direct naar inhoud van Planregels
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o, Vorstenbosseweg 7 HD
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1721.TAM22o-VG01

Planregels

Pré-ambule

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie Vorstenbosseweg 7 en vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22o) van het omgevingsplan van de gemeente Bernheze. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk (22o) van het omgevingsplan van de gemeente Bernheze. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer (22o) gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage (22o) gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Toepassingsbereik

1.1 Tijdelijk omgevingsplan - Wro-plannen

  • 1. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in 1.3.
  • 2. Het bepaalde in lid 1 geldt niet voor het plan 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o, Vorstenbosseweg 7 HD' met identificatienummer 'NL.IMRO.1721.TAM22o-VG01'.

1.2 Tijdelijk omgevingsplan - bruidsschat

De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit TAM-omgevingsplan;

1.3 Verwijzing naar verbeelding

De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o, Vorstenbosseweg 7 HD, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1721.TAM22o-VG01

Artikel 2 Begripsbepalingen

2.1 Van toepassing verklaring

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk, tenzij in 2.2 daarvan is afgeweken.

2.2 Aanvullende begrippen

In aanvulling op het bepaalde in 2.1 worden voor de toepassing van de regels in dit plan de begrippen als bedoeld in 2.3 tot en met 2.43 gehanteerd.

2.3 TAM-omgevingsplan

Het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o, Vorstenbosseweg 7 HD

2.4 Omgevingsplan

Het omgevingsplan van de gemeente Bernheze.

2.5 aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

2.6 aangebouwde bijgebouwen

een uitbreiding van het hoofdgebouw, die wat afmetingen betreft ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

2.7 agrarisch bedrijf

een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen (houtteelt daaronder begrepen) en/of het houden van dieren, met inbegrip van andere activiteiten van ondergeschikte betekenis.

Met dien verstande dat een gebruiksgerichte paardenhouderij (manege) niet als agrarisch bedrijf wordt aangemerkt

2.8 bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.

2.9 bedrijf

een onderneming gericht op het produceren, bewerken, herstellen, installeren of inzamelen van goederen, alsmede verhuur, opslag en distributie van goederen.

2.10 bedrijfswoning

een woning in of bij een gebouw of op of bij een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon wiens huisvesting daar gelet op de bestemming of het toegelaten gebruik van het gebouw of terrein, noodzakelijk is.

2.11 bestaand
  • a. bij bouwwerken: een bouwwerk dat op het moment van terinzagelegging van het ontwerp bestemmingsplan bestaat of wordt gebouwd, dan wel nadien kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, waarvoor de aanvraag voor het tijdstip van inwerkingtreding is ingediend, tenzij in de regels anders is bepaald;
  • b. bij gebruik: het gebruik dat op het moment van terinzagelegging van het ontwerp bestemmingsplan bestaat, tenzij in de regels anders is bepaald;

2.12 bijgebouw

een gebouw, dat in bouwkundig en visueel opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw;

2.13 bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.

2.14 bouwgrens

grens van een bouwvlak

2.15 bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten

2.16 bouwwerk

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

2.17 burgerwoning

een woning, niet zijnde een bedrijfswoning.

2.18 caravan

een al dan niet uitklapbare wagen of voertuig, onder welke benaming ook aangeduid, die uitsluitend of in hoofdzaak dient of kan dienen tot woon-, dag-, of nachtverblijf van een of meer personen en die bestemd is om regelmatig en op normale wijze op de verkeerswegen, ook over grote afstanden, als een aanhangsel van een personenauto te worden voortbewogen. Ook indien deze wagen of dit voertuig wegens daaraan of daarbij aangebrachte wijzigingen of voorzieningen niet of niet meer geschikt is om te worden verreden, wordt hij voor de toepassing van dit plan aangemerkt als caravan.

2.19 carport/overkapping

een bouwwerk dat zowel feitelijk als in visueel ruimtelijke zin aan maximaal twee zijden, een gesloten, al dan niet eigen, wand kent.

2.20 dagrecreatie

bedrijfsmatige uitoefening van diensten op het gebied van recreatie, sport-, educatie of cultuur welke geheel of in overwegende mate in de open lucht worden aangeboden, met de daarbij behorende voorzieningen.

2.21 detailhandel

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, verkopen en/of leveren van goederen aan degene die deze goederen kopen voor eigen gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

2.22 functietype

verzamelnaam voor het soort bebouwing en gebruik zoals die op grond van artikel 4 op een bepaalde locatie van toepassing is.

2.23 gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

2.24 gebruik

het gebruiken, doen en laten gebruiken.

2.25 hoofdgebouw

een gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken.

2.26 landbouw ontwikkelingsgebied (LOG)

een gebied waar het primaat ligt bij de ontwikkeling van de intensieve veehouderij, zoals aangegeven op de verbeelding.

2.27 landschapselement

punt-, lijn- en vlakelementen, die een groene of blauwe component bezitten, en die voor de identiteit van het landschap van algemeen belang zijn vanwege hun leeftijd (ouder dan 35 jaar) of om andere redenen, zoals hun schoonheids- of plaatselijke zeldzaamheidswaarde of hun beeldbepalende functie voor de omgeving. Een en ander met dien verstande dat onder landschapselementen niet worden verstaan elementen die zijn opgericht in het kader van nieuw groen is vrij groen.

2.28 lawaaisporten

een sportactiviteit waarbij motorisch of mechanisch geluid wordt geproduceerd dat zodanig is dat het omgevingsgeluid wordt overschreden, waaronder in ieder geval begrepen gildes, de autosport, motorsport, (model)vliegsport, de schietsport met behulp van vuurwapens, de jachtsport wordt hier niet onder begrepen;

2.29 Milieusituatie

de toestand van het milieu in een bepaald gebied, bepaald door factoren zoals luchtkwaliteit, watervervuiling, geluidshinder en de aanwezigheid van schadelijke stoffen.

2.30 omgevingsplanactiviteit bouwwerken

omgevingsplanactiviteit bestaande uit:

a. een bouwactiviteit;

b. het in stand houden van een bouwwerk; en

c. het gebruiken van het te bouwen bouwwerk.

2.31 opslag (statisch)

binnenopslag van goederen die geen regelmatige verplaatsing behoeven, niet bestemd zijnde voor handel en niet worden opgeslagen voor een niet-agrarisch bedrijf elders, zoals (seizoen)stalling van (antieke) auto's, boten, caravans, campers en dergelijke.

2.32 Peil
  • a. voor bouwwerken, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van die weg ter plaatse van die hoofdtoegang vermeerderd met maximaal 20 cm;
  • b. in andere gevallen: de hoogte van de weg ter plaatse van de toegang tot het gebouw vermeerderd met 2 cm per meter afstand van het gebouw tot die weg (hemelsbreed gemeten);
  • c. deze bepaling geldt niet voor bouwwerken geen gebouwen zijnde; hiervoor wordt de hoogte gemeten
  • d. vanaf het aansluitende maaiveld;

2.33 perceelgrens

de kadastrale grens van een perceel.

2.34 permanente bewoning

het feitelijk bewonen van een verblijf als hoofdverblijf.

2.35 recreatiewoning

een gebouw, geen woonkeet en geen caravan of ander bouwsel op wielen zijnde, bestemd voor het verblijven van een of meer personen, die zijn/hun hoofdverblijf elders heeft/hebben, gedurende een gedeelte van het jaar.

2.36 rijbak

een niet overdekt (geheel van ) bouwwerk(-en) geen gebouw(-en) zijnde met bijbehorende voorzieningen, ingericht voor het africhten, trainen, en berijden van paarden en pony’s en het anderszins beoefenen van de paardensport.

2.37 ruimtelijke uitstraling

de waarneembare invloed van landschappelijke, stedenbouwkundige, waterhuishoudkundige en cultuurhistorische aard op de omgeving.

2.38 standplaats

een kavel, bestemd voor het plaatsen van een woonwagen, waarop voorzieningen aanwezig zijn die op het leidingnet van openbare nutsbedrijven, andere instellingen of van gemeenten kunnen worden aangesloten.

2.39 teeltondersteunende voorzieningen

ondersteunende voorzieningen die een onderdeel zijn van de vollegronds bedrijfsvoering van een tuinbouwbedrijf, fruitteeltbedrijf of boomkwekerij.

2.40 verhard

een verharding bestaande uit baksteen, tegels, beton en/of asfalt, alsmede daarmede vergelijkbare vaste/gesloten materialen.

2.41 voorgevelrooilijn

de virtuele lijn die samenvalt met de bestaande voorgevel van een woning of hoofdgebouw en het bouwvlak waarop de woning of het hoofdgebouw zich bevindt.

2.42 waterhuishoudkundige voorzieningen

voorzieningen die het waterhuishoudingsbelang dienen, zoals watergangen, waterstaatkundige kunstwerken, onderhoudsstroken ten behoeve van het beheer en onderhoud van een watergang e.d., voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, waterafvoer, waterinfiltratie en waterberging, vijvers en poelen; bijbehorende voorzieningen zoals bermen, paden, beschoeiingen.

2.43 woning

een (gedeelte van een) gebouw dat dient voor de huisvesting van één huishouden;

2.44 Woon- en leefmilieu van de omgeving

de kwaliteit van de directe leefomgeving van mensen, beïnvloed door factoren zoals veiligheid, geluid, luchtkwaliteit, groenvoorzieningen en sociale voorzieningen.

Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen

De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in m, m² of m³ zijn uitgedrukt, voor zoverhiervan niet is afgeweken in het bepaalde in 3.1 t/m 3.8

3.1 afstand tot de zijdelingse perceelsgrens

de maat tussen de zijdelingse grens van een (bouw)perceel en een bepaald punt van het op dat bouwperceel voorkomend (hoofd)gebouw, waar die afstand het kortst is;

3.2 bouwhoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

3.3 dakhelling

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;

3.4 goothoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;

3.5 horizontale diepte van een gebouw

de diepte van een gebouw, gemeten loodrecht vanaf de gevel waaraan wordt gebouwd;

3.6 inhoud van een bouwwerk

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

3.7 oppervlakte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;

3.8 oppervlakte van een overkapping

tussen de buitenzijde van de afdekking van de overkapping, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van de overkapping.

Hoofdstuk 2 Functies en activiteiten

Artikel 4 Agrarisch - Landbouwontwikkelingsgebied

4.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als Agrarisch - Landbouwontwikkelingsgebied.

4.2 Toedeling van functies aan locatie

Een als Agrarisch - Landbouwontwikkelingsgebied aangewezen locatie heeft de volgende functies:

  • a. agrarisch grondgebruik;
  • b. een burgerwoning, uitsluitend ter plaatse van de aanduidingen 'wonen' (functietype 'wonen');
  • c. water en waterhuishoudkundige doeleinden;
  • d. groenvoorzieningen;
  • e. behoud van landschapselementen;
  • f. extensieve dagrecreatie;
  • g. doeleinden van openbaar nut;

een en ander met bijbehorende voorzieningen, zoals perceelsontsluitingen, onverharde wegen, kavelpaden en sloten.

4.3 Gebruiksactiviteit - specifieke functieregels
4.3.1 Aan huis verbonden beroep

Aan huis verbonden beroepen zijn toegestaan onder de volgende voorwaarden:

  • a. er maximaal 100 m² van het totale vloeroppervlak als zodanig in gebruik wordt genomen;
  • b. geen detailhandel plaatsvindt, uitgezonderd van ter plaatse vervaardigde producten.

4.4 Gebruiksactiviteit - verboden
4.4.1 Algemeen

Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet ten dienste staat van de in 4.2 genoemde functies en niet voldoet aan het gestelde in 4.3.

4.4.2 Specifiek

Het is in ieder geval verboden om:

  • a. het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermiddelen, waaronder tevens caravans of woonunits ten behoeve van de bewoning door seizoensarbeiders of permanente bewoning;
  • b. het gebruik van de gronden als stort- of opslagplaats van al dan niet aan het gebruik onttrokken voorwerpen, stoffen en materialen, behoudens opslag die geschiedt in het kader van de normale bedrijfsvoering;
  • c. het gebruik van de gebouwen voor de huisvesting van seizoensarbeiders;
  • d. het gebruik van bedrijfsgebouwen (stallen) en bijgebouwen ten behoeve van bewoning;
  • e. het gebruik van recreatiewoningen ten behoeve van permanente bewoning;
  • f. het gebruik van de gronden voor de beoefening van lawaaisporten;
  • g. activiteiten zoals bedoeld in VIII van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn niet toegestaan, behoudens wanneer met de uit te voeren activiteiten wordt voldaan aan de waarden zoals zijn opgenomen in artikel 5.39, onder 2 van het Bal."]
  • h. de aanleg van blijvende ondersteunende voorzieningen voor teelt van gewassen vrij van de grond.

4.5 Beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit - bouwwerken
4.5.1 Algemeen
  • a. Bouwen op deze gronden is uitsluitend toegestaan ten behoeve van de in 4.2 genoemde functies;
  • b. Alleen de volgende bouwwerken zijn toegestaan:
    • 1. woningen
    • 2. bijbehorende bouwwerken
    • 3. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
4.5.2 Beoordelingsregels die voor alle bouwwerken gelden

Bij de aanvraag voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen op een als 'Agrarisch - Landbouwontwikkelingsgebied' aangewezen locatie dient te worden aangetoond dat het initiatief voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, waarbij getoetst wordt aan de volgende aspecten:

  • a. gebouwen worden uitsluitend opgericht binnen het bouwvlak;
  • b. buiten het bouwvlak zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde, uitgezonderd erfafscheidingen, toegestaan tot een maximale bouwhoogte van 2 meter;
  • c. de op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp omgevingsplan bebouwing mag worden gehandhaafd, hersteld, vervangen en uitgebreid met inachtneming van het bepaalde in dit lid, met dien verstande dat wanneer de bestaande bebouwing en bestaande maatvoering afwijken van hetgeen in de hierna volgende regels is aangegeven, de afwijking niet mag worden vergroot. De voorgaande volzin is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan, doch zijn gebouwd in strijd met het toen geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan;

Voor de op te richten bebouwing gelden (mede) de volgende regels:

  • d. per bouwvlak met de aanduiding 'wonen' is maximaal één woning toegestaan;
  • e. vervangende nieuwbouw van de woning is toegestaan binnen de bestaande fundamenten, tot een maximale inhoudsmaat van 750 m3 danwel overeenkomstig de bestaande (grotere) inhoud.
  • f. ondergronds bouwen is uitsluitend toegestaan binnen de bestaande fundamenten van gebouwen;

4.5.3 Beoordelingsregels voor wonen

Woningen, inclusief aangebouwde bijgebouwen, voldoen aan de volgende kenmerken:

  • a. bij de aanvraag voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen dient inzichtelijk te worden gemaakt dat voldoende parkeergelegenheid voor auto's wordt gerealiseerd ten behoeve van deze functie. Voldoende parkeerplaatsen betekent dat wordt voldaan aan de normen in de gemeentelijke beleidsregels behorende bij de 'Nota Parkeerbeleid gemeente Bernheze', vastgesteld op 18 april 2024, of diens rechtsopvolgers. De afmeting van een parkeerplaats dient tenminste 2,5 meter breed en 5 meter lang te zijn;
  • b. Het verlenen van een omgevingsvergunning voor de bouw van een woning dan wel het gebruiken van een woning is uitsluitend onder de voorwaarden zoals opgenomen in artikel 9.1 toegestaan waarbij tevens aan de Doelgroepenverordening gemeente Bernheze 2023 dient te worden getoetst.
  • c. de goothoogte mag niet meer dan 6 meter bedragen;
  • d. de bouwhoogte mag niet meer dan 10 meter bedragen;
  • e. De inhoud mag niet meer dan 750 m³ bedragen;
  • f. de afstand van bouwwerken ten dienste van de functie wonen tot aan de functie 'Verkeer' moet minimaal 15 meter bedragen;
  • g. de afstand van bouwwerken ten dienste van de functie wonen tot aan de zijdelingse perceelsgrens moet minimaal 5 meter bedragen;
  • h. een vergroting van maximaal 10% van de onder c t/m g genoemde goothoogten, bouwhoogten, oppervlaktematen en afstandseisen is toegelaten, mits:
    • 1. dit noodzakelijk is vanuit constructieve vereisten, architectonisch belang of oogpunt van duurzaamheid; en
    • 2. de toegestane maximale inhoudsmaat niet wordt overschreden; en
    • 3. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
      • het straat- en bebouwingsbeeld;
      • de milieusituatie;
      • de verkeersveiligheid;
      • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
      • de sociale veiligheid;
      • de externe veiligheid.
  • i. geringe mate van afwijking van de onder c t/m g genoemde goothoogten, bouwhoogten, oppervlaktematen en afstandseisen is toegelaten, mits deze noodzakelijk zijn in verband met de uitmeting van het terrein of uit een oogpunt van doelmatig gebruik van de gronden en/of de bebouwing.

4.5.4 Beoordelingsregels voor vrijstaande bijgebouwen bij de woning

Voor het bouwen van vrijstaande bijgebouwen bij de woning gelden de volgende eisen:

  • a. de goothoogte mag niet meer dan 3 meter bedragen;
  • b. de bouwhoogte mag niet meer dan 6 meter bedragen;
  • c. de gezamenlijke oppervlakte aan vrijstaande bijgebouwen bij de woning mag niet meer dan 500 m² bedragen.
  • d. de afstand van vrijstaande bijgebouwen tot aan de woning moet minimaal 3 meter en mag maximaal 20 meter bedragen;
  • e. de afstand van vrijstaande bijgebouwen tot aan de zijdelingse perceelsgrens moet minimaal 5 meter bedragen;
  • f. De afstand van vrijstaande bijgebouwen tot de woning moet minimaal 3 meter en maximaal 20 meter bedragen.
  • g. de afstand van vrijstaande bijgebouwen tot de voorgevelrooilijn moet minimaal 2 meter bedragen;
  • h. een vergroting van maximaal 10% van de onder a t/m g genoemde goothoogten, bouwhoogten, oppervlaktematen en afstandseisen is toegelaten, mits:
    • 1. dit noodzakelijk is vanuit constructieve vereisten, architectonisch belang of oogpunt van duurzaamheid; en
    • 2. de toegestane maximale inhoudsmaat niet wordt overschreden; en
    • 3. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
      • het straat- en bebouwingsbeeld;
      • de milieusituatie;
      • de verkeersveiligheid;
      • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
      • de sociale veiligheid;
      • de externe veiligheid.
  • i. geringe mate van afwijking van de onder a t/m g genoemde goothoogten, bouwhoogten, oppervlaktematen en afstandseisen is toegelaten, mits deze noodzakelijk zijn in verband met de uitmeting van het terrein of uit een oogpunt van doelmatig gebruik van de gronden en/of de bebouwing.

4.5.5 Beoordelingsregels bouwwerken geen gebouw zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, anders dan bedoeld in artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving en/of artikel 22.36 van het omgevingsplan, gelden de volgende eisen:

  • a. de hoogte van erfafscheidingen mag niet meer bedragen dan:
    • 1. 1 meter voor de voorgevelrooilijn van de woning;
    • 2. 2 meter achter de voorgevel van de woning.
  • b. carports/overkappingen moeten voldoen aan de volgende eisen:
    • 1. de hoogte mag niet meer dan 3 meter bedragen;
    • 2. de gezamenlijke oppervlakte van carports/overkappingen mag niet meer dan 30 m² bedragen;
    • 3. per bouwvlak zijn maximaal 2 carports/overkappingen toegestaan.
  • c. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag niet meer dan 3 meter bedragen.

4.6 Maatwerkvoorschriften

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing ten behoeve van:

  • a. het straat- en bebouwingsbeeld;
  • b. de verkeersveiligheid;
  • c. het woonmilieu van de omgeving; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de omliggende gronden niet onevenredig worden beperkt;

4.7 Omgevingsplanactiviteit - binnenplans afwijken
4.7.1 Algemeen

Een omgevingsvergunning kan worden verleend:

  • a. het bepaalde in 4.5.3 en 4.5.4 voor een kleinere afstand tot de zijdelingse perceelsgrens.
  • b. het bepaalde in 4.5.3, 4.5.4 en 4.5.5 , voor het oprichten van gebouwen op een kleinere afstand tot de functie 'Verkeer'.
  • c. het bepaalde in 4.5 voor het oprichten van erfafscheidingen, waaronder mede worden begrepen terreinomheiningen en open hekwerken, buiten het bouwvlak tot een maximum hoogte van 2 m.
  • d. het bepaalde in 4.5.2 onder e voor het oprichten van vervangende nieuwbouw buiten de bestaande fundamenten.
4.7.2 Algemene beoordelingsregels

Een in 4.7.1 genoemde omgevingsvergunning kan bovendien slechts worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • a. het straat- en bebouwingsbeeld;
  • b. de verkeersveiligheid;
  • c. het woon- en leefmilieu van de omgeving; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
  • d. de waterhuishoudkundige situatie.
4.7.3 Beoordelingsregels onder a

De omgevingsvergunning zoals bedoeld in 4.7.1 onder a wordt alleen verleend indien er voor zover:

  • a. dit uit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar is;
  • b. Hierdoor de verkeersveilighied niet wordt aangetast.
4.7.4 Beoordelingsregels onder b

De omgevingsvergunning zoals bedoeld in 4.7.1 onder b wordt alleen verleend indien er voor zover:

  • a. dit uit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar is;
  • b. Hierdoor de verkeersveilighied niet wordt aangetast.
4.7.5 Beoordelingsregels onder c

De omgevingsvergunning zoals bedoeld in 4.7.1 onder c wordt alleen verleend indien er voor zover geen onevenredige aantasting is van de open structuur van de omgeving

4.7.6 Beoordelingsregels onder d

De omgevingsvergunning zoals bedoeld in 4.7.1 onder d wordt alleen verleend indien er voor zover:

  • a. de nieuwe locatie vanuit stedenbouwkundig en/of milieuhygiënisch oogpunt gewenst of toelaatbaar is:
  • b. hierdoor de verkeersveiligheid niet wordt aangetast;
  • c. er geen sprake is van een cultuurhistorisch waardevol pand.

4.8 Omgevingsplanactiviteit - werken en/of werkzaamheden
4.8.1 Aanwijzing vergunningsplichtige gevallen

Het is verboden op of in de gronden als bedoeld in artikel 4.2 zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het rooien van houtgewas.

4.8.2 Uitzonderingen

Het in 4.8.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  • a. uitgevoerd worden binnen een op de verbeelding opgenomen bouwvlak;
  • b. het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen;
  • c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit omgevingsplan.

4.8.3 Beoordelingsregels omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk
  • a. Uitvoering van de in 4.8.1 genoemde werken of werkzaamheden is in strijd met de functie, indien daardoor dan wel door de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen een onevenredige aantasting van de waarden van deze gronden kan plaatsvinden.

4.8.4 Waarden

Onder de in 4.8.3 benoemde waarden worden verstaan:

  • a. ten aanzien van de in 4.8.1 genoemde werken of werkzaamheden: de waarden van landschapselementen.

4.8.5 Advies

Alvorens omtrent een aanvraag omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werken en/of werkzaamheden te beslissen, winnen burgemeester en wethouders, indien nodig, advies in bij de met betrekking tot het betreffende terrein meest aangewezen instantie.

Artikel 5 Waarde - Archeologie 3

5.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als Waarde - Archeologie 3.

5.2 Toedeling van functies aan locatie

Een als Waarde - Archeologie 3 aangewezen locatie heeft, behalve voor de andere daar voorkomende functies, als functie het beschermen en veiligstellen van gronden van (zeer hoge) archeologische waarden.

5.3 Beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit - bouwwerken
5.3.1 Algemeen

Voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende locatie dient de aanvrager van een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 22.26, voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 2.500 m² en dieper dan 40 centimeter, een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van de vergunningverlener in voldoende mate zijn vastgesteld, waarbij advies wordt ingewonnen van een senior-archeoloog over de aard van het uit te voeren onderzoek.

5.3.2 Beoordelingsregels die voor alle bouwwerken gelden

Bij de aanvraag voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 2.500 m² en dieper dan 40 centimeter dient te worden aangetoond dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen niet zullen of kunnen worden verstoord.

5.3.3 Advies

Alvorens omtrent een aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk te beslissen, winnen burgemeester en wethouders, indien nodig, advies in bij de senior-archeoloog over de aard van het uit te voeren onderzoek.

5.3.4 Bijzondere aanvraagvereisten

Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a. een rapport waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van de vergunningverlener in voldoende mate zijn vastgesteld

5.3.5 Vergunningvoorschriften

Burgemeester en wethouders kunnen met het oog op het voorkomen van een verstoring van de archeologische waarden vergunningvoorschriften stellen aan:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen;
  • c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door de vergunningverlener bij de vergunning te stellen kwalificaties.

5.4 Omgevingsplanactiviteit - werken en/of werkzaamheden
5.4.1 Aanwijzing vergunningsplichtige gevallen

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op de in 5.1 bedoelde gronden de volgende andere-werken uit te voeren:

  • a. het ophogen, egaliseren en ontginnen van gronden;
  • b. het bodemverlagen of afgraven van gronden;
  • c. het uitvoeren van grondbewerkingen dieper dan 0,40 m vanaf maaiveld;
  • d. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen;
  • e. het aanleggen of verharden van wegen, rijwielpaden, banen of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • f. het aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse transport- energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies.

5.4.2 Uitzonderingen

Het in artikel 5.4.1 opgenomen verbod is niet van toepassing indien:

  • a. het gaat om onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;
  • b. er sprake is van bodemingrepen kleiner dan 2.500 m² en niet dieper dan 0,4 m vanaf het maaiveld;
  • c. op basis van bureauonderzoek, inventariserend of aanvullend archeologisch vooronderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen behoudenswaardige archeologische relicten aanwezig zijn;
  • d. de werken en werkzaamheden
    • 1. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;
    • 2. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning;
  • e. de werken en werkzaamheden op aanvullend of definitief archeologisch onderzoek zijn gericht;
  • f. de werken en werkzaamheden het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen.

5.4.3 Beoordelingsregels omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk

De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden wordt slechts verleend door de werken en/of werkzaamheden, dan wel door de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen de archeologische waarden niet onevenredig (kunnen) worden geschaad.

Artikel 6 Waterstaat - Beschermingszone watergang

6.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als 'Waterstaat - Beschermingszone watergang'.

6.2 Toedeling van functies aan locatie

De voor 'Waterstaat - Beschermingszone watergang' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functie, met voorrang mede bestemd voor de bescherming en het onderhoud van de in deze zone gelegen dan wel daaraan grenzende watergang.

6.3 Beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit - bouwwerken
6.3.1 Algemeen

Op de voor 'Waterstaat - Beschermingszone watergang' aangewezen gronden mag niet worden gebouwd.

6.3.2 Bouwregels

Het is verboden op of in de gronden als bedoeld in artikel 6.3.1 zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning te bouwen behalve voor de andere daar voorkomende functies.

6.3.3 Beoordelingsregels die voor alle bouwwerken gelden

Een in 6.3.2 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien door de bouw en situering van de betreffende bebouwing geen schade wordt of kan worden toegebracht aan de watergang.

6.3.4 Advies

Alvorens omtrent een aanvraag omgevingsvergunning voor hetgeen onder 6.3.2 te beslissen winnen burgemeester en wethouders, indien nodig, advies in bij de met betrekking tot het betreffende terrein meest aangewezen instantie.

6.4 Omgevingsplanactiviteit - werken en/of werkzaamheden
6.4.1 Algemeen

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen gebouwen zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het ophogen van gronden;
  • b. het aanbrengen van kaden of het wijzigen daarvan.
6.4.2 Uitzonderingen

Het in 6.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden:

  • a. die het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen;
  • b. die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit plan.

6.4.3 Beoordelingsregels omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk

Een in 6.4.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien de werken en/of werkzaamheden dan wel de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen niet in strijd zijn met het plan. Met betrekking tot de gevolgen voor de waterbergend vermogen wordt advies gevraagd aan de beheersinstantie.

Hoofdstuk 3 Algemene regels over functies

Artikel 7 Toepassingsbereik

De regels in dit hoofdstuk gelden in aanvulling op en als dit nader is bepaald in afwijking van de regels in Hoofdstuk 2 van dit TAM-omgevingsplan.

Artikel 8 Aanvraagvereisten

  • a. De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk. In het bijzonder geldt dat:
    • 1. het bepaalde in artikel 22.284 van toepassing is op een aanvraag om omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor werken en werkzaamheden in dit plan; en
    • 2. het bepaalde in 22.286 van toepassing is op een aanvraag om omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit inhoudende een gebruiksactiviteit of een bouwactiviteit in dit plan.
  • b. In aanvulling op het bepaalde onder a worden bij de aanvraag om omgevingsvergunning die gegevens en bescheiden overlegd die naar het oordeel van het bevoegde gezag noodzakelijk zijn voor een toets aan de aan de omgevingsvergunning verbonden beoordelingsregels.

Artikel 9 Specifieke beoordelingsregels bouwen

9.1 Algemeen

Bij de beoordeling van het bepaalde ten aanzien van het bouwen in Hoofdstuk 2 van dit TAM-omgevingsplan worden buiten beschouwing gelaten:

  • a. plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding niet meer dan 1 m bedraagt.

Artikel 10 Algemene gebruiksregels

10.1 Parkeren
  • a. Er dient voldoende parkeergelegenheid voor auto's in stand gehouden te worden ten behoeve van de functie(s) als bedoeld in 'Hoofdstuk 2'. Voldoende parkeerplaatsen betekent dat wordt voldaan aan de normen in de gemeentelijke beleidsregels behorende bij de 'Nota Parkeerbeleid gemeente Bernheze', vastgesteld op 18 april 2024, of diens rechtsopvolgers.
  • b. De afmeting van een parkeerplaats dient tenminste 2,5 meter breed en 5 meter lang te zijn.

10.2 Hemelwaterberging

Het gebruiken en/of laten gebruiken van de gronden en bouwwerken binnen het plangebied is alleen toegestaan, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

  • a. de ontwikkeling niet leidt tot een versnelde afvoer van het regenwater op het oppervlaktewater;
  • b. de toename van de afvoer van afstromend regenwater gecompenseerd wordt conform de eisen van het waterschap en voorzien is een waterberging met voldoende capaciteit;
  • c. de compensatie ten minste naar evenredigheid van de realisatie van verhardingen gerealiseerd wordt;
  • d. de compensatie minimaal 70 mm per m² verharding bedraagt;
  • e. de waterhuishoudkundige voorzieningen welke strekken tot de berging van het hemelwater als opgenomen in de omgevingsvergunning bouwen of de omgevingsvergunning werken en werkzaamheden danwel een voorziening die een daarmee vergelijkbaar resultaat bewerkstelligt, uiterlijk binnen één jaar na de bouw van het project wordt gerealiseerd en in stand gehouden.

10.3 Landschappelijke inpassing

Het gebruiken en het (doen) laten gebruiken van de gronden en gebouwen overeenkomstig de functie is alleen toegestaan, indien de landschappelijke inpassing ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing' binnen maximaal 24 maanden na het onherroepelijk worden van dit TAM-omgevingsplan is aangelegd conform het inrichtingsplan en aldus in stand wordt gehouden. Onder inrichtingsplan wordt in deze planregels verstaan het landschappelijk inpassingsplan zoals opgenomen in Bijlage 1 van deze regels.

10.4 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.