
  • Robuuste natuur: versterken ecologische netwerken.

  • 6. Transitie Agrarische Sector
  • Afnemende agrarische bedrijvigheid.
  • Ruimte voor nieuwe functies zoals zorg en recreatie.
  • Duurzame landbouw en veehouderij met aandacht voor milieu en gezondheid.

Naast de opgaven per thema heeft de gemeente ook gebiedsgericht uitgangspunt:

  • Centrumgebieden
  • Grote kernen (Bladel, Hapert)
  • Kleine kernen (Hoogeloon, Casteren, Netersel)
  • Bedrijventerreinen
  • Buitengebieden
  • Natuurgebieden

Doorwerking plangebied

Het plan draagt bij aan de woningbouwopgave en focust op betaalbare woningen voor starters, senioren en arbeidsmigranten. Het plangebied bevindt zich in de kern Bladel dat volgens de omgevingsvisie wordt gezien als grote kern. Voorliggend plan betreft een inbreidingslocatie in de kern Bladel en voorziet in 22 woningen. Het planvoornemen ligt in lijn met de omgevingsvisie 2040 - Vitaal Bladel, alles bij de hand.

3.5.4 Conclusie

De beoogde ontwikkeling past binnen de kaders en randvoorwaarden van het gemeentelijk beleid

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

4.1 Milieubelastende activiteiten

4.1.1 Toetsingskader

Milieuzonering zorgt voor ruimte voor milieuhinderlijke (bedrijfs)activiteiten met behoud van bescherming van de woon- en leefomgeving. Door middel van milieuzonering kan een kader worden vastgelegd voor de toelating van deze activiteiten ten opzichte van gebieden waar wordt gewoond en waar andere milieugevoelige activiteiten aanwezig zijn. Ook biedt deze zonering duidelijkheid waar bij de projectie van nieuwe milieugevoelige activiteiten rekening mee moet worden gehouden. Naast wonen zijn dat onder meer scholen, kinderdagverblijven en ziekenhuizen.

Om tot een evenwichtige toedeling van milieugevoelige en milieubelastende functies te komen in het omgevingsplan, dient te worden voldaan aan de instructieregels uit het Bkl ten aanzien van geluid, geur en trillingen door activiteiten.

Het ruimtelijk spoor ging onder de Wet ruimtelijke ordening uit van vaste richtafstanden op basis van de VNG-uitgave Bedrijven en milieuzonering (uit 2009). Die richtafstanden gelden vanaf een bepaalde activiteit tot rustig woongebied en gemengd gebied. Hierbij wordt rustig woongebied meer beschermd dan gemengd gebied.

De nieuwe Handreiking Activiteiten en Milieuzonering uit 2024 werkt niet meer met zones gekoppeld aan milieucategorieën en een lijst van activiteiten met afstanden per activiteit. In plaats daarvan wordt gewerkt met zones met milieuwaarden die de gebruiksruimte per activiteit begrenzen, zónder een lijst van activiteiten.

4.1.2 Toetsing

Het planvoornemen aan de TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Burg. Goossensstraat 48 Bladel (voorm. Petrusschool) leidt niet tot onaanvaardbare hinder op de omgeving. De nieuwe woonfunctie is geen milieubelastende activiteit als bedoeld in de Omgevingswet. In de directe omgeving van de projectgebied bevinden zich geen plaatsgebonden activiteiten die een beperking zijn op de beoogde ontwikkeling.

4.1.3 Conclusie

Het aspect milieubelastende activiteiten vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.2 Geluid

4.2.1 Toetsingskader

De aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet is vooral een decentrale afweging. Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit vorm. Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gaan gelden voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl.

Er dient rekening te worden gehouden met het geluid door (spoor)wegen op geluidgevoelige gebouwen. Geluidgevoelige gebouwen zijn aangewezen in artikel 3.20 van het Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft.

Rondom (spoor)wegen gelden er geluidaandachtsgebieden. Binnen een dergelijk geluidaandachtsgebied dient het geluid op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar te zijn. Indien het geluid op een geluidgevoelig gebouw (binnen een geluidaandachtsgebied) niet meer bedraagt dan de standaardwaarde, dan is er in ieder geval sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De standaardwaarden zijn aangegeven in onderstaande tabel. Deze geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw en hebben primair als doel om de gezondheid te beschermen, door het stellen van eisen aan het geluid op en rondom geluidgevoelige gebouwen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel.

afbeelding "i_NL.IMRO.1728.TOBBurgGoosstr48-VAST_0012.png"

Standaardwaarde geluid op een geluidgevoelig gebouw, per geluidsbron

Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van spoorwegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron.

De geluidinhoudelijke doelstellingen zijn:

  • het voorkomen van een onbeheerste groei van de geluidsbelasting op en in geluidgevoelige gebouwen en locaties;
  • het reduceren van geluidbelastingen op en in geluidgevoelige gebouwen en locaties die blootstaan aan zeer hoge geluidsbelastingen;
  • het bevorderen van bronmaatregelen;
  • het scheppen van een beter toegankelijk en minder complex geheel van regels
  • het beperken van de lasten bij de uitvoering van de regels.

Geluidproductieplafonds

Een geluidproductieplafond geeft de maximale toegestane geluidsproductie weer op een vast fictief punt, het referentiepunt, op korte afstand van de geluidsbron. Daarnaast voorziet afdeling 3.5 Bkl in het wettelijk kader omtrent de beheersing van het geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen. In Bijlage XXII Bkl zijn activiteiten aangewezen die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken.

4.2.2 Toetsing

Voor de plansituatie is een geluidsonderzoek uitgevoerd door Tritium. Dit onderzoek is als Bijlage 1 Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai, 25-08-2025 opgenomen bij het plan. Uit het onderzoek het volgende worden geconcludeerd.

Gemeentewegen

Voor de gemeentewegen geldt dat het geluid op de gevels van de nieuwe woningen de standaardwaarde van 53 dB met maximaal 4 dB overschrijdt. De grenswaarde van 70 dB wordt nergens overschreden. Het aanleggen van een geluidwal of geluidscherm (overdrachtsmaatregelen) gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer tot de standaardwaarde ontmoet in de onderhavige situatie overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke en financiële aard.

Aangezien voor onderhavige woningen de standaardwaarde wordt overschreden dient het belang van het beschermen van de gezondheid door een geluidluwe gevel te worden betrokken. Uit de rekenresultaten blijkt dat voor alle woningen waar de standaardwaarde wordt overschreden geldt dat deze de beschikking hebben over ten minste één westgevel waarvoor de geluidbelasting de standaardwaarde niet overschrijdt.

Het ontwerp houdt rekening met de realisatie van ten minste één te openen geveldeel aan de geluidluwe gevel (westgevel). Iedere woning beschikt over een verblijfruimte met ten minste één te openen geluidluw geveldeel. Hiermee is de gezondheid voldoende beschremd. Daarnaast beschikt iedere woning over een buitenruimte aan de geluidluwe zijde. In deze situatie is sprake van een evenwichtige toedeliing van functies aan locaties.

Gecumuleerd geluid

De nieuwe woningen worden in het geluidaandachtsgebied van één geluidbronsoort. Het gecumuleerd geluid op de gevels van de beoogde woningen bedraagt ter plaatse van de oostgevels ten minste 35 dB en maximaal 57 dB. Conform de methode Miedema kan het gecumuleerd geluid worden gekwalificeerd als "zeer goed" tot "matig". In voorliggend plan beschikt iedere woning over ten minste één te openen geveldeel aan de geluidluwe gevel (westgevel) en beschikt iedere woning over een verblijfsruimte met ten minste één te openen geluidluw geveldeel. Hiermee wordt voldaan aan de minimale zin van de eisen van het Bbl.

Gezamenlijk geluid

De woningen bevinden zich in het geluidaandachtsgebied van één geluidbronsoort. Derhalve is gezamenlijk geluid met andere geluidbronsoorten in de onderhavige situatie niet aan de orde. Voor het gezamenlijk geluid wordt de geluidbelasting ten gevolge van de gemeentewegen worden aangehouden.Het gezamenlijk geluid op de gevels van de beoogde woningen ten gevolge van de gemeentewegen bedraagt maximaal 57 dB. Wanneer de standaardwaarde wordt overschreden, moet voor de nieuwe woningen worden aangetoond welke geluidwerende maatregelen aan de gevel noodzakelijk zijn om te kunnen voldoen aan het gestelde in artikel 4.103 van het Bbl. De minimaal vereiste geluidwering is het verschil tussen het gezamenlijk geluid en 33 dB. Het gezamenlijke geluid bedraagt ten hoogste 57 dB. De vereiste karakteristieke geluidwering bedraagt daarmee maximaal (57 – 33 =) 24 dB.

Nader onderzoek geluidwering

Voorliggend project maakt woningen mogelijk waarop het gezamenlijk geluid meer dan 53 dB bedraagt, namelijk 57 dB. Middels een aanvullend onderzoek ter bepaling van de geluidwering van de gevels dient te worden aangetoond dat aan de nieuwbouweis kan worden voldaan. Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen (conform een nader onderzoek) is vervolgens een aanvaardbaar geluidbinnenniveau gewaarborgd. Dit onderzoek zal later worden uitgevoerd bij de omgevingsplanactiviteit 'Bouwen'.

4.2.3 Conclusie

Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.3 Kwaliteit van de buitenlucht

4.3.1 Toetsingskader

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect kwaliteit van de buitenlucht instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10).

Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de kwaliteit van de buitenlucht;
  • het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;

De beoordeling van de kwaliteit van de buitenlucht vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de kwaliteit van de buitenlucht als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:

  • 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze 'standaardgevallen NIBM' vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden.3
  • 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool.

Aandachtsgebieden

Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 Bkl. Gemeenten die onder agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 Omgevingsregeling. In enkele situaties moet de kwaliteit van de buitenlucht altijd worden beoordeeld:

  • bij een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit
  • bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter, of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter toeneemt
  • bij de aanleg van een autoweg of een autosnelweg.

4.3.2 Toetsing

In artikel 5.54 van het Bkl is opgenomen dat bij een project waarin maximaal 1.500 woningen worden toegevoegd, de genoemde maximale waarde van 1,2 µg/m3 niet zal worden overschreden. Aangezien binnen het plangebied 22 woningen worden toegevoegd, wordt er niet in betekenende maten bijgedragen aan de luchtverontreiniging.

Het plangebied ligt in de 'rest bebouwde kom' in een 'weinig stedelijk' gebied. Volgens de CROW kencijfers 2024 komt dit neer op 7,4 verkeersbewegingen per etmaal per koop, huis, tussen/hoek woningen, 5,6 verkeersbewegingen per etmaal per huur, sociale huur wonigen en 4,1 verkeersbewegingen per etmaal per huur, appartement, sociale huur. Dit komt neer op maximaal 138,8 extra verkeersbewegingen in de nieuwe situatie. Uit de ingevulde NIBM-tool blijkt dat er geen negatieve gevolgen ontstaan, zie figuur 4.1.

afbeelding "i_NL.IMRO.1728.TOBBurgGoosstr48-VAST_0013.png" Figuur 4.1: Kaart NIBM-tool (bron: IPLO)

4.3.3 Conclusie

Het aspect kwaliteit van de buitenlucht vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.4 Geur

4.4.1 Toetsingskader

Het Rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels aan geurbelasting. Een onderdeel van het tijdelijke omgevingsplan is ook de gemeentelijke geurverordening. De gemeente beschikt (nog) niet over een geurverordening.

Deze instructieregels van het Bkl voor geur zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan worden gedacht aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming. Dat doet de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties.

In artikel 5.91 Bkl worden de geurgevoelige gebouwen aangewezen die in ieder geval moeten worden beschermd. Hieronder vallen ook gebouwen met een woonfunctie, gebouwen voor onderwijs, gezondheidszorg en kinderopvang. Specifieke beoordelingsregels voor geur voor de milieubelastende activiteit staan in artikel 8.20 Bkl.

Veehouderijen

In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over:

  • Geurnormen in het omgevingsplan
  • Rekenen
  • Afstand eisen
  • Randvoorwaarden

4.4.2 Toetsing

De afstand van het plangebied tot de meest nabijgelegen veehouderij is groter dan 1 km. De achtergrondbelastingkaart van Bladel en omgeving toont voor het plangebied Burg. Goossenstraat 48 (blauw omlijnd) een zeer goede kwaliteit van de leefomgeving.

afbeelding "i_NL.IMRO.1728.TOBBurgGoosstr48-VAST_0014.png"

Figuur 4.2; Uitsnede kaart achtergrond geurbelasting, plangebied blauw omcirkeld (bron: Omgevingsdienst zuidoost Brabant)

4.4.3 Conclusie

Het aspect geur vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.5 Bodem en grondwater

4.5.1 Toetsingskader

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid.

De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang;

  • Beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen;
  • Evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem;
  • Duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen.

De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde.

4.5.2 Toetsing

Voor de plansituatie is een milieuhygiënisch vooronderzoek bodem uitgevoerd door Tritium. Dit onderzoek is Bijlage 2 Milieuhygiënisch vooronderzoek bodem Burg. Goossenstraat 05-06-2025 opgenomen bij het plan. Uit het onderzoek het volgende worden geconcludeerd.

Uit het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem blijkt dat de locatie wordt beschoud als 'onverdacht' op een sterke bodemverontreiniging. Binnen het gebied en in de directe omgeving zijn geen aanwijzingen dat de bodem verontreinigd kan zijn geraakt. Door middel van de in 2017 uitgevoerde bodemsanering is de locatie Burgemeester Goossenstraat 48 geschikt gemaakt voor het gebruik als 'wonen met moestuin'. Plaatselijk voldoet de grond hiermee aan klasse 'industrie'. Er dient dus rekening mee gehouden te worden dat plaatselijke grond aanwezig is met een slechtere kwaliteit dan de huidige en beoogde functie op basis van de bodemkwaliteitskaart. Met name op het westelijke gedeelte van de Burgemeester Goossensstraat 48 kan 'industrie grond' aanwezig zijn. Voor het overige deel komt de bodemkwaliteit overeen met die van de bodemkwaliteitskaart en kan deze derhalve als basis dienen voor een milieuverklaring bodemkwaliteit.

Aanvullend bodemonderzoek wordt in het kdaer van voorliggend plan niet noodzakelijk geacht.

4.5.3 Conclusie

Het aspect bodem en grondwater vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.6 Omgevingsveiligheid

4.6.1 Toetsingskader

Externe veiligheid heeft betrekking op de mogelijkheden om een brand, ramp of crisis te voorkomen, te beperken en te bestrijden. Het beschermen van personen in gebouwen en op locaties in de omgeving van risicovolle activiteiten is cruciaal. Daarnaast is het beperken van schade aan de fysieke leefomgeving bij een ongeval van een risicovolle activiteit van groot belang.

De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. Er wordt daarbij op basis van bijlage VI van het Bkl onderscheid gemaakt in 3 categorieën 'gebouwen en locaties':

  • 1. Zeer kwetsbare gebouwen
  • 2. Kwetsbare gebouwen en locaties
  • 3. Beperkt kwetsbare gebouwen en locaties

Bij het bepalen van de kwetsbaarheid wordt gekeken naar het aantal personen dat gelijktijdig aanwezig is, de duur van hun aanwezigheid en in hoeverre zij zichzelf in veiligheid kunnen brengen bij een incident.

In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten:

  • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving.
  • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor).
  • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving.
  • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.

In het omgevingsplan worden beperkingen gesteld met betrekking tot externe veiligheid. Zo wordt de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht genomen. Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat één persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof. De grenswaarden voor het plaatsgebonden risico zijn ruimtelijk vertaald nar afstanden tot gebouwen en locaties. Gebouwen en locaties die als (zeer) kwetsbaar worden beschouwd mogen niet binnen de plaatsgebonden risicocontour 10-6-contour van een activiteit vallen. Ook kunnen in het omgevingsplan aandachtsgebieden en voorschriftengebieden zijn aangewezen in het verband met het groepsrisico. Het groepsrisico gaat over de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied. Er zijn drie typen aandachtsgebieden:

  • 1. Brandaandachtsgebieden
  • 2. Explosieaandachtsgebieden
  • 3. Gifwolkaandachtsgebieden

Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. In het deelplan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. In een deelplan dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het deelplan kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Bbl.

4.6.2 Toetsing

Het plangebied Burg. Goossenstraat 48 (blauw omlijnd) ligt niet binnen invloedsgebieden van risicobronnen, zie figuur 4.3. Ten zuidwesten van het plangebied is een LPG-tankstation aanwezig. Gelet op de afstand tot het plangebied is het bijbehorende aandachtsgebied niet van invloed op het planvoornemen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1728.TOBBurgGoosstr48-VAST_0015.png"

Figuur 4.3; Uitsnede kaart externe veiligheid, bron: Atlas Leefomgeving

4.6.3 Conclusie

Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.7 Natuur

4.7.1 Toetsingskader

Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen plant- en diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn.

Gebiedsbescherming

De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.

Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

  • 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden;
  • 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en
  • 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd.

Soortenbescherming

Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming.

Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of:

  • er soorten aanwezig zijn; en
  • welke soorten dat zijn.

In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.

4.7.2 Toetsing

Voor de plansituatie is een Quickscan natuur uitgevoerd door Econsultancy. Dit onderzoek is als Bijlage 3 Quickscan natuur Burg. Goossenstraat 10-10-2022 opgenomen bij het plan. Daarnaast is een nader onderzoek natuur uitgevoerd door Econsultancy. Dit onderzoek is als Bijlage 4 Aanvullend ecologisch onderzoek Burg. Goossenstraat 11-11-2024 opgenomen bij het plan. Uit de onderzoeken kan het volgende worden geconcludeerd.

Gebiedsbescherming

Het Natura 2000-gebied 'Kempenland west', gelegen op circa 1,5 km van het projectgebied, is het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied.

Met behulp van het rekenprogramma Aerius Calculator is de stikstofdepositiebijdrage vanwege de bouw- en gebruiksfase berekend ter plaatse van nabijgelegen gevoelige habitattypen in de voor het project relevante Natura 2000-gebieden.

De voor stikstofdepositie mogelijk relevante bronnen ten gevolge van gebruik in de toekomstige situatie betreffen de verkeersbewegingen van bewoners en bezoekers en de stikstofemissies ten gevolge van stookinstallaties. Gedurende zullen de aanlegfase emissies plaatsvinden door mobiele werktuigen en bouwverkeer.

Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat de stikstofdepositie niet meer dan 0,00 mol N/ha/jaar bedraagt.

Op circa 1,5 km van het projectgebied bevindt zich het dichtstbijzijnde onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Gelet op de afstand en de aard van de werkzaamheden worden geen nadelige effecten verwacht op het NNN.

Soortenbescherming

Op basis van de quickscan natuur kan het volgende worden geconcludeerd:

Algemene broedvogels

Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien het groen buiten het broedseizoen wordt verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot september worden aangehouden. Indien binnen het broedseizoen gewerkt wordt, dient vooraf aan de werkzaamheden een broedvogelinspectie te worden uitgevoerd.

Vleermuizen

De te slopen bebouwing binnen het projectgebied is in principe geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. Hiervoor geldt dat nader onderzoek omtrent de aan- of afwezigheid van verblijfplaatsen noodzakelijk wordt geacht voor het huidige gebouw. Het gebouw kan geschikt zijn als verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger.

Dit houdt in dat afhankelijk van de potentiële functies er in de periode april tot en met september een aantal veldbezoeken uitgevoerd dient te worden. Vervolgens kan aan de hand van de onderzoeksresultaten worden vastgesteld of er overtredingen plaats zullen vinden bij de uitvoering van het project.

Nader onderzoek vleermuizen

In de bebouwing van het plangebied is een paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis vastgesteld. Ten zuiden van het projectgebied is tevens een paarverblijplaats van de gewone dwergvleermuis aangetroffen.

Met betrekking tot de voorgenomen plannen ter plaatse van het projectgebied is er mogelijk sprake van opzettelijke beschadiging, vernieling en/of verstoring van een verblijfplaats van de gewone dwergvleermuis. Bij uitvoering van de werkzaamheden is dan ook sprake van overtreding van de Omgevingswet.

Ten behoeve van de uitvoering dient een vergunning te worden aangevraagd bij de provincie Noord-Brabant voor het opzettelijk beschadigen, vernielen en verstoren van de verblijfplaats van de gewone dwergvleermuis (artikel 11.46 (Bal), lid 1a, b en d). Daarnaast zal door het treffen van maatregelen de functionaliteit van de vaste verblijfplaats behouden moeten blijven en zal schade aan individuen moeten worden voorkomen. De maatregelen dienen ter onderbouwing van de vergunningsaanvraag te worden vastgelegd in een activiteiten-plan.

Tevens dient ten aanzien van het paarverblijf ten zuiden van de onderzoekslocatie verstoring te worden voorkomen door nachtelijke verlichting zowel in de sloop-/bouwfase als in de toekomstige situatie te voorkomen of tot een minimum te beperken.

Verder dient te allen tijde de algemene zorgplicht in acht te worden genomen. Dit houdt in dat incidenteel op het projectgebied voorkomende dieren de gelegenheid moeten krijgen om te vluchten en zoveel mogelijk ontzien worden gedurende de werkzaamheden.

Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën

Met betrekking tot algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht waarbij al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het beschadigen van individuen te voorkomen.

Stikstofdepositie

Zowel de aanleg- als de gebruiksfase van de ontwikkeling kunnen negatieve gevolgen hebben voor stikstofgevoelige habitattypen binnen nabijgelegen beschermde natuurgebieden. Op 24 mei 2025 heeft NOX Advies een onderzoek uitgevoerd naar de stikstofdepositie in beide fases. Dit onderzoek is als Bijlage 5 Stikstofdepositie Burg. Goossenstraat, 24-05-2025 opgenomen bij het plan. Voor de berekening van de aanlegfase wordt de maatgevende aaneengesloten periode van 12 maanden gehanteerd. Voor de berekening van de gebruiksfase wordt het toekomstig gebruik gedurende een periode van 12 maanden aansluitend op de aanlegfase gehanteerd.

De relevante emissies van stikstofoxiden en ammoniak tijdens de aanlegfase vinden plaats door de verkeersbewegingen ten behoeve van de af- en aanvoer van materialen en het vervoer van personeel, koude starts van vertrekkende voertuigen, het stationair draaien van vrachtwagens op het terrein en de inzet van mobiele werktuigen tijdens de sloop, constructie en verbouw. De werkzaamheden zullen in 2025 worden uitgevoerd. De relevante emissies tijdens de gebruiksfase vinden plaats door de verkeersbewegingen van en naar de gerealiseerde ontwikkeling en koude starts van vertrekkende voertuigen.

De berekening van het projecteffect van zowel de aanleg- als de gebruiksfase is verricht met behulp van het programma AERIUS Calculator versie 2024.2.1.

4.7.3 Conclusie

Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.8 Water en watersystemen

4.8.1 Toetsingskader

Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het wettelijk kader is afhankelijk van zowel gemeentelijk beleid als het beleid van het waterschap.

4.8.2 Toetsing

Voor de plansituatie is een weging van het waterbelang uitgevoerd door Tritium. Dit onderzoek is als Bijlage 6 Weging van het waterbelang, 17-09-2025 opgenomen bij het plan. Uit het onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd.

Huidige situatie

Gebied specifieke eigenschappen m.b.t. water

De projectlocatie ligt niet in een grondwaterberschermings-, grondwaterwin-, attentiegebied of boringsvrijezone. Verder is in de directe omgeving van het projectgebied geen oppervlaktewater aanwezig.

Verharding

In de huidige situatie is het projectgebied vrijwel volledig verhard, namelijk 3.502 m2. Bij nieuwbouw is er vanuit de gemeente en het waterschap De Dommel een verplichting om bij nieuwe ontwikkelingen watercompensatie aan te leggen. Hierbij geldt een waterbergingsopgave van 60 mm per vierkante meter.

Afvalwater 

Rondom het plangebied ligt er een gemengd gemeentelijk rioolsysteem. In de Torenbogt (vanaf de hoek Burg. Goossensstraat – Julianaplein) ligt er wel een gescheiden rioolstelsel. Er bevindt zich reeds een bestaande aansluiting op de gemeentelijke riolering, zowel voor het vuil afvalwater als voor het hemelwater, ten behoeve van de voormalige Sint Petrusschool.

Toekomstige situatie

Verharding

Het projectgebied aan de Burgemeester Goossenstraat is in de huidige situatie vrijwel volledig verhard met 3.502 m2. Na realisatie van voorliggend projectvoornemen zal het toekomstig verhard oppervlak afnemen met 824 m2. Daarmee is het plan vanuit het waterschapsbeleid vrijgesteld van de vergunningplicht en compensatie-eis voor de afvoer van hemelwater van nieuw verhard oppervlak naar een oppervlaktewater. Vanuit het gemeentelijk beleid is het uitgangspunt om bij herinrichting van het openbaar gebied 60 mm waterberging te realiseren. Bij herinrichting van woongebieden worden er vooralsnog geen bergingseisen opgelegd aan de betrokken particulieren.

In de nieuwe situatie bedraagt het totaal verhard oppervlak van het openbaar gebied 760 m2. Op basis van de gemeentelijke bergingseis van 60 mm per m2 afvoerend oppervlak bedraagt de benodigde hemelwaterberging circa 45,6 m3 voor het volledige verhard oppervlak binnen het openbare gebied.

Oplossingen waterberging

Ter plaatse van het groen kan hemelwater direct infiltreren in de bodem. Daarnaast kan in het groen een wadi worden aangelegd om het hemelwater te bergen en langzaam te infiltreren in de bodem. Gezien de lage grondwaterstand en omdat er sprake is van enige wegzijging ter plaatse van het plangebied, kan gesteld worden dat de locatie geschikt is voor toepassing van een wadi of eventueel andere infiltratievoorzieningen.

Aanvullend kan gedacht worden aan het toepassen van half-verharding, waterpasserende verharding en de aanleg van een verlaagde straat. Ten behoeve van het hemelwater afkomstig van het dakoppervlak kan gedacht worden aan het toepassen van een groen dak.

Te allen tijde dient vanuit de bergingsvoorziening een overloopconstructie te worden aangelegd om ook bij extreme neerslag het overtollige hemelwater te kunnen afvoeren. Deze overloopconstructie dient te worden aangesloten op de gemeentelijke (hemelwater)riolering. De herontwikkeling biedt tevens mogelijkheden voor meekoppelkansen door het bestaande gemengde riool in de omliggende straten te vervangen door een gescheiden rioolstelsel, waarmee het hemelwater apart kan worden ingezameld en verwerkt.

Gezien voorgaande zal het aspect water geen belemmering vormen voor de uitvoering van het project en komen er geen waterbelangen in het geding. Aangezien er sprake is van een afname van het verhard oppervlak wordt het rioleringssysteem reeds ontlast als gevolg van de herinrichting van het plangebied.

4.8.3 Conclusie

Het aspect water en watersystemen vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.9 Cultureel erfgoed, landschap en stedenbouw

4.9.1 Toetsingskader

In artikel 1.2 Omgevingswet staat aangegeven dat de fysieke leefomgeving in ieder geval cultureel erfgoed omvat. Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan, is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet.

Er dient rekening te worden gehouden met het belang van het behoud van dit cultureel erfgoed. Dit houdt ook in, dat in het omgevingsplan regels moeten worden gesteld ter bescherming van het cultureel erfgoed. In het belang hiervan, worden in het omgevingsplan ook regels gesteld over eisen aan onderzoek naar de gevolgen die activiteiten hebben op het cultureel erfgoed. Activiteiten mogen geen nadelige gevolgen hebben voor culturele, archeologische en historische waarden in de omgeving. Het is dan ook verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.

Erfgoedkaart Zuidoost-Brabant

Tussen 2009 en 2012 heeft de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (destijds nog de SRE Milieudienst) voor 11 gemeenten in Zuidoost-Brabant (Oirschot, Reusel-De Mierden, Bladel, Eersel, Bergeijk, Heeze-Leende, Cranendonck, Waalre, Valkenswaard, Geldrop-Mierlo en Laarbeek) een Beleidsplan Archeologische Monumentenzorg en een gemeentelijke Erfgoedkaart opgesteld, waarin zowel de archeologische waarden en verwachtingen als de cultuurhistorische waarden zijn opgenomen. In 2011-2012 zijn de erfgoedkaarten en beleidsplannen door de diverse gemeenten vervolgens ook vastgesteld.

Doel van de erfgoedkaart is om het erfgoed een betere bescherming te kunnen geven via het (TAM) omgevingsplan en/of erfgoedverordening, zoals in de Erfgoedwet staat omschreven. Bij de inventarisatie zijn niet alleen de nog zichtbare overblijfselen uit het verleden opgenomen, maar wordt vooral ook een overzicht van voormalige elementen en structuren met hun landschapsgenetische context, ongeacht de mate waarin deze thans aan de oppervlakte nog zichtbaar zijn, meegenomen. Dit biedt de mogelijkheid om gericht archeologische waarden te beschermen, maar ook om de planvorming te adviseren over het bewaren en eventueel herstellen van cultuurhistorische waarden. Daarbij moet niet alleen gedacht worden aan stedenbouwkundige plannen, maar ook aan de planning rond landinrichting en natuurbeheer en natuurbouw.

4.9.2 Toetsing

Cultuurhistorie 

In artikel 1.2 Omgevingswet staat aangegeven dat de fysieke leefomgeivng in ieder geval cultureel erfgoed omvat.

Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan, is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. Dit betekent ook dat voor cultureel erfgoed geldt dat activiteiten geen andelige geovlgen mogen hebben. Het is dan ook verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.

Plangebied 

Binnen het plangebied komen geen monumenten voor. Ook is het plangebied geen onderdeel van een stads- of dorpsgezicht, cultuurlandschappen of andder cultureel erfgoed. De beoogde ontwikkeling heeft geen invloed op bestaande structuren.

Archeologie

Er dient rekening gehouden te worden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, waaronder archeologische monumenten (par. 5.1.5.5 Bkl). Dit door regels te stellen ter bescherming van het cultureel erfgoed gericht op:

  • Het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van op grond van het omgevingsplan beschermde archeologische monumenten:
  • Het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur in situ. In het belang hiervan wordt in het omgevingsplan ook regels gesteld over eisen aan onderzoek.

Plangebied 

Binnen het plangebied is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' aanwezig. Voor de 'Waarde - Archeologie 3' geldt een vrijstellingsgrens van 250 m2 en 0,3 m onder maaiveld. Voorliggend planvoornemen voldoet niet aan deze grens. Om deze reden is onderzoek noodzakelijk. Voor de plansituatie is een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd door BAAC. Dit onderzoek is als Bijlage 7 Archeologisch bureauonderzoek en veldonderzoek Burg. Goossenstraat 08-2025 opgenomen bij het plan. Uit dit onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd.

In de omgeving van Burgemeester Goossenstraat 48 zijn resten aangetroffen die dateren vanaf de volle middeleeuwen tot in de nieuwe tijd. Deze zijn te relateren aan bekende historische bebouwing. Door de huidige inrichting van het projectgebied is het originele bodemprofiel (deels) afgetopt. Uit het bureauonderzoek komt naar voren dat er een lage verwachting is voor jager-verzamelaars. Vanwege de goede bodemgeschiktheid geldt een hoge verwachting voor landbouwers uit het neolithicum tot en met de volle middeleeuwen. De kans op de aanwezigheid van nederzettingssporen uit de nieuwe tijd is laag.

Uit het veldonderzoek blijkt dat de enkeerdgrond voorkomt. De top van de enkeerdgronden is tot 0,5 à 0,8 m -mv verstoord en/of er is zand opgebracht. De basis van het plaggendek ligt tussen circa 0,8 à 1,1 m -mv. Vanaf deze diepte kunnen eventuele archeologische sporen verwacht worden. Sporen van het verwachte kerkepad zullen vanwege de oppervlakkige ligging vernietigd zijn. Archeologische waarden of resten worden niet binnen 0,5 m -mv verwacht. Diepere graafwerkzaamheden vormen mogelijk een bedreiging voor eventuele archeologische waarden. Om aan te tonen of daadwerkelijk archeologische waarden aanwezig zijn en in welke vorm wordt geadviseerd een proefsleuvenonderzoek uit te voeren. Het proefsleuvenonderzoek dient plaats te vinden voorafgaand aan de ondergrondse sloop van de gebouwen. De resultaten hiervan worden later toegevoegd aan voorliggend plan.

4.9.3 Conclusie

Het aspect cultureel erfgoed, landschap en stedenbouw vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.10 Bescherming van de gezondheid

4.10.1 Toetsingskader

Het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit is een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen.

Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, kwaliteit van de buitenlucht en bodem. Deze aspecten zijn in de voorgaande paragrafen gemotiveerd.

4.10.2 Toetsing

Uit de toetsing op afzonderlijke relevante thema's blijkt dat er sprake is van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Met de realisatie van voorliggend plan wordt de kwaliteit van de leefomgeving verbeterd door een eigentijdse impuls te geven aan de bebouwing door sloop/nieuwbouw te realiseren. Deze omgeving zal een aantrekkelijke woonomgeving worden en daardoor ontmoeting stimuleren. Voorliggend project draagt bij aan deze levendige omgeving door de realisatie van 22 woningen.

4.10.3 Conclusie

Het aspect bescherming van de gezondheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.11 Niet gesprongen explosieven

4.11.1 Toetsingskader

Op vele locaties in Nederland bevinden zich nog conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in de ondergrond, zoals niet ontplofte vliegtuigbommen, blindgangers, granaten, mijnen en (handwapen)munitie. Volgens de risicokaart is het plangebied gelegen in een gebied dat onderhevig is geweest aan zware oorlogshandelingen. Bij eventuele grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen in het plangebied, dient er uit het oogpunt van veiligheid en zorgvuldigheid gezocht te worden naar niet gesprongen explosieven (NGE).

4.11.2 Toetsing

De gemeente Bladel heeft een niet gesprongen explosieven kaart waarin het plangebied is aangewezen als NGE-risicogebied: verdacht op Geschutmunitite, zie figuur 4.4. Het gebouw binnen het plangebied is gerealiseerd in de naoorlogse periode. Als gevolg van de realisatie van het huidige gebouw aan de Burgemeester Goossenstraat 48 worden er geen ontplofbare oorlogsresten verwacht. Nader onderzoek in het kader van de ruimtelijke procedure is niet nodig.

Er wordt geadviseerd om bij grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen een detectieonderzoek uit te (laten) voeren. Dit onderzoek dient plaats te vinden in het kader van de Arbowetgeving en is in het kader van de planologische procedure niet juridisch afdwingbaar. Bij toekomstige grondwerkzaamheden is het echter te allen tijden de verantwoordelijkheid van de werkgever om te zorgen voor een veilige werkplek voor zijn personeel. De arbeidsinspectie is de instantie die hierop toeziet.

afbeelding "i_NL.IMRO.1728.TOBBurgGoosstr48-VAST_0016.png"

Figuur X kaart niet gesprongen explosieven 19-02-2022

afbeelding "i_NL.IMRO.1728.TOBBurgGoosstr48-VAST_0017.png"

Figuur 4.4 Legenda bij kaart niet gesprongen explosieven 19-02-2022

4.11.3 Conclusie

Het aspect ontplofbare oorlogsresten vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.12 M.e.r.-beoordeling

4.12.1 Toetsingskader

Of een besluit over een project-mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, geldt een mer-plicht. Anders geldt een mer-beoordelingsplicht, tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan.

Het bevoegd gezag neemt een besluit over het resultaat van de beoordeling of sprake is van aanzienlijke milieueffecten. Hiervoor dient de aanvraag in ieder geval gepaard te gaan met een beschrijving van:

  • a. het project, met in ieder geval een beschrijving van:
    • 1. de fysieke kenmerken van het gehele project;
    • 2. de locatie van het project, met bijzondere aandacht voor de kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop het project van invloed kan zijn
  • b. de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project; en
  • c. voor zover er informatie over deze effecten beschikbaar is:
    • 1. de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project ten gevolge van:
    • 2. de verwachte residuen en emissies en de productie van afvalstoffen; en
    • 3. het gebruik van natuurlijke bronnen, waaronder bodem, land, water en biodiversiteit.

4.12.2 Toetsing

Het bouwen van woningen kan gezien worden als een stedelijk ontwikkelingsproject zoals opgenomen in bijlage V bij het Omgevingsbesluit in kolom 3 (zonder voorwaarden). In beginsel betekent dat, dat er een m.e.r.-beoordeling dient te worden uitgevoerd. Gezien de aard en omvang van voorliggend project wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in Bijlage V van het Omgevingsbesluit, omdat aantal woningen beperkt is tot 22.

De fysieke kenmerken en locatie van het project staan beschreven in hoofdstuk 2, de mogelijke milieueffecten van het plan staan beschreven in hoofdstuk 4. De quickscan flora en fauna bevat een uitgebreide toelichting op de afstand tot en het effect op kwetsbare gebieden. Hierbij wordt ingegaan op de resultaten van deze quickscan.

 

4.12.3 Conclusie

Uit voorliggende motivering kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling, zoals bedoel in Bijlage V van het Omgevingsbesluit, omdat het aantal woningen beperkt is tot 22. Buiten dat staat vast dat er geen aanzienlijke milieueffecten te verwachten zijn.

Hoofdstuk 5 Juridische planopzet

5.1 Algemene opzet

5.1.1 Inleiding

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het juridisch-planologisch mogelijk maken van 22 grongebonden woningen aan de Burg. Goossensstraat 48 in Bladel. Het TAM-omgeivngsplan wordt als een nieuwe hoofdstuk opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Bladel (hoofdstuk 22a). Het TAM-omgeivngsplan (nieuw hoofdstuk) wordt bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Belsuit ruimtelijke ordening, op https://www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen. Het TAM-omgevingsplan wordt in een later stadium opgenomen in het definitieve omgevingsplan van de gemeente Bladel.

Het TAM-omgevinsplan hoofdstuk 22a TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Burg. Goossensstraat 48 Bladel (voorm. Petrusschool) te Bladel' bestaat uit de volgende onderdelen.

5.1.2 De motviering

In de motivering is de ontwikkeling beschreven en verantwoord in het licht van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, zowel op basis van het beleid als op basis van diverse omgevingsaspecten, aangevuld met een toelichting op de juridische opzet.

5.1.3 De regels

De regels worden opgenomen als afzonderlijk hoofdstuk binnen het omgevingsplan van de gemeente Bladel. De regels bevatten onder andere de bouw- en gebruiksregels, die zijn gekoppeld aan de aangeduide gebieden op de digitale verbeelding. De regels van dit hoofdstuk gelden naast de overige regels van het omgevingsplan.

5.1.4 De (digitale) verbeelding

Op de digitale verbeelding zijn gebieden opgenomen, die zijn gekoppeld aan bepaalde (primaire) functies. Deze worden in paragraaf 5.2 nader toegelicht.

5.1.5 De opzet van het plan

Het omgevingsplan bevat regels die bindend zijn voor eenieder. Gekozen is voor zoveel mogelijk concrete regels in dit TAM-omgevingsplan, omdat er sprake is van een concreet initiatief. Daarbij is waar mogelijk aanlsuiting gezocht bij de planregels van het bestemmingsplan 'Kom Bladel'. Deze bestemmingsplannen maken onderdeel uit van het van rechtswege ontstane omgevingsplan. Hiermee wordt de rechtseenheid binnen het tijdelijke omgevingsplan bevorderd.

5.2 Toelichting op de regels

Op de verbeelding zijn gebieden opgenomen, die zijn gekoppeld aan functies met bijbehorende regels. Hierna worden deze functeis met bijbehorende regels kort toegelicht.

Wonen

Het grootste gedeelte van het plangebied heeft de functie 'Wonen'. Deze gronden zijn bedoeld voor wonen, tuinen, erven en verhardingen, voorzieningen voor verkeer en verblijf en water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

Binnen de bestemming 'Wonen' mogen hoofdgebouwen slechts binnen het daarvoor aangewezen bouwvlak worden gebouwd. Er mogen maximaal 22 woningen worden gebouwd. De voorgevel dient te worden gesitueerd in de naar de weg toegekeerde zijde van het bouwvlak, dan wel op een afstand van maximaal 3 meter daarachter. De maximale goot- en bouwhoogtes zijn aangegeven op de (digitale) verbeelding. Van de maximale goot- en bouwhoogte kan worden afgeweken ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 1' mits de maximum goot- en bouwhoogte niet hoger wordt dan 7 en 10 meter, het vanuit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar is en de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad.

Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden regels in aanvulling op de regels in artikel 22.27 van het Omgevingsplan gemeente Bladel.

Er mag ondergronds worden gebouwd, mits wordt voldaan aan de in het plan daarvoor opgenomen vereisten.

Groen

Een gedeelte van het plangebied krijgt de functie 'Groen'. Deze gronden zijn aangewezen voor groenvoorzieningen, speelvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, waaronder waterlopen en waterpartijen, voorzieningen voor langzaam verkeer, geluidwerende voorzieningen en inritten. Op de voor 'Groen' aangewezen gronden zijn slechts bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan.

Verkeer

Ter plaatse van de nieuwe parkeerplaatsen krijgen de gronden de functie 'Verkeer'. Deze gronden zijn aangewezen voor voorzieningen voor verkeer en verblijf, parkeervoorzieningen, standplaatsen, speelvoorzieningen, groenvoorzieningen, nutsvoorzieningen en water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

Waarde - Archeologie 3

Aan het plangebied is de functie 'Waarde - Archeologie 3' toegekend. Deze gronden zijn, behlave voor de andere daar voorkomende functies, mede bedoeld voor de instandhouding en beschermming van de in de grond verwachte archeologische waarden. Bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning bouwwerken op deze gronden dient een archeologisch onderzoek te worden overgelegd asl de bodemingrepen een groter oppervlakte hebben dan 250 m2.

Voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden is een omgevingsvergunningplicht opgenomen.

Algemene regels

In de algemene regels is een aantal bepalingen opgenomen die gelden binnen het gehele plangebied van dit TAM-omgevingsplan. Dit betreft onder andere de voorwaardelijke verplichting om voldoende waterberging aan te leggen.

Overige regels

In de overige regels is een bepaling opgenomen met specifieke beoordelingsregels voor parkeeractiviteiten. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen of voor een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit dient te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid en ruimte voor laden en lossen.

Hoofdstuk 6 Financiële en maatschappelijke haalbaarheid

6.1 Financiële haalbaarheid

De Omgevingswet verplicht overheden om de kosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen naar evenredigheid te verhalen op initiatiefnemers die profijt hebben van de aan te leggen openbare voorzieningen. Dit kostenverhaal geldt voor kostenverhaalsplichtige activiteiten, waaronder bouwactiviteiten. Eén van de bouwactiviteiten waarvoor kosten worden verhaald, is de bouw van één of meer gebouwen met een woonfunctie.

Het Omgevingsbesluit bevat relevante regels over (verplicht) kostenverhaal.

6.2 Maatschappelijke haalbaarheid

6.2.1 Inleiding

De procedures voor een wijziging van het omgevingsplan zijn door de wetgever geregeld. Daarnaast bepaalt de Omgevingswet dat bij ruimtelijke ontwikkelingen zorgvuldige participatie moet plaatsvinden en de gemeente overleg met belanghebbende instanties moet voeren.

6.2.2 Participatie

In het kader van participatie zijn alle omwonenden in kennis gesteld van het voornemen om op het aangrenzende perceel 22 grondgebonden woningen te bouwen. De omwonenden zijn uitgenodigd voor een participatie bijeenkomst. Tijdens de bijeenkomst was er veel aandacht voor het ontwerp. Tijdens de bijeenkomst zijn door de omwonenenden de 3 mogelijke stedenbouwkundige modellen beoordeeld. Naar aanleiding van de participatie bijeenkomst heeft de gemeente van de drie concept modellen een definitief ontwerp gemaakt. Dit nieuwe ontwerp is gemaakt op basis van de feedback van de aanwezige omwonenden en is vervolgens door de gemeente via een film gepresenteerd aan de omwonenden met een inhoudelijke toelichting. Nadat deze film gedeeld is met de deelnemers van de participatiebijeenkomst is het stedenbouwkundig model ter besluitvorming aan het college voorgelegd. Op 22 april 2025 stemde het college in met het model.

Tijdens de totstandkoming van het plan zijn de balenghebbenden op de hoogte gehouden door middel van voortgangsmails. In deze mails werden updates gegeven over de stand van zaken van voorliggend plan.

6.2.3 Overleg

Bij de voorbereiding van een wijziging van het omgevingsplan moet overleg worden gevoerd met bestuursorganen en instanties die belast zijn met de behartiging van belangen, welke in het plan (mogelijk) in het geding zijn, zoals de provincie en het waterschap.

De stukken behorende bij het ontwerpbesluit tot wijziging van het omgevingsplan zijn aan de betrokken vooroverlegpartners voorgelegd. In dit geval de provincie Noord-Brabant en Waterschap De Dommel.

6.2.4 Procedure wijziging van het omgevingsplan

Het voornemen tot wijzigen van het omgevingsplan is op 14 mei 2025 door de gemeente gepubliceerd op: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-202319.pdf. Het ontwerpbesluit tot wijziging van het omgevingsplan is bekendgemaakt en gedurende zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode kon eenieder zijn zienswijzen kenbaar maken tegen het plan. De zienswijzen zijn samengevat en van een reactie voorzien door de gemeente.

Het omgevingsplan wordt vervolgens, na het doorvoeren van aanpassingen, vastgesteld door de gemeenteraad