direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Inbreidingslocatie Reinoud van Gelderstraat, Susteren
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1711.BP20200508-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

Voorliggend rapport betreft het bestemmingsplan "Inbreidingslocatie Reinoud van Gelderstraat, Susteren" van de gemeente Echt-Susteren.

1.1 Aanleiding en doel

Tussen de Reinoud van Gelderstraat en de Vincentiuslaan in Susteren ligt de voormalige timmerfabriek 'Lijnen'. De werkzaamheden in de timmerfabriek zijn reeds beëindigd, maar de bedrijfsbebouwing staat nog steeds te midden van een woonwijk. De initiatiefnemer van dit binnengebied wenst de fabrieksgebouwen te slopen en ter plaatse acht grondgebonden, levensloopbestendige woningen te realiseren.

Dit initiatief kan niet worden gerealiseerd op basis van het vigerende bestemmingsplan ''Stedelijk gebied'' van de gemeente Echt-Susteren, omdat nieuwe woningen uitsluitend mogen worden opgericht ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding - nieuwe woning'. Deze aanduiding ontbreekt op deze gronden. De gemeente Echt-Susteren heeft aangegeven medewerking te willen verlenen aan het initiatief door middel van een herziening van het bestemmingsplan.

Voorliggend bestemmingsplan bevat de toelichting en regels voor het realiseren van acht grondgebonden, levensloopbestendige woningen.

1.2 Ligging en kadastrale begrenzing

Onderstaande afbeelding geeft de topografische situatie weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.1711.BP20200508-VG01_0001.jpg"

TOPOGRAFISCHE SITUATIE

Onderstaande afbeelding geeft de kadastrale situatie weer. Tevens is de plangrens van voorliggend bestemmingsplan ingetekend.

afbeelding "i_NL.IMRO.1711.BP20200508-VG01_0002.jpg"

KADASTRALE SITUATIE

Het plangebied bestaat uit particulier en gemeentelijk eigendom. De gronden van de initiatiefnemer zijn kadastraal bekend gemeente Echt-Susteren, sectie D, nummers 4863, 5959 (gedeeltelijk), 5960 (gedeeltelijk), 6118, 6234, 6235, 7152, 7154. De gronden van de gemeente (ter plaatse van de Reinoud van Gelderstraat) zijn kadastraal bekend gemeente Echt-Susteren, sectie D6620. De oppervlakte van het plangebied bedraagt circa 2.915 m².

1.3 Vigerend bestemmingsplan

Ter plaatse van het plangebied vigeren drie bestemmingsplannen:

  • bestemmingsplan ''Stedelijk gebied'', vastgesteld door de gemeenteraad d.d. 26 mei 2016;
  • bestemmingsplan ''Cultuurhistorie Echt-Susteren'', vastgesteld door de gemeenteraad d.d. 22 september 2016;
  • bestemmingsplan '' Facetbestemmingsplan Sport- en/of recreatieve voorzieningen'', vastegesteld door de gemeenteraad d.d. 22 februari 2017.
1.3.1 Bestemmingsplan ''Stedelijk gebied''

Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de vigerende verbeelding. De ligging van het plangebied is aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1711.BP20200508-VG01_0003.jpg"

UITSNEDE VERBEELDING VIGEREND BESTEMMINGSPLAN

Ter plaatse van het plangebied geldt de enkelbestemming 'Wonen', bedoeld voor onder meer wonen en bestaande, legaal aanwezige aan huis-verbonden-beroepen of -bedrijven. Ter plaatse van de Reinoud van Gelderstraat vigeert de bestemming 'Verkeer', hoofdzakelijk bedoeld voor wegen, straten en paden met hoofdzakelijk een verkeers- en verblijfsfunctie. Tevens kent het plangebied de gebiedsaanduiding 'milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied'. Deze aanduiding stelt eisen ten aanzien van de bescherming van de kwaliteit van het grondwater ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening.

Het realiseren van acht grondgebonden levensloopbestendige woningen is niet toegestaan, omdat de bouwaanduiding 'specifieke bouwaanduiding - nieuwe woning' ontbreekt.

1.3.2 Bestemmingsplan ''Cultuurhistorie Echt-Susteren''

Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de vigerende verbeelding. De ligging van het plangebied is aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1711.BP20200508-VG01_0004.jpg"

UITSNEDE VERBEELDING VIGEREND BESTEMMINGSPLAN

Ter plaatse van het zuidoostelijke deel van het plangebied geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie', bedoeld voor onder meer de instandhouding en versterking van ter plaatse aanwezige cultuurhistorische en oudheidkundig waardevolle elementen (monumenten en karakteristieke bebouwing), patronen (beplantingspatronen, verkavelingen, wegenpatronen, het stedenbouwkundig beeld) en gebieden. Tevens kent dit deel van het plangebied de functieaanduiding 'specifieke vorm van waarde - cultuurhistorisch ensemble Mariaveld Stationsstraat'. Deze aanduiding is bedoeld voor de instandhouding en bescherming van waarden en karakteristieken.

Het realiseren van acht grondgebonden levensloopbestendige woningen is niet van invloed op deze cultuurhistorische dubbelbestemming. In paragraaf 5.2.2 wordt dit aspect nader toegelicht.

1.3.3 Bestemmingsplan ''Facetbestemmingsplan Sport- en/of recreatieve voorzieningen''

Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan ''Facetbestemmingsplan Sport- en/of recreatieve voorzieningen''. Dit bestemmingsplan is uitsluitend van toepassing op het bestemmingsplan ''Stedelijk gebied'' binnen de bestemmingen 'Recreatie' en 'Sport'. Onderhavig planvoornemen is niet gelegen binnen deze bestemmingen. Daarmee is dit bestemmingsplan niet van toepassing op onderhavig planvoornemen.

1.3.4 Conclusie

Het initiatief betreft de realisatie van acht grondgebonden levensloopbestendige woningen binnen de bestemming 'Wonen'. Binnen de bestemming 'Wonen' is de realisatie van nieuwe grondgebonden levensloopbestendige woningen niet mogelijk zonder de bouwaanduiding 'specifieke bouwaanduiding - nieuwe woning'. Deze ontbreekt waardoor een herziening van het bestemmingsplan derhalve noodzakelijk is.

Hoofdstuk 2 Gebiedsanalyse

In dit hoofdstuk is een analyse van het plangebied en omgeving opgenomen. Onderstaande afbeelding geeft het plangebied in zijn omgeving weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.1711.BP20200508-VG01_0005.jpg"

WIJDERE OMGEVING

2.1 Bebouwing en functies

Het plangebied is onderdeel van de woonbuurt 'Mariaveld' binnen de dorpskern van Susteren. Deze woonbuurt bestaat hoofdzakelijk uit twee-onder-een-kapwoningen en geschakelde woningen. Deze woonbuurt is vernoemd naar de Mariakerk gelegen ten oosten van het plangebied.

De Vincentiuslaan behoort ter plaatse van het plangebied tot het cultuurhistorisch waardevolle ensemble 'Mariaveld-Stationsstraat'. De bebouwing dateert uit omstreeks 1915-1930 en is in de jaren '60 en '70 in zuidoostelijke richting vergroot. De lintbebouwing bestaat voornamelijk uit vrijstaande woningen of blokken van twee woningen bestaande uit twee bouwlagen en een kap, waarbij de nok meestal evenwijdig aan de straat en soms haaks op de straat staat. Alle bebouwing heeft een ondiepe voortuin of staat direct tegen de openbare ruimte. Ondanks de grote verscheidenheid aan architectuur zorgt deze regelmaat in de maat en schaal voor een zekere eenheid. De waarde van de wijk schuilt vooral in de stedenbouwkundige opzet van kruisende wegen, waarbij de Vincentiuslaan geprojecteerd is op de monumentale Mariakerk met klooster.

De Reinoud van Gelderstraat, in tegenstelling tot de Vincentiuslaan, behoort niet tot het cultuurhistorisch waardevolle ensemble 'Mariaveld-Stationsstraat'. Deze straat kent een combinatie van wonen (hoofdzakelijk vrijstaande woningen en twee-onder-een-kapwoningen) en een aantal maatschappelijke functies (school, sporthal, brandweer en zorgwoningen).

Het plangebied ligt ingeklemd tussen de Reinoud van Gelderstraat en de Vincentiuslaan. Het binnengebied is onderdeel van de voormalige timmerfabriek 'Lijnen'. De werkzaamheden in de timmerfabriek zijn reeds beëindigd, maar de bedrijfsbebouwing staat nog steeds te midden van de woonbuurt. De bedrijfsbebouwing bestaat uit een vijftal aaneengeschakelde loodsen die in een noordzuidrichting gebouwd zijn. Naast de bedrijfsbebouwing bestaat het perceel deels uit een grasveld. Direct aan de bedrijfsbebouwing ligt de woning en het bijgebouw van Vincentiuslaan 9. Vanaf het bijgebouw van nummer 9 is het bedrijfsterrein direct te bereiken. Het bijgebouw bestaat uit een bouwlaag met een flauwe kap.

afbeelding "i_NL.IMRO.1711.BP20200508-VG01_0006.jpg"

DIRECTE OMGEVING

2.2 Ontsluiting

Het plangebied wordt middels één inrit ontsloten op de Reinoud van Gelderstraat en middels één inrit ontsloten op de Vincentiuslaan. Beide straten hebben een ontsluitende functie voor de woonbuurt richting de Stationsstraat die de dorpskern van Susteren in zuidelijke richting ontsluit in de richting van Nieuwstadt en Sittard. In noordelijke richting gaat de Stationsstraat over in de Oude Rijksweg Noord die de dorpskern van Susteren ontsluit in de richting van Echt. De verkeersintensiteit is laag, omdat parallel aan de Reinoud van Gelderstraat meerdere wegen liggen die de woonbuurt ontsluiten.

2.3 Groen en water

Het plangebied kent, zoals in paragraaf 2.1 toegelicht, een groene structuur aan de oostzijde van de bestaande loods. Deze groen structuur bestaat uit een grasveld. Daarnaast kent het plangebied geen oppervlaktewater.

Hoofdstuk 3 Plan

In dit hoofdstuk is de beschrijving van het plan opgenomen. Het stedenbouwkundig plan voor het plangebied is hieronder als afbeelding weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1711.BP20200508-VG01_0007.jpg"

STEDENBOUWKUNDIG PLAN

3.1 Bebouwing en functies

De hoofdopzet van het stedenbouwkundig plan betreft het creëren van een kleinschalige woonbuurt met grondgebonden levensloopbestendige woningen. De woningen zijn daarom als architectonische eenheid aan de zuidkant van het plan gesitueerd. Hierdoor ontstaat er aan de noordkant ruimte voor een doorlopende verblijfsruimte die in het midden van het plan meer maat met verblijfsfunctie krijgt. Deze centrale plek verbindt drie routes:

  • naar het noorden de auto-ontsluiting op de Reinoud van Gelderstraat;
  • naar het zuiden een langzaam verkeersverbinding naar de Vincentiuslaan met daar aan twee nieuwe woningen en het bestaande bijgebouw van Vincentiuslaan 9 die als volwaardige woning wordt ontwikkeld; en
  • naar het oosten een woonstraat die wordt gevormd door drie woningen parallel aan deze straat en twee woningen aan het eind van de straat.

Het initiatief voorziet daarmee in totaal in acht grondgebonden levensloopbestendige woningen. De nieuwe woningen bestaan uit zes twee-onder-een-kapwoningen, een geschakelde woning en een vrijstaande woning (bijgebouw van Vincentiuslaan 9). Iedere woning heeft minimaal één parkeerplaats op eigen terrein, met uitzondering van de woning op het perceel van Vincentiuslaan 9, die krijgt er minimaal twee. De nieuwe woningen bestaan uit één bouwlaag met kap met daarachter een aanbouw. Het voormalige bijgebouw van Vincentiuslaan 9 bestaat uit één bouwlaag met in tegenstelling tot de nieuwe woningen een flauwe kap, maar heeft daarentegen een groter grondoppervlak. Zodoende bieden alle woningen voldoende ruimte voor een volledig programma op begane grond. De maximale goot- en bouwhoogte betreffen respectievelijk 3,9 en 7,8 meter.

3.2 Verkeer en parkeren

3.2.1 Verkeer

De realisatie van acht grondgebonden woningen heeft invloed op de verkeersgeneratie. De digitale publicatie 381 "Toekomstbestendig parkeren 2018'' (CROW) bevat kencijfers voor de verkeersgeneratie van diverse functies. De gemeente Echt-Susteren wordt aangeduid als weinig stedelijk gebied, waarin de locatie van het plangebied binnen de gemeente Echt-Susteren tot 'rest bebouwde kom' behoort.

Huidige situatie

Binnen het plangebied bestaat in de huidige situatie het aantal verkeersbewegingen uit één onderdeel: de voormalige timmerfabriek 'Lijnen' (Bedrijf arbeidsintensief/bezoekersextensief). In de onderstaande tabel is de berekening van de verkeersaantrekkende werking uiteengezet.

Onderdeel   Verkeersgeneratie   Grootte   Totaal  
Timmerfabriek   9,1 - 10,9 per 100 m² bvo   900 m²   81,9 - 98,1  
Totaal       81,9 - 98,1  

Op basis bovenstaande tabel kan worden gesteld dat de huidige situatie, in een worst-case scenario, zorgt voor circa 98 verkeersbewegingen per etmaal.

Nieuwe situatie

Binnen het plangebied bestaat in de huidige situatie het aantal verkeersbewegingen uit één onderdeel: de acht grondgebonden woningen. De woningen vallen, om de verkeersgeneratie te bepalen, onder het onderdeel koop, twee-onder-een-kap. In de onderstaande tabel is de berekening van de verkeersaantrekkende werking uiteengezet.

Onderdeel   Verkeersgeneratie   Aantal   Totaal  
Koop, twee-onder-een-kap   7,4 - 8,2 per woning   8 woningen   59,2 - 65,6  
Totaal       59,2 - 65,6  

Op basis bovenstaande tabel kan worden gesteld dat de nieuwe situatie, in een worst-case scenario, zorgt voor circa 66 verkeersbewegingen per etmaal.

Conclusie

De verkeersdalende werking van dit initiatief bedraagt, in een worst-case scenario, 32 verkeersbewegingen per etmaal. Dit betekent dat de verkeersafwikkeling van onderhavig plan zonder meer via de Reinoud van Gelderstraat en de omliggende wegen kan plaatsvinden.

3.2.2 Ontsluiting

In de huidige situatie is ter hoogte van het plangebied sprake van twee ontsluitingen, één op de Reinoud van Gelderstraat en één op de Vincentiuslaan. In het voorliggende initiatief is er alleen nog sprake van een ontsluiting voor langzaam verkeer op de Vincentiuslaan. Uitsluitend via de Reinoud van Gelderstraat wordt een auto-ontsluiting gemaakt. Deze aansluiting voor autoverkeer dient goed vormgegeven te worden zodat de voorrangssituatie op de Reinoud van Gelderstraat duidelijk wordt in het wegbeeld. Bij voorkeur gebeurt dit door middel van een de aanleg van een gelijkwaardige kruising. Verkeerskundig is te verwachten dat deze vorm van ontsluiting geen problemen vormt.

3.2.3 Parkeren

Het voorzien in voldoende parkeerplaatsen is noodzakelijk voor goed functioneren van het initiatief en voorkomt overlast voor de omgeving. De gemeente Echt-Susteren heeft geen gemeentelijk parkeerbeleid opgesteld, daarom is gebruik gemaakt van de kengetallen uit de digitale publicatie 381 "Toekomstbestendig parkeren 2018'' (CROW).

Binnen het plangebied bestaat in de nieuwe situatie de parkeerdruk uit één onderdeel: de acht grondgebonden woningen. De woningen vallen, om de parkeerbehoefte te bepalen, onder het onderdeel koop, twee-onder-een-kap en koop, vrijstaand. In de tabel hieronder is de berekening van de parkeerkencijfers per factor uiteengezet. De normen zijn gebaseerd op de kengetallen voor 'matig stedelijk' en 'rest bebouwde kom'.

Onderdeel   Parkeernorm   Aantal   Totaal  
Koop, huis, twee-onder-een-kap   1,7 - 2,5 per woning   8 woningen   13,6 - 20,0  
Totaal       13,6 - 20,0  

Conclusie

Conform de digitale publicatie 381 "Toekomstbestendig parkeren 2018'' (CROW) dient dit initiatief te voorzien in 13,6 tot 20,0 parkeerplaatsen. Hiervan is 2,4 parkeerplaats ten behoeve van bezoekers. In de overeenstemming met de gemeente is afgesproken dat er wordt uitgegaan van minimaal 1 auto per woning van bewoners vanwege de oudere doelgroep. Iedere woning krijgt daarom minimaal één parkeerplaats op eigen terrein, met uitzondering van de woning op het perceel van Vincentiuslaan 9, die krijgt er minimaal twee. De openbare ruimte krijgt de kwaliteit van een woonerf waarin de auto te gast is. In het midden van het plan liggen vier openbare parkeerplaatsen. Aan de overzijde van het plangebied, op loopafstand, ligt aan de Reinoud van Gelderstraat een parkeerterrein waar nog meer dan voldoende parkeergelegenheid is. In het stedenbouwkundig plan zijn de 13 vaste parkeerplaatsen opgenomen en kan worden gesteld dat voldaan wordt aan de parkeervraag.

3.3 Groen en water

Centraal in het plan ligt een groene ruimte die lucht en kwaliteit in het plan brengt. Door deze plek met bomen, beplanting en zitgelegenheden in te richten ontstaat er op de driesprong een prettige verblijfsplek. Daarnaast krijgen alle woningen een kleine groene voortuin. Samen met een groene erfafscheiding en borders ontstaat er in het hele plan een doorlopende groenstructuur. Er wordt binnen dit initiatief geen oppervlaktewater aangebracht.

3.4 Duurzame en gezonde leefomgeving

Een duurzame en gezonde leefomgeving is belangrijk voor het goed functioneren van mens en natuur. Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang te werken aan instandhouding of verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving en moet schade en overlast voorkomen worden. Daarbij moet rekening worden gehouden met toekomstige veranderingen, verwachtingen en onzekerheden; denk daarbij aan klimaatveranderingen, technologische doorbraken en politieke onzekerheid. Goede stedenbouwkundige plannen en bouwplannen geven hieraan een passende invulling. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in energietransitie en klimaatbestendigheid.

3.4.1 Energietransitie

Nederland heeft de ambitie om in 2050 energieneutraal te zijn en om de uitstoot van CO2 drastisch te verminderen. Om dit te kunnen realiseren zijn grote en kleine veranderingen nodig: de energietransitie. De omschakeling van het gebruik van fossiele brandstoffen naar meer duurzame vormen van energie is de grootste omslag, maar we zullen er ook bewust van moeten zijn dat we anders moeten gaan kijken naar ons energieverbruik. De energietransitie heeft ook een ruimtelijke inslag: het bestaand stedelijk gebied en buitengebied moeten (steden)bouwkundig worden aangepast en nieuwe ontwikkelingen worden toekomstbestendig ontwikkeld.

Onderhavig plan draagt op de volgende wijzen bij aan de energietransitie:

  • de woningen worden 'aardgasvrij' gebouwd;
  • er wordt gebruikt gemaakt van aardwarmte, warmte-koude opslag, lucht warmte-koude opslag, of andere vormen van duurzame energie;
  • de woningen worden volgens het 0-op-de-meter- / BENG-principe gebouwd.
3.4.2 Klimaatbestendigheid

Klimaatverandering is merkbaar en heeft steeds meer een effect op ons dagelijks leven. De zomers worden langer, heter en droger, en áls er regen valt dan komt die vaak in grote hoeveelheden. De winters worden warmer en natter. Dit heeft effect op het woon- en leefklimaat door hittestress, periodes van droogte en een verandering van de biodiversiteit. Door met het stedenbouwkundig plan en bouwplan rekening te houden met het veranderende klimaat, kan overlast worden voorkomen en is er sprake van een klimaatbestendige ontwikkeling.

Onderhavig plan voorziet hier op de volgende wijze in:

  • waterberging op eigen terrein;
  • aantrekkelijk verblijfsklimaat voor de gebruikers, gebiedseigen planten en dieren;
  • groen / bomen aanleggen ten behoeve van opname van stikstof en CO2, het vast houden van water en het tegengaan van hittestress;

Hoofdstuk 4 Beleid

In dit hoofdstuk wordt het plan getoetst aan het relevante vigerende beleid. Achtereenvolgens komt aan de orde het beleid op:

  • nationaal niveau;
  • provinciaal niveau;
  • regionaal niveau;
  • gemeentelijk niveau.

4.1 Nationaal niveau

4.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft een integraal kader voor het ruimtelijk beleid en mobiliteitsbeleid op rijksniveau, en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. In de SVIR worden de ambities van het Rijk tot 2040 geschetst, alsmede doelen, belangen en opgaven tot 2028. In de SVIR kiest het Rijk voor minder nationale belangen en eenvoudiger regelgeving. De reeds ingezette trend om aan de provincies en gemeenten ruimte te laten inzake de ruimtelijke ontwikkelingen wordt versterkt in de SVIR.

De SVIR bevat 13 nationale belangen die worden beschermd middels het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening. Het gaat onder meer om militaire objecten en terreinen, de grote rivieren en het Natuurnetwerk Nederland. Voor onderhavig plan zijn geen van de nationale belangen aan de orde. Er hoeft daarom ook geen toetsing aan het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening plaats te vinden.

4.1.2 Besluit ruimtelijke ordening: Ladder voor Duurzame Verstedelijking

Met het doel de ruimte zorgvuldig en duurzaam te gebruiken, is de Ladder voor Duurzame Verstedelijking opgesteld. Deze is verankerd in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (versie 1 juli 2017). Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen moet worden aangetoond dat deze voorzien in een behoefte, en moet - in geval van de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied plaatsvindt - een motivering worden opgenomen waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Projecten die minder dan twaalf woningen bevatten worden op basis van jurisprudentie niet als stedelijke ontwikkeling gezien. Een nadere toetsing aan de Ladder voor Duurzame Verstedelijking is derhalve niet nodig.

Conclusie
Het initiatief voldoet aan het Besluit ruimtelijke ordening voor wat betreft het aspect Ladder voor Duurzame Verstedelijking.

4.2 Provinciaal niveau

Het provinciale ruimtelijk beleid is vastgelegd in de nota's:

  • Omgevingsvisie POL2014;
  • Omgevingsverordening Limburg 2014.

Het plan wordt aan deze nota's getoetst.

4.2.1 Omgevingsvisie POL2014

De Omgevingsvisie POL2014 (geconsolideerde versie december 2018) bevat de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid van het provinciale bestuur op de ontwikkeling van Limburg. De visie maakt een verdeling in Noord-, Middden- en Zuid-Limburg. Onderhavig plangebied ligt in regio Midden-Limburg. Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de Omgevingsvisie POL2014. De ligging van het plangebied is aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1711.BP20200508-VG01_0008.jpg"

UITSNEDE OMGEVINGSVISIE POL2014

Analyse

Het plangebied ligt binnen de zone 'Overig bebouwd gebied'. Dit betreffen delen van het bebouwd gebied voor gemengde woon/werkgebieden met voorzieningen, deels met een stedelijk karakter en deels met een dorps karakter. In de regionale visies en afspraken voor de verschillende thema’s kan een verdere onderverdeling van het overig bebouwd gebied aan de orde zijn, met het oog op een goede op regio en thema toegespitste positionering van kernen.

Midden-Limburg kenmerkt zich door een aantrekkelijk woon- en leefklimaat. Er is er sprake van een gedifferentieerd woongebied waarin de komende 10-15 jaar een demografische transitie zal plaats vinden. De woningmarkt heeft als opgave mee te bewegen in deze transitie. De regio is gestart met een regionale structuurvisie wonen, zorg en woonomgeving, waarin gezamenlijk invulling wordt gegeven aan het dynamisch voorraadbeheer. Dat omvat het werken aan de kwaliteit van de bestaande voorraad door kwaliteitsverbetering, herstructurering (transformatieopgave zorgvastgoed en huursector) en waar nodig sloop en nieuwkomers (waaronder arbeidsmigranten). Maar ook het terugdringen van nog niet gerealiseerde plannen die niet bijdragen aan de beoogde vernieuwing.

Onderhavig initiatief zorgt met de sloop van de voormalige timmerfabriek voor een herstructurering binnen de kern en voorziet in de realisatie van acht grondgebonden levensloopbestendige woningen. Zowel de aard van de ontwikkeling als het type woningen sluit aan bij de 'Omgevingsvisie POL2014 (geconsolideerde versie december 2018)'.

Conclusie

Het plan past binnen het beleid van de Omgevingsvisie POL2014.

4.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2014

Op 16 januari 2015 is de Omgevingsverordening Limburg 2014 in werking getreden. Hierin staan de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid van POL2014 juridische binding te geven. De Omgevingsverordening is een samenvoeging van de Provinciale milieuverordening, de Wegenverordening, de Waterverordening en de Ontgrondingenverordening. De Omgevingsverordening is uitgebreid met een nieuw hoofdstuk Ruimte. Dat hoofdstuk Ruimte bevat een aantal instrumenten die gericht zijn op de doorwerking van het ruimtelijke beleid van het POL2014. Behalve de toevoeging van het hoofdstuk Ruimte zijn in de Omgevingsverordening Limburg 2014 ook de Verordening Veehouderijen en Natura 2000 (van oktober 2013) en de Verordening Wonen Zuid-Limburg (van juli 2013) vrijwel ongewijzigd overgenomen.

Op basis van de omgevingsverordening maakt onderhavige locatie deel uit van:

  • Duurzame verstedelijking en bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 - bebouwd gebied, Regio Midden Limburg;
  • Milieubeschermingsgebieden - Boringsvrije zone Roerdalslenk II, Grondwaterbeschermingsgebied.

Duurzame verstedelijking en bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 - Bebouwd gebied, Regio Midden Limburg

Duurzame verstedelijking zet sterk in op het zoveel mogelijk concentreren van nieuwe stedelijke ontwikkelingen binnen bestaand stedelijk gebied. Het gaat daarbij om bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca en de daarbij behorende openbare en of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Het woonbeleid zet zich sterk in op het zoveel mogelijk concentreren van nieuwe stedelijke ontwikkelingen binnen bestaand stedelijk gebied.

Milieubescherming - Boringsvrije zone Roerdalslenk II

Voor het planvoornemen is de Boringsvrije zone Roerdalslenk II van toepassing. Het voornemen tot het maken van een boorput, het aanleggen van een bodem-energiesysteem of het roeren van grond in de Roerdalslenk dieper dan 20 meter beneden het maaiveld in zone I, 30 meter in zone II of 80 meter in zone III tot aan de Bovenste Brunssumklei en ieder voornemen in zone IV, wordt vier weken tevoren schriftelijk gemeld aan Gedeputeerde Staten.

Analyse

Het planvoornemen past binnen de kaders van het woonbeleid omdat de acht grondgebonden, levensloopbestendige woningen binnen bestaand stedelijk gebied zullen worden gerealiseerd. Tevens vinden bij het planvoornemen géén bodemingrepen plaats dieper dan 30 meter. Er wordt niet voorzien in een boorput. Ingrepen in de bodem vinden tot beperkte diepte plaats, waardoor het planvoornemen geen consequenties heeft voor de Roerdalslenk of het grondwaterbeschermingsgebied.

Conclusie
Het plan voldoet aan de regels van de provinciale Omgevingsverordening Limburg 2014.

4.3 Regionaal niveau

4.3.1 Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2018 - 2021

De ''Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2018 - 2021'' is op 21 mei 2019 vastgesteld door het college. Deze structuurvisie is een geactualiseerde versie van de regionale ''Structuurvisie Wonen, Zorg en Woonomgeving Midden-Limburg (2014)''. In de nieuwe structuurvisie wordt de gewenste ruimtelijke ontwikkelingsrichting ten aanzien van het beleidsveld 'Wonen' voor de korte termijn (2018 tot en met 2021) en met een doorkijk naar de lange termijn (2024 tot en met 2030) vastgelegd.

Deze regionale visie is op basis van analyse-uitkomsten en de resultaten van het Woningmarktonderzoek Midden-Limburg (2018) tot stand gekomen. In deze visie blijft voorop staan dat voorzienbaarheid gecreëerd wordt met betrekking tot de benodigde reductie van de planvoorraad. Tevens ligt de focus op de realisatie van de (ver)bouwopgave en de verduurzaming van de bestaande woningvoorraad. Uit deze visie blijkt verder dat de afwegingscriteria uit de regionale Structuurvisie 2014 een goede basis vormen voor het wegen van bestaande plannen. De kwaliteitsenveloppen vormen een handzaam kader voor het beoordelen van nieuwe plannen (zie hieronder Uitvoeringsnotitie Structuurvisie Wonen, Zorg en Woonomgeving).

Daarnaast hebben gemeenten de vrijheid om de regionaal geformuleerde afwegingscriteria aan te passen aan de lokale situatie of om extra criteria toe te voegen. Uit het uitgevoerde woningmarktonderzoek blijkt specifiek voor de kern Susteren-Heide dat een afname van het totaal aantal huishoudens met 2,6% (absoluut gezien: 81 huishoudens) tot 2030 wordt verwacht. Tegelijkertijd neemt de woningbehoefte van oudere huishoudens (65-75 jaar) in de periode tot 2030 met 12,9% toe (absoluut gezien: 80 woningen) en van huishoudens vanaf 75 jaar en ouder is de toename zelfs 50,9% ofwel 259 woningen. Er zullen dan ook met name tekorten ontstaan aan grondgebonden seniorenwoningen (levensloopbestendig) en aan appartementen met lift. zowel in de huur- als koopsector. Uit het woningmarktonderzoek blijkt verder dat verhuisgeneigden in onze gemeente met name willen verhuizen naar een van de grotere kernen (Echt, Pey of Susteren).

Onderhavig initiatief zorgt voor de realisatie van acht grondgebonden, levensloopbestendige woningen ter plaatse van een inbreidingslocatie. Er zijn daarmee acht contingenten noodzakelijk. Deze contingenten vallen binnen de reeds gereserveerde woningbouwaantallen, voor het centrumplan Susteren.

Uitvoeringsnotitie Structuurvisie Wonen, Zorg en Woonomgeving

In de Uitvoeringsnotitie is de opgave die vanuit de Structuurvisie Wonen Midden-Limburg is aangegeven, kwantitatief en kwalitatief nader uitgewerkt. Daarbij heeft de gemeente EchtSusteren voorkeuren / accenten aangegeven die bij afwegingen van aanvragen voor nieuwe woningbouw-projecten mee worden gewogen. In de Uitvoeringsnotitie is een kwalitatieve indeling gemaakt van voorkeurslocaties voor potentiële nieuwbouwprojecten. Deze indeling is als volgt:

1. Rotte plekken;

2. Kleine projecten in de kernen;

3. Herstructurering;

4. Directe particuliere bouwtitels;

5. Wijzigingsbevoegdheden - indirecte bouwtitels.

Voor onderhavig initiatief is met name categorie 3 van belang. Ten aanzien van herstructureringslocaties kan onderscheid gemaakt worden in herstructurering met als hoofddoel winstmaximalisering van de vastgoedeigenaar en herstructurering met daarnaast ook nog algemene voordelen voor buurtbewoners, omgeving en gemeente. De laatste categorie komt dichtbij het begrip "rotte" plekken en verdient daarom voorrang op de louter op winstmaximalisatie gerichte herstructurering en verbouwingen.

In onderhavig initiatief is zowel sprake van winstmaximalisatie voor de vastgoedeigenaar als een ruimtelijke kwaliteitsverbetering voor de woonomgeving doordat een bedrijfslocatie wordt gesaneerd. Door de sanering zal het aantal verkeersbewegingen in het gebied afnemen en zal ook de geluidsbelasting afnemen (als gevolg van laden- en lossen e.d.).

Conclusie

Het plan past zowel binnen de Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2018 - 2021 als de Uitvoeringsnotitie Structuurvisie Wonen, Zorg en Woonomgeving.

4.4 Gemeentelijk niveau

4.4.1 Structuurvisie Echt-Susteren 2025

Door de gemeente Echt-Susteren is op 31 mei 2018 de ''Structuurvisie Echt-Susteren 2025'' vastgesteld. In deze structuurvisie zet de gemeente Echt-Susteren in op een benadering waarin ontwikkelingen worden toegestaan indien de kwaliteiten van de kernen er per saldo op vooruit gaan, wat aansluit bij de ideeën van de provincie Limburg.

Binnen het stedelijk gebied zet de gemeente in op een zevental ambities. Het realiseren van deze ambities draagt bij aan het behalen van de algemene doelstelling om ook in 2025 en ver daarna een aantrekkelijke gemeente te zijn; waar het prettig wonen, werken en recreëren is. Voor het stedelijke gebied behelzen dit de volgende ambities:

  • 1. Realisatie van een woningvoorraad die kwantitatief en kwalitatief aansluit op de vraag;
  • 2. Gericht ruimtegebruik voor en door alle typen bedrijven;
  • 3. Concentratie van verstedelijking gericht op behoud van een onderscheidend detailhandelsaanbod;
  • 4. Concentratie en combinatie van maatschappelijke voorzieningen;
  • 5. Behoud van (be)leefbare kernen;
  • 6. Optimale bereikbaarheid van stedelijke functies;
  • 7. Het zijn van een veilige en duurzame gemeente.

Om deze ambities te realiseren wordt door de gemeente, bij ruimtelijke (locatie)keuzes, een zestal leidende principes gehanteerd. Deze zijn:

  • 1. Meer aandacht voor de onderste lagen (bodem, water, landschap, natuur, cultuurhistorie en infrastructuur);
  • 2. Zorgvuldig ruimtegebruik (met oog voor beeldkwaliteit én economie);
  • 3. Grensoverschrijdend denken en handelen;
  • 4. Tegengaan van verdere verstening van het buitengebied;
  • 5. Kwaliteit belangrijker dan kwantiteit;
  • 6. Bereikbaarheid belangrijker dan aanwezigheid of nabijheid.

Wonen

Voor het beleidsveld 'Wonen' geeft de gemeente Echt-Susteren aan dat het een teveel aan woningbouwlocaties heeft. Om dit te beperken hanteert de gemeente een aantal principes en afwegingscriteria. Hierbij hebben woningen in de (hoofd)kernen een voorkeur boven woningen in het buitengebied, wordt er voortaan enkel in kernen gebouwd wanneer er zowel kwantitatief als kwalitatief behoefte is en wordt er enkel in de hoofdkernen Echt en Susteren aanvullend gebouwd voor migratie.

Analyse

Onderhavig initiatief zorgt voor de realisatie van acht grondgebonden, levensloopbestendige woningen ter plaatse van een inbreidingslocatie binnen de dorpskern van Susteren. Dit sluit aan bij eerste, vijfde en zevende ambitie voor het stedelijke gebied, waarbij voor de ruimtelijke (locatie)keuze het tweede en vijfde leidende principe gehanteerd is. Daarnaast wordt met onderhavig plan aangesloten bij het beleidsveld 'Wonen', doordat gebouwd wordt binnen de kern Susteren waar zowel een kwalitatieve als kwantitatieve vraag is.

Conclusie

Het plan past binnen het beleid van de Structuurvisie Echt-Susteren 2025.

Hoofdstuk 5 Uitvoeringsaspecten

In dit hoofdstuk worden de uitvoeringsaspecten beschreven. Achtereenvolgens komen aan de orde:

  • 1. milieu;
  • 2. waarden;
  • 3. waterhuishouding.

5.1 Milieu

Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet een toetsing plaatsvinden van de voorgenomen ontwikkelingen aan de relevante milieuaspecten, teneinde het toekomstige gebruik af te stemmen op de omgeving. In deze paragraaf worden de milieuaspecten afzonderlijk beschreven.

5.1.1 Bodemkwaliteit
5.1.1.1 Inleiding

Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet worden beoordeeld of de bodemkwaliteit past bij deze nieuwe functie. De woning op Vincentiuslaan 9 is op een ander moment onderzocht dan de rest van het plangebied. Hieronder staan de bevindingen voor beide onderzoekslocaties.

Voor de eerdere versie van het planvoornemen (bestaande uit 7 woningen) is een bodemonderzoek uitgevoerd. Daaruit is gebleken dat sprake is van sterk verhoogde gehalten aan lood, zink en/of PAK binnen in de timmerfabriek (met name aan de westzijde) en op het westelijk buitenterrein. Deze vervuilde gronden zullen conform het door de provincie Limburg geaccordeerd saneringsplan worden afgevoerd waarbij de geldende veiligheidsaspecten in acht moeten worden genomen. Daarna kan worden gesteld dat de bodem geschikt is voor de geplande ontwikkeling.

Door latere uitbreiding van het plangebied (toevoegen deel achtertuin Vincentiuslaan 9) is aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd. Uit dat onderzoek is ook gebleken dat ter plekke sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging. De verontreiniging is aangetroffen in de strook waar het riool is gelegen. Op het terrein waar het tot woning te verbouwen bijgebouw is gelegen, zijn geen sterke verontreinigingen aangetroffen.

Gedurende de ontwerpfase van het bestemmingsplan heeft initiatiefnemer over bovenstaande uitbreiding van het plangebied afstemming gehad met de provincie Limburg. Het eerder geaccordeerde saneringsplan is hier niet op aangepast, maar is er in overleg met de provincie voor het aanvullende deel een BUS melding ingediend. Hierdoor is er inzicht in de saneringskosten. Alle kosten omtrent bodemsanering komen daarbij zonder meer voor rekening van initiatiefnemer. Vervolgens heeft ook ambtelijke overeenstemming plaatsgevonden tussen de bevoegde gezagen (de provincie voor de Wet bodembescherming en de gemeente voor de Wet ruimtelijke ordening).

5.1.1.2 Analyse

Plangebied exclusief Vincentiuslaan 9

Naar aanleiding van een zestal onderzoeken uit het verleden heeft Aelmans Eco B.V. uit Voerendaal een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd: rapport ''Aanvullend bodem-, asbest- en grondwateronderzoek'' (19 april 2018, E182757.002/KLE). Het onderzoeksrapport is bijgevoegd als bijlage 1.

Aelmans Eco B.V. concludeert dat de analyseresultaten in grote lijnen de onderzoeksresultaten van eerder uitgevoerde onderzoeken bevestigen, namelijk dat binnenin de timmerfabriek (met name aan de westzijde) en op het westelijk buitenterrein sterk verhoogde gehalten aan lood, zink en/of PAK worden aangetoond. Vanwege het feit dat in de grond gewerkt zal worden, dient men de veiligheidsaspecten met betrekking tot het werken in verontreinigde grond in acht te nemen. Voor de overige terreindelen hoeven geen maatregelen getroffen te worden, anders dan de basis hygiënische maatregelen.

Voor de vervuilde gronden is in het kader van de Wbb een saneringsplan door Aelmans Eco B.V. opgesteld: rapport ''Saneringsplan, Vincentiuslaan 9 te Susteren'' (9 juni 2020, E202820.001/GHA). Het onderzoeksrapport is bijgevoegd als bijlage 2. Dit document is door het bevoegd gezag (Provincie Limburg) geaccordeerd zodat de graafwerkzaamheden mogen plaatsvinden. Het besluit (d.d. 19 oktober 2020) van de Provincie Limburg is als bijlage 3 toegevoegd. Daarnaast zullen de bodemlagen van diverse kwaliteit separaat ontgraven moeten worden, zodat deze niet vermengd raken.

Vincentiuslaan 9

Om de bodemsituatie voor de woning op het perceel van Vincentiuslaan 9 inzichtelijk te maken, heeft Aelmans Eco B.V. uit Voerendaal een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd: rapport ''Verkennend bodemonderzoek Vincentiuslaan 9 Susteren'' (2 november 2020, E204012.005/GHA). Het onderzoeksrapport is bijgevoegd als bijlage 4. Geconcludeerd wordt dat ter plaatse sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Dit betekent dat er ook hier een sanering dient plaats te vinden. De verwachting is dat de gronden ter plaatse van Vincentiuslaan 9 op een zelfde wijze gesaneerd zullen worden, zoals dat ook geldt voor de eerder onderzochte locatie. In overleg met de provincie is er daarom voor gekozen om het eerder geaccordeerde saneringsplan hier niet op aan te passen, maar om voor het aanvullende deel een BUS-melding in te dienen. Deze melding is toegevoegd als bijlage 5. De ontvangstbevestiging van de provincie is toegevoegd als bijlage 6.

5.1.1.3 Conclusie

Voor beide onderzochte locaties zullen de gronden conform het door de provincie Limburg geaccordeerd saneringsplan worden afgevoerd waarbij de geldende veiligheidsaspecten in acht moeten worden genomen. Daarna kan worden gesteld dat de bodem geschikt is voor de geplande ontwikkeling.

5.1.2 Bedrijven en milieuzonering
5.1.2.1 Inleiding

Om te voorkomen dat als gevolg van het plan voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten optreden moet worden getoetst of:

  • de voorgenomen ontwikkeling van invloed is op omliggende milieugevoelige objecten (woningen etc.) en of de voorgenomen ontwikkeling een belemmering vormt voor de bedrijfsvoering van omliggende inrichtingen;
  • bestaande milieubelastende inrichtingen (bedrijven) van invloed zijn op de voorgenomen ontwikkeling.

Basis voor deze toetsing vormt de handreiking "Bedrijven en milieuzonering" (VNG, Den Haag, 2009), waarin richtafstanden zijn opgenomen voor diverse bedrijfstypen.

5.1.2.2 Analyse

Invloed plan op de omgeving
Het plan betreft woningbouw. Er is derhalve geen sprake van milieutechnische uitstraling op de omgeving.

Invloed omliggende inrichtingen op plan
Hieronder staat een overzicht van de bedrijven in de directe omgeving, de SBI-code, de milieucategorie en de bijbehorende richtafstand, alsmede de werkelijke afstand tot het dichtstbijzijnde milieugevoelige object binnen het plangebied.

bedrijf   SBI-code   categorie   richtafstand   werkelijke afstand  
Reinoud van Gelderstraat 61-61a: Sporthal   931A   3.1   50 m   38 m  
Vincentiuslaan 35:
kapsalon  
9602   1   10 m   25 m  
Vincentiuslaan 28: 
Veranderatelier het Ambacht  
141   2   30 m   45 m  
Reinoud van Gelderstraat 38: Brandweer Kazerne Susteren   8425   3.1   50 m   51 m  
Reinoud van Gelderstraat 63:
BSO in 't Park  
8891   2   30 m   38 m  

De milieugevoelige objecten van het plan liggen binnen de richtafstand van één bedrijf, de sporthal. Hieronder is de milieusituatie van de sporthal aangegeven, gemeten vanaf de bestemmingsgrens 'Sport'.

afbeelding "i_NL.IMRO.1711.BP20200508-VG01_0009.jpg"

50 METER CONTOUR

Bovenstaande afbeelding schetst dat op een afstand van circa 38 meter van de thans bestaande bestemmingsgrens van de sporthal het dichtstbijzijnde perceel wordt gerealiseerd, de noordgevel van de woning ligt op circa 41 meter. Deze sporthal heeft een richtafstand (contour) van 50 meter, hoofdzakelijk veroorzaakt door het aspect geluid. Dit geluid wordt veroorzaakt door het af- en aanrijden van vervoersmiddelen en het stemgeluid van de bezoekers van de sporthal. Echter is onderhavig initiatief vanaf de sporthal gezien tweede lijnsbebouwing en dienen de woningen aan de Reinoud van Gelderstraat als afschermende werking. Mede door deze afschermende werking zal van overlast beperkt sprake zijn. Gesteld kan worden dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening.

5.1.2.3 Conclusie

Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.3 Externe veiligheid
5.1.3.1 Inleiding

Bij het mogelijk maken van nieuwe gevoelige functies is het aspect externe veiligheid van belang. Dit heeft betrekking op inrichtingen, buisleidingen en transportroutes waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, met fatale gevolgen voor personen die geen directe relatie hebben tot de risicovolle activiteit.

5.1.3.2 Analyse

Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet worden beschreven of een ontwikkeling ligt in het invloedsgebied van een risicobron. Per risicobron (transportas, buisleiding of inrichting) is in een besluit vastgelegd wanneer de verantwoordingsplicht moet worden ingevuld en is de inhoud van de verantwoording bepaald.

Hierna zijn de risicobronnen die relevant zijn (binnen het invloedsgebied liggen) geïnventariseerd en is de verantwoordingsplicht ingevuld. Een ontwikkeling die ligt binnen het invloedsgebied van een risicobron moet worden verantwoord. In de inventarisatie van risicobronnen wordt beoordeeld of het invloedsgebied over het plangebied ligt.

afbeelding "i_NL.IMRO.1711.BP20200508-VG01_0010.jpg"

RISICOKAART

Op bovenstaande uitsnede van de Risicokaart is te zien dat het initiatief niet binnen het invloedsgebied van inrichtingen ligt. Het plangebied ligt daarentegen wel binnen het invloedsgebied van de spoorlijn Roermond - Sittard. De afstand tot de spoorlijn is circa 295 meter. Het plangebied ligt daarmee niet binnen de 200 meter zone van de transportroutes. Een complete verantwoording van het groepsrisico conform artikel 8 van het Besluit externe veiligheid transport (Bevt) is derhalve niet noodzakelijk. Wel ligt het plangebied binnen het invloedsgebied groepsrisico. Er dient daarom aandacht besteedt te worden aan de zelfredzaamheid van personen binnen het plangebied en de bestrijdbaarheid en de beperking van de omvang van een ramp op het spoor.

Plaatsgebonden risico (PR)

Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Uit de in de regeling Basisnet Spoor opgenomen PR contouren blijkt dat deze PR contour ten aanzien van het spoor ter hoogte van het plangebied tussen de 1 en 10 meter ligt.

Groepsrisico (GR)

Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit en kent geen vaste norm, maar een oriëntatiewaarde (= '1'). Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de spoorlijn Roermond - Sittard.

Verantwoordingsplicht groepsrisico

Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente).

Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht.

Het plangebied bevindt zich op grote afstand van de risicobron (spoorlijn Roermond - Sittard). Op deze afstand is het toxisch scenario maatgevend. Effecten als gevolg van een plasbrand of BLEVE reiken niet tot het plangebied.

Ontwikkeling groepsrisico

Vanwege de grote afstand tot de risicobron zal een toename van personendichtheden niet significant doorwerken in de rekenkundige hoogte van het groepsrisico. Daarnaast is de verwachting dat het groepsrisico gelijk blijft omdat er sprake is van een inbreidingsplan waarbij een bestaande timmerfabriek met nevenfuncties wordt vervangen door acht woningen. Maatregelen richten zich op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval en over de zelfredzaamheid van personen in het invloedsgebied.

Mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico  

De mogelijkheid tot beperking van het groepsrisico door het beïnvloeden van de personendichtheid is op deze grote afstand tot de risicobron geen item. Zoals gesteld heeft op deze afstand een toe- of afname van personendichtheid geen invloed op het groepsrisico. Verder is de kans te overlijden als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen is in deze gebieden vele malen kleiner dan 1/1.000.000. Veiligheidsmaatregelen aan de bron zijn daarom niet realistisch.

De bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval  

In geval van een calamiteit zal de brandweer ingezet worden aan de bron ter beperking van de effecten van de calamiteit. Het bestrijdbaarheidsvraagstuk in relatie tot de ontwikkeling dient het plangebied via de Reinoud van Gelderstraat en Vincentiuslaan toegankelijk te zijn conform het regionale modelbeleid Bluswater en Bereikbaarheid. Via deze twee onafhankelijke routes kunnen de hulpdiensten een adequate inzet doen bij een incident. Er zijn voldoende bluswatervoorzieningen om een incident binnen het plangebied te bestrijden.

Mogelijkheden tot zelfredzaamheid

Blootstelling aan een toxisch gas is het bepalende scenario. In geval van een calamiteit dienen personen te schuilen. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters.

Nieuwe bouwwerken zijn goed geïsoleerd, waardoor ze een goede bescherming bieden tegen het binnendringen van het toxisch gas. Belangrijk is wel dat luchtbehandelinginstallaties met één druk op de knop uit te schakelen zijn. Verder dient in geval van een calamiteit tijdig gewaarschuwd te worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van NL-alert.

Om de zelfredzaamheid van de aanwezige personen te vergroten worden de volgende maatregelen geadviseerd:

  • Zorg dat de bewoners op de hoogte zijn van de risico's van toxische effecten voortkomend vanuit incidenten met gevaarlijke stoffen op de spoorlijn Roermond - Sittard.
  • Voer de mechanische ventilatie binnen de woningen centraal afsluitbaar uit door middel van een gemakkelijk te bereiken noodschakelaar (bij voorkeur in de meterkast) zodat de bewoners deze in geval van een calamiteit kunnen bedienen.
5.1.3.3 Conclusie

De beoogde ontwikkeling voldoet aan de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de transport van gevaarlijke stoffen over de spoorlijn Roermond - Sittard. Het groepsrisico is echter beperkt verantwoord en wordt aanvaardbaar geacht. De volgende overwegingen spelen daarbij een rol:

  • het geringe groepsrisico en gelijkblijvende hoogte hiervan, en
  • de goede mogelijkheden binnen het plangebied voor de zelfredzaamheid van personen.
5.1.3.4 Advies Veiligheidsregio Midden-Limburg

Op 25 november 2019 is de Veiligheidsregio Limburg-Noord om advies gevraagd inzake onderhavig bestemmingsplan. Het advies is als bijlage 7 toegevoegd en in de hier voorgaande toelichting verwerkt.

5.1.4 Explosieven
5.1.4.1 Inleiding

Een bijzonder onderwerp voor wat betreft 'externe veiligheid' vormen niet-gesprongen explosieven. Omdat ter hoogte van Echt-Susteren in de Tweede Wereldoorlog gevochten is, is er een reële kans op de aanwezigheid van niet-gesprongen explosieven.In het kader van de ARBO-veiligheid en Openbare Orde en Veiligheid kan een risico ontstaan bij werkzaamheden in de bodem en dienen verdere risico's te worden voorkomen

5.1.4.2 Analyse

Onderhavig plangebied ligt in een verdacht gebied voor aanwezigheid van (resten van) explosieven uit de Tweede Wereldoorlog. Onderzocht moet worden of het plangebied vrij is van dergelijke explosieven. Om inzicht te krijgen in de mogelijke risico's heeft Cees van den Akker Advies een risicoanalyse uitgevoerd met betrekking tot de mogelijke aanwezigheid van niet gesprongen conventionele explosieven voor het plangebied aan de Reinoud van Gelderstraat te Susteren. Het rapport: ''Projectgebonden Risico Analyse CE t.b.v. projectlocatie "Herontwikkeling Reinoud van Gelderstraat", 12 maart 2020, is bijgevoegd als bijlage 8.

Cees van den Akker Advies concludeert dat gezien het resultaat verkregen uit de risicoanalyse blijkt, dat er geen tot minimaal risico aanwezig is, dat men bij de voorgenomen grondwerkzaamheden met conventionele explosieven (CE) in aanraking komt. Het advies is de voorgenomen werkzaamheden uit te voeren op reguliere wijze en bij het aantreffen van een mogelijk explosief te handelen volgens 'Protocol Toevalstreffer CE uit Tweede Wereldoorlog'.

5.1.4.3 Conclusie

Het aspect explosieven vorm geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.5 Geur
5.1.5.1 Inleiding

Bij ruimtelijke ontwikkelingen nabij agrarische bedrijven is het aspect geurhinder van belang. Er moet worden aangetoond dat het plan geen belemmering vormt voor agrarische bedrijven en dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plan.

5.1.5.2 Analyse

De gemeente Echt-Susteren heeft een eigen geurbeleid vastgesteld 'Verordening Wet geurhinder en veehouderij gemeente Echt – Susteren 2009'. Woningen zijn geurgevoelige objecten. Gezien de ligging van het plangebied, binnen het stedelijk gebied van de kern Susteren, zijn er geen hinderlijke veehouderijen in de directe omgeving gelegen. Een onderzoek naar geurhinder wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.

5.1.5.3 Conclusie

Het aspect geurhinder veehouderijen vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.6 Geluid
5.1.6.1 Inleiding

Ruimtelijke ontwikkelingen moeten voldoen aan de regelgeving inzake geluidhinder. In de Wet geluidhinder (Wgh) wordt onderscheid gemaakt in verkeerslawaai en industrielawaai. In de Wgh zijn normen voor maximaal toelaatbare geluidsbelasting op (de gevels van) geluidgevoelige objecten vastgelegd.

5.1.6.2 Analyse

Het plan omvat nieuwe geluidgevoelige objecten.

Spoorweg- en wegverkeerslawaai
Het plangebied ligt binnen de onderzoekszone van de spoorweg Roermond - Sittard. Daarnaast is in het kader van een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk om de invloed van de nabijgelegen 30 km/uur wegen op de nieuwe woningen inzichtelijk te maken, en de geluidsbelasting te onderzoeken die ten gevolge van het parkeren in het nieuwe plan op de omgeving komt. Om zowel de gevelbelasting van de nieuwe als bestaande woningen inzichtelijk te maken heeft Cauberg-Huygen uit Son een akoestisch onderzoek uitgevoerd: rapport "Reinoud van Gelderstraat te Susteren; akoestisch onderzoek weg- en spoorweglawaai" (14 juli 2020, 02856-25774-05). Het onderzoeksrapport is als bijlage 9 bijgevoegd.

Cauberg-Huygen concludeert dat:

  • ten gevolge van het spoorwegtraject Roermond - Sittard in het gehele plangebied voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde van 55 dB (o.b.v. contouren). Vanuit de Wet geluidhinder vormt deze spoorweg geen belemmering voor het plangebied.
  • de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer (omliggende 30 km/uur wegen) maximaal 48 dB bedraagt. In het kader van een goede ruimtelijke ordening vormt de voornoemde wegen geen belemmering voor het bouwplan.
  • de geluidbelasting ten gevolge van piekgeluiden die worden veroorzaakt door het dichtslaan van een portier bedraagt maximaal 60dB(A) in de dag- avond- en nachtperiode en voldoet hiermee aan de grenswaarde van 60 dB(A) in de nachtperiode.

In de berekening voor de geluidbelasting ten gevolge van piekgeluiden die worden veroorzaakt door het dichtslaan van een portier is gerekend met een bepaalde maat en opbouw van een erfafscheiding ten westen van de openbare parkeerplaatsen. Om zeker te stellen dat er een dergelijke erfafscheiding wordt geplaatst is deze in de planverbeelding en regels opgenomen.

Industrielawaai
Het plangebied ligt niet binnen een geluidszone van een gezoneerd industrieterrein. Er is geen akoestisch onderzoek nodig.

5.1.6.3 Conclusie

Het aspect geluid vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.7 Luchtkwaliteit
5.1.7.1 Inleiding

Om personen tegen de gevolgen van luchtverontreiniging te beschermen zijn in de Wet milieubeheer normen opgenomen voor bepaalde stoffen. Bij de beoordeling van het aspect luchtkwaliteit moet enerzijds aangetoond worden dat een ruimtelijke ontwikkeling niet leidt tot een (significante) overschrijding van de luchtkwaliteitsnormen en anderzijds dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

5.1.7.2 Analyse

Effecten plan op luchtkwaliteit
In de "Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)" zijn categorieën van gevallen genoemd die niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Zo is een project met maximaal 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg één van de genoemde gevallen. Onderhavig plan omvat acht woningen en betreft daarmee een project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Er is geen nader onderzoek nodig.

Goed woon- en leefklimaat

In de Wet milieubeheer zijn voor een groot aantal stoffen grenswaarden opgenomen, maar uit onderzoek blijkt dat langs wegen alleen overschrijdingen van de grenswaarden voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) kunnen optreden. Voor de overige stoffen waarvoor grenswaarden zijn opgenomen in de Wm treden naar verwachting nergens langs het Nederlandse wegennet overschrijdingen van deze grenswaarden op. Voor de beoordeling van de luchtkwaliteit zijn daarom alleen de volgende criteria van toepassing:

  • 40 µg/m3 jaargemiddelde concentratie NO2;
  • 40 µg/m3 jaargemiddelde concentratie PM10;
  • 25 µg/m3 jaargemiddelde concentratie PM2,5;
  • 35 overschrijdingsdagen per jaar van de gemiddelde concentratie PM10.

Het plan ligt niet in de nabijheid van zware industrie, (een concentratie van meerdere) intensieve veehouderijen of drukke vaarwegen. Voor de beoordeling van de luchtkwaliteit wordt alleen gekeken naar luchtverontreiniging van verkeer op wegen in de omgeving.

In het kader van het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) is door diverse bronbeheerders zoals gemeenten, provincies en Rijkswaterstaat de Monitoringstool ingevoerd. Uit de resultaten van de Monitoringstool blijkt dat op deze locatie in de jaren 2012, 2015 en 2020 aan bovengenoemde grenswaarden (jaargemiddelde en overschrijdingsdagen) voor PM10 en NO2 wordt voldaan. Uit de monitoringstool volgt dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied.

5.1.7.3 Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.8 Volksgezondheid
5.1.8.1 Inleiding

Het aspect volksgezondheid heeft de laatste jaren meer aandacht gekregen bij het opstellen van bestemmingsplannen. Aangetoond moet worden dat een ruimtelijke ontwikkeling geen negatief effect heeft op de volksgezondheid.

Een beoordeling van de effecten op de volksgezondheid doet zich met name voor de ontwikkeling van of in de buurt van veehouderijen, boom- en fruitteelt en hoogspanningsverbindingen. In deze paragraaf wordt het plan aan deze aspecten getoetst.

5.1.8.2 Veehouderijen

Bij het beoordelen van de effecten van veehouderijen op de volksgezondheid wordt onderscheid gemaakt in endotoxinen en geitenhouderijen.

Endotoxinen
Endotoxinen zijn bouwstenen van bepaalde bacteriën die een toxisch effect op de mens kunnen hebben en tot gezondheidsklachten kunnen leiden. Endotoxinen komen vaak voor in fijnstof van intensieve veehouderijen. De Gezondheidsraad hanteert een advieswaarde van 30 endotoxine-eenheden per kubieke meter (EU/m³) voor de maximale blootstelling aan endotoxinen in de buitenlucht over een langere periode.
Omdat thans nog een toetsingskader wordt voorbereid, wordt voor de beoordeling de "Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingkader 1.0" gehanteerd. Daarin zijn afstandsgrafieken opgenomen voor de relevante diersoorten vleeskuikens, legkippen en vleesvarkens gerelateerd aan de fijnstofemissie. In algemene zin kan worden gesteld dat het effect van endotoxinen tot maximaal 600 meter van veehouderijen plaatsvindt.

Analyse
Het plan omvat nieuwe, milieugevoelige objecten. In een straal van 600 meter rondom het plangebied zijn geen (intensieve) veehouderijen actief. Er hoeft geen nadere beoordeling van het aspect endotoxinen plaats te vinden. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van endotoxinen.

5.1.8.3 Geitenhouderijen

Uit onderzoek is gebleken dat omwonenden in een straal van 2 km rondom geitenhouderijen een verhoogde kans hebben op longontsteking. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van geitenhouderijen moet beoordeeld worden of er een effect is op de volksgezondheid.

Analyse
Het plan omvat nieuwe, milieugevoelige objecten. In een straal van 2 km rondom het plangebied zijn echter geen geitenhouderijen met meer dan 100 geiten actief. Er hoeft geen nadere beoordeling van het aspect geitenhouderijen plaats te vinden. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van geitenhouderijen.

5.1.8.4 Boom- en fruitteelt

Bij boom- en fruitteelt worden vaak gewasbeschermingsmiddelen gebruikt. Deze middelen kunnen een gevaar opleveren voor de volksgezondheid. Als gevolg van de wind kunnen gewasbeschermingsmiddelen verwaaien. Dit wordt drift genoemd. Om te voorkomen dat derden als gevolg van drift in aanraking komen met gewasbeschermingsmiddelen wordt een spuitzone van 50 meter gehanteerd.

Analyse
Het plan leidt tot het toevoegen van woningen of andere functies waar personen gedurende langere tijd verblijven. Echter wordt opgemerkt dat de gronden rondom het plangebied thans niet in gebruik zijn voor boom- en fruitteelt en bovendien ook niet zijn aangewezen als boomteeltontwikkelingsgebied. Geconcludeerd wordt dat er geen rekening gehouden hoeft te worden met spuitzones als gevolg van boom- en fruitteelt.

5.1.8.5 Hoogspanningsverbindingen

De magnetische velden in de buurt van hoogspanningsverbindingen kunnen invloed hebben op de gezondheid. Het beleid van de Rijksoverheid is erop gericht om zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied rondom bovengrondse hoogspanningsverbindingen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla.

Analyse
Het plan leidt tot het toevoegen van woningen of andere functies waar kinderen gedurende langere tijd verblijven. Echter wordt opgemerkt dat er sprake is van een zeer grote afstand tot hoogspanningsverbindingen, namelijk ruim 1,8 kilometer, en dat het schadelijke magneetveld zich tot maximaal enkele honderden meters van de hoogspanningsverbinding uitstrekt. Er is geen nader onderzoek nodig.

5.1.8.6 Conclusie

Het aspect volksgezondheid vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.9 Milieueffectrapportage
5.1.9.1 Inleiding

Het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) is ontwikkeld om het milieubelang volwaardig in de besluitvorming te betrekken. In de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage zijn de activiteiten genoemd waarvoor een m.e.r.-plicht of een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Andere activiteiten zijn in principe niet m.e.r.- (beoordelings)plichtig.

5.1.9.2 Analyse

Het plan valt onder de activiteit D (stedelijk ontwikkelingsproject, categorie D.11.2) zoals genoemd in de bijlage Besluit milieueffectrapportage, maar overschrijdt niet de daarin genoemde drempelwaarde. Het plan is niet m.e.r.(-beoordelings)plichtig, maar er heeft wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsgevonden. De beoordeling is opgenomen als bijlage 10.

5.1.9.3 Conclusie

Het plan is niet m.e.r.(-beoordelings)plichtig. Het plan heeft geen belangrijke nadelige milieugevolgen.

5.2 Waarden

5.2.1 Archeologie
5.2.1.1 Inleiding

Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 Bro moet bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden worden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische monumenten.

5.2.1.2 Analyse

Het plangebied bezit geen archeologische dubbelbestemming. Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is hierdoor niet noodzakelijk. Ondanks een zorgvuldige afweging kan echter nooit volledig worden uitgesloten dat er tijdens werkzaamheden archeologische sporen of resten worden aangetroffen. Conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient hiervan melding te worden gemaakt bij de Minister.

5.2.1.3 Conclusie

Het aspect archeologie vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.2.2 Cultuurhistorie
5.2.2.1 Inleiding

Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 Bro moet bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden worden met de aanwezige cultuurhistorische waarden.

5.2.2.2 Analyse

Ter plaatse van het zuidoostelijke deel van het plangebied geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie', bedoeld voor onder meer de instandhouding en versterking van ter plaatse aanwezige cultuurhistorische en oudheidkundig waardevolle elementen (monumenten en karakteristieke bebouwing), patronen (beplantingspatronen, verkavelingen, wegenpatronen, het stedenbouwkundig beeld) en gebieden. Tevens kent dit deel van het plangebied de functieaanduiding 'specifieke vorm van waarde - cultuurhistorisch ensemble Mariaveld Stationsstraat'. Deze aanduiding is bedoeld voor de instandhouding en bescherming van waarden en karakteristieken.

Het initiatief, waarbij acht grondgebonden, levensloopbestendige woningen worden gerealiseerd, tast geen waardevolle elementen aan. Omdat er sprake is van tweede lijnsbebouwing blijft het straatbeeld qua bebouwing hetzelfde. Tussen de Vincentiuslaan (voetpad) en de Reinoud van Gelderstraat (inrit) wordt wel een nieuwe verbinding gelegd. Deze verbinding is ook al te zien op de kaarten van 1970. In zekere zin wordt die verbinding hersteld. De maat en schaal is passend bij de omgeving en doet geen inbreuk op het bestaande karakter.

5.2.2.3 Conclusie

Het aspect cultuurhistorie vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.2.3 Natuurwaarden
5.2.3.1 Inleiding

Ten behoeve van de bescherming van natuurwaarden geldt de Wet natuurbescherming. De daarin opgenomen bescherming omvat de onderdelen:

  • gebiedsbescherming;
  • soortenbescherming;
  • bescherming van houtopstanden.
5.2.3.2 Analyse

Gebiedsbescherming
Het plangebied ligt niet binnen een beschermd gebied, zoals opgenomen in Natura 2000. Het dichtstbijzijnde Natura2000 gebied Grensmaas ligt op circa 4,1 kilometer afstand.

Ook bij ontwikkelingen buiten natuurgebieden moet het effect worden beoordeeld, de zogenaamde 'externe werking'. Gezien de afstand zullen externe effecten (zoals b.v. geluid) geen negatief effect veroorzaken. Een ander effect betreft de stikstofdepositie. Conform de Wet natuurbescherming mag de stikstofdepositie namelijk niet toenemen. Er geldt dan ook een grenswaarde van 0,00 mol/hectare/jaar.

Om de effecten van onderhavig plan op de omliggende Natura 2000-gebieden te bepalen is een stikstofdepositie-onderzoek uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is als bijlage 11 bijgevoegd. Uit het onderzoek volgt dat zowel in de bouwfase als in de gebruiksfase wordt voldaan aan de genoemde grenswaarde. Er is dan ook geen ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming nodig.

Soortenbescherming
De beoordeling van het plan ten aanzien van de soortenbescherming is uitgevoerd door Staro Natuur en buitengebied uit Gemert: rapport “Toets flora en fauna Reinoud van Gelderstraat te Susteren” (5 juli 2018, 18-0180). Het onderzoeksrapport is als bijlage 12 bijgevoegd. In het onderzoeksrapport doet Staro de volgende aanbevelingen om te voldoen aan de Wet natuurbescherming:

  • 1. In het plangebied komen mogelijk enkele exemplaren voor van de algemene amfibieënsoorten gewone pad en bruine kikker en grondgebonden zoogdiersoorten egel en algemene (spits)muizensoorten. De voorgenomen ontwikkeling heeft tot gevolg dat individuen van deze soorten worden verstoord. In provincie Limburg geldt voor deze soorten amfibieën en zoogdieren bij ruimtelijke ontwikkelingen een vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Het is derhalve niet nodig mitigerende maatregelen te nemen voor deze soorten. Daarnaast zal na de herinrichting van het plangebied weer geschikt zijn als leefgebied voor genoemde diersoorten.
  • 2. Het plangebied is geschikt als broed- en foerageergebied voor algemene vogelsoorten. In de aangrenzende tuinen en in de nieuwe situatie in het plangebied is broed- en foerageergebied voor algemene vogels aanwezig. Zodoende ontstaan geen negatieve effecten op het broed- en foerageergebied. Door bomen en struiken buiten het broedseizoen te verwijderen, kunnen negatieve effecten op broedende vogels worden voorkomen. Het broedseizoen loopt globaal van half maart tot en met juli. In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen echter geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. De aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten in het plangebied is uit te sluiten.
  • 3. Het plangebied is geschikt als foerageergebied van vleermuizen. De voorgenomen plannen hebben geen negatief effect op het foerageergebied van vleermuizen. In het plangebied en de omgeving blijft voldoende foerageergebied beschikbaar. De sloop van de gebouwen heeft geen negatief effect op de gunstige staat van instandhouding van gebouwbewonende vleermuizen.

Geconcludeerd kan worden dat de voorgenomen plannen geen overtreding van de Wet natuurbescherming tot gevolg hebben, mits rekening wordt gehouden met het broedseizoen van algemene vogelsoorten. Tot slot wordt opgemerkt dat de zorgplicht als genoemd in artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming te allen tijde van toepassing is.

Bescherming van houtopstanden
Het plan omvat niet het kappen van bomen buiten de bebouwde kom of in een houtopstand van meer dan 10 are, of het kappen van een bomenrij van meer dan 20 bomen. Er is derhalve geen herplantplicht conform artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming.

5.2.3.3 Conclusie

Het aspect natuurwaarden vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.3 Waterparagraaf

5.3.1 Inleiding

Het plangebied ligt binnen het beheergebied van Waterschap Limburg.

De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is dat de waterbelangen evenwichtig worden meegewogen bij de totstandkoming van een plan. Deze waterparagraaf is een onderdeel van de watertoets. De waterparagraaf beschrijft zowel de huidige als toekomstige waterhuishoudkundige situatie (oppervlaktewater, grondwater, hemelwater en afvalwater).

5.3.2 Beleid

Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2016-2021 van Waterschap Limburg, het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014), het Waterketenplan Limburgse Peelen 2017-2021, het Gemeentelijk rioleringsplan 2017-2021, het Waterplan Echt-Susteren, het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het (stads)landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend:

  • vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit);
  • voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit).

Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de driestapsstrategieën.

5.3.3 Watersysteem
5.3.3.1 Bodem

Er heeft geen specifiek onderzoek plaatsgevonden naar de infiltratiecapaciteit van de bodem. Uit het uitgevoerde bodemonderzoek (zie paragraaf 5.1.1) blijkt dat ter plaatse sprake is van een zandbodem die wordt geclassificeerd als Horstpodzolgrond met een bovengrond van lemig fijn zand. De waterdoorlatendheid is goed.

5.3.3.2 Oppervlaktewater

Binnen het plangebied en in de directe omgeving is geen oppervlaktewater aanwezig.

5.3.3.3 Grondwater

De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) binnen het plangebied bedraagt 1,8 m -mv (bron: Bodemonderzoek bijgevoegd als bijlage 1 van de toelichting). Om de waterdoorlatendheid te beoordelen is er onderzoek gedaan naar de K-waarde door Aelmans Eco B.V. uit Voerendaal: rapport ''Onderzoek naar de waterdoorlatendheid ondergrond'' (3 februari 2020, E201039.005/RkR). Het onderzoeksrapport is bijgevoegd als bijlage 13.

Uit de gemeten doorlatendheden blijkt dat infiltratie van neerslagwater tot de mogelijkheden behoort ter hoogte van de Vincentiuslaan 9 te Susteren. De doorlatendheid van de ondiepe ondergrond is voldoende. Het effectief infiltreren/ bufferen kan via een wadi, grind koffers, een IT-riool of een waterbergen de weg.

5.3.3.4 Waterschapsbelangen

Het plangebied ligt in een gebied waarin waterschapsbelangen een rol spelen, namelijk een grondwaterbeschermingsgebied. Deze aanduiding 'milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied' is in het bestemmingsplan opgenomen en stelt eisen ten aanzien van de bescherming van de kwaliteit van het grondwater ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening. Bij de ontwikkeling van nieuwe bouwwerken moet de kwaliteit van het grondwater gewaarborgd blijven. Middels onderhavig initiatief wordt de huidige vervuilde bodem gesaneerd. De nieuwbouw wordt conform het Bouwbesluit gebouwd en zal derhalve geen (negatief) invloed op het grondwater hebben.

5.3.4 Hemelwater
5.3.4.1 Verhard oppervlak

Onderstaande tabel geeft een overzicht van het verhard oppervlak (bebouwing en

bestrating) in de huidige en nieuwe situatie. In de eerste kolom staat het type verharding.

In de tweede kolom staat het verhard oppervlak van de bestaande situatie. De derde

kolom geeft de afname van verhard oppervlak. De toename van verhard oppervlak staat in

de vierde kolom. De laatste kolom geeft het verhard oppervlak van de nieuwe situatie

(nieuw = bestaand - afname + toename).

omschrijving   bestaand   nieuw   toename  
bebouwing   880 m2   765 m2   -115 m2  
bestrating   540 m2   765 m2   225 m2  
terrasverharding (8 x 25 m²)   -   200 m2   200 m2  
parkeerplaats (8 x 25 m²)   -   200 m²   200 m²  
totaal   1.420 m2   1.930 m2   510 m2  

De totale toename van de verharding is 510 m². Beneden een oppervlakte van 2.000 m²

mag er een gemeentelijke afweging worden gemaakt ten aanzien van de wateraspecten.

Aangezien het in dit geval gaat het om een oppervlakte van circa 1.930 m² hoeft dit

planvoornemen formeel niet te worden voorgelegd aan het waterschap voor wateradvies.

5.3.4.2 Berekening bergingscapaciteit

Conform het beleid van het waterschap wordt de infiltratievoorziening gedimensioneerd op een T=25 bui met een neerslagnorm van 35 mm in 45 minuten. De infiltratievoorziening dient daarbij binnen 24 uur weer beschikbaar (=leeg) te zijn om een nieuwe bui te kunnen bergen. Daarnaast wordt een doorkijk gevraagd naar een T=100 bui met een neerslagnorm van 45 mm in 30 minuten. Deze bui mag geen wateroverlast veroorzaken. Onderstaande tabel toont de benodigde bergingscapaciteit van de infiltratie- en/of bergingsvoorzieningen bij de maatgevende buien.

Maatgevende bui   Neerslagsom bij 1.930 m² verhard oppervlak (m³)  
T = 25 (35 mm)   68 m³  
T = 100 (45 mm)   87 m³  
5.3.4.3 Ontwerp bergingsvoorziening

Bij het ontwerp van de bergingsvoorziening zijn achtereenvolgens de volgende afwegingsstappen gehanteerd:

  • 1. hergebruik;
  • 2. infiltratie;
  • 3. buffering;
  • 4. afvoer.

Voor onderhavig plan moet worden gekeken naar zowel een hemelwatervoorziening in toekomstig openbaar gebied als afkoppelen en infiltreren op eigen terrein. De te realiseren infiltratie- en bergingsvoorzieningen in het plan (zowel onder de straat als op eigen terrein van de nieuw te bouwen woningen) wordt gedimensioneerd op de nieuwe norm van 100 mm per etmaal met een beschikbaarheid van de gehele berging binnen 24 uur. Door het plangebied marginaal hoger aan te leggen dan de aansluitende wegen, kan het surplus zijn weg banen naar het omliggende gebied. Op eigen terrein kunnen diverse systemen worden toegepast zoals groene daken, regentonnen en infiltratiekratten.

5.3.5 Afvalwater

Uitgangspunt is dat het vuile afvalwater en het schone hemelwater worden gescheiden. Het vuile afvalwater zal geloosd worden op de bestaande riolering gelegen aan de westzijde van het plangebied tussen de Reinoud van Gelderstraat en de Vincentiuslaan in.

5.3.6 Waterkwaliteit

Er zijn geen bijzondere maatregelen genomen om vervuiling van het oppervlaktewater te voorkomen. Overeenkomstig de eis van het waterschap worden geen uitlogende materialen toegepast.

Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid

De economische uitvoerbaarheid van een ruimtelijke ontwikkeling betreft twee aspecten. Ten eerste moet het realiteitsgehalte van de plannen worden aangetoond. Ten tweede moet de financiële uitvoerbaarheid worden onderbouwd: zijn alle kosten die de gemeente moet maken ten behoeve van het initiatief gedekt.

6.1 Kostenverhaal

Artikel 6.12 lid 1 Wro verplicht de gemeente een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop bepaalde bouwactiviteiten zijn voorgenomen, tenzij het kostenverhaal 'anderszins verzekerd' is (artikel 6.12 lid 2a Wro).

In artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) zijn de bouwactiviteiten genoemd waarvoor het vaststellen van een exploitatieplan verplicht is. De in voorliggend opgenomen ontwikkelingen behoren tot deze in het Bro genoemde bouwactiviteiten. Op basis van artikel 6.12 lid 2a Wro is het vaststellen van een exploitatieplan echter niet verplicht, omdat de gemeente en grondeigenaar een (anterieure) overeenkomst hebben gesloten, waarin afspraken zijn gemaakt over het kostenverhaal. Het kostenverhaal is derhalve 'anderszins verzekerd'. Het opstellen van een exploitatieplan is niet vereist.

6.2 Conclusie

Het plan is economisch uitvoerbaar. De behoefte is aangetoond en de financiële uitvoerbaarheid van het plan is gewaarborgd. Alle kosten voor aanleg van infra en openbaar gebied zijn voor rekening van initiatiefnemer. De initiatiefnemer en de gemeente hebben hier afspraken over gemaakt.

Hoofdstuk 7 Juridische aspecten

7.1 Algemeen

In dit hoofdstuk wordt toegelicht op welke wijze het plan juridisch is vertaald. Deze juridische vertaling is bindend.

Het bestemmingsplan bestaat uit:

  • de toelichting;
  • de planregels;
  • de verbeelding.

De toelichting heeft geen juridisch bindende werking. De toelichting heeft wel een belangrijke functie voor de onderbouwing van het plan en ook bij de verklaring van de bestemmingen en planregels, en in het bijzonder ten aanzien van de regels inzake nadere eisen en afwijkingen.

De planregels vormen de juridische regels voor gebruik van de gronden, de toegelaten bebouwing en het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken.

De verbeelding geeft de geografische ligging van de bestemmingen en aanduidingen weer. De verbeelding vormt samen met de planregels het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan.

Het bestemmingsplan voldoet aan de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012.

7.2 Planregels

De indeling van de planregels is als volgt.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Hoofdstuk 4 Overgangsregels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Begrippen (artikel 1)
In dit artikel zijn de begrippen die in de planregels worden gehanteerd gedefinieerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis.

Wijze van meten (artikel 2)
In dit artikel is aangegeven hoe de hoogte en andere maten, die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Verkeer (artikel 3)

De tot ‘Verkeer' bestemde gronden zijn onder andere bedoeld voor voorzieningen voor verkeer en verblijf, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen, speelvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen en tot slot nutsvoorzieningen. Herinrichting van de wegen is, als daar aanleiding toe is, mogelijk binnen deze bestemming.

Wonen (artikel 4)

Het plangebied is voor een gedeelte in de bestemming 'Wonen' vervat. Binnen deze bestemming zijn acht woningen toegestaan.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Algemene regels (artikelen Antidubbeltelregel (5) tot en met de Overige regels (12)) bevat de antidubbeltelregel, de algemene bouwregels, de algemene gebruiksregels, de algemene aanduidingsregels, de algemene afwijkingsregels, de algemene wijzigingsregels, de algemene procedure regels en de overige regels.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Overgangsrecht (artikel 13)
Voor volgens de regels afwijkende bestaande bebouwing is voor de omvang, het onderhoud en de herbouw een overgangsregel opgenomen. Dit artikel bevat tevens een overgangsregel ten aanzien van het voortzetten van bestaand gebruik dat in strijd met het bestemmingsplan is.

Slotregel (artikel 14)
Hier wordt vermeld onder welke naam de regels van dit bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.

Hoofdstuk 8 Procedure

Het bestemmingsplan doorloopt de gebruikelijke procedure. De voorziene procedurestappen zijn:

  • 1. Overleg ex artikel 3.1.1 Bro
  • 2. Terinzagelegging ontwerpbestemmingsplan
  • 3. Vaststelling door gemeenteraad
  • 4. Terinzagelegging vastgesteld bestemmingsplan

8.1 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro

Het bestemmingsplan "Inbreidingslocatie Reinoud van Gelderstraat, Susteren" is conform artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening in vooroverleg gezonden naar de betreffende personen en instanties. De reacties zijn verwerkt.

8.2 Terinzagelegging ontwerpbestemmingsplan

Het ontwerpbestemmingsplan “Inbreidingslocatie Reinoud van Gelderstraat, Susteren” heeft vanaf 3 december 2020 gedurende 6 weken ter inzage gelegen. In deze periode zijn tien zienswijzen ingediend. De zienswijzen hebben beperkt geleid tot aanpassing van het bestemmingsplan en stedenbouwkundig plan.

In bijlage 14 is de zienswijzennota opgenomen waarin de zienswijzen beantwoord zijn en is aangegeven of de reactie heeft geleid tot aanpassing van de plannen. Naast de beperkte aanpassingen naar aanleiding van de zienswijzen zijn ook enkele ambtshalve aanpassingen doorgevoerd. Deze aanpassingen zijn ook opgenomen in de zienswijzennota.

8.3 Vaststelling door gemeenteraad

Het bestemmingsplan "Inbreidingslocatie Reinoud van Gelderstraat, Susteren" is gewijzigd vastgesteld bij besluit van de gemeenteraad van de gemeente Echt-Susteren , d.d. 8 april 2021.

8.4 Terinzagelegging vastgesteld bestemmingsplan

Het gewijzigde vastgestelde bestemmingsplan ''Inbreidingslocatie Reinoud van Gelderstraat, Susteren'' ligt 6 weken ter inzage.