direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22y, De Bleken HD
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1721.TAM22y-VG01

Regels

Pre-ambule

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van een gebiedsontwikkeling op de locaties aan De Bleken en de Groldersedijk te Heeswijk-Dinther en vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22y) van het omgevingsplan van de gemeente Bernheze. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22y van het omgevingsplan van de gemeente Bernheze. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22y' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22y' gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Toepassingsbereik

1.1 Omgevingsplan Bernheze

Dit TAM-omgevingsplan wijzigt het omgevingsplan van de gemeente Bernheze in die zin dat na hoofdstuk 22 een hoofdstuk 22y wordt ingevoegd, bestaande uit de regels van dit plan.

1.2 Niet van toepassing tijdelijk omgevingsplan

De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in 1.4.

1.3 Niet van toepassing tijdelijk omgevingsplan - bruidsschat

De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van de regels van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit TAM-omgevingsplan;

1.4 Verwijzing naar verbeelding

De regels in dit hoofdstuk (22y) zijn van toepassing op de locaties De Bleken en Groldersedijk te Heeswijk-Dinther waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1721.TAM22y-VG01.

Artikel 2 Begripsbepalingen

2.1 Van toepassing verklaring

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk, tenzij in Artikel 2.2 daarvan is afgeweken.

2.2 Aanvullende begrippen

In aanvulling op het bepaalde in 2.1 worden voor de toepassing van de regels in dit plan de begrippen als bedoeld in 2.3 tot en met 2.53 gehanteerd.

2.3 TAM-omgevingsplan

het ''TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22y, De Bleken HD''.

2.4 Omgevingsplan

het omgevingsplan van de gemeente Bernheze.

2.5 peil
  • a. voor bouwwerken, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van die weg ter plaatse van die hoofdtoegang vermeerderd met maximaal 20 cm;
  • b. in andere gevallen: de hoogte van de weg ter plaatse van de toegang tot het gebouw vermeerderd met 2 cm per meter afstand van het gebouw tot die weg (hemelsbreed gemeten);
  • c. deze bepaling geldt niet voor bouwwerken geen gebouwen zijnde; hiervoor wordt de hoogte gemeten vanaf het aansluitende maaiveld.

2.6 locatievlak

Een geometrisch bepaald vlak dat is aangewezen voor een gebruiksdoel.

2.7 aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden

2.8 aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft

2.9 aanduidingsvlak

een op de verbeelding aangegeven vlak met eenzelfde aanduiding, begrensd door een aanduidingsgrens.

2.10 achtergevel

Een gevel van een gebouw aan de tegenovergestelde zijde van de voorgevel.

2.11 archeologisch monument

Terrein dat op basis van de Monumentenwet 1988 dan wel gemeentelijke verordening is aangewezen als beschermd archeologisch monument.

2.12 archeologisch onderzoek

Onderzoek (bureauonderzoek en/of boren en/of geofysisch onderzoek en/of graven en/of begeleiden) verricht door een dienst, bedrijf of instelling erkend door het College voor de Archeologische Kwaliteit (CvAK/SIKB), beschikkend over een opgravingsvergunning ex artikel 39 MW en werkend volgens de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie.

2.13 bebouwing

een of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde

2.14 bedrijf

Een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, beroepen aan huis daaronder niet begrepen.

2.15 bedrijfsgebouw

Een gebouw dat dient voor de uitoefening van een bedrijf.

2.16 bestaand
  • a. Ten aanzien van bebouwing: bebouwing die op het moment van inwerkingtreding van het plan rechtens aanwezig of in uitvoering is is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een vergunning;
  • b. ten aanzien van gebruik; het gebruik van grond en opstallen zoals op het moment van inwerkingtreding van het plan rechtens bestaat.

2.17 bestemmingsgrens

de grens van een bestemmingsvlak

2.18 bijbehorend bouwwerk

Uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk met dak.

2.19 bouwen

Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk.

2.20 bouwgrens

de grens van een bouwvlak

2.21 bouwlaag

Een al dan niet doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder.

2.22 bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten

2.23 bouwperceelgrens

de grens van een bouwperceel

2.24 bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten

2.25 bouwwerk

Een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden.

2.26 cultuur en ontspanning

Het al dan niet bedrijfsmatig verrichten van activiteiten gericht op vrijetijdsbesteding, creatieve uitingsvormen, spel en vermaak.

2.27 evenement

Een meerdaags jaarlijks terugkerend en verplaatsbare georganiseerde gebeurtenis die meestal publiek is, maar ook besloten kan zijn.

2.28 geluidzone

Het op grond van de Wet geluidhinder in het bestemmingsplan vastgelegde gebied om een industrieterrein, waarbuiten de geluidsbelasting van dat industrieterrein niet meer mag bedragen dan 50 dB(A).

2.29 gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

2.30 hoofdgebouw

Gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is.

2.31 huishouden

Eén of meer personen die een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren, waarbij sprake is van continuïteit in samenstelling en onderlinge verbondenheid.

2.32 kantoor

Een gebouw, dan wel een ruimte die blijkens zijn indeling en inrichting, dient voor de uitoefening van administratieve werkzaamheden en werkzaamheden die verband houden met het doen functioneren van (semi-)overheidsinstellingen, het bankwezen en naar de aard daarmee gelijk te stellen instellingen/het bedrijfsmatig verlenen van diensten waarbij het afnemers niet of slechts in ondergeschikte mate rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen

2.33 kelder

Onder de begane grondvloer, of, voor zover de begane grondvloer niet overeenkomt met peil, onder peil, aanwezige constructiedeel of -delen worden niet meegerekend voor zover die zijn gelegen binnen de denkbeeldig doorgetrokken buitenwerkse gevelvlakken (en/of harten van de scheidingsmuren) én voor zover niet rechtstreeks buiten de woning bereikbaar via een hellingbaan, trap of soortgelijke toegang.

2.34 maatschappelijke voorzieningen

Culturele, educatieve, medische, sociale en levensbeschouwelijke voorzieningen, voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening, alsook ondergeschikte detailhandel en horeca ten dienste van deze voorzieningen. Hieronder wordt in ieder geval begrepen; kinderopvang en bestaande zorg.

2.35 Omgevingsplanactiviteit bouwwerken

Omgevingsplanactiviteit bestaande uit:

  • a. een bouwactiviteit;
  • b. het in stand houden van een bouwwerk; en
  • c. het gebruiken van het te bouwen bouwwerk.

2.36 onderbouw

Een gedeelte van een gebouw, dat wordt afgedekt door een vloer waarvan de bovenkant minder dan 1,20 m boven het peil is gelegen.

2.37 ondergeschikte functie

De functie die ondersteunend is aan de primaire functie overeenkomstig de planologische bestemming van het hoofdgebouw. Bij een woning zal dat in het merendeel van de gevallen gaan om een garage/berging, bijkeuken, atelier, tuinhuisje, fietsenberging of hobbyruimte.

2.38 overig bouwwerk

Een bouwkundige constructie -geen gebouw zijnde- van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden.

2.39 overkapping

Een bouwwerk dat, voor zover gebouwd vóór (het verlengde van) de voorgevel van een gebouw, geen tot de constructie zelf behorende wanden heeft en, voor zover gebouwd achter (het verlengde van) de voorgevel van een gebouw, maximaal drie wanden heeft waarvan maximaal twee tot de constructie behoren.

2.40 permanente bewoning

Bewoning van een ruimte als hoofdwoonverblijf, waarbij door betrokkene(n) niet aannemelijk is of kan worden gemaakt dat elders daadwerkelijk over een hoofdwoonverblijf wordt beschikt.

2.41 primaire functie

De functie conform de planologische bestemming van het hoofdgebouw, bijvoorbeeld de woning.

2.42 prostitutie

Het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding.

2.43 seksbedrijf

Een inrichting waarin bedrijfsmatig, of in de vorm alsof het bedrijfsmatig is, seksuele handelingen, dan wel in enige vorm erotisch-pornografische werkzaamheden worden uitgevoerd. Hieronder wordt begrepen:

  • a. seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof het bedrijfsmatig is, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elke geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf, waaronder tevens begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar;
  • b. sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin hoofdzakelijk goederen van erotisch-pornografische aard aan particulieren plegen te worden verkocht of verhuurd.

2.44 slopen

Het al dan niet geheel afbreken van gebouwen en andere bouwwerken.

2.45 Staat van Bedrijfsactiviteiten

Een als bijlage bij deze regels behorende en daarvan onderdeel uitmakende lijst van bedrijven en instellingen.

2.46 verbeelding

De analoge en digitale voorstelling van de in het bestemmingsplan opgenomen digitale ruimtelijke informatie.

2.47 verdieping

Een bouwlaag van een gebouw gelegen boven de bouwlaag op de begane grond.

2.48 vloeroppervlak

De totale binnenwerks gemeten oppervlakte van alle voor mensen toegankelijke ruimten binnen een gebouw.

2.49 voorgevel

De naar de openbare weg gekeerde gevel van een gebouw, of,

  • a. indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de gevel die kennelijk als zodanig dient te worden aangemerkt; of
  • b. de gevel ter plaatse van de aanduiding 'gevellijn'.

2.50 voorgevellijn

Denkbeeldige lijn getrokken langs de voorgevel van een hoofdgebouw en het verlengde daarvan.

2.51 woning

Een complex van ruimten bedoeld voor de huisvesting van één huishouden en niet zijnde een woonwagen. Kenmerkend voor de woning is de aanwezigheid van eigen voorzieningen met in ieder geval een eigen toegang, toiletruimte, badruimte en een keuken met kooktoestel.

2.52 wonen

Huisvesting in een woning waarbij de bewoner(s) gezamenlijk één afzonderlijk huishouden vormen.

2.53 zijgevel

Een gevel van een gebouw, die niet een voorgevel of een achtergevel is.

Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen

De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige

toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in m, m² of m³ zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in 3.1 t/m 3.9.

3.1 afstand tot de zijdelingse bouwperceelgrens

de maat tussen de zijdelingse grens van een (bouw)perceel en een bepaald punt van het op dat bouwperceel voorkomend (hoofd)gebouw, waar die afstand het kortst is;

3.2 bebouwd oppervlak van een bouwperceel

de oppervlakte van alle op een bouwperceel aanwezige bouwwerken tezamen;

3.3 bebouwingspercentage

de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen op een bouwperceel, in procenten van de oppervlakte van het bouwperceel;

3.4 bouwhoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

3.5 dakhelling

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;

3.6 goothoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;

3.7 inhoud van een bouwwerk

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

3.8 oppervlakte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;

3.9 oppervlakte van een overkapping

tussen de buitenzijde van de afdekking van de overkapping, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van de overkapping.

Hoofdstuk 2 Functies en activiteiten

Artikel 4 Natuur

4.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als 'Natuur'.

4.2 Toedeling van functies aan locatie

Een als 'Natuur' aangewezen locatie heeft de volgende functies:

  • a. behoud, bescherming en/of herstel van de aanwezige landschappelijke en ecologische waarden;
  • b. behoud, bescherming en/of herstel van de aanwezige droge en natte natuurwaarden;
  • c. behoud, bescherming en/of herstel van de aanwezige cultuurhistorische en archeologische waarden;
  • d. behoud van kleine bosgebieden;
  • e. behoud van landschapselementen;
  • f. instandhouding van de typerende geologie/ geomorfologie;
  • g. verwezenlijking, het behoud en het beheer van een ecologische verbindingszone ter plaatse van de aanduiding 'wro-zone - ecologische verbindingszone';
  • h. gebouwde elementen uit het activiteitenplan, bijgevoegd als bijlage 1;
  • i. water en waterhuishoudkundige doeleinden;
  • j. groenvoorzieningen;
  • k. doeleinden van openbaar nut;

een en ander met bijbehorende voorzieningen, zoals perceelsontsluitingen, onverharde wegen, kavelpaden en sloten.

4.3 Gebruiksactiviteit - verboden
4.3.1 Algemeen

Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet ten dienste staat van de in 4.2 genoemde functies.

4.3.2 Strijdig gebruik

Het is in ieder geval verboden om:

  • a. gronden te gebruiken als standplaats voor kampeermiddelen, waaronder tevens caravans of woonunits ten behoeve van de bewoning door seizoensarbeiders of permanente bewoning;
  • b. gronden te gebruiken als stort- of opslagplaats van al dan niet aan het gebruik onttrokken voorwerpen, stoffen en materialen, behoudens opslag die geschiedt in het kader van de normale bedrijfsvoering;
  • c. gebouwen te gebruiken voor voor de huisvesting van seizoensarbeiders;
  • d. bedrijfsgebouwen (stallen) en bijgebouwen te gebruiken ten behoeve van bewoning;
  • e. recreatiewoningen te gebruiken ten behoeve van permanente bewoning;
  • f. gronden te gebruiken voor de beoefening van lawaaisporten.

4.4 Beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit - bouwwerken
4.4.1 Algemeen
  • a. Bouwen op deze gronden is uitsluitend toegestaan ten behoeve van de in 4.2 genoemde functies;
  • b. Alleen de volgende bouwwerken zijn toegestaan:
    • 1. hoofdgebouwen;
    • 2. bijbehorende bouwwerken;
    • 3. bouwwerken geen gebouwen zijnde;

4.4.2 Beoordelingsregels die voor alle bouwwerken gelden
  • a. Bij de aanvraag voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen dient te worden aangetoond dat het initiatief voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, waarbij getoetst wordt aan de volgende aspecten:
    • 1. stikstof; de stikstofdepositie op Natura2000 gebieden mag niet meer dan 0,00 mol/ha bedragen.
  • b. de maximale bouwdiepte, inclusief de fundering, van ondergrondse bouwwerken binnen de contouren van de bovengrondse bebouwing bedraagt 3 m onder peil.

4.4.3 Beoordelingsregels voor hoofdgebouwen

Hoofdgebouwen voldoen aan de volgende kenmerken:

  • a. Bij de aanvraag voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen dient inzichtelijk te worden gemaakt dat voldoende parkeergelegenheid voor auto's wordt gerealiseerd ten behoeve van deze functie. Voldoende parkeerplaatsen betekent dat wordt voldaan aan de normen in de gemeentelijke beleidsregels behorende bij de 'Nota Parkeerbeleid gemeente Bernheze', vastgesteld op 18 april 2024, of diens rechtsopvolgers. De afmeting van een parkeerplaats dient tenminste 2,5 meter breed en 5 meter lang te zijn.
  • b. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van natuur - open schuur' is een open schuur met een maximale bouwhoogte van 3 meter en een maximale oppervlakte van 20 m² toegestaan.

4.4.4 Beoordelingsregels bouwwerken geen gebouw zijnde

Bouwwerken geen gebouwen zijnde voldoen aan de volgende kenmerken:

  • a. De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde bedraagt maximaal:
erfafscheidingen   1 m.  
paalkasten   6 m.  
overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde   6 m.  

4.4.5 milieuzone - boringsvrije zone

Ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - boringsvrije zone' zijn gronden mede bedoeld voor bescherming van de daarin aanwezige beschermde kleilaag. De regels ter bescherming van de boringsvrije zone, zoals vermeld in de Provinciale omgevingsverordening zijn van toepassing.

4.4.6 overige zone - ecologische verbindingszone

Ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'overige zone - ecologische verbindingszone ' zijn specifieke regels van toepassing die zijn opgenomen bij: 4.2 en 4.4.

4.5 Omgevingsplanactiviteit - werken en/of werkzaamheden
4.5.1 Aanwijzing vergunningsplichtige gevallen

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen gebouwen zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. ter plaatse van de aanduiding 'wro-zone - ecologische verbindingszone' : het aanbrengen van oppervlakteverhardingen of verharde oppervlakten van meer dan 100 m²;
  • b. het afgraven;
  • c. het ophogen;
  • d. het vergraven;
  • e. het diepploegen en -woelen;
  • f. het egaliseren;
  • g. het indrijven van voorwerpen in de grond;
  • h. het aanleggen van drainage;
  • i. het aanleggen van onderbemaling;
  • j. het aanleggen, verbreden of verbeteren van sloten en greppels;
  • k. het dempen van sloten of greppels;
  • l. het dempen van kleine geisoleerde wateren;
  • m. het aanbrengen van oeverbeschoeiingen;
  • n. het rooien van houtgewas;
  • o. het aanplanten van houtgewas (anders dan ten behoeve van een boomkwekerij);
  • p. het omzetten van grasland in bouwland;
  • q. het omzetten van grasland in boomkwekerij of sierteeltgrond;
  • r. het aanbrengen van verhardingen groter dan 200 m²;
  • s. het aanbrengen van verhardingen op wegen en (fiets)paden;
  • t. het aanbrengen van ondergrondse leidingen;
  • u. het gebruik van afdekmaterialen en lage tunnels.

4.5.2 Uitzonderingen

Het in 4.5.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden:

  • a. die betrekking hebben op de uitvoering van het activiteitenplan, zoals opgenomen in bijlage 1;
  • a. die het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen;
  • b. die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan.

4.5.3 Beoordelingsregels omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk

Een in 4.5.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien de werken en/of werkzaamheden dan wel de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen niet in strijd zijn met het plan en/of de aanwezige waarden.

4.5.4 Waarden

Onder de in 4.5.3 genoemde waarden worden verstaan:

  • a. ten aanzien van de in 4.5.1 onder a genoemde werken of werkzaamheden: de waarden van de ecologische verbindingszone voor uitwisseling van flora en fauna tussen natuurgebieden;
  • b. ten aanzien van de in 4.5.1 onder b, c, d, e, f, g, h, i, j, k , m, r, s en t genoemde werken of werkzaamheden: de waarden van de typerende geologie/ geomorfologie zoals tot uitdrukking komend in de aardkundige vorm van het object of gebied (oude stroomgeulen, steilranden etc.), bodemopbouw en instandhouding van de grondwaterstand in klei-of veengebieden;
  • c. ten aanzien van de in 4.5.1 onder b, c, e, r, s en t genoemde werken of werkzaamheden: de natuurwaarden van levensgemeenschappen van natte bossen, bepaald door:
    • 1. continuiteit van boomvormende vegetatie,
    • 2. gemiddeld hoge grondwaterstand,
    • 3. microreliëf,
    • 4. specifieke bodemopbouw,
    • 5. gevarieerde bodemopbouw;
  • d. ten aanzien van de in 4.5.1 onder b, c, e, f, r, s en t genoemde werken of werkzaamheden: de natuurwaarden van levensgemeenschappen van droge heide, bepaald door:
    • 1. gemiddeld lage grondwaterstand,
    • 2. voedselarm,
    • 3. microreliëf,
    • 4. specifieke bodemopbouw;
  • e. ten aanzien van de in 4.5.1 onder n genoemde werken of werkzaamheden: de natuurwaarden van levensgemeenschappen van struwelen en houtwallen, bepaald door:
    • 1. aanwezigheid van een gevarieerde boom-, struik en kruidlaag,
    • 2. microreliëf,
    • 3. (gedeeltelijk) aaneengesloten linten;
  • f. ten aanzien van de in 4.5.1 onder b, f, n, r, s en t genoemde werken of werkzaamheden: de natuurwaarden van levensgemeenschappen van droge bossen, bepaald door:
    • 1. continuiteit van het bos,
    • 2. gemiddeld lage grondwaterstand,
    • 3. microreliëf;
  • g. ten aanzien van de in 4.5.1 onder b, c, d, e, f, h, i, k, m, n, o, q, r, s, t en u genoemde werken of werkzaamheden: de natuurwaarden van levensgemeenschappen van amfibieën, bepaald door:
    • 1. aanwezigheid van poelen met goede kwaliteit,
    • 2. vochtige omgeving,
    • 3. bos/ zandrug in de directe omgeving,
    • 4. verbindingen met sloten en houtwallen;
  • h. ten aanzien van de in 4.5.1 onder n, q, r, s en t genoemde werken of werkzaamheden: de natuurwaarden van dassenleefgebied, bepaald door:
    • 1. gelijkblijvende grondwaterstand,
    • 2. afwisselend landschap met droog bos, lijnvormige elementen, natte graslanden, ontbreken van barrières;
  • i. ten aanzien van de in 4.5.1 onder j, k en n genoemde werken of werkzaamheden: het besloten coulissenlandschap, bepaald door landschappelijke elementen afgewisseld met landbouwgronden in kleine eenheden;
  • j. ten aanzien van de in 4.5.1 onder b, f, j, k, l, n, o, p, q, r, s en t genoemde werken of werkzaamheden: cultuurhistorisch waardevol landgoed, bepaald door de ruimtelijke structuur met:
    • 1. afwisseling tussen bos en landbouwgrond,
    • 2. bomenlanen,
    • 3. houtwallen, zandwegen- en paden.

Artikel 5 Leiding - Water

5.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als 'Leiding - Water'.

5.2 Toedeling van functies aan locatie

Een locatie die is aangewezen als 'Leiding - Water' is met voorrang bestemd voor een hoofdwaterleiding, ten behoeve van het transport van drinkwater; met daarbij behorende leidingzone en overige voorzieningen.

5.3 Beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit - bouwwerken
5.3.1 Algemeen

Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.

5.3.2 Beoordelingsregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het oprichten van bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag de bouwhoogte niet meer dan 2,50 m bedragen.

5.4 Omgevingsplanactiviteit - binnenplans afwijken
5.4.1 Aanwijzing vergunningsplichtige gevallen

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning binnen deze bestemming te bouwen ten dienste van en conform de (basis)bestemming.

5.4.2 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning zoals bedoeld in 5.4.1 wordt alleen verleend indien en voor zover:

  • a. vooraf advies wordt ingewonnen van de beheersinstantie van de in 5.2 bedoelde watergang;
  • b. de beslissing met betrekking tot de omgevingsvergunning aan de beheersinstantie wordt meegedeeld.

5.5 Werken en werkzaamheden - omgevingsplanactiviteit
5.5.1 Aanwijzing vergunningsplichtige gevallen

Het is verboden op of in de gronden als bedoeld in artikel 5.1 zonder of in afwijking van een

omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het ophogen van gronden;
  • b. het aanbrengen van kaden of het wijzigen daarvan.

5.5.2 Uitzonderingen

Het in 5.5.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden:

  • a. die het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen;
  • b. die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit plan.

5.5.3 Beoordelingsregels omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk

De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden wordt slechts verleend indien de werken en/of werkzaamheden, dan wel door de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen niet in strijd zijn met het plan.

Artikel 6 Waterstaat - Beschermingszone watergang

6.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als 'Waterstaat - Beschermingszone watergang'.

6.2 Toedeling van functies aan locatie

Een locatie die is aangewezen als 'Waterstaat - Beschermingszone watergang' heeft als functie bescherming en het onderhoud van de in deze zone gelegen dan wel daaraan grenzende watergang.

6.3 Beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit - bouwwerken

Op de voor 'Waterstaat - Beschermingszone watergang' aangewezen gronden mag niet worden gebouwd.

6.4 Omgevingsplanactiviteit - binnenplans afwijken
6.4.1 Aanwijzing vergunningsplichtige gevallen

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning binnen deze bestemming te bouwen ten dienste van en conform de (basis)bestemming.

6.4.2 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning zoals bedoeld in 6.4.1 wordt alleen verleend indien en voor zover:

  • a. vooraf advies wordt ingewonnen van de beheersinstantie van de in 6.2 bedoelde watergang;
  • b. de beslissing met betrekking tot de omgevingsvergunning aan de beheersinstantie wordt meegedeeld.

6.5 Omgevingsplanactiviteit - werken en/of werkzaamheden
6.5.1 Aanwijzing vergunningsplichtige gevallen

Het is verboden op of in de gronden als bedoeld in artikel 6.1 zonder of in afwijking van een

omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het ophogen van gronden;
  • b. het aanbrengen van kaden of het wijzigen daarvan.

6.5.2 Uitzonderingen

Het in 6.5.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden:

  • a. die het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen;
  • b. die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit plan.

6.5.3 Beoordelingsregels omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk

De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden wordt slechts verleend indien de werken en/of werkzaamheden, dan wel door de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen voor de waterbergend vermogen wordt advies gevraagd aan de beheersinstantie.

Hoofdstuk 3 Algemene regels over functies

Artikel 7 Toepassingsbereik

De regels in dit hoofdstuk gelden in aanvulling op en als dit nader is bepaald in afwijking van de regels in Hoofdstuk 2 van dit TAM-omgevingsplan.

Artikel 8 Aanvraagvereisten

  • a. De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk. In het bijzonder geldt dat:
    • 1. het bepaalde in artikel 22.284 van toepassing is op een aanvraag om omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor werken en werkzaamheden in dit plan; en
    • 2. het bepaalde in 22.286 van toepassing is op een aanvraag om omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit inhoudende een gebruiksactiviteit of een bouwactiviteit in dit plan.
  • b. In aanvulling op het bepaalde onder 1 worden bij de aanvraag om omgevingsvergunning die gegevens en bescheiden overlegd die naar het oordeel van het bevoegde gezag noodzakelijk zijn voor een toets aan de aan de omgevingsvergunning verbonden beoordelingsregels.

Artikel 9 Specifieke beoordelingsregels bouwen

9.1 Algemeen

Bij de beoordeling van het bepaalde ten aanzien van het bouwen in Hoofdstuk 2 van dit

TAM-omgevingsplan worden buiten beschouwing gelaten:

  • a. plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, liftschachten, gevelen kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding niet meer dan 1 m bedraagt.

Artikel 10 Algemene bouwregels

10.1 Omgevingsplanactiviteit - binnenplans afwijken
10.1.1 Aanwijzing vergunningsplichtige gevallen

Een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 22.26, kan in afwijking van het bepaalde in hoofdstuk 2 worden verleend van:

  • a. in het plan genoemde goothoogten, bouwhoogten, oppervlaktematen, percentages en afstandseisen, mits dit noodzakelijk is vanuit constructieve vereisten, architectonisch belang of oogpunt van duurzaamheid, waarbij een overschrijding is toegestaan tot maximaal 10% van de goothoogten, bouwhoogten, oppervlakte- en inhoudsmaten, percentages en afstandseisen;
  • b. de regels en toestaan dat bouwgrenzen worden overschreden, waarbij een geringe mate van afwijking is toegestaan, en deze noodzakelijk is in verband met de uitmeting van het terrein of uit een oogpunt van doelmatig gebruik van de gronden en/of de bebouwing.

10.1.2 Beoordelingsregels

Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10.1.1 kan slechts worden verleend, mits:

  • a. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
  • b. het straat- en bebouwingsbeeld en de verkeersveiligheidsbelangen niet onevenredig worden geschaad;
  • c. De omgevingsvergunning wordt alleen verleend wanneer wordt voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Artikel 11 Algemene gebruiksregels

11.1 Parkeren
  • a. Er dient voldoende parkeergelegenheid voor auto's in stand gehouden te worden ten behoeve van deze functie als bedoeld in 4.1. Voldoende parkeerplaatsen betekent dat wordt voldaan aan de normen in de gemeentelijke beleidsregels behorende bij de 'Nota Parkeerbeleid gemeente Bernheze', vastgesteld op 18 april 2024, of diens rechtsopvolgers;
  • b. de afmeting van een parkeerplaats dient tenminste 2,5 meter breed en 5 meter lang te zijn.

11.2 Hemelwaterberging

Het gebruiken en/of laten gebruiken van de gronden en bouwwerken binnen het plangebied is alleen toegestaan, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

  • a. de ontwikkeling niet leidt tot een versnelde afvoer van het regenwater op het oppervlaktewater;
  • b. de toename van de afvoer van afstromend regenwater gecompenseerd wordt conform de eisen van het waterschap en voorzien is een waterberging met voldoende capaciteit;
  • c. de compensatie tenminste naar evenredigheid van de realisatie van verhardingen gerealiseerd wordt;
  • d. de compensatie in de openbare ruimte tenminste 70 mm per m² verharding bedraagt;
  • e. de compensatie bij particuliere berging 20 mm per m² verharding bedraagt;
  • f. de waterhuishoudkundige voorzieningen welke strekken tot de berging van het hemelwater als opgenomen in de omgevingsvergunning bouwen of de omgevingsvergunning werken en werkzaamheden danwel een voorziening die een daarmee vergelijkbaar resultaat bewerkstelligt, uiterlijk binnen één jaar na de bouw van het project wordt gerealiseerd en in stand gehouden.

11.3 Activiteitenplan

Het gebruiken en/of laten gebruiken van gronden en bouwwerken waarop dit plan van toepassing is, is alleen toegestaan, mits in voldoende mate verzekerd is dat voldaan wordt aan de activiteitenverplichtingen, door het aanleggen en in stand houden van natuur- en landschapselementen, conform het in bijlage 1 opgenomen activiteitenplan.

11.4 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.