| Plan: | CPO Den Tip Casteren |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1728.BPC2003DenTip-VAST |
In het centrum van Casteren is de gemeente Bladel voornemens om de percelen op de hoek van de Kerksraat - Hemelrijken te ontwikkelen ten behoeve van woningbouw. Het beoogde programma bestaat uit tien nieuwbouwwoningen voor starters en senioren en zullen gebouwd worden middels een CPO-constructie (Collectief Particulier Opdrachtgeverschap). Momenteel is het terrein ingericht met een langgevelboerderij en een vrijstaande burgerwoning. Het achterterrein is ingericht met privétuinen met daarop enkele schuurtjes en bijgebouwen.
Voor het plangebied is het bestemmingsplan 'Kom Casteren 2019' (vastgesteld op 20 juni 2019) van toepassing en geldt de bestemming 'Wonen'. De beoogde ontwikkeling is in strijd met het bestemmingsplan. Door middel van een nieuw bestemmingsplan kan de beoogde ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk worden gemaakt.
Het plangebied bevindt zich op de hoek van de Kerksraat - Hemelrijken, in het centrum van de kern Casteren. Kadastraal worden de percelen aangeduid met HGL04 - D - 3325, HGL04 - D - 3324 en HGL04 - D - 3532. De directe omgeving wordt gekenmerkt door diverse functies, zoals wonen (voornamelijk vrijstaande en twee-onder-een-kapwoningen), horeca en bedrijvigheid. Ten oosten van het plangebied bevinden zich de karakteristieke koepelkerk, gemeenschapshuis 'Den Aord' en de bredeschool Sint-Jansschool. De ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 1.1.
Figuur 1.1 Ligging plangebied (Bron: Luchtfoto)
Voor het plangebied is het bestemmingsplan 'Kom Casteren 2019' (vastgesteld op 20 juni 2019) van toepassing. De verbeelding hiervan is weergegeven in figuur 1.2. Het plangebied is in het geldend bestemmingsplan bestemd als 'Wonen'. De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
Figuur 1.3 Bestemmingsplan 'Kom Casteren 2019' met aanduiding plangebied
(Bron: Ruimtelijkeplannen)
Conform het geldende bestemmingsplan zijn op dit moment twee woningen toegestaan. Ten behoeve van de bestaande bebouwing zijn twee bouwvlakken en de bouwaanduiding 'specifieke bouwaanduiding - open' opgenomen. Daarnaast geldt voor het gehele plangebied de functieaanduiding 'bedrijf aan huis'. Het bevoegd gezag kan ter plaatse van deze aanduiding een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 15.1 voor het toestaan van de uitoefening van bedrijfs-/beroepsmatige activiteiten aan huis. Ter signalering is voor een gedeelte van het plangebied (figuur 1.3) tevens de dubbelbestemming 'Waarde - archeologie 3' opgenomen.
Figuur 1.3 Gedeelte plangebied met de dubbelbestemming 'Waarde - archeologie 3'
(Bron: Ruimtelijkeplannen)
De beoogde realisatie van tien woningen past niet binnen de regels van dit bestemmingsplan. Derhalve is, ten behoeve van het totale plan, voorliggend bestemmingsplan opgesteld en zijn de benodigde onderzoeken uitgevoerd.
Hoofdstuk 2 geeft een beschrijving van de huidige situatie in en rond het plangebied en geeft inzicht in de beoogde ontwikkeling. In hoofdstuk 3 wordt de beoogde ontwikkeling getoetst aan de beleidskaders van het Rijk, de provincie Noord-Brabant en de gemeente Dongen. Hoofdstuk 4 omvat de toets aan de sectorale milieu- en omgevingsaspecten. In hoofdstuk 5 komt de juridische planbeschrijving aan de orde. In hoofdstuk 6 wordt nader ingegaan op de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan en de procedure.
Het plangebied aan de Kerksraat - Hemelrijken te Casteren wordt aan de zuid- en westzijde omgeven door woonpercelen en aan de noord- en oostzijde door een divers aanbod aan functies, waaronder de bredeschool Sint-Jansschool, de Sint-Willibrordkerk, gemeenschapshuis 'Den Aord', café Den Bels en een openbare parkeerplaats voor de woonbuurt Durkijk. Figuur 2.1 toont een luchtfoto met de aanduiding van het plangebied. Adressen verbonden aan het perceel zijn Kerkstraat 30 en Kerkstraat 32.
Figuur 2.1 Luchtfoto met aanduiding plangebied (Bron: Luchtfoto)
Het plangebied is voor circa een derde deel verhard en bebouwd met twee hoofdgebouwen en diverse bijbehorende opstallen. De percelen worden omringd door een groen haag en/of opgaande beplanting. De hoofdbebouwing is geörienteerd op de Kerkstraat. Aan de overzijde van de Kerkstraat zijn twee woningen en het speelplein van de bredeschool gesitueerd. Een aantal afbeeldingen van het plangebied en de directe omgeving zijn weergegeven in de figuren 2.2 t/m 2.6.
Figuur 2.2 Afbeelding hoek Kerksraat - Hemelrijken
Figuur 2.3 Afbeelding achterterrein met diverse opstallen
Figuur 2.4 Achteraanzicht bestaande woning Kerkstraat 32
Figuur 2.5 Afbeelding bredeschool Sint-Jansschool aan de overzijde van het plangebied
Figuur 2.6 Sint-Willibrordkerk, gemeenschapshuis 'Den Aord' en café Den Bels aan het centrale plein
De beoogde herontwikkeling van het plangebied bestaat uit de realisatie van tien nieuwbouwwoningen die gerealiseerd worden middels een CPO-constructie (Collectief Particulier Opdrachtgeverschap). De verkavelingsschets is weergegeven in figuur 2.7.
Figuur 2.7 Verkavelingsschets herontwikkeling CPO Den Tip Casteren (Bron: Keeris architecten, 2020)
De herontwikkeling van de planlocatie zal aansluiten bij de behoefte aan betaalbare woningen voor starters en senioren (zie hierover meer in paragraaf 3.3) en moet bijdragen aan een kwaliteitsverbetering van de dorpskern Casteren. De ruimtelijke kwaliteit van de dorpskern wordt met dit plan versterkt door de sloop van de verouderde bebouwing enerzijds, en de aanleg van groen (in de hoek Hemelrijken/Kerkstraat en strook noordzijde) anderzijds. Daarnaast ontstaat een kwaliteitsslag wanneer er nauwe afstemming plaatsvindt met de omliggende openbare ruimte, de naburige woonpercelen en overige functies zoals de school aan de overzijde en het café aan de noordzijde. De afstemming ten aanzien van de omliggende functies is opgenomen in paragraaf 4.4 en vertaald naar de verbeelding en regels van het voorliggend bestemmingsplan. Op de verbeelding is daartoe een bouwvlak opgenomen dat de minimale afstand tot de omliggende functies en de Hemelrijken en de Kerkstraat waarborgt.
De goot- en bouwhoogte van de nieuwbouw bedraagt 4,5 en 9 meter. Aan de achterzijde van de woningen bedraagt de maximale goothoogte maximaal 6 meter. Er zijn zowel twee-onder-een-kap als rijwoningen toegestaan. De woningen zijn allen voorzien van een kap. De parkeervraag van de nieuwbouw wordt binnen het plangebied te worden opgelost.
Door de verschillende overheden is beleid geformuleerd ten aanzien van ruimtelijke ontwikkelingen. Paragraaf 3.2 behandelt het rijksbeleid. Het provinciaal beleid is opgenomen in paragraaf 3.3. Het relevante regionale beleid is opgenomen in paragraaf 3.4. Tot slot wordt in paragraaf 3.5 de beoogde ontwikkeling getoetst aan het gemeentelijk beleid.
Op 13 maart 2012 is door de minister van Infrastructuur en Milieu het vaststellingsbesluit zoals bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) ondertekend. Daarmee is het nieuwe ruimtelijke en mobiliteitsbeleid zoals uiteengezet in de SVIR van kracht geworden. Deze structuurvisie geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid op rijksniveau. Het hoofdthema van de SVIR is: "Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig". De structuurvisie geeft een visie voor Nederland tot het jaar 2040. Er zijn in de structuurvisie drie hoofddoelen opgenomen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028). Deze doelen zijn:
Voor een aanpak die Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig maakt, is een nieuwe aanpak in het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid geformuleerd. Het Rijk laat de ruimtelijke ordening meer over aan gemeenten en provincies ('decentraal, tenzij...') en werkt aan eenvoudigere regelgeving. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. De verantwoordelijkheid voor de afstemming tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal laat het Rijk over aan de provincies.
Toetsing
De SVIR wordt gekenmerkt door een hoog abstractie- en schaalniveau en heeft geen directe belangen die geborgd moeten worden ten aanzien van het plangebied.
Het Barro is de juridische vertaling van het beleid dat geschetst is in het SVIR. Dit beleidsdocument bevat regels die doorwerken naar lagere overheden. Dit betekent dat de regels uit het Barro ook geïmplementeerd moeten worden in provinciale en gemeentelijke ruimtelijke plannen. Evenals de SVIR wordt het Barro gekenmerkt door een hoog abstractie- en schaalniveau. Het Barro bevat regels voor bijvoorbeeld de mainportontwikkeling van Rotterdam, het kustfundament en defensie.
Toetsing
Op het plangebied zijn geen voorwaarden van toepassing op basis van het Barro.
Zorgvuldig ruimtegebruik is het uitgangspunt van de (rijks)overheid. Om dit principe beter te borgen is in 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6). Hieruit volgt dat alle ruimtelijke besluiten die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken, aandacht moeten besteden aan de ladder voor duurzame verstedelijking. De grens van een stedelijke van een stedelijke ontwikkeling ligt bij woningen op basis van jurisprudentie op circa 11-14 woningen. De ladder voor duurzame verstedelijking bestaat uit twee stappen: de eerste stap bestaat uit het aantonen van de behoefte voor de beoogde ontwikkeling. Voor de tweede stap wordt er in beginsel vanuit gegaan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling voorzien wordt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient dit nadrukkelijk gemotiveerd te worden in de toelichting van het bestemmingsplan.
Toetsing
De toevoeging van acht nieuwe woningen (twee woningen zijn reeds toegestaan) binnen bestaand stedelijk gebied, is geen stedelijke ontwikkeling (uitspraak Raad van State van 16 september 2015, zaaknummer 201501297). Derhalve is toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking niet noodzakelijk.
De beoogde ontwikkeling past binnen de kaders en randvoorwaarden van het Rijksbeleid.
In de Omgevingsvisie Noord-Brabant is het provinciaal beleid ten aanzien van de ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Noord-Brabant op hoofdlijnen uiteengezet voor de periode tot 2050. Naast een beeld van het Noord-Brabant van nu is een beeld geschetst van het welvarend, verbonden, klimaatproof en vernieuwend Noord-Brabant van 2050. Hieruit zin vier hoofdopgaven onderscheiden die nauw met elkaar samenhangen:
Samen met andere partijen zoals gemeenten en bedrijven wil de provincie uitvoering geven aan projecten die passen binnen deze opgaven. Van belang is dat het in de toekomst ook goed wonen, werken en verblijven blijft. Werken aan een goede omgevingskwaliteit zowel in de bebouwde als in de onbebouwde omgeving is het uitgangspunt.
Toetsing
Stedelijke ontwikkelingen dienen in principe plaats te vinden binnen 'bestaand stedelijk gebied'. Herbestemmen wordt gezien als het nieuwe bouwen: als gevolg van economische, technologische en maatschappelijke ontwikkelingen staan de steden en dorpen van Brabant steeds vaker voor (omvangrijke) herbestemmings- en transformatieopgaven in hun bebouwde gebied. Hier liggen namelijk de kansen om de forse woningbouwopgave van circa 120.000 woningen in de komende tien jaar te realiseren. De beoogde ontwikkeling draagt hieraan bij.
Op 1 januari 2022 treedt de Omgevingswet in werking. Vanwege de Omgevingswet moet de provincie haar regelsysteem aanpassen. Straks heeft de provincie nog maar één verordening waarin alle regels zijn opgenomen over de fysieke leefomgeving. De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is een eerste stap op weg naar de definitieve omgevingsverordening. De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid, zoals de Omgevingsvisie Nood-Brabant. In beginsel zijn de huidige regels met het huidige beschermingsniveau gehandhaafd.
In hoofdstuk 3 van de omgevingsverordening zijn zogenaamde instructieregels opgenomen die gemeenten moeten toepassen in hun bestemmingsplannen. Vooruitlopend op de Omgevingswet richten de instructieregels zich op een evenwichtige toedeling van functies (in plaats van het bestemmen van ontwikkelingen). Dit betekent dat de regels ook vanuit functies (van gebieden) zijn opgebouwd. Daarnaast richten de regels zich op een goede omgevingskwaliteit, inclusief een veilige en gezonde leefomgeving (in plaats van een goede ruimtelijke kwaliteit). Tevens zijn een aantal algemene basisprincipes opgenomen.
Het volgende artikel is relevant voor de beoogde ontwikkeling.
Artikel 3.42 duurzame stedelijke ontwikkeling
Lid 1
Een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen ligt binnen 'stedelijk gebied' en bevat een onderbouwing dat:
Lid 2
Een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen:
Toetsing
Het 'stedelijk gebied' zoals gehanteerd door de provincie bestaat uit het 'stedelijk concentratiegebied' en de 'kernen in landelijk gebied'. Het plangebied ligt binnen de aanduiding 'kern in landelijk gebied' zoals gehanteerd binnen de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant en weergegeven in figuur 3.1. Binnen deze gebieden kan worden voorzien in de ruimte voor wonen, werken en andere voorzieningen om zo de verstedelijking zo veel mogelijk te bundelen. Binnen het stedelijk gebied liggen verschillende mogelijkheden voor inbreiding, herstructurering en intensief, meervoudig ruimtegebruik.
De ontwikkeling kan daarnaast ook gezien worden als duurzame stedelijke ontwikkeling. Het terrein wordt herontwikkeld tot een woongebied waarbij nieuwe, duurzame en gasloze, bebouwing wordt gerealiseerd. De provincie wil dat de kansen voor functiemenging, inbreiding, herstructurering en zo nodig transformatie in het stedelijk gebied goed worden benut, inclusief de mogelijkheden voor intensivering en meervoudig ruimtegebruik. Hierdoor is minder ruimte nodig voor stedelijke uitbreidingen.
De openbare ruimte wordt zodanig ontworpen, dat deze levensloopbestendig wordt uitgevoerd en dat deze toegankelijk is voor verschillende doelgroepen, waaronder starters en senioren. Verder zullen maatregelen getroffen worden ten behoeve van de benodigde watercompensatie. Het mogelijk toepassen van halfverharding bij de parkeerplaatsen is daarbij voorzien. Daarnaast wordt er voldoende groen aangelegd als infiltratiemogelijkheid voor regenwater.
Figuur 3.1 Uitsnede Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (Bron: Provincie Noord-Brabant)
De provincie wil dat nieuwe ontwikkelingen meer inspelen op het karakter en de kwaliteit van de plek. Door bij stedelijke ontwikkelingen uit te gaan van het verschil in omvang en karakter van de verschillende kernen, wordt het contrast tussen stad en dorp behouden. Dit versterkt de identiteit en aantrekkelijkheid van kernen en hun relatie met het omliggende landschap.
In de kernen in het landelijk gebied hanteert de provincie als uitgangspunt dat er alleen voorzieningen worden gevestigd die qua aard, schaal en functie passen. Dit zijn voorzieningen met een lokaal verzorgingsgebied. De kernen in het landelijk gebied bouwen voor de eigen woningbehoefte volgens het
principe van 'migratiesaldo-nul'.
De provincie Noord-Brabant heeft in 2017 de bevolkings- en woningbehoefteprognose geactualiseerd. Vergeleken met de vorige prognoses ligt zowel de groei van de Brabantse bevolking als de groei van de woningvoorraad in de nieuwe prognose hoger. Hierbij spelen de naar boven toe bijgestelde levensverwachting en de sterke huishoudensgroei (onder invloed van de vergrijzing en de individualisering) een grote rol.
In lijn met het provinciale verstedelijkingsbeleid concentreert de groei van de woningvoorraad zich in de stedelijke gebieden. Voor de gemeenten in het landelijk gebied gaat de provinciale prognose uit van het principe dat die gemeenten bouwen voor de eigen natuurlijke bevolkingsaanwas (migratiesaldo-nul). In de bevolkings- en woningbehoefteprognose is per gemeente een indicatie gegeven van de benodigde toename van de woningvoorraad. Deze programmeringsindicatie is richtinggevend voor de regionale woningbouwafspraken. Voor de gemeente Bladel wordt voor de periode 2017-2029 uitgegaan van een indicatieve gemiddelde toename van de woningvoorraad met 850 woningen. Met dit bestemmingsplan worden acht extra woningen mogelijk gemaakt.
De beoogde ontwikkeling past binnen de kaders en randvoorwaarden van het provinciaal beleid.
Op 1 februari 2018 is de actualisatie van de 'Woonvisie Bladel 2016, actualisatie 2018 "De juiste woning op de juiste plek!"' door de raad van de gemeente Bladel vastgesteld. De woningmarkt is de afgelopen jaren ingrijpend veranderd en blijft voortdurend in beweging. Als gemeente wil Bladel hier continu op inspelen, flexibel zijn en open staan voor ideeën van anderen en deze zo veel mogelijk faciliteren. De gemeente Bladel zet met de Woonvisie 2016, actualisatie 2018 vergaande ambities neer. Dit om voor nu en in de toekomst aan de inwoners adequate huisvesting te bieden.
Ambities
Een en ander heeft geresulteerd in een indicatief kwalitatief woningbouwprogramma 2016-2026. Hierin worden bij nieuwe initiatieven/ontwikkelingen, zowel bij transformatie van bestaande woningvoorraad als bij nieuwbouw, in beginsel de navolgende uitgangspunten gehanteerd:
Woningbouwaantallen
Voor een actueel beeld van de toekomstige bevolkingsontwikkelingen, de veranderingen in de bevolkingssamenstelling en de hiermee samenhangende woningbehoefte, wordt de provinciale Bevolkings- en Woningbehoefteprognose regelmatig – en tenminste eenmaal per bestuursperiode – geactualiseerd. Zo kan steeds tijdig worden ingespeeld op nieuwe trends en ontwikkelingen die van invloed zijn op de omvang en samenstelling van de bevolking en kunnen kwantitatieve en kwalitatieve effecten hiervan op de woningmarkt worden aangegeven. De meest recente bevolkings- en woningbehoefteprognoses Noord-Brabant betreffen de actualisering 2017. Op basis van de Bevolkings- en woningbehoefteprognose actualisatie 2017 geldt voor de gemeente Bladel een prognose van 850 te realiseren woningen in de periode 2017-2029 (vanaf peildatum 1 januari 2017).
Woningbouwprogramma
In de woningbouwcapaciteitsmonitor, die periodiek wordt geactualiseerd, zijn alle woningbouwprojecten binnen de gemeente opgenomen en is per project aangegeven hoeveel woningen in welke periode worden gerealiseerd. De projecten zijn verdeeld in 'harde' plancapaciteit (onherroepelijk of vastgesteld bestemmingsplan) en 'zachte' plancapaciteit (ontwerpbestemmingsplan, planologische voorbereiding of potentieel project).
De woningbouw die dit bestemmingsplan mogelijk maakt, past binnen het gemeentelijk woningbouwprogramma en de afspraken met betrekking tot woningbouw. Binnen de bouwregels wordt de nodige ruimte geboden om woningen te laten voldoen aan de huidige woonwensen dan wel levensloopbestendig te maken.
In het bestemmingsplan 'CPO Den Tip Casteren' wordt de realisatie van tien CPO-woningen in de dorpskern Casteren mogelijk gemaakt. De architectonische verschijning wordt gewaarborgd door middel van een welstandsnota. Met ingang van 1 juli 2004 is het voor elke gemeente in Nederland verplicht een (vastgestelde) welstandsnota te hebben. Is dit niet het geval, dan is de gemeente niet meer bevoegd een bouwplan op welstand te toetsen. De ontwerp Welstandnota 2018 heeft van 3 mei tot en met 13 juni 2018 ter inzage gelegen. De 'Welstandnota 2018' is op 20 december 2018 door de gemeenteraad vastgesteld.
In 2018 heeft de gemeenteraad van Bladel de welstandsnota laten actualiseren. In de welstandsnota worden criteria geformuleerd waaraan ruimtelijke plannen moeten worden getoetst. Burgers en bouwpraktijk mogen aan het eind van ruimtelijke planvormingsprocessen niet worden verrast door de welstandscriteria die door de gemeente worden gehanteerd. Dit betekent dat de gemeenteraad:
De welstandscriteria die in de welstandsnota geformuleerd worden, zijn maatgevend voor de gemeentelijke welstandbeoordeling. Deze criteria bieden een objectief en beleidsmatig kader voor de besluitvorming door College van B&W de gemeenteraad en een richtinggevend kader voor opdrachtgevers en vormgevers. Met de twee genoemde beleidsstukken, het bestemmingsplan en de welstandsnota, wordt zowel de stedenbouwkundige opzet als de architectonische verschijningsvorm vastgelegd in een beleidskader. Nieuwe (omgevingsvergunningplichtige) bouwplannen dienen zowel aan het bestemmingsplan als aan de welstandsnota te worden getoetst. Het welstandsbeleid voor de kern Casteren is weergegven in figuur 3.2.
Figuur 3.2 Welstandsbeleid kern Casteren (Bron: Gemeente Bladel)
Historisch gegroeide bebouwing
In Casteren staat voornamelijk bebouwing in één of twee lagen met kap. Uitzondering is de kerk aan de oostrand. De Kranenberg, de Kerkstraat en de Dorpsstraat vormen samen met de bebouwing aan het Hoogeind de historische bebouwingslinten. De linten hebben een zeer diverse architectonische uitstraling waarbij, door de perceelsgewijze ontwikkeling ieder gebouw een individuele uitstraling heeft. In het lint liggen tevens diverse functies zoals horeca en maatschappelijke voorzieningen, met name gesitueerd rond het plein waar de Kerkstraat en de Zandstraat bij elkaar komen.
Bebouwing in woonwijken
In de oksel van de lintbebouwing aan de Kranenberg en de Kerkstraat heeft op beperkte schaal traditionele strokenbebouwing plaatsgevonden, direct achter de school, aan de Willibrordstraat. De tweede locatie is nog bescheidener van omvang en ligt aan de Zandstraat. Aan deze weg is tevens geïndustrialiseerde woonbebouwing in de vorm van een zestal twee-onder-eenkapwoningen gerealiseerd. Kenmerkend hierbij is met name de horizontale, eenvoudige gevelopbouw tussen de woningscheidende wanden. In Casteren heeft de uitbreiding van de woonbebouwing voornamelijk aan de zuid- en westzijde van het dorp plaatsgevonden. Het betreft hier voornamelijk vrije sector woningen. Het betreft individuele woningbouw in samenhang. De samenhang in de architectuur wordt bereikt door diverse aspecten zoals dakrichting, dakvorm, gevelopbouw en dergelijke. Aan de Elisabethstraat en aan het Kerkeneind, liggen kleine inbreidingen. Het betreft hier seniorenwoningen van één woonlaag met kap. Midden in de kern, rond de Durkijk is recent woningbouw gerealiseerd. Kenmerkend voor deze thematische bebouwing is de uitgesproken verschijningsvorm, waardoor zij zich van de directe omgeving onderscheidt. Binnen het bebouwingscluster op zich is sprake van een sterke samenhang in de bebouwing. De complexwaarde van dit kleine bebouwingscluster is belangrijk; o.a. de gevelopbouw, dakvorm zorgen voor een samenhang in de bebouwing.
Woonerven
Aan de Laaibeemden ligt een klein cluster woningen van het bebouwingstype ´woonerven´. Binnen dit bebouwingstype staat kleinschaligheid en beslotenheid centraal en wordt het dorps wonen als ideaal gezien. De woningen worden gekenmerkt door het ingetogen en introverte karakter. De bebouwing is kleinschalig en op de individuele bewoner gericht.
Bedrijfsbebouwing
Bedrijvigheid is in de kern slechts op zeer beperkte schaal aanwezig. Vaak ligt de bedrijfsbebouwing binnen het historische lint.
Op zichzelf staande bebouwing
Het laatste bebouwingstype dat verspreid in Casteren voorkomt, is ‘op zichzelf staande bebouwing’. Tot dit bebouwingstype wordt de bebouwing gerekend die een eigen plek binnen de stedenbouwkundige structuur van Casteren inneemt. De bebouwing wordt gekenmerkt door het feit dat zij weinig relatie met de omgeving heeft; de gebouwen staan op zichzelf. Derhalve zijn dit bouwwerken met een zeer uiteenlopende verschijningsvorm. Tot dit bebouwingstype zijn de kerk, het dorpshuis D’n Aord en de Brede School gerekend. De kerk is een rijksmonument en zorgt door zijn omvang dat Casteren van een afstand te herkennen is aan de kerktoren. De kerk markeert tevens het centrum van de kern.
De gemeente Bladel heeft in samenwerking met de dorpsraad van Casteren aangegeven welke stappen er richting 2030 gezet moeten worden om de belangrijkste punten uit de toekomstvisie te kunnen concretiseren. Het voorliggend bestemmingsplan geeft invulling aan twee van de twaalf genoemde projectenideeën:
Op 20 oktober 2009 is de Groenvisie ‘Groen tot in de kern(en)' door de gemeenteraad vastgesteld. Met deze groenvisie wordt de Groenstructuurvisie uit 1998 geactualiseerd.
De Groenvisie is een beleidsdocument waarin de ambities, doelen, kaders en randvoorwaarden voor het openbaar groen zijn verwoord, zodanig dat ze doorvertaald kunnen worden naar een beheerstrategie voor het openbaar groen. In de Groenvisie worden het belang van groen en de aanwezige kwaliteiten uiteengezet. Doel van de visie is de aanwezige groene kwaliteiten te beschermen en waar mogelijk te versterken.
De verschillende kernen van de gemeente Bladel liggen te midden van agrarisch gebied, bossen en het beekdal van de Beerze en zijn onderling verbonden door (historische) verbindingswegen. Omdat de hoofdgroenstructuur vanouds samenhangt met de structuur van de verbindingswegen tussen de kernen, bestaat de inrichting van de groene hoofdstructuur voornamelijk uit bomenlanen.
Naast de lanen wegbeplantingen vormen grotere groenobjecten, zoals sportparken, volkstuinencomplexen en bosschages binnen de bebouwde kommen, een belangrijk onderdeel van de groene hoofdstructuur. Door hun groene uitstraling en relatief rustige ligging is hun waarde voor de groene structuur en voor de natuur groot. De groene structuur van Bladel wordt versterkt door wegbegeleidende hagen van verschillende soorten. De dorpsranden vormen de overgang tussen de bebouwde kom en het buitengebied.
Het groen in de kernen van de gemeente Bladel (buurten blokgroen) is een samenspel tussen gras, bodembedekkende beplantingen, hagen en bosplantsoen. De belangrijkste stedenbouwkundige punten hebben accenten gekregen in de vorm van parels: groene elementen die zowel in ontwerp, materiaalgebruik als in beheer extra aandacht krijgen. Dit versterkt de herkenbaarheid van een plek en de identiteit van het groen.
De gewenste ontwikkelingen voor de kern Casteren zijn:
Voorliggend bestemmingsplan maakt woningbouw in een groen karakter mogelijk. Daarmee wordt ingespeeld op een hoofddoel van de Groenvisie, namelijk het versterken van de groene hoofdstructuur bij de toekomstige inrichting van de Kerkstraat. Daarnaast blijven met voorliggend bestemmingsplan de karakteristieke doorzichten naar het omringende landschap beschermd. Daarnaast biedt dit bestemmingsplan maximale flexibiliteit met betrekking tot het realiseren van voorzieningen voor groen.
De beoogde ontwikkeling valt binnen het bestaand bebouwd gebied. Ook valt het plangebied binnen een kwaliteitzone volgens de gemeentelijke Welstandsnota. Deze vormt een beeldbepalend, markant element binnen het bebouwingslint. Door middel van rooilijnen, materialisering en positionering van de woningen wordt aangesloten bij het straatbeeld en de historische elementen uit de omgeving. Daarnaast is het planvoornemen grotendeels in lijn met de Woonvisie. Concluderend kan gesteld worden dat de ontwikkeling daarom past binnen de kaders van het gemeentelijk beleid.
Op grond van de Wet ruimtelijke ordening en op basis van jurisprudentie dient de uitvoerbaarheid van een ruimtelijk plan te worden aangetoond en dient in het plan te worden onderbouwd dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk zijn de sectorale aspecten beschreven die voor dit plan relevant zijn. De resultaten en conclusies van eventuele onderzoeken zijn per aspect opgenomen in de betreffende paragraaf.
In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van de omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:
Sinds 7 juli 2017 is een aanpassing van het Besluit m.e.r. in werking getreden met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Zo moet voor de ontwerpbestemmingsplanfase een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen milieueffectrapportage nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen.
In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject mer-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van acht extra woningen in het centrum van de kern Casteren. De beoogde ontwikkeling blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde.
Opgemerkt dient te worden dat voor activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, toch dient te worden nagegaan of er sprake kan zijn van belangrijke gevolgen voor het milieu. Gelet op de kenmerken van het plan zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r., de plaats van het plan en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Dit blijkt ook uit de onderzoeken van de verschillende milieuaspecten zoals deze in de volgende paragrafen zijn opgenomen. Voor dit bestemmingsplan is dan ook geen mer-procedure of mer-beoordelingsprocedure noodzakelijk conform het Besluit m.e.r.
De ontwikkeling zal leiden tot veranderingen op het gebied van verkeer en parkeren. In deze verkeersparagraaf wordt ingegaan op de verkeerskundige gevolgen van deze ontwikkeling.
Gemotoriseerd verkeer
De Gagelvelden vormt de doorgaande route van Hapert naar Westelbeers, en staat in directe verbinding met de N284, de belangrijkste verkeersader binnen de gemeente Bladel. De Gagelvelden ligt buiten de structuur van het dorp en vormt de belangrijkste toevoerroute naar Casteren. De weg kent een maximum snelheid van 60 km/uur ter hoogte van de kern en heeft een gescheiden fietspad. De Hemelrijken/Dorpsstraat is een afslag van de Gagelvelden en vormt de belangrijkste ontsluitingsweg binnen de bebouwde kom. Tevens vormt deze weg de doorgaande route tussen Casteren en Hoogeloon. De Kranenberg vormt de tweede afslag van de Gagelvelden. Deze weg sluit aan op de doorgaande route richting Netersel. De Hemelrijken/Dorpsstraat, de Kranenberg en de Kerkstraat vormen de oorspronkelijke wegenstructuur van het dorp en hebben nog duidelijk het karakter van een historische weg met lintbebouwing. De overige wegen in de omgeving van het plangebied bestaan uit woonstraten.
Er zijn enkele wegen die toegang bieden tot Casteren. Vanaf de Gagelvelden bieden twee wegen toegang tot het dorp. Doordat de Gagelvelden van het dorp gescheiden wordt door een dichte groenstrook zijn deze entrees duidelijk herkenbaar. De belangrijkste entrees aan de oostzijde van het dorp worden tevens gevormd door de Dorpsstraat en de Kranenberg/Hoogeind. De entree aan de Dorpsstraat is duidelijk herkenbaar doordat de bebouwing van de bebouwde kom hier begint. De entree ten noordoosten van het dorp is minder duidelijk zichtbaar aangezien de lintbebouwing hier tot in het buitengebied doorloopt.
Openbaar vervoer
Direct ten noordoosten van het plangebied bevindt zich bushalte 'Casteren, Kerkstraat'. De buurtbus Casteren rijdt vanaf deze halte via Hoogeloon naar Hapert en Bladel en is een eigen initiatief van het dorp Casteren. De bus rijdt alleen van maandag t/m vrijdag. De bus rijdt 9 keer per dag in een uursfrequentie.
Langzaam verkeer
Tot slot is ook de bereikbaarheid per langzaam verkeer goed te noemen. Op de Kerkstraat, de Hemelrijken en de Dorpsstraat maken fietsers gebruik van fietsstroken aan weerszijden van de weg en is een trottoir voor voetgangers aanwezig.
In het ter plaatse geldende 'Parapluplan parkeren 2018 analoog' (vastgesteld 2018-09-20) wordt voor parkeernormen verwezen naar het Gemeentelijk Verkeer en Vervoer Plan (GVVP) Bladel. In dit GVVP staat dat de meest actuele parkeernormen van toepassing zijn zoals deze bekend zijn gemaakt door het CROW in de publicatie 317 (2012).
De kencijfers van het CROW zijn onder andere afhankelijk van de ligging van de ontwikkeling binnen het stedelijk gebied. De ontwikkeling ligt binnen een weinig stedelijke omgeving (bron: CBS) in rest van de bebouwde kom. De CROW kencijfers hebben een bepaalde bandbreedte (minimaal en maximaal). Vertrekpunt voor de toepassing in Bladel is het gemiddelde van de bandbreedte.
De ontwikkeling zal bestaan uit 10 woningen: 2 twee-onder-een-kapwoningen (totaal 4) en 6 rijwoningen. Voor deze woningtypes geldt een parkeernorm van respectievelijk 2,2 per woning en 2,0 per woning. Binnen deze normen is tevens rekening gehouden met bezoekersparkeren (0,3 parkeerplaatsen per woning). De parkeerbehoefte bedraagt (4 x 2,2 =) 9 parkeerplaatsen voor de twee-onder-een-kapwoningen en (6 x 2,0 =) 12 parkeerplaatsen voor de rijwoningen. De totale parkeerbehoefte is daarmee 21 parkeerplaatsen. De parkeerplaatsen worden gerealiseerd binnen het plangebied, waarbij de twee-onder-een-kapwoningen parkeermogelijkheden krijgen op eigen terrein.
Binnen het plangebied wordt de realisatie van tien woningen mogelijk gemaakt. De woningen worden ontsloten via de Hemelrijken, Dorpsstraat en de Kerkstraat. Om de verkeersgeneratie voor deze nieuwe woningen te bepalen is net als bij parkeren gebruik gemaakt van kencijfers uit CROW publicatie 317.
Uitgaande van het gebiedstype 'weinig stedelijk' (bron: CBS) en een ligging in het restgebied van de bebouwde kom bedraagt de verkeersgeneratie 7,8 mvt/etmaal per twee-onder-een-kapwoning en 7,4 mvt/etmaal per rijwoning. De toekomstige verkeersgeneratie bedraagt (4 x 7,8 =) 31,2 mvt/etmaal voor de twee-onder-een-kapwoningen en (6 x 7,4 =) 44,4 mvt/etmaal voor de rijwoningen. De totale verkeersgeneratie op een gemiddelde weekdag is daarmee 76 mvt/etmaal (weekdaggemiddeld). De omrekenfactor weekdag naar werkdag voor woonfuncties bedraagt 1,11. De verwachtte verkeersgeneratie op een gemiddelde werkdag is daarmee 84 mvt/etmaal.
Gezien de lage verkeersgeneratie en het beperkte verkeersaanbod in de huidige situatie zal de toename van het aantal verkeersbewegingen niet leiden tot een verslechtering van de verkeersafwikkeling. Op basis van gegevens uit de ASVV (2012) geldt voor 30 km/h-wegen een richtintensiteit van 5.000 tot 6.000 mvt/etmaal. De beoogde ontwikkeling zorgt er niet voor dat deze richtintensiteiten worden overschreden. De inrichting van de wegen bieden voldoende capaciteit om de berekende verkeersgeneratie op te vangen.
Het plangebied is goed bereikbaar voor zowel gemotoriseerd verkeer, langzaam verkeer en per openbaar vervoer. De parkeerbehoefte kan worden voorzien binnen het plangebied. De toekomstige verkeersgeneratie kan goed worden afgewikkeld op de omliggende wegen. De aspecten verkeer en parkeren staan de ontwikkelingen dan ook niet in de weg.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:
Voor de afstemming tussen milieugevoelige en milieuhinderlijke functies, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/rustig buitengebied'. Onderscheid wordt gemaakt in afstandstappen van 0, 10, 30, 50, 100, 200, etc. meter.
Voor het omgevingstype 'gemengd gebied' gelden kleinere afstanden. De richtafstanden gelden voor de aangegeven bedrijfsactiviteiten in het algemeen. Op basis van onderzoek naar de specifieke milieusituatie van een bedrijf kunnen kleinere aan te houden afstanden gerechtvaardigd zijn. Hiermee kan dan onderbouwd worden afgeweken van de richtafstanden indien de specifieke bedrijfsvoering van het betreffende bedrijf daar aanleiding toe geeft.
Bekeken dient te worden of de realisatie van de woningen gevolgen heeft voor de bedrijfsvoering van de omliggende milieuhinderlijke inrichtingen. Tevens dient gemotiveerd te worden of er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ter plaatse van de (nieuwe) woningen. Ten oosten van het plangebied op circa 15 meter afstand is de Brede basisschool Sint Jansschool gelegen. Dit betreft een kleinschalige basisschool met circa 110 leerlingen. Conform de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering beschikt een dergelijke inrichting over een richtafstand van 30 meter ten opzichte van woningen in een rustige woonwijk. Het maatgevende aspect betreft hierbij geluid. Daarnaast is ten noorden van het plangebied café Den Bels gelegen op een afstand van circa 10 meter tot het plangebied. De richtafstand voor een café bedraagt 30 meter. Het maatgevende aspect betreft hierbij geluid.
Aangezien niet aan de richtafstanden voldaan kan worden dient middels een akoestisch onderzoek aangetoond te worden dat binnen het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- leefklimaat. Het akoestisch onderzoek wordt nader beschreven in paragraaf 4.6.
Normstelling en beleid
Het grondgebied van Bladel kent een rijke historie, waardoor veel cultuurhistorisch en archeologisch waardevolle elementen aanwezig zijn. Naast een rijk archeologisch bodemarchief zijn onder andere de historische lintstructuren, de structuur van het landschap en de aanwezigheid van monumentale en beeldbepalende gebouwen van cultuurhistorische betekenis. Gemeenten zijn grotendeels verantwoordelijk voor het behoud van het archeologisch en cultuurhistorisch erfgoed. Om inzicht te krijgen in de aanwezige en te verwachten cultuurhistorische waarden is door de Kempengemeenten en A2-gemeenten een gezamenlijk erfgoedplan opgesteld. Het erfgoedplan bevat een uitgebreide inventarisatie van de archeologische en cultuurhistorische (verwachtings)waarden binnen het grondgebied van de betrokken gemeenten en een aanzet voor een integraal cultuurhistorisch beleid.
De erfgoedkaart behorende bij het erfgoedplan bestaat uit drie delen: een inventarisatiekaart (die op zijn beurt is onderverdeeld in kaarten betreffende het archeologisch, historisch en fysisch landschap en een verstoringenkaart), verwachtingen- en waardenkaarten voor archeologie en cultuurhistorie en beleidskaarten voor archeologie en cultuurhistorie. Op de beleidskaarten zijn de inventarisatie en waardering van archeologische en cultuurhistorische elementen samengebracht en geconcretiseerd. De beleidskaarten vormen de basis voor het gemeentelijk beleid op het gebied van cultuurhistorie.
Het gemeentelijk erfgoedbeleid is vastgelegd in de Erfgoedverordening gemeente Bladel 2017, vastgesteld d.d. 14 maart 2017. De erfgoedverordening is vertaald in de archeologische beleidskaart van de A2- en Kempengemeenten, welke is weergegeven in figuur 4.1.
Figuur 4.1 Archeologische beleidskaart A2- en Kempengemeenten met aanduiding plangebied
(Bron: Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant)
Conform de archeologische beleidskaart, valt het plangebied in gebiedscategorie 3, een historische kern met een hoge archeologische verwachtingswaarde. Vanaf de late Middeleeuwen tot heden heeft ter plaatse van het plangebied geconcentreerde bebouwing plaatsgevonden. De archeologische resten bevinden zich dan ook op geringe diepte onder het huidig maaiveld. De meeste bebouwingsresten zijn te verwachten langs de oude straten. Ook op de achterterreinen kunnen archeologische resten aanwezig zijn.
Toetsing
Voor gebiedscategorie 3 geldt een verplichting tot het laten uitvoeren van een inventariserend archeologisch onderzoek, indien het oppervlak van het totaal te vergraven gebied 250 m2 of meer bedraagt en dieper dan 30 cm onder maaiveld wordt gegraven. Gezien de beoogde ontwikkeling hierin voorziet, is ter plaatse van het plangebied een inventariserend archeologisch onderzoek door Econsultancy uitgevoerd. Het onderzoek is opgenomen in bijlage 1. Op grond van de resultaten van het inventariserend bureau- en veldonderzoek adviseert Econsultancy om het plangebied nader te onderzoeken door middel van een IVO karterende en waarderende fase, proefsleuven (IVO-P). Het programma van eisen is opgenomen in bijlage 2.
Omdat er nu veel gebouwen en bomen in het plangebied staan, is het nu niet mogelijk om proefsleuven te graven. Dit kan pas gebeuren na de sloop en het verwijderen van de bomen. Voor de sloop geldt dat er tot en met het vloerniveau gesloopt mag worden, maar dat de funderingen moeten blijven zitten. Deze mogen pas na het archeologisch onderzoek verwijderd worden. Voor de bomen geldt dat de kluit moet blijven zitten totdat het archeologisch onderzoek is afgerond.
Na afloop van het proefsleuvenonderzoek zal bepaald worden of er een archeologisch behoudenswaardige vindplaats aanwezig is. Dit kan in het veld besproken worden. Mocht de gemeente besluiten dat er een behoudenswaardige vindplaats aanwezig is dan kan deze direct aansluitend opgegraven worden.
Conclusie
Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de toekomstige woningbouwontwikkeling. Wel is proefsleuvenonderzoek noodzakelijk voordat gebouwd kan worden. Vooralsnog blijft de dubbelbestemming 'Waarde - archeologie 1' behouden. De dubbelbestemming kan komen te vervallen indien het proefsleuvenonderzoek daar aanleiding toe geeft.
Normstelling en beleid
Onder de noemer modernisering monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2010 een aanzet gegeven voor een goede afweging van ook het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Zij pleit voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie, dus (onder meer) monumenten en archeologie gezamenlijk, in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. In 2010 is daarom in het Besluit ruimtelijke ordening opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. De Rijksdienst geeft daarbij aan dat voorafgaande daaraan de gemeenten een inventarisatie en analyse moeten maken van de cultuurhistorische waarden.
Begin juli 2009 hebben de gemeenten Oirschot, Reusel-De Mierden, Bladel, Eersel, Bergeijk, Heeze-Leende, Cranendonck, Waalre en Valkenswaard aan de SRE Milieudienst opdracht gegeven om een Beleidsplan Archeologische Monumentenzorg en een gemeentelijke Erfgoedkaart op te stellen, waarin zowel de archeologische waarden en verwachtingen als de cultuurhistorische waarden zijn opgenomen. Doel van de erfgoedkaart is om het erfgoed een betere bescherming te kunnen geven via het bestemmingsplan en/of verordening, zoals in de Erfgoedwet staat omschreven. Bij de inventarisatie zijn niet alleen de nog zichtbare overblijfselen uit het verleden opgenomen, maar wordt vooral ook een overzicht van voormalige elementen en structuren met hun landschapsgenetische context, ongeacht de mate waarin deze thans aan de oppervlakte nog zichtbaar zijn, meegenomen. De cultuurhistorische beleidskaart van de A2- en Kempengemeenten is weergegeven in figuur 4.2.
Figuur 4.2 Uitsnede cultuurhistorische beleidskaart A2- en Kempengemeenten met aanduiding plangebied (Bron: Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant)
Toetsing
In de gemeentelijke monumentenlijst met monumentale en beeldbepalende panden in de gemeente Bladel, zijn twee gebouwen in de directe omgeving van het plangebied opgenomen als 'zonder meer beschermingswaardig'. Het betreft de neoromaanse Sint-Willibrordkerk en de naastgelegen pastorie welke dateren uit 1907/1908.
De voorgenomen realisatie van nieuwe woningen doet echter geen afbreuk aan één van deze cultuurhistorische waarden. Geconcludeerd kan worden dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen het aspect cultuurhistorie.
De Wet geluidhinder en het Activiteitenbesluit vormen het wettelijk kader voor de beoordeling van geluid voor wegen, windturbines en bedrijven. In de Wet geluidhinder zijn normen voor wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai (industrieterreinen) opgenomen. In het Activiteitenbesluit zijn normen voor individuele inrichtingen en windturbines opgenomen. Daarnaast heeft de gemeente nog beleid ten aanzien van evenementen.
Normstelling en beleid
Langs alle wegen - met uitzondering van 30 km/uur-wegen en woonerven - bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidzones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidzone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen- of buitenstedelijke ligging. De geluidbelasting wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day evening night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal.
Nieuwe situaties
Voor de geluidbelasting aan de buitengevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen binnen de wettelijke geluidzone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In bepaalde gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk. Deze hogere grenswaarde mag de maximaal toelaatbare hogere waarde niet te boven gaan. De maximale ontheffingswaarde in onderhavige situaties bedraagt 63 dB (binnenstedelijk gelegen woning).
Aftrek ex artikel 110g Wgh
De in de Wgh genoemde grenswaarden aan de buitengevels ten aanzien van wegverkeerslawaai betreffen waarden inclusief aftrek op basis van artikel 110g Wgh. Dit artikel houdt in dat voor het wegverkeer een aftrek mag worden gehanteerd welke anticipeert op het stiller worden van het wegverkeer in de toekomst door innovatieve maatregelen aan de voertuigen. De toegestane aftrek bedraagt: 5 dB voor wegen waarvoor de representatief te achten snelheid van lichte motorvoertuigen minder dan 70 km/u bedraagt. Voor wegen met een representatief te achten snelheid van 70 km/u of meer is de hoogte van de aftrek afhankelijk van de geluidbelasting exclusief aftrek. Bij een geluidbelasting van 56 dB en 57 dB mag een aftrek toegepast worden van respectievelijk 3 dB en 4 dB. Bij overige geluidbelastingen wordt een aftrek van 2 dB toegepast. De aftrek mag alleen worden toegepast bij toetsing van de geluidbelastingen aan de normstellingen uit de Wgh. In voorliggend onderzoek is gebruik gemaakt van een aftrek van 5 dB.
Resultaten 30 km/uur
Zoals gesteld zijn wegen met een maximumsnelheid van 30 km/h of lager op basis van de Wgh niet-gezoneerd. Akoestisch onderzoek zou achterwege kunnen blijven. Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening inzichtelijk te worden gemaakt of er sprake is van een aanvaardbaar akoestisch klimaat. Indien dit niet het geval is, dient te worden onderbouwd of maatregelen ter beheersing van de geluidsbelasting aan de gevels noodzakelijk, mogelijk en/of doelmatig zijn. Ter onderbouwing van de aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting wordt bij gebrek aan wettelijke normen aangesloten bij de benaderingswijze die de Wgh hanteert voor gezoneerde wegen. Vanuit dat oogpunt wordt de voorkeursgrenswaarde en de uiterste grenswaarde als referentiekader gehanteerd. De voorkeursgrenswaarde geldt hierbij als richtwaarde en de uiterste grenswaarde als maximaal aanvaardbare waarde. In dit kader is rekening gehouden met de ligging van het plangebied langs de Hemelrijken en Kerkstraat. Op deze wegen geldt een maximumsnelheid van 30 km/h.
Toetsing
Ter onderbouwing van het aspect geluid is gebruik gemaakt van de gemeentelijke geluidcontourenkaart. Een uitsnede hiervan is opgenomen in figuur 4.3. Hierin is voor een zestal geluidsklassen de omvang van de geluidcontour aangegeven.
Figuur 4.3 Uitsnede geluidcontourenkaart (Bron: Gemeente Bladel)
Op basis van deze geluidcontourenkaart zijn de volgende conclusies getrokken:
Conclusie
Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.
Normstelling
Bij de ruimtelijke inpassing van woningen in afwijking van het vigerend bestemmingsplan biedt de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (2009) een handreiking voor het uitvoeren van een goede ruimtelijke onderbouwing. De publicatie geeft voor verschillende bedrijfsmatige activiteiten een richt-afstand voor een aantal milieuthema's. Is de afstand tussen de geplande woningbouw en bedrijvigheid kleiner dan de richtafstand, dan is een uitgebreid onderzoek gewenst.
Toetsing
In het kader van dit bestemmingsplan is een onderzoek uitgevoerd naar industrielawaai. Hiertoe is een rapportage, zie bijlage 6.
Conclusie
Uit inventarisatie van omliggende bestemmingen blijkt, dat er geen woningen worden geprojecteerd binnen de richtafstand uit VNG publicatie 'bedrijven en milieuzonering'. Geconcludeerd wordt dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Het plangebied ligt naast een als 'evenemententerrein' aangemerkt gebied. Verwijzend naar de APV en het gemeentelijk beleid met betrekking tot evenementen wordt geconcludeerd dat er voldoende procedurele middelen zijn om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen ten tijde van evenementen te borgen.
Het plangebied ligt niet binnen de geluidzone van een spoorweg. Railverkeerslawaai vormt geen belemmering voor het plan.
Het aspect geluid staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:
Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde wordt overschreden.
Risicovolle inrichtingen
Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft.
Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde.
Vervoer van gevaarlijke stoffen
Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het Bevt vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het Bevt en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute.
Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes waarbinnen beperkingen voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen gelden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Voor het groepsrisico geldt op grond van het Bevt slechts een oriënterende waarde en alleen in bepaalde gevallen is het doen van een verantwoording van een toename van het GR verplicht.
Besluit externe veiligheid buisleidingen
In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen.
Conform de in figuur 4.3 weergegeven risicokaart blijkt dat in de directe omgeving van het plangebied geen risicorelevante inrichtingen aanwezig zijn. Tevens geldt dat er geen sprake is van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor, het water of door buisleidingen. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Figuur 4.3 Risicokaart (Bron: Risicokaart.nl)
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij een ruimtelijke ontwikkeling uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.3 weergegeven.
Tabel 4.3 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm
| Stof | Toetsing van | Grenswaarde |
| stikstofdioxide (NO2) | jaargemiddelde concentratie | 40 µg/m³ |
| fijn stof (PM10) | jaargemiddelde concentratie | 40 µg/m³ |
| 24-uurgemiddelde concentratie | max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³ | |
| fijn stof (PM2,5) | jaargemiddelde concentratie | 25 µg /m³ |
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.
Besluit niet in betekenende mate
In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit.
De gemeente Bladel wenst tien woningen in CPO-vorm te realiseren. Een dergelijke ontwikkeling valt onder het Besluit niet in betekenende mate onder de categorie woningbouw tot 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg. Dit betekent dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit ter plaatse, en dat nader onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het projectgebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2018 die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De Provincialeweg N284 is de maatgevende weg. Uit de NSL-monitoringstool (figuur 4.4) blijkt dat in 2017 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. Hierdoor is er ter plaatse van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Figuur 4.4 Meetpunt NSL-monitoringstool ten opzichte van het plangebied (Bron: NSL-monitoringstool)
Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden.
Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. Het aspect kabels en leidingen staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.
Econsultancy heeft in opdracht van Rho adviseurs voor leefruimte een verkennend bodemonderzoek en verkennend onderzoek asbest in bodem uitgevoerd aan de Kerkstraat 30-32 te Casteren. Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van de bestemmingsplanwijziging alsmede de voorgenomen nieuwbouw op de onderzoekslocatie. Het volledige onderzoeksrapport is opgenomen in bijlage 3. Hierna wordt volstaan met een beknopte samenvatting.
De bodem bestaat voornamelijk uit zwak tot matig siltig, zeer fijn tot uiterst grof zand. De bovengrond is bovendien zwak tot matig humeus. De ondergrond is plaatselijk zwak tot sterk gleyhoudend. Ter plaatse van boring A02 en A04 bevindt zich een matig zandige leemlaag in de ondergrond. De bovengrond is plaatselijk zwak betonhoudend, zwak glashoudend en zwak plastichoudend. Verder is de bovengrond van vrijwel de gehele onderzoekslocatie zwak baksteenhoudend. In het opgeboorde materiaal van boringen B02 en B03 is over het traject 0,07-0,15 m -mv een zwakke olie-water reactie waargenomen. Tijdens het veldwerk zijn asbestverdachte plaatmaterialen aangetroffen ter plaatse van het boring D01 (ASB-1), op het maaiveld en ter plaatse van boring C1-01 (ASB-2) (traject 0,0-0,3 m -mv). Verder zijn er zintuiglijk geen verontreinigingen waargenomen.
Verkennend bodemonderzoek NEN 5740
Op de onderzoekslocatie zijn de volgende deellocaties onderzocht:
Deellocatie A: Gehele terrein
Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd dat deze deellocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie "verdacht, niet lijnvormig" (VED-HE-NL). Bij verdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem aan diffuse bodembelasting onderhevig is geweest en dat er potentieel heterogene verontreinigingen zijn te verwachten.
Zintuiglijk is de bovengrond zwak baksteen- en betonhoudend. De bovengrond is plaatselijk licht verontreinigd met cadmium, zink, PAK en PCB. In de zintuiglijk schone ondergrond en het grondwater zijn ter plaatse zijn geen verontreinigingen aangetoond. De vooraf gestelde hypothese dat deze deellocatie als "heterogeen / plaatselijk verdacht, niet lijnvormig" dient te worden beschouwd, wordt voor deze deellocatie aanvaard. Gelet op de aard en mate van verontreiniging bestaat er geen aanleiding voor nader bodemonderzoek.
Deellocatie B: Bovengrondse dieseltank
Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd dat deze deellocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie "verdacht, plaatselijke bodembelasting" (VEP). Bij verdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem aan plaatselijke bodembelasting onderhevig is geweest. In het opgeboorde materiaal van boringen B02 en B03 is over het traject 0,07-0,15 m -mv een zwakke olie-water reactie waargenomen. De bovengrond is licht verontreinigd met minerale olie. In het grondwater ter plaatse zijn geen verontreinigingen aangetoond. De vooraf gestelde hypothese dat deze deellocatie als "plaatselijk verdacht" dient te worden beschouwd, wordt voor deze deellocatie aanvaard.
Aangezien de verontreiniging kan worden gerelateerd aan de aanwezige brandstoftank is er sprake van een nieuw geval van bodemverontreiniging. Hierop is de zorgplicht van toepassing. Men dient alles wat redelijkerwijs verwacht kan worden te doen om de verontreiniging ongedaan te maken. In overleg met het bevoegd gezag (gemeente) dient vastgesteld te worden welke maatregelen genomen dienen te worden. Gelet op de geringe mate van verontreiniging (160 mg/kg d.s.) acht Econsultancy sanerende maatregelen niet noodzakelijk. Wel wordt geadviseerd maatregelen te treffen om toekomstige lekkages te voorkomen.
Verkennend onderzoek asbest in bodem NEN 5707
Deellocaties C, D en E: Uiteinde regenpijp centrale en noordelijke bebouwing en uiteinde regenpijp hondenhok
Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd dat deze deellocaties onderzocht dienen te worden volgens de strategie "verdacht, plaatselijke bodembelasting" (VEP). Bij verdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem aan plaatselijke bodembelasting onderhevig is geweest. Er zijn op het maaiveld wel asbestverdachte materialen aangetroffen. Het betreft hier een stuk plaatmateriaal dat van het dak is afgebroken. Voor het overige is het dak intact. Derhalve wordt niet verwacht dat er van deze bron (dak) nog meer asbest in/op de bodem terecht is gekomen. Het betreft een stuk "zwerfasbest", dat in het kader van het onderzoek van de locatie is verwijderd.. In inspoelzone D01 is een asbestgehalte van 28 mg/kg d.s aangetoond in de fijne fractie, niethechtgebonden. In inspoelzone E01 is een asbestgehalte van <0,5 mg/kg d.s aangetoond in de fijne fractie. In inspoelzone C01 is een asbestgehalte van 3,3 mg/kg d.s. aangetoond in de fijne fractie, hechtgebonden. In inspoelzone C02 is een asbestgehalte van 0,3 mg/kg d.s. aangetoond in de fijne fractie, niet hechtgebonden. Het asbestverdachte materiaal ASB-2 (4,8 g) bestaat voor 10-15% uit hechtgebonden serpentijnasbest en voor 2-5% uit hechtgebonden amfiboolasbest. Het berekende asbestgehalte in gat C1-01 is 10,6 mg/kg d.s. Gelet op de aangetoonde gehalten is nader onderzoek niet noodzakelijk.
De vooraf gestelde hypothese dat deze deellocaties als "plaatselijk verdacht" dienen te worden beschouwd, wordt voor deze deellocaties verworpen.
Advies
Gelet op de aard en mate van de aangetroffen verontreinigingen, bestaat er géén reden voor een nader onderzoek. De directe omgeving van de vijver (deellocatie F) is als heterogeen verdacht voor metalen, PAK, PCB en asbest aan te merken. Onderzoek is op dit moment echter niet mogelijk vanwege de omvang van de puinresten die op het maaiveld aanwezig zijn. Econsultancy adviseert hier aanvullend verkennend bodemonderzoek en aanvullend verkennend onderzoek asbest in bodem uit te voeren nadat de puinresten zijn afgevoerd.
Algemeen
Indien er bij werkzaamheden grond vrijkomt die niet op de locatie kan worden hergebruikt, zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit, het “Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAShoudende grond en baggerspecie (d.d. 29 november 2019) of de regionale bodemkwaliteitskaart van toepassing.
Aanvullend verkennend bodemonderzoek en aanvullend verkennend onderzoek asbest in bodem dient uitgevoerd te worden nabij de vijver (deellocatie F). Hiervoor dienen eerst de puinresten te zijn afgevoerd.
Waterbeheer en watertoets
Voor alle ruimtelijke plannen dient een watertoets te worden uitgevoerd. In deze watertoets wordt aangegeven hoe in het betreffende plan met water wordt omgegaan. Daarbij wordt allereerst sterk ingezet op preventie van verontreiniging en nuttig hergebruik van water op lokaal niveau. Daarnaast is voor de retentiebehoefte de voorkeurvolgorde; infiltreren, retentie binnen het projectgebied, retentie buiten het projectgebied of berging in bestaand watersysteem. Bij de berekening van de retentie worden de eisen zoals gevisualiseerd in figuur 4.4 uit deze paragraaf gehanteerd. Aspecten als oppervlaktewater, grondwater, hemelwater, afvalwater, waterkwaliteit en -kwantiteit, omgevingsfactoren en waterberging komen hierin aan de orde.
Met de watertoets wordt de waterbeheerder, in dit geval het waterschap Brabantse Delta, tijdig betrokken in het ontwerpproces. Opmerkingen van de waterbeheerder worden vervolgens verwerkt in deze waterparagraaf.
Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer
Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het projectgebied relevante nota's, waarbij het beleid nader wordt behandeld.
Europa:
Nationaal:
Provinciaal
Waterschapsbeleid
Het plangebied valt onder het beheer van Waterschap De Dommel. Het beleid van het waterschap is gericht op het zo lang mogelijk vasthouden van gebiedseigen water, gecombineerd met het zoveel mogelijk scheiden van schoon en verontreinigd water. Het beleid van het waterschap is opgenomen in het Waterbeheerplan 2016-2021 ‘Waardevol Water’. Het waterbeheerplan beschrijft de doelen en inspanningen van het waterschap binnen de planperiode. Omdat de wateropgaven feitelijk niet veranderd zijn, zijn de thema’s in het waterbeheerplan hetzelfde als de thema’s in het waterbeheerplan 2010-2015. De vijf waterthema’s zijn:
In het bebouwd gebied streeft het waterschap naar een klimaatbestendige en waterrobuuste omgeving. Door klimaat- en wateropgaven op te pakken, kan de stedelijke kwaliteit worden verbeterd en kunnen toekomstige maatschappelijke kosten worden vermeden. Bij nieuwe ontwikkelingen is het uitvoeren van een watertoets verplicht. Het Waterschap heeft de Handreiking Watertoets 2015 opgesteld, waarin is aangegeven welke onderdelen deel kunnen uitmaken van de waterparagraaf. Voor de verwerking van hemelwater hanteert het waterschap een voorkeursvolgorde: hergebruik – vasthouden/infiltreren - bergen en afvoeren - afvoeren naar oppervlaktewater - afvoeren naar de riolering.
De regels voor de waterhuishuishouding zijn opgenomen in de Keur 2015. Samen met de legger vormt de Keur het juridisch instrumentarium van het Waterschap. In de Keur zijn onder andere regels opgenomen met betrekking tot compensatiemaatregelen in het geval van een toename van het verhard oppervlak. Daarnaast zijn in de Keur gebods- en verbodsregelingen opgenomen die betrekking hebben op handelingen in en rond watergangen en waterkeringen die zijn opgenomen in de legger. Ook op grond van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant zijn een aantal waterhuishoudkundige waarden geborgd. De doelstelling van het gebied is primair het waterbergend vermogen te behouden. Op grond van de Verordening ruimte gelden in het belang hiervan een aantal randvoorwaarden voor de inrichting en het gebruik van het gebied. Het waterschap vormt de toetsingsinstantie voor ontwikkelingen en werkzaamheden binnen dit gebied.
Regels voor toename van verhard oppervlak
In het geval van een toename van het verhard oppervlak moet worden voldaan aan de regels die het waterschap hieraan stelt. Op grond van artikel 3.6 van de Keur van het waterschap is het verboden om zonder vergunning neerslag door toename van het verhard oppervlak of door afkoppeling van bestaand verhard oppervlak tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen.
In de ‘Algemene regels Keur Waterschap De Dommel 2015’ is in artikel 15 een vrijstelling van dit verbod opgenomen: er is geen vergunning nodig als de toename van het verhard oppervlak maximaal 2.000 m2 bedraagt, als minder dan 10.000 m2 bestaand verhard oppervlak wordt afgekoppeld of als de toename van het verhard oppervlak tussen de 2.000 en 10.000 m2 bedraagt en compenserende maatregelen zijn getroffen in de vorm van een bergings-/infiltratievoorziening. Bij een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m2 is een vergunning benodigd en geldt de ‘Beleidsregel afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak’ (artikel 13 van de ‘Beleidsregels voor waterkering, waterkwantiteit en grondwater Keur waterschap De Dommel 2015’).
Omdat in de Keur en de daarbij behorende beleidsregels is voorzien in een uitputtende regeling, is een aanvullende regeling in de regels van het bestemmingsplan niet noodzakelijk.
Gemeentelijk beleid
Het waterbeleid van de gemeente Bladel is opgenomen in het Stedelijk waterplan Bladel. Het waterplan bevat een streefbeeld dat zich richt op het watersysteem en de waterketen. Dit beleid sluit aan op het landelijke en provinciale beleid. Het belangrijkste uitgangspunt is dat nieuwe ontwikkelingen geen belemmering mogen vormen voor het vasthouden, bergen en afvoeren van water in het deelstroomgebied.
Daarnaast is het van belang dat bij inpassing wordt voorkomen dat afwenteling op andere delen van het deelstroomgebied plaatsvindt. Hiervoor is het Gemeentelijk Rioleringsplan Bladel 2015-2020 (GRP) vastgesteld. Nieuwe rioolstelsels van enige omvang dienen als (verbeterd) gescheiden te worden uitgevoerd. Verder dient bij nieuwe ontwikkelingen hemelwater, afkomstig van ‘schoon’ afvoerend oppervlak, waar mogelijk, te worden geïnfiltreerd. Conform deze uitgangspunten geldt de voorkeursvolgorde: infiltreren - bergen - afvoeren naar oppervlaktewater - afvoeren naar riolering.
Huidige situatie
Het plangebied is gelegen in de hoek van de Hemelrijken en de Kerkstraat te Casteren en bestaat in de huidige situatie uit grote woningen en een aantal oude schuren. Tussen de bebouwing zijn tuinen en ander groen aanwezig.
Bodem en grondwater
Volgens de Bodemkaart van Nederland bestaat de bodem ter plaatse uit zandgronden Er is sprake van grondwater trap VI. Dat wil zeggen dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand varieert van 0,4 tot en met 0,8 meter onder maaiveld en de gemiddelde laagste grondwaterstand meer dan 1,2 meter onder het
maaiveld is.
Waterkwantiteit
Op alle watergangen en sloten die zijn opgenomen in de legger, is de keur van het waterschap van toepassing. Dit betekent voor de verschillende watergangen het volgende:
Dit geldt ook voor ingrepen in de waterlopen categorie B en overige watergangen en sloten, zoals het verleggen en dempen van watergangen en het aanbrengen van duikers in watergangen.
Op basis van bovenstaande afstanden kan gesteld worden dat in of nabij geen watergangen gelegen zijn. Figuur 4.5 toont een uitsnede van de Legger van Waterschap de Dommel.
Figuur 4.5 Uitsnede Legger Waterschap de Dommel met aanduiding plangebied
(Bron: Waterschap de Dommel)
Aanwezigheid oppervlaktewater
In (de nabije omgeving van) het plangebied is er geen oppervlaktewater aanwezig.
Veiligheid en waterkeringen
In (de nabije omgeving van) het plangebied zijn geen waterkeringen aanwezig. De ontwikkeling heeft daarmee geen invloed op de waterveiligheid.
Afvalwaterketen en riolering
De woningen zijn in de huidige situatie aangesloten op de riolering.
Toekomstige situatie
Algemeen
In het centrum van Casteren is de gemeente Bladel voornemens om de percelen op de hoek van de Kerksraat - Hemelrijken te ontwikkelen ten behoeve van woningbouw. Het beoogde programma bestaat uit tien nieuwbouwwoningen voor starters en senioren en zullen gebouwd worden middels een CPO-constructie (Collectief Particulier Opdrachtgeverschap).
Tabel 4.1 Oppervlakte verharding; huidige en toekomstige situatie
| Oppervlaktes | Huidig oppervlak (m2) | Toekomstig oppervlak (m2) |
| Daken | 1.141 | 810 |
| Terreinverharding | 678 | 1.650 |
| Onverhard terrein | 3.165 | 2.524 |
| Totaal | 4.984 | 4.984 |
Sinds 2015 wordt de benodigde berging berekend met de volgende formule: m2 afvoerend verhard oppervlak x 0,06 x gevoeligheidsfactor. De gevoeligheidsfactor ter plaatse is 1. De benodigde berging voor de toename van het verhard oppervlak is 641 m2 x 0,06 x 1 = 38,46 m3. Voor berging van het hemelwater vanaf het gehele toekomstig verhard oppervlak is 2460 x 0,06 x 1 = 147,6 m3 ruimte nodig.
Het hemelwater van de woningen en de overige verharding dient afgekoppeld te worden op een hemelwaterriolering. Gezien de aanwezige zandgronden is het niet mogelijk om ter plaatse open water te realiseren. Conform de waterkansenkaart van Netersel, Casteren en Hoogeloon blijkt het plangebied geschikt voor potentieel ondergronds infiltratiegebied. Waar mogelijk zal het water infiltreren in de aan te leggen tuinen. Uiterlijk bij de bouwvergunningaanvraag dient inzicht gegeven te worden in de toename in verharding en de wijze van afkoppelen.
Via het Waterschap de Dommel wordt geadviseerd te overwegen om in de openbare groene delen van het plan hemelwater infiltratievoorzieningen te realiseren in de vorm van wadi's. Dit is een oplossing die relatief veel ruimte biedt, relatief goedkoop is en niet erg onderhouds- of foutgevoelig. Bovendien biedt een mooi aangelegde wadi een visuele meerwaarde en maakt het de omwonenden bewust van de manier van hemelwaterverwerking. De wadi kan worden voorzien van een noodoverloop en eventueel een vertraagde leegloop richting riool. Daarnaast geeft het Waterschap ter overweging aan om de parkeervakken te realiseren in halfverharding en de nieuw aan te leggen weg 'op een oor' te bestraten zodat hemelwater zonder verdere voorzieningen in naastgelegen groen kan infiltreren. Het advies van het Waterschap is weergegeven in bijlage 4.
Veiligheid en waterkeringen
De ontwikkeling is niet van invloed op de waterveiligheid in het projectgebied.
Watersysteemkwaliteit en ecologie
Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem geldt een verbod op het toepassen van zink, lood, koper en PAK's-houdende bouwmaterialen.
Afvalwaterketen en riolering
Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:
Waterbeheer
Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de "Keur". Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het waterschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aan- of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de "Keur". Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd.
Conclusie
De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.
Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) en het beleid van de provincie ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland de uitvoering van het plan niet in de weg staan. In elk geval moet aannemelijk zijn dat vergunning of ontheffing van de van de bij of krachtens deze wet geldende verbodsbepalingen kan worden verkregen voor de activiteiten die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt. Dit is anders indien uit de Wnb voortvloeit dat een passende beoordeling moet worden gemaakt. Deze dient te zijn verricht ten tijde van vaststelling van het bestemmingsplan.
Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.
Gebiedsbescherming
De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten:
Natura-2000 gebieden
De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn).
Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:
De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
Bijzondere nationale natuurgebieden
De Minister van Economische Zaken (EZ) kan buitenom de gebieden die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden Natura 2000, ook gebieden aanwijzen als Bijzonder nationaal natuurgebied wanneer het gebied is opgenomen op een lijst als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Habitatrichtlijn of het gebied onderwerp is van een procedure als bedoeld in artikel 5 van de Habitatrichtlijn. De beschermende werking die geldt voor gebieden die behoren tot Natura 2000, geldt in dat geval ook voor het bijzondere nationaal natuurgebied.
Natuurnetwerk Nederland (NNN) / Natuurnetwerk Brabant (NNB)
Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. De provincie Noord Brabant hanteert daarvoor het begrip Natuurnetwerk Brabant (NNB). Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden.
Soortenbescherming
In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:
De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn.
Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden.
Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Noord-Brabant
In de provincie Noord-Brabant wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee, voor het op of in de bodem brengen van meststoffen en voor agrarische beregening uit grondwater. In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 3 bij deze verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, wild zwijn en woelrat.
Op de hoek van de Kerksraat - Hemelrijken te Casteren bestaat het planvoornemen om tien nieuwbouwwoningen voor starters en senioren te realiseren. Dit plan zou kunnen samengaan met effecten op beschermde planten en dieren. In dat kader is een verkennend onderzoek uitgevoerd naar het voorkomen van beschermde flora en fauna.
Gebiedsbescherming
Het plangebied vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. De Groote Beerze maakt deel uit van het Natura 2000-gebied Kempenland-West en ligt circa 570 m ten westen van het plangebied. Dit is weergegeven in figuur 4.7.
Figuur 4.7 Ligging plangebied t.o.v. het Natura 2000-gebied Kempenland-West
(Bron: AERIUS Calculator)
Het Natura 2000-gebied Kempenland-West omvat restanten van het eertijds uitgestrekte heidelandschap in Midden-Brabant. Van west naar oost gaat het om de Rovertse Heide en het ven Papschot, een aaneengesloten gebied vanaf de Reusel bij de landgoederen Wellenseind en De Utrecht via de Mispeleindsche en Neterselsche Heide tot en met de Landschotsche Heide, en ten slotte het Klein en Groot Meer bij Vessem. De terreinen zijn van belang vanwege de natte en droge heide met daarin een aantal vennen. Tussen de heideterreinen stromen de laaglandbeken Reusel, Groote Beerze en Kleine Beerze, waarvan grote delen van de middenlopen eveneens tot het Natura 2000-gebied behoren. Deze beken bevatten de grootste populatie van de Drijvende waterweegbree in ons land.
Het plangebied maakt geen deel uit van de Natuurnetwerk Nederland (NNN). NNN-gebieden zijn buiten de kern Casteren gelegen.
Figuur 4.8 Ligging plangebied (rode cirkel) t.o.v. beschermde natuurgebieden
(Bron: Natuurbeheerplan Noord-Brabant)
Voor dit plan zijn AERIUS berekeningen gemaakt. Door middel van deze berekeningen wordt inzichtelijk gemaakt of het plan in de gebruiksfase zorgt voor een toename van stikstofdepositie in (nabijgelegen) Natura 2000-gebieden. Een complete memo inclusief de berekening is opgenomen in bijlage 5. Uit de rekenresultaten blijkt dat voor de gebruiksfase geen sprake is van stikstofdeposities hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Derhalve is in het kader van de Wet natuurbescherming geen vergunning noodzakelijk.
Soortenbescherming
Er is het voornemen voor de sloop van opstallen en het rooien van een tuin aan de Kerkstraat te Casteren om ter plaatse woningbouw te kunnen realiseren en gebruiken. Deze activiteit zou kunnen samen gaan met effecten op beschermde planten- en diersoorten.
In februari 2015 heeft onderzoek plaatsgevonden naar eventueel voorkomende beschermde plant- en diersoorten. Op basis van onderzoek is bepaald dat het plangebied mogelijk van waarde is voor beschermde vleermuizen en vogels met vaste rust- en verblijfplaatsen die door de wijziging negatief kunnen worden beïnvloedt. Op grond hiervan is het voorkomen en het terreingebruik van beschermde vleermuizen en vogels met vaste rust- en verblijfplaatsen inzichtelijk gemaakt in het ecologisch onderzoek bijgevoegd in bijlage 8. Uit het onderzoek komt naar voren dat de hoek van de Hemelrijken en Kerkstraat te Casteren en directe omgeving foerageergebied is voor gewone dwergvleermuis en laatvlieger. Het ontbreekt aan verblijfplaatsen van vleermuizen. Gedurende en na de realisatie van de plannen kunnen vleermuizen gewoon blijven foerageren en vliegen. Effecten op de vleermuizen worden derhalve uitgesloten.
Ter plaatste van de te slopen bebouwing komen vogels voor met nesten. Bij de sloop/bouw dient rekening gehouden te worden met het broedseizoen. Het broedseizoen is geen standaard periode maar loopt voor de huismus globaal van maart tot september en voor de algemene vogels van maart tot half juli. De huismus heeft nesten in het te slopen gebouw welke gerekend worden als een vaste rust- en verblijfplaats. Er zijn geen overige nesten of territoria van broedvogels aangetroffen met jaarrond beschermde nesten, zoals gierzwaluw.
Deze rust- en verblijfplaatsen van de huismus worden nadelig beïnvloedt door de plannen derhalve is een ontheffing van de Flora- en faunawet (inmiddels ondergebracht in de Wet natuurbescherming) vereist. Een ontheffingsaanvraag dient te worden voorzien van een Activiteitenplan waarin de maatregelen nader zijn uitgewerkt. Op basis van dit rapport/advies is een Activiteitenplan opgesteld en is op 3 juni 2015 een ontheffing verleend voor verstoren van nest- of vaste rust- of verblijfplaatsen van de huismus. De ontheffing is aangevraagd voor de periode van 15 augustus 2015 tot en met 28 december 2016. Echter zijn de maatregelen uit het Activiteitenplan binnen deze periode niet uitgevoerd doordat het woningbouwplan geen doorgang kreeg. Nu de gemeente haar plannen voor het plangebied weer heeft opgepakt is de ontheffing echter verlopen. Er dient derhalve opnieuw een ontheffing voor de huismus aangevraagd te worden.
Tussen de onderzoeksperiode in 2015 en heden (2020) hebben geen wijzigingen van de (bebouwde) situatie binnen het plangebied plaatsgevonden. Aangenomen kan worden dat de conclusie uit het onderzoek uit 2015 nog actueel is. Echter is dit geheel uit te sluiten, daarnaast is de wetgeving voor de bescherming van plant- en diersoorten gewijzigd in de Wet natuurbescherming. Om die reden is in mei 2020 een actualiserende quick scan naar beschermde plant- en diersoorten uitgevoerd.
In het actualiserend onderzoek is opnieuw vastgesteld dat de aanwezigheid van vleermuizen (foerageergebied, vliegroutes, verblijfplaatsen) en vogels met vaste rust- en verblijfplaatsen (huismus, gierzwaluw) niet kan worden uitgesloten. Mogelijk is het plangebied ook leefgebied voor marters zoals de bunzing, wezel, hermelijn en de steenmarter. De conclusie van het actualiserend onderzoek is daarmee hetzelfde als het onderzoek in 2015. De enige verandering in de conclusie is ten aanzien van marterachtigen. Deze soort is in het onderzoek uit 2015 niet meegenomen en nu wel omdat deze soort tussentijds door de provincie is aangemerkt als een beschermde soort. Voorheen was dit niet het geval.
Vervolgonderzoek
Aangezien de conclusie uit het actualiserend onderzoek hetzelfde is als het onderzoek uit 2015 (op de marterachtigen na) wordt voor de vleermuis en broedvogels niet opnieuw een vervolgonderzoek uitgevoerd. Op basis van de onderzoeken uit 2015 wordt wederom een ontheffing aangevraagd voor de huismus.
Voor de marterachtigen geldt dat conform de Handreiking kleine marterachtigen nader veldonderzoek niet nodig wordt geacht als het project een omvang heeft kleiner dan 1 hectare. Het plangebied kent een omvang van circa 5.000 m2. Nader onderzoek naar de kleine marterachtigen is derhalve niet noodzakelijk. Wel dient nog nader onderzoek uitgevoerd te worden naar de steenmarter. Dit onderzoek is gepland vanaf half februari tot eind augustus 2021. Het resultaat uit dit vervolgonderzoek heeft echter geen invloed op de doorgang van het voorgenomen plan. Er bestaan immers mitigerende maatregelen voor deze soort. De instandhouding van deze soort is daarmee ten alle tijden geborgd, mocht deze worden aangetroffen binnen het plangebied. Het vervolgonderzoek naar steenmarter staat de vaststelling van dit bestemmingsplan derhalve niet in de weg. Wel dient het vervolgonderzoek afgerond te zijn voordat gestart kan worden met de sloop. Dit wordt echter niet via het ruimtelijk spoor, maar via het omgevingsvergunning spoor geborgd.
Ontheffing Wnb
Op basis van de onderzoeken uit 2015 is wederom een ontheffing aangevraagd voor de huismus. Op 14 augustus 2020 is de ontheffing op de Wnb voor het verstoren van de huismus aangevraagd bij provincie Noord-Brabant. Ten behoeve van de aanvraag is een nieuw Activiteitenplan opgesteld. Het Activiteitenplan is bijgevoegd in bijlage 9.
Binnen het plangebied zijn vier territoria van huismus vastgesteld onder de daken. Met de realisatie van de plannen komt, als er geen gerichte maatregelen worden getroffen, de feitelijke nestlocatie te vervallen. Gelet op het feit dat de te vervangen woningen worden uitgevoerd met dakpannen kan hier de Vogelvide worden toegepast waardoor alternatieve nestlocaties worden geboden. De Vogelvide dient aan beide zijde van de te realiseren woningen aangebracht te worden.
Nestkasten kunnen in de aanlegfase een alternatief bieden voor nestlocaties. In deze fase dienen de mussen namelijk tevens over nestplaatsen te kunnen beschikken. Rond de woning dienen vier groepsnestkasten opgehangen te worden. De exacte locaties van deze nestkasten liggen in een straal van 250 meter rond het plangebied. Groepsnestkasten dienen opgehangen te worden omdat de huismus een groepsvogel is. De nestkasten dienen niet in de zon op de zuidzijde te worden geplaatst. De kasten dienen één maand voorafgaand aan het onklaar maken / de sloop gereed te zijn. Zowel de plaatsing van de nestkasten als de vogelvide dient te gebeuren onder begeleiding van een deskundige ecoloog.
Figuur 4.9 Voorbeeld van een vogelvide voor huismussen
Figuur 4.10 Voorbeeld van huismuskasten
Het plan heeft geen invloed op het NNN en veroorzaakt geen toename van stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden. Daarnaast worden beschermde soorten niet aangetast door het treffen van mitigerende maatregelen. Hiertoe is voor de huismus een ontheffing op de Wnb aangevraagd. Voor de steenmarter wordt nog een vervolgonderzoek uitgevoerd. Indien de steenmarter inderdaad wordt aangetroffen binnen het plangebied worden hiervoor eveneens mitigerende maatregelen getroffen. De beoogde plannen hebben derhalve geen nadelige invloed op de beschermde soorten. Het aspect ecologie vormt derhalve geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
Duurzaamheid gaat over de balans tussen mens, milieu en financiën en kan op verschillende niveaus worden bezien. Op het niveau van gebiedsontwikkeling gaat het naast technische maatregelen bij gebouwen om het functioneren van het gehele gebied. De kracht zit in het zoeken naar goede combinaties voor een specifieke locatie waardoor een prettige leefomgeving kan worden ontwikkeld. Bepaalde randvoorwaarden en/of de ruimtelijke omgeving van een plan kunnen kansen voor duurzaamheid opleveren.
Duurzaam bouwen gaat dus verder dan alleen energie. Het gaat ook over duurzaam materiaalgebruik, comfort, binnenmilieu, bouwen voor de toekomst en slim bouwen. Duurzaam bouwen wordt vaak afgekort als 'dubo' en beoogt naast vermindering van de uitstoot van CO2 ook zaken als:
Aardgasvrij (Wet VET)
In de Wet voortgang energietransitie (VET) is bepaald dat per 1 juli 2018 nieuw te bouwen bouwwerken niet meer aangesloten worden op het gasnet. In uitzonderlijke gevallen kan de gemeente, bij zwaarwegende redenen van algemeen belang, een ontheffing verlenen. De omgevingsvergunning voor nieuwe bouwwerken wordt afgekeurd als in de bouwaanvraag geen rekening is gehouden met aardgasvrij bouwen.
Milieuprestatie Gebouwen (MPG)
Voor nieuwbouwwoningen en nieuwe kantoorgebouwen die groter zijn dan 100 m² is bij elke aanvraag voor een omgevingsvergunning een Milieuprestatie Gebouwen (MPG) verplicht. De MPG geeft aan wat de milieubelasting is van de materialen die in een gebouw worden toegepast. Per 1 januari 2018 geldt voor de MPG een maximum schaduwprijs van 1,00 euro per m2 BVO per jaar. Voor een MPG berekening kan het instrument GPR Gebouw gebruikt worden. GPR Gebouw is opgebouwd uit vijf verschillende thema’s: energie, milieu, gezondheid, gebruikskwaliteit en toekomstwaarde. Scores variëren van 0 t/m 10. Het is gebruikelijk om uit te gaan van een gemiddelde GPR Gebouw score van 8. GPR Gebouw is een bruikbaar instrument om tot een duurzaam ontwerp te komen voor onder andere woningbouw.
Ten aanzien van duurzaamheid worden voor de beoogde woningen de volgende maatregelen beoogd:
In dit hoofdstuk wordt allereerst aandacht besteed aan de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening en de bindende afspraken die dan bij het opstellen van bestemmingsplannen moeten worden gehanteerd: de wettelijke eisen (paragraaf 5.1). Daarna wordt ingegaan op de opzet van de bestemmingsregeling voor het plan (paragraaf 5.2) en vervolgens wordt een toelichting gegeven op de gehanteerde bestemmingen, de algemene regels en de overgangs- en slotregels (paragraaf 5.3, 5.4 en 5.5).
Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en gaat vergezeld van onderhavige bestemmingsplan toelichting met bijlagen.
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is geregeld dat alle nieuwe ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen, digitaal moeten worden vervaardigd, met inachtneming van de daartoe wettelijk verplicht gestelde standaarden (thans SVBP2012, IMRO2012, STRI2012). Op die wijze zijn bestemmingsplannen onderling vergelijkbaar en ook digitaal uitwisselbaar.
Daarnaast is in het Bro een aantal bepalingen opgenomen waaraan de regels van het bestemmingsplan moeten voldoen. Het gaat hierbij om een aantal begrippen, wijze van meten, regels ten aanzien van het overgangsrecht en de anti-dubbeltelbepaling. Belangrijke eis is dat het bestemmingsplan dient te voldoen aan de eis van rechtszekerheid. Dit betekent dat een bestemmingsregeling duidelijk en voor één uitleg vatbaar dient te zijn.
Ook de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is van belang voor bestemmingsplannen.
Ten aanzien van de opzet van de bestemmingsregeling is het volgende van belang.
Opzet verbeelding
Belangrijke eis is dat het bestemmingsplan dient te voldoen aan de eis van rechtszekerheid. Dit betekent dat een bestemmingsregeling duidelijk en voor één uitleg vatbaar dient te zijn. In aansluiting hierop en in relatie tot de digitale verplichting verdient het de voorkeur zoveel mogelijk onderdelen van de regeling op de verbeelding zichtbaar te maken en de regels zo transparant mogelijk te houden.
Voorts zijn de volgende eisen van toepassing:
Tevens wordt in een onderhoek op de verbeelding de naam van het bestemmingsplan aangegeven, de datum van terinzagelegging, vaststelling en (eventueel) van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Ook is het identificatienummer van het bestemmingsplan en het kaartblad aangegeven. De kaart bestaat uit 1 kaartblad op een schaal van 1:1.000.
De bestemming wordt door middel van hoofdletters aangeduid, zoals 'W' voor 'Wonen'. Verder geldt het volgende:
Opzet regels
De indeling in hoofdstukken waarin de regels zijn opgenomen, kent de volgende vaste volgorde.
Op grond van de wettelijke standaarden moet bij de opstelling van een bestemmingsbepaling (de regels) de volgende vaste volgorde gebruikt worden:
De gronden met de bestemming groen zijn bestemd voor groenvoorzieningen en bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals voetpaden, water en nutsvoorzieningen.
De gronden met de bestemming 'Verkeer' zijn bestemd voor wegverkeer, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, geluidsreducerende voorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen en nutsvoorzieningen. Daarnaast zijn de gronden bestemd voor behoud, herstel en ontwikkeling van landschappelijke, cultuurhistorische en natuurlijke waarden in de vorm van beplanting of andere groenvoorzieningen. Binnen de bestemming 'Verkeer' mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebebouwd. In de regels zijn hiervoor nadere bepalingen opgenomen.
De toekomstige woonpercelen zijn bestemd voor wonen en hierbij behorende tuinen en erven. Beroepsmatige en / of bedrijfsmatige activiteiten in een woning zijn toegestaan.
Op de verbeelding is door middel van bouwvlakken aangegeven waar de hoofdgebouwen mogen worden gebouwd. Ook het maximum aantal woningen en de maximale goothoogte zijn weergegeven op de verbeelding. Overige bouwregels zijn in de bestemmingsplanregels opgenomen.
Artikel 6 Waarde - Archeologie 3
Deze bestemming is een zogenoemde dubbelbestemming. De dubbelbestemming is met een arcering (kruizen) op de verbeelding weergegeven. De bestemming valt samen met een groot aantal andere bestemmingen. De regeling heeft tot doel de bescherming en veiligstelling van het archeologisch erfgoed in de bodem. Hiervoor is het beleid zoals dat is vermeld in paragraaf 4.5.1 leidend.
Artikel 7 Waarde - Archeologie 4.1
Deze bestemming is een zogenoemde dubbelbestemming. De dubbelbestemming is met een arcering (kruizen) op de verbeelding weergegeven. De bestemming valt samen met een groot aantal andere bestemmingen. De regeling heeft tot doel de bescherming en veiligstelling van het archeologisch erfgoed in de bodem. Hiervoor is het beleid zoals dat is vermeld in paragraaf 4.5.1 leidend.
Deze algemene regels bestaan uit een aantal algemene, niet aan specifieke bestemmingen gekoppelde, regels.
Een antidubbeltelbepaling wordt opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.
De formulering van de antidubbeltelbepaling wordt bindend voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.2.4 Bro).
In de algemene bouwregels is opgenomen dat bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, mogen worden overschreden ten behoeve van ondergeschikte bouwdelen. Het gaat hierbij om bijvoorbeeld stoepen, balkons, entreeportalen, veranda's en afdaken.
Artikel 10 Algemene gebruiksregels
In dit artikel wordt genoemd welk gebruik van de gronden in ieder geval valt onder strijdig gebruik. Het gaat hierbij om onder andere het gebruik van de gronden ten behoeve van stort- of opslagplaats van goederen en aan het gebruik onttrokken machines of het gebruik ten behoeve van seksinrichtingen.
Artikel 11 Algemene afwijkingsregels
In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels waarvan afgeweken kan worden. Het gaat hierbij om de bevoegdheid om bij omgevingsvergunning af te wijken van regels die gelden voor alle bestemmingen in het plan. Dit betreft bijvoorbeeld de vrijstelling ten behoeve van afwijking van de voorgeschreven maten en percentages. Afwijking is overigens alleen mogelijk wanneer hiermee geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan aspecten als de woon- en milieusituatie van aangrenzende percelen.
Artikel 12 Algemene wijzigingsregels
Dit artikel geeft het bevoegd gezag de bevoegdheid het bestemmingsplan te wijzigen ten behoeve van geringe veranderingen in plaats, ligging of afmetingen van bestemmingsgrenzen.
In dit artikel is een parkeerregeling opgenomen.
In artikel 13 wordt omschreven hoe wordt omgegaan met het bestaand gebruik en met de bestaande bebouwing ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan.
In dit artikel wordt de naam van de regels vastgesteld.
De gemeente Bladel heeft zich vergewist van de economische uitvoerbaarheid. Het bestemmingsplan maakt de bouw van maximaal 10 woningen mogelijk. Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) verplicht gemeenten om bij de vaststelling van een bestemmingsplan ook een exploitatieplan vast te stellen, tenzij het kostenverhaal anderszins verzekerd is. Het kostenverhaal is anderszins verzekerd als met alle eigenaren in het exploitatiegebied waar bouwmogelijkheden gerealiseerd kunnen worden overeenkomsten over grondexploitatie zijn gesloten waarin dit kostenverhaal contractueel is geregeld.
Ook is het verhaal van kosten anderszins verzekerd als de grond in het bezit is van de gemeente en de gemeente haar kosten verhaalt via gronduitgifte. De gemeente Bladel heeft alle gronden in het gebied in haar bezit. De grondexploitatie van de gemeente toont aan dat de opbrengsten hoger zijn dan de kosten. De gemeente kan dus via gronduitgifte al haar kosten verhalen. Daarmee is de economische uitvoerbaarheid aangetoond. Er hoeft zodoende geen exploitatieplan te worden vastgesteld.
Op grond van artikel 3.1.6 Bro dient inzicht te worden gegeven in de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Het gaat daarbij zowel om de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de planvoorbereiding zijn betrokken alsook om de resultaten van het overleg ex artikel 3.1.1 Bro.
Dit bestemmingsplan is samen tot stand gekomen met CPO vereniging Den Tip te Casteren. Burgers zijn samen een collectief particulier opdrachtgeverschap gestart, bijgestaan door de BIEB (Bouwen In Eigen Beheer). De invulling van de ruimte en de daarbij behorende functies zijn samen met de gemeente Bladel tot stand gekomen.
In het kader van het overleg als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het ontwerpbestemmingsplan toegestuurd aan de vaste overlegpartners, waaronder het Waterschap, de Provincie en de Veiligheidsregio. De Provincie en de Veiligheidsregio waren akkoord met het plan en hadden geen inhoudelijke opmerkingen. Het Waterschap kwam wel met een reactie op hhet concept ontwerpbestemmingsplan voor voorliggend initiatief. De reactie is opgenomen in bijlage 4. Het advies is verwerkt in het bestemmingsplan.
Het ontwerpbestemmingsplan wordt gedurende 6 weken ter visie gelegd. Hierbij wordt eenieder in de gelegenheid gesteld zienswijzen in te dienen.