| Plan: | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22y, De Bleken HD |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1721.TAM22y-VG01 |
Deze motivering hoort bij het "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22y, De Bleken HD" van de gemeente Bernheze. Op de locatie aan De Bleken – percelen HWK02D1504 en HWK02D1505 – en de locatie aan de Groldersedijk - perceel HEE02G331 - zijn thans binnen de bestemming 'Agrarisch met waarden – Leefgebied struweelvogels' en 'Agrarisch met waarden - Landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden' twee agrarische percelen gesitueerd.
In het kader van het vastgestelde omgevingsplan ''De Bunders, Heesch'' zijn deze percelen, in het activiteitenplan, zie bijlage 1, (behorende bij de ontheffingsaanvraag in het kader van de soortenbescherming), aangemerkt als compensatielocatie voor de aangetroffen steenuil. De initiatiefnemer is voornemens deze percelen, middels deze wijziging van het omgevingsplan, juridisch-planologisch geschikt te maken voor deze 'noodzakelijke' compensatiemaatregelen.
Deze ontwikkeling past niet binnen het vigerende omgevingsplan. Daarom moet voor deze locaties een separaat, ontwikkelingsgericht TAM-IMRO omgevingsplan opgesteld worden.
Onderstaande afbeelding geeft globaal de topografische ligging van voorliggend planvoornemen weer.
TOPOGRAFISCHE SITUATIE
Het doel van het opstellen van onderhavig TAM-IMRO omgevingsplan is om de transformatie van het gebied tot een compensatieperceel (in het kader van de noodzakelijke ontheffingsaanvraag ten behoeve van de soortenbescherming) planologisch mogelijk te maken.
Onderstaande afbeeldingen geven de kadastrale situatie weer. Tevens is de plangrens van het TAM-IMRO omgevingsplan ingetekend.
|
|
KADASTRALE SITUATIE
De gezamenlijke oppervlakte van het plangebied bedraagt circa 55.000 m². De gronden zijn gemeentelijk eigendom.
Na dit inleidende hoofdstuk vormen de daaropvolgende hoofdstukken de verantwoording van de TAM-IMRO omgevingsplanwijziging die deze motivering mogelijk maakt. Hoofdstuk 2 bevat een beschrijving en analyse van de huidige ruimtelijk-functionele situatie. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de gewenste situatie, de beoogde ontwikkeling. In hoofdstuk 4 wordt aan het huidige omgevingsplan getoetst. In hoofdstuk 5 wordt het proces en participatietraject behandeld. In hoofdstuk 6 wordt het Rijks-, provinciaal-, regionaal- en gemeentelijk beleid beschreven. In hoofdstuk 7 wordt inzicht gegeven in diverse planologische aspecten die relevant zijn voor de fysieke leefomgeving. In hoofdstuk 8 wordt de juridisch opzet beschreven. In hoofdstuk 9 komt de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid aan de orde. In hoofdstuk 10 wordt de belangenafweging en de conclusie toegelicht.
In dit hoofdstuk wordt, met toepassing van de lagenbenadering, de huidige ruimtelijke en functionele situatie beschreven, ook in relatie tot de omgeving. Onderstaande afbeeldingen geven een uitsnede van het plangebied in zijn directe omgeving.
|
|
DIRECTE OMGEVING PLANGEBIED
De gemeente Bernheze wordt omsloten door de gemeenten 's-Hertogenbosch, Oss, Sint-Michielsgestel, Maashorst en Meierijstad. In het noorden wordt de begrenzing duidelijk vormgegeven door de A59, welke nabij het plangebied is gelegen. De westgrens wordt gevormd door de Heeswijkse Bossen en de Leijgraaf. Aan de zuidzijde vormen de Zuid-Willemsvaart en de A50 heldere grenzen. In het oosten loopt de grens tussen Vorstenbosch en Bedaf, langs de Slabroekseweg, door de Schaykse Heide naar het knooppunt Paalgraven (A50-A59).
De gemeente is in 1994 ontstaan door de samenvoeging van de voormalige gemeenten Heesch, Heeswijk-Dinther en Nistelrode. Het grondgebied van de gemeente Bernheze heeft een kenmerkend landelijk karakter, waarin, naast de landbouw, de natuur- en bosgebieden en het water dominant aanwezig zijn. Bedrijvigheid komt op bedrijventerreinen in de drie grotere kernen voor, zo ook ten noorden en oosten van het plangebied. De gemeente is in alle richtingen goed ontsloten op het landelijke snelwegennet (A50/A59). Recreatie en toerisme is voor de gemeente van betekenis, vooral routegebonden vormen (fietsen, wandelen, paardrijden) zijn van belang.
De gemeente Bernheze ligt op de overgang van de Peelhorst naar een dekzandvlakte met dekzandruggen. De kernen binnen de gemeente zijn ontstaan op de overgang van hoog naar laag en droog naar nat. De dekzandruggen zijn in de laatste ijstijd ontstaan. Het complex van dekzandruggen strekt zich uit van Herpen via Heesch naar Rosmalen.
De deellocatie aan De Bleken is gesitueerd ten oosten van de kern Loosbroek in het agrarische buitengebied van de gemeente Bernheze, nabij de kruising met de Broekdijk. De deellocatie kent, in tegenstelling tot de vigerende bestemming, een natuurgebruik (compensatie van de das). In de omgeving van dit deelgebied is overwegend een agrarisch gebruik aanwezig wat de ruimtelijke sfeer van dit gebied kenmerkt.
De deellocatie aan de Groldersedijk is gesitueerd ten zuiden van de kern Heesch in het agrarische buitengebied van de gemeente Bernheze. Zowel de deellocatie als de omgeving kent een agrarisch gebruik wat ook terugkomt in de ruimtelijke sfeer van het gebied.
Loosbroek is een van de kleinere kernen binnen de gemeente Bernheze, gelegen in het oostelijke deel van het grondgebied. Het dorp heeft een kleinschalig en landelijk karakter, met een dorpsstructuur die sterk is geworteld in de agrarische geschiedenis. Loosbroek ligt in een open ontginningslandschap dat deel uitmaakt van de Brabantse zandgronden. De opbouw van het dorp is afleesbaar als een typisch straatdorp, ontstaan langs de centrale as van de Kerkstraat en de Heescheweg, waarlangs de oudste bebouwing is gelegen.
De uitbreiding van Loosbroek in de tweede helft van de 20e eeuw heeft plaatsgevonden in de vorm van compacte woonbuurten, aansluitend op het historische lint. Deze uitbreidingen kenmerken zich door een eenvoudige opzet en een beperkte korrelgrootte, passend bij het dorpse karakter. De kern beschikt over enkele basisvoorzieningen, waaronder een basisschool, een gemeenschapshuis en sportaccommodaties.
Het groen in de kern bestaat uit een combinatie van erfbeplanting, laanbeplanting en kleine openbare groenzones. Aan de rand van het dorp gaan de woonwijken geleidelijk over in agrarisch gebied, met open akkers en weilanden. Deze overgang is visueel en ruimtelijk tamelijk zacht, waardoor het dorp op natuurlijke wijze in het landschap is ingebed.
Cultuurhistorisch is Loosbroek van belang vanwege de gave dorpsstructuur, de historische bebouwing langs het lint en de relatie met het agrarische landschap. Ten zuiden van het dorp ligt het natuurgebied de Maashorst op korte afstand, waarmee Loosbroek tevens een relatie heeft met het regionale recreatieve netwerk.
De deellocatie aan De Bleken is thans ingericht als compensatielocatie voor de das. In de huidige situatie bestaat de compensatie uit grasland met aan de west- en zuidzijde een groenstrook. Daarnaast zijn op het perceel enkele smalle groenstroken aanwezig.
Heesch is één van de grotere kernen binnen de gemeente Bernheze en ligt centraal in het gemeentelijk grondgebied, direct grenzend aan ’s-Hertogenbosch en Oss. Het dorp heeft een meer stedelijk en voorzieningenrijk karakter dan de overige kernen, maar behoudt tegelijkertijd duidelijke dorpse elementen. De historische ontwikkeling van Heesch is afleesbaar in de lintstructuur langs de Oude Molenstraat, de Schoonstraat en de Kerkstraat, waar de oudste bebouwing en karakteristieke panden te vinden zijn.
Vanaf de tweede helft van de 20e eeuw is Heesch sterk uitgebreid met diverse woonwijken, die in meerdere fasen aan de bestaande linten zijn toegevoegd. Deze uitbreidingen bestaan uit compacte woonbuurten met een mix van woningtypen en kleinschalige buurtstructuren. Hoewel Heesch een groter schaalniveau kent dan de kleinere kernen, sluiten de buurten qua korrelgrootte en inrichting aan bij het dorpse woonmilieu. Het voorzieningenniveau is relatief hoog: Heesch beschikt over meerdere basisscholen, uiteenlopende sportvoorzieningen, een uitgebreid winkelgebied en diverse maatschappelijke functies.
Het groen in en rondom Heesch bestaat uit een samenstel van laanbeplantingen, buurtgroen, parkzones en groene verbindingen richting het omliggende landschap. De overgang van bebouwde kom naar buitengebied is meer uitgesproken dan in de kleinere dorpen, maar blijft op diverse plekken verweven met open ruimten en agrarische landschappen. Ten noorden en zuiden van de kern liggen open akkercomplexen en groengebieden die de relatie met het landschap zichtbaar houden.
Cultuurhistorisch bezit Heesch waarde vanwege de herkenbare lintstructuur, enkele historische boerderijen en de ontwikkeling van het dorpscentrum. De nabijheid van de Maashorst en de Wijstgronden versterkt de landschappelijke en recreatieve betekenis van de kern, die als toegangspunt tot het regionale netwerk fungeert.
De deellocatie aan de Groldersedijk kent in de huidige situatie een agrarisch gebruik. In de directe omgeving van het plangebied zijn hoofdzakelijk ook agrarische bedrijven (inclusief bedrijfswoningen) gesitueerd. Dit sluit aan bij de functie van dit deel van het buitengebied van de gemeente Bernheze.
Voorliggend planvoornemen betreft het juridisch-planologisch mogelijk maken van een noodzakelijk activiteitenplan voor de aangetroffen steenuil in het plangebied behorende bij het vastgestelde omgevingsplan ''De Bunders, Heesch''. Dit herijkte activiteitenplan is bijgevoegd als bijlage 1.
Het omgevingsplan ''De Bunders, Heesch'' voorziet in een woningbouwontwikkeling ten behoeve van maximaal 325 woningen. In het kader van dit omgevingsplan is ook het aspect 'soortenbescherming' onderzocht. Hieruit volgt dat de steenuil is aangetroffen en niet binnen dat plangebied gemitigeerd/gecompenseerd kan worden. Derhalve is gezocht naar passende locaties in de omgeving.
De deellocatie aan De Bleken is gesitueerd op circa 4 kilometer van de huidige steenuilenpopulaties. Daarmee bevindt deze locatie zich binnen de dispersieafstand (maximale verhuisafstand) van de steenuilen binnen het plangebied. Zoals in paragraaf 2.2 is toegelicht is deze locatie reeds in gebruik als compensatielocatie voor de das. Door Natuurkompas is een onderbouwing opgesteld waaruit blijkt dat binnen deze deellocatie zowel ruimte is voor de das als de steenuil zonder dat deze soorten elkaar hinderen, rapport: ''Onderbouwing das en steenuil'' (30 oktober 2025, N25040-01). Deze rapportage is bijgevoegd als bijlage 2.
Hieruit volgt dat de beoogde herinrichting van het perceel als foerageergebied voor de steenuil niet leidt tot een kwalitatieve afname van het gebied als foerageergebied voor de das. Integendeel, doordat beide soorten overlap vertonen in prooidieren profiteert de das naar verwachting van de maatregelen. Wel leiden de voorgenomen inrichtingsmaatregelen tot een beperkte kwantitatieve afname van het foerageergebied van de das van circa 1,1% van de totale oppervlakte van het perceel. Deze afname is niet-significant en wordt bovendien teniet gedaan door de kwalitatieve verbetering waardoor de das uiteindelijk zal profiteren van de voorgenomen herinrichting.
In de huidige situatie voldoet de beoogde compensatielocatie niet aan alle eisen die een steenuil stelt aan zijn leefgebied. Het gebied moet dan ook zodanig worden ingericht dat deze hier wel aan gaat voldoen. Deze maatregelen omvatten:
Nestlocaties
Inrichtingsmaatregelen
Deze deellocatie wordt voorzien van een kleine schuur van grofweg vier meter lang en drie meter breed. In de schuur wordt een steenuilenkast van het type UK ST 01 Steenuil nestkast van Vivara Pro geplaatst. Op enkele meters afstand van de schuur worden ten minste twaalf fruitbomen geplaatst, bestaande uit appel en peer. Het betreft hoogstamfruitbomen met een minimale hoogte van drie meter (bij aanplant).
Naast de nestkast in de schuur worden nog twee nestkasten op palen geplaatst (bij gebrek aan geschikte bomen). De paalkasten worden zoveel als mogelijk tegen de groenstroken geplaatst, zodat de kasten enige dekking hebben. Langs de oost- en westrand worden kruidenrijke stroken ingezaaid met het zaadmengsel KG2 Kruidenrijk grasland van de firma Cruydt Hoeck. Tevens wordt een poel met natuurvriendelijke oevers aangelegd.
Qua beheer geldt dat de deellocatie extensief moet worden beheerd om ervoor te zorgen dat het gras niet te lang wordt voor de steenuil om nog te kunnen jagen. Dit beheer kan in de vorm van extensief beweiden, maar ook in de vorm van maaien en afvoeren. Onderstaande uitsnede geeft de noodzakelijke inrichting van de compensatielocatie weer.
INRICHTING COMPENSATIELOCATIE DE BLEKEN
De deellocatie aan Groldersedijk is gesitueerd op circa 2 kilometer van de huidige steenuilenpopulaties. Daarmee bevindt deze locatie zich binnen de dispersieafstand (maximale verhuisafstand) van de steenuilen binnen het plangebied.
In de huidige situatie voldoet de beoogde compensatielocatie niet aan alle eisen die een steenuil stelt aan zijn leefgebied. Het gebied moet dan ook zodanig worden ingericht dat deze hier wel aan gaat voldoen. Deze maatregelen omvatten:
Nestlocaties
Inrichtingsmaatregelen
Deze deellocatie doet momenteel nog dienst als maisakker. Omdat maisakkers geen geschikt foerageergebied voor de steenuil vormen, wordt de akker ingezaaid met het grasmengsel NGW2 en het bloemenzaadmengsel G2 Bloemrijk grasland van de firma Cruydt Hoeck. Langs de noordelijke en westelijke rand wordt een haag bestaande uit inheemse soorten aangeplant. Direct ten zuiden van de noordelijke haag wordt een kruidenrijke strook ingezaaid met het zaadmengsel KG2 Kruidenrijk grasland van de firma Cruydt Hoeck. In de noordoostelijke hoek wordt een poel met natuurvriendelijke oevers aangelegd.
Net als bij de deellocatie aan De Bleken wordt het perceel voorzien van een kleine schuur van grofweg vier meter lang en drie meter breed. In de schuur wordt een steenuilenkast van het type UK ST 01 Steenuil nestkast van Vivara Pro geplaatst. Gezien ook hier geschikte bomen ontbreken worden eveneens twee paalkasten geplaatst. Deze worden aan de westzijde van het perceel geplaatst, zodat de kans op verkeersslachtsoffers langs de Groldersedijk zoveel als mogelijk wordt beperkt. Aan weerszijden van de paalkasten worden takkenrillen geplaatst zodat eventueel uitgevlogen jonge vogels daarin kunnen schuilen. Daarnaast kunnen de takkenrillen eveneens fungeren als verblijfplaats voor kleine zoogdiersoorten welke als voedselbron voor de steenuil kunnen dienen. De takkenrillen dienen ten minste één meter breed te zijn en tenminste drie meter lang.
Omdat in tegenstelling tot de deellocatie aan De Bleken geen opgaande beplanting aanwezig is op het perceel worden daarnaast drie rijen met tien weidepaaltjes geplaatst, welke kunnen dienen als uitkijkpunt voor de steenuil. De weidepaaltjes komen grofweg vijftien meter uit elkaar te staan. Daarnaast worden ook 24 hoogstamfruitbomen, bestaande uit appel en peer, aangeplant welke eveneens kunnen fungeren als uitkijkpunt. Eventueel valfruit vormt daarnaast een voedselbron voor diverse kleine zoogdiersoorten, welke op hun beurt weer als voedselbron voor de steenuil kunnen dienen. De bomen dienen bij aanplant minimaal drie meter hoog te zijn.
Qua beheer geldt dat de deellocatie extensief moet worden beheerd om ervoor te zorgen dat het gras niet te lang wordt voor de steenuil om nog te kunnen jagen. Dit beheer kan in de vorm van extensief beweiden, maar ook in de vorm van maaien en afvoeren. Onderstaande uitsnede geeft de noodzakelijke inrichting van de compensatielocatie weer. Onderstaande uitsnede geeft de noodzakelijke inrichting van de compensatielocatie weer.
INRICHTING COMPENSATIELOCATIE GROLDERSEDIJK
Voorliggend planvoornemen (het juridisch-planologisch mogelijk maken van een noodzakelijk activiteitenplan voor de aangetroffen steenuil in het plangebied behorende bij het vastgestelde omgevingsplan ''De Bunders, Heesch'') leidt niet tot een verkeersaantrekkende werking. Het aspect 'verkeersgeneratie' hoeft derhalve niet nader onderbouwd te worden.
Voorliggend planvoornemen (het juridisch-planologisch mogelijk maken van een noodzakelijk activiteitenplan voor de aangetroffen steenuil in het plangebied behorende bij het vastgestelde omgevingsplan ''De Bunders, Heesch'') leidt niet tot een parkeervraag. Het aspect 'parkeren' hoeft derhalve niet nader onderbouwd te worden.
Voorliggend planvoornemen zorgt niet voor een extra ontsluitingen. Het aspect 'ontsluiting' hoeft derhalve niet nader onderbouwd te worden.
Ter plaatse van het plangebied (beide deellocaties) vigeert het van rechtswege verkregen "Omgevingsplan gemeente Bernheze", in werking vanaf 1 januari 2024. Onderliggend ruimtelijk kader betreft het voormalige bestemmingsplan ''Buitengebied Bernheze'', vastgesteld door de gemeenteraad d.d. 8 oktober 2014. Onderstaande afbeeldingen geven een uitsnede van de vigerende verbeelding. De ligging van de deellocaties is aangegeven op onderstaande afbeeldingen.
|
|
UITSNEDE VERBEELDING VIGEREND BESTEMMINGSPLAN
De gronden ter plaatse van de deellocatie aan De Bleken hebben in het van rechtswege verkregen "Omgevingsplan gemeente Bernheze" (onderliggend bestemmingsplan ''Buitengebied Bernheze'') de volgende (dubbel)bestemmingen:
| Agrarisch met waarden - Leefgebied struweelvogels | De voor 'Agrarisch met waarden - Leefgebied struweelvogels' aangewezen gronden zijn onder andere bestemd voor behoud, herstel en ontwikkeling van het aanwezige besloten of halfopen landschap met een kleinschalige percelering, houtwallen, ruige perceelsranden en slootkanten; het behoud, bescherming en/of herstel van de aanwezige landschappelijke en ecologische waarden; instandhouding van de typerende geologie/ geomorfologie. |
| Leiding - Water | De voor 'Leiding - Water' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming (basisbestemming), met voorrang mede bestemd voor een hoofdwaterleiding, ten behoeve van het transport van drinkwater; met daarbij behorende leidingzone en overige voorzieningen. |
Daarnaast ligt het perceel binnen de gebiedsaanduidingen:
De gronden ter plaatse van de deellocatie aan de Groldersedijk hebben in het van rechtswege verkregen "Omgevingsplan gemeente Bernheze" (onderliggend bestemmingsplan ''Buitengebied Bernheze'') de volgende (dubbel)bestemmingen:
| Agrarisch met waarden - Leefgebied struweelvogels | De voor 'Agrarisch met waarden - Leefgebied struweelvogels' aangewezen gronden zijn onder andere bestemd voor behoud, herstel en ontwikkeling van het aanwezige besloten of halfopen landschap met een kleinschalige percelering, houtwallen, ruige perceelsranden en slootkanten; het behoud, bescherming en/of herstel van de aanwezige landschappelijke en ecologische waarden; instandhouding van de typerende geologie/ geomorfologie. |
| Agrarisch met waarden - Landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden | De voor 'Agrarisch met waarden - Landschappelijke, cultuurhistorische en/ of abiotische waarden' aangewezen gronden zijn onder andere bestemd voor het behoud, bescherming en/of herstel van de aanwezige landschappelijke en ecologische waarden; behoud, herstel en ontwikkeling van de aanwezige droge en natte natuurwaarden, waaronder beekherstel; behoud, herstel en ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden. |
| Waterstaat - Beschermingszone watergang | De voor 'Waterstaat - Beschermingszone watergang' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming (basisbestemming), met voorrang mede bestemd voor de bescherming en het onderhoud van de in deze zone gelegen dan wel daaraan grenzende watergang. |
Daarnaast ligt het perceel binnen de gebiedsaanduiding 'reconstructiewetzone - extensiveringsgebied', ter plaatse van deze aanduiding zijn specifieke regels van toepassing met betrekking tot vergroting van de bestaande oppervlakte aan bebouwing ten behoeve van een intensieve veehouderij.
Voorliggend planvoornemen, nader toegelicht in paragraaf 3.1, is niet passend binnen het van rechtswege verkregen omgevingsplan, omdat binnen de functionele gebiedsaanwijzingen 'Agrarisch met waarden - Leefgebied struweelvogels' (artikel 7.2) en 'Agrarisch met waarden - Landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden' (artikel 5.2) de voorgestelde maatregelen (o.a. paalkast en schuur) niet mogelijk zijn qua gebouwen en maatvoeringen. Derhalve dient het omgevingsplan gewijzigd te worden.
De gemeente Bernheze heeft medewerking verleend aan het omgevingsplan ''De Bunders, Heesch'', omdat de woningbehoefte, ontsluiting en planinvulling aansluiten bij de ontwikkelingsrichting die het gemeentebestuur heeft met het plangebied.
Voorliggend planvoornemen betreft een noodzakelijke uitwerking van het activiteitenplan (afgeleide van dit omgevingsplan). Derhalve is het gemeentebestuur bereid om het omgevingsplan te wijzigen om daarmee de voorgestane ontwikkeling mogelijk te maken.
Met dit TAM-IMRO omgevingsplan krijgen de gronden, die voorheen deel uitmaakten van het bestemmingsplan "Buitengebied Bernheze", de functionele gebiedsaanwijzing 'Natuur' en de andersoortige gebiedsaanwijzingen 'Leiding - Water' en 'Waterstaat - Beschermingszone watergang'. Hierdoor wordt gegarandeerd dat de gronden uitsluitend voor de in hoofdstuk 3 beschreven doeleinden wordt gebruikt. Tegelijkertijd worden eventueel aanwezige waarden beschermd.
Participatie is onder de Omgevingswet een belangrijk aspect in de procedure van het wijzigen/afwijken van het omgevingsplan. Dit komt omdat een omgevingsplan niet alleen invloed heeft op de fysieke leefomgeving, maar ook op de mensen die daar wonen, werken en recreëren. Het is daarom van belang dat deze mensen in een vroeg stadium worden betrokken bij het initiatief. In dit hoofdstuk zal hier verder op worden ingegaan.
In het kader van het omgevingsplan ''De Bunders, Heesch'' is er meermaals contact geweest met de omgeving/belanghebbenden.
In juli van 2023 is gestart met een inloopavond, waarvoor de omwonenden zijn uitgenodigd en die is aangekondigd op de website 'Samen Bernheze'. Tijdens de inloopavond is inzage gegeven in de toen laatste versie van het stedenbouwkundig plan en het beeldkwaliteitsplan voor het plan. Bezoekers konden hun opmerkingen/vragen over het plan kenbaar maken via een reactieformulier.
De mensen die een formulier hebben ingevuld, hebben via de mail een reactie gehad en bij de verdere aanpassing van het plan is met de reacties rekening gehouden.
De belangstellenden zijn verder op de hoogte gehouden van ontwikkelingen rondom de planvorming op de website 'Samen Bernheze' en op 16 mei 2024 is opnieuw een inloopavond georganiseerd om inzage te geven in de laatste versie van de plannen. Medio februari 2024 zijn de omwonenden en grondeigenaren in het plangebied daarnaast middels een nieuwsbrief geïnformeerd over de stand van zaken in de plannen.
Voorliggend planvoornemen betreft een noodzakelijke uitwerking van het activiteitenplan (afgeleide van dit omgevingsplan). Daarnaast kent voorliggend planvoornemen geen negatieve effecten op de omgeving. Derhalve heeft er voor dit omgevingsplan geen separaat participatietraject plaatsgevonden.
In deze paragraaf wordt het beleid dat relevant is voor de activiteit toegelicht getoetst. Er wordt onderscheid gemaakt tussen het beleid van Rijk, provincie en gemeente. Beleid dat niet relevant is voor de ontwikkeling is niet in dit hoofdstuk opgenomen.
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie vastgesteld. De NOVI is tot stand gekomen in nauwe samenwerking met provincies en gemeenten, waterschappen, maatschappelijke partijen en burgers.
Met de NOVI geeft het kabinet richting aan grote opgaven waardoor Nederland de komende 30 jaar verandert. In Nederland staan we voor een aantal dringende maatschappelijke opgaven. Denk aan:
Dit zijn voorbeelden van grote, ingewikkelde opgaven. Deze opgaven kunnen niet meer los van elkaar worden opgelost. Ze moeten in samenhang bekeken worden. Ze grijpen in elkaar en vragen meer ruimte dan beschikbaar is in Nederland. Niet alles kan, niet alles kan overal.
De NOVI geeft weer voor welke uitdagingen we staan, wat daarbij de nationale belangen zijn, welke keuzes we maken en welke richting we meegeven aan decentrale keuzes. Die keuzes hangen samen met de toekomstbeelden van de fysieke leefomgeving, de maatschappelijke opgaven en economische kansen die daarbij horen. Met de Nationale Omgevingsvisie geeft het Rijk dus een langetermijnvisie om de grote opgaven aan te pakken met als doel om het land mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden.
Analyse
Voorliggend planvoornemen betreft het juridisch-planologisch mogelijk maken van een noodzakelijk activiteitenplan voor de aangetroffen steenuil in het plangebied behorende bij het vastgestelde omgevingsplan ''De Bunders, Heesch''. Deze ontwikkeling is dermate klein dat deze niet benoemd wordt in de NOVI. Een nadere toetsing is derhalve niet aan de orde.
Conclusie
Het planvoornemen is van dermate beperkte omvang dat deze niet benoemd wordt in de NOVI.
De Omgevingswet werkt door in vier algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s):
1. het Omgevingsbesluit (Ob);
2. het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl);
3. het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal);
4. het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).
In deze AMvB's staan regels voor het praktisch uitvoeren van de wet.
Voor de volgende onderwerpen gelden er rijksinstructieregels:
Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. In heel bijzondere gevallen kunnen B&W de Minister vragen om een ontheffing van bepaalde instructieregels te verlenen. Dit volgt uit afdeling 5.3 van het Bkl.
Analyse
In het voorliggende geval is slechts sprake van een lokale ontwikkeling, waarbij geen sprake is van strijdigheid met de algemene rijksinstructieregels. Voor het overige wordt verwezen naar hoofdstuk 7, waarin nader wordt ingegaan op aspecten als veiligheid, waterbelangen, trillingen, geluid, geur, bodemkwaliteit en bijvoorbeeld cultureel erfgoed en waarbij nader wordt onderbouwd waarom sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Conclusie
Het plan geeft invulling aan de instructieregels opgenomen in het Bkl.
Zoals in deze paragraaf is beschreven en in hoofdstuk 7 nader is uitgewerkt, passen de activiteiten binnen de doelstellingen en het beleid en de regels van het Rijk.
De Brabantse Omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving Op 14 december 2018 is de Omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld. De basisopgave van de Brabantse Omgevingsvisie is: ''Werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit''. Voor 2030 is het doel om voor alle aspecten te voldoen aan de wettelijke normen. Brabant heeft dan een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit. Voor 2050 is het doel om een goed leefomgevingskwaliteit te hebben door op alle aspecten beter te presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald.
De visie noemt een vijftal hoofdopgaven:
De opgaven vanuit de Omgevingsvisie zijn doorvertaald in de Omgevingsverordening Noord-Brabant.
Analyse
Voorliggend planvoornemen betreft het juridisch-planologisch mogelijk maken van een noodzakelijk activiteitenplan voor de aangetroffen steenuil in het plangebied behorende bij het vastgestelde omgevingsplan ''De Bunders, Heesch''. Deze relatief kleinschalige ontwikkeling draagt niet direct bij aan de 'grote' hoofdopgaven.
Conclusie
De Omgevingsvisie Noord-Brabant leidt niet tot strijdigheden met onderhavig project.
Vanuit de Omgevingswet moet de provincie naast een omgevingsvisie ook een omgevingsverordening vaststellen voor haar grondgebied. In de omgevingsvisie staat wat de provincie wil bereiken en wat ze wil doen om dat te bereiken. Soms vraagt dat om een nadere uitwerking van beleid en maatregelen in een (omgevings)programma, soms zijn er regels in een omgevingsverordening nodig om deze ambities te realiseren.
Op 1 januari 2024 is de Omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant gelijktijdig met de Omgevingswet in werking getreden.
In de Omgevingsverordening staan regels voor:
In hoofdstuk 3 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant zijn voor de volgende thema's rechtstreekse regels opgenomen: grondwater (-bescherming en -onttrekking), stortplaatsen, ontgrondingen, ontgrondingen, stiltegebied, natuur, varend ontgassen en provinciale wegen. De meeste van deze regels waren voorheen opgenomen in de Provinciale milieuverordening, de Verordening wegen, de Verordening ontgrondingen en de Verordening natuurbescherming.
Algemene regels voor activiteiten
Deze regels in hoofdstuk 3 zijn rechtstreeks van toepassing op de activiteiten die met dit omgevingsplan mogelijk worden gemaakt.
Specifieke regels voor werkingsgebieden
Daarnaast zijn volgens kaart 1 van de Omgevingsverordening binnen het plangebied (beide deellocaties tezamen) de volgende werkingsgebieden van toepassing waarvoor specifieke rechtstreekse regels gelden:
Beperkingen veehouderij
Dit werkingsgebied is relevant voor de rechtstreeks werkende regels ten aanzien van bestaande huisvestingssystemen voor een veehouderij. Binnen dit werkingsgebied geldt een uitzondering voor stoppende veehouderijen. Binnen het plangebied is sprake van een stoppende veehouderij. Voor het overige zijn binnen het plangebied geen veehouderijen aanwezig of toegestaan.
Diep grondwaterlichaam
Dit werkingsgebied is relevant voor de rechtstreeks werkende regels ten aanzien van milieubelastende activiteiten. Binnen dit werkingsgebied is het verboden om milieubelastende activiteiten (conform artikel 3.11 Ow, te weten onconventionele winning van koolwaterstoffen) te verrichten. Binnen het plangebied is geen sprake van een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.11 Ow. Om die reden is dit werkingsgebied voor dit plangebied niet relevant.
Geen attentiezone waterhuishouding
Omdat het plangebied is gelegen buiten de Attentie waterhuishouding is een omgevingsvergunning voor een open bodemenergiesysteem, als bedoeld in artikel 3.19 van het Besluit activiteiten leefomgeving, niet vereist.
Waterwinning voor menselijke consumptie
Dit werkingsgebied is relevant voor de rechtstreeks werkende regels ten aanzien van milieubelastende activiteiten binnen waterwingebied, grondwaterbeschermingsgebied en boringsvrije zones. Binnen het plangebied is hiervan geen sprake.
Stalderingsgebied
Dit werkingsgebied is relevant ten aanzien van dierenverblijven. Binnen het projectgebied is de oprichting van dierenverblijven niet toegestaan. Om die reden is dit werkingsgebied voor dit projectgebied niet relevant.
Boringsvrije zone
Dit werkingsgebied is relevant voor de rechtstreeks werkende regels ten aanzien van milieubelastende activiteiten binnen boringsvrije zones. Binnen het plangebied is hiervan geen sprake.
Natuur Netwerk Brabant
Dit werkingsgebied is relevant voor de rechtstreeks werkende regels ten aanzien van bescherming van het Natuur Netwerk Brabant. Middels voorliggend planvoornemen wordt er aansluiting gezocht met het Natuur Netwerk Brabant en extra natuur aangelegd in de vorm van het activiteitenplan. Hiermee voldoet de ontwikkeling aan deze geldende regels.
Attentiezone waterhuishouding
Dit werkingsgebied is relevant voor de rechtstreeks werkende regels ten aanzien ontwikkelingen die een negatieve invloed hebben op de binnen de attentiezone gelegen natte natuurparels. Binnen het plangebied is hiervan geen sprake.
Norm wateroverlast buiten stedelijk gebied
Dit werkingsgebied is relevant voor de rechtstreeks werkende regels ten aanzien van waterberging. Binnen het projectgebied wordt voldoende ruimte gereserveerd om te kunnen voldoen aan de vereiste waterberging (nader toegelicht in paragraaf 7.10). Om die reden wordt voldaan aan dit aspect.
Normvrij gebied
Dit werkingsgebied is relevant voor de rechtstreeks werkende regels ten aanzien van wateroverlast. Binnen het plangebied is hiervan geen sprake.
Beperking grootschalige logistiek
Dit werkingsgebied is relevant ten aanzien van grootschalige logistiek. Binnen het projectgebied is geen grootschalige logistiek toegestaan. Om die reden is dit werkingsgebied voor dit projectgebied niet relevant.
Voor bovengenoemde werkingsgebieden gelden verder deels ook instructieregels, zie onder paragraaf 6.2.2.2.
De instructieregels betreffen de regels in de Omgevingsverordening waarmee in het omgevingsplan en de besluitvorming door de gemeente rekening gehouden moet worden. Een omgevingsplan mag niet in strijd met de instructieregels worden vastgesteld.
Alle regels in de Omgevingsverordening hebben een gebied waar ze van toepassing zijn. Soms gelden de regels voor de gehele provincie, soms specifiek voor bepaalde werkingsgebieden.
Onderstaand wordt ingegaan op de instructieregels uit hoofdstuk 5 van de Omgevingsverordening die voor deze ontwikkeling en voor dit plangebied aan de orde zijn. Voor de duidelijkheid wordt hierbij de volgorde aangehouden van de betreffende paragrafen in hoofdstuk 5 van de Omgevingsverordening.
Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies (paragraaf 5.1.2)
De provincie wil de omgevingskwaliteit van Brabant bevorderen, in combinatie met een veilige en gezonde leefomgeving. Een omgevingsplan geeft bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties invulling aan een veilige, gezonde leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit (artikel 5.7).
Bij de zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit gaat het zowel om het beschermen van waarden als het bijdragen aan de ontwikkeling van waarden en functies in een gebied. Deze zorgplicht omvat een aantal basisprincipes in combinatie met een diepe en ronde manier van kijken, afkomstig zijn uit de Omgevingsvisie, zijnde:
Zorgvuldig ruimtegebruik (art 5.8)
Lid 1
Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat:
Lid 2
Als uit een zorgvuldige afweging blijkt dat een ontwikkeling niet binnen bestaand ruimtebeslag mogelijk is, is uitbreiding van ruimtebeslag mogelijk onder hoofdstuk 5 van de omgevingsverordening opgenomen voorwaarden.
Analyse
Voorliggend planvoornemen betreft het juridisch-planologisch mogelijk maken van een noodzakelijk activiteitenplan voor de aangetroffen steenuil in het plangebied behorende bij het vastgestelde omgevingsplan ''De Bunders, Heesch''.
Er is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik, omdat het planvoornemen een functieverandering van zowel een bestaand natuurperceel alsmede een bestaand agrarisch bouwperceel betreft. Er is daarmee sprake van compacte bouwpercelen, waarbij de milieukundige waarden in de omgeving worden gerespecteerd.
Conclusie
Voorliggend planvoornemen is in lijn met hetgeen staat in artikel 5.8 OV aangaande zorgvuldig ruimtegebruik. Voor het overige wordt verwezen naar de analyse en toelichting onder artikel 5.56 van de Omgevingsverordening.
Toepassing van de lagenbenadering (art 5.9)
Lid 1
Het toepassen van de lagenbenadering biedt inzicht in:
Lid 2
Voor de toepassing van het eerste lid worden de volgende lagen onderscheiden:
Lid 3
Bij het actief benutten van de factor tijd wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde van de lagen, het verleden, de onomkeerbaarheid van optredende effecten op de lagen door de gewenste ontwikkeling en de toekomstwaarde van de ontwikkeling vanuit het perspectief van duurzaamheid en toekomstbestendigheid.
Analyse
Voorliggend planvoornemen betreft het juridisch-planologisch mogelijk maken van een noodzakelijk activiteitenplan voor de aangetroffen steenuil in het plangebied behorende bij het vastgestelde omgevingsplan ''De Bunders, Heesch''. Voorliggend planvoornemen brengt, vanwege de beperkte omvang, geen wijzigingen aan in de eerste twee lagen (ondergrond en netwerklaag).
Onderhavig planvoornemen heeft wel betrekking op de bovenste laag. Middels de invulling van beide percelen wordt aangesloten bij de aanwezige waarden en de effecten op lucht, milieu, veiligheid en een gezonde leefomgeving (dit wordt nader toegelicht in hoofdstuk 7). Hieruit volgt dat het project passend is op deze locatie.
Conclusie
Voorliggend planvoornemen is in lijn met hetgeen staat in artikel 5.9 OV aangaande toepassing van de lagenbenadering.
Meerwaardecreatie (art 5.10)
Lid 1
Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder:
Lid 2
De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld in artikel 5.11 Kwaliteitsverbetering landschap kan deel uitmaken van de meerwaardecreatie.
Analyse
Er heeft een zorgvuldige situering van onderdelen van het planvoornemen plaatsgevonden binnen beide percelen, waarbij rekening is gehouden met en uitgegaan van de bestaande landschappelijke en natuurlijke waarden.
Conclusie
Middels dit project wordt een meerwaarde gecreëerd. De voorgenomen ontwikkeling is hiermee in overeenstemming met artikel 5.10. Voor wat betreft de invulling van de kwaliteitsverbetering van het landschap wordt tevens verwezen naar de toetsing onder artikel 5.11.
Versterken van de omgevingskwaliteit (paragraaf 5.1.3)
Deze paragraaf van de Omgevingsverordening bevat diverse maatwerkmogelijkheden waarmee de mogelijkheid wordt geboden om vanwege specifieke omstandigheden een uitzondering te maken op het bestaande beleid. Op voorliggend plan zijn de artikelen 5.11 (kwaliteitsverbetering landschap) en 5.12 (ontwikkelingsrichting) van toepassing.
Kwaliteitsverbetering landschap (artikel 5.11)
Lid 1
Een omgevingsplan dat de ontwikkeling van activiteiten mogelijk maakt in Landelijk gebied bepaalt dat die ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving.
Lid 2
Het omgevingsplan onderbouwt dat de fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit past binnen de gewenste ontwikkeling van het gebied, bedoeld in artikel 5.12, en dat de uitvoering is geborgd door:
Lid 3
Een verbetering van de landschappelijke kwaliteit kan de volgende aspecten omvatten:
Lid 4
Als toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, onder b, wordt een passende financiële bijdrage in een landschapsfonds verzekerd en wordt over de besteding van dat fonds periodiek verslag gedaan in het regionaal overleg, bedoeld in Afdeling 7.2 Regionaal samenwerken.
Analyse
Voorliggend planvoornemen betreft het juridisch-planologisch mogelijk maken van een noodzakelijk activiteitenplan voor de aangetroffen steenuil in het plangebied behorende bij het vastgestelde omgevingsplan ''De Bunders, Heesch''.
De uitgangspunten vanuit de Omgevingsverordening ten aanzien van de kwaliteitsverbetering zijn door de gemeente Bernheze doorvertaald in een raadsbesluit 'Beleidsregel landschappelijke kwaliteitsverbetering' (d.d. 14 maart 2013). Deze beleidsregel is van toepassing op alle ontwikkelingen in het buitengebied die in strijd zijn met het geldende omgevingsplan, maar waaraan vanuit ruimtelijke overwegingen toch medewerking wordt verleend.
Niet alle ontwikkelingen hebben volgens deze beleidsregel een even grote negatieve impact op de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied. Bovendien is een onderscheid te maken tussen ontwikkelingen die echt thuishoren in het buitengebied en ontwikkelingen die dat minder doen, zoals wonen of niet-agrarische bedrijfsfuncties. De impact wordt onder meer bepaald door:
Er worden drie verschillende categorieën onderscheiden die de basis vormen voor de nadere uitwerking van de kwaliteitsverbetering van het landschap (conform artikel 3.9 IOV).
Voorliggend planvoornemen betreft een categorie 1-ontwikkeling (wijzigen bestemming naar Bos/Natuur en treffen bestemmingsregeling/aanleg voorzieningen die een fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap of cultuurhistorie of van extensieve recreatieve mogelijkheden tot gevolg hebben). Deze ontwikkeling heeft geen of een verwaarloosbare impact ten opzichte van het huidige gebruik (planologisch). Er is derhalve geen landschappelijke inpassing vereist.
Versterken omgevingskwaleit (paragraaf 5.1.3)
De provincie staat bepaalde activiteiten in het landelijke gebied onder voorwaarden toe. Voor de locatie aan de Groldersedijk (landelijk gebied) dient getoetst te worden aan artikel 5.14 (Maatwerk met als doel omgevingskwaliteit).
Maatwerk met als doel omgevingskwaliteit (art 5.14)
Lid 1
Een omgevingsplan kan voor een concreet initiatief een bouw- of gebruiksactiviteit mogelijk maken als:
Lid 2
In het geval dat de fysieke versterking van omgevingskwaliteit is gericht op sanering van een milieubelastende activiteit, omvat de juridische borging in ieder geval dat alle voor die activiteit op de locatie rustende rechten en toestemmingen, waaronder verleende vergunningen, zijn ingetrokken.
Lid 3
In aanvulling op het eerste lid worden bij de hierna genoemde gevallen tenminste de volgende aspecten in acht genomen:
Lid 4
Er is sprake van een passende locatie voor de toevoeging van een woning als:
Lid 5
Bij de toepassing van dit artikel zijn de volgende bepalingen niet van toepassing:
Analyse
Voorliggend planvoornemen betreft het juridisch-planologisch mogelijk maken van een noodzakelijk activiteitenplan voor de aangetroffen steenuil in het plangebied behorende bij het vastgestelde omgevingsplan ''De Bunders, Heesch''. Hieronder wordt aan de verschillende subleden getoetst.
| ad 1.a |
- - - |
Het planvoornemen voorziet in een aantoonbare versterking van de omgevingskwaliteit. De inrichting van de locatie omvat onder meer de aanleg van natuur- en landschapselementen zoals kruidenrijk grasland, hagen, struweel, een hoogstamboomgaard, takkenrillen en een poel met natuurvriendelijke oevers. Deze maatregelen dragen bij aan: versterking van biodiversiteit; verbetering van het leefgebied voor beschermde soorten (steenuil en das); versterking van de groenblauwe dooradering. Daarmee is sprake van een directe fysieke kwaliteitsverbetering van het gebied. |
| ad 1.b | De realisatie van deze kwaliteitsverbetering is niet op andere wijze verzekerd. Zonder het planologisch mogelijk maken van het activiteitenplan ontbreekt een juridisch kader om de inrichting en het noodzakelijk beheer te realiseren. | |
| ad 1.c | De versterking van de omgevingskwaliteit dient algemene belangen, zoals natuurontwikkeling, biodiversiteitsversterking en soortenbescherming. Deze maatregelen worden juridisch geborgd via het omgevingsplan, waarin het gebruik overeenkomstig het activiteitenplan wordt vastgelegd. | |
| ad 1.d |
- - - |
Het plan draagt bij aan algemene belangen zoals: natuur- en biodiversiteitsherstel; klimaatadaptatie (waterberging via de poel en vergroening); versterking van het ecologisch netwerk. Hiermee is sprake van meerwaardecreatie in de zin van dit artikel. |
| ad 1.e | De ontwikkelingsrichting van het gebied is gericht op agrarisch gebruik met versterking van natuurwaarden. Het planvoornemen sluit hier direct op aan, doordat het agrarisch gebied wordt verrijkt met natuur- en landschapselementen. | |
| ad 1.f | Het plan is duurzaam in ecologisch opzicht doordat het voorziet in een blijvende verbetering van het leefgebied van soorten. Economische duurzaamheid speelt hier een ondergeschikte rol, aangezien geen sprake is van een exploitatiegerichte functie. Het beheer (extensief maaien en/of begrazing) is uitvoerbaar en gangbaar. | |
| ad 1.g |
- - - |
Het plan draagt bij aan de kernambities van de verordening, waaronder: behoud en ontwikkeling van natuur; versterking van landschappelijke kwaliteit; zorgvuldig ruimtegebruik. Hiermee wordt voldaan aan dit criterium. |
| ad 1.h | Voor het plan is een actvitieitenplan (n.a.v. ecologische onderzoeken) opgesteld. Hiermee is geborgd dat deskundigheid op het gebied van omgevingskwaliteit is betrokken. | |
| ad 2. | Niet van toepassing. Er is geen sprake van sanering van een milieubelastende activiteit. | |
| ad 3. | Niet van toepassing. Het plan ziet niet op woningbouw, landgoederen of cultuurhistorische ontwikkelingen. | |
| ad 4. | Niet van toepassing. Er is geen sprake van toevoeging van een woning. | |
| ad 5. | Dit lid regelt uitzonderingen en behoeft geen afzonderlijke toetsing in dit kader. | |
Natuur Netwerk Brabant en Natura 2000-gebied (paragraaf 5.2.5)
De provincie staat bepaalde activiteiten in Natura Netwerk Brabant en Natura-2000 gebied onder voorwaarden toe. Voor de locatie aan De Bleken (Natuur Netwerk Brabant) dient getoetst te worden aan de artikel 5.30 t/m 5.41.
Bescherming Natuur Netwerk Brabant en Natura 2000-gebied (art 5.30)
Lid 1
Een omgevingsplan van toepassing op Natuur Netwerk Brabant:
Lid 2
Als ecologische waarden en kenmerken gelden:
Lid 3
Als de inrichting en het beheer van het Natuur Netwerk Brabant binnen een gebied is verzekerd, stelt de gemeente binnen negen maanden een omgevingsplan vast overeenkomstig het eerste lid.
Analyse
Voorliggend planvoornemen betreft het juridisch-planologisch mogelijk maken van een noodzakelijk activiteitenplan voor de aangetroffen steenuil in het plangebied behorende bij het vastgestelde omgevingsplan ''De Bunders, Heesch''. Hieronder wordt aan de verschillende subleden getoetst.
| ad 1.a |
- - - - |
Het planvoornemen strekt aantoonbaar tot het behoud en de versterking van ecologische waarden. Door de inrichting van het perceel met onder andere: kruidenrijk grasland; hagen, struwelen en takkenrillen; een hoogstamboomgaard; een poel met natuurvriendelijke oevers; wordt het habitat geschikt gemaakt voor de steenuil en tegelijkertijd verbeterd voor andere soorten, waaronder de das. Daarmee is sprake van een duurzame ontwikkeling en versterking van biodiversiteit en ecologische structuren binnen het NNB. |
| ad 1.b |
- - - - - - |
Binnen het plan worden de ecologische waarden niet alleen versterkt, maar ook beschermd doordat: het gebruik juridisch wordt beperkt tot het activiteitenplan; extensief beheer wordt voorgeschreven; verstorende functies (zoals intensief gebruik of publieksaantrekkende activiteiten) ontbreken. Daarnaast wordt rekening gehouden met andere aanwezige waarden en kenmerken: rust en stilte worden geborgd doordat geen intensieve functies worden toegestaan; landschappelijke kwaliteit wordt versterkt door de aanleg van inheemse beplanting; cultuurhistorische waarden worden niet aangetast. Hiermee voldoet het plan aan de integrale benadering van dit sublid. |
| ad 1.c |
- - - |
Binnen het plangebied is sprake van een beperkte toevoeging van een kleine schuur (maximaal 20 m²) ten behoeve van de steenuil. Deze bebouwing is functioneel ondergeschikt en staat volledig ten dienste van de natuurontwikkeling en soortenbescherming. Hoewel het uitgangspunt is dat alleen bestaande bebouwing wordt toegestaan zolang het NNB nog niet is gerealiseerd, geldt hier dat: de bebouwing natuurondersteunend en noodzakelijk is (nestgelegenheid); de ingreep direct bijdraagt aan de realisatie van de natuurdoelen; sprake is van een zeer beperkte ruimtelijke impact. Hiermee kan worden gemotiveerd dat de ontwikkeling past binnen de doelstelling van het NNB en niet leidt tot aantasting van de ecologische waarden. |
| ad 2. |
- - - |
De ecologische waarden en kenmerken binnen het plangebied sluiten aan bij de natuurbeheertypen zoals opgenomen in het natuurbeheerplan, met name gericht op: kruiden- en faunarijk grasland; landschapselementen; kleinschalige natuurstructuren. Het planvoornemen leidt tot een kwalitatieve verbetering van deze natuurtypen. Indien relevant kan worden gesteld dat sprake is van een ecologisch gunstiger invulling, mede gelet op de specifieke inrichting voor doelsoorten als de steenuil en de das. |
| ad 3. | Voor zover de inrichting en het beheer van het NNB binnen deze locatie worden verzekerd via het activiteitenplan en het omgevingsplan, wordt invulling gegeven aan de verplichting om het planologisch regime hierop af te stemmen. De voorgeschreven inrichting en het extensieve beheer zorgen ervoor dat de realisatie en instandhouding van de natuurdoelen duurzaam zijn geborgd. |
|
Externe werking Natuur Netwerk Brabant (art 5.31)
Lid 2
Op de overdraai van de wieken van een windturbine over het Natuur Netwerk Brabant, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing.
Analyse
Voorliggend planvoornemen betreft het juridisch-planologisch mogelijk maken van een noodzakelijk activiteitenplan voor de aangetroffen steenuil in het plangebied behorende bij het vastgestelde omgevingsplan ''De Bunders, Heesch''.
Het hierboven genoemde artikel is niet van toepassing, aangezien het plan geen windtubine of vergelijkbare activiteit omvat.
Maatwerk ontwikkelingen in Natuur Netwerk Brabant (art 5.32)
Lid 1
Een omgevingsplan ter plaatse van Natuur Netwerk Brabant kan in afwijking van Artikel 5.30, eerste lid, onder c, een ontwikkeling toelaten wanneer is voldaan aan de voorwaarden gesteld over:
Lid 2
Het eerste lid is niet van toepassing op Natura 2000-gebied.
Analyse
Voorliggend planvoornemen betreft het juridisch-planologisch mogelijk maken van een noodzakelijk activiteitenplan voor de aangetroffen steenuil in het plangebied behorende bij het vastgestelde omgevingsplan ''De Bunders, Heesch''. Hieronder wordt aan de verschillende subleden getoetst.
| ad 1.a | Het plan betreft geen grootschalige of autonome ontwikkeling binnen het NNB, maar een natuurversterkende inrichting gericht op soortenbescherming. Artikel 5.33 (dat doorgaans ziet op zwaardere ingrepen) is hier daarom niet primair van toepassing. | |
| ad 1.b |
- - |
Het 'nee, tenzij'-principe is bedoeld voor ontwikkelingen met mogelijke significante negatieve effecten op natuurwaarden. In voorliggend geval is daarvan geen sprake, aangezien: de ontwikkeling juist is gericht op natuurversterking; geen significante negatieve effecten optreden. Daarmee is toetsing aan dit regime niet noodzakelijk. |
| ad 1.c | De saldobenadering ziet op situaties waarin negatieve effecten worden gecompenseerd door versterking elders. In dit plan is geen sprake van saldoverlies dat gecompenseerd moet worden; de ontwikkeling leidt per saldo tot een verbetering van de natuurkwaliteit. Daarom is dit onderdeel niet van toepassing. | |
| ad 2. |
- - - - |
Het planvoornemen kan worden aangemerkt als een ontwikkeling met beperkte gevolgen voor natuurwaarden, aangezien: de fysieke ingreep zeer beperkt is (kleine schuur en enkele nestvoorzieningen); de ontwikkeling primair gericht is op natuurversterking; negatieve effecten op bestaande natuurwaarden ontbreken; er juist sprake is van een verbetering van habitatkwaliteit voor meerdere soorten (steenuil en das). Daarmee valt het initiatief onder de categorie zoals bedoeld in artikel 5.36. Dit vormt de relevante grondslag voor toepassing van artikel 5.32. |
Nieuwe ontwikkeling in het Natuur Netwerk Brabant (art 5.33)
Lid 1
Een omgevingsplan ter plaatse van Natuur Netwerk Brabant kan, in afwijking van Artikel 5.8, eerste lid, onder a, bepalen dat het is toegestaan kleinschalige bebouwing en bouwwerken ten behoeve van de natuurfunctie of het recreatieve medegebruik op te richten, als dat geen aantasting geeft van de ecologische waarden en kenmerken van het Natuur Netwerk Brabant.
Lid 2
Een omgevingsplan ter plaatse van Natuur Netwerk Brabant kan in afwijking van Artikel 5.8, eerste lid, onder a, een nieuwe gebruiks- of bouwactiviteit toestaan als:
Lid 3
Als er door het verrichten van een gebruiks- of bouwactiviteit als bedoeld in het eerste en tweede lid een verstoring of tijdelijke verstoring optreedt van de ecologische waarden en kenmerken van het Natuur Netwerk Brabant, wordt deze verstoring waar mogelijk beperkt en wordt de resterende verstoring gecompenseerd met toepassing van artikel 5.37 Compensatie.
Lid 4
Een omgevingsplan kan bepalen dat een ontwikkeling binnen een omheind militair terrein is toegestaan als negatieve effecten op de ecologische waarden en kenmerken zo veel als mogelijk worden beperkt en bij verlies van ecologische waarden en kenmerken wordt voldaan aan Artikel 5.37 Compensatie.
Lid 5
Een omgevingsplan kan in afwijking van Artikel 5.8, eerste lid, onder a, een windturbine toestaan in het Natuur Netwerk Brabant als is voldaan aan Artikel 5.52 Aanvullende regels voor windturbines in het Natuur Netwerk Brabant.
Analyse
Voorliggend planvoornemen betreft het juridisch-planologisch mogelijk maken van een noodzakelijk activiteitenplan voor de aangetroffen steenuil in het plangebied behorende bij het vastgestelde omgevingsplan ''De Bunders, Heesch''. Hieronder wordt aan de verschillende subleden getoetst.
| ad 1. |
- - - |
Dit lid biedt de mogelijkheid om kleinschalige bebouwing en bouwwerken ten behoeve van de natuurfunctie toe te staan, mits geen aantasting van de ecologische waarden en kenmerken optreedt. Het planvoornemen valt binnen deze categorie, aangezien: de voorziene bebouwing (een schuur van maximaal 20 m² en enkele nestkasten) kleinschalig van aard is; deze bebouwing direct functioneel is voor de natuurfunctie, namelijk het creëren van geschikt leefgebied voor de steenuil; de overige maatregelen (zoals de aanleg van kruidenrijk grasland, hagen, struweel en een poel) leiden tot een kwalitatieve versterking van de ecologische waarden. Van aantasting van de ecologische waarden en kenmerken van het NNB is geen sprake. Integendeel, er vindt een verbetering van habitatkwaliteit plaats. |
| ad 2 | Dit lid ziet op ontwikkelingen binnen NNB-gebieden die door stedelijk gebied lopen. De onderhavige locatie ligt in het landelijk gebied en maakt geen deel uit van een NNB-structuur binnen stedelijk gebied. Dit lid is derhalve niet van toepassing. |
|
| ad 3 |
- - |
Indien sprake is van (tijdelijke) verstoring van ecologische waarden, dient deze te worden beperkt en zo nodig gecompenseerd. Bij de uitvoering van het plan kan sprake zijn van een tijdelijke en beperkte verstoring (bijvoorbeeld tijdens de aanleg van de inrichting). Deze verstoring: is van korte duur en lokaal van aard; wordt zoveel mogelijk beperkt door zorgvuldige uitvoering. Omdat de eindsituatie leidt tot een structurele verbetering van de natuurwaarden, is compensatie niet aan de orde. |
| ad 4. | Dit lid heeft betrekking op ontwikkelingen binnen omheinde militaire terreinen. Hiervan is in dit geval geen sprake, waardoor dit lid niet van toepassing is. | |
| ad 5. | Dit lid ziet op de realisatie van windturbines binnen het NNB. Het planvoornemen voorziet niet in een windturbine. Dit lid is derhalve niet van toepassing. | |
Toepassing van het Nee, tenzij-principe (art 5.34)
Lid 1
Als een omgevingsplan een ontwikkeling mogelijk maakt binnen het Natuur Netwerk Brabant en daarbij toepassing geeft aan het nee, tenzij-principe, bevat het omgevingsplan een onderbouwing dat:
Lid 2
Bij het onderzoek naar alternatieve locaties worden de volgende uitgangspunten gehanteerd:
Analyse
Voorliggend planvoornemen betreft het juridisch-planologisch mogelijk maken van een noodzakelijk activiteitenplan voor de aangetroffen steenuil in het plangebied behorende bij het vastgestelde omgevingsplan ''De Bunders, Heesch''. Hieronder wordt aan de verschillende subleden getoetst.
| ad 1. |
- - - |
Toepassing van het nee, tenzij-principe vereist dat aan de voorwaarden onder a tot en met f wordt voldaan. In dit geval is het nee, tenzij-principe niet van toepassing, aangezien: het planvoornemen geen negatieve effecten heeft op de ecologische waarden en kenmerken van het NNB; er juist sprake is van een aantoonbare versterking van natuurwaarden, onder meer door inrichting als geschikt leefgebied voor de steenuil en verbetering van het foerageergebied voor de das; de beperkte bebouwing volledig natuurondersteunend en functioneel noodzakelijk is. Omdat geen sprake is van aantasting van het NNB, is een toetsing aan de afzonderlijke criteria (groot openbaar belang, alternatievenafweging, compensatie, etc.) niet aan de orde. |
| ad 2. | Dit lid bevat nadere uitgangspunten voor het onderzoek naar alternatieve locaties. Aangezien het nee, tenzij-principe in dit geval niet van toepassing is, is een onderzoek naar alternatieve locaties eveneens niet vereist. | |
Toepassing van de saldobenadering (art 5.35)
Lid 1
Bij de saldobenadering is er sprake van een combinatie van onderling samenhangende plannen, projecten of handelingen waarvan één of enkele van die plannen, projecten of handelingen afzonderlijk een negatief effect hebben op het Natuur Netwerk Brabant, maar waarvan de gecombineerde uitvoering leidt tot een verbetering van de kwaliteit of kwantiteit van het Natuur Netwerk Brabant als geheel.
Lid 2
Als een omgevingsplan een ontwikkeling mogelijk maakt binnen het Natuur Netwerk Brabant en daarbij toepassing geeft aan de saldobenadering, bevat het omgevingsplan een gebiedsvisie die de ontwikkelingen in het betrokken gebied in samenhang beziet en die tot doel heeft een grotere kwaliteitswinst voor meerdere functies, waaronder de natuur, te bereiken.
Lid 3
De gebiedsvisie beschrijft in ieder geval:
Analyse
Voorliggend planvoornemen betreft het juridisch-planologisch mogelijk maken van een noodzakelijk activiteitenplan voor de aangetroffen steenuil in het plangebied behorende bij het vastgestelde omgevingsplan ''De Bunders, Heesch''. Hieronder wordt aan de verschillende subleden getoetst.
| ad 1. |
- - - - - |
De saldobenadering is van toepassing bij een combinatie van samenhangende ontwikkelingen waarbij: één of meerdere onderdelen leiden tot een negatief effect op het NNB; maar het totaalpakket resulteert in een verbetering van de kwaliteit of kwantiteit van het NNB. In het voorliggende geval is hiervan geen sprake, aangezien: het planvoornemen zelfstandig bezien geen negatieve effecten heeft op de ecologische waarden en kenmerken van het NNB; er juist sprake is van een directe en aantoonbare verbetering van de natuurkwaliteit ter plaatse; geen sprake is van een samenstel van projecten waarbij negatieve en positieve effecten tegen elkaar worden gesaldeerd. De ontwikkeling behoeft derhalve geen toepassing van de saldobenadering. |
| ad 2. | Dit lid vereist, bij toepassing van de saldobenadering, het opstellen van een gebiedsvisie waarin samenhangende ontwikkelingen worden bezien. Aangezien de saldobenadering in dit geval niet wordt toegepast, is het opstellen van een gebiedsvisie niet noodzakelijk. | |
| ad 3. |
- - - |
Dit lid stelt eisen aan de inhoud van de gebiedsvisie, zoals: begrenzing van het gebied; inzicht in aantasting van natuurwaarden; compensatie en monitoring. Omdat geen gebiedsvisie vereist is (zie lid 2), is ook dit lid niet van toepassing. |
Ontwikkeling met beperkte gevolgen voor natuurwaarden (art 5.36)
Een omgevingsplan kan een ontwikkeling binnen het Natuur Netwerk Brabant mogelijk maken in het geval dat:
Analyse
Voorliggend planvoornemen betreft het juridisch-planologisch mogelijk maken van een noodzakelijk activiteitenplan voor de aangetroffen steenuil in het plangebied behorende bij het vastgestelde omgevingsplan ''De Bunders, Heesch''. Hieronder wordt aan de verschillende subleden getoetst.
| ad a. | De ontwikkeling leidt tot een zeer beperkte fysieke ingreep, bestaande uit een kleine schuur en enkele nestvoorzieningen. Het beslag op het areaal van het NNB is daarmee kleinschalig en ondergeschikt aan de totale oppervlakte van het perceel. | |
| ad b. |
- - |
Van aantasting van de ecologische waarden en kenmerken is nagenoeg geen sprake. De ingrepen zijn: kleinschalig; natuurondersteunend van aard. Eventuele (tijdelijke) verstoring tijdens aanleg is beperkt en kortdurend. Structurele negatieve effecten blijven uit. |
| ad c. |
- - - |
Het plan leidt tot een duidelijke kwalitatieve versterking van het NNB, onder meer door: verbetering van habitat voor de steenuil; versterking van het foerageergebied voor de das; aanleg van landschapselementen zoals hagen, struweel, kruidenrijk grasland en een poel. Per saldo is sprake van een positieve ontwikkeling van biodiversiteit en ecologische samenhang. |
| ad d. |
- - - |
Voor het plan is gemotiveerd gekozen voor deze locatie, omdat: deze binnen de dispersieafstand van de steenuil ligt; de locatie reeds beschikbaar is als compensatiegebied; de inrichting aansluit bij bestaande ecologische structuren. Hiermee heeft een reële en locatiespecifieke afweging plaatsgevonden, waaruit volgt dat deze locatie het meest geschikt is. |
| ad e. |
- - - |
De ontwikkeling wordt zorgvuldig landschappelijk ingepast door: toepassing van inheemse beplanting; versterking van bestaande groenstructuren; behoud van het open en groen karakter van het gebied. De inrichting sluit aan bij het bestaande landschap en versterkt de landschappelijke kwaliteit. |
| ad f. | Omdat geen sprake is van structureel verlies van ecologische waarden, is compensatie niet aan de orde. De beperkte ruimteclaim wordt ruimschoots gecompenseerd door de kwalitatieve verbetering van het gebied. | |
| ad g. |
- - - |
De uitvoering en instandhouding van de maatregelen zijn geborgd doordat: het gebruik planologisch wordt vastgelegd in het omgevingsplan; de inrichting plaatsvindt conform het ecologisch activiteitenplan; beheer (extensief maaien of begrazen) wordt voorgeschreven. Hiermee is geborgd dat de ontwikkeling en het beoogde natuurresultaat daadwerkelijk worden gerealiseerd en in stand gehouden. |
Compensatie (art 5.37)
Lid 1
De verplichte compensatie vindt plaats door:
Lid 2
De omvang van de compensatie is in ieder geval gelijk aan de omvang van het vernietigde of verstoorde areaal en wordt verder bepaald door de ontwikkeltijd van de aangetaste natuur, conform de volgende uitgangspunten:
Analyse
Voorliggend planvoornemen betreft het juridisch-planologisch mogelijk maken van een noodzakelijk activiteitenplan voor de aangetroffen steenuil in het plangebied behorende bij het vastgestelde omgevingsplan ''De Bunders, Heesch''. Hieronder wordt aan de verschillende subleden getoetst.
| ad 1. |
- - - |
In het voorliggende geval is geen sprake van structureel verlies of aantasting van ecologische waarden en kenmerken, aangezien: de ontwikkeling primair gericht is op natuurversterking; de ecologische kwaliteit van het gebied per saldo toeneemt door de inrichting; de beperkte ruimte-inname door de schuur en voorzieningen ondergeschikt is en ruimschoots wordt gecompenseerd door de kwaliteitsverbetering van het habitat. Daarmee ontstaat geen compensatieplicht zoals bedoeld in lid 1. |
| ad 2. |
- - |
Aangezien geen sprake is van een compensatieplicht (zie lid 1), is een verdere beoordeling van: de omvang van compensatie; toeslagen op basis van ontwikkeltijd; niet aan de orde. |
Fysieke compensatie (art 5.38)
Lid 1
Fysieke compensatie vindt plaats door de feitelijke inrichting van een perceel passend bij de doelstellingen voor natuur, op een locatie:
Lid 2
Een omgevingsplan dat een ontwikkeling mogelijk maakt waarvoor een fysieke compensatieplicht geldt:
Lid 3
Het besluit tot vaststelling van een omgevingsplan als bedoeld in het tweede lid bevat een verantwoording over:
Lid 4
De uitvoering van de fysieke compensatie wordt binnen drie jaar na onherroepelijk worden van het omgevingsplan, bedoeld in het tweede lid, afgerond.
Lid 5
In aanvulling op het vierde lid, wordt bij een aantasting van bedreigde soorten of hun leefgebied, de uitvoering van de compensatie in ieder geval afgerond op het moment dat de uitvoering van de ontwikkeling start.
Lid 6
In afwijking van het vierde lid kan bij een omvangrijke en zware compensatieverplichting, de uitvoering van de compensatie maximaal tien jaar bedragen, gerekend vanaf het onherroepelijk worden van het omgevingsplan.
Analyse
Voorliggend planvoornemen betreft het juridisch-planologisch mogelijk maken van een noodzakelijk activiteitenplan voor de aangetroffen steenuil in het plangebied behorende bij het vastgestelde omgevingsplan ''De Bunders, Heesch''. Hieronder wordt aan de verschillende subleden getoetst.
In het voorliggende geval is geen sprake van structureel verlies of aantasting van ecologische waarden en kenmerken, aangezien:
Daarmee ontstaat geen compensatieplicht zoals bedoeld in artikel 5.38.
Financiële compensatie (art 5.39)
Lid 1
De financiële compensatie wordt bepaald op grond van de omvang van de compensatieverplichting, bedoeld in artikel 5.37, tweede lid, en omvat de volgende kostenelementen:
Lid 2
De financiële compensatie wordt uiterlijk zes weken na de vaststelling van het omgevingsplan gestort in de provinciale compensatievoorziening ter uitvoering van de geformuleerde compensatietaakstelling.
Analyse
Voorliggend planvoornemen betreft het juridisch-planologisch mogelijk maken van een noodzakelijk activiteitenplan voor de aangetroffen steenuil in het plangebied behorende bij het vastgestelde omgevingsplan ''De Bunders, Heesch''. Hieronder wordt aan de verschillende subleden getoetst.
In het voorliggende geval is geen sprake van structureel verlies of aantasting van ecologische waarden en kenmerken, aangezien:
Daarmee ontstaat geen compensatieplicht zoals bedoeld in artikel 5.39.
Natuur Netwerk Brabant - ecologische verbindingszone (art 5.40)
Lid 4
Het functioneren van de ecologische verbindingszone is ook verzekerd als het omgevingsplan:
Analyse
Voorliggend planvoornemen betreft het juridisch-planologisch mogelijk maken van een noodzakelijk activiteitenplan voor de aangetroffen steenuil in het plangebied behorende bij het vastgestelde omgevingsplan ''De Bunders, Heesch''. Hieronder wordt aan de verschillende subleden getoetst.
| ad a. |
- - - |
Het planvoornemen voorziet niet in het verplaatsen of wijzigen van een ecologische verbindingszone. Er wordt geen bestaande EVZ aangetast of vervangen door een alternatieve locatie. Sterker nog, de voorgenomen inrichting met onder andere: hagen en struweel; kruidenrijke graslanden; een poel; kan juist bijdragen aan het versterken van de ecologische samenhang en verbindingen binnen het NNB. Dit onderdeel is derhalve niet van toepassing. |
| ad b. | Aangezien geen nieuwe vervangende locatie voor een EVZ wordt aangewezen, is toetsing aan artikel 5.30 in dit kader niet aan de orde. | |
| ad c. | Omdat geen sprake is van het verplaatsen of realiseren van een nieuwe ecologische verbindingszone ter vervanging, is ook dit onderdeel niet van toepassing. | |
Attentiezone waterhuishouding (art 5.41)
Lid 1
Een omgevingsplan ter plaatse van Attentiezone waterhuishouding strekt tot bescherming van de waterhuishouding en sluit functies en activiteiten uit die een negatief effect hebben op de hydrologische instandhoudingsdoelen van het hierbinnen gelegen Natuur Netwerk Brabant.
Lid 2
Het omgevingsplan stelt regels over:
Lid 3
Het tweede lid is niet van toepassing op werkzaamheden die behoren tot het normale beheer en onderhoud van de gronden.
| ad 1. |
- - - |
Het planvoornemen is in overeenstemming met dit uitgangspunt, aangezien: de inrichting juist bijdraagt aan een verbetering van de waterhuishouding, onder meer door de aanleg van een poel en het vergroten van het infiltrerend vermogen van de bodem; geen activiteiten worden toegestaan die leiden tot structurele verlaging van de grondwaterstand; geen functies worden geïntroduceerd die de hydrologische doelen van het NNB negatief beïnvloeden. Het plan draagt daarmee bij aan het behoud en versterking van hydrologische waarden. |
| ad 2.a |
- - |
De aanleg van de poel en de inrichting van het terrein kunnen gepaard gaan met grondverzet. Deze werkzaamheden: zijn beperkt in omvang en gericht op natuurontwikkeling; dragen bij aan verbetering van de waterhuishouding. Indien sprake is van grondverzet boven de gestelde drempels, kan dit via vergunningverlening en/of planregels worden gereguleerd. Dit vormt geen belemmering voor het plan. |
| ad 2.b | Het plan voorziet niet in de aanleg van drainage. Integendeel, het richt zich op het vasthouden van water in het gebied. | |
| ad 2.c | Er is geen sprake van maatregelen die leiden tot een verlaging van de grondwaterstand. De maatregelen zijn juist gericht op waterberging en -retentie. | |
| ad 2.d | Binnen het plan wordt nauwelijks verhard oppervlak toegevoegd (alleen een zeer beperkte schuur). Hiermee blijft de invloed op de infiltratiecapaciteit en waterhuishouding verwaarloosbaar. | |
| ad 3. | Het voorziene beheer (extensief maaien of begrazing) valt onder normaal agrarisch/natuurbeheer en heeft geen negatieve invloed op de waterhuishouding. Ook toekomstige beheermaatregelen blijven binnen deze categorie. | |
Conclusie
Het planvoornemen is in lijn met de Omgevingsverordening.
Zoals in voorgaande paragrafen is beschreven past het initiatief en het project binnen de doelstellingen, beleid en regels van de provincie Noord-Brabant.
Op voorstel Waterschap is onderstaande paragraaf over beleid en regelgeving overgenomen op basis van de input van het Waterschap.
Op 19 november 2021 is het nieuwe waterbeheerplan van waterschap Aa en Maas vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het plan geldt van 22 december 2021 tot en met 21 december 2027.
Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma's:
Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd. In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin:
Deze programma's zijn verder uitgewerkt in het Waterbeheerplan naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap zoals de Waterschapsverordening, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen.
De Waterschapsverordening omvat samen met de Omgevingswet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Waterschapsverordening is verder uitgewerkt in beleids- en algemene regels.
De Waterschapsverordening verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Waterschapsverordening vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven.
Analyse
De water aspecten van het project zijn uitgewerkt in paragraaf 7.10.
Het planvoornemen past binnen de kaders van het beleid en regelgeving van het Waterschap.
De gemeenteraad heeft op 7 maart 2024 de 'Omgevingsvisie Bernheze 2040' vastgesteld. In de 'Omgevingsvisie Bernheze 2040' wordt de gewenste ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van de totale gemeente weergegeven. De omgevingsvisie betreft een langetermijnvisie (20 jaar) op hoofdlijnen en vormt het kader voor de beoordeling en afweging van nieuwe ruimtelijke plannen, maar ook een toetsing van de voortgang van lopende plannen. In de 'Omgevingsvisie Bernheze 2040' zijn de volgende aanknopingspunten om 'slim' met de ruimte om te gaan gehanteerd:
De omgevingsvisie beschrijft nog niet alle beleidsterreinen van de fysieke leefomgeving. De gemeente Bernheze heeft 5 jaar de tijd om al deze visies te integreren. Dit betekent dat in 2029 één totaalvisie voor de fysieke leefomgeving bestaat.
De 'Omgevingsvisie Bernheze 2040' is opgedeeld in drie deelgebieden met drie ontwikkel- perspectieven. Hierin wordt onderscheidt gemaakt in:
De kern van de omgevingsvisie bestaat uit de uitwerking in vijf strategische thema's. In deze uitwerking worden de opgaven vertaald naar ambities en doelen. De vijf thema's zijn:
Analyse
Het plangebied (beide deellocaties) valt volgens de gebiedsindeling binnen het ontwikkelperspectief 'Dekzandgebied'. Binnen dit ontwikkelperspectief zijn de strategische thema's als volgt beschreven:
Voorliggend planvoornemen betreft het juridisch-planologisch mogelijk maken van een noodzakelijk activiteitenplan voor de aangetroffen steenuil in het plangebied behorende bij het vastgestelde omgevingsplan ''De Bunders, Heesch''. Hieronder vindt een toetsing plaats aan de ontwikkelperspectieven:
| ad 1. | Middels voorliggend planvoornemen wordt aangesloten bij een gezonde leefomgeving. Dit komt tot uiting in het natuurinclusief inrichten van het plangebied. |
| ad 2. | Voorliggend plan heeft geen verbinding met het onderdeel 'leefbare kernen'. Derhalve is een toetsing aan dit aspect niet aan de orde. |
| ad 3. | Middels voorliggend planvoornemen wordt aangesloten bij klimaatadaptatie en herstel biodiversiteit. Dit komt tot uiting in het natuurinclusief inrichten van het plangebied. |
| ad 4. | Voorliggend plan heeft geen verbinding met het onderdeel 'Vitale en duurzame landbouw en economie'. Derhalve is een toetsing aan dit aspect niet aan de orde. |
| ad 5. | Middels voorliggend planvoornemen wordt aangesloten bij een kwalitatief landschap en erfgoed. Dit komt tot uiting in het natuurinclusief inrichten van het plangebied. |
Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling past binnen de kaders van de vastgestelde 'Omgevingsvisie Bernheze 2040'.
Zoals in voorgaande paragraaf is beschreven past de activiteit binnen de doelstellingen, beleid en regels van de gemeente Bernheze.
De gemeente heeft voorlopig geen gebruik gemaakt van de in het Bkl verankerde bevoegdheid tot het vastleggen van facultatieve omgevingswaarden. Toetsing hieraan is daarom niet mogelijk.
In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de ontwikkeling rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Onderzocht is wat de gevolgen van de nieuwe ontwikkelingen zijn op het onderzochte omgevingsaspect.
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)
regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 8.0b Bkl regelt dat deze instructieregel ook geldt voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Artikel 5.129g (zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand)
Projecten die voorzien in een nieuwvestiging/uitbreiding van maximaal 500 m² aan bruto-vloeroppervlakte worden op basis van jurisprudentie niet als stedelijke ontwikkeling gezien. Voorliggend planvoornemen betreft het juridisch-planologisch mogelijk maken van een noodzakelijk activiteitenplan voor de aangetroffen steenuil in het plangebied behorende bij het vastgestelde omgevingsplan ''De Bunders, Heesch''.
Deze ontwikkeling wordt niet gezien als een stedelijke ontwikkeling. Een nadere toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is derhalve niet nodig.
Het initiatief voldoet aan het Besluit kwaliteit leefomgeving voor wat betreft het aspect Ladder voor Duurzame Verstedelijking.
De wetgeving over de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarin is bepaald dat het bevoegd gezag bij de voorbereiding van een plan of programma een milieueffectrapport opstelt, als dat plan of programma het kader vormt voor te nemen besluiten voor projecten die zijn aangewezen in artikel 16.43 van de Omgevingswet.
Onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling), wordt in ieder geval verstaan een omgevingsvisie, programma, omgevingsplan en voorkeursbeslissing. Voor de plannen en programma's waarvoor een plan-milieueffectrapport moet worden opgesteld is in de Omgevingswet een generieke aanwijzing opgenomen. Hiervoor is aansluiting gezocht bij de SMB-richtlijn. In Bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan de aangewezen categorieën van projecten waarvoor een m.e.r.-procedure verplicht is.
Voor plannen die betrekking hebben op kleine gebieden op lokaal niveau en/of kleine wijzigingen heeft de Omgevingswet de plan-m.e.r.-beoordeling geïntroduceerd. Voor deze ontwikkelingen is een plan-m.e.r. alleen verplicht als voor de activiteit aanzienlijke milieugevolgen worden verwacht. Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Omgevingsbesluit zijn genoemd.
De plan-m.e.r.-beoordeling betreft een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III, van de EU-richtlijn m.e.r. De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van het project, plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect.
In bijlage V van het Omgevingsbesluit zijn verschillende typen projecten benoemd waarvoor het bevoegd dient te beoordelen of deze leiden tot aanzienlijke milieueffecten en er aanleiding is tot het doorlopen van een mer-procedure. Het voorgenomen initiatief kan niet worden aangemerkt als stedelijke ontwikkeling (project J11 uit bijlgave V Ob)).
Het plangebied (beide deellocaties) wordt ingericht als natuurgebied met een individuele oppervlakte van circa 26.000 m² en 29.000 m². Dit zou mogelijk kunnen worden aangemerkt als landinrichtingsproject (project J12 uit bijlage V Ob.) Dit begrip is in de wetgeving niet helder gedefinieerd en wordt casuïstisch bepaald. Het moet gaan om een meer grootschalige herinrichting van het landelijk gebied dat 'een voldoende substantieel karakter' moet hebben. Zo is er jurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2024:245) dat de aanleg van een kas van 1,67 ha onvoldoende substantieel karakter had om te worden aangemerkt als landinrichtingsproject. Dit gold ook voor een zonnepark van 4,3 ha (ECLI:NL:RVS:2019:2770). Op grond hiervan kan worden gemotiveerd dat de voorgenomen herinrichting van het plangebied tot natuurgebied met een oppervlakte van circa 2,6 ha en 2,9 ha eveneens onvoldoende substantieel karakter heeft om te worden aangemerkt als landinrichtingsproject.
Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat geen activiteit/project wordt ondernomen dat genoemd staat in de eerste kolom van bijlage V van het Omgevingsbesluit en een verdere toetsing aan het milieueffectrapportage niet aan de orde is.''
Gelet op de kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn er geen belangrijke negatieve milieugevolgen te verwachten. Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig.
Om te voorkomen dat als gevolg van het plan voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten optreden moet worden getoetst of:
Basis voor deze toetsing vormt de handreiking "Bedrijven en milieuzonering" (VNG, Den Haag, 2009), waarin richtafstanden zijn opgenomen voor diverse bedrijfstypen.
Omgevingstype
Het plangebied (beide locaties) maakt onderdeel uit van een rustig buitengebied (te vergelijken met een rustige woonwijk). Er bevinden zich vrijwel geen milieubelastende activiteiten in de directe omgeving.
Invloed project op de omgeving
Voorliggend planvoornemen betreft het juridisch-planologisch mogelijk maken van een noodzakelijk activiteitenplan voor de aangetroffen steenuil in het plangebied behorende bij het vastgestelde omgevingsplan ''De Bunders, Heesch''. Functioneel betreft dit geen verzwaring van de reeds aanwezige planologische mogelijkheden. Er is derhalve geen sprake van milieutechnische uitstraling op de omgeving.
Invloed omliggende inrichtingen op project
Voorliggend planvoornemen betreft geen milieugevoelig object. Derhalve is er geen sprake van invloed van omliggende inrichtingen op het planvoornemen.
Vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen, en industrieterreinen en activiteiten enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds.
De mate waarin het geluid van (spoor)wegen en industrieterreinen de omliggende geluidgevoelige functies mag belasten is geregeld in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
Daarin zijn instructieregels opgenomen die erop zijn gericht het geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein te beheersen (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt daarbij onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (GPP) en bronnen met een basisgeluidemissie (BGE). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Daarom moet bij nieuwe ontwikkelingen gelegen binnen het geluidaandachtsgebied van de voornoemde bronnen, het geluid van deze bronnen op geluidgevoelige gebouwen altijd beoordeeld worden (artikel 3.20 Bkl). Daarbij wordt getoetst aan de onderstaande waarden uit het Besluit kwaliteit leefomgeving.
| Geluidbronsoorten | Standaardwaarde in Lden (dB) |
Grenswaarde in Lden (dB) |
|||
|
Nieuwe geluidgevoelige gebouwen |
Aanleg of aanpassing bron |
||||
| Rijks- en provinciale wegen | 50 | 60 | 65 | ||
| Gemeente- en Waterschapswegen |
53 | 70 | 70 | ||
| Gemeente- en Waterschapswegen in uitleggebieden voor stroomwegen, gebiedsontsluitingswegen en wijk-/buurtontsluitingswegen |
53 | 58 | 58 | ||
| Hoofd- en lokale spoorwegen | 55 | 65 | 70 | ||
| industrieterreinen | 50 | 55 | 60 | ||
| 40 Lnight | 45 Lnight | 50 Lnight | |||
Als de (gezamenlijke) geluidbelasting niet voldoet aan de standaardwaarde kunnen geluidbeperkende maatregelen worden getroffen om het geluid te verminderen tot de standaardwaarde. Het Bkl biedt de mogelijkheid om een hogere geluidbelasting op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toe te staan tot de grenswaarde, ook voor de geluidbelasting op bestaande geluidgevoelige gebouwen. Het bevoegd gezag kan dit alleen toestaan als met geluidbeperkende maatregelen niet aan de standaardwaarde voldaan kan worden. In dat geval moet gemotiveerd worden dat de maatregelen niet getroffen worden vanwege overwegende bezwaren van landschappelijke, stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, technische of financiële aard. Bovendien moet de binnenwaarde van 33 dB (artikel 4.30 Bbl) te allen tijde gewaarborgd zijn.
Een geluidgevoelig gebouw kan binnen meer dan één geluidaandachtsgebied liggen. In dat geval moet bij de vaststelling van een hogere waarde, onderzoek worden gedaan naar de effecten van de cumulatie van alle geluidbronnen tezamen.
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, dient – naast het geluid afkomstig van (spoor)wegen en industrieterreinen – ook het geluid van overige activiteiten in de fysieke leefomgeving beoordeeld te worden. Bij een aanpassing van het omgevingsplan houdt de gemeente rekening met het geluid door activiteiten met gebruiksruimte op geluidgevoelige gebouwen. Het gaat hierbij om het geluid van alle milieubelastende activiteiten met een functionele binding tezamen. In de afweging betrekt de gemeente de specifieke plaatselijke situatie en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten voor de gezondheid van haar burgers en het milieu.
Rekening houden met geluid werkt twee kanten op, het gaat om het toelaten van:
Getoetst wordt aan de standaard- en grens waarden uit het Bkl (artikel 5.65). Dit wijzigingsbesluit maakt geluidgevoelige gebouwen mogelijk nabij activiteiten met een geluidsruimte. Hierbij geldt dat getoetst moet worden aan de standaard- en grenswaarden zoals omschreven in het permanente Omgevingsplan of - indien dat nog niet aanwezig is - de standaard- en grenswaarden uit het Bkl (artikel 5.65 en 5.66).
Voor de beoordeling van geluidhinder afkomstig van activiteiten moet rekening worden gehouden met verschillende soorten geluidhinder, namelijk:
Voorliggend planvoornemen betreft het juridisch-planologisch mogelijk maken van een noodzakelijk activiteitenplan voor de aangetroffen steenuil in het plangebied behorende bij het vastgestelde omgevingsplan ''De Bunders, Heesch''.
Het planvoornemen omvat geen nieuwe geluidgevoelige objecten. Hoewel er geen nieuwe toetsing hoeft plaats te vinden, dient er in het kader van 'een evenwichtige toedeling van functies aan locaties' wel iets vermeldt te worden over het geluidsniveau en de aanvaardbaarheid daarvan. Onderstaande uitsnede laat de gecumuleerde geluidskaart (Lcum) van de Atlas Leefomgeving zien ter plaatse van het deelgebied aan De Bleken. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de gecumuleerde geluidsbelasting 52 dB bedraagt. Conform de legenda leidt dit tot een redelijk geluidsniveau. Daarnaast leidt voorliggend planvoornemen niet tot geluidsproducerende activiteiten. Een nadere toetsing aan het aspect geluidhinder is hiermee niet aan de orde.
|
|
GECUMULEERDE GELUIDSKAART (Lcum)
Het planvoornemen omvat geen nieuwe geluidgevoelige objecten. Hoewel er geen nieuwe toetsing hoeft plaats te vinden, dient er in het kader van 'een evenwichtige toedeling van functies aan locaties' wel iets vermeldt te worden over het geluidsniveau en de aanvaardbaarheid daarvan. Onderstaande uitsnede laat de gecumuleerde geluidskaart (Lcum) van de Atlas Leefomgeving zien ter plaatse van het deelgebied aan de Groldersedijk. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de gecumuleerde geluidsbelasting 52 dB bedraagt. Conform de legenda leidt dit tot een redelijk geluidsniveau. Daarnaast leidt voorliggend planvoornemen niet tot geluidsproducerende activiteiten. Een nadere toetsing aan het aspect geluidhinder is hiermee niet aan de orde.
|
|
GECUMULEERDE GELUIDSKAART (Lcum)
Vanuit het aspect geluid is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Het Rijk toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10) dan verwacht mag worden. Soms worden hier de rijksomgevingswaarden overschreden of is de achtergrondconcentratie zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. Bij een aanvraag voor één of meerdere activiteiten in een aandachtsgebied, dient het effect van de ontwikkeling op de luchtkwaliteit beoordeeld te worden. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl.
In Afdeling 2.2 van het Bkl zijn omgevingswaarden opgenomen voor stikstofoxiden, stikstof- dioxiden, fijnstof, benzeen, lood, koolmonoxide en ozon. In Nederland worden over het algemeen alleen voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) mogelijk overschrijdingen verwacht. Uit paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl volgt vervolgens dat wanneer een (wijziging van het) omgevingsplan activiteiten toestaat die leiden tot een verhoging van die concentratie stikstofdioxide dan wel fijnstof in de buitenlucht, de omgevingswaarden als genoemd in afdeling 2.2. in acht worden genomen in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
| norm | ingangsdatum | ||
| Jaargemiddelde grenswaarde NO2 | 40 µg/m3 | 1-1-2015 | |
| Jaargemiddelde grenswaarde PM10 | 40 µg/m3 | 1-6-2011 | |
| Daggemiddelde grenswaarde PM10 | max. 35 dagen/jaar > 50 µg/m3 | 1-6-2011 | |
Een wijzigingsbesluit voldoet aan de luchtkwaliteitsnormen indien:
Luchtvervuiling door milieubelastende activiteiten
Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bevat algemene Rijksregels voor lucht bij milieubelastende activiteiten. Voor veel milieubelastende activiteiten gelden regels die de emissie naar de lucht moeten beperken, alsmede een zogenaamde zorgplicht. Deze verplicht bedrijven vooraf na te gaan op welke wijze zij verontreiniging van de buitenlucht kunnen voorkomen of beperken. Bedrijven worden geacht preventieve maatregelen te nemen.
De regels voor luchtemissies staan in hoofdstuk 4 en 5 van het Bal. De regels hebben tot doel de luchtkwaliteit te beschermen en te verbeteren. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
Voorliggend planvoornemen betreft het juridisch-planologisch mogelijk maken van een noodzakelijk activiteitenplan voor de aangetroffen steenuil in het plangebied behorende bij het vastgestelde omgevingsplan ''De Bunders, Heesch''.
De monitoringstool die in het kader van het CIML (Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit) is opgesteld, geeft de volgende jaargemiddelden voor de relevante stoffen ter plaatse van het meest relevante meetpunt '50475266_222418; De Bleken, Bernheze.
| categorie | grenswaarde | 2025 | 2030 | ||
| jaargemiddelde concentratie NO2 | 40 µg/m³ | 11,4 | 9,6 | ||
| jaargemiddelde concentratie PM2,5 | 40 µg/m³ | 8,8 | 7,7 | ||
| jaargemiddelde concentratie PM10 | 40 µg/m³ | 16,0 | 14,9 | ||
| overschrijdingsdagen per jaar- gemiddelde concentratie PM10 | 35 | 6,0 | 6,0 | ||
De gestelde grenswaarden worden niet overschreden. Daarnaast zorgt voorliggend planvoornemen niet voor een wijziging in de luchtkwaliteit, omdat het geen activiteiten mogelijk maakt welke dit kunnen veroorzaken. Dit is van belang omdat de gemeente Bernheze gelegen is binnen een aandachtsgebied voor luchtkwaliteit.
De monitoringstool die in het kader van het CIML (Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit) is opgesteld, geeft de volgende jaargemiddelden voor de relevante stoffen ter plaatse van het meest relevante meetpunt '50475266_223341; Heescheweg, Bernheze.
| categorie | grenswaarde | 2025 | 2030 | ||
| jaargemiddelde concentratie NO2 | 40 µg/m³ | 12,4 | 10,4 | ||
| jaargemiddelde concentratie PM2,5 | 40 µg/m³ | 8,4 | 7,4 | ||
| jaargemiddelde concentratie PM10 | 40 µg/m³ | 14,9 | 13,8 | ||
| overschrijdingsdagen per jaar- gemiddelde concentratie PM10 | 35 | 6,0 | 6,0 | ||
De gestelde grenswaarden worden niet overschreden. Daarnaast zorgt voorliggend planvoornemen niet voor een wijziging in de luchtkwaliteit, omdat het geen activiteiten mogelijk maakt welke dit kunnen veroorzaken. Dit is van belang omdat de gemeente Bernheze gelegen is binnen een aandachtsgebied voor luchtkwaliteit.
Vanuit het aspect luchtkwaliteit is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Er zijn diverse sectoren waarbij geurhinder een rol kan spelen, zoals onder meer bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen en (andere) milieubelastende activiteiten. De gemeente moet bij de vaststelling van (een wijziging van) het omgevingsplan rekening houden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Rekening houden met geur werkt twee kanten op:
Aanvaardbare geurhinder
De geur van een activiteit (met gebruiksruimte) op een geurgevoelig gebouw moet aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat de gemeente moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. Gemeenten bepalen zelf welke mate van geurhinder zij aanvaardbaar vinden. De gemeente legt in het omgevingsplan vast wat de plaats is waar waarden voor geur gelden. Ook kennen sommige activiteiten afstandsregels. Dit zijn minimumafstanden tussen een geurgevoelig gebouw en een geurveroorzakende activiteit.
Geurhinder door activiteiten
Activiteiten die op enige wijze geurhinder veroorzaken moeten voldoen aan de regels die in het (tijdelijk) omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit die voorheen onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, gelden de regels uit de Bruidsschat. Op termijn worden de regels uit de bruidsschat geïntegreerd in het (permanente) omgevingsplan van de gemeente.
Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). De beoordelingsregels zijn opgenomen in afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur.
Het beleid voor industriële geurhinder (geur van bedrijven die niet tot de agrarische sector behoren) is samengevat in een brief van het ministerie van VROM van 30 juni 1995. Kort samengevat komt het erop neer dat afgestapt is van stringente geurnormen; de toetsing of een ontwikkeling toelaatbaar is zonder voor overmatige geurhinder te zorgen, is grotendeels overgelaten aan lokale overheden. Er wordt in de brief een aantal algemene beleidsuitgangspunten gegeven, waarbij 'het voorkómen van nieuwe geurhinder' voor de ruimtelijke ordening het belangrijkst is. Binnen de gemeente Bernheze worden deze algemene uitgangspunten gehanteerd.
Voor een aantal categorieën bedrijven is dit algemene geurbeleid geconcretiseerd in de Nederlandse emissie Richtlijn lucht (NeR). Voor zover een 'dosis-effectrelatie' (de relatie tussen de geuremissie bij het bedrijf en de hinder voor omwonenden) voor een bedrijfscategorie is vastgesteld, zijn voor die bedrijven 'normen' vastgesteld waarbij hinder kan worden verwacht. Voor de overige categorieën bedrijven zal dit moeten worden vastgesteld door specifiek geuronderzoek. Aangezien de NeR een formele richtlijn is, en bovendien een concrete vertaling vormt van het algemene beleidskader, dient hier bij ruimtelijke plannen te worden aangesloten.
Voor enkele bedrijfscategorieën is behalve een grenswaarde voor nieuwe situaties ook een maximale geurimmissieconcentratie vastgesteld voor bestaande situaties.
In de directe omgeving van het projectgebied bevinden zich geen bedrijven met een relevante industriële geuremissie. Het project maakt ook geen functies met een industriële geuremissie mogelijk. Daarmee vormt industriële geur geen belemmering voor dit project.
De agrarische sector (veehouderijen) is ten aanzien van het geurbeleid de Omgevingswet van toepassing. Deze regelgeving geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. De geurbelasting wordt berekend en getoetst aan de hand van een verspreidingsmodel (V-Stacks model). Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. De wet geeft de mogelijkheid om op lokaal niveau gemotiveerd af te wijken van de wettelijk norm met een verordening. De gemeente Bernheze heeft vooralsnog geen verordening met afwijkende normen vastgesteld.
Voorliggend planvoornemen betreft het juridisch-planologisch mogelijk maken van een noodzakelijk activiteitenplan voor de aangetroffen steenuil in het plangebied behorende bij het vastgestelde omgevingsplan ''De Bunders, Heesch''. Dit planvoornemen leidt niet tot de oprichting van geurgevoelige objecten.
Hoewel er geen nieuwe toetsing hoeft plaats te vinden, dient er in het kader van 'een evenwichtige toedeling van functies aan locaties' wel iets vermeldt te worden over het geurniveau en de aanvaardbaarheid daarvan. Onderstaande uitsnede laat de achtergrondbelasting geurkaart van de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant zien ter plaatse van de deellocatie aan De Bleken. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de achtergrondbelasting tussen de 1,5 ouE/m³ en 3,5 ouE/m³ bedraagt. Conform de legenda leidt dit tot een goed leefklimaat. Een nadere toetsing aan het aspect geur is hiermee niet aan de orde.
|
|
ACHTERGRONDBELASTING GEURKAART
Hoewel er geen nieuwe toetsing hoeft plaats te vinden, dient er in het kader van 'een evenwichtige toedeling van functies aan locaties' wel iets vermeldt te worden over het geurniveau en de aanvaardbaarheid daarvan. Onderstaande uitsnede laat de achtergrondbelasting geurkaart van de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant zien ter plaatse van de deellocatie aan de Groldersedijk. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de achtergrondbelasting tussen de 1,5 ouE/m³ en 6,5 ouE/m³ bedraagt. Conform de legenda leidt dit tot een goed/redelijk goed leefklimaat. Een nadere toetsing aan het aspect geur is hiermee niet aan de orde.
|
|
ACHTERGRONDBELASTING GEURKAART
Vanuit het aspect geur is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Uit de Omgevingswet volgt dat gemeenten primair verantwoordelijk zijn voor de zorg voor de fysieke leefomgeving, waaronder ook de zorg voor (de kwaliteit van) de bodem wordt verstaan. Het wettelijk instrumentarium onder de Omgevingswet is voor wat betreft de bodem gebaseerd op drie pijlers:
Om een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie toe te staan, dient op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.89i en 5.89j) aangetoond te worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik. Een locatie is bodem-gevoelig als hier een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein
direct grenzend of toebehorend aan een bodemgevoelig gebouw, zoals een tuin of terrein. Onder een bodemgevoelig gebouw wordt verstaan; een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn.
Om aan te tonen of de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik is het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) noodzakelijk. Dit onderzoek moet uitwijzen of de locatie mag worden aangewend voor de beoogde ontwikkeling. Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie zijn (op grond van artikel 5.89i Bkl) opgenomen in het omgevingsplan. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen.
Het initiatief omvat geen uitbreiding van bebouwing en betreft geen wijziging naar een gevoeliger functie. Het uitvoeren van een bodemonderzoek is niet doelmatig.
Vanuit het aspect bodem is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Plaatsgebonden risico
Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel 10-6). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar. Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).
In hoofdstuk 4 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn alle activiteiten opgenomen waarbij een vaste norm van toepassing is en voor welke activiteiten een berekening van PR-contour en aandachtsgebied vereist is.
Aandachtsgebieden
Aandachtsgebieden laten zien op welke locaties extra aandacht nodig is om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden laten zien waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd zijn tegen gevaren uit de omgeving. Voorbeelden van die gevaren zijn warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Via de aandachtsgebieden worden deze gevaren zichtbaar op de kaart, zodat direct duidelijk is welke gevaren waar op kunnen treden. Daardoor heeft het bevoegd gezag bij het nemen van besluiten over ruimtelijke ordening de risico's van activiteiten met gevaarlijke stoffen meteen in beeld. Zo kan het bevoegd gezag ze al aan het begin van het planproces meenemen. Aandachtsgebieden zijn er voor brandgevaar, explosiegevaar en gifwolken.
Aandachtsgebieden (bron: www.aandeslagmetdeomgevingswet.nl).
Kwetsbare functies
Bij de beoordeling van de hiervoor beschreven risico's wordt uitgegaan van een onderscheid in zeer kwetsbare gebouwen, kwetsbare gebouwen, beperk kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties en beperkt kwetsbare locaties. Of een bepaald gebouw of een bepaalde locatie is aan te merken als één van voornoemde gebouwen of locaties volgt uit het Bkl (Bijlage IV). Gebouwen met een woonfunctie zijn kwetsbare gebouwen, net als onder andere gebouwen met een kantoor- of onderwijsfunctie.
Basisscholen, kinderdag- verblijven en gebouwen met 24-uurszorg zijn voorbeelden van zeer kwetsbare gebouwen. Deze indeling is gemaakt op basis van de volgende afwegingen:
Het realiseren van zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare gebouwen en locaties is niet mogelijk binnen een plaatsgebonden risicocontour. Voor het overige geldt dat rekening dient te worden gehouden met de relevante plaatsgebonden risicocontouren en aandachtsgebieden. Dat vraagt om een afweging en motivering (verantwoording) bij het wijzigen van het omgevingsplan.
Voorliggend planvoornemen betreft het juridisch-planologisch mogelijk maken van een noodzakelijk activiteitenplan voor de aangetroffen steenuil in het plangebied behorende bij het vastgestelde omgevingsplan ''De Bunders, Heesch''. Dit planvoornemen leidt niet tot de oprichting van gevoelige objecten.
Onderstaande uitsnede laat de 'externe veiligheid' kaart van de Atlas Leefomgeving zien ter plaatse van de deellocatie aan De Bleken. Deze deellocatie ligt gedeeltelijk binnen het plaatsgebonden risico en volledig binnen het brandaandachtsgebied van de buisleidingen A-525 en A-526.
UITSNEDE KAART EXTERNE VEILIGHEID
Conform art. 4.1113 van het Bal geldt er een belemmeringsstrook van 5 meter. Voor het aanbrengen van beplanting of het realiseren van bouwwerken binnen deze strook is toestemming van Gasunie vereist. De afstand, gemeten vanuit het brandaandachtsgebied, tot aan de voorgenomen schuur bedraagt 210 meter, zoals weergegeven op onderstaande afbeelding.
AFSTAND TOT AAN BRANDAANDACHTSGEBIED
Onderstaande uitsnede laat de 'externe veiligheid' kaart van de Atlas Leefomgeving zien ter plaatse van de deellocatie aan de Groldersedijk. Deze deellocatie ligt gedeeltelijk binnen het plaatsgebonden risico en volledig binnen het brandaandachtsgebied van de buisleidingen A-525, A-526, A-527 en A-643.
UITSNEDE KAART EXTERNE VEILIGHEID
Conform art. 4.1113 van het Bal geldt er een belemmeringsstrook van 5 meter. Voor het aanbrengen van beplanting of het realiseren van bouwwerken binnen deze strook is toestemming van Gasunie vereist. De afstand, gemeten vanuit het brandaandachtsgebied, tot aan de voorgenomen schuur bedraagt 350 meter, zoals weergegeven op onderstaande afbeelding.
AFSTAND TOT AAN BRANDAANDACHTSGEBIED
Vanuit het aspect omgevingsveiligheid is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur en de gevolgen voor de natuur door stikstofdepositie
Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming.
Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten, diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden.
Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).
Gebiedsbescherming
De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:
In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd.
Soortenbescherming
Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren.
Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming.
Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of:
In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.
Het plangebied is gedeeltelijk gesitueerd binnen het Natuur Netwerk Brabant (Natuurnetwerk Nederland). Binnen dit netwerk moet het effect worden beoordeeld, de zogenaamde 'externe werking'. Het gaat dan enerzijds om verstorende effecten zoals geluid, licht en trillingen op natuurgebieden behorende tot het Natuurnetwerk Nederland en anderzijds om stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden.
Verstorende effecten
Gezien de aard en omvang van het planvoornemen kan worden geconcludeerd dat het plan geen verstorende effecten heeft op gebieden behorende tot Natuurnetwerk Nederland (geen sprake van productie van geluid, licht en trillingen).
Stikstofdepositie
Bijlage 3 bevat het stikstofdepositie-onderzoek waarin zowel de bouw- en gebruiksfase is beoordeeld. Daaruit volgt dat het project geen significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden heeft.
Voorliggend planvoornemen zorgt niet voor ontwikkelingen die aanwezige beschermde soorten verstoren. Een onderzoek naar soortenbescherming is derhalve niet aan de orde. In het kader van voorliggend planvoornemen is er, voor deze locatie, een activiteitenplan opgesteld (bijgevoegd als bijlage 1). Hieruit volgt dat de locatie geschikt is voor het mitigeren van de steenuil en dat op deze locatie geen steenuil te verwachten is.
Daarnaast is door Natuurkompas, zoals reeds toegelicht in paragraaf 3.1.1, een onderbouwing opgesteld waaruit blijkt dat binnen deze deellocatie zowel ruimte is voor de das als de steenuil zonder dat deze soorten elkaar hinderen (bijgevoegd als bijlage 2).
Vanuit het aspect natuur is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Er moet voldaan worden aan de beoordelingsregels voor een BOPA-omgevingsvergunning die in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan (www.vng.nl). In het Omgevingsplan van rechtswege wordt wel het paraplubestemmingsplan met de rekentool klimaatadaptieve opgave voorgeschreven. Het voldoen aan deze rekentool blijft daarmee vanaf 1 januari 2024 van kracht. Hetzelfde geldt voor de overgenomen bruidsschatregels.
Rijk
Nederland leeft met water. Dat betekent dat bij bouwen rekening gehouden moet worden met water. Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de gemeente voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder betrekken. Dit volgt uit een instructieregel (artikel 5.37) die is opgenomen in paragraaf 5.1.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
Op basis van artikel 5.37 vervalt de term 'watertoets'. Met ingang van de Omgevingswet vervangt het begrip 'weging van het waterbelang' deze term. Er gelden geen regels voor hoe de gemeente de waterbeheerder hierbij betrekt. De gemeente is vrij om hier zelf invulling aan te geven.
In de kamerbrief 'water en bodem sturend' van 25 november 2022 formuleert het Rijk een aantal uitgangspunten om water en bodem sturend te laten zijn in de ruimtelijke ordening. Dat zorgt ervoor dat de inwoners ook in een Nederland met een veranderend klimaat kunnen blijven leven, wonen en werken. Naast de keuze 'waar' te bouwen is er ook invulling gegeven aan de vraag 'hoe' een gebied klimaatbestendig kan worden ingericht of bebouwd. Daartoe hebben de samenwerkende overheden en externe partijen een landelijke maatlat voor een groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de thema's wateroverlast, droogte, hitte, gevolgbeperking overstromingen, biodiversiteit en bodemdaling bij nieuwbouw. Voor de juridische borging van de groene maatlat denkt het Rijk aan een instructieregel in het Bkl of meer specifieke regelgeving in het Bbl.
Provincie
De Omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant bevat instructieregels voor waterschappen en gemeenten. In hoofdstuk 5 van de Omgevingsverordening staan de instructieregels voor gemeenten.
Voor het thema 'water' zijn de volgende artikelen van belang:
Artikel 5.7
In artikel 5.7 wordt voor het realiseren van een veilige, gezonde leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit toepassing gegeven aan de lagenbenadering. Daarmee wordt tegemoet gekomen aan het principe 'water een bodem sturend'. Het is een keuze van het kabinet om bij de inrichting van Nederland meer rekening houden met water en bodem. Dit principe is vertaald in diverse randvoorwaarden waarmee provincies samen met alle betrokken partijen een gebiedsgerichte aanpak kunnen opstellen.
Artikel 5.16 tot en met artikel 5.18
In artikel 5.16 tot en met artikel 5.18 worden de grondwatervoorraden beschermd. Daardoor blijft waterwinning voor menselijke consumptie mogelijk.
Artikel 5.41 en 5.42
Artikel 5.41 en 5.42 gaan in op de bescherming van de waterhuishouding en behoud en herstel van watersystemen. Doel van de attentiezone waterhuishouding is om ontwikkelingen die een negatieve invloed hebben op de binnen de attentiezone gelegen natte natuurparels tegen te gaan. Het werkingsgebied 'Behoud en herstel watersystemen' is gebaseerd op het Regionaal waterprogramma en gebaseerd op waterlopen met de functie waternatuur, (natte) ecologische verbindingszones en gebieden die in de reconstructie- en gebiedsplannen zijn aangeduid als 'ruimte voor beek- en kreekherstel'. Uitgangspunt voor de begrenzing door de gemeente in het omgevingsplan is een breedte van ten minste 25 meter aan weerszijden van de waterloop.
Artikel 5.49 en 5.50
Om de ruimte voor oppervlaktewater te behouden zijn artikel 5.49 en 5.50 opgesteld. Een waterloop heeft ruimte nodig om bij langdurige neerslag water te kunnen afvoeren. Daarbij treedt het water uit zijn 'bakje' en overstroomt de omgeving. Hier dient rekening mee te worden gehouden bij bouwactiviteiten. Binnen regionale waterberging (artikel 5.49) gelden meer beperkingen dan in de reserveringsgebieden waterberging, omdat deze gebieden concreet nodig zijn om wateroverlast tegen te gaan. Binnen reservering waterberging (artikel 5.50) is een afweging mogelijk. De onderbouwing van het besluit tot wijziging van het omgevingsplan bevat hiervan de verantwoording. In beide gevallen geldt bij het opnemen van een regeling in het omgevingsplan dat betrokkenheid van de waterschappen, als primair verantwoordelijk bestuursorgaan voor de inrichting van de waterbergingsgebieden, nodig is.
Een beperkingengebied is een breed verzamelbegrip en wordt in de Omgevingswet gedefinieerd als een gebied dat bij of op grond van de wet (door Rijk of provincie) is aangewezen, waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object, regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object.
Samenvattend
Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling geeft het Rijk drie aandachtspunten mee:
Naast de bestaande instructieregels stuurt de provincie op een goede omgevingskwaliteit met aandacht voor water en bodem sturend middels de lagenbenadering. Hierdoor wordt rekening gehouden met een veranderend klimaat.
Voorliggend planvoornemen betreft het juridisch-planologisch mogelijk maken van een noodzakelijk activieitenplan voor de aangetroffen steenuil in het plangebied behorende bij het vastgestelde omgevingsplan ''De Bunders, Heesch''. Middels dit planvoornemen wordt, gezamenlijk, niet meer dan 500 m² aan verharding mogelijk gemaakt. Derhalve is een nadere 'weging van het waterbelang' niet aan de orde.
Vanuit het aspect water is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Wettelijk en beleidsmatig karakter
Nationaal beleid
Het Verdrag van Valletta (Malta) verplicht de Europese overheden tot het beschermen van archeologisch erfgoed. Hierbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat archeologische waarden in situ bewaard moeten blijven. Dat wil zeggen, dat er naar gestreefd moet worden om de waarden op de locatie te behouden. Als dit niet mogelijk blijkt, bijvoorbeeld wanneer andere belangen zwaarder wegen, dan moeten de waarden worden opgegraven en daarmee ex situ worden behouden. Het Verdrag van Valletta is doorvertaald in de Monumentenwet 1988, zoals deze gewijzigd is in september 2007. Sinds deze wijziging van september 2007 is de gemeente het bevoegd gezag op het gebied van archeologie en cultuurhistorie.
Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. De uitgangspunten uit het Verdrag van Valletta (Malta) blijven in de Erfgoedwet de basis van de omgang met archeologie. Gemeenten houden een belangrijke rol in het archeologische stelsel. In het omgevingsplan houden ze rekening met (te verwachten) archeologische waarden door het stellen van regels. Het al dan niet stellen van regels ten aanzien van archeologie dient te rusten op voldoende informatie over de archeologische situatie. Deze informatie kan worden verkregen door gebiedsdekkende kaarten waarop de archeologische (te verwachten) waarden in de ondergrond zichtbaar zijn. Op basis hiervan kan archeologisch beleid worden ontwikkeld.
Gemeentelijk beleid
De gemeente Bernheze heeft sinds 4 april 2011 een gebiedsdekkende 'archeologische beleidskaart'. Deze archeologische beleidskaart maakt onderscheidt in 7 beleidscategorieën, te weten:
Meldingsplicht toevalsvondsten
De wettelijke meldingsplicht voor archeologische toevalsvondsten geldt altijd (art. 5.10 Erfgoedwet 2016). Mochten tijdens grondwerkzaamheden (vermoedelijke) archeologische resten (vondsten, muurwerk, grondsporen et cetera) worden aangetroffen, dan dienen deze direct gemeld te worden aan de Minister van OCW en bij de (afdeling Omgevingskwaliteit). Vervolgens zal bepaald worden of, en zo ja welke, aanvullende maatregelen getroffen dienen te worden.
Het plangebied (beide deellocaties) wordt op de beleidskaart aangeduid als gebied met een lage archeologische verwachtingswaarde. In het vigerende van rechtswege verkregen ''Omgevingsplan gemeente Bernheze'' is dan ook geen archeologische dubbelbestemming opgenomen.
Derhalve is een archeologisch onderzoek niet aan de orde. Ondanks een zorgvuldige afweging kan nooit volledig worden uitgesloten dat er tijdens werkzaamheden archeologische sporen of resten worden aangetroffen. Conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient hiervan melding te worden gemaakt bij de Minister.
Vanuit het aspect archeologie is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
In de Omgevingswet wordt het aspect van cultuurhistorische waarden niet expliciet genoemd in een specifiek artikel zoals in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) het geval is met artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a.
Echter, de Omgevingswet bevat wel bepalingen die relevant zijn voor het meewegen van cultuurhistorische waarden. Bijvoorbeeld, in artikel 2.1 van de Omgevingswet staat dat bij de voorbereiding van besluiten over de fysieke leefomgeving rekening gehouden moet worden met de relevante doelstellingen van de wet, waaronder het waarborgen en ontwikkelen van een goede kwaliteit van de fysieke leefomgeving en het in onderlinge samenhang nemen van besluiten over de fysieke leefomgeving.
Daarnaast kan in het Omgevingsplan, dat onderdeel uitmaakt van het omgevingsrecht en dat onder de Omgevingswet valt, specifieker worden ingegaan op de bescherming en ontwikkeling van cultuurhistorische waarden. Hierin kunnen regels worden opgenomen met betrekking tot het behoud, de bescherming, en het gebruik van cultuurhistorisch erfgoed en gebieden.
Om de aanwezige cultuurhistorische waarden in het gebied te bepalen is de cultuurhistorische waardenkaarten van de provincie Noord-Brabant geraadpleegd. Hieruit volgt dat in of rondom het plangebied geen rijks- of gemeentelijke monumenten aanwezig zijn. Middels voorliggend planvoornemen volgt geen negatieve inbreuk op deze waarde.
Vanuit het aspect cultuurhistorie is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Het aspect gezondheid heeft de laatste jaren meer aandacht gekregen bij het opstellen van bestemmingsplannen. Aangetoond moet worden dat een ruimtelijke ontwikkeling geen negatief effect heeft op de volksgezondheid.
Een beoordeling van de effecten op de volksgezondheid doet zich met name voor de ontwikkeling van of in de buurt van veehouderijen, boom- en fruitteelt en hoogspanningsverbindingen. In deze paragraaf wordt het project aan deze aspecten getoetst.
Voorliggend planvoornemen betreft het juridisch-planologisch mogelijk maken van een noodzakelijk activiteitenplan voor de aangetroffen steenuil in het plangebied behorende bij het vastgestelde omgevingsplan ''De Bunders, Heesch''. Het plan omvat geen objecten waarbinnen personen langdurig verblijven. Het uitvoeren van een nader onderzoek c.q. nadere onderbouwing is derhalve niet aan de orde.
Voorliggend planvoornemen betreft het juridisch-planologisch mogelijk maken van een noodzakelijk activiteitenplan voor de aangetroffen steenuil in het plangebied behorende bij het vastgestelde omgevingsplan ''De Bunders, Heesch''. Het plan omvat geen nieuwe, milieugevoelige objecten. Er hoeft geen nadere beoordeling van het aspect boom- en fruitteelt plaats te vinden. Er is sprake van een gezonde leefomgeving ten aanzien van boom- en fruitteelt.
Voorliggend planvoornemen betreft het juridisch-planologisch mogelijk maken van een noodzakelijk activiteitenplan voor de aangetroffen steenuil in het plangebied behorende bij het vastgestelde omgevingsplan ''De Bunders, Heesch''. Het plan leidt niet tot het toevoegen van woningen of andere functies waar kinderen gedurende langere tijd verblijven. Het uitvoeren van een nader onderzoek c.q. nadere onderbouwing is derhalve niet aan de orde.
Vanuit het aspect gezondheid is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Sinds 1 januari 2024 heeft elke gemeente een omgevingsplan van rechtswege (hierna: het omgevingsplan). In de fase direct na inwerkingtreding van de Omgevingswet is dit het tijdelijk deel van het omgevingsplan, bestaande uit onder meer de voormalige bestemmingsplannen, beheersverordeningen, uitwerkings- en wijzigingsplannen en de Bruidsschat.
Dit TAM-omgevingsplan vormt een wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Bernheze. Uitvoering van het activiteitenplan op deze locatie is in strijd met het ter plaatse geldende omgevingsplan waardoor het omgevingsplan gewijzigd moet worden. Het TAM-omgevingsplan is op het oog een omgevingsplan dat los staat van de rest van het omgevingsplan. Toch is het functioneel en juridisch een integraal onderdeel van het omgevingsplan. Om te zorgen dat het TAM-omgevingsplan juridisch één geheel is met het omgevingsplan van rechtswege, wordt het als het ware als een nieuw hoofdstuk (in casu 22y) toegevoegd. Onderhavig TAM-omgevingsplan dient dus ook als dusdanig gelezen te worden, in samenhang met de bruidsschat van het omgevingsplan. Daarom is er in de regels van onderhavig TAM-omgevingsplan een pre-ambule opgenomen, waarin staat dat het plan vigeert als hoofdstuk 22y van het omgevingsplan.
Hoofdstuk 1 - Algemene bepalingen
Dit TAM-omgevingsplan maakt onderdeel uit van het omgevingsplan van de gemeente Bernheze. Dat betekent dat alle regels uit het omgevingsplan ook van toepassing zijn op onderhavige ontwikkeling (tenzij ze daarmee strijdig zijn en niet van toepassing worden verklaard). Daarom worden in de regels alleen maar bepalingen opgenomen welke specifiek relevant zijn voor onderhavige ontwikkeling. Zo is er voor dit plan ook gekozen om niet de specifieke bepaling over de het afwijken van bepalingen uit de bruidsschat op te nemen, aangezien er bij dit TAM-omgevingsplan nauwelijks wordt afgeweken van de bruidsschat. Op de onderdelen waar dit wel gebeurt (bijvoorbeeld de reken- en meetbepalingen) zijn specifieke voorrangsbepalingen opgenomen.
Hoofdstuk 2 - Functies en activiteiten
Conform de eisen vanuit de Omgevingswet worden in dit hoofdstuk de toegestane functies en activiteiten voor het plangebied beschreven. Alhoewel de regels niet hoeven te voldoen aan de SVBP, en er dus over 'functies en activiteiten' wordt gesproken in plaats van 'bestemmingen', staan deze op de verbeelding behorend bij onderhavig plan nog wel aangeduid als zijnde 'bestemming'. Dit vanwege het feit dat het plan anders niet juist gepubliceerd kan worden op de (nog tijdelijke) landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl.
Voor het TAM-omgevingsplan is beoogd zoveel mogelijk aansluiting te vinden bij de regels en bepalingen voor vergelijkbare functies en activiteiten uit het tijdelijk deel omgevingsplan van de gemeente Bernheze. Deze zijn wel dusdanig omgevormd dat deze voldoen aan de regels van de Omgevingswet. Regels die niet van toepassing zijn, zijn hierbij niet overgenomen.
Hoofdstuk 3: Algemene regels
Voor dit hoofdstuk zijn er algemene regels opgenomen die alleen betrekking hebben op de artikelen uit dit TAM-omgevingsplan. Hier zitten bijvoorbeeld algemene bouw- en functieregels in die gelden voor de nieuwe ontwikkeling.
Bijlagen de regels
Dit zijn de bijlagen waarna in de regels wordt verwezen. De overige bijlagen zijn als bijlagen bij de toelichting gevoegd.
Verbeelding
Onderstaande afbeelding betreft de opgestelde verbeelding (conform IMRO-standaard). De hierboven beschreven regelgeving is overeenkomstig de verbeelding.
De wijziging van het omgevingsplan moet een onuitvoerbaarheidtoets bevatten. Het omgevingsplan mag namelijk geen regels bevatten die op voorhand onuitvoerbaar zijn. Volgens de memorie van toelichting zal in gevallen waarin een activiteit alleen kan worden gerealiseerd wanneer de gemeente belangrijke voorinvesteringen doet, de toelichting bij de omgevingsplanwijziging passages moeten bevatten over de dekking van de investeringen en de opzet van het eventuele kostenverhaal.
Met deze plantoelichting is onderbouwd dat met het voorliggende besluit tot wijziging van het omgevingsplan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bereikt en de toegedachte functies binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd. Gelet hierop kan in het verlengde daarvan aangenomen worden dat realisatie economisch uitvoerbaar is. Op voorhand is er geen reden om aan te nemen dat de toegedachte functies om financiële redenen op langere termijn niet zullen worden gerealiseerd.
Op grond van artikel 13.11 Ow is de gemeente verplicht kosten bij bouwactiviteiten en activiteiten vanwege gebruikswijzigingen te verhalen. De gemeente maakt voor dit gebied verhaalbare kosten (conform de kostensoortlijst, bijlagen IV bij art. 8.15 Ob). Dit houdt in dat de gemeenteraad kostenverhaalsregels dient vast te stellen in het omgevingsplan, tenzij middels gemeentelijke gronduitgifte en/of een anterieure overeenkomst, cofinanciering, subsidies, gemeentelijk krediet, de kosten die het vanwege artikel 8.15 Omgevingsbesluit maakt, anderszins verzekerd zijn.
De gemeente is initiatiefnemer en verhaalt de eigen kosten middels een combinatie van gemeentelijke gronduitgifte, alsmede anterieure overeenkomsten (zoals bedoeld in artikel 13.13 Ow). Het kostenverhaal is daarmee anderszins verzekerd.
Wanneer een (rechtmatig) besluit, zoals een omgevingsvergunning, leidt tot schade, kan deze schade onder voorwaarden voor vergoeding in aanmerking komen. Ook de schade bij uitvoering en onvoorziene schade kunnen voor vergoeding in aanmerking komen. Dit is de zogenaamde nadeelcompensatie (artikel 15.1 eerste lid van de Omgevingswet).
De voorwaarden zijn onder meer dat de schade uitstijgt boven normaal maatschappelijk risico en dat de burger/bedrijf onevenredig zwaar worden belast. Het risico op nadeelcompensatie is betrokken in de exploitatieopzet.
Met dit wijzigingsbesluit wordt het planvoornemen mogelijk gemaakt. Het besluit voldoet aan de kaders voor economische uitvoerbaarheid en kostenverhaal.
Tijdens de periode van de terinzagelegging (tussen 18 december 2025 tot en met 28 januari 2026) zijn 4 zienswijzen bij de gemeente binnengekomen. Deze zienswijzen zijn in een Nota van zienswijzen en wijzigingen door de gemeente van een reactie voorzien (bijgevoegd als bijlage 4. Deze Nota bevat tevens een overzicht van de wijzigingen die naar aanleiding van de zienswijzen of ambtshalve ten opzichte van het ontwerp TAM-omgevingsplan worden voorgesteld.
Op basis van deze Nota van zienswijzen en wijzigingen heeft de gemeenteraad van de gemeente Bernheze op 16 juni 2026 het TAM-omgevingsplan gewijzigd vastgesteld.
Na besluitvorming door de raad wordt het vastgestelde TAM-omgevingsplan opnieuw voor een periode van zes weken ter inzage gelegd. Binnen deze periode kan tegen het plan beroep worden ingesteld bij de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Afdeling 3.4 Awb is van toepassing op de voorbereiding van een omgevingsplan of de wijziging van een omgevingsplan.
Tegen het besluit tot vaststelling van een omgevingsplan of het wijzigen van een omgevingsplan kan rechtstreeks beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in eerste en enige aanleg. Dezelfde procedure is van toepassing op de afwijzing van een verzoek tot wijziging van een omgevingsplan.
Tegen een beschikking krachtens een omgevingsplan waarbij maatwerkvoorschriften worden gesteld, of waarbij wordt toegestaan gelijkwaardige maatregelen te treffen, staat (na de bezwaarfase) beroep in eerste aanleg open bij de rechtbank met de mogelijkheid van hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als een dergelijke beschikking wordt geweigerd, geldt hetzelfde.
Het omgevingsplan treedt in werking vier weken nadat van het omgevingsplan mededeling is gemaakt. Een verzoek om een voorlopige voorziening heeft niet automatisch schorsende werking.
Bij het nemen van een besluit op een aanvraag tot wijziging van het omgevingsplan gelden in ieder geval de volgende criteria:
Redenen voor de gemeente om het omgevingsplan niet te wijzigen zijn dan bijvoorbeeld:
De aanvrager dient bij zijn aanvraag de gegevens aan te leveren die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en die hij redelijkerwijs kan krijgen. De gemeente Bernheze mag besluiten de aanvraag niet te behandelen indien de aangeleverde stukken (ook na aanvulling) onvoldoende zijn. Zie de artikelen 3:10, derde lid, 4:2, tweede lid en 4:5 en Awb.
De maatschappelijke doelen van de Omgevingswet (artikel 1.3 Omgevingswet) geven richting over welke belangen in deze afweging mee te nemen. Bij de evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet de gemeente in ieder geval rekening houden met het belang van het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1 lid 4 Omgevingswet) en een aantal aspecten uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Hiervoor zijn algemene instructieregels opgesteld.
De planwijziging draagt het bij aan de balans tussen:
De gemeenteraad stelt voor het gehele grondgebied van de gemeente één omgevingsplan vast waarin regels over de fysieke leefomgeving worden opgenomen. Uit artikel 1.2 van de Omgevingswet volgt welke activiteiten in elk geval tot de fysieke leefomgeving behoren.
Alle regels in het omgevingsplan samen moeten leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De gemeente moet daarbij rekening houden met alle betrokken belangen. Hoe dit evenwicht er precies uitziet, hangt af van de wijze waarop de betrokken belangen worden gewogen. Net als bij de beoordeling van een goede ruimtelijke ordening heeft het bevoegd gezag beleidsruimte bij het bepalen welke belangen bij botsing prevaleren.
De gemeente Bernheze beoordeelt aan de hand van de gegevens of er voldaan wordt aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Om dit te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen (zie hoofdstuk 7).
Gelet op het beleidskader en de effecten op de fysieke leefomgeving is er voor de wijziging van het Omgevingsplan gemeente Bernheze waarmee dit initiatief wordt mogelijk gemaakt sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De conclusie is dat alles overwegende de ontwikkeling aanvaardbaar is.
Vóór 2032 moet dit TAM-IMRO omgevingsplan worden omgezet naar het integrale omgevingsplan in STOP. Voor het omzetten moet een wijzigingsbesluit in STOP worden genomen. Het ministerie van BZK heeft de intentie uitgesproken om in de wet- en regelgeving vast te leggen dat regels in het STOP omgevingsplan die inhoudelijk gelijk zijn aan het TAM-IMRO plan niet opnieuw appellabel worden bij het overbrengen.
Dit TAM-omgevingsplan sluit in vorm en inhud aan op het integrale omgevingsplan, omdat qua thema's en volgordelijkheid dezelfde stappen zijn doorlopen. Daarnaast is qua regelgeving aangesloten bij de STOP-methode.