| Plan: | Mgr. van den Hurklaan, Heesch |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1721.BPMgrvdHurklaanong-vg01 |
Voorliggend rapport betreft het bestemmingsplan "Mgr. van den Hurklaan, Heesch" van de gemeente Bernheze.
De gemeente Bernheze wil de mogelijkheden voor CPO (collectief particulier opdrachtgeverschap) vergroten en zoekt binnen de gemeente naar geschikte locaties. Eén locatie die hiervoor aangewezen is, is de locatie Monseigneur van den Hurklaan in Heesch. Op deze locatie worden vier CPO-woningen ontwikkeld in de vorm van patiowoningen. In de huidige situatie bestaat de locatie uit een braakliggend groen terrein. Op basis van het vigerende bestemmingsplan is het dan ook niet toegestaan om hier woningen te bouwen, derhalve is een aanpassing van het bestemmingsplan noodzakelijk. Onderhavig bestemmingsplan voorziet hierin.
Onderstaande afbeelding geeft de topografische situatie weer.
TOPOGRAFISCHE SITUATIE
Onderstaande afbeelding geeft de kadastrale situatie weer. Tevens is de plangrens van voorliggend bestemmingsplan ingetekend.
KADASTRALE SITUATIE
De gronden zijn kadastraal bekend gemeente Bernheze, sectie A, nummer 7187 en 7222. Het plangebied bedraagt een klein deel van beide percelen. De oppervlakte van het plangebied bedraagt 2.787 m².
Ter plaatse van het plangebied vigeert het bestemmingsplan "De kommen van Bernheze", vastgesteld door de gemeenteraad op 1 juni 2011. Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de vigerende verbeelding. De ligging van het plangebied is aangegeven. Hierna worden de relevante bestemmingen, dubbelbestemmingen en aanduidingen toegelicht.
UITSNEDE VERBEELDING VIGEREND BESTEMMINGSPLAN
Het plangebied ligt binnen de bestemming 'Groen', waarin groenvoorzieningen en bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wegen en verhardingen zijn toegestaan en een heel kleine strook 'Verkeer'.
Voorts geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' om bescherming van archeologisch waarden te waarborgen waarbij een vrijstelling is opgenomen voor werkzaamheden met een oppervlakte kleiner dan 250 m² en minder diep dan 40 centimeter.
Omdat de vier CPO-woningen niet zijn toegestaan binnen de bestemming 'Groen' is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk.
Dit hoofdstuk geeft een ruimtelijk-functionele analyse van het plangebied.
Onderstaande afbeelding geeft de bestaande toestand van de directe omgeving en het plangebied weer.
DIRECTE OMGEVING EN PLANGEBIED
Tussen de bestaande bebouwde kom aan de noordkant van Heesch en de autosnelweg A59 is een gebied gelegen dat zich laat beschrijven als een overgangsgebied tussen stad en landschap. De Monseigneur van den Hurklaan is een oud lint die als grens van het overgangsgebied fungeert. Het Amelseind, een oude directe verbinding richting Oss, loopt vanaf de Monseigneur van den Hurklaan het overgangsgebied in. Sinds de aanleg van de autosnelweg A59 is de verbinding met Oss 100 meter naar het oosten verplaatst. Deze wegen bestaan uit relatief smalle klinkerstraten.
Onderhavig plangebied ligt ingeklemd tussen de kruising Monseigneur van den Hurklaan/Amelseind en de zuidelijk gelegen woonwijk. Aan de west- en oostzijde van het plangebied lopen twee fiets/voetpaden de woonwijk in.
De Monseigneur van den Hurklaan wordt gekenmerkt door oude woonboerderijen op grote brede percelen aan de noordzijde en een brede groene zone met diverse grote nieuwe vrijstaande woningen aan de zuidzijde. Op enkele plekken is er nog een doorzicht tussen de bebouwing naar de achtergelegen agrarische percelen waardoor het karakter van 'wonen in het landschap' wordt versterkt. De aangrenzende woonwijk aan de zuidzijde bestaat hoofdzakelijke uit vrijstaande- en twee-onder-een-kapwoningen. Ten noorden van de planlocatie zijn er verschillende agrarische velden, gras- en weilanden aanwezig maar ook vrijstaande boerderijwoningen en een tennisvereniging. Binnen het plangebied komt geen bebouwing voor.
In de directe omgeving van het plangebied liggen agrarische percelen, stedelijke groenzones en ruime (voor)tuinen. De omliggende wegen worden allen omgeven door laanbeplanting bestaande uit hoofdzakelijk wilgen en eiken. De kruising Monseigneur van den Hurklaan/Amelseind heeft van oudsher een herkenbare driehoekige opzet met een grasveldje in het midden waar drie bomen staan. Het plangebied bestaat uit een groenzone. Aan de zuidkant van de plangebied bevindt zich een beukenrij, met tevens een aantal andere boomsoorten. Binnen het plangebied staan diverse inheemse bomen. Parallel aan de Monseigneur van den Hurklaan loopt aan de noordzijde van het plangebied een greppel maar deze bevat geen water.
In dit hoofdstuk is de beschrijving van het plan opgenomen. De ruimtelijke structuur is nader uitgewerkt in de inrichtingsschets, zoals weergegeven op onderstaande afbeelding en in bijlage 1. Te onderscheiden zijn: bebouwing functies, groen en water en ontsluiting en parkeren.
Onderhavig plan voorziet in de nieuwbouw van vier patiowoningen met gedeeltelijke opbouw. De woningen liggen met de voorzijde aan de Monseigneur van den Hurklaan en liggen rug-aan-rug met de bestaande vrijstaande woningen aan de Boonakker. Elke patiowoning heeft aan de voorzijde een entree met carport en aan de achterzijde een eigen buitenruimte. Deze buitenruimten worden door middel van een 2 meter hoge muur afgeschermd van de tuinen van de woningen aan de Boonakker. Elke CPO-woning bestaat uit één laag met een beperkte opbouw van maximaal 80 m² in kapvorm. De patiowoningen hebben een oppervlakte variërend tussen 226 m² en 248 m². De perceeloppervlakten variëren tussen de 400 m² en 460 m².
INDICATIEVE INRICHTINGSSCHETS
Ten behoeve van de waterberging en het aanzicht van de nieuwe woningen wordt de bestaande greppel aan zijde Monseigneur van den Hurklaan vergroot. Hierdoor ontstaat er een groen/blauwe zone tussen de Monseigneur van den Hurklaan en het nieuwe bouwplan. Middels een brug per woning is iedere woning bereikbaar. De groene zones met bomen rondom de paden aan de west- en oostzijde blijven gehandhaafd. De bestaande bomen aan de Monseigneur van den Hurklaan worden ook merendeels behouden, de andere bomen binnen het plangebied worden gerooid.
De verkeersaantrekkende werking voor een vrijstaande woning bedraagt gemiddeld 8,2 motorvoertuigbewegingen per etmaal op basis van de omgevingskenmerken matig stedelijk en rest bebouwde kom. Voor onderhavig plan betekent dat een toename van 33 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Deze toename kan zonder meer via de bestaande wegen worden afgewikkeld.
Conform de 'Parkeernota gemeente Bernheze' moet elke woning voorzien in 2 parkeerplaatsen op het eigen terrein, dit is in de regels vastgelegd met een voorwaardelijke verplichting. Iedere woning bevat een carport waar plek is voor twee parkeerplaatsen. Het initiatief voldoet daarmee aan de parkeernota. De inritten van de nieuwe woningen worden direct met de Monseigneur van den Hurklaan verbonden door middel van een brug over het water. Deze uitritten worden maximaal 4 meter breed zodat de nieuwe sloot niet geheel wordt overkluisd.
In dit hoofdstuk wordt het plan getoetst aan het relevante vigerende beleid. Achtereenvolgens komt aan de orde het beleid op:
In 2012 heeft de Minister van Infrastructuur en Milieu de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) ondertekend. De SVIR geeft een integraal kader voor het ruimtelijk beleid en mobiliteitsbeleid op rijksniveau, en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. In de SVIR worden de ambities van het Rijk tot 2040 geschetst, alsmede doelen, belangen en opgaven tot 2028. In de SVIR kiest het Rijk voor minder nationale belangen en eenvoudiger regelgeving.
De reeds ingezette trend om aan de provincies en gemeenten ruimte te laten inzake de ruimtelijke ontwikkelingen wordt versterkt in de SVIR.
De SVIR bevat 13 nationale belangen die worden beschermd middels het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening. Het gaat onder meer om militaire objecten en terreinen, de grote rivieren en het Natuurnetwerk Nederland. Voor onderhavig plan zijn geen van de nationale belangen aan de orde.
De in de SVIR opgenomen nationale belangen krijgen een wettelijke grondslag in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). De werking van het Barro is naar plaats beperkt. Onderhavig plangebied ligt niet in een gebied waarbinnen het Barro van toepassing is.
Conclusie
Het plan voldoet aan het Barro.
Met het doel de ruimte zorgvuldig en duurzaam te gebruiken, is de Ladder voor Duurzame Verstedelijking opgesteld. Deze is verankerd in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (versie 1 juli 2017). Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen moet worden aangetoond dat deze voorzien in een behoefte, en moet - in geval van de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied plaatsvindt - een motivering worden opgenomen waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
Projecten die minder dan twaalf woningen bevatten worden op basis van jurisprudentie niet als stedelijke ontwikkeling gezien. Onderhavig plan voorziet in de toevoeging van vier woningen. Een nadere toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is derhalve niet nodig.
Conclusie
Het initiatief voldoet aan de Ladder voor Duurzame Verstedelijking.
Het provinciale ruimtelijk beleid is vastgelegd in de nota's:
Het plan wordt aan deze twee nota's getoetst.
De Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2010, partiële herziening 2014 bevat de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid van het provinciale bestuur op de ontwikkeling van Noord-Brabant.
Het plangebied ligt binnen de kern Heesch dat onderdeel is van het 'stedelijk concentratiegebied'. Conform het structuurvisiebeleid wordt in het stedelijk concentratiegebied (met de bijbehorende zoekgebieden voor verstedelijking) het grootste gedeelte van de verstedelijkingsopgave opgevangen. Daarbij is zuinig ruimtegebruik aan de orde: functiemenging, herstructurering en inbreiding vóór stedelijke uitbreidingen.
Het plan omvat het toevoegen van vier woningen in de vorm van inbreiding. De lokale behoefte is aangetoond in het gemeentelijke woningbouwprogramma, zie paragraaf 4.3.3.
Conclusie
Het plan past binnen de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2010, partiële herziening 2014.
De Verordening ruimte Noord-Brabant (geconsolideerde versie per 31 juli 2018) stelt regels aan de inhoud van ruimtelijke plannen voor die aspecten waar provinciale of nationale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken.
De Verordening maakt onderscheid in structuren en aanduidingen. De Verordening kent vier structuren, die tezamen provinciedekkend zijn. Daarin is uitgewerkt welke functies ontwikkeld kunnen worden. Afhankelijk van de waarden in of kenmerken van een gebied kunnen er één of meerdere aanduidingen gelden. De Verordening bevat voorts algemene regels ter bevordering van de ruimtelijke kwaliteit.
Structuren
Het plangebied ligt binnen de structuur 'Bestaand stedelijk gebied, stedelijk concentratiegebied'. Het doel is om voldoende draagvlak voor de steden als economische en culturele motor te creëren en om het dichtslibben van het landelijk gebied tegen te gaan. Op provinciale schaal betekent dit dat het merendeel van de woningbouw, de bedrijventerreinen, voorzieningen en bijbehorende infrastructuur moet plaatsvinden in of aansluitend op de stedelijke concentratiegebieden. Hoofdregel van het beleid is dat stedelijke ontwikkeling binnen het bestaand stedelijk gebied plaatsvindt. Binnen het bestaand stedelijke gebied is de gemeente in het algemeen vrij om te voorzien in stedelijke ontwikkeling; uiteraard binnen de grenzen van wetgeving en de regionale afspraken. Wel is in artikel 3.1 een aantal bepalingen opgenomen over zorgvuldig ruimtegebruik en de verantwoording die de provincie daarover vraagt aan gemeente. Onderhavig plan voorziet in een woningbouwontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied binnen de grenzen van wetgeving en de regionale afspraken (zie paragraaf 4.3.3). Er wordt tevens voldaan aan artikel 3.1, dit wordt nader toegelicht in paragraaf 4.2.2.3). Het initiatief past daarmee binnen de structuur 'Bestaand stedelijk gebied, stedelijk concentratiegebied'.
Aanduidingen
Er zijn geen relevante aanduidingen ter plaatse van het plangebied die voor onderhavige ontwikkeling van toepassing zijn.
Ter bevordering van de ruimtelijke kwaliteit bevat de Verordening algemene regels (opgenomen in artikel 3). Daarbij wordt onderscheid gemaakt in de zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit en de kwaliteitsverbetering van het landschap.
Algemeen geldt dat een project moet bijdragen aan de zorg voor behoud en bevordering van de ruimtelijke kwaliteit en voldoet aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik. Er is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik omdat er sprake is van een inbreidingslocatie. Om te zorgen voor behoud en bevordering van de ruimtelijke kwaliteit worden de nieuwe woningen dusdanig ingepast dat deze aansluiten bij de ruimtelijke kwaliteit van de directe omgeving.
Het plan voldoet aan de regels van de Verordening ruimte Noord-Brabant.
De locatie ligt binnen de Structuurvisie Bernheze binnen het structuurvisiegebied 'Dorpen'. De gemeente Bernheze bevat vijf dorpskernen: Heesch, Heeswijk-Dinther, Nistelrode, Vorstenbosch en Loosbroek. Deze dorpen vervullen een belangrijke rol voor het accommoderen van de toekomstige ruimtevraag. Herstructurerings- en intensiveringsprocessen zijn in beginsel overal binnen het bestaand woongebied mogelijk. Uiteraard moet hierbij worden aangesloten op de kwaliteiten en mogelijkheden van dat woongebied. De duidelijke structuur en de variatie van de verschillende dorpen dient behouden en waar mogelijk versterkt te worden. Indien sprake is van verweving van de bebouwing met het omliggende landschap (bijvoorbeeld aan de randen van de dorpen) dient dit karakter te worden behouden en zo mogelijk te worden versterkt.
Onderhavig plan voorziet in een afronding van de dorpsrand aan de noordkant van Heesch. De ontwikkeling gaat gepaard met een groene inpassing die de verweving met het landschap aangaat. De bestaande bomen aan de Monseigneur van den Hurklaan blijven gehandhaafd en de bestaande greppel komt meer in het zicht doordat deze wordt verruimd. De bescheiden hoogte van de woningen past bij de omgeving en zorgt voor een zachte overgang van het buitengebied naar de kern. Door in het ontwerp de n van de boerderijen in de straat terug te laten komen wordt aangesloten bij de differentiatie van de bebouwing in de directe omgeving. Het initiatief is daarmee passend binnen het structuurvisiegebied 'Dorpen'.
Conclusie
Het plan past binnen de Structuurvisie Bernheze.
Naast de structuurvisie voor Bernheze is er ook een Ontwikkelingsvisie Noordrand Heesch opgesteld. Deze visie heeft als doel de aanwezige landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten van het overgangsgebied tussen de kern en de A59 te behouden. Onderhavige locatie is binnen de visie aangeduid als 'kern'. Omdat de visie zich voornamelijk richt op het overgangsgebied en onderhavig plan voorziet in een inbreiding binnen de kern, zijn er geen tegenstrijdige belangen. De Monseigneur van den Hurklaan is in de visie aangeduid als 'groenstructuur langs wegen'. De visie richt zich op behoud en versterking van deze structuur. Onderhavig plan richt zich op behoud van de groenstructuur door behoud van de bomen die direct aan de Monseigneur van den Hurklaan staan.
Conclusie
Het plan past binnen de Ontwikkelingsvisie Noordrand Heesch.
Het gemeentelijke woningbouwbeleid is vastgelegd in de 'Woonvisie 2016-2021' van de gemeente Bernheze. Deze woonvisie is op regionaal niveau tot stand gekomen. In deze visie wordt ingespeeld op de woningvraag, de woningvoorraad en de woonomgeving. Het is zaak voor de gemeente Bernheze om het beleid hierop in te richten.
Voor de periode 2016-2021 zijn in de dorpskern Heesch 395 nieuwe woningen voorzien van verschillende woningtypes. Onder deze woningtypes worden ook locaties gezocht voor vrijstaande woningen. Daarnaast reserveert de gemeente minimaal 5% van het nieuwbouwprogramma voor vrije kavels/CPO. Onderhavig plan voorziet met nieuwe vrijstaande CPO woningen in vier wooneenheden en past derhalve binnen het woningbouwbeleid.
Conclusie
Het plan past binnen de Woonvisie 2016-2021.
Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet worden beoordeeld of de bodemkwaliteit past bij deze nieuwe functie.
Om de huidige bodemkwaliteit inzichtelijk te maken heeft Lankelma een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd: rapport "Monseigneur van Den Hurklaan ong. te Heesch" (26 juni 2018, 1801469). Het onderzoeksrapport is bijgevoegd als bijlage 2. Lankelma concludeert dat in het kader van de Wet bodembescherming geen aanvullende procedures noodzakelijk zijn. Op basis van de bevindingen het bodemonderzoek zijn er vanuit milieuhygiënisch oogpunt derhalve geen belemmeringen c.q. beperkingen voor de ontwikkeling op deze locatie.
Het aspect bodemkwaliteit vormt geen planologische belemmering voor het plan.
Om te voorkomen dat als gevolg van het plan voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten optreden moet worden getoetst of:
Basis voor deze toetsing vormt de handreiking "Bedrijven en milieuzonering" (VNG, Den Haag, 2009), waarin richtafstanden zijn opgenomen voor diverse bedrijfstypen.
In de handreiking wordt onderscheid gemaakt tussen twee omgevingstypen: een rustige woonwijk en gemengd gebied. In een gemengd gebied mag een kleinere richtafstand dan in een rustige woonwijk worden aangehouden. De richtafstanden mogen dan met één 'afstandstap' worden teruggebracht.
Het omgevingstype van voorliggend plangebied is een rustige woonwijk. In de omgeving is slechts van beperkte functiemenging sprake en er is weinig verstorend verkeer.
Invloed plan op de omgeving
Het plan betreft woningbouw. Er is derhalve geen sprake van milieutechnische uitstraling op de omgeving.
Invloed omliggende inrichtingen op plan
De dichtstbijzijnde inrichting betreft tennisvereniging 'De Broekhoek'. De richtafstand voor dit type inrichting betreft 50 meter. Omdat het plangebied op een afstand van 110 meter van de tennisvereniging ligt, is er geen sprake van invloed op onderhavig plan.
Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen planologische belemmering voor het plan
Bij het mogelijk maken van nieuwe gevoelige functies is het aspect externe veiligheid van belang. Dit heeft betrekking op inrichtingen, buisleidingen en transportroutes waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, met fatale gevolgen voor personen die geen directe relatie hebben tot de risicovolle activiteit.
Het project omvat nieuwe kwetsbare objecten. De Risicokaart Nederland geeft een overzicht van de ligging van risicovolle activiteiten (inrichtingen, buisleidingen en transportroutes). Het initiatief ligt niet in de directe omgeving van buisleidingen of inrichtingen. Het plangebied ligt daarentegen wel binnen het invloedsgebied van autosnelweg A59. De A59 is een transportroute met gevaarlijke stoffen. Met een afstand van 260 meter ligt het plangebied binnen het invloedsgebied verantwoording groepsrisico. Er dient derhalve een beperkte verantwoording op het groepsrisico gegeven te worden.
Het project omvat geen "bijzonder kwetsbare objecten", bestemd voor verminderd zelfredzame personen, binnen het invloedsgebied. De toekomstige bewoners zijn zelfredzame personen. De toename van het aantal personen is dermate laag dat het geen significante toename voor het groepsrisico tot gevolg heeft. Daarnaast zorgt de bebouwing en beplanting in de omgeving voor een afschermde werking indien er een ongeval plaatsvindt. Er is geen relevante toename van het groepsrisico. Met de naastliggende voetpaden is er een directe vluchtmogelijkheid van de A59 af.
Het aspect externe veiligheid vormt geen planologische belemmering voor het plan.
Bij ruimtelijke ontwikkelingen nabij agrarische bedrijven is het aspect geurhinder van belang. Er moet worden aangetoond dat het plan geen belemmering vormt voor agrarische bedrijven en dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plan.
Het dichtstbijzijnde agrarische bedrijf ligt op 200 meter afstand waar circa 100 vleeskalveren worden gehouden. Voor dit type vee geldt een minimale richtafstand van 50 meter van stal tot geurgevoelig object. Onderhavig plan ligt op circa 200 meter van de veehouderij.
Binnen een straal van ongeveer 1,5 kilometer komen geen andere (intensieve) veehouderijen voor. Er is daarmee sprake van een goed woon- en leefklimaat. Het aspect geurhinder veehouderijen vormt geen planologische belemmering voor het plan.
Het aspect geurhinder veehouderijen vormt geen planologische belemmering voor het plan.
Ruimtelijke ontwikkelingen moeten voldoen aan de regelgeving inzake geluidhinder. In de Wet geluidhinder (Wgh) wordt onderscheid gemaakt in verkeerslawaai en industrielawaai. In de Wgh zijn normen voor maximaal toelaatbare geluidsbelasting op (de gevels van) geluidgevoelige objecten vastgelegd.
Het plangebied ligt binnen de onderzoekszone van de van de autosnelweg A59. Om de gevelbelasting van de nieuwe woningen inzichtelijk te maken heeft DPA Cauberg Huygen een akoestisch onderzoek uitgevoerd: rapport "Nieuwbouw 4 CPO woningen Monseigneur van Den Hurklaan te Heesch; akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai" (19 juni 2018, 04470-42091-02). Het onderzoeksrapport is als bijlage 3 bijgevoegd. De Dommelstraat (50 km/u weg) en de omliggende 30 km/u wegen (niet-gezoneerd volgens de Wet geluidhinder) zijn eveneens meegenomen in het akoestisch onderzoek ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.
DPA Cauberg Huygen concludeert dat ten gevolge van het wegverkeer op de autosnelweg A59 niet overal voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB (maximaal 49 dB). De maximale ontheffingswaarde wordt echter niet overschreden. Maatregelen ter reductie van het geluid ten gevolge van de A59 zijn in relatie tot het onderhavige project vanwege overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige of financiële aard, niet realiseerbaar. Er dienen daarom hogere waarden te worden aangevraagd ten opzichte van het wegverkeer op de A59.
Het aspect geluid vormt geen planologische belemmering voor het plan. Bij de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt geadviseerd een onderzoek naar de gevel geluidwering uit te voeren.
Om personen tegen de gevolgen van luchtverontreiniging te beschermen zijn in de Wet milieubeheer normen opgenomen voor bepaalde stoffen. Bij de beoordeling van het aspect luchtkwaliteit moet enerzijds aangetoond worden dat een ruimtelijke ontwikkeling niet leidt tot een (significante) overschrijding van de luchtkwaliteitsnormen en anderzijds dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
Effecten plan op luchtkwaliteit
In de "Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)" zijn categorieën van gevallen genoemd die niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Zo is een project met maximaal 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg één van de genoemde gevallen. Onderhavig plan omvat 4 woningen en betreft daarmee een project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Er is geen nader onderzoek nodig.
Goed woon- en leefklimaat
In de Wet milieubeheer zijn voor een groot aantal stoffen grenswaarden opgenomen, maar uit onderzoek blijkt dat langs wegen alleen overschrijdingen van de grenswaarden voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) kunnen optreden. Voor de overige stoffen waarvoor grenswaarden zijn opgenomen in de Wm treden naar verwachting nergens langs het Nederlandse wegennet overschrijdingen van deze grenswaarden op. Voor de beoordeling van de luchtkwaliteit zijn daarom alleen de volgende criteria van toepassing:
Het plan ligt niet in de nabijheid van zware industrie, (een concentratie van meerdere) intensieve veehouderijen of drukke vaarwegen. Voor de beoordeling van de luchtkwaliteit wordt alleen gekeken naar luchtverontreiniging van verkeer op wegen in de omgeving.
In het kader van het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) is door diverse bronbeheerders zoals gemeenten, provincies en Rijkswaterstaat de Monitoringstool ingevoerd. Uit de resultaten van de Monitoringstool blijkt dat op deze locatie in de jaren 2016, 2020 en 2030 aan bovengenoemde grenswaarden (jaargemiddelde en overschrijdingsdagen) voor PM10, PM2,5 en NO2 wordt voldaan. Uit de monitoringstool volgt dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied.
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het initiatief.
Het aspect volksgezondheid heeft de laatste jaren meer aandacht gekregen bij het opstellen van bestemmingsplannen. Aangetoond moet worden dat een ruimtelijke ontwikkeling geen negatief effect heeft op de volksgezondheid.
Een beoordeling van de effecten op de volksgezondheid doet zich met name voor bij de uitbreiding van veehouderijen of een ontwikkeling van milieugevoelige functies in de omgeving van veehouderijen. Het betreft specifiek de aspecten endotoxinen en geitenhouderijen. In deze paragraaf wordt het plan aan deze aspecten getoetst.
Endotoxinen zijn bouwstenen van bepaalde bacteriën die een toxisch effect op de mens kunnen hebben en tot gezondheidsklachten kunnen leiden. Endotoxinen komen vaak voor is fijnstof van intensieve veehouderijen. De Gezondheidsraad hanteert een advieswaarde van 30 EU/m³ voor de maximale blootstelling aan endotoxinen in de buitenlucht over een langere periode.
Omdat thans nog een toetsingskader wordt voorbereid, wordt voor de beoordeling de "Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingkader 1.0" gehanteerd. Daarin zijn afstandsgrafieken opgenomen voor de relevante diersoorten vleeskuikens, legkippen en vleesvarkens gerelateerd aan de fijnstofemissie. In algemene zin kan worden gesteld dat het effect van endotoxinen tot maximaal 600 meter van veehouderijen plaatsvindt.
Het plan omvat nieuwe, milieugevoelige objecten. In een straal van 600 meter rondom het plangebied zijn geen relevante (intensieve) veehouderijen actief. Er hoeft geen nadere beoordeling van het aspect endotoxinen plaats te vinden. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van endotoxinen.
Uit onderzoek is gebleken dat omwonenden in een straal van 2 km rondom geitenhouderijen een verhoogde kans hebben op longontsteking. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van geitenhouderijen moet beoordeeld worden of er een effect is op de volksgezondheid.
Het plan omvat nieuwe, milieugevoelige objecten. In een straal van 2 km rondom het plangebied zijn echter geen geitenhouderijen actief.
GEITENHOUDERIJEN IN EN IN OMGEVING BERNHEZE
Er hoeft geen nadere beoordeling van het aspect geitenhouderijen plaats te vinden. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van geitenhouderijen.
Het aspect volksgezondheid vormt geen planologische belemmering voor het plan.
Het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) is ontwikkeld om het milieubelang volwaardig in de besluitvorming te betrekken. In de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage zijn de activiteiten genoemd waarvoor een m.e.r.-plicht of een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt, of waarvoor een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig is.
De in voorliggend bestemmingsplan opgenomen ontwikkeling betreft geen stedelijke ontwikkeling en behoort daarmee niet tot de in bijlage D van het Besluit milieueffectrapportage genoemde ontwikkelingen. Er is derhalve geen nadere m.e.r.-beoordeling nodig.
Gelet op de resultaten van de hiervoor reeds uitgevoerde milieuanalyse, kan zonder nader onderzoek worden geconcludeerd dat het plan geen significant nadelige milieugevolgen heeft. Een nadere motivering is niet noodzakelijk.
Het plan is niet m.e.r.(-beoordelings)plichtig. Het plan heeft geen belangrijke nadelige milieugevolgen.
Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 Bro moet bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden worden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische monumenten.
De gemeente Bernheze beschikt over een gemeentelijke archeologische beleidskaart. Volgens deze kaart ligt het plangebied in een zone aangeduid met een hoge archeologische verwachting. Deze hoge archeologische verwachting is verwerkt in het vigerende bestemmingsplan ‘Kommen van Bernheze’ tot een dubbelbestemming ‘Waarde – archeologie 2’. Dit betekent dat bij ingrepen dieper dan 40 cm en groter dan 250 m² archeologisch vooronderzoek noodzakelijk is. Onderhavig initiatief overschrijdt deze diepte en oppervlakte. Voorafgaand aan de ontwikkeling dient daarom in kaart gebracht te worden of zich binnen het plangebied behoudenswaardige archeologische resten (zouden kunnen) bevinden, die tegen de achtergrond van de bodemingrepen gevaar lopen.
Onderzoeksbureau Vestigia heeft daarom een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd: rapport "Archeologisch vooronderzoek in het kader van de nieuwbouw van woningen aan de Mgr. Van den Hurklaan te Heesch, gemeente Bernheze" (23 augustus 2018, V1663). Het onderzoeksrapport is als bijlage 4 bijgevoegd.
Vestigia concludeert dat de oorspronkelijke ondergrond op het dekzand verstoord is geraakt. Ook resten van vroegere bebouwing zijn niet aangetroffen. Archeologische resten uit de periode Laat-Paleolithicum tot en met de Late Middeleeuwen worden daarom niet verwacht binnen het plangebied. Tijdens het veldonderzoek zijn geen archeologische indicatoren, met uitzondering van baksteenspikkels waargenomen. Op basis van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek kan gezien de aangetroffen bodemopbouw worden gesteld dat de kans op het aantreffen van een (intacte) archeologische vindplaats klein is. De archeologische verwachting voor het plangebied kan daarom worden bijgesteld naar ‘laag’. Vestigia Archeologie & Cultuurhistorie adviseert dan ook geen vervolgstappen in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ).
Het aspect archeologie vormt geen planologische belemmering voor het plan.
Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 Bro moet bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden worden met de aanwezige cultuurhistorische waarden.
Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de provinciale cultuurhistorische waardenkaart.
UITSNEDE CULTUURHISTORISCHE WAARDENKAART NOORD-BRABANT
Binnen het plangebied zijn geen cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig. De Monseigneur van den Hurklaan is wel aangeduid als historische geografie als lijn van redelijke hoge waarde. Het initiatief heeft echter geen invloed op deze structuur. Het plan tast geen waardevolle elementen aan.
Het aspect cultuurhistorie vormt geen planologische belemmering voor het plan.
Ten behoeve van de bescherming van natuurwaarden geldt de Wet natuurbescherming. De daarin opgenomen bescherming omvat de onderdelen:
Gebiedsbescherming
Het plangebied ligt niet binnen een beschermd gebied, zoals opgenomen in Natura 2000 en de ecologische hoofdstructuur. Ook bij ontwikkelingen buiten natuurgebieden moet het effect worden beoordeeld, de zogenaamde 'externe werking'. Het gaat dan met name om de stikstofdepositie. Hiervoor geldt de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS).
In de PAS is rekening gehouden met een autonome economische groei van 2,5% per jaar. De bouw van vier woningen behoort tot de autonome groei. Het transport en de bouwwerkzaamheden gedurende de ontwikkeling kunnen leiden tot een tijdelijke toename in stikstofdepositie (projecteffect). De ervaring leert dat het projecteffect bij soortgelijke en grotere projecten en de afstand tot kwetsbare habitats dat de stikstofdepositie onder de drempelwaarde van 0,05 mol/hectare/jaar blijft. Bovendien gelet op de nabijgelegen autosnelwegen zal de toename van (vracht)verkeersbewegingen verwaarloosbaar zijn. Een nadere toetsing aan de PAS is niet nodig. Het plan heeft geen negatief effect op natuurgebieden.
Soortenbescherming
Het initiatief betreft het verwijderen van de vegetatie en het bouwen van vier woningen. Alle thans aanwezige (ecologische) functies van de planlocatie komen geheel of deels te vervallen. Dit kan leiden tot negatieve effecten voor beschermde soorten. Om deze invloed inzichtelijk te maken heeft Blom Ecologie een oriënterend onderzoek uitgevoerd: rapport ''Oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna aan de Mgr. van den Hurklaan te Heesch'', (23 juni 2018, BE/2018/302/R). Het onderzoeksrapport is als bijlage 5 bijgevoegd.
Blom Ecologie concludeert dat de werkzaamheden en de toekomstige situatie niet leiden tot aantasting van beschermde gebieden of beschermde natuurwaarden. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van vleermuizen en algemene zoogdieren, amfibieën en broedvogels. Voor deze soortgroepen dienen eventueel maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. De aanwezigheid van beschermde soorten en hun leefgebied vormen geen bezwaar voor de beoogde bestemmingsplanwijziging.
Bescherming van houtopstanden
Het plan omvat niet het kappen van bomen buiten de bebouwde kom of in een houtopstand van meer dan 10 are, of het kappen van een bomenrij van meer dan 20 bomen. Er is derhalve geen herplantplicht conform artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming
Het aspect natuurwaarden vormt geen planologische belemmering voor de ontwikkeling.
Het plangebied ligt binnen het beheergebied van Waterschap Aa en Maas. De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is dat de waterbelangen evenwichtig worden meegewogen bij de totstandkoming van een plan. Deze waterparagraaf is een onderdeel van de watertoets. De waterparagraaf beschrijft zowel de huidige als toekomstige waterhuishoudkundige situatie (oppervlaktewater, grondwater, hemelwater en afvalwater).
Bodemopbouw
De bodem op de locatie bestaat tot de verkende diepte van 3,35 m-mv overwegend uit matig fijn, matig siltig zand. Met name de bovengrond is humushoudend.
Infiltratiecapaciteit
Er heeft geen specifiek onderzoek plaatsgevonden naar de infiltratiecapaciteit van de bodem. Uit het uitgevoerde bodemonderzoek (zie paragraaf 5.1) blijkt dat ter plaatse sprake is van een zandbodem. De waterdoorlatendheid is daarmee redelijk.
Binnen het plangebied loopt een greppel die voor een groot deel aan de zuidzijde van de Monseigneur van den Hurklaan doorloopt. Er is geen sprake van permanent water in deze greppel.
Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek is een waterstand van 1,6 m -mv gemeten.
Het plangebied ligt niet in of nabij een gebied waarin waterschapsbelangen een rol spelen, zoals waterkering, waterberging of waterwinning.
Onderstaande tabel geeft een overzicht van het verhard oppervlak (bebouwing en bestrating) in de huidige en nieuwe situatie per perceel. De toename van het verhard oppervlak staat in de vierde kolom in vierkante meters (m²).
Per woning wordt maximaal 250 m2 hoofdgebouw mogelijk gemaakt. Voor de verharding wordt er voor de percelen 50% van het hoofdgebouw extra gerekend voor de verdere verharding op het perceel.
| omschrijving | bestaand | nieuw | toename m² |
| verharding per perceel | 0 m² | 375 m² | 375 m² |
De totale toename van de verharding is 375 m² per perceel.
Voor de berekening van de bergingscapaciteit wordt de rekenregel uit de Brabant Keur gehanteerd, voor het ontwerp betekent dat: toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (in m). In het plangebied geldt een gevoeligheidsfactor van 1,0.
375 m² x 1,0 x 0,06 m = 22,5 m³ per perceel.
De totale benodigde compensatie (in m³) per perceel bedraagt = 22,5 m³.
Voor onderhavig plan heeft de gemeente aangegeven dat 2/3 deel (15 m³) van het regenwater afgevoerd mag worden in de sloot ten noorden van het plangebied. Het overige deel (7,5 m³) moet per perceel op eigen terrein geborgen worden. Hiervoor is gekozen voor infiltratie van het hemelwater. Doordat de bodem uit zand bestaat, is de water doorlaatbaarheid goed. De GHG van het plangebied ligt minimaal op 300 cm-mv, hierdoor kan er voldoende water geborgen worden binnen het plangebied.
In de openbare weg ten noorden van het plangebied ligt een rioolstelsel. Het afvalwater wordt afgevoerd naar dit riool.
Voor het initiatief is een infiltratievoorziening vereist, omdat er een toename van verharding plaatsvindt. Hiervoor is voldoende ruimte beschikbaar. Deze wordt deels in het openbaar gebied gerealiseerd en deels op eigen terrein. Dit wordt met een voorwaardelijke verplichting in de regels vastgelegd.
De economische uitvoerbaarheid van een ruimtelijke ontwikkeling betreft twee aspecten. Ten eerste moet het realiteitsgehalte van de plannen worden aangetoond: is er behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling. Ten tweede moet de financiële uitvoerbaarheid worden onderbouwd: zijn alle kosten die de gemeente moet maken ten behoeve van het initiatief gedekt.
De ontwikkeling betreft het toevoegen van vier CPO woningen. Omdat het een CPO-ontwikkeling betreft, wordt er gebouwd voor een specifieke groep zijn. De toekomstige eigenaren zijn al vanaf het begin van de ontwikkeling bij het proces betrokken. Daarmee is de behoefte aangetoond.
Kostenverhaal
Artikel 6.12 lid 1 Wro verplicht de gemeente een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop bepaalde bouwactiviteiten zijn voorgenomen, tenzij het kostenverhaal 'anderszins verzekerd' is (artikel 6.12 lid 2a Wro).
Omdat de gemeente eigenaar is van de grond kan de gemeente de door haar gemaakte kosten in de verkoopprijs van bouwrijpe kavels verdisconteren. Daarnaast zal de gemeente een privaatrechtelijke overeenkomst met een betreffende eigenaren sluiten omtrent de te verhalen kosten (een zogenaamde anterieure overeenkomst). Het kostenverhaal is derhalve 'anderszins verzekerd'. Het opstellen van een exploitatieplan is niet vereist.
Gemeentelijke grondexploitatie
Uit de gemeentelijke grondexploitatie volgt dat voldoende middelen aanwezig zijn om de voorgenomen ontwikkeling te kunnen realiseren. De financiële uitvoerbaarheid van het plan is hiermee aangetoond.
Het plan is economisch uitvoerbaar. De behoefte is aangetoond en de financiële uitvoerbaarheid van het plan is gewaarborgd.
In dit hoofdstuk wordt toegelicht op welke wijze het plan juridisch is vertaald. Deze juridische vertaling is bindend.
Het bestemmingsplan bestaat uit:
De toelichting heeft geen juridisch bindende werking. De toelichting heeft wel een belangrijke functie voor de onderbouwing van het plan en ook bij de verklaring van de bestemmingen en planregels.
De planregels vormen de juridische regels voor gebruik van de gronden, de toegelaten bebouwing en het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken.
De verbeelding geeft de geografische ligging van de bestemmingen en aanduidingen weer. De verbeelding vormt samen met de planregels het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan.
Het bestemmingsplan voldoet aan de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012.
De indeling van de planregels is als volgt.
Hoofdstuk 1 Inleidende regels
Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels
Hoofdstuk 3 Algemene regels
Hoofdstuk 4 Overgangsregels
Hoofdstuk 1 Inleidende regels
Begrippen (artikel 1)
In dit artikel zijn de begrippen die in de planregels worden gehanteerd gedefinieerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis.
Wijze van meten (artikel
2
)
In dit artikel is aangegeven hoe de hoogte en andere maten, die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.
Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels
Groen en Verkeer (artikel 3 en 5)
Deze bestemmingen regelen het openbare gebied, de wegen, plantsoenen, waterpartijen en watergangen.
De bestemmingen Tuin en Wonen zijn toegekend aan de woningen in het plangebied met de daarbij behorende tuinen en erven. Er wordt gebruik gemaakt van het woningtype vrijstaand. Aan huis verbonden beroepen zijn ook toegestaan.
In de bouwregels wordt een onderscheid gemaakt tussen hoofdgebouw, bijgebouwen en carports
Deze begrippen worden nader omschreven in artikel 1 Begrippen. Het hoofdgebouw en de bijgebouwen moet worden gebouwd binnen het bouwvlak. Ook zijn diverse hoogte- en oppervlaktematen voorgeschreven. Deze regeling sluit aan bij eerder ontwikkelde standaard erfbebouwingsregeling van de gemeente Bernheze.
Hoofdstuk 3 Algemene regels
Anti-dubbeltelregel (artikel
7
)
In dit artikel is bepaald dat gronden, die al eens als berekeningsgrondslag voor bouwen hebben gediend, niet nogmaals als zodanig kunnen dienen.
Algemene bouwregels (artikel 8)
Dit artikel bevat regels ten aanzien van afwijkende bestaande bebouwing en ondergeschikte bouwdelen. Dit artikel bevat tevens de verplichting tot het voorzien in voldoende parkeergelegenheid, waarbij een verwijzing is opgenomen naar het relevante beleidsdocument.
Algemene gebruiksregels (artikel
9
)
In dit artikel is nader omschreven welke vormen van gebruik in ieder geval als strijdig met het bestemmingsplan worden aangemerkt, waaronder het gebruik van bouwwerken en terreinen zonder voldoende parkeergelegenheid.
Algemene afwijkingsregels (artikel
10
)
In dit artikel is een aantal algemene afwijkingsmogelijkheden opgenomen. Deze afwijkingen betreffen onder meer het overschrijden van de maximaal toegestane maten, afmetingen en percentages, mits dit noodzakelijk is vanuit constructieve vereisten, architectonisch belang of oogpunt van duurzaamheid, waarbij een overschrijding is toegestaan tot maximaal 10% van de goothoogten, bouwhoogten, oppervlakte- en inhoudsmaten, percentages en afstandseisen
Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels
Overgangsrecht (artikel
11
)
Voor volgens de regels afwijkende bestaande bebouwing is voor de omvang, het onderhoud en de herbouw een overgangsregel opgenomen. Dit artikel bevat tevens een overgangsregel ten aanzien van het voortzetten van bestaand gebruik dat in strijd met het bestemmingsplan is.
Slotregel (artikel
12
)
Hier wordt vermeld onder welke naam de regels van dit bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.