direct naar inhoud van Toelichting
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o, Vorstenbosseweg 7 HD
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1721.TAM22o-VG01

Toelichting

Pre-ambule

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie Vorstenbosseweg 7 te Heeswijk-Dinther en vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk TAM22o) van het omgevingsplan van de gemeente Bernheze. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel)

weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk TAM22o van het omgevingsplan van de gemeente Bernheze. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '[TAM22o.]' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage ‘[TAM22o]’ gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Aanleiding en doel

1.1 Aanleiding

Voorliggend plan betreft een wijziging op het omgevingsplan van rechtswege van de gemeente Bernheze met toepassing van een tijdelijke alternatieve maatregel (TAM) ten behoeve van het beëindigen van de intensieve veehouderij aan de Vorstenbosseweg 7 te Heeswijk-Dinther. Daarbij zal de bedrijfswoning omgeschakeld worden naar een burgerwoning en zal de aanwezige bedrijfsbebouwing in zijn geheel gesloopt worden. In ruil daarvoor wordt, passend binnen de regels uit het geldende omgevingsplan, een nieuw bijgebouw bij de woning opgericht.

In het hoofdstuk "Voorgenomen ontwikkeling" (hoofdstuk 3) wordt het initiatief verder toegelicht, daar is ook een situatietekening van de nieuwe situatie opgenomen.

Het initiatief is noodzakelijk om een aantal redenen. Ontwikkelingen in de agrarische sector, en met name in de veehouderij, volgen elkaar in zeer hoog tempo op. De wet- en regelgeving voor veehouderijen wordt steeds strenger, waardoor steeds meer eisen aan veehouderijen worden gesteld op onder andere het gebied van milieu, ammoniak, stikstof, dierwelzijn, gezondheid, duurzaamheid, zorgvuldigheid, milieu, beeldkwaliteit, energie en ruimtelijke kwaliteit. Door deze steeds strengere eisen moeten veehouders steeds vaker forse investeringen doen om aan deze eisen te kunnen blijven voldoen. Het is voor veel veehouders daarom moeilijk om te kunnen blijven bestaan als een duurzaam, volwaardig en rendabel bedrijf met voldoende toekomstperspectief. Voor de initiatiefnemer zijn de investeringen die nodig zijn niet haalbaar en rendabel gebleken op deze locatie. Derhalve is het voor de initiatiefnemer wenselijk de bedrijvigheid op deze locatie te beëindigen.

De Rijksoverheid heeft, met name om maatregelen te treffen om de huidige problematiek rondom stikstof in goede banen te leiden, de subsidieregeling sanering varkenshouderijen (Srv) in het leven geroepen. Vanuit deze regeling kan, als aan de voorwaarden wordt voldaan, voor de beëindiging van een intensieve veehouderij een subsidie worden verkregen. In ruil daarvoor dient, door middel van het herbestemmen van de intensieve veehouderij, te worden geborgd dat ter plaatse geen nieuwe intensieve veehouderij mogelijk kan worden gemaakt. De initiatiefnemer neemt deel aan deze regeling.

De beëindiging van het agrarisch bedrijf en de omschakeling van de bedrijfswoning naar een burgerwoning kunnen mogelijk worden gemaakt op basis van een voormalige wijzigingsbevoegdheid uit het geldende omgevingsplan. De wijzigingsbevoegdheden zijn met de inwerkingtreding van de Omgevingswet echter buitenplanse omgevingsplanactiviteiten (BOPA) geworden. Met een BOPA is het echter niet mogelijk om de intensieve veehouderijbestemming te laten vervallen. Om die reden dient het geldende omgevingsplan te worden gewijzigd.

De gemeente heeft aangegeven in principe medewerking te willen verlenen aan het initiatief, mits hiervoor een wijziging op het omgevingsplan van rechtswege wordt gedaan met toepassing van een tijdelijke alternatieve maatregel (TAM). Daarbij dient dan, omdat dit nog wel een goed toetsingskader biedt, te worden getoetst aan de voorwaarden uit de voormalige wijzigingsbevoegdheid. Daarnaast dient te worden gemotiveerd dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voorliggend document dient als toelichting waarin dit nader wordt getoetst en gemotiveerd.

1.2 Projectgebied

De locatie is gelegen aan de Vorstenbosseweg 7 te Heeswijk-Dinther en ligt ten noordoosten van de kern Heeswijk-Dinther in het landelijk gebied van gemeente Bernheze. De locatie is kadastraal bekend onder gemeente Heeswijk-Dinther, sectie F, nummer 1.382. In de volgende Afbeelding is de topografische ligging van de locatie weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1721.TAM22o-VG01_0001.png"

Uitsnede topografische kaart locatie.
Bron: J.W. van Aalst, www.opentopo.nl.

De omgeving van de locatie bestaat voornamelijk uit een agrarisch landschap bestaande uit voornamelijk landbouwgronden met enkele lijnvormige groenstructuren. De verkavelingsstructuur betreft een gemengde verkaveling met een relatief grootschalige opzet. De onderlinge kavels worden gescheiden door kavelsloten en/of lijnen in het landschap.

In de nabije omgeving van de locatie zijn enkele agrarische bedrijven en burgerwoningen gelegen.

1.3 Het omgevingsplan

Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Vanuit de Omgevingswet moet iedere gemeente een omgevingsplan voor het gehele grondgebied van de gemeente vaststellen. Veel gemeenten hebben echter nog geen nieuw omgevingsplan vast kunnen stellen. Voor de gemeenten die nog geen nieuw omgevingsplan hebben vastgesteld geldt het zogenaamde omgevingsplan van rechtswege. Dit bestaat uit de regels uit verschillende ruimtelijke instrumenten die met de ingang van de Omgevingswet zijn komen te vervallen (zoals bijvoorbeeld bestemmingsplannen en verordeningen) en uit de regels over activiteiten die vanuit de Rijksoverheid gelden (de zogenaamde bruidsschat). De gemeente Bernheze heeft nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld, waarmee het zogenaamde omgevingsplan van rechtswege van toepassing is binnen deze gemeente. Voor het toetsen van nieuwe ontwikkelingen wordt vanuit het omgevingsplan van rechtswege nog getoetst aan het voorheen geldende bestemmingsplan en, waar nodig, aan de aanvullende bepalingen uit de zogenaamde bruidsschat. Dit wordt dan gezien als een toetsing aan het geldende omgevingsplan.

Het voorheen geldende bestemmingsplan betreft het bestemmingsplan "Buitengebied Bernheze" zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 8 oktober 2014. Daarnaast geldt het bepaalde in het voormalige bestemmingsplan 'Vrijkomende Agrarische Bebouwing Bernheze 2018' dat op 18 april 2019 is vastgesteld door de gemeenteraad.

Zoals te zien in de volgende afbeelding zijn ter plaatse de functie 'Agrarisch - Landbouwontwikkelingsgebied' en de waarde 'Waarde - Archeologie 3' toegekend. Tevens zijn ter plaatse de aanduiding 'bouwvlak', de functieaanduiding 'intensieve veehouderij'' en d maatvoeringsaanduiding 'aantal bedrijfswoningen: 1' van toepassing.

afbeelding "i_NL.IMRO.1721.TAM22o-VG01_0002.png"

Uitsnede verbeelding geldend omgevingsplan.
Bron: Regels op de Kaart

1.4 Leeswijzer

Deze toelichting is als volgt opgebouwd:

  • Hoofdstuk 2 gaat in op de huidige situatie ter plaatse van de locatie en bevat een beschrijving van de ruimtelijke situatie zoals momenteel op de locatie aanwezig is.
  • Hoofdstuk 3 gaat in op het gewenste initiatief en bevat een beschrijving van het initiatief, de landschappelijke inpassing en de bijdrage van het initiatief aan de maatschappelijke doelen.
  • Hoofdstuk 4 gaat in op de voorbereiding van het initiatief en beschrijft de genomen stappen die zijn gezet ter voorbereiding van de wijziging van het omgevingsplan.
  • Hoofdstuk 5 gaat in op de toetsing aan het omgevingsplan en bevat de toetsing van het initiatief aan de regels uit het geldende omgevingsplan.
  • Hoofdstuk 6 gaat in op het beleid en de regelgeving en bevat de toetsing van het initiatief aan het beleid van de Rijksoverheid, de provincie, het waterschap en de gemeente.
  • Hoofdstuk 7 gaat in op de aspecten van de fysieke leefomgeving en bevat een toetsing van het initiatief aan de verschillende van belang zijnde regels voor de fysieke leefomgeving en een afweging of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
  • Hoofdstuk 9 gaat in op de uitvoerbaarheid van het initiatief en bevat een beschrijving van de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het initiatief.
  • Hoofdstuk 10 bevat een algehele conclusie en belangenafweging, waarin nader wordt omschreven of met het initiatief sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Hoofdstuk 2 Beschrijving huidige situatie

Momenteel is ter plaatse een volwaardige intensieve veehouderij, zijnde een varkenshouderij gevestigd. Op de locatie rust een vergunning voor het houden van 4.297 gespeende biggen en 640 vleeskalveren. Ter plaatse zijn een bedrijfswoning met een gekoppeld bijgebouw, twee varkensstallen (circa 1.760 m²), twee voormalige varkensstallen (circa 1.650 m²) die dienst doen als vleeskalverstal, een werktuigenloods en diverse overige voorzieningen als voeropslagen, erfverharding, wasplaats en dergelijke aanwezig.

Ter plaatse is een bouwvlak toegekend. Het huidige bouwvlak is ongeveer 1,63 hectare groot. In de volgende afbeelding is een luchtfoto opgenomen van de huidige situatie. Het bouwvlak is daarin rood omlijnd en uitgelicht weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1721.TAM22o-VG01_0003.png"

Luchtfoto huidige situatie ter plaatse.
Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl.

Hoofdstuk 3 Voorgenomen ontwikkeling

3.1 Korte beschrijving aanvraag

De initiatiefnemer is voornemens ter plaatse de intensieve veehouderij in zijn geheel te beëindigen en te saneren. Hiervoor neemt de initiatiefnemer deel aan de subsidieregeling sanering varkenshouderijen (Srv). Het is voor de initiatiefnemer wenselijk de intensieve veehouderij om te schakelen naar een woonbestemming, waarbij de bedrijfswoning omgeschakeld wordt naar een burgerwoning. Daarbij zal de aanwezige bedrijfsbebouwing, ongeveer 3.410 m², worden gesloopt. De beëindiging van de intensieve veehouderij ter plaatse zal een aanzienlijke vermindering van de uitstoot van mogelijk schadelijke stoffen en de milieuhinder tot gevolg hebben, waarmee de omgevingskwaliteit en het woon- en leefklimaat in de omgeving aanzienlijk zal verbeteren.

Bij deelname aan de Srv dient geborgd te worden dat ter plaatse geen nieuwe intensieve veehouderij kan worden gevestigd. De Srv komt echter alleen tegemoet aan de restwaarde van de stallen en niet aan de sloopkosten van de stallen en de procedurekosten voor de omschakeling en herbestemming van de locatie. Het is voor de initiatiefnemer daarom noodzakelijk om op andere wijze nog waarde uit het bedrijf te kunnen halen. Derhalve wenst de initiatiefnemer, naast de omschakeling van het bedrijf naar een burgerwoning, extra m² aan vrijstaande bijgebouwen bij de woning te behouden tot een oppervlakte van maximaal 500 m² aan bijgebouwen. Deze bijgebouwen zullen deels worden ingericht ten behoeve van een aan huis gebonden beroep (maximaal 100 m²). Dit is rechtstreeks toegestaan in het geldende omgevingsplan.

Het huidige bouwvlak zal worden verkleind tot een bij de woonfunctie passende omvang (ongeveer 0,4 hectare).

In de volgende afbeelding is de gewenste situatie in een situatietekening weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1721.TAM22o-VG01_0004.png"

Situatietekening gewenste situatie.
Bron: Van Dooren Landschap.

De twee voormalige varkensstallen, die dienst doen als vleeskalverstal, komen niet voor vergoeding in aanmerking vanuit de Srv. De sloop van het resterende deel van deze stallen wordt bekostigd door deelname aan de regeling Maatwerk met als doel omgevingskwaliteit van de provincie Noord-Brabant, zoals is opgenomen in de provinciale (TAM-)omgevingsverordening. Hiertoe is een overeenkomst gesloten voor het mogelijk maken van de splitsing van een woonboerderij aan de Fokkershoek 21 in Heeswijk-Dinther. In bijlage 2 is berekend op wijze de tegenprestatatie van €125.000 wordt behaald.

3.2 Landschappelijke inpassing

Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang dat de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving niet verloren gaat maar, als mogelijk, juist wordt versterkt. Tevens is vanuit het ruimtelijke beleid een goede landschappelijke inpassing een vereiste.

Om te onderzoeken of het initiatief kan bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving is door een landschapsdeskundige een tekening opgesteld waarop is aangegeven hoe het initiatief landschappelijk zal worden ingepast. Deze tekening is in de volgende afbeelding weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1721.TAM22o-VG01_0005.png"

Tekening landschappelijke inpassing.
Bron: Van Dooren Landschap.

Deze tekening maakt onderdeel uit van een landschappelijk inrichtingsplan dat ten behoeve van het initiatief is opgesteld. In dit landschappelijk inrichtingsplan is opgenomen op welke manier het initiatief landschappelijk wordt ingepast en welke soorten beplanting daarvoor worden toegepast. Voor het gehele landschappelijk inrichtingsplan wordt verwezen naar bijlage 1 van deze toelichting.

Ter plaatse wordt daarmee voorzien in een goede landschappelijke inpassing.

De gemeente Bernheze sluit voor ruimtelijke ontwikkelingen aan bij de regionale uitgangspunten voor toepassen kwaliteitsverbetering van het landschap Noord-Brabant. Daarin wordt onderscheid gemaakt in een drietal categorieën, namelijk:

  • Categorie 1: Deze initiatieven hebben geen impact op de omgeving, of leiden op zichzelf al tot een versterking van het landschap. Geen aanvullende inspanning vereist.
  • Categorie 2: een relatief kleinschalige ontwikkeling met een beperkte impact op de omgeving. Tegenover deze ontwikkeling dient een goede landschappelijke inpassing op basis van een goedgekeurd landschapsplan en borging van uitvoering en beheer te staan.
  • Categorie 3: Deze initiatieven zijn van relatief grote omvang en hebben een grote impact op de omgeving en het landschap. Tegenover deze ontwikkelingen dient een berekende kwaliteitsverbetering te staan; daarbij wordt uitgegaan van een bijdrage van minimaal 20% van de winst die wordt behaald met de functiewijziging (waarde functie plan minus waarde functie nu). Een aanpak waarbij altijd een goede landschappelijke inpassing wordt gevraagd, aangevuld met een berekening op basis van een beargumenteerd vast bedrag per m² en eventuele andere aanvullende maatregelen zoals een sloopverplichting, wordt gezien als gelijkwaardig. Hierover maken gemeente en provincie afspraken.

Een omschakeling van een agrarisch bedrijf naar een burgerwoning wordt gezien als een ontwikkeling in categorie 3. Bij een ontwikkeling in categorie 3 is naast een goede landschappelijke inpassing een aanvullende investering in de ruimtelijke kwaliteit nodig van minimaal 20% van de behaalde winst door de wijziging van de functie.

Op basis van forfaitaire bedragen die de gemeente heeft vastgesteld voor de verschillende functies kan de waarde in de huidige en gewenste situatie bepaald worden. Als er sprake is van een waardevermeerdering dan moet een deel daarvan terug worden geïnvesteerd in het landschap.

In de huidige situatie is sprake van een agrarisch bouwvlak van ongeveer 16.332 m². Daarvan is ongeveer 1.000 m² toegekend aan de agrarische bedrijfswoning. Voor de agrarische bedrijfswoning binnen een bouwvlak geldt een waarde van € 70,- per m². Voor agrarische gronden met bouwvlak, anders dan die voor de bedrijfswoning, geldt een waarde van € 20,- per m². De waarde in de huidige situatie is daarmee als volgt te berekenen:

  • Agrarische bedrijfswoning: 1.000 x € 70,- = € 70.000,-.
  • Agrarische gronden met bouwvlak: 15.332 x € 20,- = € 306.640,-.

Totaal huidige situatie: € 70.000,- + € 306.640,- = € 376.640,-.

In de gewenste situatie is sprake van een burgerwoning met tuin en worden de overige gronden teruggebracht naar agrarische gronden zonder bouwvlak. Daarnaast is sprake van extra m² aan bijgebouwen bij de woning. Voor agrarische gronden zonder bouwvlak geldt een waarde van € 5,50 per m². Voor woningen met tuinen geldt voor de eerste 500 m² een waarde van € 250,- per m², voor de daarop volgende 500 m² (dus 500 tot 1.000 m²) een waarde van € 125,- per m², voor de daarop volgende 1.000 m² (dus 1.000 tot 2.000 m²) een waarde van € 25,- per m² en voor de daarop volgende m² (dus alles boven de 2.000 m²) een waarde van € 10,- per m². Voor een grotere oppervlakte aan bijgebouwen bij de woning boven de 100 m² geldt een waarde van € 35,- per m².

In de gewenste situatie is sprake van een tuin met woning met een totale oppervlakte van ongeveer 3.534 m². Daarnaast is sprake van 500 m² aan bijgebouwen bij de woning, waarbij dus sprake is van 400 m² extra boven de 100 m². De overige gronden, nog ongeveer 12.398 m² worden agrarische gronden zonder bouwvlak. De waarde in de gewenste situatie is daarmee als volgt te berekenen:

  • Woning met tuin en bouwvlak tot 500 m²: 500 x € 250,- = € 125.000,-.
  • Woning met tuin en bouwvlak 500-1.000 m²: 500 x € 125,- = € 62.500,-.
  • Woning met tuin en bouwvlak 1.000-2.000 m²: 1.000 x € 25,- = € 25.000,-.
  • Woning met tuin en bouwvlak boven de 2.000 m²: 1.534 x € 10,- = 15.340,-.
  • Bijgebouw boven de 100 m²: 400 x € 35,- = € 14.000,-.
  • Agrarische gronden zonder bouwvlak: 12.398 x € 5,50 = € 68.189,-.

Totaal gewenste situatie: € 125.000,- + € 62.500,- + € 25.000,- + € 15.340,- + € 14.000,- + € 68.189,- = € 310.029,-.

Met het initiatief is sprake van een waardedaling van € 66.611,-, waarmee al voldoende wordt geïnvesteerd in de ruimtelijke kwaliteit en geen aanvullende investering nodig is. Daarnaast worden de bedrijfsgebouwen gesloopt en wordt voorzien in een goede, bij het gebied passende landschappelijke inpassing, waarmee een aanvullende investering wordt gedaan.

Met het initiatief wordt daarmee voldaan aan de regels voor investering in de ruimtelijke kwaliteit.

3.3 Bijdrage van het plan aan maatschappelijke ambities en doelen

In de Omgevingswet zijn maatschappelijke doelen opgenomen. De Rijksoverheid wil dat wordt bijgedragen aan duurzame ontwikkeling, bewoonbaarheid van het land en bescherming en verbetering van het leefmilieu. Daarvoor wordt ingezet op het bereiken van een balans tussen het beschermen en het benutten van de fysieke leefomgeving. Daarover is in de Omgevingswet het volgende opgenomen:

  • beschermen: het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit.
  • benutten: het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving om er maatschappelijke behoeften mee te vervullen.

Het is dus belangrijk dat met een nieuwe ontwikkeling rekening wordt gehouden met de fysieke leefomgeving en de omgevingskwaliteit. Er moet daarbij sprake zijn van een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen. Daarbij moet worden gelet op de onderlinge verhoudingen tussen onderdelen van de fysieke leefomgeving en de mogelijke gevolgen van activiteiten op de leefomgeving.

3.3.1 Gezonde leefomgeving

Met het initiatief wordt een intensieve veehouderij beëindigd en omgeschakeld naar een burgerwoning. Daarbij komen de emissies van de intensieve veehouderij in zijn geheel te vervallen, waardoor de emissies van geur, ammoniak, fijnstof, geluid, broeikasgassen, zoönosen en eventuele ziektekiemen in de omgeving aanzienlijk zullen afnemen.

Het initiatief draagt daarmee bij aan een verbetering van het woon- en leefklimaat in de omgeving en daarmee aan een meer veilige en gezonde fysieke leefomgeving.

3.3.2 Klimaatbestendig en biodiversiteit

Met de beëindiging van de intensieve veehouderij zal de uitstoot van broeikasgassen aanzienlijk afnemen. De gehouden varkens en vleeskalveren hebben een grote emissie van broeikasgassen. Daarnaast is het van belang dat de stallen op de juiste temperatuur worden gehouden, waardoor er met name in de koudere maanden flink gestookt moet worden. Ook dit leidt tot een grote emissie van broeikasgassen.

Met het initiatief wordt de intensieve veehouderij in zijn geheel beëindigd. Er worden geen dieren meer gehouden, waardoor de emissie van broeikasgassen vanuit de gehouden dieren in zijn geheel komt te vervallen. Daarnaast is er in de gewenste situatie geen sprake meer van stallen die op temperatuur gehouden moeten worden, waardoor er aanzienlijk minder hoeft te worden gestookt. Ook de uitstoot van broeikasgassen door het verwarmen van de stallen komt in zijn geheel te vervallen. Het initiatief draagt daarmee bij aan de klimaatdoelstellingen.

Het nieuwe bijgebouw bij de woning wordt opgericht volgens de huidige eisen ten aanzien van duurzaamheid en energie. Daarbij wordt dit goed geïsoleerd. Daarnaast wordt ter plaatse voorzien in voldoende waterberging om hemelwater te kunnen opvangen bij maatgevende buien. Verder wordt, zoals nader omschreven in de paragraaf "Klimaatadaptatie" (paragraaf 7.6), voldoende rekening gehouden met klimaatadaptatie.

Het initiatief zal, zoals nader omschreven in de paragraaf "Groen en natuur" (paragraaf 7.9), geen nadelige effecten hebben op het groen en de natuur en daarmee niet leiden tot een mogelijke aantasting van de biodiversiteit. Ten behoeve van het initiatief wordt daarnaast voorzien in een goede, bij het gebied passende landschappelijke inpassing (zie bijlage 1 bij deze toelichting). Daarbij worden nieuwe groene, landschappelijke elementen aangelegd. Dit draagt bij aan een versterking van de biodiversiteit in het gebied.

Het initiatief draagt daarmee bij aan de klimaatbestendigheid en de biodiversiteit in de omgeving.

3.3.3 Kwaliteit landschap & erfgoed

Met het initiatief wordt voormalige agrarische bedrijfsbebouwing gesloopt. Dit draagt bij aan een versterking van de ruimtelijke kwaliteit en beeldkwaliteit in de omgeving. Er wordt een nieuw bijgebouw bij de woning opgericht, maar de oppervlakte daarvan is aanzienlijk kleiner dan die van de te slopen gebouwen. Het bebouwd oppervlak neemt daarmee af op de locatie, waarmee wordt bijgedragen aan de ontstening van het buitengebied.

Daarnaast wordt ten behoeve van het initiatief voorzien in een goede, bij het gebied passende landschappelijke inpassing. Dit draagt bij aan de versterking van de kwaliteiten van het landschap waarin de locatie is gelegen.

Zoals nader omschreven in de paragraaf "Cultuurhistorie" (paragraaf 7.13) zal het initiatief geen nadelige gevolgen hebben voor het erfgoed in de omgeving.

Het initiatief zal daarmee bijdragen aan de kwaliteit van het landschap en het erfgoed.

Hoofdstuk 4 Voorbereiding

4.1 Vooroverleg met de gemeente (intake- en omgevingstafel)

Zoals al eerder omschreven in de inleiding van deze toelichting is het voor de initiatiefnemer om meerdere redenen noodzakelijk om op de locatie het initiatief mogelijk te maken. Hiervoor heeft eerst een vooroverleg met de gemeente plaatsgevonden. Daarbij is eerst een verzoek bij de gemeente ingediend om mee te werken met het initiatief. In dat verzoek is uitgebreid omschreven waarom het initiatief wenselijk of noodzakelijk is en wat het initiatief precies inhoudt. Het ingediende verzoek is door de gemeente behandeld op de zogenaamde “intaketafel” en/of “omgevingstafel”, waarbij de gemeente het verzoek op verschillende vakgebieden uitgebreid heeft beoordeeld.

Na het vooroverleg met de gemeente heeft de gemeente aangegeven in principe medewerking te willen verlenen met de wijziging van het omgevingsplan, mits de mogelijke effecten van het initiatief op de fysieke leefomgeving goed zijn afgewogen. Deze toelichting dient als motivatie van deze afweging.

Omdat het traject voor het wijzigen van de functie op de locatie al in gang is gezet voor de inwerkingtreding van de Omgevingwet is in de eerste instantie ingestoken op een wijziging van het destijds geldende bestemmingsplan met toepassing van een daarin opgenomen wijzigingsbevoegdheid. Omdat de wijzigingsbevoegdheden met de inwerkingtreding van de Omgevingswet echter zijn komen te vervallen kan hieraan echter geen toepassing meer worden gegeven.

Gedurende de procedure voor de wijziging van het destijds geldende bestemmingsplan is gebleken dat door de beoordeling van de stukken en de lange proceduretijd de termijn van het in procedure brengen van het plan onder het voormalige recht (de Wet ruimtelijke ordening) niet haalbaar was. Derhalve is met de gemeente in overleg getreden over de te volgen procedure onder de Omgevingswet. Omdat ter plaatse de functie en het bouwvlak gewijzigd dienen te worden kan het initiatief formeel niet met een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) mogelijk worden gemaakt. Daarom is in feite een wijziging van het omgevingsplan nodig. Omdat de gemeente Bernheze nog geen nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld kan het omgevingsplan nog niet worden gewijzigd. Wel is sprake van een "omgevingsplan van rechtswege" dat wel kan worden gewijzigd. In zorgvuldig overleg met de gemeente kan dit met toepassing van een zogenaamde tijdelijke alternatieve maatregel (TAM), waarbij het TAM-omgevingsplan wordt voorbereid in afstemming op de systematiek van de Omgevingswet, maar nog wordt gepubliceerd onder de voorheen gebruikte technieken vanuit de Wet ruimtelijke ordening.

4.2 Participatie omgeving

Participatie, of met andere woorden het betrekken van anderen bij het initiatief, is een belangrijk onderdeel van de Omgevingswet. Bij een nieuwe ontwikkeling is het belangrijk dat belangen van anderen die met die ontwikkeling te maken kunnen hebben, zoals bijvoorbeeld de buren, mee worden genomen in de afweging van het initiatief. De participatie moet in een vroeg stadium worden uitgevoerd, zodat op tijd alle belangen en meningen op tafel komen te liggen. Daarmee kan worden voorkomen dat er laat in het traject nog zaken op tafel komen die ingrijpende gevolgen kunnen hebben voor de ontwikkeling.

Ten behoeve van het initiatief heeft een dialoog met de omgeving plaatsgevonden. Initiatiefnemer heeft met de bewoners van de Vorstenbosseweg 6a en 6b persoonlijk contact gehad over de voorgenomen wijziging van het omgevingsplan. Vanuit de gehouden dialoog met de omgeving is als aandachtspunt de ontwikkelingsmogelijkheden van de bedrijfsvoering van de veehouderijbedrijven aan de Vorstenbosseweg 6a en 6b naar voren gekomen. Zij hebben beiden aangegeven dat zij geen probleem hebben met de plannen als zij er zelf niet door belemmerd worden. De ontwikkelingsmogelijkheden van de omliggende bedrijven zijn als toetsingskader meegenomen bij de verdere uitwerking en motivering van de plannen.

Hoofdstuk 5 Toetsing aan het omgevingsplan

In artikel 4.9.1, onder g, van het voormalige bestemmingsplan "Vrijkomende Agrarische bebouwing Bernheze 2018" (dat deel uitmaakt van het geldende omgevingsplan van rechtswege) is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om een agrarisch bedrijf ter plaatse van de functie 'Agrarisch - Landbouwontwikkelingsgebied' te beëindigen en de functie te wijzigen in de functie 'Wonen'. Daarmee kan de gewenste beëindiging van het bedrijf en de omschakeling daarvan naar een burgerwoning mogelijk worden gemaakt.

Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de wijzigingsbevoegdheden uit de voormalige bestemmingsplannen echter veranderd naar een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, waardoor daar geen toepassing meer aan kan worden gegeven. De betreffende voormalige wijzigingsbevoegdheid biedt echter wel een goed toetsingskader voor het gewenste initiatief, waardoor er alsnog aan de voorwaarden daaruit is getoetst.

De betreffende voormalige wijzigingsbevoegdheid luidt als volgt:

"Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen en:

(...)

g. het functietype 'agrarisch bedrijf', 'agrarisch verwant bedrijf' of het functietype 'bedrijf', wijzigen in het functietype 'wonen', onder de voorwaarden dat:

  • 1. ter plaatse alle bedrijfsactiviteiten zijn beëindigd;
  • 2. géén sprake is van een duurzame locatie intensieve veehouderij;
  • 3. het aantal woningen niet toeneemt;
  • 4. sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat;
  • 5. uit een ingesteld bodemonderzoek is gebleken dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik;
  • 6. de regels in artikelen 3.2.7 en 29.2 in acht genomen worden;
  • 7. sprake is van een goede ruimtelijke uitstraling;
  • 8. een planschade verhaalovereenkomst met de gemeente wordt aangegaan;
  • 9. op gronden gelegen ter plaatse van de aanduiding 'groenblauwe mantel' de wijziging uitsluitend is toegestaan, indien een positieve bijdrage wordt geleverd aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische, hydrologische en landschappelijke waarden en kenmerken;
  • 10. de wijziging gepaard gaat met een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap, of cultuurhistorie of van extensieve recreatieve mogelijkheden van het plangebied."

Ad. 1:

Het bedrijf wordt in zijn geheel beëindigd en gesaneerd. Vanuit de subsidieregeling sanering varkenshouderijen (Srv) geldt eveneens de voorwaarde dat geborgd moet worden dat ter plaatse geen nieuwe intensieve veehouderij meer gevestigd kan worden. Met de voorgenomen functiewijziging naar een burgerwoning is dit in voldoende mate geborgd en is daarnaast geborgd dat geen agrarische bedrijvigheid meer kan plaatsvinden.

Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan.

Ad. 2:

Met de subsidieregeling sanering varkenshouderijen (Srv) is beoogd om varkenshouderijbedrijven die geuroverlast veroorzaken op geurgevoelige objecten van derden, zoals burgerwoningen, te saneren. Eén van de voorwaarden was dan ook dat er sprake moest zijn van een drempelwaarde voor de geurbelasting. Deze drempelwaarde werd door onderhavig bedrijf overschreden, waardoor er geen sprake kan zijn van een duurzame locatie intensieve veehouderij.

Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan.

Ad. 3:

De bestaande bedrijfswoning wordt omgeschakeld naar een burgerwoning. Deze woning wordt niet gesplitst in meerdere wooneenheden. Ook wordt er geen extra woning opgericht. Er is daarmee geen sprake van een toename van het aantal woningen.

Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan.

Ad. 4:

Zoals nader omschreven in het hoofdstuk "Aspecten fysieke leefomgeving" (hoofdstuk 7) is op elk van de milieuaspecten ter plaatse sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan.

Ad. 5:

Zoals nader omschreven in de paragraaf "Bodemkwaliteit" (paragraaf 7.11) is een bodemonderzoek uitgevoerd. Uit dit onderzoek, zoals is opgenomen als bijlage 5 bij deze toelichting, blijkt dat geen sprake zal zijn van mogelijke belemmeringen ten aanzien van bodem voor de gewenste woonfunctie.

Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan.

Ad. 6:

In artikel 3.2.7 staan de bouwregels opgenomen voor het functietype 'wonen'. Voor de uitbreiding van het oppervlakte bijgebouwen is mogelijk een omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen nodig, afhankelijk van de bouwhoogte. Op grond van artikel 4.4.1 van het geldende omgevingsplan mag, zoals verderop in deze paragraaf verder is uitgewerkt, de oppervlakte aan bijgebouwen uitgebreid worden tot 500 m². Middels TAM-omgevingsplan wordt een maximale oppervlakte aan bijgebouwen van 500 m² mogelijk gemaakt.

Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan.

Ad. 7:

Met het initiatief wordt een intensieve veehouderij in zijn geheel beëindigd en gesaneerd. Daarbij zal een grote oppervlakte (ongeveer 3.410 m²) aan voormalige agrarische bedrijfsbebouwing worden gesloopt. Dit komt ten goede van de beeldkwaliteit en de ruimtelijke uitstraling op de locatie.

Daarnaast is, zoals nader omschreven in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 3.2), door een landschapsdeskundige ten behoeve van het initiatief een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld (zie bijlage 1 bij deze toelichting), waarin een goede landschappelijke en stedenbouwkundige inpassing van de locatie is opgenomen. Daarmee wordt een bijdrage geleverd aan de ruimtelijke kwaliteit in de omgeving.

Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan.

Ad. 8:

Met de gemeente is een overeenkomst gesloten met betrekking tot planschade en het verhalen van de eventuele kosten.

Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan.

Ad. 9:

De locatie is niet gelegen op gronden met de aanduiding 'groenblauwe mantel'. Het gestelde in dit lid is daarmee niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling.

Ad. 10:

Met het initiatief wordt een intensieve veehouderij in zijn geheel beëindigd en gesaneerd. Een intensieve veehouderij heeft een grote uitstoot van geur, fijnstof, ammoniak, geluid en mogelijke ziektekiemen en zoönosen. Daarnaast heeft een intensieve veehouderij een grote energiebehoefte en stoot het broeikasgassen uit. Met de beëindiging van de intensieve veehouderij zal de uitstoot van geur, fijnstof, ammoniak, geluid en mogelijke ziektekiemen en zoönosen in zijn geheel komen te vervallen. Tevens zal de energiebehoefte aanzienlijk afnemen en zal nagenoeg geen sprake meer zijn van de uitstoot van broeikasgassen. Hiermee zal de omgevingskwaliteit en het woon- en leefklimaat in de omgeving aanzienlijk verbeteren en zal sprake zijn van een aanzienlijk verbeterde situatie op beschermde natuurgebieden.

Daarnaast is, zoals nader omschreven in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 3.2), door een landschapsdeskundige ten behoeve van het initiatief een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld (zie bijlage 1 bij deze toelichting), waarin een goede landschappelijke en stedenbouwkundige inpassing van de locatie is opgenomen. Daarmee wordt een bijdrage geleverd aan de ruimtelijke kwaliteit in de omgeving.

Tevens zal het waterverbruik aanzienlijk afnemen met de beëindiging van de intensieve veehouderij en is geen sprake meer van het produceren van meststoffen die in de bodem en/of het (grond)water kunnen lekken. Daarmee is eveneens sprake van een aanzienlijke verbetering voor de bodem en de waterhuishouding ter plaatse.

Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan.

Zoals blijkt uit het voorgaande kan met het initiatief worden voldaan aan de in de voormalige wijzigingsbevoegdheid opgenomen voorwaarden. Daarmee wordt het initiatief als voorstelbaar beschouwd.

Verder is het wenselijk om een grotere oppervlakte aan bijgebouwen bij de om te schakelen woning te behouden. Voor de uitoefening van een beroep aan huis en voor het voldoende ruimte blijven behouden voor opslag en stalling van machines en materialen die nog worden gebruikt voor het onderhoud van het erf is het wenselijk om maximaal 500 m² aan bijgebouwen bij de woning te behouden. In artikel 4.2.2, onder b van het geldende omgevingsplan is opgenomen dat de maximale oppervlakte aan bijgebouwen bij de woning 100 m² mag bedragen. In artikel 4.4.1 van het voormalige bestemmingsplan "Buitengebied Bernheze" is opgenomen dat in geval van sloop van overtollige bebouwing (overmaat) maximaal 25% van het te slopen oppervlak mag worden vervangen tot een maximum oppervlakte van 200 m².

In artikel 4.4.1 van het voormalige bestemmingsplan "Vrijkomende Agrarische bebouwing Bernheze 2018" is echter opgenomen dat artikel 4.4.1, onder b van het voormalige bestemmingsplan "Buitengebied Bernheze" wordt vervangen door de volgende bepaling:

"het bepaalde in 4.2 voor een gezamenlijke oppervlakte van vrijstaande bijgebouwen van maximaal 100 m². In geval van sloop van overtollige bebouwing (overmaat) mag maximaal 75% van het te slopen oppervlak worden vervangen tot een maximum oppervlakte van 500 m²."

Op basis van het geldende omgevingsplan mag, in ruil voor sloop van voldoende overtollige bebouwing maximaal 500 m² aan bijgebouwen bij de woning mag worden behouden.

In totaal wordt er 3280 m2 gesloopt waarvan 1773 m2 wordt ingezet voor de regeling maatwerk met als doel omgevingskwaliteit. De overige 1507 m2 is beschikbaar voor de realisatie voor het gewenste bijgebouw.

Om het gewenste bijgebouw van maximaal 500 m2 mogelijk te maken moet er tenminste (500-100)/75*100 = 533 m2 gesloopt worden om een groter bijgebouw toe te kunnen staan. Aan deze voorwaarde wordt voldaan.

Het initiatief past, omdat geen toepassing meer kan worden gegeven, niet rechtstreeks binnen de bepalingen uit het geldende omgevingsplan. Om deze reden is het noodzakelijk het omgevingsplan voor deze locatie te wijzigen. De gemeente heeft aangegeven in principe medewerking te willen verlenen, mits wordt aangetoond dat het initiatief niet zal leiden tot bezwaren ten aanzien van de fysieke leefomgeving. Middels voorliggende toelichting wordt het initiatief nader gemotiveerd en wordt aangetoond dat deze niet zal leiden tot onevenredige bezwaren op het gebied van de fysieke leefomgeving.

Hoofdstuk 6 Beleid en regelgeving

6.1 Rijksbeleid en Rijksregels

6.1.1 Nationale omgevingsvisie

Op 11 september 2020 heeft de Rijksoverheid de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI is de visie voor de lange termijn van de Rijksoverheid op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de duurzame leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting door strategische keuzes te maken. Ook maakt de NOVI ruimte voor maatwerk in de regio en werkt gebiedsgericht, dat wil zeggen bij de aanpak van de opgaven worden de kenmerken van het gebied als uitgangspunt genomen.

Met de Nationale omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Om dit te kunnen bewerkstelligen laat het Rijk de inrichting van de fysieke leefomgeving meer over aan de decentrale overheden en komt de gebruiker centraal te staan.

Het Rijk blijft verantwoordelijk voor het systeem de fysieke leefomgeving. Daarnaast kan een rijksverantwoordelijkheid aan de orde zijn indien:

  • een onderwerp nationale baten en/of lasten heeft en de doorzettingsmacht van provincies en gemeenten overstijgt, bijvoorbeeld het reserveren van ruimte voor militaire activiteiten en het stellen van opgaven in de stedelijke regio's rondom de mainports, brainports, greenports en valleys;
  • over een onderwerp internationale verplichtingen of afspraken zijn aangegaan, bijvoorbeeld het stimuleren van biodiversiteit, duurzame energie, watersysteemherstel of het beschermen van werelderfgoed;
  • een onderwerp provincie- of landsgrensoverschrijdend is een ofwel een hoog afwentelrisico kent ofwel in beheer bij het Rijk is. Bij dit laatste gaat het bijvoorbeeld om de hoofdnetten van weg, spoor, water en energie, maar ook de bescherming van gezondheid van inwoners is op rijksniveau relevant.

Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:

  • 1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie
  • 2. duurzaam economisch groeipotentieel
  • 3. sterke en gezonde steden en regio's
  • 4. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is om combinaties te maken en win-win situaties te creëren, dit is echter niet altijd mogelijk. In die gevallen dienen belangen te worden afgewogen. Hiervoor gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:

  • 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies te vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI zoeken we naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte.
  • 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere.
  • 3. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze samenleving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties.

Zo lang geen sprake is van een nationaal belang en zo lang de ambities van de Rijksoverheid niet worden tegengewerkt wordt de beoordeling en uitvoering van ontwikkelingen zoveel mogelijk aan provincies en gemeenten gegeven en is er geen sprake van een ontwikkeling in strijd met de NOVI.

Het initiatief is kleinschalig van aard en heeft geen gevolgen voor de nationale belangen die zijn opgenomen in de NOVI en werkt de ambities van de Rijksoverheid niet tegen. Het initiatief is daarom niet in strijd met de nationale belangen zoals zijn opgenomen in de Nationale Omgevingsvisie van de Rijksoverheid.

6.1.2 Besluit kwaliteit leefomgeving

Op 3 juli 2018 heeft de Rijksoverheid het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) vastgesteld. Met ingang van de Omgevingswet op 1 januari 2024 is ook het Bkl in werking getreden. Het Bkl is één van de vier Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB's) die verdere invulling geven aan de Omgevingswet. In het Bkl zijn inhoudelijke normen voor gemeenten, provincies, waterschappen en de Rijksoverheid opgenomen voor het behalen van de nationale doelstellingen en het voldoen aan de internationale verplichtingen.

Het Bkl bestaat uit instructieregels (voor programma's, omgevingsplannen, omgevingsverordeningen, waterschapsverordeningen en projectbesluiten), omgevingswaarden, regels voor omgevingsvergunningen en regels over monitoring en informatie. Provincies, gemeenten en waterschappen dienen de regels uit het Bkl door te vertalen in hun beleid. Een verdere toetsing aan de normen uit het Bkl vindt dan ook plaats bij de toetsing aan het beleid van de provincie, het waterschap en de gemeente en bij de toetsing aan de aspecten van de fysieke leefomgeving.

6.2 Provinciaal beleid en provinciale regels

6.2.1 Provinciale omgevingsvisie

De provincie Noord-Brabant heeft, in het kader van de naderende Omgevingswet, een nieuwe Omgevingsvisie opgesteld waarin de provinciale beleidsuitgangspunten uiteen worden gezet. De Omgevingsvisie is op 14 december 2018 vastgesteld. De beleidsuitgangspunten uit de Omgevingsvisie zijn niet juridisch bindend, maar zijn wel de basis van het ruimtelijke beleid.

De Omgevingsvisie gaat over twee vragen:

  • Hoe moet de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit zien?
  • Wat moet in 2030 voor elkaar zijn om dat toekomstperspectief te verwezenlijken?

De doelstelling die Noord-Brabant heeft voor 2050 is dat zij in dat jaar welvarend, verbonden en klimaatproof zijn.

De welvaart wil de provincie bereiken door te investeren in een gezonde en sterke concurrentiepositie door het goede vestigingsklimaat voor bedrijven en kenniswerkers, maar ook door de voortrekkersrol in de transitie naar een innovatieve en duurzame economie. De provincie ziet welvaart niet alleen als economische bestaanszekerheid, maar ook als geluk, gezondheid en veiligheid van mensen. In dat kader stelt de provincie dat in 2050 bestaande problemen in de fysieke leefomgeving zijn opgelost en dat het robuuste natuurnetwerk uitstekend functioneert.

Dankzij investeringen in natuur, verdrogingsbestrijding, bodem, waterkwaliteit, een groene (natuurrijke) inrichting van woon- en werkgebieden en het terugdringen van emissies uit landbouw en industrie wil de provincie zowel de menselijke leefomgeving als die voor flora en fauna verbeteren. Dit leidt tot een goed welbevinden en een grote soortenrijkdom.

Voor wat betreft de verbondenheid is het streven van de provincie dat Brabant de centrale ligging uitstekend weet te benutten door goede verbindingen op zowel fysiek als op sociaal-maatschappelijk (digitaal) gebied. Daarbij is een van de doelen dat de logistieke bedrijvigheid nog steeds een topsector is, maar dan op een schonere en slimmere manier.

Daarnaast bieden nog zichtbare historische waarden, erfgoed en landschappelijke verscheidenheid een verbinding met het verleden. Deze elementen dienen te blijven behouden voor een aantrekkelijke omgeving als uitloopgebied voor de inwoners van steden en dorpen en voor recreatie.

Met betrekking tot het streven klimaatproof te zijn wil de provincie in 2050 geheel energieneutraal zijn. Dit willen zij bereiken door alleen nog duurzame energie te gebruiken. Daarnaast wil de provincie verdere klimaatverandering tegengaan door de uitstoot van koolstofdioxide en de uitstoot van methaan uit de landbouw fors terug te dringen.

Daarnaast wil de provincie goed om kunnen gaan met de klimaatverandering en de effecten daarvan. Hierbij staat duurzaam, gezond en klimaatbestendigd bouwen centraal. Daarnaast dient voldoende ruimte beschikbaar te zijn om water op te vangen en vast te houden in tijden van droogte en om wateroverlast te voorkomen.

Op basis van deze doelstellingen heeft de provincie vier hoofdopgaven geformuleerd:

  • Werken aan de Brabantse energietransitie;
  • Werken aan een klimaatproof Brabant;
  • Werken aan de slimme netwerkstad;
  • Werken aan een concurrerende, duurzame economie.

Deze opgaven worden niet los van elkaar gezien, maar zijn vanuit de basis met elkaar verbonden. Hierbij wordt gekeken vanuit een gebiedsspecifieke benadering om de kansen en bedreigingen van de opgaven te benoemen en rekening te houden met de kansen vanuit andere hoofdopgaven.

In de omgevingsvisie zijn geen specifieke beleidsuitgangspunten opgenomen ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling. Wel is van belang dat op duurzame wijze wordt ontwikkeld en dat rekening wordt gehouden met klimaatsveranderingen bij ruimtelijke ontwikkelingen. Met name voor bedrijventerreinen liggen grote kansen voor klimaatadaptatie en energietransitie.

Bij de gewenste ontwikkeling is, zoals nader aangetoond in de paragraaf "Milieu" (paragraaf 7.10), geen sprake van onevenredige belemmeringen ten aanzien van milieu. Het woon- en leefklimaat van de omgeving zal met de voorgenomen ontwikkeling , door de beëindiging van de intensieve veehouderij, (aanzienlijk) verbeteren. Dit draagt bij aan de omgevingskwaliteit en een duurzame leefomgeving. Daarnaast zal de energiebehoefte van de te herontwikkelen bedrijfslocatie aanzienlijk afnemen. Dit draagt bij aan de energie- en klimaatdoelstellingen.

Ten slotte is, zoals nader omschreven in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 3.2) ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling door een landschapsdeskundige een landschappelijk inrichtingsplan gemaakt (zie bijlage 1 van deze toelichting), waarin een goede landschappelijke inpassing van de locatie is opgenomen. Dit draagt bij aan de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en omgevingskwaliteit van de omgeving.

Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de doelstellingen zoals zijn verwoord in de Omgevingsvisie Noord-Brabant van de provincie Noord-Brabant.

6.2.2 Provinciale omgevingsverordening

Op 5 december 2023 heeft de provincie Noord-Brabant de Omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld met toepassing van een tijdelijke algemene maatregel (TAM). Daarmee hebben zij de omgevingsverordening, zoals eerder vastgesteld op 11 maart 2022, in overeenstemming gebracht met de Omgevingswet. Voor publicatie in het digitaal stelsel Omgevingswet (DSO) heeft de provincie per 1 januari 2024, met de inwerkingtreding van de Omgevingswet, de Omgevingsverordening Noord-Brabant gepubliceerd. Daarin wordt voor de actuele regels en geometrie verwezen naar de TAM-Omgevingsverordening. Voor toetsing aan de regels van het provinciale beleid is daarom de TAM-versie van de Omgevingsverordening leidend.

Met het initiatief is sprake van de beëindiging van een intensieve veehouderij, waarbij de voormalige bedrijfswoning wordt omgeschakeld naar een burgerwoning.

In de omgevingsverordening zijn specifieke regels opgenomen voor bepaalde initiatieven. Daarnaast zijn in de omgevingsverordening algemene regels opgenomen die gelden voor alle initiatieven. In deze toelichting is aan zowel de specifieke als de algemene regels van de omgevingsverordening getoetst.

6.2.2.1 Specifieke regels ten aanzien van het initiatief

In de omgevingsverordening zijn specifieke regels opgenomen voor gebieden die daarin nader zijn aangewezen. Vanuit de omgevingsverordening is de locatie gelegen in een gebied dat is aangewezen als 'diep grondwaterlichaam', 'geen attentiezone waterhuishouding', 'beperking grootschalige logistiek', 'norm wateroverlast buiten stedelijk gebied', 'stalderingsgebied' en 'landelijk gebied'.

Gebied 'diep grondwaterlichaam':

Voor gebieden met de aanduiding 'diep grondwaterlichaam' geldt een verbod op het uitvoeren van onconventionele winning van koolwaterstoffen. Daarvan is met het initiatief geen sprake, waarmee de aanvullende regels voor deze gebieden niet van toepassing zijn op het initiatief.

Gebied 'geen attentiezone waterhuishouding':

Voor deze gebieden zijn in de omgevingsverordening geen aanvullende regels opgenomen.

Gebied 'beperking grootschalige logistiek':

Voor gebieden met de aanduiding 'beperking grootschalige logistiek' gelden aanvullende regels voor grootschalige logistiek. Er is met het initiatief geen sprake van grootschalige logistiek, waarmee de aanvullende regels voor deze gebieden niet van toepassing zijn op het initiatief.

Gebied 'norm wateroverlast buiten stedelijk gebied':

Voor gebieden met de aanduiding 'norm wateroverlast buiten stedelijk gebied' gelden aanvullende regels voor regionale wateren. Daarvan is bij het initiatief geen sprake, waarmee de aanvullende regels voor deze gebieden niet van toepassing zijn op het initiatief.

Gebied 'stalderingsgebied':

Binnen de gebieden met de aanduiding 'stalderingsgebied' gelden aanvullende regels voor een veehouderij waarop hokdieren worden gehouden. Met het initiatief is geen sprake van de ontwikkeling van een veehouderij waarop hokdieren worden gehouden. Er wordt juist een intensieve veehouderij beëindigd, waarmee de aanvullende regels voor stalderingsgebieden niet van toepassing zijn op het initiatief.

Gebied 'landelijk gebied':

Binnen het gebied 'landelijk gebied' gelden specifieke regels voor verschillende soorten initiatieven. Voor wonen in het landelijk gebied zijn in artikel 5.77 van de omgevingsverordening specifieke regels opgenomen. Deze luiden als volgt:

" Artikel 5.77 Wonen

Lid 1

Een omgevingsplan ter plaatse van Landelijk gebied:

  • a. bepaalt dat een toename van het aantal woningen is verboden;
  • b. bepaalt dat zelfstandige bewoning van bedrijfsgebouwen, recreatiewoningen en andere niet voor bewoning bestemde gebouwen is uitgesloten;
  • c. kan een andere gebruiksactiviteit dan wonen toestaan bij een woning als:
    • 1. dit past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied, als bedoeld in Artikel 5.12;
    • 2. dit past binnen de voorwaarden die voor die gebruiksactiviteit zijn opgenomen in dit hoofdstuk; en
    • 3. bij het toelaten van een bouwactiviteit, elders een gelijkwaardige oppervlakte aan gebouwen, feitelijk en juridisch, is gesloopt.

Lid 2

In afwijking van het eerste lid, onder a, is een toename van het aantal burgerwoningen mogelijk als dit past binnen de ontwikkelingsrichting van een gebied, bedoeld in Artikel 5.12, en in de volgende gevallen:

  • a. de woningen worden gerealiseerd met toepassing van Artikel 5.14 of Afdeling 5.5;
  • b. het de omzetting van een voormalige bedrijfswoning naar burgerwoning betreft en is verzekerd dat:
    • 1. er geen splitsing in meerdere woonfuncties plaatsvindt; en
    • 2. overtollige bebouwing wordt gesloopt.

Lid 3

In afwijking van het eerste lid onder a is een toename van het aantal bedrijfswoningen mogelijk als het gaat om de bouw van een eerste bedrijfswoning, of bij een grote vrijetijdsvoorziening een tweede bedrijfswoning, en de noodzaak daarvoor is aangetoond."

Vanuit het eerste lid uit artikel 5.77 zijn nieuwe woningen in het landelijk gebied in beginsel niet toegestaan. In het tweede lid, onder b is, in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, de omschakeling van een bedrijfswoning naar een burgerwoning mogelijk, mits geen splitsing plaatsvindt in meerdere woonfuncties en overtollige bebouwing wordt gesloopt.

Met het initiatief zal alleen de bestaande bedrijfswoning worden omgeschakeld naar een burgerwoning. Deze zal niet in meerdere wooneenheden worden gesplitst. Er is daarmee geen sprake van splitsing in meerdere woonfuncties. Daarnaast wordt bij het initiatief ongeveer 3.410 m² aan (voormalige) agrarische bedrijfsbebouwing gesloopt. Er is daarmee eveneens sprake van sloop van overtollige bebouwing.

Op basis van de regels uit artikel 5.77, lid 2, onder b kan de omschakeling van de bedrijfswoning naar een burgerwoning daarmee mogelijk worden gemaakt. Wel moet dit nog passen binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waarin de locatie is gelegen.

Vanuit artikel 5.12 van de omgevingsverordening zijn voor het bepalen of een ontwikkeling past binnen de ontwikkelingsrichting van een gebied de volgende zaken van belang:

  • welke activiteiten en functies vanuit een gebiedsgerichte benadering passen in de omgeving;
  • welke effecten de ontwikkeling van die activiteiten en functies heeft op andere aspecten, waaronder een veilige en gezonde leefomgeving, de te beschermen waarden, bedoeld in Afdeling 5.2, mobiliteit, agrarische ontwikkeling, stedelijke ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders;
  • op welke wijze de omgevingskwaliteit in het gebied versterkt kan worden, mede gericht op de toepassing van artikel 5.11 Kwaliteitsverbetering landschap; en
  • op welke wijze de sloop van leegstaande of overtollige bebouwing wordt gerealiseerd.

De locatie is gelegen in het beekdallandschap, waarin de landbouw minder mogelijkheden heeft voor intensivering. Het doorontwikkelen van een volwaardige intensieve veehouderij is in dit gebied minder passend. Voor de gemeente staat in dit gebied de ontwikkeling van het watersysteem en de natuur met extensieve landbouw en recreatie centraal. Aan overige ontwikkelingen wordt vanuit de ontwikkelingsrichting uit de gemeentelijke visie ruimte geboden, mits zij de ontwikkelingsdoelen voor het beekdallandschap niet in de weg staan.

De deelname aan de subsidieregeling sanering varkenshouderijen (Srv) is bedoeld om varkenshouderijbedrijven die een grote geuroverlast veroorzaken op gevoelige gebouwen, zoals burgerwoningen, te saneren. Om deel te nemen aan de Srv is één van de voorwaarden dat en sprake moet zijn van een hogere geurbelasting aan gevoelige gebouwen in de omgeving dan de in de Srv opgenomen drempelwaarde. De geurbelasting die het bedrijf van de initiatiefnemer veroorzaakt aan gevoelige gebouwen in de omgeving overschrijdt deze drempelwaarde, wat betekent dat het bedrijf van de initiatiefnemer leidt tot een grote geuroverlast in de omgeving. De ontwikkelingsmogelijkheden van een volwaardige intensieve veehouderij op deze locatie zijn daarmee zeer beperkt.

Met het initiatief wordt een intensieve veehouderij beëindigd. Daarmee zal de emissie van ammoniak vanuit de veehouderij in zijn geheel komen te vervallen. Dit zal een positief effect hebben op (de ontwikkeling van) de natuur in het gebied. Daarnaast zal het bebouwd oppervlak ter plaatse afnemen. Dit heeft een positief effect op de waterhuishouding. Verder zal het initiatief de verdere ontwikkeling van natuurlijke en recreatieve waarden en doelen niet in de weg staan. Het initiatief past daarmee binnen de richtlijnen die de gemeente heeft opgenomen in de omgevingsvisie voor wat betreft het beekdallandschap.

De gemeente Bernheze kampt daarnaast met een grote geuroverlast door de vele intensieve veehouderijen in de gemeente. De gemeente streeft er daarom naar om, met name in de gebieden waarin de ontwikkeling van het watersysteem en de natuur met extensieve landbouw en recreatie centraal staan, de geurhinder vanuit de veehouderij terug te dringen. Met de beëindiging van de intensieve veehouderij wordt daar goed op aangesloten.

In het gebied waarin de locatie is gelegen worden vanuit de gemeentelijke omgevingsvisie, zoals nader omschreven in de paragraaf "Omgevingsvisie Bernheze 2040" (paragraaf 6.4.1), mogelijkheden geboden voor andere functies dan agrarische functies, waaronder wonen in een burgerwoning, mits het landschap waarin de locatie is gelegen niet onevenredig wordt aangetast. Met het initiatief wordt een intensieve veehouderij beëindigd. Daarbij zal de voormalige bedrijfsbebouwing worden gesloopt en het bouwvlak worden verkleind. Het bebouwde oppervlak en het maximale ruimtebeslag nemen daarmee aanzienlijk af. Dit heeft een positief effect op de kwaliteiten van het landschap. Daarnaast wordt voorzien in een goede, bij het gebied passende landschappelijke inpassing (zie bijlage 1 bij deze toelichting), waarbij wordt aangesloten bij de landschappelijke kenmerken en kwaliteiten in de omgeving. Het initiatief zal daarmee een positieve impact hebben op het landschap en niet leiden tot een mogelijke aantasting daarvan.

Verder is het van belang dat andere in het gebied voorkomende functies en bedrijven niet in de ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt. Zoals nader omschreven en aangetoond in de paragraaf "Milieu" (paragraaf 7.10) zal het initiatief niet leiden tot een mogelijke beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende functies en bedrijven.

Het wonen in een burgerwoning is daarmee, vanuit een gebiedsgerichte benadering, passend in het gebied waarin de locatie is gelegen.

Met het initiatief wordt een intensieve veehouderij beëindigd en wordt de voormalige agrarische bedrijfswoning omgeschakeld naar een burgerwoning. Een intensieve veehouderij heeft een grote milieuhinder aan de omgeving. Een burgerwoning heeft dat niet. Het initiatief leidt daarmee tot een aanzienlijke afname van de milieuhinder. Het initiatief zal daarmee bijdragen aan een meer veilige en gezonde fysieke leefomgeving.

Zoals nader omschreven en aangetoond in het hoofdstuk "Aspecten fysieke leefomgeving" (hoofdstuk 7) zal het initiatief niet leiden tot een mogelijke aantasting van de te beschermen waarden.

Met het initiatief is, zoals nader omschreven in de paragraaf "Wegen, verkeer en parkeren" (paragraaf 7.8), geen sprake van een mogelijke aantasting van de infrastructuur in de omgeving. Daarnaast zal er geen sprake zijn van het aantal verkeersbewegingen en zal het parkeren geheel op eigen terrein plaatsvinden. Het initiatief heeft daarmee geen nadelige gevolgen op de mobiliteit.

Zoals eerder in deze paragraaf aangegeven zal het initiatief niet leiden tot een mogelijke beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende functies en bedrijven. Er zal daarmee geen sprake zijn van mogelijk nadelige gevolgen voor de agrarische ontwikkeling van het gebied waarin de locatie is gelegen.

De locatie is niet op korte afstand van een van de kernen gelegen. Het initiatief zal daarmee geen nadelige gevolgen hebben op de verdere stedelijke ontwikkeling van de gemeente. Daarnaast zal met het initiatief zelf, zoals nader omschreven in de paragraaf "Ladder voor duurzame verstedelijking" (paragraaf 7.2), geen sprake zijn van een stedelijke ontwikkeling.

Door de beëindiging van de intensieve veehouderij komen de emissies uit het bedrijf in zijn geheel te vervallen. Daarnaast is niet langer sprake van een activiteit met mogelijke risico's voor de volksgezondheid. Het initiatief draagt daarmee bij aan een verbetering van het woon- en leefklimaat en daarmee aan een verbetering van de leefbaarheid in de omgeving.

Met het initiatief is niet langer sprake van een bedrijfsmatige functie. Er is daarmee geen sprake van een bedrijvigheid die concurreert met de bedrijvigheid op een bedrijventerrein. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot leegstand elders.

Met het initiatief wordt voormalige agrarische bedrijfsbebouwing gesloopt. De sloop van agrarische bedrijfsbebouwing leidt tot een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en beeldkwaliteit. Daarnaast wordt bij het initiatief voorzien in een goede, bij het gebied passende landschappelijke inpassing (zie bijlage 1 bij deze toelichting). Daarbij worden nieuwe landschappelijke elementen aangelegd die aansluiten bij de landschappelijke kenmerken en kwaliteiten van het landschap. Dit leidt tot een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Zowel sloop van (voormalige) agrarische bedrijfsbebouwing als het voorzien in een goede landschappelijke inpassing zijn in artikel 5.11 van de omgevingsverordening opgenomen als maatregelen ter verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Met het initiatief wordt daarmee in voldoende mate voorzien in kwaliteitsverbetering van het landschap en daarmee in de verbetering van de omgevingskwaliteit.

De sloop van de overtollige bebouwing wordt geborgd door de wijziging van de functie ter plaatse naar een woonfunctie. Daardoor is nieuwe bedrijfsbebouwing ter plaatse niet mogelijk. Verder is binnen de functie een beperkte oppervlakte aan bijgebouwen bij de woning toegestaan. Daarmee wordt geborgd dat alle bebouwing, anders dan de woning en de toegestane bijgebouwen, in zijn geheel wordt gesloopt.

Op basis van het voorgaande past het initiatief in de ontwikkelingsrichting van het gebied waarin de locatie is gelegen zoals is bedoeld in artikel 5.12 van de omgevingsverordening.

Het initiatief is niet in strijd met de specifieke regels uit de provinciale omgevingsverordening.

6.2.2.2 Algemene regels

Naast de specifieke voorwaarden voor het vestigen van een niet-agrarische ontwikkeling in het landelijk gebied gelden algemene regels voor het behoud en de versterking van de omgevingskwaliteit. Hiervoor zijn de volgende regels opgenomen:

" Artikel 5.7 Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit

Lid 1

Een omgevingsplan geeft bij de evenwichtige toedeling van functies aan locaties invulling aan een veilige, gezonde leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit.

Lid 2

Voor het realiseren van een veilige, gezonde leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit wordt toepassing gegeven aan:

  • a. zorgvuldig ruimtegebruik als bedoeld in Artikel 5.8;
  • b. de lagenbenadering, bedoeld in artikel 5.9; en
  • c. meerwaardecreatie als bedoeld in artikel 5.10."

Voor elk van de afzonderlijk genoemde onderdelen voor een goede omgevingskwaliteit zijn vervolgens aanvullende bepalingen opgenomen in de genoemde artikelen (5.8, 5.9 en 5.10).

Voor zorgvuldig ruimtegebruik gelden de volgende aanvullende bepalingen:

" Artikel 5.8 Zorgvuldig ruimtegebruik

Lid 1

Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat:

  • a. een ontwikkeling plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag;
  • b. de mogelijkheden voor intensivering van bestaand ruimtebeslag en meervoudig ruimtegebruik zijn afgewogen en betrokken bij een ontwikkeling;
  • c. bij stedelijke ontwikkeling toepassing wordt gegeven aan de ladder voor duurzame verstedelijking, bedoeld in artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
  • d. gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel; en
  • e. splitsing van een bestaand bouwperceel niet is toegestaan.

Lid 2

Als uit een zorgvuldige afweging blijkt dat een ontwikkeling niet binnen bestaand ruimtebeslag mogelijk is, is uitbreiding van ruimtebeslag mogelijk onder de in dit hoofdstuk opgenomen voorwaarden."

Met het initiatief is sprake van een ontwikkeling binnen het bestaande ruimtebeslag. Er is immers sprake van een bestaand bouwperceel. Dit wordt met het initiatief niet uitgebreid, maar juist verkleind. Daarnaast zal de bebouwde oppervlakte op de locatie aanzienlijk afnemen, waarmee er sprake is van een afname van het (maximale) ruimtebeslag.

Er is geen sprake van een intensivering van het ruimtebeslag, dit neemt af. Met het initiatief is sprake van een woonfunctie met mogelijkheden voor een beroep aan huis volgens de bepalingen uit het geldende omgevingsplan. Daarmee is in zekere mate sprake van meervoudig ruimtegebruik.

Zoals nader omschreven in de paragraaf "Ladder voor duurzame verstedelijking" (paragraaf 7.2) is met het initiatief geen sprake van een stedelijke ontwikkeling.

Alle gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen het bouwperceel. Er zal geen sprake zijn van bebouwing of voorzieningen buiten het bouwperceel.

Het bouwperceel zal niet worden gesplitst.

Met het initiatief is daarmee sprake van een zorgvuldig ruimtegebruik.

Voor wat betreft de waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering zijn in de verordening de volgende aanvullende voorwaarden opgenomen:

" Artikel 5.9 Toepassing van de lagenbenadering

Lid 1

Het toepassen van de lagenbenadering biedt inzicht in:

  • a. welke effecten een ontwikkeling heeft op de lagen afzonderlijk, de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd; en
  • b. hoe negatieve effecten worden voorkomen.

Lid 2

Voor de toepassing van het eerste lid worden de volgende lagen onderscheiden:

  • a. de ondergrond, zoals het bodem- en watersysteem, aardkundige- en archeologische waarden;
  • b. de netwerklaag, zoals natuurnetwerk, energienetwerk, infrastructuur inclusief waterwegen, en een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer; en
  • c. de bovenste laag, zoals cultuurhistorische- en landschappelijke waarden , de omvang van de functie en de bebouwing , de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op lucht, milieu, veiligheid en een gezonde leefomgeving.

Lid 3

Bij het actief benutten van de factor tijd wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde van de lagen, het verleden, de onomkeerbaarheid van optredende effecten op de lagen door de gewenste ontwikkeling en de toekomstwaarde van de ontwikkeling vanuit het perspectief van duurzaamheid en toekomstbestendigheid."

Zoals nader is aangetoond en omschreven in het hoofdstuk "Aspecten fysieke leefomgeving" (hoofdstuk 7) is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een mogelijke aantasting van de in het gebied (mogelijk) voorkomende waarden en/of functies. Er zal daarmee geen sprake zijn van mogelijke negatieve effecten op de genoemde lagen en/of kenmerken daarvan.

Voor wat betreft de meerwaardecreatie gelden vanuit de verordening de volgende aanvullende bepalingen:

" Artikel 5.10 Meerwaardecreatie

Lid 1

Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder:

  • a. de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren; en
  • b. de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn.

Lid 2

De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld in artikel 5.11 Kwaliteitsverbetering landschap kan deel uitmaken van de meerwaardecreatie."

Zoals gesteld kan de fysieke verbetering van de ruimtelijke kwaliteit zoals bedoeld in artikel 5.11 deel uitmaken van de meerwaardecreatie. In artikel 5.11 is het volgende opgenomen:

" Artikel 5.11 Kwaliteitsverbetering landschap

Lid 1

Een omgevingsplan dat de ontwikkeling van activiteiten mogelijk maakt in Landelijk gebied bepaalt dat die ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving.

Lid 2

Het omgevingsplan onderbouwt dat de fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit past binnen de gewenste ontwikkeling van het gebied, bedoeld in artikel 5.12, en dat de uitvoering is geborgd door:

  • a. financiële, juridische en feitelijke vastlegging in het plan; of
  • b. nakoming van de afspraken uit het regionaal overleg, bedoeld in Afdeling 7.2 Regionaal samenwerken.

Lid 3

Een verbetering van de landschappelijke kwaliteit kan de volgende aspecten omvatten:

  • a. de op grond van deze verordening verplichte landschappelijke inpassing;
  • b. het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterking van de landschapsstructuur of de relatie stad-land;
  • c. het behoud of herstel van cultuurhistorische waarden en kenmerken;
  • d. het wegnemen van verharding;
  • e. het slopen van bebouwing ;
  • f. de realisering van het Natuur Netwerk Brabant of een ecologische verbindingszone; of
  • g. het aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden.

Lid 4

Als toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, onder b, wordt een passende financiële bijdrage in een landschapsfonds verzekerd en wordt over de besteding van dat fonds periodiek verslag gedaan in het regionaal overleg, bedoeld in Afdeling 7.2 Regionaal samenwerken."

Met het initiatief wordt een intensieve veehouderij beëindigd, waarbij de huidige bedrijfswoning wordt omgeschakeld naar een burgerwoning. Bij de huidige intensieve veehouderij, zijnde een varkens- en vleeskalverenhouderij, is sprake van een hoge geurbelasting aan de omgeving en van een grote emissie van fijnstof, ammoniak en stikstofoxiden. Een burgerwoning geen geurbelasting, geen emissie van ammoniak en een (aanzienlijk) lagere emissie van fijnstof en stikstofoxiden. Daarmee draagt het initiatief bij aan het verminderen van de milieuhinder aan de omgeving en daarmee aan een verbetering van het woon- en leefklimaat in de omgeving. Het initiatief leidt daarmee tot een verbetering van de omgevingskwaliteit.

Daarnaast is in de huidige intensieve veehouderij sprake van de uitstoot van een grote hoeveelheid aan broeikasgassen. Enerzijds door de uitstoot van de gehouden dieren (koolstofdioxide en methaan) en anderzijds omdat de temperatuur in de stallen van belang is en het met name in de koudere maanden noodzakelijk is om de stallen te verwarmen. In de gewenste situatie is niet langer meer sprake van stallen waarvoor verwarming noodzakelijk is en worden geen dieren meer gehouden. Daarmee zal met het initiatief sprake zijn van een aanzienlijke afname van de uitstoot van broeikasgassen. Dit draagt bij aan de klimaatdoelstellingen van de overheid.

Met het initiatief worden voormalige agrarische bedrijfsgebouwen gesloopt. Er is sprake van nieuwbouw van een bijgebouw bij de woning, maar de oppervlakte daarvan is aanzienlijk kleiner dan de gesloopte oppervlakte aan voormalige bedrijfsgebouwen. Daarmee zal sprake zijn van een afname van het bebouwd oppervlak op de locatie. Daarnaast wordt met de verkleining van het bouwvlak ter plaatse een compactere vorm en inrichting van het erf en een afname van het (maximale) ruimtebeslag geborgd. Het initiatief draagt daarmee bij aan ontstening van het landschap. Tevens is sloop van voormalige agrarische bebouwing in artikel 5.11 opgenomen als vorm van kwaliteitsverbetering en is derhalve aan te merken als meerwaardecreatie.

Verder zal met het initiatief, zoals nader is omschreven in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 3.2), worden voorzien in een goede bij het gebied passende landschappelijke inpassing. Hiertoe is door een landschapsdeskundige een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld waarin de voorgenomen landschappelijke inpassing nader is uitgewerkt en is onderbouwd (zie bijlage 1 bij deze toelichting). Het voorzien in een goede landschappelijke inpassing is opgenomen als een van de mogelijkheden voor kwaliteitsverbetering van het landschap zoals zijn genoemd in artikel 5.11 van de verordening en is derhalve aan te merken als een vorm van meerwaardecreatie.

Zoals eveneens nader omschreven in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 3.2) wordt met het initiatief in voldoende mate geïnvesteerd in de ruimtelijke kwaliteit volgens het gemeentelijk beleid met betrekking tot kwaliteitsverbetering van het landschap.

Met het initiatief zal daarmee worden voorzien in voldoende meerwaardecreatie.

Gezien met het initiatief sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik, geen sprake is van een mogelijke aantasting van de functies en waarden in de verschillende lagen en/of de kenmerken daarvan en sprake is van meerwaardecreatie wordt met de voorgenomen ontwikkeling voldaan aan de zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit.

Het initiatief is niet in strijd met de algemene regels van de provinciale omgevingsverordening.

6.3 Beleid Waterschap

6.3.1 Waterbeheerprogramma

Op 1 december 2021 is het nieuwe waterbeheerprogramma (WBP) van waterschap Aa en Maas vastgesteld. In dit programma is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen willen gaan halen.

Het WBP is uitgewerkt in de volgende drie programma's:

  • 1. Waterveiligheid:
    Het programma 'Waterveiligheid' draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem.
  • 2. Klimaatbestendig en gezond watersysteem:
    Het programma 'Klimaatbestendig en gezond watersysteem' draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch).
  • 3. Schoon Water:
    In het programma 'Schoon Water' speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol.

Deze programma's zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap, zoals de waterschapsverordening en de legger.

Zoals nader omschreven in de paragraaf "Water en watersystemen" (paragraaf 7.7) zal met het initiatief geen sprake zijn van een ontwikkeling die de doelstellingen uit het WBP in de weg zullen staan.

Er is daarmee geen sprake van nadelige gevolgen voor de doelstellingen die zijn verwoord in het waterbeheerprogramma van het waterschap.

6.3.2 Waterschapsverordening

Gemeenten en provincies moeten omgevingsvisies opstellen voor het eigen grondgebied. Waterschappen stellen zelf geen omgevingsvisie op, maar hebben wel beleidsdoelen. Het is de bedoeling dat ze hun beleid inbrengen als gemeenten en provincies hun omgevingsvisies opstellen. Het waterschap kan als waterbeheerder de ambities en beleidskeuzes wel in een visie of ander beleidsdocument aangeven. Daarnaast stelt het waterschap een waterschapsverordening vast. De waterschapsverordening bevat alle regels over de fysieke leefomgeving die het waterschap stelt binnen haar beheergebied.

Met de invoering van de Omgevingswet is het beleid zoals is opgenomen in de Waterschapsverordening Aa en Maas 2024 in werking getreden. De waterschapsverordening bevat aanvullende bepalingen voor wateractiviteiten in het belang van:

  • het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste;
  • het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; en
  • de vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen.

Verder zijn in de waterschapsverordening aanvullende regels opgenomen voor activiteiten in de aangewezen beperkingsgebieden en zijn gevallen aangewezen waarvoor een omgevingsvergunning is vereist.

In de waterschapsverordening is een verbod opgenomen voor het lozen van water in een oppervlaktewaterlichaam en voor het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam. Voor de afvoer van hemelwater naar het oppervlaktewater is hiervoor een aantal uitzonderingen opgenomen. Het betreffende verbod geldt niet voor het lozen van water in een oppervlaktewaterlichaam, als er maximaal 100 m³ water per uur wordt geloosd en/of voor het afvoeren van hemelwater van verhard oppervlak naar het oppervlaktewater als:

  • het verhard oppervlak niet toeneemt met meer dan 500 m²;
  • de toename van het verhard oppervlak alleen bestaat uit een groen dak;
  • het verhard oppervlak toeneemt tussen de 500 m² en 10.000 m² en hiervoor compenserende maatregelen worden getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan in de vorm van een bergingsvoorziening met een minimale compensatie die voldoet aan de rekenregel;
  • er maximaal 10.000 m² bestaand verhard oppervlak wordt afgekoppeld.

De rekenregel voor het afvoeren van hemelwater afkomstig van verhard oppervlak bij een toename van het verhard oppervlak tussen de 500 m² en 10.000 m² is daarbij als volgt:

“benodigde compensatie (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x <gevoeligheidsfactor> (normwaarde in geo-object) x 0,06 (in m)”.

Met het initiatief is uitsluitend sprake van het afvoeren van hemelwater naar een voorziening voor waterberging. Zoals nader omschreven in de paragraaf "Afvoer van hemelwater" (paragraaf 7.7.4) wordt daarbij aan de normen zoals zijn gesteld in de waterschapsverordening voldaan. Het initiatief is daarmee niet in strijd met de regels zoals zijn opgenomen in de waterschapsverordening van het waterschap.

6.4 Gemeentelijk beleid

6.4.1 Omgevingsvisie Bernheze 2040

Gemeente Bernheze heeft, in het kader van de Omgevingswet, een nieuwe omgevingsvisie voor het gehele grondgebied van de gemeente vastgesteld. In de omgevingsvisie heeft de gemeente de ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving voor de lange(re) termijn opgenomen. De omgevingsvisie is niet juridisch bindend, maar biedt de kaders voor het ruimtelijk beleid zoals is opgenomen in het omgevingsplan.

In de visie wordt onderscheid gemaakt tussen drie deelgebieden met voor elk van deze gebieden een eigen ontwikkelingsperspectief. Deze gebieden zijn als volgt in de visie omschreven:

" Drie deelgebieden met drie ontwikkelperspectieven

De visie maakt onderscheid in drie deelgebieden.

  • 1. De hoog gelegen Peelhorst (de rug) met de Maashorst als kenmerkend natuurgebied. De westgrens van de Peelhorst is de kenmerkende Peelrandbreuk met de wijstgronden. In een ‘levendige schil’ rondom het natuurgebied extensiveert de landbouw en bieden we mogelijkheden voor meer bos en andere natuur.
  • 2. De Dekzandgebieden (de flank) waar de intensieve veehouderij bijdraagt aan grootschalige en innovatieve voedselproductie. Hier ontwikkelen we ook kansen voor nieuwe verdienmodellen op het gebied van bijvoorbeeld de productie van biobased grondstoffen, natuur en landschap in perceelsranden, toerisme en recreatie, klimaatadaptatie (zoals tijdelijke waterberging), lokaal voedsel et cetera.
  • 3. Het Beekdallandschap van de Aa en de Leijgraaf, waar het watersysteem van afvoeren ombuigt naar water vasthouden in combinatie met natuurontwikkeling en extensieve landbouw."

De locatie is gelegen in het beekdallandschap, waarin de landbouw minder mogelijkheden heeft voor intensivering. Het doorontwikkelen van een volwaardige intensieve veehouderij is in dit gebied minder passend. In dit gebied staat de ontwikkeling van het watersysteem en de natuur met extensieve landbouw en recreatie centraal. Aan overige ontwikkelingen wordt ruimte geboden, mits zij de ontwikkelingsdoelen voor het beekdallandschap niet in de weg staan.

Met het initiatief wordt een intensieve veehouderij beëindigd. Daarmee zal de emissie van ammoniak vanuit de veehouderij in zijn geheel komen te vervallen. Dit zal een positief effect hebben op (de ontwikkeling van) de natuur in het gebied. Daarnaast zal het bebouwd oppervlak ter plaatse afnemen. Dit heeft een positief effect op de waterhuishouding. Verder zal het initiatief de verdere ontwikkeling van natuurlijke en recreatieve waarden en doelen niet in de weg staan. Het initiatief past daarmee binnen de richtlijnen die de gemeente heeft opgenomen in de omgevingsvisie voor wat betreft het beekdallandschap.

Verder wordt in de visie onderscheid gemaakt in vijf thema's. Bij de uitwerking van deze thema's worden de opgaven die de gemeente vertaald naar ambties en doelen. De vijf thema's zijn:

  • 1. Gezonde leefomgeving.
  • 2. Leefbare kernen.
  • 3. Klimaatadaptatie en herstel biodiversiteit.
  • 4. Vitale en duurzame landbouw en economie.
  • 5. Kwaliteit landschap en erfgoed.

Gezonde leefomgeving:

Vanuit het thema gezonde leefomgeving wordt ingezet op de verbetering van de kwaliteit van de lucht, de bodem en het water. Daarnaast is het wenselijk de overlast door geur, geluid en dergelijke in en nabij de kernen terug te dringen, alsmede de eventuele risico's van zoönosen.

Verder wordt vanuit dit thema ingezet op zogenaamde "groene gezonde structuren" (GGS), waarin de ambities van onder meer gezondheid, recreatie, bewegen in aantrekkelijk groen en blauw, meer biodiversiteit, klimaatadaptatie en biologisch voedsel worden gebundeld. Daarmee kan verstandig worden omgegaan met de ruimtedruk.

Daarnaast wordt ingezet op toegankelijkheid en inclusiviteit van de openbare ruimte. Daarbij wordt voorzien in bijvoorbeeld prikkelarme zones en aantrekkelijke (speel)plekken.

Met het initiatief wordt een intensieve veehouderij beëindigd en omgeschakeld naar een burgerwoning. Daarbij zullen de emissies van geur, fijnstof en ammoniak in zijn geheel komen te vervallen. Dit draagt bij aan de doelstellingen van de gemeente voor een gezonde leefomgeving. Ook zal met het verdwijnen van de veestapel sprake zijn van het vervallen van de emissies van eventuele zoönosen vanuit de veehouderij. Ook dit draagt bij aan een gezonde leefomgeving.

Verder zal het initiatief de doelstellingen die de gemeente heeft ten aanzien van een gezonde leefomgeving niet in de weg staan. Het initiatief past daarmee binnen de doelstellingen van de gemeente ten aanzien van het thema gezonde leefomgeving.

Leefbare kernen:

Vanuit het thema leefbare kernen wordt ingezet op kernen waar het fijn wonen is voor een goede leeftijd mix aan mensen. Hiervoor zijn verschillende doelstellingen verwoord in de visie. Omdat deze echter allen betrekking hebben op de verdere ontwikkeling van de kernen en de locatie in het buitengebied is gelegen hebben deze doelstellingen geen raakvlakken met het initiatief. Ook zal het initiatief de doelstellingen die de gemeente heeft voor de leefbare kernen niet in de weg staan.

Klimaatadaptatie en herstel biodiversiteit:

Vanuit het thema klimaatadaptatie en herstel biodiversiteit is voorbereiding op verdroging en (extreme) wateroverlast nodig. Bij inrichting van de ruimte wordt gestuurd op bodem en water, waarbij zoveel mogelijk ingericht wordt op vasthouden van water. Daarmee wordt het grondwaterpeil verhoogd zodat er een buffer ontstaat voor in de droge perioden.

In het beekdallandschap wordt ingezet op het vertraagd afvoeren van water door bijvoorbeeld het terugbrengen van de oorspronkelijk meanderende beek en het inrichten van natuurvriendelijke oevers en overstromingsgebieden.

Voor het hetstel van de biodiversiteit wordt ingezet op natuurgebieden en natuurinclusief werken. Daarbij wordt gezocht naar nieuwe verdienmodellen voor agrariërs bij het inrichten van bloemrijke perceelsranden en weidevogelgebieden en het beheren en in stand houden van zoogdieren. Daarnaast wordt ingezet op bewustwording van gedrag zodat het meer vanzelfsprekend wordt om bij te dragen aan duurzame oplossingen.

Met het initiatief is sprake van een hydrologisch neutrale ontwikkeling, waarbij het bebouwde oppervlakte zal afnemen. Dit draagt bij aan de vermindering van de versnelde afvoer van hemelwater en daarmee aan een verduurzaming van het watersysteem. Daarnaast wordt, zoals nader omschreven in de paragraaf "Afvoer van hemelwater" (paragraaf 7.7.4) ingezet op extra waterberging, waarmee wordt ingezet op het langer vasthouden van water. Dit draagt bij aan de doelstellingen van de gemeente ten aanzien van klimaatadaptatie en het vasthouden van water.

Daarnaast wordt met het initiatief voorzien in een goede, bij het gebied passende landschappelijke inpassing. Hiertoe is door een landschapsdeskundige een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld (zie bijlage 1 bij deze toelichting). Daarin wordt voorzien in nieuwe landschappelijke elementen en groene randen langs het perceel. Dit draagt bij aan de versterking van de biodiversiteit.

Het initiatief sluit daarmee aan op de doelstellingen van de gemeente ten aanzien van het thema klimaatadaptatie en herstel biodiversiteit.

Vitale en duurzame landbouw en economie:

Vanuit het thema vitale en duurzame landbouw en economie wil de gemeente inzetten op het samen met agrarische ondernemers de uitdagingen aan gaan die de sector voor zich heeft en het zoeken naar kansen om een sterke en vitale sector te behouden. Daarbij wordt ingezet op verduurzaming en meer extensieve vormen van landbouw. Alleen in de dekzandgebieden blijft ruimte voor meer intensieve vormen van landbouw.

Daarnaast zijn er in de gemeente veel lokale sterke bedrijven die zorgen voor werkgelegenheid en die voortdurend aan het innoveren zijn. Dit is ook nodig om in de veranderende vraag te voorzien. De bestaande bedrijventerreinen volstaan vooralsnog en indien nodig worden deze geschikt gemaakt voor lokale bedrijvigheid. Regionale bedrijven zijn niet (meer) wenselijk.

Er worden mogelijkheden geboden aan agrarische ondernemers die met het bedrijf willen stoppen. Daarbij wordt wel de afweging gemaakt of een nieuwe functie mogelijk is op het erf. Wanneer dat niet het geval is dan wordt samen met de gemeente gezocht naar een nieuwe mogelijke locatie.

Verder is de economie sterk afhankelijk van energie. De gemeente werkt daarom hard aan het voldoen aan de opgave uit de regionale energie strategie (RES). Deze opgaven lijken te worden gaan behaald met zonnepanelen op daken en parkeerplaatsen en met zonneparken. Voor agrariërs en energiecoöperaties liggen er kansen voor experimenten om energie op te slaan. Deze worden door de gemeente gestimuleerd. Met windmolens wordt nog afgewacht vanwege de nieuwe normen van de Rijksoverheid.

Met het initiatief is sprake van de beëindiging van een agrarisch bedrijf. De doelstellingen voor de agrarische sector zijn derhalve niet meer van belang voor het initiatief. Aan de locatie wordt een op het erf passende nieuwe invulling gegeven. Er is sprake van een burgerwoning met mogelijkheden voor een beroep aan huis binnen de mogelijkheden daarvoor uit het geldende omgevingsplan, waarmee tot op zekere hoogte nog bedrijvigheid wordt uitgevoerd. Deze is echter zeer kleinschalig en niet passend op een bedrijventerrein en zal niet concurreren met functies op een bedrijventerrein. Het initiatief past daarmee binnen de doelstellingen voor bedrijvigheid.

Verder staat het initiatief de doelstellingen vanuit het thema vitale en duurzame landbouw en economie niet in de weg, waarmee het initiatief past binnen de doelstellingen in dit thema.

Kwaliteit landschap en erfgoed:

Vanuit het thema kwaliteit landschap en erfgoed wordt ingezet op het unieke en diverse landschap met eigen unieke karakteristieken en cultuurhistorische kenmerken, zichtlijnen en waardevol erfgoed. Daarnaast is het wenselijk het erfgoed en andere kenmerkende gebouwen in en rondom de kernen meer toegankelijk en beleefbaar te maken.

Verder wil de gemeente ruimte bieden aan nieuwe ontwikkelingen die de historie niet uitwissen, maar daar juist op voortbouwt.

Ten behoeve van het initiatief wordt ter plaatse voorzien in een goede, bij het gebied passende landschappelijke inpassing. Hiertoe is door een landschapsdeskundige een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld (zie bijlage 1 bij deze toelichting). Daarmee wordt aangesloten op bestaande landschappelijke structuren en wordt bijgedragen aan de kwaliteit van het landschap.

Er is, zoals nader omschreven in de paragraaf "Cultuurhistorie" (paragraaf 7.13), geen sprake van een mogelijke aantasting van erfgoed en/of andere historische waarden.

Het initiatief past daarmee binnen de doelstellingen die de gemeente heeft gesteld vanuit het thema kwaliteit landschap en erfgoed.

Zoals blijkt uit het voorgaande past het initiatief binnen de vijf thema's die de gemeente heeft opgenomen in de omgevingsvisie. Daarmee past het initiatief binnen de doelstellingen en beleidsuitgangspunten van de gemeente die zij hebben opgenomen in de Omgevingsvisie Bernheze 2040.

6.4.2 Programma water en riolering (PWR)

Gemeente Bernheze volgt het programma water en riolering (PWR) genaamd 'Zonder water geen later' voor 2024 t/m 2027. Het PWR doelt op het beleid en beheer van de waterhuishouding en riolering in onze dorpskernsen en onze kernrandzones.

Allereerst staat het belang van een gezonde leefomgeving voorop, waarin schoon (grond)water, veilige riolering en goede waterafvoer bijdragen aan de volksgezondheid en het dagelijks welzijn. Ten tweede streeft de gemeente naar leefbare kernen, waar de inrichting van de openbare ruimte niet alleen functioneel is, maar ook uitnodigend, veilig en aantrekkelijk, met oog voor de rol van water en groen. Het derde uitgangspunt is klimaatbestendigheid en herstel van biodiversiteit. Door waterberging, vergroening en het verminderen van verharding wil Bernheze beter bestand zijn tegen extreme weersomstandigheden en tegelijkertijd de natuur versterken. Tot slot zet de gemeente in op een vitale en duurzame landbouw en economie, waarbij duurzaam watergebruik, circulaire processen en samenwerking met het bedrijfsleven centraal staan.

Het initiatief om de intensieve veehouderij op deze locatie volledig te beëindigen en te saneren sluit nauw aan bij de ambities die de gemeente Bernheze heeft geformuleerd in haar programma 'Zonder water geen later'.

Het plan draagt bij aan een gezonde leefomgeving. Door de deelname aan de Subsidieregeling sanering varkenshouderijen (Srv) en het beëindigen van de veehouderijactiviteiten, neemt de uitstoot van mogelijk schadelijke stoffen aanzienlijk af. Dit resulteert in een betere waterkwaliteit en minder milieuhinder voor de omgeving, wat de volksgezondheid en het woon- en leefklimaat ten goede komt.

Ook op het vlak van klimaatbestendigheid en herstel van biodiversiteit is het initiatief passend. De beëindiging van de veehouderij vermindert niet alleen de uitstoot van broeikasgassen, maar biedt ook kansen voor het terugbrengen van verhard oppervlak en het versterken van het groene karakter van het gebied. Hierdoor ontstaat ruimte voor natuurlijke waterinfiltratie, verkoeling en een meer biodiverse invulling van het erf, waarmee de locatie beter bestand wordt tegen klimaatverandering.

Tot slot sluit het plan aan bij de ambitie van een vitale en duurzame landbouw en economie, ondanks het feit dat het agrarische gebruik wordt beëindigd. Door het behoud van maximaal 500 m² aan vrijstaande bijgebouwen, waarvan een deel (tot 100 m²) wordt benut voor een aan huis gebonden beroep, blijft er economische activiteit op kleinschalige en duurzame wijze mogelijk. Zo wordt er een nieuwe invulling gegeven aan het erf die past bij de veranderende maatschappelijke en economische realiteit, zonder terug te vallen op intensieve agrarische productie.

Hoofdstuk 7 Aspecten fysieke leefomgeving

7.1 M.e.r.-beoordeling

Vanuit de Omgevingswet geldt een verplichting voor het opstellen van een milieueffectrapportage als sprake is van een plan of programma dat aanzienlijke milieueffecten kan hebben. Om te kunnen bepalen of sprake is van een dergelijk plan of programma dient eerst te worden bekeken welke activiteiten met het plan of programma mogelijk worden gemaakt en of deze activiteiten kunnen leiden tot aanzienlijke milieueffecten. In het Omgevingsbesluit is, in bijlage V daarvan, een overzicht opgenomen voor welke activiteiten een beoordelingsplicht geldt. Komt een activiteit niet op de lijst uit bijlage V van het Omgevingsbesluit dan geldt voor die activiteit geen beoordelingsplicht en hoeft dus geen milieueffectrapportage te worden opgesteld.

Als een activiteit wel op de lijst uit bijlage V van het Omgevingsbesluit voorkomt dan moet verder worden bekeken wanneer sprake is van een beoordelingsplicht of wanneer er meteen een milieueffectrapportage moet worden gemaakt. Voor elk van de in de lijst voorkomende activiteiten zijn gevallen opgenomen wanneer voor die activiteit een beoordelingsplicht geldt. Daarnaast is in de lijst voor elk van deze activiteiten opgenomen wanneer een milieueffectrapportage moet worden opgesteld.

Met het initiatief is sprake van de beëindiging van een intensieve veehouderij, waarbij de bestaande bedrijfswoning wordt omgeschakeld naar een burgerwoning. Het wonen in een burgerwoning is niet opgenomen in de lijst uit bijlage V van het Omgevingsbesluit. Wel is sprake van een beoordelingsplicht als sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Zoals nader omschreven in de paragraaf "Ladder voor duurzame verstedelijking" (paragraaf 7.2) is met het initiatief geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject. Het initiatief zal daarom niet leiden tot aanzienlijke milieueffecten, waarmee een verdere beoordeling niet nodig is.

7.2 Ladder voor duurzame verstedelijking

In het Bkl is de Ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen. Dit houdt in dat wanneer sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling er een zorgvuldige afweging gemaakt dient te worden van de kwalitatieve en kwantitatieve behoefte van de betreffende ontwikkeling.

De ladder voor duurzame verstedelijking is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.

Met het initiatief wordt de beëindiging van een intensieve veehouderij, waarbij de agrarische bedrijfswoning wordt omgeschakeld naar een burgerwoning mogelijk gemaakt. Daarbij is het de vraag of dit kan worden gezien als een nieuwe woningbouwlocatie. Op basis van uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State (waaronder de uitspraak van 28 juni 2017, 201608869/1/R3, Dongeradeel) is echter bepaald dat wanneer een ontwikkeling voorziet in niet meer dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie kunnen worden aangemerkt, deze ontwikkeling niet als een stedelijke ontwikkeling wordt aangemerkt.

Het initiatief voorziet niet in het oprichten van meer dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie kunnen worden aangemerkt, waarmee geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een verdere afweging van de (kwalitatieve en kwantitatieve) behoefte is daarmee dan ook niet nodig.

7.3 Duurzaamheid

Duurzaamheid krijgt een steeds belangrijkere rol in de samenleving. Daarbij is het belangrijk te ontwikkelen op een manier die voorziet in de behoeften van de huidige generatie, zonder dat daarbij de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in de eigen behoeften te voorzien in gevaar worden gebracht. In de Omgevingswet zijn specifieke doelen voor duurzaamheid opgenomen en zijn mogelijkheden opgenomen voor overheden om duurzaamheid te verankeren in het beleid. Voor ondernemers biedt de Omgevingswet daarnaast kansen om duurzaamheidsprojecten te starten.

Gemeenten kunnen in het omgevingsplan regels vastleggen die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. Daarbij kunnen bijvoorbeeld regels worden opgenomen over het bergen van water, het natuurinclusief bouwen of het voorkomen van hittestress door hittebestendig te bouwen. Daarnaast kan een gemeente in het omgevingsplan omgevingswaarden vastleggen. Dit is een norm die de gewenste staat of kwaliteit van de fysieke leefomgeving (of een deel daarvan) vastlegt als beleidsdoel. Dit kunnen duidelijk meetbare doelen zijn, zoals bijvoorbeeld dat er binnen een bepaalde termijn een bepaald aantal windmolens en/of een bepaald aantal hectare aan zonnepanelen gerealiseerd moet zijn.

De gemeente Bernheze heeft nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Daarmee is nog geen sprake van een omgevingsplan waarin regels en/of omgevingswaarden voor duurzaamheid zijn opgenomen. Tot die tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt waarin deze regels en/of omgevingswaarden zijn opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige bestemmingsplannen en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.

In het geldende omgevingsplan zijn nog geen specifieke regels of omgevingswaarden voor duurzaamheid opgenomen. Wel is het van belang dat bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen al rekening wordt gehouden met duurzaamheid en duurzaam ontwikkelen.

Met het initiatief wordt een intensieve veehouderij beëindigd, waarbij de bestaande bedrijfswoning wordt omgeschakeld naar een burgerwoning. Met de beëindiging van de intensieve veehouderij komen de emissies van het bedrijf in zijn geheel te vervallen. Dit draagt bij aan een verbetering van het woon- en leefklimaat in de omgeving. Het initiatief draagt daarmee bij aan een meer veilige en gezonde fysieke leefomgeving en aan een betere omgevingskwaliteit.

Het nieuwe bijgebouw bij de woning wordt opgericht volgens de huidige eisen ten aanzien van duurzaamheid, energie en isolatie. Daarbij wordt, waar mogelijk, gebruik gemaakt van duurzame bouwmaterialen. De voormalige bedrijfsbebouwing wordt in zijn geheel gesloopt. Er is daarmee sprake van een sterke verduurzaming van de bebouwing op de locatie.

Met het initiatief wordt de intensieve veehouderij in zijn geheel beëindigd. Er worden geen dieren meer gehouden, waardoor de emissie van broeikasgassen vanuit de gehouden dieren in zijn geheel komt te vervallen. Daarnaast is er in de gewenste situatie geen sprake meer van stallen die op temperatuur gehouden moeten worden, waardoor er aanzienlijk minder hoeft te worden gestookt. Ook de uitstoot van broeikasgassen door het verwarmen van de stallen komt in zijn geheel te vervallen. Daarnaast zal het energieverbruik van de locatie door de beëindiging van de intensieve veehouderij aanzienlijk lager worden, waarmee sprake is van een meer duurzaam energieverbruik.

Het initiatief is daarmee een duurzame ontwikkeling en/of het initiatief zal de doelstellingen voor duurzaamheid niet in de weg staan.

7.4 Gezondheid

Vanuit de Omgevingswet moet sprake zijn van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Daarom is het belangrijk dat de mogelijke gevolgen voor de gezondheid van activiteiten in beeld worden gebracht en waar mogelijke zoveel mogelijk moeten worden beperkt. Daarbij moet gevaar voor besmetting zoveel mogelijk worden voorkomen.

Vooral veehouderijen kunnen mogelijk gevolgen hebben voor de gezondheid van omwonenden. Dit speelt vooral bij varkenshouderijen, pluimveehouderijen en geitenhouderijen. De gevolgen op de gezondheid kunnen op verschillende manieren tot stand komen, bijvoorbeeld via direct contact met de dieren, via de lucht, via de mest of via dierlijke voedingsmiddelen. Als sprake is van een veehouderij dan is het belangrijk dat de mogelijke gevolgen van die veehouderij op de volksgezondheid in beeld worden gebracht.

De Omgevingswet bevat geen specifieke normen voor volksgezondheid. Wel is het belangrijk dat sprake is van een gezonde leefomgeving. Er is echter nog geen duidelijk resultaat uit de verschillende onderzoeken die zijn uitgevoerd naar de mogelijke gevolgen van veehouderijen op de gezondheid van mensen. Het is daarom nog niet duidelijk op welke manier veehouderijen eventueel kunnen leiden tot mogelijke gevolgen voor de gezondheid. Tot dat er op basis van een duidelijk onderzoek een specifieke norm wordt vastgelegd moeten gemeenten zelf normen voor volksgezondheid opnemen in het geldende omgevingsplan.

De gemeente Bernheze heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Totdat de gemeente een omgevingsplan vaststelt met daarin de normen voor volksgezondheid opgenomen zijn de huidige richtlijnen die worden gevolgd door de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) het uitgangspunt voor het in beeld brengen van de mogelijke gevolgen van veehouderijen op de gezondheid van mensen. De GGD volgt de uitgangspunten uit de "Handreiking veehouderij en volksgezondheid", het "Endotoxine toetsingskader" en het "onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden". Deze uitgangspunten zijn verwerkt in het stappenplan uit de "Handreiking veehouderij en volksgezondheid".

7.4.1 Mogelijke gevolgen voor de gezondheid aan de omgeving

De gemeente Bernheze heeft in het geldende omgevingsplan geen specifieke normen opgenomen voor volksgezondheid, waarmee gebruik wordt gemaakt van de zogenaamde “Handreiking veehouderijen en volksgezondheid” voor het in beeld brengen van de mogelijke effecten van veehouderijen op de volksgezondheid. Dit is vooral van belang als sprake is van het oprichten, wijzigen of uitbreiden van een veehouderij of wanneer bewerking of verwerking van mest als zelfstandige activiteit plaatsvindt.

Met het initiatief is geen sprake van het oprichten, wijzigen en/of uitbreiden van een veehouderij. Daarnaast is geen sprake van het houden van geiten of een combinatie van meerdere diersoorten en vindt geen bewerking of verwerking van mest als zelfstandige activiteit plaats. Verder advies van de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) is daarmee niet nodig.

Het initiatief zal daarmee geen mogelijke gevolgen hebben voor de volksgezondheid en wordt dan ook als aanvaardbaar beschouwd.

7.4.2 Mogelijke gevolgen voor de gezondheid op de locatie

Met het initiatief is sprake van het oprichten en/of het wijzigen van gevoelige gebouwen en/of locaties. Het is daarom belangrijk om af te wegen of er mogelijke gevolgen zijn voor de volksgezondheid op de locatie. Gemeenten moeten hiervoor normen opnemen in het geldende omgevingsplan.

De gemeente Bernheze heeft in het geldende omgevingsplan opgenomen dat gebruik wordt gemaakt van de zogenaamde “Handreiking veehouderijen en volksgezondheid” voor het in beeld brengen van de mogelijke effecten op de volksgezondheid ter plaatse van op te richten en/of te wijzigen gevoelige gebouwen of locaties in de buurt van veehouderijen.

In de “Handreiking veehouderijen en volksgezondheid” is een stappenplan opgenomen om te bepalen of er sprake is van mogelijke gevolgen voor de volksgezondheid in de omgeving van een veehouderij of een installatie voor het bewerken of verwerken van mest. Op basis van dit stappenplan kan worden bepaald of een verder advies van de GGD nodig is.

Het stappenplan uit de handreiking gaat uit van een aantal stappen, waarbij op verschillende vlakken die van invloed kunnen zijn op de gezondheid wordt getoetst. Kan bij een van de gehanteerde stappen niet aan de normen voor het toetsen worden voldaan dan wordt geadviseerd verder advies in te winnen bij de GGD. Zij maken dan een verdere afweging van de mogelijke gevolgen voor de volksgezondheid en geven advies of deze mogelijke gevolgen aanvaardbaar zijn.

Stap 1: Endotoxinen bij varkenshouderijen en/of pluimveehouderijen:

In deze stap wordt getoetst aan de richtafstanden voor varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Is sprake van een varkenshouderij en/of pluimveehouderij in de omgeving van de locatie dan wordt gekeken of de locatie binnen de richtafstanden voor varkenshouderijen en/of pluimveehouderijen is gelegen. Voor varkenshouderijen bedraagt deze richtafstand 200 meter. Voor pluimveehouderijen bedraagt deze 500 meter.

De dichtstbijzijnde varkenshouderij betreft de varkenshouderij aan de Vorstenbosseweg 6B en is, gemeten vanaf het bouwvlak van de betreffende varkenshouderij, gelegen op een afstand van ongeveer 100 meter van het gevoelige gebouw op de locatie. De dichtstbijzijnde pluimveehouderij aan de Heideweg 1 in Loosbroek is gemeten vanaf het bouwvlak van de betreffende pluimveehouderij, gelegen op een afstand van ruim 1 kilometer van het gevoelige gebouw op de locatie.

De locatie is daarmee binnen de richtafstanden voor endotoxinen van een varkenshouderij en/of een pluimveehouderij gelegen.

Stap 2: Emissies vanuit activiteiten:

In deze stap wordt getoetst of vanuit de omgeving sprake is van een toename van de emissies van geur, fijnstof en/of ammoniak. Als sprake is van een toename van deze emissies dan kan sprake zijn van mogelijke gevolgen voor de volksgezondheid op een gevoelig gebouw of een gevoelige locatie.

In de omgeving van de locatie zijn geen verdere ontwikkelingen bekend die zullen leiden tot een toename van de emissie van geur, fijnstof en/of ammoniak. Er zal daarmee geen sprake zijn van mogelijke gevolgen voor de volksgezondheid op de locatie vanwege een toename van emissies in de nabije omgeving. Aan de hand van deze stap is daarmee geen verder advies van de GGD nodig.

Stap 3a: Geur aan de hand van wettelijke normen:

In deze stap wordt getoetst of op de locatie kan worden voldaan aan de wettelijke normen die gelden voor geur zoals zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en/of het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Als in de omgeving sprake is van het houden van dieren dan wordt gekeken of op de locatie aan de wettelijke normen en/of aan de wettelijke vaste afstanden daarvoor kan worden voldaan.

In de omgeving is uitsluitend sprake van het houden van dieren waarvoor geen zogenaamde geuremissiefactoren zijn vastgelegd. Dit zijn waarden voor de emissie van geur die dieren veroorzaken. Voor dieren waarvoor geen geuremissiefactoren zijn vastgelegd geldt dat aan de wettelijke vaste afstanden moet worden voldaan.

De wettelijke vaste afstanden zijn als volgt:

  • De afstand tussen een emissiepunt van een dierenverblijf en een geurgevoelig gebouw dat is gelegen binnen de bebouwde kom moet minimaal 100 meter bedragen.
  • De afstand tussen een emissiepunt van een dierenverblijf en een geurgevoelig gebouw dat is gelegen buiten de bebouwde kom moet minimaal 50 meter bedragen.
  • De afstand tussen de gevel van een dierenverblijf en een geurgevoelig gebouw dat is gelegen binnen de bebouwde kom moet minimaal 50 meter bedragen.
  • De afstand tussen de gevel van een dierenverblijf en een geurgevoelig gebouw dat is gelegen buiten de bebouwde kom moet minimaal 25 meter bedragen.

Het dichtstbijzijnde dierenverblijf is gelegen op het veehouderijbedrijf aan de Vorstenbosseweg 6 en is, gemeten van het dichtstbijzijnde emissiepunt van het betreffende dierenverblijf, gelegen op een afstand van ongeveer 52 meter van het gevoelige gebouw op de locatie. Daarmee wordt aan de wettelijke vaste afstanden voldaan. Aan de hand van deze stap is daarmee geen verder advies van de GGD nodig.

Stap 3b: Geur aan de hand van de gezondheidskundige advieswaarden:

In deze stap wordt getoetst of op de locatie kan worden voldaan aan de zogenaamde gezondheidskundige advieswaarden voor geur. Dit zijn waarden die voor geur zijn opgenomen als advies vanuit een uitgevoerd gezondheidskundig onderzoek. Als in de omgeving sprake is van het houden van dieren dan wordt gekeken of op de locatie aan de advieswaarden en aan de adviesafstanden kan worden voldaan.

In de omgeving is uitsluitend sprake van het houden van dieren waarvoor geen zogenaamde geuremissiefactoren zijn vastgelegd. Dit zijn waarden voor de emissie van geur die dieren veroorzaken. Voor dieren waarvoor geen geuremissiefactoren zijn vastgelegd geldt dat aan de geadviseerde gezondheidskundige afstand moet worden voldaan.

De geadviseerde gezondheidskundige afstand bedraagt 100 meter vanaf de rand van een bedrijf waarop dieren worden gehouden tot aan de gevel van een geurgevoelig gebouw.

Het dichtstbijzijnde dierenverblijf is gelegen op het veehouderijbedrijf aan de Vorstenbosseweg 7 en is, gemeten van het dichtstbijzijnde emissiepunt van het betreffende dierenverblijf, gelegen op een afstand van ongeveer 68 meter van het gevoelige gebouw op de locatie. Daarmee wordt niet aan de geadviseerde gezondheidskundige afstand voldaan.

Stap 4a: Gecombineerde diersoorten:

In deze stap wordt getoetst of in de omgeving sprake is van een combinatie van meerdere gehouden diersoorten die kunnen leiden tot mogelijke gevolgen voor de volksgezondheid. Als sprake is van het houden van pluimvee in combinatie met varkens, rundvee in combinatie met schapen en/of geiten en/of van schapen in combinatie met geiten dan is mogelijk sprake van gevolgen voor de volksgezondheid.

In de nabije omgeving van de locatie is geen sprake van veehouderijen voor het houden van pluimvee in combinatie met varkens, rundvee in combinatie met schapen en/of geiten en/of van schapen in combinatie met geiten. Er is daarmee geen sprake van mogelijke gevolgen voor de volksgezondheid op de locatie door het gecombineerd houden van dieren in de omgeving. Aan de hand van deze stap is daarmee geen verder advies van de GGD nodig.

Stap 4b: Afstand tussen varkenshouderijen en pluimveehouderijen:

In deze stap wordt getoetst of de afstand tussen varkenshouderijen en pluimveehouderijen voldoende groot is om mogelijke effecten van het gecombineerd houden van deze dieren voor de volksgezondheid te voorkomen. Als sprake is van het houden van varkens en/of pluimvee dan moet de afstand tot bedrijven waarop de andere diersoort wordt gehouden minimaal 100 meter bedragen.

In de nabije omgeving van de locatie aan de Vorstenbosseweg 6a is sprake van het houden van varkens en/of pluimvee.

Stap 5a: Afstand van geitenhouderijen tot gevoelige gebouwen:

In deze stap wordt gekeken of in de omgeving van de locatie sprake is van het houden van geiten. Als in de omgeving geiten worden gehouden dan is het belangrijk dat de afstand tot de locatie voldoende groot is om mogelijke gevolgen voor de volksgezondheid te voorkomen. Voor een voldoende grote afstand wordt daarbij uitgegaan van een afstand van 2 kilometer. Deze afstand geldt alleen voor locaties waarop meer dan 50 geiten bedrijfsmatig worden gehouden.

De dichtstbijzijnde geitenhouderij waarop bedrijfsmatig geiten worden gehouden betreft de geitenhouderij aan de Langenbergsestraat 9 en is, gemeten vanaf het bouwvlak van de betreffende geitenhouderij, gelegen op een afstand van ongeveer 1170 meter van het gevoelige gebouw op de locatie. Er is daarmee sprake van het bedrijfsmatig houden van geiten binnen 2 kilometer van de locatie, waarmee op de locatie sprake kan zijn van mogelijke gevolgen voor de volksgezondheid door in de omgeving gehouden geiten. Aan de hand van deze stap is dan ook verder advies van de GGD nodig.

Binnen een straal van 2km van een geitenhouderij is er een verhoogd risico voor de volksgezondheid. Uit onderzoek is nog niet gebleken waar dit aan te wijten is. De provincie volgt de lijn uit het VGO2 - 03 en geeft aan dat de gemeentes een afweging moeten maken over het toevoegen van functies binnen deze straal van 2km. Initiatiefnemer is bekend met het in VGO-3 genoemd gezondheidsrisico, i.c. het verhoogd risico op longontsteking. Initiatiefnemer accepteert dit risico en neemt hier volledige verantwoordelijkheid voor. Tevens wijst initiatiefnemer evt. opvolgend koper(s) op dit risico door een kettingbeding in de koopovereenkomst.

Stap 5b: Afstand van pluimveehouderijen tot gevoelige gebouwen in de omgeving:

In deze stap wordt gekeken of in de omgeving van de locatie sprake is van het houden van pluimvee. Als nabij de locatie pluimvee wordt gehouden dan is het belangrijk dat de afstand tot de locatie voldoende groot is om mogelijke gevolgen voor de volksgezondheid te voorkomen. Anders dan in stap 1 wordt hierbij niet uitgegaan van de richtafstand in relatie tot endotoxinen vanuit pluimveehouderijen, maar van de adviesafstand om mogelijke (andere) gevolgen voor de volksgezondheid te voorkomen. Deze afstand bedraagt 1 kilometer.

De dichtstbijzijnde pluimveehouderij aan de Heideweg 1 in Loosbroek is, gemeten vanaf het bouwvlak van de betreffende pluimveehouderij, gelegen op een afstand van 1,04 kilometer van het gevoelige gebouw op de locatie. Er is daarmee geen sprake van het houden van pluimvee binnen 1 kilometer van de locatie, waarmee op de locatie geen sprake zal zijn van mogelijke gevolgen voor de volksgezondheid door in de omgeving gehouden pluimvee. Aan de hand van deze stap is daarmee geen verder advies van de GGD nodig.

Stap 5c: Afstand van overige veehouderijen tot gevoelige gebouwen in de omgeving:

In deze stap wordt gekeken of in de omgeving van de locatie sprake is van het houden van dieren anders dan varkens, geiten en/of pluimvee. Als dieren anders dan varkens, geiten en/of pluimvee nabij de locatie worden gehouden dan is het belangrijk dat de afstand tot de locatie voldoende groot is om mogelijke gevolgen voor de volksgezondheid te voorkomen. Voor een voldoende grote afstand wordt daarbij uitgegaan van een afstand van 250 meter.

De dichtstbijzijnde veehouderij, anders dan een varkenshouderij, geitenhouderij en/of een pluimveehouderij betreft de veehouderij aan de Vorstenbosseweg 6a en is, gemeten vanaf het bouwvlak van de betreffende veehouderij, gelegen op een afstand van ongeveer 53 meter van het gevoelige gebouw op de locatie.

Stap 6: Mestbewerking of mestverwerking:

In deze stap wordt getoetst of in de omgeving van de locatie sprake is van de bewerking of verwerking van mest als zelfstandige activiteit. Als sprake is van het bewerken of verwerken van mest in de omgeving dan kan sprake zijn van mogelijke gevolgen voor de volksgezondheid op de locatie.

In de nabije omgeving van de locatie is geen sprake van de bewerking en/of verwerking van mest als zelfstandige activiteit. Daarmee is geen sprake van mogelijke gevolgen van de mestbewerking of mestverwerking als zelfstandige activiteit voor de volksgezondheid op de locatie. Aan de hand van deze stap is daarmee geen verder advies van de GGD nodig.

Stap 7: Ongerustheid bij omwonenden:

In deze stap wordt getoetst of sprake is van ongerustheid ten aanzien van de volksgezondheid bij gebruikers van de locatie als gevolg van activiteiten in de omgeving. Dit is met name van belang als sprake is van andere gebruikers op de locatie dan de initiatiefnemer zelf.

De initiatiefnemer is zelf de gebruiker van de op te richten en/of te wijzigen gevoelige gebouwen en/of locaties op de locatie en heeft zelf geen ongerustheid voor de volksgezondheid vanuit activiteiten in de omgeving naar voren gebracht. Aan de hand van deze stap is daarmee geen verder advies van de GGD nodig. Daarnaast zal initiatiefnemer eventuele volgende koper(s) wijzen op het risico dat de locatie gelegen is binnen een straal van 2 kilometer van een geitenhoudeij en er een verhoogd risico voor de volksgezondheid geldt.

Daarmee is het initiatief voldoende afgewogen op het gebied van volksgezondheid en wordt het initiatief als aanvaardbaar beschouwd.

7.5 Energietransitie

Het gebruik van fossiele brandstoffen betekent een eindige bron van energie. Daarnaast komt bij het gebruik ervan een grote hoeveelheid schadelijke stoffen voor het klimaat vrij als broeikasgassen. Het is daarom van belang te zoeken naar meer duurzame en schone manieren voor het opwekken van energie. Vanuit Europese wetgeving wordt gestuurd op een energieneutrale samenleving, waarbij alle gebruikte energie op een duurzame en schone manier wordt opgewekt.

Dit betekent dat er op veel plekken nog een behoorlijke opgave ligt om dit te bereiken. Er is een geleidelijke overgang van het gebruik van fossiele brandstoffen naar duurzame energie nodig, een zogenaamde energietransitie. Vanuit een duurzame samenleving biedt de Omgevingswet mogelijkheden om regels voor energietransitie vast te leggen in een omgevingsplan.

De gemeente Bernheze heeft nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Daarmee is nog geen sprake van een omgevingsplan waarin regels en/of omgevingswaarden voor energietransitie zijn opgenomen. Tot die tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt waarin deze regels en/of omgevingswaarden zijn opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige bestemmingsplannen en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.

In het geldende omgevingsplan zijn nog geen specifieke regels of omgevingswaarden voor energietransitie opgenomen. Wel is het van belang dat bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen al rekening wordt gehouden met mogelijkheden voor energietransitie.

Met de beëindiging van de intensieve veehouderij zal de uitstoot van broeikasgassen aanzienlijk afnemen. De gehouden varkens en vleeskalveren hebben een grote emissie van broeikasgassen. Daarnaast is het van belang dat de stallen op de juiste temperatuur worden gehouden, waardoor er met name in de koudere maanden flink gestookt moet worden. Ook dit leidt tot een grote emissie van broeikasgassen.

Met het initiatief wordt de intensieve veehouderij in zijn geheel beëindigd. Er worden geen dieren meer gehouden, waardoor de emissie van broeikasgassen vanuit de gehouden dieren in zijn geheel komt te vervallen. Daarnaast is er in de gewenste situatie geen sprake meer van stallen die op temperatuur gehouden moeten worden, waardoor er aanzienlijk minder hoeft te worden gestookt. Ook de uitstoot van broeikasgassen door het verwarmen van de stallen komt in zijn geheel te vervallen. Het initiatief draagt daarmee bij aan de klimaatdoelstellingen.

Door de beëindiging van de intensieve veehouderij en het gebruik van de locatie als burgerwoning zal het energieverbruik op de locatie aanzienlijk afnemen. Dit draagt bij aan een vermindering van het gebruik van fossiele brandstoffen voor het opwekken van energie. Het initiatief draagt daarmee bij aan de energietransitie.

Het nieuwe bijgebouw bij de woning wordt opgericht volgens de huidige eisen ten aanzien van duurzaamheid en energie. Daarbij wordt dit goed geïsoleerd. Ook dit draagt bij aan een verlaging van het energieverbruik ter plaatse.

Het initiatief draagt daarmee bij aan de doelstellingen voor de energietransitie en/of zal deze doelstellingen niet in de weg staan.

7.6 Klimaatadaptatie

Het klimaat verandert. Steeds vaker is sprake van perioden van droogte afgewisseld met perioden van hevige regenval. Daarnaast komen hevige buien steeds vaker voor. Het is belangrijk om met ontwikkelingen rekening te houden met het veranderende klimaat. Daarbij is het belangrijk om te ontwikkelen met het oog op de mogelijke risico's van wateroverlast door overvloedige neerslag, overstromingen, hitte en droogte. Verder is het van belang te ontwikkelen op manieren om verdere opwarming van de aarde door broeikasgassen te voorkomen.

Vanuit een duurzame samenleving biedt de Omgevingswet mogelijkheden om regels voor klimaatadaptatie vast te leggen in een omgevingsplan.

De gemeente Bernheze heeft nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Daarmee is nog geen sprake van een omgevingsplan waarin regels en/of omgevingswaarden voor klimaatadaptatie zijn opgenomen. Tot die tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt waarin deze regels en/of omgevingswaarden zijn opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige bestemmingsplannen en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.

In het geldende omgevingsplan zijn nog geen specifieke regels of omgevingswaarden voor klimaatadaptatie opgenomen. Wel is het van belang dat bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen al rekening wordt gehouden met mogelijkheden voor klimaatadaptatie. Daarbij wordt gekeken naar de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen, het voorkomen van wateroverlast door overvloedige neerslag, eventuele risico's voor overstromingen, het voorkomen van hittestress en het rekening houden met droogte.

Vermindering uitstoot broeikasgassen:

Met de beëindiging van de intensieve veehouderij zal de uitstoot van broeikasgassen aanzienlijk afnemen. De gehouden varkens en vleeskalveren hebben een grote emissie van broeikasgassen. Daarnaast is het van belang dat de stallen op de juiste temperatuur worden gehouden, waardoor er met name in de koudere maanden flink gestookt moet worden. Ook dit leidt tot een grote emissie van broeikasgassen.

Met het initiatief wordt de intensieve veehouderij in zijn geheel beëindigd. Er worden geen dieren meer gehouden, waardoor de emissie van broeikasgassen vanuit de gehouden dieren in zijn geheel komt te vervallen. Daarnaast is er in de gewenste situatie geen sprake meer van stallen die op temperatuur gehouden moeten worden, waardoor er aanzienlijk minder hoeft te worden gestookt. Ook de uitstoot van broeikasgassen door het verwarmen van de stallen komt in zijn geheel te vervallen. Het initiatief leidt daarmee tot een aanzienlijke afname van de uitstoot van broeikasgassen.

Voorkomen van wateroverlast door overvloedige neerslag:

Met het initiatief wordt, zoals nader omschreven in de paragraaf "Afvoer van hemelwater" (paragraaf 7.7.4) voorzien in voldoende aanvullende waterberging om het hemelwater tijdens maatgevende buien te kunnen opvangen en te bergen. Er zal daarbij worden voorzien in voldoende capaciteit om overlast te voorkomen. Het initiatief draagt daarmee bij aan het voorkomen van wateroverlast door overvloedige neerslag.

Overstromingen:

De locatie is niet nabij een waterkering of een grote rivier, meer of zee gelegen. Daarnaast is de locatie relatief hoog gelegen (gemiddeld 8,6 meter) ten aanzien van het Nieuw Amsterdams Peil (NAP). Daarmee is de kans op overstromingen op de locatie relatief laag.

Vanuit de Atlas Leefomgeving van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) is voor de locatie opgenomen dat de locatie niet zal overstromen. Dat betreft geen grote kans op een overstroming.

Verder zijn de eerste en tweede verdieping van de woning en/of de daken van de bijgebouwen veilig, waardoor er bij een overstroming daar toevlucht kan worden gezocht.

Er is daarmee met het initiatief geen sprake van onaanvaardbare risico's voor overstromingen.

Voorkomen van hittestress:

Het nieuwe bijgebouw zal in zijn geheel worden opgericht volgens de huidige eisen ten aanzien van energie, duurzaamheid en isolatie. Bij het oprichten daarvan zal rekening worden gehouden met het gebruik van materialen die niet leiden tot een grote uitstraling van hitte.

Daarnaast wordt de voormalige bedrijfsbebouwing verder in zijn geheel gesloopt. Daarmee is er minder sprake van bebouwing die hitte uitstraalt op het erf.

Verder wordt ter plaatse voorzien in waterberging, waarmee water langer in het gebied kan worden vastgehouden. Daarnaast is voldoende oppervlaktewater in de omgeving aanwezig, wat een verkoelend effect heeft.

Met het initiatief wordt daarmee voldoende rekening gehouden met de mogelijke gevolgen van hittestress en/of het initiatief staat de doelstellingen voor het voorkomen van hittestress niet in de weg.

Rekening houden met droogte:

In de omgeving van de locatie is voldoende oppervlaktewater aanwezig. Daarnaast wordt voorzien in extra waterberging, waarin water langer in het gebied kan worden vastgehouden. Dit draagt bij aan het voorkomen van droogte.

Daarnaast wordt ten behoeve van het initiatief voorzien in een goede, bij het gebied passende landschappelijke inpassing. Daarbij worden nieuwe groene landschappelijke elementen aangelegd. Deze dragen bij aan het langer kunnen vasthouden van water in het gebied en het op peil houden van de grondwaterstand.

Met het initiatief wordt daarmee voldoende rekening gehouden met het voorkomen van droogte en/of het initiatief staat de doelstellingen voor het voorkomen van droogte niet in de weg.

Op basis van het voorgaande wordt met het initiatief voldoende rekening gehouden met klimaatadaptatie en/of staat het initiatief de doelstellingen voor klimaatadaptatie niet in de weg.

7.7 Water en watersystemen

Het watersysteem is een belangrijk onderdeel van de fysieke leefomgeving. Belangrijke opgaven ten aanzien van water zijn het voorkomen en beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste. Zeker in samenhang met het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit. Daarbij dient aandacht te zijn voor zowel het oppervlaktewater als het grondwater.

Vanuit de Omgevingswet staat de weging van het waterbelang centraal als het gaat om het watersysteem. Bij het opstellen van een omgevingsplan moeten gemeenten rekening houden met de gevolgen van activiteiten voor het beheer van watersystemen. Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de gemeente voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder betrekken.

De locatie valt onder het werkgebied van het waterschap Aa en Maas. Daarmee is het waterschap Aa en Maas de waterbeheerder en moeten de opvattingen van het waterschap door de gemeente worden betrokken bij het opstellen van het omgevingsplan.

Het beleid van het waterschap is al eerder omschreven en afgewogen in de paragraaf "Beleid Waterschap" (paragraaf 6.3). Wel moet nog een zorgvuldige afweging van het initiatief worden gemaakt ten aanzien van het watersysteem en de kwaliteit van het oppervlaktewater en grondwater. Daarbij is ook de eventuele afvoer van hemelwater belangrijk.

7.7.1 Waterveiligheid

Waterveiligheid gaat over de bescherming tegen overstromingen. Dit gebeurt met waterkeringen, zoals bijvoorbeeld dijken en duinen. Daarnaast draagt ook het beheren van de waterwegen, zoals rivieren en meren, bij aan het beschermen tegen overstromingen.

Gemeenten moeten in het omgevingsplan regels opnemen over de waterveiligheid. Bij het opstellen van deze regels moeten de gemeenten rekening houden met de uitgangspunten over waterveiligheid zoals zijn opgenomen in de Nationale Omgevingsvisie van de Rijksoverheid. Daarbij gaat het dan vooral over het toestaan van activiteiten in de omgeving van een waterkering.

De gemeente Bernheze heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan opgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de regels voor waterveiligheid hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige bestemmingsplannen en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.

De locatie is niet in de buurt van een waterkering gelegen. Het initiatief maakt daarmee geen activiteiten in de omgeving van een waterkering mogelijk. Er is met het initiatief dan ook geen sprake van een mogelijke aantasting van de werking van waterkeringen.

7.7.2 Oppervlaktewater

Oppervlaktewater is al het water in meren, sloten, plassen, vijvers, kanalen, beekjes en rivieren. De kwaliteit van het oppervlaktewater is onder andere belangrijk voor zwemmen en drinkwaterwinning. Het is daarbij van belang dat er voldoende oppervlaktewater beschikbaar is (kwantiteit) en dat dit oppervlaktewater chemisch schoon en ecologisch gezond is (kwaliteit).

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn normen opgenomen waaraan de kwaliteit van het water in Nederland moet voldoen, waarbij een onderverdeling is gemaakt tussen het behalen van een goede ecologische toestand en een goede chemische toestand. Dit vertaalt zich vooral in het stellen van regels voor een maximale concentratie aan schadelijke stoffen in het oppervlaktewater.

Verder is het belangrijk dat oppervlaktewateren goed beheerd kunnen worden. Voor een aantal oppervlaktewateren is daarom een beschermingszone of zone die vrij moet blijven van obstakels opgenomen.

Zoals te zien in de volgende afbeelding is de locatie in de buurt van een oppervlaktewater gelegen. Het betreft een A-watergang die aan de zuidzijde en oostzijde van de locatie is gelegen. Deze watergang heeft een beschermingszone van 5 meter aan weerszijden. Binnen deze beschermingszone is geen bebouwing aanwezig. Daarnaast vinden binnen de beschermingszone geen werkzaamheden plaats, waarmee geen sprake is van een mogelijke aantasting van de betreffende watergang, de beschermingszone en/of van een mogelijke beperking van het onderhoud aan de betreffende watergang.

afbeelding "i_NL.IMRO.1721.TAM22o-VG01_0006.png"

Uitsnede legger oppervlaktewateren.
Bron: Legger waterschap Aa en Maas.

Verder is het behoud van een goede ecologische toestand en een goede chemische toestand belangrijk. Het initiatief voorziet niet in activiteiten met stoffen die het oppervlaktewater kunnen verontreinigen. Er is/wordt daarnaast alleen gebruik gemaakt van duurzame en niet-uitloogbare bouwmaterialen. Het initiatief zal de doelstellingen voor het behoud van een goede ecologische toestand en een goede chemische toestand daarmee niet in de weg staan.

7.7.3 Grondwater

Het grondwater maakt deel uit van de fysieke leefomgeving en verdient daarom bescherming. Meer dan de helft van het drinkwater wordt namelijk bereid uit grondwater. Er moet sprake zijn van voldoende grondwater (kwantiteit) en dat dit grondwater chemisch schoon en ecologisch gezond is (kwaliteit). Het in stand houden van het peil van het grondwater speelt daarnaast een belangrijke rol.

Gemeenten nemen in de omgevingsvisie en in de eventuele programma's doelstellingen op over hoe met het grondwater omgegaan moet worden. Daarbij wordt een afweging gemaakt van de verschillende functies van het grondwater. Deze doelstellingen en afwegingen worden vervolgens vertaald in regels in het geldende omgevingsplan. Gemeenten mogen daarbij aanvullende regels stellen voor de onttrekking van grondwater en voor activiteiten die het grondwater mogelijk kunnen verontreinigen.

De gemeente Bernheze heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan opgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de regels voor het grondwater hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige bestemmingsplannen en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.

Met het initiatief is geen sprake van activiteiten die het grondwater onttrekken aan de bodem. Er is daarnaast geen sprake van activiteiten die kunnen leiden tot een structurele wijziging van het grondwaterpeil. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot een mogelijke belemmering voor het in stand houden van het grondwaterpeil.

Het initiatief zal daarmee geen nadelige gevolgen hebben voor de kwantiteit van het grondwater.

Daarnaast is de bescherming van de kwaliteit van het grondwater belangrijk. Daarbij is het behoud van een goede ecologische toestand en een goede chemische toestand belangrijk. Voor een goede ecologische toestand en een goede chemische toestand moeten mogelijke verontreinigingen van het grondwater zoveel mogelijk worden voorkomen.

Het initiatief voorziet niet in activiteiten met stoffen die het grondwater kunnen verontreinigen. Er is/wordt daarnaast alleen gebruik gemaakt van duurzame en niet-uitloogbare bouwmaterialen. Het initiatief zal de doelstellingen voor het behoud van een goede ecologische toestand en een goede chemische toestand daarmee niet in de weg staan.

Het initiatief zal daarmee geen nadelige gevolgen hebben voor de kwaliteit van het grondwater.

Verder is de grondwaterstand van belang bij eventuele (ver)bouwwerkzaamheden. Er moet bij de (ver)bouw namelijk voldoende rekening worden gehouden met de stand van het grondwater om eventuele overlast te voorkomen.

Met het initiatief is sprake van (ver)bouwwerkzaamheden. Daarmee dient voldoende rekening gehouden te worden met de grondwaterstand op de locatie. Volgens gegevens uit de Bodematlas van Wageningen University & Research bedraagt de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) ter plaatse tussen de 39 en 43 centimeter onder maaiveld.

De grondwaterstand op de locatie is daarmee relatief hoog, waarmee mogelijk aanvullende maatregelen getroffen moeten worden om overlast vanuit het grondwater te voorkomen. Bij de bouw van het nieuwe bijgebouw zullen indien nodig bij de aanvraag van de omgevingsvergunning en tijdens de werkzaamheden, in overleg met de gemeente en het waterschap, aanvullende maatregelen worden getroffen om wateroverlast in het nieuwe bijgebouw te voorkomen.

7.7.4 Afvoer van hemelwater

Gemeenten moeten zorgen voor de inzameling en de verwerking van hemelwater dat afvloeit vanuit het openbaar terrein. De gemeente hoeft niet te zorgen voor de afvoer van hemelwater van particuliere terreinen. Daarvoor zijn de eigenaren van de particuliere terreinen zelf verantwoordelijk. Alleen als het niet redelijk is om aan de eigenaren van een particulier terrein te vragen het hemelwater af te voeren, bijvoorbeeld als er geen oppervlaktewater in de buurt is waarop zij kunnen lozen of als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, dan is de gemeente alsnog verantwoordelijk voor de afvoer van het hemelwater van dat terrein.

De gemeente en/of de eigenaren van particuliere terreinen moeten voorzieningen aanbrengen waarin het hemelwater kan worden geloosd. Het is niet wenselijk om schoon hemelwater af te voeren naar de rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi). Daarom heeft het de voorkeur om het schone hemelwater terug te brengen in het lokale milieu of, als dat niet mogelijk is, af te voeren via een schoonwaterriool. Als hemelwater verontreinigd raakt, door bijvoorbeeld een verontreinigd terrein, dan moet dit eerst worden gezuiverd met een speciale voorziening voordat dit mag worden teruggebracht in het lokale milieu.

Gemeenten maken een afweging van hoe en wanneer hemelwater moet worden afgekoppeld op basis van het lokale beleid voor hemelwater, dat zij opnemen in de gemeentelijke omgevingsvisie of in een gemeentelijk rioleringsprogramma. Zij stemmen dit af met de waterbeheerder in de regio. In veel gevallen zal een gemeente kiezen voor een aansluiting bij het beleid van de waterbeheerder voor het afkoppelen van hemelwater. Gemeenten kunnen er echter voor kiezen om afwijkend beleid op te nemen in het gemeentelijk rioleringsprogramma.

Het waterschap Aa en Maas is de waterbeheerder en hanteert de volgende normen voor de afvoer van hemelwater:

  • Voor ontwikkelingen waarbij het verharde oppervlak niet toeneemt of met minder dan 500 m² toeneemt is geen aanvullende compensatie nodig.
  • Voor ontwikkelingen waarbij het verharde oppervlak toeneemt met meer dan 500 m², maar minder dan 10.000 m², dient compenserende waterberging te worden toegepast. Hiervoor dient gebruik te worden gemaakt van de rekenregel.
  • Voor ontwikkelingen waarbij het verharde oppervlak toeneemt met 10.000 m² of meer dient in overleg met het waterschap maatwerk te worden toegepast. Hiervoor is eveneens een omgevingsvergunning nodig.

Met het initiatief zal het verhard oppervlak ter plaatse aanzienlijk afnemen. Vanuit het beleid van het waterschap is daarmee sprake van een hydrologisch neutrale ontwikkeling en is geen verdere compenserende waterberging nodig.

Daarnaast heeft de gemeente Bernheze het programma Water en Riolering genaamd 'Zonder water geen later' voor 2024 t/m 2027 vastgesteld. Hierin zijn specifieke regels opgenomen voor hemelwater bij nieuwbouw.

afbeelding "i_NL.IMRO.1721.TAM22o-VG01_0007.png"

Omdat er 500 m² aan bijgebouwen wordt gewenst, moet er op het erf een waterberging van 70 mm worden gerealiseerd. Hiermee kan het initiatief voldoen aan de normen voor het afkoppelen van hemelwater, mits er voldoende compenserende waterberging aanwezig is. Voor dit initiatief is minimaal 35 m³ aan waterberging noodzakelijk.Het is belangrijk dat deze bergingsvoorziening wordt aangelegd boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG), zodat het water kan infiltreren of vertraagd kan afstromen naar het oppervlaktewater. Ter plaatse ligt de GHG gemiddeld op 0,45 meter onder het maaiveld. Dit betekent dat er voor de benodigde compenserende waterberging minimaal 78 m² aan oppervlakte beschikbaar moet zijn.In de landschappelijke inpassing, zoals weergegeven in bijlage 1, is een infiltratiesloot opgenomen met een oppervlakte van 125 m2 die voldoet aan deze vereiste waterberging. Deze infiltratiesloot zorgt ervoor dat aan de waterbergingsnormen wordt voldaan.

7.8 Wegen, verkeer en parkeren

Vanuit de Omgevingswet wordt ingezet op een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Mobiliteit maakt deel uit van de fysieke leefomgeving en moet daarom worden meegenomen in de afweging van de mogelijke effecten van een ontwikkeling op de fysieke leefomgeving.

Voor de infrastructuur van de Rijksoverheid zijn in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) instructieregels opgenomen voor de provincies en gemeenten. De provincies en gemeenten kunnen het beleid voor mobiliteit verder invullen.

Nieuwe ontwikkelingen mogen niet leiden tot problemen op de omliggende wegen. Er moeten daarnaast voldoende parkeerplaatsen en fietsenstallingen gerealiseerd worden. Wat daarbij voldoende is dat is afhankelijk van de locatie en het gemeentelijke beleid daarvoor.

7.8.1 Infrastructuur

Vanuit de Omgevingswet wordt gestuurd op een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem en het in stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur. Daarbij mogen nieuwe ontwikkelingen niet leiden tot problemen op de omliggende wegen. Het is daarom belangrijk om te kijken naar de mogelijke effecten van een ontwikkeling op de omliggende wegen.

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn instructieregels opgenomen voor autosnelwegen, autowegen en hoofdspoorwegen, Rijksvaarwegen en landelijke fiets- en wandelroutes. Daarnaast zijn regels opgenomen over het voorkomen van belemmeringen voor het gebruik en beheer van de hoofdspoorweginfrastructuur en de Rijkswegen.

De locatie is niet nabij een autosnelweg, autoweg, hoofdspoorweg, Rijksvaarweg en/of landelijke fiets- of wandelroute gelegen. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot mogelijke belemmeringen voor het gebruik en het beheer van de hoofdspoorweginfrastructuur, Rijksvaarwegen en/of de Rijkswegen.

Voor het beheer van de provinciale infrastructuur kan de provincie aanvullende regels opnemen in de provinciale omgevingsverordening. Daarbij kan de provincie ook gebieden aanwijzen die gereserveerd zijn voor wijzigingen in het provinciaal weggennet.

De locatie is niet nabij een provinciale weg gelegen. De locatie is ook niet in een gebied gelegen dat is aangewezen voor eventuele wijzigingen in het provinciale weggennet. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot mogelijke belemmeringen voor het gebruik en het beheer van de provinciale infrastructuur.

Voor de overige infrastructuur mogen nieuwe ontwikkelingen niet leiden tot belemmeringen daarvan. Hiervoor kunnen gemeente, waar nodig, aanvullende regels opnemen in het omgevingsplan. Of aanvullende regels nodig zijn is afhankelijk van het type infrastructuur en de locatie daarvan.

De gemeente Bernheze heeft nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Daarmee is nog geen sprake van een omgevingsplan waarin regels voor infrastructuur zijn opgenomen. Tot die tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt waarin deze regels zijn opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige bestemmingsplannen en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.

De locatie is niet nabij een van de soorten infrastructuur gelegen waarvoor in het omgevingsplan aanvullende regels zijn opgenomen. Het initiatief zal daarnaast ook niet leiden tot wijzigingen aan de bestaande infrastructuur. Daarmee zal het initiatief niet leiden tot problemen op de omliggende wegen.

7.8.2 Verkeersbewegingen

Als met een nieuwe ontwikkeling sprake is van een grote toename van het aantal verkeersbewegingen dan kan dit leiden tot verkeershinder in de omgeving. Het is daarom belangrijk om in beeld te brengen wat voor gevolgen een ontwikkeling heeft op de verkeersgeneratie (het aantal verkeersbewegingen als gevolg van een activiteit). Gemeenten kunnen voor de verkeersgeneratie van activiteiten richtlijnen of normen opnemen in het geldende omgevingsplan.

Met het initiatief is sprake van de beëindiging van een intensieve veehouderij, waarbij de bestaande bedrijfswoning wordt omgeschakeld naar een burgerwoning. De huidige bedrijfswoning heeft een aantal verkeersbewegingen tot gevolg. De woning blijft na omschakeling echter in gebruik als woning en het type woning verandert niet. Ook de gebruikers van de woning veranderen niet, waarmee het aantal verkeersbewegingen vanuit de woning gelijk blijft en niet wijzigt.

Met de beëindiging van de intensieve veehouderij komen de verkeersbewegingen vanuit de intensieve veehouderij in zijn geheel te vervallen. Daarmee zal het aantal verkeersbewegingen van en naar de locatie aanzienlijk afnemen. Bij de intensieve veehouderij is daarnaast sprake van veel verkeersbewegingen met vrachtverkeer. Na de beëindiging van de intensieve veehouderij zal geen sprake meer zijn van verkeersbewegingen met vrachtverkeer.

Mogelijk zal op termijn in het nieuw op te richten bijgebouw bij de woning een beroep aan huis worden uitgevoerd. Dit zal geheel plaatsvinden volgens de regels uit het geldende omgevingsplan. Er mag daarbij geen sprake zijn van een onevenredig verkeersaantrekkende werking. Het beroep aan huis zal zeer kleinschalig zijn, waardoor het aantal verkeersbewegingen als gevolg van het beroep aan huis aanzienlijk lager zal zijn dan de huidige verkeersbewegingen vanuit de intensieve veehouderij.

Het aantal verkeersbewegingen zal met het initiatief daarmee (aanzienlijk) afnemen. Daarmee zal met het initiatief geen sprake zijn van verkeershinder in de omgeving.

7.8.3 Parkeren

Met het oog op een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit is het belangrijk dat wordt voorzien in een goed beleid voor het parkeren. Hiervoor kunnen gemeenten specifieke regels en normen opnemen in het omgevingsplan.

De gemeente Bernheze heeft nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Daarmee is nog geen sprake van een omgevingsplan waarin regels voor parkeren zijn opgenomen. Tot die tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt waarin deze regels zijn opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige bestemmingsplannen en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.

Bij nieuwe ontwikkelingen moet zoveel mogelijk worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid op het eigen terrein. Daarbij is het belangrijk dat wordt voldaan aan de parkeernormen uit het geldende omgevingsplan.

Met het initiatief is sprake van de beëindiging van een intensieve veehouderij, waarbij de bestaande bedrijfswoning wordt omgeschakeld naar een burgerwoning. De om te schakelen bedrijfswoning is in gebruik als woning en blijft in gebruik als woning. De gebruikers van de woning en het type woning wijzigen niet. Daarmee heeft de om te schakelen woning dezelfde parkeerbehoefte als de huidige woning. In de huidige situatie is bij de woning voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein, waarmee ook na omschakeling sprake is van voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein.

Met de beëindiging van de intensieve veehouderij komt de eventuele aanvullende parkeerbehoefte vanuit het bedrijf in zijn geheel te vervallen. De parkeerbehoefte ter plaatse zal daarmee juist eerder afnemen.

Met het initiatief kan, op termijn, mogelijk sprake zijn van het uitvoeren van een beroep aan huis in het nieuw op te richten bijgebouw. Dit zal geheel plaatsvinden volgens de regels uit het geldende omgevingsplan. Daarbij mag geen sprake zijn van een onevenredige publieksaantrekkende werking. De parkeerbehoefte is daarmee zeer beperkt en lager dan die van de huidige intensieve veehouderij. Om echter ter plaatse zeker te zijn van voldoende parkeergelegenheid zal aan de voorzijde van het nieuw op te richten bijgebouw worden voorzien in een parkeerplaats met ruimte voor minimaal 4 parkeerplaatsen. Eventueel biedt de verharding ruimte aan nog meer parkeerplaatsen als dit nodig blijkt. Daarmee wordt geborgd dat op eigen terrein, ook op termijn, voldoende parkeergelegenheid aanwezig is. De gewenste parkeergelegenheid is opgenomen in het landschappelijk inrichtingsplan dat ten behoeve van het initiatief is opgesteld (zie bijlage 1 van deze toelichting).

7.9 Groen en natuur

De natuur maakt volgens de definitie uit de Omgevingswet onderdeel uit van de fysieke leefomgeving. De bescherming van de natuur en de natuurlijke waarden maakt daarmee deel uit van de Omgevingswet. Zowel de Rijksoverheid als de provincies en gemeenten nemen doelstellingen op in hun eigen omgevingsvisie om de natuur en natuurlijke waarden te beschermen. Daarnaast kunnen provincies aanvullende regels voor de bescherming van de natuur en natuurlijke waarden opnemen in de omgevingsverordening en kunnen gemeenten dit doen in het omgevingsplan.

Onder de Omgevingswet is in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) een specifieke zorgplicht opgenomen voor de bescherming van Natura 2000 gebieden, houtopstanden en soorten flora en fauna. Daarnaast geldt vanuit de Omgevingswet een algemene zorgplicht voor de bescherming van de natuur en natuurlijke waarden, waarbij ook het Natuurnetwerk Nederland beschermd moet worden.

De Natura 2000-gebieden en de soorten flora en fauna zijn verderop in deze toelichting omschreven in de paragrafen "Natuur - Gebiedsbescherming (stikstofdepositie)" (paragraaf 7.10.2) en "Natuur - Soortenbescherming (flora en fauna)" (paragraaf 7.10.1). Derhalve zijn in deze paragraaf alleen het onderdeel houtopstanden en het onderdeel Natuurnetwerk Nederland beschreven.

7.9.1 Houtopstanden

In de Omgevingswet staan regels over het vellen van houtopstand en herbeplanten om bossen te beschermen. Degene die een dergelijke activiteit uitvoert moet aan die regels voldoen. Een houtopstand is een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend. Het (deels) vellen ervan zorgt ervoor dat die verdwijnen of beschadigd raken. Herbeplanten zorgt voor nieuwe houtopstand.

De regels voor het vellen van houtopstanden en herbeplanten gelden in beginsel voor alle houtopstanden. In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) staan echter gevallen waarvoor deze regels niet van toepassing zijn, de zogenaamde uitzonderingsgevallen.

Gemeenten moeten een bebouwingscontour houtkap vaststellen en opnemen in het omgevingsplan. Houtopstanden binnen deze contour gelden altijd als uitzondering vanuit het Bal.

Verder zijn de volgende gevallen uitgezonderd van de regels:

  • Houtopstanden op erven of in tuinen.
  • Bomen en struiken die specifiek voor het oogsten van fruit, noten of vruchten zijn geteeld.
  • Houtopstanden die windschermen om boomgaarden vormen.
  • Naaldbomen die duidelijk bedoeld zijn als kerstbomen én niet ouder zijn dan 20 jaar.
  • Kweekgoed.
  • Populieren of wilgen van:
    • 1. wegbeplantingen;
    • 2. beplantingen langs waterwegen;
    • 3. eenrijige beplantingen langs landbouwgronden.
  • Het dunnen van een houtopstand om de groei van de overblijvende houtopstand te bevorderen, bijvoorbeeld als onderdeel van het reguliere onderhoud van de houtopstand.
  • Beplantingen die bestaan uit populieren, wilgen, essen of elzen en duidelijk bedoeld zijn voor de productie van houtige biomassa onder de volgende voorwaarden:
    • 1. het oogsten vindt minstens 1 keer per 10 jaar plaats;
    • 2. de beplantingen bestaan uit minstens 10.000 stoven per ha per beplantingseenheid;
    • 3. een beplantingseenheid moet bestaan uit aaneengesloten beplanting zonder doorsnijding door meer dan 2 m brede onbeplante stroken;
    • 4. de beplantingen zijn aangelegd na 1 januari 2013.
  • Houtopstanden met een oppervlakte van minder dan 10 are. Het gaat hier om de oppervlakte van de totale houtopstand dus niet alleen van het te vellen deel.
  • houtopstanden die bestaan uit een rijbeplanting van maximaal 20 bomen (gerekend over het totaal aantal rijen). Het gaat hier om het aantal bomen in rijbeplanting van de totale houtopstand dus niet alleen het aantal te vellen bomen.

Met het initiatief is geen sprake van het vellen van houtopstanden en/of worden uitsluitend houtopstanden geveld die vanuit het Bal zijn aangemerkt als uitzondering op de regels voor het vellen van houtopstanden. De aanvullende regels over het vellen van houtopstand en herbeplanten om bossen te beschermen zijn daarmee niet van toepassing op het initiatief.

7.9.2 Natuurnetwerk Nederland

De natuur maakt vanuit de Omgevingswet deel uit van de fysieke leefomgeving. Voor de bescherming van de natuur en natuurlijke waarden geldt, naast een specifieke zorgplicht voor Natura 2000-gebieden, houtopstanden en soorten flora en fauna, een algemene zorgplicht. Vanuit deze algemene zorgplicht geldt ook voor de gebieden die zijn aangewezen als Natuurnetwerk Nederland (NNN) een aanvullende bescherming.

Het NNN is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor planten en dieren. Robuuste leefgebieden voor flora en fauna zijn nodig om het uitsterven van soorten te voorkomen. Het netwerk is er daarnaast ook voor rust en recreatie, voor mensen die willen genieten van de schoonheid van de natuur. Voor het NNN geldt dat het natuurbelang in deze gebieden prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen leiden tot aantasting of beperking van de natuurdoelen.

Het NNN is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Planten en dieren kunnen zich zo van het ene naar het andere gebied verplaatsen. Op plekken waar gaten in het netwerk zitten, leggen de provincies nieuwe natuur aan. De provincies zijn verantwoordelijk voor begrenzing en ontwikkeling van het NNN en stellen hier zelf beleid voor op.

De provincie Noord-Brabant heeft het NNN opgenomen in het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en heeft voor het behoud en de bescherming van deze gebieden specifieke regels vastgelegd in de omgevingsverordening.

Als een ontwikkeling binnen het NNN/NNB plaatsvindt dan moet worden aangetoond dat de activiteiten niet leiden tot beperkingen voor het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken in het gebied. In beginsel wordt in deze gebieden geen nieuwe bebouwing toegelaten. Eventueel kan in overleg met de provincie maatwerk worden toegepast. In dat geval dient het verlies aan ecologische waarden en kenmerken in het gebied te worden gecompenseerd.

Als een ontwikkeling niet binnen het NNN/NNB plaatsvindt, dan moet worden gekeken of de activiteiten kunnen leiden tot een aantasting van de ecologische waarden en kenmerken in het gebied. Dit wordt ook wel de externe werking genoemd. Als sprake is van mogelijke aantastingen dan moeten de negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt en moeten overblijvende negatieve effecten worden gecompenseerd. Dit geldt niet voor eventuele effecten door de verspreiding van stoffen in de lucht of in het water.

Nadelige effecten treden vooral op als binnen een afstand van 250 meter van het NNN/NNB activiteiten worden uitgevoerd met een uitstraling van licht, een uitstraling van geluid en/of een emissie van fijnstof.

Zoals te zien in de volgende afbeelding is de locatie niet in het NNN/NNB gelegen. Het dichtstbijzijnde gebied dat is opgenomen in het NNN/NNB is op een afstand van ongeveer 328 meter van de locatie gelegen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1721.TAM22o-VG01_0008.png"

Uitsnede kaart NNN/NNB.
Bron: Provincie Noord-Brabant.

Omdat de locatie niet in het NNN/NNB en/of binnen 250 meter daarvan is gelegen zal geen sprake zijn van een mogelijke aantasting van de ecologische kenmerken en waarden van de betreffende gebieden.

7.10 Milieu

7.10.1 Natuur - Soortenbescherming (flora en fauna)

In de Omgevingswet zijn regels opgenomen voor de bescherming van soorten flora en fauna. Vanuit deze regels moet de uitvoerder van een zogenaamde flora- en fauna activiteit controleren of en welke soorten dieren en planten aanwezig zijn bij het uitvoeren van de activiteit. Het is daarbij van belang of sprake is van een zogenaamde flora- en fauna activiteit. Een flora- en fauna activiteit is een activiteit die mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten heeft. Concreet betekent dit dat voor iedere activiteit in de fysieke leefomgeving moet worden gecontroleerd of er soorten aanwezig zijn en welke soorten dit dan zijn. Deze controle moet plaatsvinden voordat de activiteit wordt uitgevoerd.

Nadat deze controle heeft plaatsgevonden moet worden bepaald of nadelige effecten op deze mogelijk aanwezige soorten kunnen worden uitgesloten. Als nadelige gevolgen niet zijn uit te sluiten dan moet worden nagegaan wat de nadelige gevolgen zijn en moeten maatregelen genomen worden om nadelige gevolgen voor planten en dieren te voorkomen. Als deze maatregelen ook niet mogelijk blijken of geen effect blijken te hebben dan moet de activiteit stoppen of moeten passende herstelmaatregelen worden getroffen.

Voor het initiatief is een quickscan flora en fauna uitgevoerd, waarin is onderzocht of er ter plaatse mogelijk soorten aanwezig zijn, welke soorten mogelijk aanwezig zijn en wat de eventuele effecten van het initiatief op de (leefgebieden van de) betreffende soorten zijn. Uit deze quickscan blijkt het volgende:

"Door het literatuuronderzoek van de inventarisatie is aangetoond dat het mogelijk is dat in het gebied beschermde flora of fauna (voornamelijk vleermuizen, broed- en wintervogels) voor kunnen komen (zie inventarisatie Natuurloket).

In de nabijheid van het perceel zijn tijdens de veldbezoeken in april 2021 echter geen waarnemingen gedaan van schaarse soorten. Ook rondom het perceel zijn bij de inventarisaties geen waarnemingen gedaan van beschermde soorten (waaronder broed- / kraam- / verblijfplaatsen voor Huismussen, Gierzwaluwen en vleermuisssoorten).

Het veldonderzoek, uitgevoerd in de dag- en avondperiode op 6 april 2021, zijn binnen het broedvogelseizoen uitgevoerd. Desondanks is er speciale aandacht besteed aan andere kenmerken van broedende vogelsoorten. Onder andere uitwerpselen van broedvogelsoorten en hun kuikens, achtergebleven nestmaterialen, vraatsporen en uitwerpselen zijn kenmerken waarop speciaal is gelet.

Het veldonderzoek kan daarom als vrij uitvoerig worden beschouwd. Bij de inventarisatie is ook aandacht besteed aan verblijfplaatsen van vleermuizen en nestkasten en -mogelijkheden in het gebied. Bij de inventarisatie van de vleermuizen is extra aandacht besteed aan mestsporen, keutels en vraatsporen.

Volgens het Natuurnetwerk Nederland zijn geen ecologische verbindingszones (EVZ) of andere waardevolle natuurgebieden in de directe omgeving van de locatie gesitueerd. De dichtst bij zijnde EVZ is de Leijgraaf West op 400 meter afstand. Deze afstand is voldoende groot om te kunnen stellen dat de ontwikkeling geen negatieve invloed op de EVZ heeft.

Door de sloop van de vier stallen, wordt het karakter van het gebied positief beïnvloed. Het open karakter wordt door de sloop van de agrarische bebouwing versterkt. Er verdwijnen geen verblijfs- of broedmogelijkheden.

Bij de werkzaamheden dient niettemin aandacht te worden besteed aan eventuele verstoring van natuurwaarden in het algemeen. Door extra zorg hieraan de besteden tijdens de sloop- en bouwwerkzaamheden, wordt vermeden dat de dieren hiervan teveel hinder zullen ondervinden.

Op grond van deze inventarisatie gelden er geen belemmeringen voor de plannen op grond van de natuurwaarden."

Het volledige onderzoeksrapport van de uitgevoerde quickscan is opgenomen als bijlage 3 bij deze toelichting.

Het initiatief zal daarmee niet leiden tot een mogelijke verstoring en/of aantasting van (leefgebieden van) mogelijk voorkomende soorten flora en fauna.

7.10.2 Natuur - Gebiedsbescherming (stikstofdepositie)

Om de natuur te beschermen heeft de Rijksoverheid regels vastgesteld over activiteiten die een Natura 2000-gebied kunnen benadelen. Degene die een dergelijke activiteit uitvoert moet voldoen aan die regels, zoals de specifieke zorgplicht en een verplichting tot het geven van informatie bij zogenaamde "ongewone voorvallen". Ook kan hierbij een omgevingsvergunning verplicht zijn.

Voor de bescherming van Natura 2000-gebieden wordt onderscheid gemaakt in Natura 2000-activiteiten (activiteiten die significant nadelige gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied) en activiteiten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied, maar waarbij deze zeker niet significant zijn.

Een Natura 2000-activiteit kan plaatsvinden in een Natura 2000-gebied. Maar heel vaak vindt de activiteit juist plaats buiten een Natura 2000-gebied. Ook dan kan een activiteit effect op het Natura 2000-gebied hebben. Dit wordt dan de "externe werking van een Natura 2000-gebied" genoemd.

Als het effect significant kan zijn, moet de initiatiefnemer meestal een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit hebben. Als een activiteit niet significant is dan is geen sprake van een Natura 2000-activiteit en is meestal geen omgevingsvergunning nodig.

Om te bepalen of een activiteit significante gevolgen heeft voor Natura 2000-gebieden moet worden gekeken of de activiteit de instandhoudingsdoelen van het betreffende Natura 2000-gebied in gevaar kan brengen. Activiteiten die de kwaliteit van de habitats (leefgebieden) kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het betreffende gebied is aangewezen zijn daarbij aan te merken als significant.

Vanuit de specifieke zorgplicht voor Natura 2000-gebieden is het van belang om te bepalen of nadelige gevolgen op de betreffende gebieden zijn uit te sluiten. Als nadelige gevolgen niet zijn uit te sluiten dan moet worden nagegaan wat de nadelige gevolgen zijn en moeten maatregelen worden genomen om verslechterende of verstorende gevolgen te voorkomen. Als deze maatregelen ook niet mogelijk blijken of geen effect blijken te hebben dan moet de activiteit stoppen of moeten passende herstelmaatregelen worden getroffen.

Zoals te zien in de volgende afbeelding is de locatie niet in een Natura 2000-gebied gelegen. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek, is gelegen op een afstand van ongeveer 14,3 kilometer van de locatie. Op een dergelijke afstand kunnen activiteiten die op de locatie worden uitgevoerd nadelige gevolgen hebben op de betreffende gebieden. Daarom moet eerst verder worden bekeken welke activiteiten nadelige gevolgen kunnen hebben op de betreffende gebieden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1721.TAM22o-VG01_0009.png"

Uitsnede kaart Natura 2000-gebieden.
Bron: Aerius Calculator.

Activiteiten die nadelige gevolgen kunnen hebben op Natura 2000-gebieden zijn vooral de uitstraling van licht, geluid en trillingen naar de betreffende gebieden en de depositie (neerslag) van stikstof op de betreffende gebieden.

Vanwege de grote afstand van de locatie tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied zullen de effecten van de eventuele uitstraling van geluid, licht en/of trillingen die de activiteiten op de locatie kunnen veroorzaken niet leiden tot nadelige gevolgen op Natura 2000-gebieden. Deze zullen vanwege de afstand in de betreffende gebieden niet merkbaar zijn. De depositie van stikstof op de betreffende gebieden kan echter ook op grotere afstand leiden tot nadelige effecten.

Voor het initiatief zijn met het rekenprogramma Aerius Calculator berekeningen gemaakt om te bepalen of sprake is van een toename van de depositie van stikstof in de betreffende gebieden. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat geen sprake zal zijn van een toename van de depositie van stikstof op Natura 2000-gebieden.

De volledige resultaten van de uitgevoerde berekeningen zijn opgenomen als bijlage 4 bij deze toelichting.

Er is daarmee geen sprake van significant nadelige gevolgen op Natura 2000-gebieden, waarmee geen sprake is van het uitvoeren van een Natura 2000-activiteit.

7.10.3 Luchtkwaliteit

Vanuit de Omgevingswet is het van belang dat aandacht wordt geschonken aan een aanvaardbare kwaliteit van de buitenlucht (ook wel de luchtkwaliteit genoemd). Gemeenten moeten hier regels voor opstellen in het omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan instructieregels om een verslechtering van de luchtkwaliteit te voorkomen. Deze regels hebben de bedoeling de luchtkwaliteit te beschermen en te verbeteren.

Gemeenten moeten voor een aantal activiteiten de zogenaamde rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) in acht nemen. Behalve als een activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. De gemeente moet de luchtkwaliteit vooral toetsen binnen aangewezen aandachtsgebieden. De gemeente gaat na of toe te laten activiteiten gevolgen hebben voor de luchtkwaliteit binnen een aandachtsgebied. De gemeente doet dit voor activiteiten:

  • die gevolgen hebben voor het gebruik van wegen, water en spoor (verkeersaantrekkende werking); of
  • waarvoor luchtregels zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving.

Het kan dus ook gaan om activiteiten in een omgevingsplan van een gemeente in de buurt van een aandachtsgebied. Het gaat erom of de effecten zich uitstrekken tot binnen een aandachtsgebied.

Gemeenten dienen de normen voor luchtkwaliteit in het omgevingsplan op te nemen. De gemeente Bernheze heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de normen voor luchtkwaliteit hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige Wet milieubeheer en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.

De locatie is niet in of nabij een aangewezen aandachtsgebied voor zowel stikstofoxiden als fijnstof gelegen. De gehele gemeente Bernheze is echter wel aangemerkt als aandachtsgebied voor fijnstof. Om deze reden moet de gemeente voor fijnstof de zogenaamde rijksomgevingswaarden in acht nemen. Dit hoeft niet als een activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Voor de ter plaatse uitgevoerde activiteiten is het daarom van belang om te onderzoeken of het een NIBM ontwikkeling betreft.

Met het initiatief is sprake van de beëindiging van een intensieve veehouderij, waarbij de bestaande bedrijfswoning wordt omgeschakeld naar een burgerwoning. Met het beëindigen van de intensieve veehouderij komt de grote emissie van fijnstof en stikstofoxiden vanuit de intensieve veehouderij in zijn geheel te vervallen. Daarmee zullen de emissies van fijnstof en stikstofoxiden aanzienlijk afnemen als gevolg van het initiatief. Het initiatief zal daarmee juist een positief effect hebben op de luchtkwaliteit.

In het Bkl zijn daarnaast enkele gevallen aangewezen die standaard worden beschouwd als een NIBM ontwikkeling. Burgerwoningen worden standaard als NIBM beschouwd, mits geen sprake is van meer dan 1.500 nieuwe woningen bij één ontsluitingsweg en geen sprake is van meer dan 3.000 nieuwe woningen bij twee ontsluitingswegen. Met het initiatief is geen sprake van nieuwe woningen. Daarnaast is sprake van slechts één woning, waarmee de activiteit ter plaatse standaard als NIBM wordt beschouwd.

Omdat het initiatief als NIBM ontwikkeling is aan te merken zal geen sprake zijn van een verhoging van de concentratie van fijnstof en/of stikstofoxiden. Met de beëindiging van de intensieve veehouderij zal eerder sprake zijn van een verlaging van de concentraties van fijnstof en stikstofoxiden.

Naast de eventuele bijdrage van activiteiten aan de luchtkwaliteit moet ook gekeken worden naar de bijdrage van het verkeer als gevolg van het initiatief aan de luchtkwaliteit. Ook voor het verkeer moet worden nagegaan of dit gevolgen heeft voor de luchtkwaliteit.

Als sprake is van een toename van het aantal verkeersbewegingen dan kan het verkeer als gevolg van het initiatief gevolgen hebben voor de concentratie van fijnstof en/of stikstofoxiden in de buitenlucht. Met het initiatief zal, zoals verder omschreven in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 7.8.2), het aantal verkeersbewegingen echter niet toenemen, maar juist eerder afnemen. Er zal daarmee geen sprake zijn van een toename van de emissie van fijnstof en/of stikstofoxiden vanuit het verkeer, waarmee er geen sprake zal zijn van een verhoging van de concentratie van fijnstof en/of stikstofoxiden door het verkeer als gevolg van het initiatief.

Naast het feit dat een ontwikkeling niet mag leiden tot een onevenredige bijdrage aan een verslechtering van de luchtkwaliteit dient te worden aangetoond dat ter plaatse van nieuwe gevoelige objecten een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van luchtkwaliteit kan worden geborgd.

Met het initiatief is geen sprake van het oprichten van nieuwe gevoelige gebouwen op het gebied van luchtkwaliteit. Echter is met het initiatief wel sprake van het omschakelen van de bestaande agrarische bedrijfswoning naar een burgerwoning. Omdat dit mogelijk gevolgen heeft voor omliggende bedrijven wordt voor deze woning alsnog een afweging gemaakt. Daarbij is het van belang dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van luchtkwaliteit kan worden geborgd.

Vanuit landelijke wetgeving is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor fijnstof wanneer de achtergrondconcentraties van fijnstof en stikstofoxiden niet meer bedragen dan:

  • stikstofoxiden (NO2): 40 microgram per kubieke meter lucht (µg/m³) als kalenderjaargemiddelde;
  • fijnstof (PM10): 40 µg/m³ als kalenderjaargemiddelde en 50 µg/m³ als 24-uurgemiddelde, dat ten hoogste 35 maal per kalenderjaar wordt overschreden;
  • Fijnstof (PM2,5): 25 µg/m³ als kalenderjaargemiddelde.

Volgens gegevens uit de Altas Leefomgeving van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), waarin de gegevens uit de Monitoringstool van het NSL zijn verwerkt, bedragen de achtergrondconcentraties van fijnstof en stikstofoxiden, zoals weergegeven in de volgende afbeeldingen, ter plaatse van de locatie ongeveer 20,8 (fijnstof) en 16,6 µg/m³ (stikstofoxiden). De achtergrondconcentraties van fijnstof (PM10) en stikstofoxiden (NO2) bedragen daarmee ter plaatse (aanzienlijk) minder dan 40 µg/m³. Het aandeel fijnstof PM2,5 is meegenomen in de concentratie van de fijnstof PM10. Omdat de concentratie van fijnstof PM10 al minder bedraagt dan 25 µg/m³ kan de concentratie van PM2,5 eveneens niet meer bedragen dan 25 µg/m³, waarmee aan de normen wordt voldaan. Daarmee is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van luchtkwaliteit.

afbeelding "i_NL.IMRO.1721.TAM22o-VG01_0010.png"

Uitsnede kaart achtergrondconcentratie fijnstof (PM10).
Bron: Atlas Leefomgeving van het RIVM.

afbeelding "i_NL.IMRO.1721.TAM22o-VG01_0011.png"

Uitsnede kaart achtergrondconcentratie stikstofoxiden.
Bron: Atlas Leefomgeving van het RIVM.

7.10.4 Geluid door activiteiten

Vanuit de Omgevingswet is het van belang dat geluidgevoelige gebouwen worden beschermd tegen geluid van activiteiten in de omgeving. Een geluidgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een:

  • woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
  • onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
  • gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of
  • bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.

Gemeenten moeten voor de bescherming van deze geluidgevoelige gebouwen regels opstellen in het omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels die gemeenten bij het opstellen van het omgevingsplan in acht moeten nemen. In deze instructieregels staan standaardwaarden en grenswaarden. Binnen deze waarden hebben gemeenten de ruimte om naar eigen inzicht normen in het omgevingsplan op te nemen die zij voor de geluidbelasting op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar vinden. De geldende normen voor wat betreft geluid zijn dan ook opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente. Ook mag een gemeente in het omgevingsplan nog extra gebouwen aanwijzen als geluidgevoelig gebouw als daar voldoende aanleiding voor is. Dit moet door de gemeente dan wel goed worden onderbouwd in het omgevingsplan.

De gemeente Bernheze heeft nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de normen voor geluid hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige Wet geluidhinder en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.

Met het initiatief is sprake van de beëindiging van een intensieve veehouderij, waarbij de bestaande bedrijfswoning wordt omgeschakeld naar een burgerwoning. Een burgerwoning is zelf een gevoelig gebouw en veroorzaakt geen onevenredige geluidhinder aan de omgeving. Daarnaast komt de gehele geluidbelasting van de intensieve veehouderij bij de beëindiging daarvan te vervallen, waarmee de geluidbelasting aan de omgeving juist (aanzienlijk) zal afnemen.

Daarmee is met het initiatief geen sprake van geluidhinder op geluidgevoelige gebouwen in de omgeving.

Als een nieuw geluidgevoelig gebouw wordt opgericht of als een bestaand geluidgevoelig gebouw van functie wordt veranderd dan kan dit functies, bedrijven en/of activiteiten in de omgeving in de ontwikkelingsmogelijkheden beperken. Er moet dan worden aangetoond dat aan de normen voor geluid zoals zijn opgenomen in het geldende omgevingsplan kan worden voldaan.

Met het initiatief is geen sprake van het oprichten van nieuwe gevoelige gebouwen op het gebied van geluid. Echter is met het initiatief wel sprake van het omschakelen van de bestaande agrarische bedrijfswoning naar een burgerwoning. Omdat dit mogelijk gevolgen heeft voor omliggende bedrijven wordt voor deze woning alsnog een afweging gemaakt. Daarbij is het van belang dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van geluid kan worden geborgd.

Met het initiatief is sprake van de omschakeling van een reeds bestaande woning. Voor geluid van derden heeft een agrarische bedrijfswoning eenzelfde bescherming als een burgerwoning. De omliggende bedrijven moeten ten aanzien van de bestaande woning daarmee al aan de normen voor geluid voldoen.

Daarnaast is de locatie, zoals nader omschreven in de paragraaf "Bedrijven en milieuzonering" (paragraaf 7.10.7), niet binnen de richtafstanden voor geluid, zoals zijn opgenomen in de tabel met activiteiten van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) voor de omliggende bedrijven en functies, van omliggende bedrijven gelegen. Het is daarom niet te verwachten dat de normen voor geluid uit het geldende omgevingsplan op de locatie worden overschreden. Daarmee zal ter plaatse van de locatie geen sprake zijn van geluidhinder en worden de omliggende functies, bedrijven en/of activiteiten niet in de ontwikkelingsmogelijkheden beperkt.

7.10.5 Geluid / wegverkeerslawaai

Als een nieuw geluidgevoelig gebouw wordt opgericht of als een bestaand geluidgevoelig gebouw van functie wordt veranderd dan moet worden gekeken of kan worden voldaan aan de normen die zijn opgenomen in het geldende omgevingsplan.

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn standaardwaarden en grenswaarden opgenomen voor geluid op geluidgevoelige gebouwen. Voor geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen moet binnen de zogenaamde aandachtszones voor geluid die daaromheen gelegen zijn een nadere afweging van de geluidbelasting op nieuwe geluidgevoelige gebouwen en/of geluidgevoelige gebouwen die van functie worden veranderd te worden gemaakt. In het geldende omgevingsplan moeten gemeenten daarvoor aanvullende regels opnemen voor de bescherming van geluidgevoelige gebouwen binnen de aandachtszones van wegen, spoorwegen en industrieterreinen.

De gemeente Bernheze heeft nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de normen voor geluid hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige Wet geluidhinder en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.

Met het initiatief wordt er geen nieuw geluidgevoelig gebouw opgericht. De woning was reeds geluidgevoelig in het kader van wegverkeerslawaai. Nadere toetsing is niet noodzakelijk.

7.10.6 Geur

Vanuit de Omgevingswet is het van belang dat geurgevoelige gebouwen worden beschermd tegen geur van activiteiten in de omgeving. Gemeenten moeten hier regels voor opstellen in het omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels die gemeenten bij het opstellen van het omgevingsplan in acht moeten nemen. In deze instructieregels staan standaardwaarden en grenswaarden. Binnen deze waarden hebben gemeenten de ruimte om naar eigen inzicht normen in het omgevingsplan op te nemen die zij voor de geurbelasting op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar vinden. De geldende normen voor wat betreft geur zijn dan ook opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente.

De gemeente Bernheze heeft nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de normen voor geur hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige Wet geurhinder en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.

Met het initiatief is sprake van de beëindiging van een intensieve veehouderij, waarbij de bestaande bedrijfswoning wordt omgeschakeld naar een burgerwoning. Burgerwoningen zijn zelf gevoelige gebouwen en veroorzaken geen onevenredige geurhinder aan de omgeving. Met de beëindiging van de intensieve veehouderij komt de geuremissie daarvan in zijn geheel te vervallen. Daarmee zal de geurhinder vanuit de locatie aan de omgeving aanzienlijk afnemen. Het initiatief zal daarmee een positief effect hebben op het woon- en leefklimaat in de omgeving en bijdragen aan een vermindering van de geurbelasting aan gevoelige gebouwen in de omgeving.

Als een nieuw geurgevoelig gebouw wordt opgericht of als een bestaand geurgevoelig gebouw van functie wordt veranderd dan kan dit functies, bedrijven en/of activiteiten in de omgeving in de ontwikkelingsmogelijkheden beperken. Er moet dan worden aangetoond dat aan de normen voor geur zoals zijn opgenomen in het geldende omgevingsplan kan worden voldaan.

Met het initiatief is geen sprake van het oprichten van nieuwe gevoelige gebouwen op het gebied van geur. Echter is met het initiatief wel sprake van het omschakelen van de bestaande agrarische bedrijfswoning naar een burgerwoning. Omdat dit mogelijk gevolgen heeft voor omliggende bedrijven wordt voor deze woning alsnog een afweging gemaakt. Daarbij is het van belang dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van geur kan worden geborgd.

Vanuit het geldende omgevingsplan geldt voor geur dat woningen die op of na 19 maart 2000 behoren of hebben behoord tot een veehouderij dat voor wat betreft de geurhinder niet getoetst wordt aan de geurnormen, maar alleen aan de vaste afstanden. De vaste afstanden zijn als volgt:

  • De afstand tussen een emissiepunt van een dierenverblijf bij een veehouderij tot aan de gevel van een gevoelig gebouw gelegen binnen de bebouwde kom moet minimaal 100 meter bedragen.
  • De afstand tussen een gevel van een dierenverblijf bij een veehouderij tot aan de gevel van een gevoelig gebouw gelegen binnen de bebouwde kom moet minimaal 50 meter bedragen.
  • De afstand tussen een emissiepunt van een dierenverblijf bij een veehouderij tot aan de gevel van een gevoelig gebouw gelegen buiten de bebouwde kom moet minimaal 50 meter bedragen.
  • De afstand tussen een gevel van een dierenverblijf bij een veehouderij tot aan de gevel van een gevoelig gebouw gelegen buiten de bebouwde kom moet minimaal 25 meter bedragen.

De locatie is gelegen buiten de bebouwde kom, waarmee de afstand van de gevel van de woning van de initiatiefnemer tot de dichtstbijzijnde gevel van een dierenverblijf bij een veehouderij van derden minimaal 25 meter moet bedragen en die tot het emissiepunt van een dierenverblijf bij een veehouderij van derden minimaal 50 meter moet bedragen.

Het dichtstbijzijnde dierenverblijf bij een veehouderij van derden is gelegen op een afstand van ongeveer 68 meter, waarmee ruimschoots aan de vaste afstanden wordt voldaan. Daarmee kan ter plaatse aan de normen voor geur uit het geldende omgevingsplan worden voldaan.

7.10.7 Bedrijven en milieuzonering

Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie, te weten: geur, stof, geluid en gevaar. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen met daarin de aan te houden richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven.

Indien van deze richtafstand afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het zo scheiden van milieubelastende en -gevoelige functies dient twee doelen:

  • 1. het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige functies (bijvoorbeeld woningen);
  • 2. het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

In de VNG handreiking zijn richtafstanden opgenomen op het gebied van geur, stof, geluid en gevaar. Indien niet aan de in de handreiking opgenomen afstanden wordt voldaan is mogelijk sprake van milieuhinder aan de betreffende gevoelige functies. De genoemde afstanden betreffen echter geen harde normen maar richtafstanden waarvan, mits goed gemotiveerd, kan worden afgeweken. Dit houdt in dat wanneer niet aan de afstanden wordt voldaan een nadere motivatie noodzakelijk is waaruit blijkt dat geen onevenredige hinder wordt veroorzaakt.

Met het initiatief is sprake van de beëindiging van een intensieve veehouderij. Daarbij wordt de bestaande bedrijfswoning omgeschakeld naar een burgerwoning. Burgerwoningen zijn zelf gevoelige gebouwen en veroorzaken geen onevenredige milieuhinder aan gevoelige gebouwen en functies in de omgeving. De omschakeling van de intensieve veehouderij naar een burgerwoning zal daarmee niet leiden tot een onevenredige hinder aan omliggende gevoelige gebouwen en functies in de omgeving.

Met de beëindiging van de intensieve veehouderij komt de gehele milieubelasting daarvan te vervallen. Het initiatief zal daarmee juist leiden tot een verminderde milieuhinder aan de omgeving en daarmee een positief effect hebben op het woon- en leefklimaat in de omgeving.
Naast het feit dat een ruimtelijke ontwikkeling geen onevenredige hinder aan gevoelige gebouwen en functies in de omgeving mag veroorzaken mag deze ook niet leiden tot beperkingen van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven en functies. Dit is echter vooral van belang wanneer sprake is van het oprichten van nieuwe gevoelige gebouwen.

Met het initiatief is geen sprake van het oprichten van nieuwe gevoelige gebouwen of functies. De bestaande bedrijfswoning was reeds een gevoelig object voor omliggende bedrijfsactiviteiten. Dit wijzigt niet door een omzetting naar burgerwoning. Het is niet noodzakelijk om de inpasbaarheid opnieuw aan te tonen.

7.10.8 Externe veiligheid

Een van de uitgangspunten van de Omgevingswet is dat overheden bij hun plannen zo vroeg mogelijk kijken naar de veiligheid in de fysieke leefomgeving. Zo kunnen zij een brand, ramp of crisis voorkomen of de gevolgen daarvan beperken. De omgevingsveiligheid, of ook wel externe veiligheid genoemd, krijgt daarom een belangrijke plaats in de omgevingsvisie en het omgevingsplan.

Gemeenten moeten regels opnemen in het omgevingsplan over veiligheid in de leefomgeving. Dit is vooral belangrijk als in de buurt van een risicobron nieuwe gebouwen worden toegestaan of als de gemeente nieuwe risicobronnen op haar grondgebied wil toestaan. Bij het afwegen van de mogelijke effecten ten aanzien van de veiligheid in de leefomgeving wordt gekeken naar het plaatsgebonden risico en naar het groepsrisico.

Plaatsgebonden risico:

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan instructieregels over het plaatsgebonden risico voor het omgevingsplan. Gemeenten moeten in hun omgevingsplan een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht nemen voor zeer kwetsbare en kwetsbare gebouwen en/of locaties. Bij beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties moeten gemeenten rekening houden met de grenswaarde. Zij mogen daar bij beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties dus, als zij dit goed afwegen en onderbouwen, van afwijken.

De waarden voor het plaatsgebonden risico worden ruimtelijk vertaald in afstanden tot gebouwen en locaties. (Zeer) kwetsbare gebouwen en locaties mogen niet binnen de plaatsgebonden risicocontour (PR-10-6-contour) van een activiteit komen. Beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties mogen in beginsel ook niet binnen een PR-10-6-contour van een activiteit komen, maar hiervoor kan de gemeente, mits goed onderbouwd, maatwerk toepassen.

Daarnaast gelden de regels over het plaatsgebonden risico ook wanneer de gemeente een risicovolle activiteit wil toelaten of vergunnen.

Groepsrisico:

Daarnaast staan in het Bkl regels over het groepsrisico. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde aandachtsgebieden. Binnen deze aandachtsgebieden moeten gemeenten in het omgevingsplan rekening houden met het groepsrisico. Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied.

De gemeente kan diverse maatregelen inzetten om mensen te beschermen binnen de aandachtsgebieden. Hiervoor kunnen zij in het omgevingsplan aanvullende regels opnemen of specifieke voorschriftengebieden aanwijzen, waarbinnen aanvullende regels en eisen gelden voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen.

Gemeenten moeten in het omgevingsplan concrete regels opnemen over het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. De gemeente Bernheze heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan opgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de regels voor veiligheid in de leefomgeving hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit het Bkl en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.

7.10.8.1 Plaatsgebonden risico

Het plaatsgebonden risico geldt voor activiteiten die zijn opgenomen in bijlage VII van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en/of voor het oprichten van beperkt kwetsbare, kwetsbare of zeer kwetsbare gebouwen en/of locaties nabij risicovolle inrichtingen.

Het initiatief maakt de beëindiging van een intensieve veehouderij mogelijk, waarbij de bedrijfswoning wordt omgeschakeld naar een burgerwoning. Een burgerwoning betreft geen activiteit die is opgenomen in bijlage VII van het Bkl en is daarmee niet als risicovolle activiteit aan te merken. Het initiatief zal voor wat betreft het plaatsgebonden risico daarmee niet leiden tot risico's voor de veiligheid aan zeer kwetsbare, kwetsbare en/of beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties in de omgeving.

Verder is het belangrijk om te onderzoeken of nabij een locatie risicovolle activiteiten plaatsvinden. Risicovolle activiteiten en transportroutes zijn opgenomen in de kaart “Veilige omgeving” uit de Atlas Leefomgeving van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). In de volgende afbeelding is weergegeven welke risicovolle activiteiten en/of transportroutes mogelijk aanwezig zijn in de omgeving van de locatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.1721.TAM22o-VG01_0012.png"

Uitsnede kaart "Veilige omgeving" uit de Atlas Leefomgeving.
Bron: RIVM.

De locatie is, zoals te zien in de voorgaande afbeelding, niet binnen de PR10-6-contour van een risicovolle activiteit en/of transportroute gelegen. Er zal daarmee op de locatie geen sprake zijn van mogelijke risico's voor de veiligheid vanuit het plaatsgebonden risico.

afbeelding "i_NL.IMRO.1721.TAM22o-VG01_0013.png"

Uitsnede kaart "Veilige omgeving" uit de Atlas Leefomgeving.
Bron: RIVM.

In de buurt van de locatie liggen meerdere gasdrukregel- en meetstationnen. Voor een gasdrukregel- en meetstation geld een veiligheidsafstand tot kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties van 4 meter. Ten opzichte van beperkt kwetsbare objecten en locaties geld een veiligheidsafstand van 2 meter. De woning ligt op circa 19 meter van de dichtsbijzijnde gasdrukregel- en meetstaion. Hiermee zal er geen sprake zijn van mogelijke risico's voor de vieligheid vanuit het plaatsgbeonde risico.

7.10.8.2 Groepsrisico

Voor zeer kwetsbare, kwetsbare en/of beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties binnen een aandachtsgebied van een risicovolle activiteit en/of transportroute moet een aanvullende afweging worden gemaakt van het groepsrisico. Wanneer binnen een aandachtsgebied nieuwe zeer kwetsbare, kwetsbare en/of beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties worden gerealiseerd kunnen gemeenten aanvullende voorschriften verbinden aan de nieuwbouw of vervangende nieuwbouw van gebouwen.

De aandachtsgebieden zijn onderverdeeld in drie categorieën, namelijk brandaandachtsgebieden, explosieaandachtsgebieden en gifwolkaandachtsgebieden. De grootte van de aandachtsgebieden is gelijk aan de veiligheidsafstand betreffende het risico waarvoor het aandachtsgebied is vastgelegd.

Het initiatief maakt de beëindiging van een intensieve veehouderij mogelijk, waarbij de bedrijfswoning wordt omgeschakeld naar een burgerwoning. Een burgerwoning betreft geen activiteit die is opgenomen in bijlage VII van het Bkl en is daarmee niet als risicovolle activiteit aan te merken. Het initiatief zal voor wat betreft het groepsrisico daarmee niet leiden tot risico's voor de veiligheid aan zeer kwetsbare, kwetsbare en/of beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties in de omgeving.

Verder is het belangrijk om te onderzoeken of nabij een locatie risicovolle activiteiten plaatsvinden. Risicovolle activiteiten en transportroutes zijn opgenomen in de kaart “Veilige omgeving” uit de Atlas Leefomgeving van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). In de volgende afbeelding is weergegeven welke risicovolle activiteiten en/of transportroutes mogelijk aanwezig zijn in de omgeving van de locatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.1721.TAM22o-VG01_0014.png"

Uitsnede kaart "Veilige omgeving" uit de Atlas Leefomgeving.
Bron: RIVM.

De locatie is, zoals te zien in de voorgaande afbeelding, niet binnen een van de aandachtsgebieden van een risicovolle activiteit en/of transportroute gelegen. Er zal daarmee op de locatie geen sprake zijn van mogelijke risico's voor de veiligheid vanuit het groepsrisico.

7.10.9 Spuitzones

In de bomenteelt en, in sommige gevallen, akkerbouw worden geteelde producten mogelijk bespoten met gewasbeschermingsmiddelen. Dergelijke middelen kunnen mogelijk effecten hebben op de gezondheid van omwonenden. Om die reden is het belangrijk om bij nieuwe ontwikkelingen rekening te houden met een mogelijk gebruik van gewasbeschermingsmiddelen.

Ten aanzien van de mogelijke gevolgen van gewasbeschermingsmiddelen op gevoelige gebouwen is door de Gezondheidsraad op 29 januari 2014 het rapport "Gewasbescherming en omwonenden" gepubliceerd. Dit rapport bevat de resultaten van het door de Gezondheidsraad uitgevoerde onderzoek naar mogelijke effecten van gewasbeschermingsmiddelen op de volksgezondheid. Uit dit rapport blijkt dat er op dit moment nog geen toereikend onderzoek beschikbaar is waaruit de effecten blijken van gewasbeschermingsmiddelen voor de gezondheid van omwonenden. Ook blijkt uit het rapport geen noodzaak tot een vaste spuitzone (van bijvoorbeeld 50 meter). In het rapport wordt opgemerkt dat wetenschappelijk niet is aan te geven hoe groot de afstand zou moeten zijn tussen een perceel waarop gespoten wordt en gevoelige gebouwen. De precieze relatie tussen de afstand en de blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen en het hiermee mogelijk voorkomende risico voor de volksgezondheid is onbekend. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt als vuistregel dat een afstand van 50 meter tussen het perceel waarop de teelt plaatsvindt en een te realiseren nieuwe gevoelige functies, zoals woningen en bijbehorende tuinen, kan worden gehanteerd.

Verder is het belangrijk een afweging te maken of bij een perceel waarop (mogelijk) het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen plaatsvindt een spuitzone nodig is of een verkleining van de vuistregelafstand aan de orde is. Daarbij zijn de volgende uitgangspunten van belang:

  • Het soort gewasbeschermingsmiddel (biologische of juist giftige middelen).
  • De manier waarop de middelen worden gebruikt (handmatig of machinaal spuiten, in druppel- of dampvorm spuiten, of op- en zijwaarts of neerwaarts spuiten);
  • Hoe vaak het spuiten plaatsvindt;
  • De weersomstandigheden (bijvoorbeeld aan de windrichting);
  • De inrichting van het landschap (zo is van belang of er een (winterharde) groenhaag aanwezig is (of zal worden aangebracht vanuit een verplichting in de planregels) tussen een perceel waarop gespoten wordt en een gevoelig gebouw. In dat geval blijkt door de vermindering van drift (afhankelijk van de dikte, de hoogte en het type groenhaag) een (veel) kortere afstand aanvaardbaar (dan 50 meter).

Het is aan gemeenten in het omgevingsplan een afweging van belangen te maken, zoals maatschappelijke zorgen en agrarisch grondgebruik. Als er spuitzones worden opgelegd moet dit gebaseerd zijn op locatiespecifiek onderzoek. Dit kan niet algemeen worden opgelegd.

De gemeente Bernheze heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de regels voor gewasbeschermingsmiddelen hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige wetgeving en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.

In het geldende omgevingsplan zijn geen aanvullende regels opgenomen over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Tot de tijd dat de gemeente een omgevingsplan heeft vastgesteld met daarin regels over gewasbeschermingsmiddelen is het belangrijk om een afweging te maken op basis van de huidige inzichten. Daarbij is het belangrijk om te kijken naar de afstand tussen de percelen waarop mogelijk gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt en gevoelige gebouwen.

Met het initiatief is geen sprake van bomenteelt en/of akkerbouw waarbij gebruik wordt gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot mogelijke risico's voor de gezondheid van omwonenden als gevolg van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen.

Naast de mogelijke risico's voor de gezondheid van omwonenden als gevolg van de uitgevoerde activiteiten is het belangrijk om ook een afweging te maken van de mogelijke risico's op de locatie als nieuwe gevoelige gebouwen en/of functies worden opgericht in de buurt van percelen waarop mogelijk gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt

Aan de westzijde van de locatie wordt een teelt uitgevoerd waarbij gebruik wordt gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen. Ten aanzien van de spuitzones en drift wordt op grond van jurisprudentie veelal een afstand van 50 meter als vuistregel gehanteerd. Aan deze afstand wordt niet voldaan. De afstand bedraagt 14,3 meter tussen de tuin bij de woning aan de Vorstenbosseweg 7 tot de eerste rij van het gewas.

Om op het gehele perceel te kunnen spuiten is het noodzakelijk om maatregelen te nemen. Het bedrijf zou in principe gebruik kunnen maken van alle bestrijdingsmiddelen die door het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) worden toegestaan. In de regels van dit plan zijn geen beperkingen opgenomen ten aanzien van de teelt. Uit onderzoeken van de Wageningen Universiteit – waarin uit wordt gegaan van vaste onderzoeksmodellen en uitgangspunten - blijkt dat de gezondheidsrisico's van gewasbeschermingsmiddelen voor omwonenden met name liggen bij opname van stoffen door de huid (dermaal risico). In die onderzoeken is het maximaal dermale blootstellingseindpunt vastgesteld op 100%. Overschrijding van dit eindpunt betekent dat de huidblootstelling van mensen aan bepaalde gewasbeschermingsmiddelen tot schadelijke effecten kan leiden voor de gezondheid. Om deze reden is uitgegaan van het meest schadelijke middel, Captan. Captan mag het gehele jaar gebruikt worden. Dit maakt dat, zonder maatregelen, de richtafstand van de plant tot een gevoelig object 50 meter bedraagt.

Door het nemen van maatregelen, zoals het toepassen van driftreducerende spuitkoppen of het planten van beplanting, is het mogelijk om van deze richtafstanden af te wijken. Dit is gebleken uit onder andere het onderzoek 'Driftblootstelling van omstanders en omwonenden door boomgaard bespuitingen' uit maart 2015 van J.C. van de Zande en M. Wenneker van het Plant Research International van de Wageningen UR. Te nemen maatregelen kunnen bestaan uit het vanggewas en het gebruik van driftreducerende spuitdoppen. Beplanting Vanggewas kan zorgen voor een flinke reducering van de vrijkomende drift. Onderzoek van de WUR toont aan dat een windhaag een reductie geeft van ten minste 70% zonder blad en ten minste 90% met blad. In dit onderzoek is uitgegaan van een Elzenhaag, waarbij is gemeten op de bodem. Als gekeken wordt naar de driftreductie op de lucht blijkt dat de driftreductie door de elzenhaag in de kale situatie 83% en in de volle blad situatie 97% betrof. Deze cijfers zijn representatief voor een loofbomen windhaag. De driftreductie is verder afhankelijk van de boomsoort en de bladontwikkeling gedurende het jaar. Een conifeer is dichter en zal om deze reden meer reductie geven dan de elzenhaag. Hier is echter geen specifiek onderzoek naar gedaan.

Tussen het perceel waar gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast en de tuin met woning aan de Vorstenbosseweg is reeds afschermend groen aangeplant dat naast een landschappelijke inpassing dient als vanggewas voor de optredende drift. Deze haag is 3 meter hoog en de afstand tussen het te bespuiten gewas en de beplanting (vanggewas) is ruim 14 meter.

Hiermee is ter plaatse van de woning met bijbehorende tuin geen overschrijding van maximaal toegestane dermale blootstelling is en daarmee is er geen sprake van mogelijke risico's voor de gezondheid op de locatie door het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op in de buurt gelegen percelen. Het afschermend groen is als een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels van dit bestemmingsplan. Bovendien maakt deze onderdeel uit van het inpassingsplan waarvoor een aanleg en instandhoudingsverplichting geldt.

Met het initiatief is geen sprake van het oprichten van nieuwe gevoelige gebouwen of functies. Het betreft enkel een bestaande woning. De gezondheidsrisico's nemen daarom niet toe. Deze gezondheidsrisico's zijn door de bladhoudende haag miniem aangezien deze haag drijfreducerend werkt.

7.11 Bodemkwaliteit

Vanuit de Omgevingswet wordt ingezet op het beschermen en verbeteren van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. Voor wat betreft bodem is het daarbij belangrijk om nieuwe verontreinigingen en aantastingen van de bodem te voorkomen. Daarnaast is een goede afweging nodig van de balans tussen eventuele risico's voor het milieu en voor de gezondheid en van activiteiten die maatschappelijk wenselijk zijn als sprake is van een bodem of van grondwater met een mindere kwaliteit. Gemeenten moeten hiervoor regels opnemen in het omgevingsplan.

De gemeente Bernheze heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de regels voor bodem hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige wetgeving op het gebied van bodem en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.

In het geldende omgevingsplan zijn aanvullende regels opgenomen voor activiteiten die de bodem of het grondwater kunnen verontreinigen. Daarnaast geldt in beginsel een verbod op het bouwen op verontreinigde bodem.

Met het initiatief is geen sprake van activiteiten die kunnen leiden tot een verontreiniging van de bodem en/of van het grondwater. Er is daarmee geen sprake van mogelijke risico's voor het milieu en/of voor de gezondheid. Het initiatief zal geen nadelige gevolgen hebben voor de kwaliteit van de bodem en van het grondwater.

Verder is het belangrijk om te kijken of de bodem ter plaatse geschikt is voor de gewenste functie. Als op een verontreinigde bodem wordt gebouwd dan kan dit namelijk gevolgen hebben voor de gezondheid van de gebruikers van de gewenste functie. Dit is echter vooral van belang als nieuwe ruimtes worden opgericht waarin voor langere tijd mensen verblijven (zogenaamde verblijfsruimtes).

Bij het initiatief worden verblijfsruimten opgericht of gewijzigd, een omschakeling van bedrijfswoning naar burgerwoning en het uitoefenen van een huigebonden beroep. Het is daarom belangrijk na te gaan of de bodem en het grondwater ter plaatse mogelijk verontreinigd zijn.

Om te beoordelen of ter plaatse van de locatie sprake is van een mogelijke verontreiniging van de bodem en/of van het grondwater is door een deskundige op het gebied van bodem een bodemonderzoek uitgevoerd. Uit dit onderzoek blijkt het volgende:

''Gezien de analyseresultaten en de interpretatie hiervan dient de hypothese ''onverdachte, niet lijnvormige locatie'' formeel gezien te worden verworpen, gezien de verhoging van barium in het grondwater.

De verhoging met barium in het grondwater is te relateren aan de regionale problematiek m.b.t. zware metalen in de bodem. Gezien het gehalte is geen nader onderzoek noodzakelijk.

De hergebruiksmogelijkheden voor de grond, die eventueel vrijkomt bij toekomstige bouwactiviteiten, kunnen, indicatief gezien, als multifunctioneel toepasbaar worden beschouwd. Hergebruik dient te geschieden conform het Besluit bodemkwaliteit en het beleid van de gemeente Meierijstad.

Geconcludeerd wordt dat er geen belemmeringen zijn uit oogpunt van chemisch bodemgesteldheid voor de bestemmingswijziging naar wonen en de realisatie van een bijgebouw op de locatie.''

Het volledige rapport van het uitgevoerde bodemonderzoek is opgenomen als bijlage 5 bij deze toelichting.

Het fysieke veldwerk voor het onderzoek heeft plaatsgevonden na sloop van de stallen en het aanvullen van de gronden tot maaiveld. In oktober 2021 is hiervoor 2.664 m³ zwarte grond aangevoerd voorzien van een schone grond verklaring en in april 2022 nogmaals 576 m³. De gegevens van de aangevoerde grond zijn te raadplegen in bijlage 6.

Daarmee zal de kwaliteit van de bodem en van het grondwater geschikt zijn voor de gewenste activiteiten en is een veilige en gezonde fysieke leefomgeving voldoende afgewogen.

7.12 Archeologie

Gemeenten moeten bij het vaststellen van het omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Hieronder vallen ook bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. De gemeente kan in het belang van archeologische monumentenzorg regels opnemen in het omgevingsplan over archeologisch onderzoek.

In beginsel moeten gemeenten ontwikkelingen met een oppervlakte van minder dan 100 m² vrijstellen van archeologisch onderzoek. Echter kan een gemeente in een omgevingsplan een grotere of kleinere vrijstellingsgrens vastleggen. Bijvoorbeeld in historische binnensteden, waar de kans op het aantreffen van archeologische sporen heel groot is en daarom een kleinere grens nodig is. Zo kan een gemeente in gebieden met een lage archeologische verwachtingswaarde kiezen om een grotere vrijstellingsgrens vast te leggen. De mate van vrijstelling is afhankelijk van de archeologische verwachtingswaarde van het gebied. De gemeente zal daarom goed moeten onderbouwen met inhoudelijke argumenten waarom voor een bepaalde vrijstellingsgrens wordt gekozen.

Gemeenten moeten de gekozen vrijstellingsgrenzen in het geldende omgevingsplan opnemen. De vrijstellingsgrenzen zijn afhankelijk van de archeologische verwachtingswaarde in de verschillende gebieden.

De gemeente Bernheze heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan opgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de regels voor archeologisch onderzoek hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige bestemmingsplannen en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.

In het geldende omgevingsplan zijn verschillende verwachtingswaarden opgenomen voor archeologie. Afhankelijk van de verwachtingswaarde die van toepassing is op een locatie of in een gebied geldt een specifieke vrijstellingsgrens. De locatie is, grotendeels, gelegen in een gebied met de verwachtingswaarde 'Waarde - Archeologie 3'.

In deze gebieden geldt een vrijstelling voor ingrepen met een oppervlakte van maximaal 2.500 m² en een diepte van maximaal 40 centimeter onder het maaiveld. Wanneer deze vrijstellingsgrenzen niet worden overschreden is de kans op het aantasten van mogelijk voorkomende waarden minimaal en is geen verder onderzoek nodig.

Met het initiatief is sprake van een nieuw bijgebouw bij de woning. Dit bijgebouw krijgt een grootte van ongeveer 500 m². Er is daarmee geen sprake van een ontwikkeling van meer dan 2.500 m² en dieper dan 40 centimeter onder maaiveld. Daarnaast wordt bij het initiatief bebouwing gesloopt. De gronden ter plaatse van deze bebouwing zijn tijdens de bouw van van de bebouwing echter al geheel verstoord. Daarmee zijn ter plaatse van de te slopen bebouwing geen archeologische resten te verwachten.

Het initiatief zal daarmee niet leiden tot een aantasting van mogelijk voorkomende archeologische resten en/of waarden.

7.13 Cultuurhistorie

De gemeente moet bij het vaststellen van het omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Hieronder valt ook het cultuurhistorisch erfgoed. Het cultuurhistorisch erfgoed van Nederland bestaat uit monumentale panden, historische zichtlijnen, kenmerkende landschappen en waardevolle lijn- en/of vlakelementen. Het cultuurhistorisch erfgoed geeft een beeld van de geschiedenis van het landschap. Daarom is bescherming van deze elementen van belang.

De cultuurhistorische waarden van een gebied zijn in kaart gebracht in de zogenaamde cultuurhistorische waardenkaart. Deze wordt door de provincies beheerd.

Zoals te zien in de volgende afbeelding is de locatie in een gebied gelegen waarin cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig zijn. Het is daarom van belang dat deze cultuurhistorische waarden en elementen niet zullen worden aangetast.

afbeelding "i_NL.IMRO.1721.TAM22o-VG01_0015.png"

Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart.
Bron: Provincie Noord-Brabant.

Verschillende wegen in de omgeving, waaronder de Vorstenbosseweg, zijn aangemerkt als historisch geografische lijnen in het landschap. Het is van belang dat deze lijnen niet onevenredig worden aangetast. Op grotere afstand van de locatie is verder een historische groenstructuur aangewezen. Ook hierbij is het van belang dat deze niet onevenredig wordt aangetast. Daarbij is het belangrijk dat het landschap ter plaatse van de historische groenstructuur niet onevenredig wordt geschaad.

Met het initiatief vinden de activiteiten plaats op een reeds bestaande locatie op het daarbij behorende bestaande erf. Het initiatief heeft geen aanpassingen en/of wijzigingen aan de infrastructuur in de omgeving tot gevolg en zal daarmee niet leiden tot een mogelijke aantasting van de omliggende wegen. Daarmee zullen de betreffende wegen niet worden aangetast. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot een onevenredige aantasting van de historisch geografische wegen in de omgeving.

Daarnaast zal het initiatief niet leiden tot een mogelijke aanpassingen en/of wijzigingen aan de structuur van het landschap en/of de verkaveling. Daarmee zal geen sprake zijn van een mogelijke aantasting van de betreffende historische groenstructuur. Verder zal, zoals nader omschreven in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 3.2), ter plaatse worden voorzien in een goede, bij het gebied passende landschappelijke inpassing welke aansluit bij de bestaande groene en landschappelijke structuren in de omgeving. Daarmee wordt het historisch groen eerder versterkt dan aangetast.

Ten slotte is bij het initiatief sprake van de beëindiging van een intensieve veehouderij. Daarbij komt de uitstoot van mogelijk voor de natuur schadelijke stoffen in zijn geheel te vervallen, waardoor het initiatief eerder een positief effect zal hebben op de betreffende als historisch aangemerkte groenstructuren in de omgeving. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot een mogelijke aantasting van het historisch groen in de omgeving.

Daarmee zal het initiatief niet leiden tot een mogelijke aantasting van cultuurhistorisch waardevolle elementen in de omgeving.

Hoofdstuk 8 Juridische planopzet

8.1 Wijzigingsbesluit

Onderhavig TAM-omgevingsplan vormt een wijziging van het omgevingsplan. Het initiatief op deze locatie is in strijd met in het tijdelijke deel onderdeel uitmakende bestemmingsplan Buitengebied Bernheze, waardoor het omgevingsplan gewijzigd moet worden.

Het TAM-omgevingsplan is op het oog een omgevingsplan dat losstaat van de rest van het omgevingsplan. Toch is het functioneel en juridisch een integraal onderdeel van het omgevingsplan. Om te zorgen dat het TAM-omgevingsplan juridisch één geheel is met het omgevingsplan van rechtswege, wordt het als het ware als een nieuw hoofdstuk toegevoegd. Onderhavig TAM omgevingsplan dient dus ook als dusdanig gelezen te worden, in samenhang met de bruidsschat van het omgevingsplan. Daarom is er in de regels van onderhavig TAM-omgevingsplan een pre-ambule opgenomen, waarin staat dat het plan vigeert als hoofdstuk 22o van het omgevingsplan.

Hoofdstuk 1 - Inleidinde regels

Dit TAM-omgevingsplan maakt onderdeel uit van het omgevingsplan van de gemeente Bernheze. Dat betekent dat alle regels uit het omgevingsplan ook van toepassing zijn op onderhavige ontwikkeling aan (tenzij ze daarmee strijdig zijn). Daarom worden in de regels alleen maar bepalingen opgenomen welke specifiek relevant zijn voor onderhavige ontwikkeling van . Zo is er voor dit plan ook gekozen om niet de specifieke bepaling over de het afwijken van bepalingen uit de bruidsschat op te nemen, aangezien er bij dit TAM-omgevingsplan nauwelijks wordt afgeweken van de bruidsschat. Op de onderdelen waar dit wel gebeurt (bijvoorbeeld reken- en meetbepalingen) zijn specifieke voorrangsbepalingen opgenomen.

Hoofdstuk 2 - functies en activiteiten

Conform de eisen vanuit de Omgevingswet worden in dit hoofdstuk de toegestane functies en activiteiten beschreven voor de specifieke locatie. Alhoewel de regels niet hoeven te voldoen aan de SVBP, en er dus over 'functies en activiteiten' wordt gesproken in plaats van 'bestemmingen', staan deze op de verbeelding behorend bij onderhavig plan nog wel aangeduid als zijnde 'bestemming'. Dit vanwege het feit dat het plan anders niet juist gepubliceerd kan worden op de (nog tijdelijke) landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Voor onderhavig voorbeeld-TAM-omgevingsplan voor de is beoogd zoveel mogelijk aansluiting te vinden bij de regels en bepalingen voor vergelijkbare functies en activiteiten uit het tijdelijk deel omgevingsplan gemeente Bernheze (bestemmingsplan Buitengebied Bernheze). Deze zijn wel dusdanig omgevormd dat deze voldoen aan de regels van de Omgevingswet.

 

Hoofdstuk 3: Algemene regels

Voor dit hoofdstuk zijn er algemene bepalingen opgenomen die alleen betrekking hebben op de artikelen uit dit TAM-omgevingsplan. Hier zitten bijvoorbeeld algemene bouw- en functieregels in die gelden voor het gehele grondgebied van de ontwikkellocatie.

Bijlagen bij de regels

Conform kernvereiste 1 wordt er zo min mogelijk gebruik gemaakt van bijlagen bij regels, om het plan zo overzichtelijk mogelijk te houden. Voor dit plan is er wel een bijlage opgenomen bij de regels.

Verbeelding

De verbeelding die is opgesteld voor het voorbeeld TAM-omgevingsplan dient te worden opgesteld conform de technische eisen van IMRO2012. Dat betekent dat er op de verbeelding wel 'bestemmingen' zijn te zien, en dat specifieke functies alszijnde 'functieaanduidingen' worden benoemd. Dit vanwege het feit dat het plan anders niet door de validator van ruimtelijke plannen komt. De weergaven van de analoge verbeelding staat in 8.2.

8.2 Analoge kaart

Is separaat bijgevoegd.

Hoofdstuk 9 Uitvoerbaarheid

De Omgevingswet kent geen bepalingen meer over de uitvoerbaarheid van een plan of project. De gemeente hoeft bij het vaststellen of wijzigen van een omgevingsplan niet meer aannemelijk te maken dat een functie die aan een locatie is toegekend ook daadwerkelijk op die locatie zal komen. De gemeente mag bij het opstellen van een omgevingsplan aangeven dat er een functie op een bepaalde locatie kan komen. Of deze functie er dan ook daadwerkelijk komt is minder van belang.

Voorheen moesten gemeenten veel mogelijkheden onderzoeken die er misschien nooit zouden komen. In de Omgevingswet wordt het mogelijk gemaakt dit onderzoek in fases uit te voeren. Pas als een initiatief ook daadwerkelijk uitgevoerd gaat worden dat past binnen de aan de locatie toegekende functie hoeft te worden onderzocht hoe dat initiatief op een aanvaardbare manier gerealiseerd kan worden. De gemeente moet echter nog wel onderzoeken of ontwikkeling op de betrokken locatie in beginsel mogelijk is.

Als sprake is van een concreet initiatief is het wel belangrijk om na te gaan of het initiatief op de gewenste locatie uitvoerbaar is. Daarbij wordt gekeken naar zowel de economische als de maatschappelijke uitvoerbaarheid.

9.1 Financiële uitvoerbaarheid

9.1.1 Kostenverhaal

De Omgevingswet biedt ruimte voor de ontwikkeling van activiteiten in de fysieke leefomgeving. Voor de ontwikkeling van gebieden zal ook de overheid vaak kosten moeten maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van openbare voorzieningen, en het wijzigen van het omgevingsplan. De aanleg van voorzieningen vindt in veel gevallen plaats voor rekening van de gemeente. De initiatiefnemers van de ontwikkeling profiteren meer van de aanleg van die voorzieningen dan andere burgers en bedrijven. Om die reden is het gerechtvaardigd om de kosten te verhalen op de initiatiefnemers.

De Omgevingswet verplicht overheden om de kosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen naar evenredigheid te verhalen op de initiatiefnemers die profijt hebben van de aan te leggen openbare voorzieningen.

De gemeente en een initiatiefnemer kunnen een overeenkomst sluiten over kostenverhaal voorafgaand aan het besluit dat de aangewezen activiteit mogelijk maakt: een zogenoemde "anterieure overeenkomst". De Omgevingswet biedt daarvoor een grondslag.

Naast het kostenverhaal kan ook een vrijwillige financiële bijdrage gebiedsontwikkeling worden afgesproken. Dat is een bijdrage voor ontwikkelingen die niet onder het kostenverhaal vallen, maar wel bijdragen aan de kwaliteit van een gebied.

Als er geen overeenkomst tot stand komt, moet het kostenverhaal op een andere manier geregeld worden. Dat kan in het omgevingsplan of in een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (afwijking van het omgevingsplan). Meestal regelt de gemeente het kostenverhaal. Dat kan de gemeente doen door kostenverhaalregels in het omgevingsplan op te nemen of het kostenverhaal te regelen in de omgevingsvergunning.

De overheid mag de kosten alleen verhalen als ze voldoen aan drie criteria: profijt, proportionaliteit en toerekenbaarheid. Ook moet de locatie het kostenverhaal kunnen dragen. Dat houdt in dat er niet meer kosten worden verhaald dan dat er opbrengsten zijn.

Tussen de gemeente en de initiatiefnemer wordt naast dit project een separate overeenkomst gesloten met betrekking tot het verhalen van de gemaakte kosten. In deze overeenkomst is opgenomen dat alle gemaakte kosten voor het uitvoeren en doorlopen van de procedure voor rekening van de initiatiefnemer zijn.

Hiermee is het kostenverhaal in voldoende mate geregeld, waarmee het plan economisch uitvoerbaar wordt geacht.

9.1.2 Nadeelcompensatie

Nadeelcompensatie binnen de Omgevingswet gaat over besluiten of maatregelen:

  • die rechtstreeks werkende rechten en verplichtingen voor burgers en bedrijven bevatten.
  • die rechtstreeks gevolgen hebben voor burgers en bedrijven door verandering van de fysieke leefomgeving.

De schadeoorzaken zijn limitatief opgesomd in artikel 15.1 van de Omgevingswet. Dit betekent dat de wet de schadeoorzaken uitputtend regelt. Er zijn dus geen andere schadeoorzaken mogelijk dan die in de Omgevingswet staan. Staat een schadeoorzaak niet in artikel 15.1 dan is voor taken en bevoegdheden van de Omgevingswet ook de Awb-regeling niet mogelijk. Schadeoorzaken zijn bijvoorbeeld:

  • een omgevingsvergunning of het weigeren daarvan.
  • een regel in het omgevingsplan. Deze moet rechtstreekse rechten of verplichtingen voor burgers en bedrijven bevatten.
  • een maatwerkvoorschrift.

Als een omgevingsplan regelt dat voor een activiteit een omgevingsvergunning nodig is, is niet het omgevingsplan de schadeoorzaak. Dat is in die situatie de omgevingsvergunning.

Tussen de gemeente en de initiatiefnemer wordt een aparte overeenkomst gesloten waarin is opgenomen dat eventuele nadeelcompensatie geheel voor rekening komt voor de initiatiefnemer. Daarnaast is de kans op nadeelcompensatie zeer gering, waarmee een aanvullende nadeelcompensatieanalyse niet noodzakelijk wordt geacht.

Hiermee is het onderdeel nadeelcompensatie in voldoende mate geborgd.

9.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het voorliggende plan betreft een wijziging van het omgevingsplan van rechtswege van de gemeente Bernheze met toepassing van de tijdelijke alternatieve maatregel (TAM). De bekendmaking van de voorgenomen wijziging wordt door de gemeente gepubliceerd via de Landelijke voorziening bekendmaken en beschikbaar stellen (LVBB).

Gemeenten stellen het besluit tot wijziging van het omgevingsplan normaal gesproken op volgens de nieuwe Standaard officiële publicaties (STOP) met bijhorende toepassingsprofielen (TPOD). De TAM vormt een alternatieve mogelijkheid voor gemeenten om het omgevingsplan te wijzigen, wanneer zij dit nog niet via de nieuwe standaarden kunnen doen. De TAM moet voorkomen dat planvorming onaanvaardbare vertraging oploopt bij de invoering van de Omgevingswet.

In de tijdelijke situatie worden met de voormalige techniek (voormalige planapplicaties) via de voormalige Wet ruimtelijke ordening (Wro)-standaard (IMRO-standaard) wijzigingsbesluiten van het omgevingsplan bekendgemaakt (conform inhoudelijke eisen Omgevingswet). In deze situatie vindt bekendmaking niet plaats via publicatie naar de LVBB, maar op de huidige gebruikelijke wijze. Dit betekent dat het vaststellingsbesluit via DROP (Decentrale Regelgeving en Officiële Publicaties) in het Gemeenteblad wordt gepubliceerd, en het met IMRO vormgegeven plandeel op ruimtelijkeplannen.nl. Via de overbruggingsfunctie zijn deze plannen dan ook direct in de DSO Viewer via het Omgevingsloket te raadplegen. Dit tijdelijke alternatief wordt aangeduid als de TAM-IMRO.

De wijziging van een omgevingsplan met de TAM vindt plaats in een aantal fasen. Deze zijn als volgt:

Voorbereiding:

Tijdens de voorbereiding wordt de opdracht tot wijziging vastgesteld, afstemming georganiseerd en andere input opgehaald. Op basis hiervan worden de uitgangspunten voor het ontwerpbesluit van de omgevingsplanwijziging opgesteld.

Ontwerpen:

In de fase ontwerpen wordt op basis van de uitgangspunten uit de voorbereiding het ontwerpbesluit opgesteld. Tegelijkertijd worden de daarmee corresponderende (toepasbare) regels opgesteld of gewijzigd.

Besluiten:

Bij het besluiten wordt de Uniforme Openbare Voorbereidingsprocedure uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitgevoerd en wordt het besluit vastgesteld.

Bekendmaking:

Bij de bekendmaking wordt het besluit gepubliceerd en worden belanghebbenden geïnformeerd. De noodzakelijk toepasbare regels worden aangeleverd in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO).

Rechtsbescherming:

In de fase rechtsbescherming kunnen belanghebbenden tegen het besluit tot wijziging van het omgevingsplan in beroep gaan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Met het doorlopen van de procedure voor het wijzigen van het omgevingsplan met toepassing van de tijdelijke alternatieve maatregel, waarbij sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, waarbij participatie heeft plaatsgevonden en waarbij wordt bijgedragen aan de maatschappelijke doelen uit de Omgevingswet, wordt het initiatief maatschappelijk uitvoerbaar geacht.

9.3 Verwerking TAM-omgevingsplan

Vóór 2032 moet dit TAM-IMRO omgevingsplan worden opgezet naar het integrale omgevingsplan in STOP. Voor het omzetten moet een wijzigingsbesluit in STOP worden genomen. Het ministerie van BZK heeft de intentie uitgesproken om in de wet- en regelgeving vast te leggen dat regels in het STOP omgevingsplan die inhoudelijk gelijk zijn aan het TAM-IMRO plan niet opnieuw appellabel worden bij het overbrengen.

Hoofdstuk 10 Belangenafweging en conclusie

10.1 Is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties?

Wanneer sprake is van een wijziging van het omgevingsplan dan wordt het plan alleen gewijzigd met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (Etfal, artikel 8.0a, lid 2 Besluit kwaliteit leefomgeving).

Daarnaast gelden de beoordelingsregels in artikel 8.0b tot en met 8.0e van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Zie hiervoor ook de paragrafen "Rijksbeleid en Rijksregels" (paragraaf 6.1) en "Provinciaal beleid en provinciale regels" (paragraaf 6.2).

De vraag bij de wijziging van het omgevingsplan is of het initiatief, de gevraagde activiteit, leidt tot een situatie, waarbij er sprake is van een evenwichtige toedeling (van functies aan locaties). Anders gezegd: is er, na een zorgvuldige belangenafweging, met het toestaan van de activiteit nog steeds of weer sprake van een evenwichtige toedeling?

Om dit te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen (zie de hoofdstukken 6, 7 en 9).

10.2 Conclusie

Zoals blijkt uit de toetsing aan de geldende beleidskaders, welke is opgenomen in het hoofdstuk "Beleid en regelgeving" (hoofdstuk 6), past het initiatief binnen de beleidsregels, beleidsuitgangspunten en instructieregels van de Rijksoverheid, de provincie, het waterschap en de gemeente. Er is daarmee geen sprake van strijdigheden met het beleid dat van toepassing is op de locatie.

Verder zal het initiatief, zoals nader aangetoond in het hoofdstuk "Aspecten fysieke leefomgeving" (hoofdstuk 7), geen nadelige gevolgen hebben op de fysieke leefomgeving. Het initiatief zal een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit daarmee niet in de weg staan.

Ten slotte wordt het initiatief, zoals nader is aangetoond in het hoofdstuk "Uitvoerbaarheid" (hoofdstuk 9), zowel economisch als maatschappelijk uitvoerbaar geacht. Verder heeft in voldoende mate participatie plaatsgevonden en is de juiste procedure doorlopen.

Op basis van het voorgaande is met het initiatief sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en wordt de ontwikkeling als aanvaardbaar beschouwd.