| Plan: | Parkeerterrein De Berk, Echt |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1711.BP20180818-VG01 |
Het bedrijf VIRO (hierna: VIRO) is voornemens een parkeerterrein voor ongeveer 150 auto's te realiseren aan de Nobelweg te Echt in de gemeente Echt-Susteren. Door de aanleg van dit nieuwe parkeerterrein wordt in de parkeerbehoefte voor het eigen bedrijf aan de Newtonweg 3 voorzien.
Voor het gebied geldt de bestemming 'Agrarisch' waarbinnen geen parkeerplaatsen gerealiseerd kunnen worden. Om deze ontwikkeling planologisch-juridisch mogelijk te maken wordt een nieuwe planologisch-juridische regeling van toepassing verklaard voor de locatie middels een nieuw bestemmingsplan.
Het plangebied is gelegen ten noordwesten van bedrijventerrein De Berk. Het plangebied wordt begrensd door de A2/A73, de Nobelweg, de Heiweg en agrarische percelen aan de zuidwestzijde. Het plangebied is kadastraal bekend als gemeente Echt, sectie S, perceelnummers 132, 613, 614, 658, 773 en gedeeltelijk 656, 2318, 2708 en 2709.
Uitsnede kadastrale percelen (bron: planviewer.nl)
Het nu geldende bestemmingsplan is het bestemmingsplan 'Buitengebied' dat is vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Echt-Susteren op 14 december 2017.
In het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied' heeft het plangebied de bestemming 'Agrarisch'. Op de gronden met de bestemming 'Agrarisch'' is gebruik van de gronden voor agrarisch grondgebruik, behoud en bescherming van onverharde en halfverharde wegen, de uitoefening van grondgebonden agrarische bedrijven en behoud en ontwikkeling van recreatief medegebruik toegestaan.
Daarnaast gelden er binnen het plangebied aanvullende regels vanwege de ligging in de nabijheid van de snelweg A2 en de aanwezigheid van een ondergrondse leiding en een hoogspanningsleiding. Hiervoor zijn de dubbelbestemmingen 'Leiding – Ondergronds' en 'Waarde – Archeologie 3', de gebiedsaanduidingen 'geluidzone – industrie', 'veiligheidszone – leiding', 'vrijwaringszone – weg 0-50m' en 'vrijwaringszone – weg 50-100m' opgenomen. De dubbelbestemming voor de hoogspanningsverbinding ontbreekt, maar is wel opgenomen op de verbeelding van het aangrenzende bestemmingsplan 'De Berk 2012'.
Overzichtskaart vigerend bestemmingsplan met het plangebied indicatief weergegeven (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
Het realiseren van een parkeerterrein is binnen de bestemming 'Agrarisch' niet mogelijk. Om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken, is dan ook een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk.
De toelichting van dit bestemmingsplan is als volgt opgebouwd:
Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 Beleidskader aangegeven hoe het plan zich verhoudt tot het rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleidskader. In Hoofdstuk 3 is de planbeschrijving van het planvoornemen opgenomen, gevolgd door de (milieuhygiënische) randvoorwaarden in Hoofdstuk 4. In Hoofdstuk 5 wordt stilgestaan bij de (juridische) planopzet, gevolgd door de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan in Hoofdstuk 6. In dit laatste hoofdstuk wordt tevens de te doorlopen bestemmingsplanprocedure weergegeven.
Gemeenten zijn niet geheel vrij in het voeren van hun eigen beleid. Rijk en provincies geven met het door hen gevoerde en vastgelegde beleid de kaders aan waarbinnen gemeenten kunnen opereren. Hierna worden in het kort de voornaamste zaken uit het voor het plangebied relevante (inter)nationale, provinciale en regionale beleid weergegeven, aangevuld met het van toepassing zijnde beleid van de gemeente Echt-Susteren zelf.
Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. Deze structuurvisie vormt het Rijksbeleid ten aanzien van ruimtelijke ontwikkeling en mobiliteit. Met deze structuurvisie wordt de onder het motto 'decentraal wat kan, centraal wat moet' reeds ingezette decentralisatie verder doorgezet. Dit houdt in dat verantwoordelijkheden worden overgedragen aan provincies en gemeenten. Deze overheden kunnen met hun regionale kennis en onderlinge samenwerkingsverbanden opgaven zelf integraal, doeltreffend en met kwaliteit aanpakken.
In de Structuurvisie zijn vervolgens een drietal doelen voor Nederland in 2040 geformuleerd:
Het Rijk legt keuzes en besluiten omtrent de ruimtelijke ordening vanaf de inwerkingtreding van de SVIR zo dicht mogelijk bij diegene die het aangaat (burgers en bedrijven), laat het meer over aan gemeenten en provincies (‘decentraal, tenzij…’) en zorgt ervoor dat de gebruiker centraal komt te staan. De Rijksoverheid beperkt zich nog slechts tot 13 nationale belangen. Buiten die belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Vertrouwen is de basis voor deze nieuwe rolverdeling.
Om de 13 nationale belangen door te laten werken in ruimtelijke plannen van lagere overheden zijn naast de SVIR het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) in werking getreden. In onderstaande paragraaf wordt nader ingegaan op deze beleidsdocumenten.
Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling van een parkeerplaats van een dusdanig beperkt schaalniveau is, dat er rechtstreeks geen beleidskaders uit de SVIR van toepassing zijn.
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), ook wel Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte genoemd, bevat regels ter bescherming van nationale belangen. De keuze voor deze belangen is reeds gemaakt in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en worden met het Barro en het Bro juridisch verankerd.
In totaal gaat het om dertien nationale belangen, te weten:
In het kader van deregulering en decentralisatie is er voor gekozen om de regels zoveel mogelijk door te laten werken op het niveau van de lokale besluitvorming. Door de nationale belangen in bestemmingsplannen te borgen, worden deze belangen reeds in een vroeg stadium vastgelegd, wat bijdraagt aan een versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke druk. Enkele bepalingen hebben echter betrekking op provinciaal medebewind en ontheffingsmogelijkheden. In het bijzonder gaat het hier om de artikelen ten behoeve van Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde en NNN.
Reserveringsgebieden verbreding bestaande hoofdwegen
Daarnaast kunnen bij ministeriële regeling (Regeling algemene regels ruimtelijke ordening) reserveringsstroken langs hoofdwegen worden aangewezen. De breedte daarvan is afhankelijk van de beoogde uitbreiding en varieert van 34 tot 45 meter aan weerszijden van de weg. Voor de A2 zijn (ter hoogte van het plangebied) geen reserveringsstroken aangewezen. Wel zijn inmiddels spitsstroken aangelegd en operationeel. In dit bestemmingsplan wordt voorzien in een vrijwaringsstrook (0-50 meter en 50-100 meter) langs de A2 conform het rooilijnenbeleid van Rijkswaterstaat. Op deze wijze wordt voorkomen dat nieuwe ontwikkelingen plaatsvinden en/ of nieuwe bebouwing wordt opgericht binnen deze vrijwaringsstrook zonder dat de wegbeheerder daarover wordt gehoord. Bij de beoogde inrichting van het plangebied als parkeerterrein wordt geen bebouwing gerealiseerd, waardoor er sprake blijft van een obstakelvrije zone en de verkeersveiligheid is gewaarborgd,
Voor deze ontwikkeling heeft in het kader van het wettelijk vooroverleg afstemming plaatsgevonden met de wegbeheerder Rijkswaterstaat. Door Rijkswaterstaat is echter geen reactie op het ontwerpbestemmingsplan gegeven.
Bestemmingsplannen die voorzien in nieuwe stedelijke ontwikkelingen dienen een verantwoording te bevatten aan de hand van de zogenoemde 'Ladder voor duurzame verstedelijking', die is vastgelegd in artikel 3.1.6, tweede lid Bro. Dit afwegingskader verplicht overheden tot het maken van een zorgvuldige ruimtelijke afweging bij het mogelijk maken van nieuwe stedelijke ontwikkelingen in een bestemmingsplan. Het doel is om te komen tot zorgvuldig ruimtegebruik en daarmee het voorkomen van (onaanvaardbare) leegstand en onnodig 'bouwen in de wei'. De Ladder is daarmee een belangrijk instrument voor een goede ruimtelijke ordening.
Een toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, moet gezien het voorgaande een beschrijving bevatten van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Hieronder volgt een toetsing van onderhavig planvoornemen aan de nieuwe Ladder.
Nieuwe stedelijke ontwikkeling
De Ladder-onderbouwing is verplicht voor 'nieuwe stedelijke ontwikkelingen'. Voordat getoetst wordt of een voorziene ontwikkeling 'nieuw' is, dient te worden getoetst of onderhavige ontwikkeling kan worden aangemerkt als een 'stedelijke' ontwikkeling. In de definitie voor stedelijke ontwikkeling (artikel 1.1.1 lid 1 sub i van het Bro) is geen ondergrens opgenomen. Hieruit zou men kunnen concluderen dat iedere stedelijke ontwikkeling, hoe kleinschalig dan ook, valt binnen het toepassingsbereik van de Ladder. Echter, blijkt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling dat er wel sprake kan zijn van een voorziene ontwikkeling die te kleinschalig is om als nieuwe stedelijke ontwikkeling te kunnen worden aangemerkt. In de literatuur wordt er bij voorziene ontwikkelingen met betrekking tot woningbouw zelfs gesproken over een daadwerkelijke ondergrens. Volgens vaste jurisprudentie is het minimale aantal woningen wat gerealiseerd moet worden (op dezelfde locatie) om als stedelijke ontwikkeling te worden gekwalificeerd is twaalf (ABRvS 22-07-2015, ECLI:NL:RVS:2015:2329, r.o. 6.3).
Echter blijkt uit een andere uitspraak (ABRvS 24-08-2016, ECLI:NL:RVS:2016:2319, r.o. 1 en 4) dat, ook al gaat het om een uitbreiding van bebouwing, er niet in alle gevallen sprake hoeft te zijn van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Deze uitspraak betreft een omgevingsvergunning voor onder andere het realiseren van een parkeerterrein op een aangrenzend perceel. Volgens de Afdeling is gelet op de kleinschalige bebouwing met een beperkte ruimtelijke uitstraling, gezien in het licht van de doelstelling van de Ladder, de voorziene ontwikkeling niet zodanig substantieel dat deze als een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden aangemerkt. Er is in casu sprake van een functiewijziging ten behoeve van het realiseren van de parkeerplaatsen. De parkeerplaatsen worden namelijk gerealiseerd op gronden met een agrarische bestemming.
Dit planvoornemen is in die zin vergelijkbaar, omdat ook hier parkeerplaatsen worden gerealiseerd op gronden met een agrarische bestemming, grenzend aan een bestaand bedrijventerrein.
Deze ontwikkeling hoeft dus niet als een stedelijke ontwikkeling aangemerkt te worden, gelet op de jurisprudentie. Nu middels onderhavig planvoornemen geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling is de Ladder-onderbouwing geen vereiste. Daarmee is echter niet gezegd dat de aspecten die samenhangen met voornoemde Ladder in het geheel niet aan de orde zijn. In het kader van de uitvoerbaarheid van het plan zijn ze namelijk wel degelijk van belang. In paragraaf 2.4 is dit nader uitgewerkt.
Door Rijkswaterstaat is de 'Beoordeling van Objecten langs Auto(snel)wegen' opgesteld (d.d. 11 oktober 2011, versie 2). Volgens de Wet beheer rijkswaterstaatswerken (Wbr) is Rijkswaterstaat verantwoordelijk voor het veilig en doelmatig gebruik van auto(snel)wegen. Afleiding kan een veilig gebruik in de weg staan. Tijdens de rijtaak wordt een weggebruiker geconfronteerd met visuele informatie, die deels wel en deels niet relevant is voor de rijtaak. In het laatste geval spreken we van 'visuele afleiding'. Als de rijtaak eentonig is kan enige afleiding de rijtaak afwisselender maken, maar deskundigen zijn het erover eens dat de verkeersveiligheid in het geding komt als een object moeilijk te negeren is en/of de aandacht te lang vasthoudt. Met het afleidingskader kunnen Rijkswaterstaat (op basis van de Wbr) en andere vergunningverlenende overheden (met name op basis van de Wabo) voor objecten langs auto(snel)wegen beoordelen in hoeverre de verkeersveiligheid in het geding is.
Bij de realisatie van het parkeerterrein worden geen reclamemasten of andere opvallende bouwwerken op basis van dit bestemmingsplan toegestaan. Hier is dan ook geen sprake van een nieuw element, dat door Rijkswaterstaat getoetst hoeft te worden aan haar beleidskader 'Beoordeling van Objecten langs Auto(snel)wegen. Door de situering van het parkeerterrein (zonder objecten) binnen 50 meter van de Rijksweg A2 komt de verkeersveiligheid op deze autosnelweg niet in het geding.
Op 12 december 2014 is door Provinciale Staten van Limburg het Provinciaal Omgevingsplan 2014 (POL2014) vastgesteld. Het POL2014 is per 16 januari 2015 in werking getreden en heeft de functie van structuurvisie, provinciaal milieubeleidsplan, regionaal waterplan en provinciaal verkeer- en vervoersplan.
In het POL 2014 komen alleen die zaken aan bod, die er op provinciaal niveau echt toe doen en die vragen om regionale oplossingen. In het POL staan de fysieke kanten van het leef- en vestigingsklimaat centraal. Belangrijke uitdagingen zijn het faciliteren van innovatie, het aantrekkelijk houden van de regio voor jongeren en arbeidskrachten, het versnellen van de energietransitie, de fundamenteel veranderde opgaven op het gebied van wonen en voorzieningen, de leefbaarheid van kernen en buurten en het inspelen op de klimaatverandering. Over deze uitdagingen wordt de dialoog aangegaan met de regio's. Kwaliteit en uitnodigen staat daarbij centraal.
Voor een aantal van de genoemde uitdagingen ligt de sleutel in dynamisch voorraadbeheer. Er zullen per regio visies gemaakt worden waarin gezamenlijke ambities, principes en werkwijze worden uitgewerkt resulterend in concrete uitvoeringsafspraken. Voor sommige thema's gaat het ook om gezamenlijke programmering. Die vormen de basis voor bestuursovereenkomsten tussen regiogemeenten en Provincie. De Provincie borgt de uitvoering van die afspraken met voorzorgbepalingen in de Omgevingsverordening.
De grote variatie in omgevingskwaliteiten is een kenmerk en sterk punt van Limburg. Om daaraan recht te doen, worden in het POL zeven globaal afgebakende gebiedstypen onderscheiden. Dit zijn zones met elk een eigen karakter, herkenbare eigen kernkwaliteiten, en met heel verschillende opgaven en ontwikkelingsmogelijkheden. Onderhavig plangebied is gelegen binnen het gebiedstype 'buitengebied', direct grenzend aan het gebiedstype 'bedrijventerrein'. De centrale opgave voor bedrijventerreinen is een groei in kwaliteit zonder dat de kwantiteit toeneemt, daarbij meer schaarste creërend, met ruimte voor maatwerk. Kansen voor functiemenging op deze terreinen moeten waar mogelijk benut worden, maar terughoudendheid is geboden met vestiging van functies die in de stad thuis horen.
De zone 'Buitengebied' omvat een breed scala aan gebieden variërend van landbouwgebieden in algemene zin, glastuinbouwgebieden, ontwikkelingsgebieden intensieve veehouderij, verblijfsrecreatieve terreinen, stadsrandzones tot linten en clusters van bebouwing. De buitengebieden hebben vaak een agrarisch karakter met ruimte voor doorontwikkeling van agrarische bedrijven. Voor deze gebieden ligt het accent op het bieden van ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw en het terugdringen van de milieubelasting vanwege de landbouw. Daarnaast gaat de aandacht uit naar de kwaliteit en het functioneren van de ondergrond.
Onderhavige ontwikkeling levert een bijdrage aan het aangrenzende bedrijventerrein De Berk door in de noodzakelijke parkeerbehoefte te voorzien, maar wijkt af van de primaire ruimtelijke doelstelling van het gebied als landelijk gebied. Echter het gaat hier om een 'reststrook' die is ingeklemd tussen de rijksweg A2 en de Nobelweg. Tevens beperkt de oprit (Kleine Heiweg) naar het viaduct over de rijksweg A2 het agrarische gebruik. Het gebied is daardoor versnippert. De ontwikkeling als parkeerterrein draagt bij aan de kwaliteit van het bedrijventerrein De Berk. Het bedrijventerrein wordt daarmee kwalitatief verder ontwikkeld. Tevens wordt de locatie ruimtelijk/groen ingepast, wat het aanzicht vanaf de A2 en de Nobelweg verbeterd en bijdraagt aan de ruimtelijke uitstraling van het plangebied.
Gelijktijdig met de vaststelling van het POL2014 is ook de Omgevingsverordening Limburg 2014 vastgesteld. In deze verordening geeft de provincie Limburg bindende kaders voor ruimtelijke planvorming door gemeentes. Het POL 2014 zet sterk in op het zoveel mogelijk concentreren van nieuwe stedelijke ontwikkelingen binnen bestaand stedelijk gebied. Voor onderhavig plan is van belang dat in het hoofdstuk Ruimte de Ladder voor duurzame verstedelijking is geborgd. Op de toepassing van deze Ladder is hiervoor ingegaan in paragraaf 2.2.3, op basis van de regeling in het Besluit ruimtelijke ordening.
uitsnede Omgevingsverordening Limburg 2014
Uit de kaarten behorende bij de Omgevingsverordening Limburg 2014 blijkt dat het plangebied is gelegen binnen het 'landelijk gebied'. De nieuwvestiging van bedrijven is in het landelijk gebied niet toegestaan. Van nieuwvestiging van een bedrijf is met dit planvoornemen echter geen sprake. De realisatie van de het parkeerterrein is ten gunste van de uitbreiding van een bedrijf op een bestaand bedrijventerrein. Bovendien wordt binnen het plangebied geen bebouwing mogelijk gemaakt. Daarnaast is het landelijk karakter reeds verstoord door de smalle strook ingeklemd tussen de rijksweg A2 en Nobelweg. Dit wordt versterkt door de oprit naar het viaduct over de rijksweg A2.
Het plangebied is tevens gelegen in de 'Boringsvrije zone Roerdalslenk II'. Alle boringen (en roeren grond) dieper dan de bovenkant van de Bovenste Brunssumklei zijn in het gebied Roerdalslenk I verboden. Voor boringen dieper dan 30 meter dient een melding te worden gemaakt bij de Provincie Limburg. Aangezien geen grondboringen dieper dan 30 meter zijn voorzien, vormt dit geen belemmering en hoeft er ook geen verdere aanduiding in het bestemmingsplan te worden opgenomen.
Uit de kaarten behorende bij de Omgevingsverordening Limburg 2014 blijkt dat het plangebied niet ligt binnen overige (milieu)beschermingsgebieden of beschermingszones ten behoeve van natuur en landschap.
De provincie Limburg hecht veel waarde aan haar grote schat aan cultuurhistorie. Daarom heeft de provincie het initiatief genomen om alle archeologische, bouwhistorische en historisch geografische gegevens die over de provincie voorhanden waren, te inventariseren, en voor de hele provincie Limburg te presenteren. Het resultaat van deze inventarisatie is de CultuurHistorische Waardenkaart (CHW) Limburg.
De inventarisatiegegevens van de CultuurHistorische Waardenkaart hebben een informatieve en signaleringsfunctie, en maken de informatie zichtbaar die voorhanden is over de Limburgse cultuurhistorie. Eén van de doelstellingen is dat de gegevens er toe bijdragen dat de cultuurhistorische dimensie wordt betrokken bij ruimtelijke, toeristische en culturele ontwikkelingen en voornemens. Het is daarom de bedoeling om de gegevens verder te actualiseren en te complementeren.
De informatie uit de provinciale CultuurHistorische Waardenkaart is ten behoeve van de rapportage "Fraaie landstreken, belangrijke wandelingen en indrukwekkende gedenktekens. Een cultuurhistorische en aardkundige waardenkaart van de gemeente Echt-Susteren" is verder ingevuld en gedetailleerd. Deze rapportage en kaart hebben als basis gediend voor het gemeentelijke paraplubestemmingsplan 'Cultuurhistorie Echt-Susteren'. Op basis van dit paraplubestemmingsplan is voor het plangebied geen nadere beschermende regeling van toepassing. Het plangebied betreft een 'reststrook' tussen de A2 en bedrijventerrein De Berk, wat momenteel bestaat uit landbouwgrond, zonder bebouwing. Door de aanleg van de rijksweg A2 en het bedrijventerrein De Berk is het gebied reeds dermate verstoord dat er geen sprake meer is van enige cultuurhistorische waarden.
De gemeente Echt-Susteren heeft op 13 december 2012 de 'Structuurvisie 2025, Ontwikkelen met kwaliteit' vastgesteld, waarmee ze de koers en richting bepaalt voor de ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente tot 2025. De structuurvisie vormt het afwegingskader op basis waarvan in de toekomst ruimtelijke keuzes te maken zijn en ontwikkelingen gestuurd kunnen worden. Daarbij wordt benoemd waar welke prioriteiten gelden en waarom. De basis voor de visie is een belangenafweging tussen alle ruimtelijke functies en tevens is ingezoomd op de draagkracht van de in de gemeente Echt-Susteren aanwezige landschappen. Op basis daarvan is vervolgens benoemd waar welke ontwikkelingen acceptabel dan wel wenselijk zijn. Voor alle ruimtelijke functies wordt het beleid op hoofdlijnen benoemd. Ook is aangegeven hoe tot daadwerkelijke realisatie wordt gekomen.
De structuurvisie zal moeten worden vertaald in bestemmingsplannen, waarmee het beleid uit de structuurvisie, voor zover nodig, verder wordt uitgewerkt en vastgelegd. De structuurvisie heeft dus een dubbelfunctie: enerzijds onderbouwt de visie de bestemmingsplannen en anderzijds geeft ze de mogelijkheid om nieuwe initiatieven te wegen en via een wijziging of (partiële) herziening van het bestemmingsplan mogelijk te maken.
Op basis van de structuurvisie kunnen:
De gemeente Echt-Susteren hanteert bij het maken van ruimtelijke (locatie)keuzes een zestal leidende principes:
Ten aanzien van bedrijventerreinen ziet de gemeente, vanwege de goed ontsloten ligging aan A2/A73 en bij een spoorlijn en kanaal, volop kansen, maar erkent ook dat de vraag naar nieuwe bedrijfskavels en kantoorpanden is vertraagd, waardoor bijstelling van de ambities noodzakelijk is. Er wordt derhalve ingezet op het verbeteren van de kwaliteit en uitstraling van de nu in gebruik zijnde kavels.
Op de bedrijventerreinen De Berk, De Loop en Businesspark Midden-Limburg zijn nog direct uitgeefbare kavels aanwezig. Verder komt er herbruikbaar of intensiever te benutten terrein beschikbaar door herstructurering van de Wolfskoul in Susteren en van delen van De Loop in Echt. Er is geen behoefte aan het aanleggen van nieuwe terreinen binnen de gemeente, omdat er binnen de eigen gemeente nog ruimte uitgeefbaar is (harde planvoorraad) en ook elders in de regio nog voldoende bedrijventerrein beschikbaar is.
Om ook in de verdere toekomst een kwantitatief en kwalitatief goed aanbod aan terreinen in de gemeente te hebben, is het nodig om keuzes te maken. Zorgvuldig ruimtegebruik en een gericht uitgiftebeleid zijn daarbij kernwoorden. De reeds in gang gezette herstructurering van De Wolfskoul en De Loop wordt actief aangejaagd en opgepakt.
In 2016 heeft een actualisatie van de speerpunten uit het uitvoeringsprogramma van de gemeentelijke structuurvisie plaatsgevonden. Over de Ontwikkeling van diverse bedrijfslocaties, o.a. Ontwikkeling Businesspark Midden-Limburg is het volgende opgenomen:
Dit terrein ligt aan de noordkant van Echt in de oksel van de A2 en de A73. Het terrein heette voorheen De Berk II/St.Joost. In maart 2012 is een reserveringsovereenkomst getekend tussen OML en Vastgoedmaatschappij Goodman voor de ontwikkeling en realisatie van het businesspark op ca. 10 ha van het totale terrein van 40 ha. Op het terrein wordt ruimte geboden aan grootschalige logistieke bedrijvigheid, distributie en industrie. Een andere te ontwikkelen bedrijfslocatie is het meest westelijk deel van De Loop. Op het terrein aan de westkant van de A2 ten zuiden van Slagmolen zal door de provincie lokaal maatwerk worden verleend aan een eventueel uitbreidingsverzoek van bestaande bedrijven, om zo ten volste de unieke kwaliteiten van haven en afrit A2 te benutten. Voorwaarde is wel dat de noodzaak aangeduid is en invulling gegeven wordt aan de ‘ladder van duurzame verstedelijking’
Geconcludeerd kan worden dat de realisatie van een parkeerterrein bijdraagt aan een nieuwe inrichting van een bedrijfslocatie (VIRO) op het bedrijventerrein. Er wordt een positieve kwaliteitsslag gemaakt door de toevoeging van extra parkeergelegenheid en een groene inrichting. De meerwaarde van de nieuwe inrichting zal zich niet beperken tot het plangebied, maar juist ook z'n uitstraling hebben op de directe omgeving van de locatie. De nieuwe groene inrichting wordt als hoogwaardiger gezien dan het huidige akkerland.
De gemeente Echt-Susteren heeft op 22 september 2016 het bestemmingsplan 'Cultuurhistorie Echt-Susteren' vastgesteld. Dit is een paraplubestemmingsplan waarin het het cultuurhistorisch beleid wordt geborgd. Bij het opstellen van nieuwe bestemmingsplannen dient het cultuurhistorische beleid worden doorvertaald. In het paraplubestemmingsplan zijn dubbelbestemmingen opgenomen voor 'Waarde - Cultuurhistorie' of 'Waarde - Aardkundige waarde'. Aan deze bestemmingen zijn regels gekoppeld ter bescherming van deze waarden.
Voor dit plangebied zijn geen specifieke cultuurhistorische of aardkundige waarden weergegeven in het paraplubestemmingsplan. In dit bestemmingsplan voor het parkeerterrein is daarom geen dubbelbestemming ter bescherming van deze waarden opgenomen.
Uitsnede bestemmingsplan 'Cultuurhistorie Echt-Susteren'
Het waardevol ensemble Berkelaar is gelegen ten noorden van het plangebied aan de overzijde van de rijksweg A2. Omdat met het planvoornemen geen bebouwing wordt gerealiseerd en de rijksweg als barrière is gelegen tussen het plangebied en dit ensemble, is het planvoornemen niet van invloed op het ensemble Berkelaar.
VIRO is voornemens een parkeerterrein voor ongeveer 150 auto's te realiseren voor het eigen bedrijf dat aan de Newtonweg 3 is gelegen. De gemeente heeft aangegeven positief ten opzichte van deze ontwikkeling te staan. Hoewel het gebied een agrarisch perceel is waar geen verhardingen kunnen worden gerealiseerd is het oprichten van een parkeerterrein met waterbergingsvoorzieningen in relatie tot de directe omgeving mogelijk. Ook de gewenste ruimtelijke uitstraling wordt met het voorgenomen inrichting behaald.
De gronden binnen het plangebied zijn gelegen binnen het buitengebied, maar zijn direct gesitueerd tussen de snelweg en bedrijventerrein De Berk. Daarnaast liggen deze gronden in de oksel van de Kleine Heiweg. De gronden zijn onbebouwd en in gebruik als akkerland met aan de noordrand enkele bomen. Het plangebied heeft een oppervlak van circa 0,55 ha.
Luchtfoto plangebied en omgeving (plangebied rood aangeduid)
Het plangebied wordt aan de noord-, oost- en zuidzijde begrensd door (doorgaande) verkeersstructuren. Ten noorden van het plangebied ligt de rijksweg A2, die op dit punt samenkomt met de Rijksweg A73. De Kleine Heiweg krult van het oosten, via het noorden naar het westen, om het plangebied heen. Vanaf het oosten loopt deze weg omhoog, en gaat over de A2 en A73 heen, waar deze overgaat in de Heiweg. De Kleine Heiweg verbindt voor langzaamverkeer het bedrijventerrein met buurtschap Berkelaar. Het talud van deze weg vormt de grens met het plangebied.
Aan de zuidoostkant wordt het plangebied begrensd door de Nobelweg. De Nobelweg is een van de hoofdontsluitingswegen van bedrijventerrein De Berk. Aan de zuidzijde staat deze in directe verbinding met de Maasbrachterweg. Richting het noorden gaat de Nobelweg over in de Fahrenheitweg die in directe verbinding staat met de Rijksweg Noord N276. De planlocatie is gelegen tussen de afslag 'Het Vonderen' in het noordwesten (circa 2.0 km) en afslag 45, 'Echt' in het zuidwesten (circa 2,7 km).
Het plangebied grenst in het zuidwesten aan agrarisch landbouwgebied. De gehele strook tussen de rijksweg en Nobelweg is voornamelijk in gebruik als agrarisch landbouwgebied. Hier loopt tevens een hoogspanningsverbinding. Een van de hoogspanningsmasten bevindt zich in het plangebied. Parallel aan de hoogspanningsverbinding loopt een onverharde weg.
De bedrijven op bedrijventerrein De Berk zijn allen gelegen ten zuiden van de Nobelweg. Op de hoek van de Newtonweg met de Nobelweg is VIRO gelegen (zie rode stippellijn op de luchtfoto), op circa 50 meter van het plangebied.
Zicht op de Nobelweg (kijkrichting zuidwest -> noordoost) met plangebied links en VIRO rechts.
Zicht op het plangebied (kijkrichting zuid -> noord) met hoogspanningsverbinding, en rijksweg A2 op de achtergrond.
VIRO heeft dringend behoefte aan uitbreidingsruimte. De beoogde ontwikkeling c.q. uitbreiding is mogelijk op het huidige bedrijfsperceel, aan de Nobelweg 3 op industrieterrein De Berk te Echt. Op deze locatie is echter onvoldoende fysieke ruimte voor de benodigde parkeervoorzieningen die de uitbreiding met zich mee brengen. Bovendien gaat de uitbreiding deels ten koste van de huidige parkeerplaatsen die op het bedrijfsperceel aanwezig zijn. Omdat verplaatsing van het bedrijf niet geopteerd wordt, is bezien hoe dit ruimteprobleem kan worden opgelost. Voor het grootste deel van de benodigde parkeerruimte is de oplossing gevonden aan de Nobelweg te Echt aan de overzijde van het bedrijfsperceel aan de Nobelweg 3.
Initiatiefnemer heeft het planvoornemen voor de realisatie van een parkeerterrein voor ongeveer 150 personenauto's aan de Nobelweg te Echt. Door de aanleg van dit nieuwe parkeerterrein wordt in de parkeerbehoefte voorzien.
Globale inrichtingsschets, plangebied en omgeving
Het plangebied wordt ingericht met een parkeerterrein met daar omheen een groene zone. Deze inrichting is afgestemd op de ligging van de PPS-pijpleiding en de positie van de hoogspanningsmast.
In totaal worden circa 150 parkeerplaatsen gerealiseerd met een rijstrook en een in-/uitrit. Het parkeerterrein krijgt een lus met daaraan haaksparkeerplaatsen aan de binnen- en buitenzijde. Deze lus is bereikbaar via een inrit aan de Kleine Heiweg. Daarvoor wordt de huidige tractorsluis circa 25 meter naar het noorden verplaatst. Het parkeerterrein wordt afgesloten met slagbomen, waardoor deze enkel toegankelijk is voor werknemers en bezoekers van VIRO. Voor de aanleg van de rijstrook en de parkeerplaatsen wordt verharding toegevoegd. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van verhardingen die water doorlaten. De rijstrook krijgt een halfopen bestrating en de parkeerplaatsen zelf een open bestrating.
Type bestrating (open en halfopen)
Vanaf het parkeerterrein worden twee voetpaden aangelegd die het parkeerterrein met de Nobelweg verbinden. Langs het fietspad aan de Nobelweg loopt een voetpad. Via dit voetpad is ter hoogte van Newtonweg 3 een oversteekplaats te bereiken. Ook nabij de Pascalweg is een oversteekplaats te vinden.
Conform de beleidsuitgangspunten van het Limburgs Kwaliteitsmenu (LKM) dient de parkeerplaats zo onopvallend als mogelijk in het landschap te worden geprojecteerd en het terrein, conform de aanliggende gebieden tussen autoweg en industrieterrein, een open karakter te geven.
Met de nieuwe inrichting wordt het parkeerterrein volledig ingepast tussen het bestaande talud van de Kleine Heiweg en omgeven door een nieuwe groene inrichting. Hiervoor worden bomen geplant en lage heuvels met een robuuste begroeiing aangebracht. Daarnaast worden wadi's en stroken met gras aangebracht.
Aan de zuid- en oostkant wordt het parkeerterrein afgeschermd met een lage haag. Hierdoor worden de geparkeerde auto's onttrokken aan het zicht vanaf de Nobelweg. Ten zuidwesten van het plangebied zijn de gronden momenteel nog in gebruik als agrarisch landbouwgebied. Het doel is dat in de toekomst deze zone ook verder groen wordt ingericht, met name met een robuuste invulling. Midden op het terrein, tussen de parkeerplaatsen wordt een groene wadi aangelegd. Hierbij worden tevens bomen geplant. Ook de hoeken aan de uiteinden van de parkeerstroken worden groen ingericht.
Onder de hoogspanningsleiding worden geen bomen aangebracht, maar enkel een groene inrichting. De groene zone vormt hiermee geen belemmering voor de hoogspanningsleiding, maar biedt wel voldoende ruimtelijke afscherming van het parkeerterrein.
De huidige sloot, onderaan het talud van de Kleine Heiweg blijft gehandhaafd. Aan de rand van het plangebied, tussen het parkeerterrein en de Kleine Heiweg wordt de bestaande greppel verbreed. Ten behoeve van de opvang van water wordt verder gebruik gemaakt van open verharding, dit in combinatie met een grindkoffer en drainage.
Door de ontwikkeling c.q. uitbreiding van VIRO aan de Newtonweg 3 moet in voldoende mate worden voorzien in de parkeerbehoefte. Hiervoor wordt een nieuwe parkeerterrein met 148 parkeerplaatsen gerealiseerd aan de overzijde van de weg. De parkeerplaatsen op het nieuwe parkeerterrein worden haaks gepositioneerd aan een lus. Aan de buitenste ring komen 79 parkeerplaatsen en in de binnenste ring 69 parkeerplaatsen. Hiermee wordt voldaan aan de parkeerbehoefte voor het huidige bedrijf en de geplande ontwikkeling c.q. uitbreiding van het bedrijf.
Milieuaspecten zijn nauw verweven met andere beleidsvelden. Verbreding van milieubeleid naar andere beleidsterreinen is een belangrijk uitgangspunt in het gemeentelijke milieubeleid. Ook in de ruimtelijke planvorming is structureel aandacht voor milieudoelstellingen en -invloed nodig. De milieu-aspecten worden daartoe integraal en vanaf een zo vroeg mogelijk stadium in de planvormingsproces meegewogen.
In het kader van een bestemmingswijziging dient (over het algemeen middels een bodemonderzoek) aangetoond te worden dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik. Aangezien de ontwikkeling voorziet in het realiseren van een parkeerterrein, hetgeen geen gevoelige functie is, is geen uitgebreid bodemonderzoek noodzakelijk. Wel dient aangetoond te worden dat de bodem geschikt is voor het planvoornemen. Op de locatie is dan ook een historisch bodemonderzoek uitgevoerd, zie Bijlage 1.
Op basis van het historisch bodemonderzoek is het volgende geconstateerd:
Op een klein gedeelte van de onderzoekslocatie zijn maximaal lichte verontreinigingen aanwezig met enkele parameters (PAK en minerale olie). Echter deze overschrijdingen leveren vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen op voor het aanleggen van een parkeerterrein. Er is geen aanleiding om opnieuw een verkennend bodemonderzoek uit te voeren. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
Het wettelijk kader bij ruimtelijke procedures is de Wet geluidhinder (Wgh). Deze wet biedt geluidgevoelige bestemmingen, zoals woningen, bescherming tegen geluidhinder van geluidsbronnen: wegverkeer, spoorwegen, industrie en luchtvaart. De bescherming vindt primair plaats door middel van zonering.
Een parkeerterrein is op grond van de Wet geluidhinder geen gevoelige functie voor het aspect geluid.
Wegverkeerslawaai
Dit bestemmingsplan maakt geen geluidsgevoelige objecten mogelijk, maar zorgt voor een planologisch-juridische verankering van een parkeerterrein. Eventueel geluid afkomstig van af- en aanrijdende auto's van en naar het parkeerterrein, valt in het niet in relatie tot het geluid afkomstig van het wegverkeerslawaai van de aangrenzende wegen (de rijksweg A2 en de Nobelweg). De ontwikkeling zal hierdoor geen (onevenredige) afbreuk doen aan het woon- en leefklimaat ter plaatse van de omliggende woningen. Daarnaast is het plangebied gelegen nabij een bedrijventerrein, hierop zijn enkele bedrijfswoningen gelegen. De meest dichtbij gelegen bedrijfswoning is gelegen aan de Edisonweg 37a op meer dan 400 m van het plangebied. Gelet hierop kan geconcludeerd worden dat een nader onderzoek naar wegverkeerslawaai niet noodzakelijk wordt geacht.
Spoorweglawaai
Op 550 meter ten oosten van het plangebied ligt de spoorlijn Maastricht-Roermond. Met betrekking tot spoorweglawaai is het plan gelegen binnen de geluidzone van de spoorlijn Echt - Susteren. Gezien met het planvoornemen geen geluidgevoelige functies worden gerealiseerd is nader onderzoek naar spoorweglawaai niet noodzakelijk.
Industrielawaai
Het plangebied is gelegen binnen de gezoneerde geluidszone van bedrijventerrein De Berk. Gezien met het planvoornemen geen geluidgevoelige functies worden gerealiseerd is nader onderzoek naar industrielawaai niet noodzakelijk.
De Wet luchtkwaliteit (verankerd in de Wet Milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2) is een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor.
Nederland kan vooralsnog niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diversie regio’s om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Projecten die “niet in betekenende mate” (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof. Voor een aantal functies (onder andere woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM.
In de regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Met dit bestemmingsplan wordt de realisatie van een parkeerterrein mogelijk gemaakt. Op dit parkeerterrein worden circa 150 parkeerplaatsen gerealiseerd voor VIRO. Dit betekent ongeveer 300 bewegingen voor werknemers en circa 50 bewegingen voor bezoekers. Het totaal van 350 verkeersbeweging per werkdag blijft daarmee ruim onder de gestelde norm van 1.500 woningen. Daarnaast is het niet de parkeerplaats zelf, maar de bedrijfslocatie die verkeersbewegingen aantrekt. Gezien het voorgaande is de voorgestelde ontwikkeling aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit, waardoor toetsing aan de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit niet nodig is.
Jaargemiddelde concentraties NO2: peiljaar 2015 (bron: www.nsl-monitoring.nl)
In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 in de omgeving van het plangebied inzichtelijk gemaakt. In deze tool is onder andere de rijksweg A2 opgenomen. In bovenstaande afbeelding zijn de concentraties NO2, PM10 en PM2,5 voor het peiljaar 2015 weergegeven.
Uit de afbeelding blijkt dat in de omgeving van het plangebied de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 respectievelijk maximaal 32.5 µg/m3, 19.2 µg/m3 en 12.4 µg/m3 bedraagt. De jaargemiddelde grenswaarde voor NO2, PM10 (beide 40 µg/m3) en PM2,5 (20 µg/m3) wordt niet overschreden. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24 uurgemiddelde concentratie is maximaal 7, waardoor het maximum van 35 dagen niet wordt overschreden.
De trend is dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten.
Het algemene rijksbeleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege: het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen (inrichting), het transport van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, water- en spoorwegen, buisleidingen), het gebruik van luchthavens. Externe veiligheid heeft betrekking op de veiligheid van degenen die niet bij de risicovolle activiteit zelf zijn betrokken, maar als gevolg van die activiteit wel risico's kunnen lopen, zoals omwonenden. Het beleid is onder andere verankerd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), de bijbehorende Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) en verder uitgewerkt / toegelicht in o.a. de Handleiding Externe Veiligheid Inrichtingen en de Handreiking Verantwoordingsplicht Groepsrisico. Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is het beleid opgenomen in de zogenaamde 'Wet Basisnet', dat op 1 april 2015 in werking is getreden. Deze bestaat uit de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet.
In het externe veiligheidsbeleid staan twee doelen centraal: de bescherming van individuen tegen de kans op overlijden als gevolg van een ongeluk en de bescherming van de samenleving tegen het ontwrichtende effect van een ramp met een groter aantal slachtoffers; respectievelijk het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risico van een bepaalde activiteit is de kans per jaar op een bepaalde plaats, dat een continu daar aanwezig gedacht persoon die onbeschermd is, komt te overlijden als gevolg van een mogelijk ongeluk met die activiteit. Het groepsrisico is de kans per jaar dat in één keer een groep mensen van een bepaalde omvang komt te overlijden bij een ongeval met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico is geen norm gesteld. Uit het vigerende beleid, zoals onder andere vastgelegd in het Bevi, geldt een verantwoordingsplicht. Iedere verandering (af- of toename) van het groepsrisico moet inzichtelijk worden gemaakt en worden voorzien van een onderbouwing (verantwoording groepsrisico).
Uitsnede risicokaart
Wegen
In of nabij het plangebied zijn wegen aanwezig die opgenomen zijn in het Basisnet Weg. Het plangebied is direct gelegen naast de Rijksweg A2, namelijk op circa 25 meter. Over deze weg vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats. Het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van deze risicobron.
Spoorwegen
In of nabij het plangebied zijn geen spoorwegen aanwezig die opgenomen zijn in het Basisnet Spoor. De afstand tot het meest dichtstbijzijnde spoor is gelegen op meer dan 500 meter. Over dit spoor worden gevaarlijke stoffen vervoerd. Het plangebied is gezien de afstand niet gelegen binnen het invloedsgebied van deze risicobron.
Buisleidingen
Door de zuidkant van het plangebied loopt een buisleiding waar rekening mee dient te worden gehouden in het kader van externe veiligheid. Dit is een buisleiding van de PPS. Voor deze buisleiding is een strook van 10 meter breed, in de vorm van de dubbelbestemming 'Leiding - Ondergronds' opgenomen, waarbinnen specifieke bouw- en gebruiksregels gelden. Daarnaast is een veiligheidszone opgenomen.
Het plaatsgebonden risico van deze leiding op het tracject Soerendonk-Chemelot is 6,3 meter (aan weerszijden van de leiding) en valt daarmee nagenoeg gelijk met de vrijwaringstrook (5 meter aan weerszijde) van de leiding. Het invloedsgebied van het groepsrisco (1% Letaliteit) bedraagt 28,2 meter aan weerszijde van de leiding. Echter het maximaal aantal slachtoffers als gevolg van een breuk van de leiding is langs het totale tracé kleiner dan 10. Er is derhalve geen sprake van een groepsrisico.
Daarnaast is een parkeerterrein geen kwetsbaar object en valt niet onder de verplichting om aan de norm respectievelijk richtwaarde voor het plaatsgebonden risico en groepsrisico te voldoen.
Bedrijven
Aan de overzijde van de weg, aan de Fahrenheitweg 1 is een risicovolle inrichting gelegen, namelijk het distributiecentrum van de Action. Hier is sprake van opslag. De 10-6 risicocontour van deze BEVI-inrichting reikt echter niet over de terreingrens van deze locatie en ligt derhalve niet over het plangebied.
Hoogspanningsverbindingen
Aan de zuidkant van het plangebied loopt een hoogspanningsverbinding. Een van de masten staat binnen het plangebied. Mogelijk dat met het planvoornemen de positie van deze mast wordt gewijzigd. Deze mast blijft echter binnen het plangebied en het traject van de hoogspanningsverbinding wijzigt niet. Voor deze hoogspanningsverbinding is een strook van 50 meter breed, in de vorm van de dubbelbestemming 'Leiding - Hoogspanningsverbinding' opgenomen, waarbinnen specifieke bouw- en gebruiksregels gelden.
Met het planvoornemen wordt een parkeerterrein gerealiseerd waar alleen auto's worden geparkeerd. Gezien binnen het planvoornemen geen personen verblijven, is een nadere verantwoording van het groeps- of plaatsgebondenrisico verder niet noodzakelijk.
Goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkómen van hinder en gevaar. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) kan goede ruimtelijke ordening gerealiseerd worden. Het is aan de ene kant zaak om te voorkomen dat er hinder en gevaar voor gevoelige bestemmingen ontstaat en aan de andere kant dient aan bedrijven voldoende zekerheid te worden geboden dat zij niet in hun activiteiten worden beperkt door nieuwe gevoelige functies. Om te bepalen of tussen de milieubelastende activiteiten en de gevoelige functies voldoende afstand in acht wordt genomen, is gebruik gemaakt van de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ uit 2009. In deze publicatie worden de richtafstanden gegeven voor de vier ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.
De richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning (of andere milieugevoelige functie) die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. De gegeven richtafstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. Ze moeten daarom gemotiveerd worden toegepast. Dit betekent dat (geringe) afwijkingen in de lokale situatie mogelijk zijn, mits voldoende gemotiveerd.
Het parkeerterrein valt volgens de VNG brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’, uitgegeven door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) 2009, binnen de categorie 6321, 5221 'autoparkeerterreinen, parkeergarages'. Deze hebben een richtafstand van 30 meter voor geluid en 10 meter voor geur. De richtafstand van 30 meter voor geluid is zodoende maatgevend. De meest dichtbijgelegen gevoelige functies (bedrijfswoningen Edisonweg 37a en 31) zijn gelegen op ruim 400 meter. Binnen de richtafstand van 30 meter zijn geen geluidgevoelige functies gelegen. Anderzijds is het parkeerterrein geen gevoelige functie, waardoor verdere toetsing aan milieuzonering niet noodzakelijk is.
Conclusie
Bij de voorgenomen realisatie van een parkeerterrein is de milieuinvloed dermate beperkt, dat geen onaanvaardbare hinder ontstaat op (geluid)gevoelige functies in de omgeving, welke op grote afstand (ruim 400 m zijn gelegen). De nieuwe ontwikkeling binnen het plangebied vormt ook geen belemmering voor de bedrijfssituatie van de in de omgeving aanwezige bedrijven/ inrichtingen.
Het plangebied is deels gelegen binnen een zone of werkstrook van hoofdleidingen of kabels die planologisch bescherming behoeven. Aan de zuidoostzijde van het plangebied loopt de bovengrondse hoogspanningsverbinding Lutterade - Born - Maasbracht. Het betreft een 150 kV hoogspanningsleiding, waarvoor aan weerszijde een bebouwingsvrije zone van 20 meter in acht dient te worden genomen. Deze zone is in voorliggend plan geborgd door middel van de dubbelbestemming 'Leiding - Hoogspanningsverbinding' en de daaraan gekoppelde regels, die voorzien in een bouwverbod. Daarnaast loopt door de zuidzijde van het plangebied de ondergrondse buisleiding van Petrochemical Pipeline Services B.V. Aan weerszijde van de hartlijn van deze leiding dient een bebouwingsvrije zone van 5 meter in acht te worden gehouden. Deze zone is in voorliggend plan geborgd door middel van de dubbelbestemming 'Leiding - Ondergronds' en de daaraan gekoppelde regels, die voorzien in een bouwverbod. Daarnaast is voor deze ondergrondse leiding een veiligheidszone opgenomen, de 'veiligheidszone - leiding'.
In deze zone onder de hoogspanningsleiding zijn in het plan uitsluitend parkeer- en groenvoorzieningen beoogd. Daarbij worden geen bomen onder de hoogspanningsleiding geplant, zodat het doelmatig functioneren van de hoogspanningsleiding niet wordt belemmert. In de zone op de ondergronds leiding zijn enkel groenvoorzieningen beoogd. Hiermee komt het beheer van deze leidingen niet in het geding.
In het kader van het ontwerpbestemmingsplan is door Petrochemical Pipeline Services (PPS) nog een (vooroverleg)reactie ingediend. Deze reactie heeft er toegeleidt dat de toelichting van het bestemmingsplan (paragraaf 4.1.4.2) is aangevuld voor wat betreft het invloedsgebied van het groepsrisico van de PRB-leiding.
Voor de toetsing van externe veiligheid wordt verwezen naar de desbetreffende paragraaf (4.1.4).
Bij het opstellen van bestemmingsplannen dient rekening te worden gehouden met de gevolgen voor het behoud en de ontwikkeling van de natuur. Het natuurbeschermingsrecht is te vinden in verdragen, Europese en nationale regelgeving en in nationaal en provinciaal beleid. Vanuit de Europese regelgeving wordt met name nadruk gelegd op de bescherming van plant- en diersoorten en leefgebieden (Vogel- en Habitatrichtlijn). Ten behoeve hiervan zijn dan ook diverse beschermingsgebieden aangewezen. De belangrijkste beschermingszones zijn Natura 2000-gebieden. In de volgende subparagrafen wordt specifiek ingegaan op respectievelijk gebiedsbescherming en soortenbescherming.
De bescherming van Natura 2000-gebieden is geregeld in de Wet natuurbescherming, die de implementatie vormt van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De Natura 2000-gebieden vormen samen een Europees netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Als ontwikkelingen (mogelijk) leiden tot aantasting van natuurwaarden binnen een Natura 2000-gebied, moet een vergunning worden aangevraagd. Gedeputeerde staten van de provincie zijn het bevoegd gezag voor verlening van deze vergunning. Indien eerst een omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor een activiteit waarvoor tevens een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming is vereist, dan haakt de natuurtoets aan bij de omgevingsvergunning.
Verder moet rekening worden gehouden met het beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De regels met betrekking tot het NNN zijn opgenomen in de provinciale verordening. Ten aanzien van ontwikkelingen binnen het NNN geldt het 'nee, tenzij-principe'.
In de omgeving van het plangebied op een afstand van circa 2,8 km is het Natura2000-gebied Grensmaas gelegen. Het plangebied zelf is niet gelegen in een Natura2000-gebied, de NNN of stiltegebied., dit is nader onderbouwd in de quickscan Flora en Fauna , zie Bijlage 2. Gezien deze afstand is de beoogde ontwikkeling niet van invloed op het Natura 2000-gebied.
De bescherming van dier- en plantensoorten is eveneens in de Wet natuurbescherming geregeld. In deze wet zijn drie beschermingsregimes opgenomen: voor vogels in de zin van de Vogelrichtlijn, voor dier- en plantensoorten uit de Habitatrichtlijn en voor overige soorten. Kort gezegd is het verboden om beschermde diersoorten opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren. Hun voortplantings- en rustplaatsen mogen niet (opzettelijk) worden beschadigd of vernield. Verder is het verboden beschermde plantensoorten te vernielen. Onder voorwaarden is ontheffing van de verbodsbepalingen mogelijk. Het bevoegd gezag voor het verlenen van een ontheffing zijn gedeputeerde staten van de provincie. Als eerst een omgevingsvergunning wordt aangevraagd, dan haakt de ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming daarbij aan.
Om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten, gebieden of houtopstanden aanwezig zijn die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep is een quickscan Flora en Fauna uitgevoerd, zie Bijlage 2.
Gelet op de gevonden en te verwachten ecologische waarden en de beoogde planontwikkeling is de verwachting dat de wijziging van het bestemmingsplan uitvoerbaar is. Tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden dient het bepaalde in de Wet natuurbescherming in acht te worden genomen. Rekening dient te worden gehouden met nesten van algemene weidevogels. Daarom wordt geadviseerd de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Indien werkzaamheden binnen het broedseizoen plaatsvinden dient voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelinspectie uitgevoerd te worden.
Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht.
Waterwet
Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. Een achttal wetten is samengevoegd tot één wet, de Waterwet. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de huidige vergunningstelsels uit de afzonderlijke waterbeheerwetten worden gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de watervergunning.
Nationaal waterplan
Het doel van dit als structuurvisie te beschouwen plan is het zodanig omgaan met de waterhuishouding dat ook latere generaties veilig en welvarend van de ruimte gebruik kunnen maken. Bescherming tegen droogte en wateroverlast, maar ook het zorgen voor een goede waterkwaliteit zijn hierbij van groot belang. Door bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening te houden met waterhuishoudkundige eisen op korte en lange termijn kan een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem bereikt worden.
Provinciaal waterplan 2010-2015
Het provinciaal waterplan 2010-2015 is een structuurvisie van de provincie Limburg waarin het nationale waterbeleid verder doorvertaald wordt. Het plan bevat enkele specifieke doelen om het watersysteem met het oog op de toekomst te verbeteren, te weten het herstel van de sponswerking, het herstel van natte natuur, schoon water, duurzame watervoorziening en een veilige Maas.
Met deze doelen wordt ingezet op nieuw waterbeheer waarbij functies gebonden aan waterkwaliteit in balans moeten zijn met variaties in de beschikbaarheid en kwaliteit van water. Hierbij wordt ingezet op een grensoverschrijdende stroomgebied benadering middels een integrale brongerichte aanpak. Daarnaast moet er meer ruimte gecreëerd worden voor natuurlijke processen in het watersysteem, moet het solidariteitsprincipe in acht genomen worden en dient water vooraf betrokken te worden bij ruimtelijke ontwikkelingen en afwegingen.
Omgevingsverordening Limburg
Het plangebied is gelegen binnen de 'Boringsvrije zone Roerdalslenk II' volgens de Omgevingsverordening Limburg, zie hiervoor paragraaf 2.3.2.
Waterbeheerplan Waterschap Roer en Overmaas en Waterschap Peel en Maas 2016-2021
Waterschap Roer en Overmaas en Waterschap Peel en Maasvallei hebben het Waterbeheerplan 2016-2021 vastgesteld. Zo konden zij, vooruitlopend op de fusie in 2017, alvast invulling geven aan gezamenlijk waterbeheer. Met dit Waterbeheerplan zetten de waterschappen de koers uit voor een toekomstbestendig waterbeheer in Limburg en geven zij aan hoe zij invulling willen geven aan de taak om te zorgen voor veilige dijken, droge voeten en voldoende en schoon water. Het plan beschrijft hoe zij het watersysteem en waterkeringen op orde willen brengen, welke thema's hierbij een rol spelen en de gekozen strategie hierbij. Tevens is in dit plan opgenomen welk maatregelen de waterschappen gaan uitvoeren, wie hun partners daarin zijn en op welke manier dit gemonitord en bijgestuurd zal worden.
Het plangebied is in de huidige situatie onbebouwd en onverhard. Het terrein is in gebruik als akkerland en begroeid met gewassen. Hemelwater dat terecht komt op de bodem kan onbelemmerd in de ondergrond infiltreren.
Door de beoogde ontwikkeling zal het verhard oppervlak binnen het plangebied toenemen. De infiltratie mogelijkheden direct in de ondergrond nemen hierdoor af. Het beleid van zowel de Rijksoverheid als het waterschap is er op gericht om hemelwater zo veel mogelijk vast te houden en te infiltreren in het gebied zelf.
De beoogde toename van verharding betreft het te realiseren parkeerterrein. Het parkeerterrein wordt uitgevoerd in open en halfopen verharding, zodat het water in de bodem kan infiltreren. Daarnaast wordt het water opgevangen in een grindkoffer en drainage onder de verharding. Dit water kan worden afgevoerd op de verbrede greppel en een wadi binnen het plangebied. Ook het water van het naastgelegen talud van de Kleine Heiweg komt in deze greppel terecht.
De inhoud van de wadi's, die ten behoeve van het parkeerterrein worden aangelegd, bedraagt 235 m3. Deze inhoud is bepaald op basis van de totale oppervlakte (verhardingen, bermen, helft van de Heiweg en wadi's) vermenigvuldigd met een T=100 bui (45 mm). Dit is: 4800 m2 x 0.045 = 216 m3. Hieruit blijkt dat binnen het plangebied in voldoende berging van het hemelwater wordt voor zien voor een T=100 bui (45 mm).
Door het Waterschap Limburg is aangegeven dat zij bezig zijn met een Keur wijziging en dat in de toekomst rekening dient te worden gehouden met 100 mm berging per verhard oppervlak. De verharding van het nieuwe parkeerterrein bestaat uit een rijweg van halfopen bestrating (ongeveer 1.090 m2) voorzien van een looppad van gesloten verharding (ongeveer 350 m2) en parkeerplaatsen van grasbetonstenen (ongeveer 1.080 m2). Als voor deze oppervlakte wordt gerekend met 100 mm voor de gesloten verharding en 50 mm voor de halfopen verharding en grasbetonstenen dan zou de benodigde capaciteit ongeveer 180 m3 dienen te zijn. Met een inhoude van de wadi's van 235 m3 wordt hieraan ruimschoots voldaan. Daarnaast wordt het ontwerp van de nieuwe parkeerplaats uitgevoerd als een soort 'kom'. Hierdoor ontstaat er bij een extreme buw ook nog bergingsruimte op straatniveau.
Conclusie
Met betrekking tot de toename van de verharding worden voldoende maatregelen getroffen voor het vasthouden en het infiltreren van water binnen het plangebied. Dit is zelfs het geval als uitgegaan wordt van de beoogde Keur wijziging. Het planvoornemen vormt geen belemmering voor de waterhuishouding ter plaatse.
Bij het opstellen en uitvoeren van ruimtelijke plannen moet rekening gehouden worden met bekende en te verwachten archeologische waarden. Het uitgangspunt hierbij is dat het archeologisch erfgoed wordt beschermd op de plaats waar het wordt aangetroffen. Gezien dit uitgangspunt mogen bekende archeologische monumenten niet aangetast worden en moet in geval van voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen in gebieden met een hoge of middelhoge archeologische verwachtingswaarde een archeologisch onderzoek worden uitgevoerd.
De gemeente Echt-Susteren beschikt over een archeologische advies- en beleidskaart en heeft deze ook doorvertaald in het bestemmingsplan. Binnen het plangebied zijn archeologische dubbelbestemmingen gelegen. Vanwege de aanwezige verwachtingswaarden is een archeologisch bodemonderzoek uitgevoerd. Deze is bijgevoegd als Bijlage 3 bij deze toelichting.
Het bureauonderzoek toonde aan dat er zich mogelijk archeologische waarden in het plangebied zouden kunnen bevinden. Daarom is aansluitend een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd.
De aangetroffen bodemopbouw bestaat uit een 35 cm dikke bouwvoor, Ap-horizont met hieronder twee lagen die geïnterpreteerd zijn als C-horizonten. De onderste laag is bruin van kleur, wat doet denken aan een B-horizont. Dit is een typisch kenmerk van de verwachte ooivaaggronden. Op basis van de resultaten van het booronderzoek kan de gespecificeerde archeologische verwachting voor alle periodes worden gehandhaafd.
Behoud van eventueel aanwezige archeologische waarden is mogelijk als er archeologievriendelijk gebouwd wordt en er niet dieper ontgraven wordt dan 30 cm onder het huidige maaiveld. Als het niet mogelijk is om archeologie vriendelijk te bouwen is, gezien de geringe diepteligging en de kwetsbaarheid van de archeologische resten, vervolgonderzoek noodzakelijk.
Gezien met het planvoornemen niet wordt gebouwd is geen sprake van verstoring van de mogelijk aanwezige archeologische resten. Indien ten behoeve van de aanleg van het parkeerterrein en de wadi's niet dieper dan 30 cm –mv wordt gegraven is geen vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek noodzakelijk.
Bij de omgevingsvergunning zal als voorwaarde een programma van eisen overlegd moeten worden voor het nader onderzoek. Te zijner tijd zal bepaald worden welk onderzoek dit zou moeten zijn. Afhankelijk van de diepte en mate van oppervlakteverstoring betreft het vervolg de optie voor een proefsleuvenonderzoek.
Voor het gehele grondgebied van de gemeente Echt-Susteren geldt het bestemmingsplan 'Cultuurhistorie Echt-Susteren', waarin de cultuurhistorische en aardkundige waarden verankerd zijn. Op basis van het paraplubestemmingsplan 'Cultuurhistorie Echt-Susteren' is voor het plangebied geen nadere beschermende regeling van toepassing. Het plangebied betreft een 'reststrook' tussen een rijksweg A2 en een bedrijventerrein dat momenteel bestaat uit akkerland, zonder bebouwing. Er is dan ook geen sprake van enige cultuurhistorische waarden (zie ook 2.3.3 en 2.4.2).
In een bestemmingsplan zijn de bouw- en gebruiksmogelijkheden voor een bepaald gebied opgenomen. Het onderhavige bestemmingsplan regelt de inrichting van het gebied door voor de gronden bestemmingen aan te wijzen. Het juridische deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding (kaart) in samenhang met de regels. In deze paragraaf wordt het juridische deel van het bestemmingsplan nader toegelicht.
Het wettelijk kader wordt sinds 1 juli 2008 gevormd door de Wet ruimtelijke ordening (Wro). De wettelijke regeling voor bestemmingsplannen is vervolgens verder ingevuld door het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012. Het bestemmingsplan dient te voldoen aan de als bijlage bij de voornoemde Regeling opgenomen Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012). Dit betekent dat bestemmingsplannen kwalitatief gelijkwaardig zijn en uniform in aanpak, uitvoering, uitwisseling van gegevens en raadpleging daarvan.
Het bestemmingsplan ‘Parkeerterrein De Berk, Echt' bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels tezamen vormen het juridisch bindende deel van het plan. Verbeelding en regels dienen te allen tijde in onderlinge samenhang te worden opgenomen en toegepast.
Op de verbeelding krijgen alle gronden binnen het plangebied een bestemming. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. De juridische betekenis van deze bestemmingen en aanduidingen zijn terug te vinden in de regels.
Een gedeelte van de informatie op de verbeelding heeft geen juridische betekenis, maar is slechts opgenomen om de leesbaarheid van en oriëntatie op de verbeelding te vergroten, zoals een topografische ondergrond. Alle letters, aanduidingen en lijnen worden verklaard in de legenda op de verbeelding. Bij eventuele verschillen tussen de digitale en analoge verbeelding is de digitale verbeelding juridisch bindend.
De regels bepalen de gebruiksmogelijkheden van de gronden binnen het plangebied en geven tevens de bouw- en gebruiksmogelijkheden met betrekking tot bouwwerken aan. De regels van het bestemmingsplan ‘Parkeerterrein De Berk, Echt’ zijn opgebouwd conform de door het SVBP2012 voorgeschreven systematiek en omvatten inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels, en ten slotte de overgangs- en slotregels.
De inleidende regels bestaan uit de begrippen en wijze van meten. In de begripsbepalingen worden omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze zijn opgenomen om onduidelijkheid door interpretatieverschillen te voorkomen. Er zijn alleen begripsbepalingen opgenomen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Een gedeelte van de begrippen is omschreven in de SVBP2012 en dient letterlijk daaruit te worden overgenomen. Deze begrippen en de voorgeschreven omschrijvingen zijn overgenomen.
Ook over de bepaling van afstanden, hoogtes en oppervlaktes kunnen interpretatie-verschillen ontstaan. Om op een eenduidige manier afstanden, hoogtes en oppervlakten te bepalen, wordt in de 'wijze van meten' uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Ook voor de wijze van meten worden in de SVBP2012 regels gegeven, welke in het plan ongewijzigd zijn overgenomen.
Voor een nadere toelichting op de verschillende bestemmingen die in onderhavig bestemmingsplan voorkomen wordt verwezen naar Bestemmingen. De opbouw van de bestemmingen ziet er in beginsel als volgt uit:
Niet alle onderdelen komen bij elke bestemming voor. Van de meest gebruikte onderdelen volgt hieronder een korte toelichting.
In de bestemmingsomschrijving wordt een omschrijving gegeven van de aan de gronden toegekende functie(s). De hoofdfunctie(s) worden als eerste genoemd. Indien van toepassing, worden ook de aan de hoofdfunctie ondergeschikte functies mogelijk gemaakt. De ondergeschiktheid kan worden aangegeven door de woorden “met daaraan ondergeschikt”. De ondergeschikte functies staan ten dienste van de hoofdfunctie binnen de betreffende bestemming.
In de bouwregels is bepaald welke bouwwerken mogen worden opgericht, waarbij in ieder geval een onderscheid wordt gemaakt tussen de regeling van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde en daar waar van toepassing ook tussen hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken. Voorts bevatten de bouwregels, voor zover van toepassing, minimale en maximale maatvoeringen voor de diverse bouwwerken zoals goothoogtes, bouwhoogtes, oppervlaktes en dakhellingen.
Nadere eisen kunnen worden gesteld aan bijvoorbeeld de situering van bouwwerken ten behoeve van bepaalde criteria, zoals een goede woonsituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. De nadere eisenregeling biedt de mogelijkheid om in concrete situaties in het kader van het verlenen van een bouwvergunning sturend op te treden door het opnemen van nadere eisen in de bouwvergunning. Nadere eisen kunnen alleen worden gesteld als er in de regels ook een primaire eis wordt gesteld. De nadere eisen moeten verband houden met deze eis. De nadere eisenregeling hoeft niet in alle bestemmingen te worden geregeld.
Door het opnemen van afwijkingsbevoegdheden wordt flexibiliteit in bestemmingsregels gecreëerd door mogelijkheden te bieden om in beperkte mate af te wijken van de algemeen toegestane bouwregelingen. Voor elke afwijking is aangegeven waarvan qua bouwregels afgeweken kan worden, de maximale afwijking die met de omgevingsvergunning kan worden toegestaan en de situaties of voorwaarden waaronder een omgevingsvergunning wordt verleend. Het gaat hier om afwijkingsbevoegdheden voor specifieke bestemmingen. Indien afwijkingsbevoegdheden gelden voor meerdere bestemmingen dan wel een algemene strekking hebben, zijn ze opgenomen in hoofdstuk 3 (algemene regels).
Met de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is artikel 7.10 Wet ruimtelijke ordening vervallen. In dit artikel was het verbod opgenomen om gronden te gebruiken op een manier die in strijd is met het bestemmingsplan. Derhalve moeten in de specifieke gebruiksregels bepaalde functies concreet worden genoemd als zijnde verboden gebruik. Ook het laten gebruiken moet specifiek worden genoemd.
Door middel van een omgevingsvergunning voor het afwijken van de gebruiksregels kan van de gebruiksregels in het plan worden afgeweken ten behoeve van een concrete vorm van grondgebruik. Dit mag echter niet leiden tot een feitelijke wijziging van de bestemming. Dat wil zeggen dat wel kan worden afgeweken van de gebruiksregels ten behoeve van functies die inherent zijn aan de in de bestemmingsomschrijving opgenomen functies, maar dat via het afwijken geen 'nieuwe' hoofdfuncties kunnen worden toegestaan. Het afwijken van de gebruiksregels dient te zien op kleinere, planologisch minder ingrijpende onderwerpen. Volwaardige functiewijzigingen en grotere, ruimtelijke ingrepen dienen te worden geregeld via een wijzigingsbevoegdheid of bestemmingsplanherziening.
Door het opnemen van een wijzigingsbevoegdheid is het mogelijk om het bestemmingsplan te wijzigen (binnenplanse wijziging). In de meeste gevallen zal het gaan om het wijzigen van de op een perceel gelegde bestemming. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden voor specifieke bestemmingen. Indien wijzigingsbevoegdheden gelden voor meerdere bestemmingen dan wel een algemene strekking hebben, zijn ze opgenomen in hoofdstuk 3 (algemene regels).
Overeenkomstig het Besluit ruimtelijke ordening is de anti-dubbeltelregel opgenomen. Deze regel wordt opgenomen om bijvoorbeeld te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde bouwwerken niet meer dan een bepaald deel of een bepaalde oppervlakte van een bouwperceel mogen beslaan, het resterende onbebouwde terrein ook nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.
Voor het hele plangebied, en dus alle bestemmingen, gelden een aantal algemene bouwregels, conform de Bro. Deze hoeven dus niet opgenomen te worden in het bestemmingsplan. Wel zijn enkele algemene bepalingen en bepalingen met betrekking tot ondergronds bouwen opgenomen.
Ook de parkeernormen die van toepassing zijn binnen het plangebied, zijn in dit artikel vastgelegd.
Het algemene gebruiksverbod is in dit artikel verankerd. Ook zijn enkele voorbeelden genoemd van gebruik dat in elk geval niet tot de bestemming gerekend wordt.
Binnen het plangebied zijn enkele (beschermings-)zones aanwezig, die middels een gebiedsaanduiding worden geregeld. De binnen deze zones geldende beperkingen en regels zijn in dit artikel vastgelegd.
In deze regels wordt aangegeven in welke gevallen het bevoegd gezag bevoegd is om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. Hierbij gaat het om, tenzij anders vermeld, afwijkingsregels die gelden voor alle bestemmingen in het plan.
In deze regels wordt aangegeven in welke gevallen burgemeester en wethouders bevoegd zijn het bestemmingsplan te wijzigen. De voorwaarden, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn daarbij aangegeven.
In dit artikel is een voorrangsregeling opgenomen, die bepaalt dat primair het bepaalde met betrekking tot een dubbelbestemming geldt. Ook is aangegeven welke dubbelbestemming de prioriteit krijgt indien meerdere dubbelbestemmingen over elkaar heen liggen.
In deze regels wordt het overgangsrecht, zoals voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening, overgenomen.
Als laatste wordt de slotregel opgenomen, ook zoals voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening. Deze regel schrijft voor hoe het plan kan worden aangehaald.
Binnen het plangebied is één enkelbestemming en drie dubbelbestemmingen gelegen. Ook zijn er enkele gebiedsaanduidingen van toepassing. Onderstaand wordt een toelichting gegeven op de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen deze bestemmingen en aanduidingen.
De in het plangebied aanwezige gronden zijn als 'Verkeer' bestemd. Deze bestemming geldt zowel voor het parkeerterrein als voor de groene inrichting rond dit parkeerterrein. Binnen het bestemmingsvlak zijn geen bouwmogelijkheden.
Op grond van de planregels kunnen de gronden binnen het bestemmingsvlak worden gebruikt voor onder meer parkeren, groen en waterhuishoudkundige functies.
Deze dubbelbestemming heeft als doel de door het plangebied lopende bovengrondse hoogspanningsverbinding te regelen en beschermen. Aan weerzijden van de leiding is hiervoor een bebouwingsvrije zone gelegen. Ter plaatse van de dubbelbestemming mogen alleen bouwwerken worden opgericht die ten dienste staan van de aanwezige leiding.
Met een omgevingsvergunning voor het afwijken en met toestemming van de leidingbeheerder, is bouwen op grond van de onderliggende bestemming mogelijk. Werkzaamheden binnen deze zone zijn alleen mogelijk na het onder voorwaarden afgeven van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk of werkzaamheden.
Deze dubbelbestemming heeft als doel de door het plangebied lopende ondergrondse leiding te regelen en beschermen. Aan weerzijden van de leiding is hiervoor een bebouwingsvrije zone gelegen. Ter plaatse van de dubbelbestemming mogen geen bouwwerken worden opgericht.
Werkzaamheden binnen deze zone zijn alleen mogelijk na het onder voorwaarden afgeven van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk of werkzaamheden.
Deze dubbelbestemming legt de archeologische verwachtingswaarden binnen het plangebied vast. Daarmee worden de in de betreffende gronden (mogelijk) aanwezige archeologische waarden beschermd.
In geval van een bouwplan dient afhankelijk van de verwachtingswaarde een archeologisch onderzoek uit te wijzen of en zo ja welke waarden aanwezig zijn. Eventueel aanwezige waarden mogen geen schade oplopen, dan wel dienen veilig te worden gesteld. Voor het uitvoeren van bepaalde werken en werkzaamheden in deze gronden is voorzien in een omgevingsvergunningplicht ter bescherming van archeologische waarden.
Het plangebied is gelegen binnen de geluidszone van het gezoneerd bedrijventerrein. De realisatie van geluidsgevoelige bebouwing binnen deze zone is niet zonder meer toegestaan.
Deze aanduiding heeft als doel de zone die langs de ondergrondse leiding ligt te beschermen. Aan weerzijden van de leiding is hiervoor een veiligheidszone gelegen. Ter plaatse van de aanduiding mogen geen kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten worden gerealiseerd.
Het plangebied grenst direct aan de Rijksweg A2. Het oprichten van bebouwing direct langs deze weg (strook 0 - 50 meter) is niet toegestaan. Bouwen in de strook tussen 50 - 100 meter van de rand van de weg is uitsluitend toegestaan na toepassing van de afwijkingsbevoegdheid, waaraan toestemming van de wegbeheerder als voorwaarde is gekoppeld.
Voor de gemeente Echt-Susteren zijn aan het planvoornemen geen kosten verbonden.
De kosten voor dit project worden gedragen door de particuliere initiatiefnemer. De met de daadwerkelijke realisering gepaard gaande kosten worden dan ook gedragen door de desbetreffende initiatiefnemer. Bijkomende kosten, zoals kosten voor de aansluiting op nutsvoorzieningen en riolering, komen eveneens voor rekening van de initiatiefnemer.
De gemeente sluit met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst, waarin de exploitatiekosten en afwenteling hiervan worden vastgelegd. Ook wordt hierin overeengekomen dat de planschaderisico's voor rekening van de initiatiefnemer blijven. Daarmee is in voldoende mate verzekerd dat het plan geen financiële gevolgen heeft voor de gemeente. Een exploitatieplan is daarmee niet noodzakelijk.
Het exploitatieplan biedt de grondslag voor het publiekrechtelijk kostenverhaal. In de Wet ruimtelijke ordening (artikel 6.12) wordt voorgeschreven dat tegelijk met het vaststellen van een bestemmingsplan een exploitatieplan vastgesteld moet worden voor het plangebied of delen ervan, tenzij het kostenverhaal anderszins verzekerd is.
In artikel 6.2.1 Bro worden de bouwplannen aangewezen waarvoor de gemeenteraad een exploitatieplan moet vaststellen. Onder een bouwplan wordt onder andere verstaan de bouw van één of meerdere woningen. Een exploitatieplan wordt gelijktijdig vastgesteld met het ruimtelijk plan (in dit geval een bestemmingsplan) of besluit waarop het betrekking heeft.
In voorliggende situatie wordt op voorhand een anterieure overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en gemeente Echt-Susteren. Hiermee is het kostenverhaal voldoende verzekerd en vaststelling van een exploitatieplan niet noodzakelijk.
Op grond van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het plan economisch uitvoerbaar is.
Bij de totstandkoming van het bestemmingsplan is aandacht besteed aan de handhaafbaarheid van de voorgeschreven regels. Een aantal factoren is van belang voor een goed handhavingsbeleid:
Landelijk, provinciaal en ook door de gemeente zelf zijn tal van regelingen en wetten in het leven geroepen met ieder voor zich een bepaald doel. Deze regels zijn er niet zomaar, maar hebben ieder op hun eigen terrein als hoofduitgangspunt het maatschappelijk leven in ons land in goede banen te leiden en ervoor te zorgen dat de doelen en wensen die gezamenlijk zijn afgesproken zoveel mogelijk worden bereikt.
De gemeente is veelal belast met het concreet uitvoeren van een groot aantal van deze regels middels het verlenen van vergunningen of afwijkingen alsmede met het houden van toezicht op de uitvoering van deze regels en het handhaven daarvan.
Dit geldt voor het uitvoeren van de regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. Denk hierbij aan regelgeving op het gebied van bouwen, wonen, milieu, ruimtelijke ordening, openbare orde en veiligheid en dergelijke. Gestreefd wordt naar een meer integrale aanpak op het gebied van handhaving en toezicht.
Mede op basis van de missie en visie, opgesteld bij de gemeentelijke fusie in 2003, is aangegeven wat de hoofddoelstellingen zijn van de gemeente. Dit is uitgewerkt in een onderbouwde risicoanalyse per taakveld, die concreet inzicht geeft in de zaken die een hogere of lagere prioriteit moeten c.q. kunnen krijgen bij de uitvoering. Door deze aanpak wordt de gemeente in staat gesteld de zaken die echt belangrijk worden gevonden, zoals de instandhouding van het mooie buitengebied, de risicobeheersing bij grotere bouwwerken, brandveiligheid, het voorkomen van echte overlast voor onze burgers etcetera, ook die aandacht te geven die ze verdienen. Zaken die minder of helemaal niet belangrijk worden geacht, zoals vergunningsvrije of kleinere bouwwerken, het toezicht op de bestaande woningbouw en dergelijke, krijgen navenant veel minder aandacht.
Door rekening te houden met de risico’s welke voortvloeien uit de voorgeschreven regels van de binnen de gemeente geldende bestemmingsplannen is in de beleidsvisie omgevingsrecht van de gemeente Echt-Susteren en het op grond daarvan jaarlijks vast te stellen uitvoeringsprogramma een afweging gemaakt, hoe de capaciteit van de handhavingsorganisatie zal worden ingezet. Ook het bestemmingsplan ‘Parkeerterrein De Berk, Echt’ zal hierin worden opgenomen en zal volgens het uitvoeringsprogramma worden meegenomen in het uit te voeren toezicht. In de voornoemde beleidsvisie omgevingsrecht zijn de volgende uitgangspunten meegenomen voor het toezicht op ruimtelijke c.q. gebruikswaarden van bestemmingsplannen.
Het toezicht op ruimtelijke waarden c.q. gebruikswaarden leent zich goed voor integratie met andere gemeentelijke toezichtstaken. Op dit terrein zal dan ook nadrukkelijk aandacht worden gegeven aan de integratiemogelijkheden.
Het toezicht op de ruimtelijke regelgeving gaat vooral over de gebruiksregels die in de bestemmingsplannen zijn opgenomen. De gemeente moet dit toezicht zelf actief organiseren; het is niet aan vergunningen gekoppeld. Er zijn vier gebieden genoemd (buitengebied, bebouwde kom, bedrijfsterreinen en overig) die elk een eigen toezichtfrequentie zullen krijgen. Bovendien zal worden bezien in welke tijd van het jaar specifieke onderwerpen aandacht moeten krijgen. Vooral in het buitengebied zijn overtredingen nogal eens seizoensgebonden en vinden overtredingen nogal eens plaats buiten de kantooruren (’s avonds, in het weekeinde). Daarop wordt in het uitvoeringsprogramma van de gemeente Echt-Susteren ingespeeld.
Ten behoeve van de handhaving verdient het aanbeveling om regelmatig luchtfoto’s van het plangebied te laten maken. Bestemmingsplan ‘Parkeerterrein De Berk, Echt’ is een ontwikkelingsplan. Met deze specifiek opgestelde juridisch-planologische regeling wordt de beoogde ontwikkeling binnen het plangebied mogelijk gemaakt. Het overgangsrecht zal in deze situatie een minder zware rol spelen omdat sprake is van een nieuwe ontwikkeling met een adequate planologisch-juridische regeling en de 'oude' (huidige) situatie volledig verdwijnt.
Het bestemmingsplan doorloopt de volgende procedure:
In het kader van deze procedure is het voor eenieder mogelijk om zijn/haar zienswijze (bij de gemeenteraad) kenbaar te maken. In publicaties met betrekking tot de diverse stappen die het plan moet doorlopen, wordt daarvan steeds melding gemaakt. Wanneer beroep wordt ingesteld, beslist uiteindelijk c.q. in hoogste instantie, de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State over het bestemmingsplan.
Overeenkomstig artikel 1.3.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is kennis gegeven van het voornemen tot het voorbereiden van het bestemmingsplan 'Parkeerterrein De Berk, Echt'. Hierbij is aangegeven dat het de realisatie van een parkeerterrein met groene inrichting betreft.
Volgens artikel 3.1.1 van het Bro dient de gemeente bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te plegen met een aantal instanties.
Het plan is dan ook in het kader van het vooroverleg voorgelegd aan diverse instanties. Naar aanleiding hiervan hebben Waterschap Limburg en Petrochemical Pipeline Services (PPS) in de ter inzage termijn van het ontwerpbestemmingsplan nog gereageerd. Naar aanleiding van deze reacties is de toelichting ten behoeve van de vaststelling aangevuld. Tevens heeft in de regels (artikel 5.1 sub b) een wijziging plaatsgevonden.
Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 14 december 2018 gedurende zes weken, dat wil zeggen tot en met 24 januari 2019, ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn geen zienswijzen tegen het plan ingediend. Wel zijn twee reacties van instanties ontvangen (zie paragraaf 6.3.3). Het bestemmingsplan is naar aanleiding van deze reacties ten opzichte van het ontwerp gewijzigd vastgesteld in de raadsvergadering van 11 april 2019.