direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Vollenhove - Locatie Aan Boord / Steiger
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1708.VLHSteigerBP-VA01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Op de groenstrook ten noorden van de Steiger te Vollenhove zijn plannen om een viertal levensloopbestendige woningen te bouwen.

In het geldende bestemmingsplan 'Vollenhove en Blokzijl' is het plangebied bestemd als 'Groen'. De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen. Wonen is binnen deze bestemming niet toegestaan. Wel ligt het plangebied binnen de gebiedsaanduiding 'wro-zone - wijzigingsgebied 2'. Hiermee kan de bestemming, met een wijzigingsplan, gewijzigd worden naar de bestemming 'Wonen - Gestapeld'. Van deze wijzigingsbevoegdheid kan in dit geval echter geen gebruik worden gemaakt, omdat het voornemen niet voorziet in gestapelde woningen.

De gemeente Steenwijkerland wil medewerking verlenen aan het initiatief. Om de ontwikkeling juridisch-planologisch te kunnen regelen wordt een bestemmingsplan opgesteld. Dit bestemmingsplan voorziet hierin.

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied ligt in een woongebied aan de zuidzijde van Vollenhove. De ligging van het plangebied is weergeven in figuur 1.1. Figuur 1.2 geeft de globale begrenzing van het plangebied weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.VLHSteigerBP-VA01_0001.png"

Figuur 1.1 Ligging plangebied (Bron: Bing Maps)

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.VLHSteigerBP-VA01_0002.png"

Figuur 1.2 Globale begrenzing plangebied

1.3 Planologische regeling

Op dit moment geldt het bestemmingsplan 'Vollenhove en Blokzijl' dat is vastgesteld op 17 september 2013. In dit bestemmingsplan is binnen het plangebied de bestemming 'Groen' opgenomen. Deze gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen. Het bouwen van 4 levensloopbestendige woningen is op grond van het bestemmingsplan niet toegestaan. Zodoende is er voor gekozen om een nieuw bestemmingsplan op te stellen.

Het gebied is daarnaast voorzien van de gebiedsaanduiding 'wro- zone - wijzigingsgebied 2'. De regels met betrekking tot deze wijzigingsbevoegdheid zijn in het bestemmingsplan opgenomen in artikel 13 lid 6.2. Op basis van deze wijzigingsbevoegdheid kunnen burgemeester en wethouders de gronden die zijn voorzien van de aanduiding 'wro-zone - wijzigingsgebied 2' wijzigen in de bestemming 'Wonen - Gestapeld'. Aan het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid is onder andere als voorwaarde opgenomen dat de woningen gestapeld gebouwd moeten worden. Echter wordt met de voorgenomen plannen grondgebonden woningen voorgesteld. Derhalve kan ook geen toepassing worden gegeven aan de wijzigingsbevoegdheid.

1.4 Leeswijzer

De toelichting is als volgt opgezet: na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 de huidige situatie en de toekomstige situatie beschreven. Hoofdstuk 3 geeft een beschrijving van het, voor het plan relevante, beleid. Hoofdstuk 4 gaat in op de planologische- en milieutechnische aspecten die betrekking hebben op dit bestemmingsplan. In hoofdstuk 5 is de planologisch juridische opzet van het plan behandeld. De economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van dit plan komen aan bod in hoofdstuk 6.

Hoofdstuk 2 Huidige situatie en ontwikkelingen

De beoogde ontwikkeling (het initiatief) is het belangrijkste uitgangspunt voor dit bestemmingsplan en wordt in dit hoofdstuk beschreven. De ontwikkeling moet op een goede manier worden ingepast in de huidige situatie. Een beschrijving van de huidige situatie is om die reden ook in dit hoofdstuk opgenomen. Tot slot komt de inpassing in de huidige situatie aan bod.

2.1 Huidige situatie plangebied

Huidige situatie plangebied

Het plangebied ligt ten noorden van in de ontwikkeling zijnde uitbreidingswijk Noordwal. Deze wijk ligt aan de zuidkant van Vollenhove. Het plangebied is in de huidige situatie een groenstrook.

Het plangebied wordt aan de noordkant begrenst door de wijkontsluitingsweg Aan Boord. Ten noorden hiervan bevindt zich het monumentale park Old-Ruitenborgh. Aan de oostkant wordt het plangebied begrenst door agrarische gronden en aan de zuid -en zuidwestkant bevindt zich de bestaande woonbebouwing.

Functies in de omgeving

De directe omgeving van het plangebied kenmerkt zich als een woongebied. Naast de functie wonen zijn enkele (bedrijfs)functies rondom het plangebied aanwezig. Ten noorden ligt een kleinschalige kinderboerderij, ten noordoosten een begraafplaats en in het noordwesten een groepsaccommodatie.

Bebouwing in de omgeving

Het plangebied ligt ten noorden van de ruim opgezette woonwijk de Noordwal. In de wijk staan voornamelijk half-vrijstaande -en vrijstaande woningen, uitgevoerd met één tot twee bouwlagen met kap. De woningen hebben een oriëntatie op de straat, waarbij de rooilijn de straat volgt. De vormgeving van de omliggende woningen zijn modern of geïnspireerd op oude boerderijen met wolfseind en herenhuis. Figuur 2.1 geeft een aanzicht op de half-vrijstaande woningen direct ten zuiden van het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.VLHSteigerBP-VA01_0003.png"

Figuur 2.1 Aanzicht op het bestaande woningen aan de Steiger (bron: Google streetview)

2.2 Beschrijving initiatief

Het beoogde plan bestaat uit vier energiezuinige, levensloopbestendige woningen. De woningen worden in dezelfde lijn als de bestaande woningen aan de Steiger gepositioneerd, met de oriëntatie van de voorgevel richting de straat.

Ook met de vormgeving wordt zoveel mogelijk aangesloten met de woningen aan de Steiger. De woningen worden derhalve half-vrijstaand, bestaande uit één bouwlaag met kap uitgevoerd. De goot- en bouwhoogte bedraagt respectievelijk circa 3 –en 9 meter. Tussen de woningen is sprake van een plat dak.

Met het ontwerp van de woning is rekening gehouden met de welstandscriteria zoals genoemd in de welstandnota, van de gemeente Steenwijkerland. Figuur 2.2 geeft een impressie van de beoogde woningen weer.

Naast de te bouwen woningen wordt west -en noordzijde van het plangebied ingericht met groen en een waterpartij. Figuur 2.3 geeft een impressie van de gewenste invulling weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.VLHSteigerBP-VA01_0004.png"

Figuur 2.2 Impressie woningen (bron ROMOND bouwgroep)

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.VLHSteigerBP-VA01_0005.png"

Figuur 2.3 Impressie toekomstige situatie.

2.3 Inpassing

Zoals beschreven in paragraaf 2.2 is met het ontwerp van de woningen rekening gehouden met de stedenbouwkundige structuur en de bebouwingskarakteristieken van de woningen in de directe omgeving. Dit houdt in dat de woningen, met zicht op de weg, worden gebouwd met de noklijn haaks aan de rooilijn. De rooilijn volgt hierbij de huidige rooilijn van de woningen aan de Steiger.

2.4 Verkeer en parkeren

Het plangebied wordt aangesloten op de bestaande weg de Steiger. Dit is de enige ontsluiting van het plangebied voor motorvoertuigen. Voor voetgangers en fietsers is het ook mogelijk het plangebied te verlaten via een pad die aansluit op de Aan Boord, richting het ten noorden gelegen park en de kinderboerderij.

De wegen rondom het plangebied de Steiger, maken deel uit van een 30 km-zone. De Steiger gaat over in de Schuit die de woonwijk richting het noordwesten ontsluit naar de rest van de stad. Via Aan Boord wordt het plangebied ontsloten in oostelijke richting. De gemeente Steenwijkerland heeft haar eigen parkeerbeleid, de 'Nota Parkeernorm 2015 gemeente Steenwijkerland'. Op basis van dit beleid zijn in het plangebied 7 parkeerplaatsen benodigd, waarvan vier parkeerplaatsen op eigen erf en drie parkeerplaatsen in de openbare ruimte worden gerealiseerd.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

In dit hoofdstuk worden relevante planologische beleidskaders op Rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau beschreven. Deze beleidskaders zijn richtinggevend voor het nieuw op te stellen bestemmingsplan.

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 in werking getreden. Met de Structuurvisie zet het kabinet koerswijziging in het nationale ruimtelijke beleid. Het Rijk laat de ruimtelijke ordening meer over aan gemeenten en provincies en kiest voor een selectieve inzet van rijksbeleid op 14 nationale belangen.

In het Bro (artikel 3.1.6) is geregeld dat de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving bevat van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Een plan om 4 nieuwe woningen te realiseren wordt, vanwege de relatieve kleinschaligheid, door de afdeling RvS, niet gezien als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro gezien (Raad van State, 27 augustus 2014, 201311233/1/R4, r.o. 3.3). Toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is daarom niet aan de orde. Wel is het in het kader van de economische uitvoerbaarheid van belang om in te gaan op de regionale woonbehoefte. In paragraaf 3.3 Gemeentelijk beleid wordt beschreven dat de voorgenomen woningbouw ontwikkeling past binnen het gemeentelijk beleid.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is op 30 december 2011 in werking getreden. Het Barro stelt regels omtrent de 14 aangewezen nationale belangen zoals genoemd in de SVIR. Voor het bestemmingsplan zijn geen nationale belangen van belang.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie Overijssel

In de Omgevingsvisie Overijssel (2017) wordt de visie op de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van de provincie Overijssel geschetst. De visie is daarbij gericht op 2030. Gekoppeld aan de Omgevingsvisie heeft de provincie een Omgevingsverordening (2017) opgesteld. In de Omgevingsverordening worden regels gesteld ten aanzien van het provinciaal belang. De provincie wil de kwaliteit van de leefomgeving verbeteren met het oog op een goed vestigingsklimaat, een veilige en aantrekkelijke woonomgeving en een fraai buitengebied. Deze leefomgeving moet geschikt zijn voor de grote diversiteit aan activiteiten die mensen in de provincie willen ondernemen.

In de Omgevingsvisie staat het uitvoeringsmodel centraal. In dit uitvoeringsmodel staan de stappen of, waar en hoe centraal. Bij een initiatief kan aan de hand van deze drie stappen worden bepaald of een initiatief binnen de geschetste visie voor Overijssel mogelijk is. Eerst wordt gekeken of het past in de generieke beleidskeuzes, waar de ontwikkeling kan plaatsvinden en hoe.

Of - Generieke beleidskeuzes

Het gaat hier om algemene keuzes die bepalen of ontwikkelingen nodig, dan wel mogelijk zijn. Voor stedelijke ontwikkeling hanteert de provincie de Ladder voor Duurzame verstedelijking. Dit betekent dat voor ontwikkelingen eerst bestaande bebouwing of herstructurering wordt benut, voordat er uitbreiding plaatsvindt. In het kader van de kadder voor duurzame ontwikkeling is reeds in paragraaf 3.1.1 beschreven dat de ruimtelijke ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt niet wordt aangemerkt als stedelijke ontwikkeling zoals bedoelt in het kader van de Ladder. In paragraaf 3.3 wordt beschreven dat het plan past binnen het gemeentelijke beleid. De realisatie van de bebouwing wordt niet beperkt door generieke beleidskeuzes.

Waar - Ontwikkelingsperspectieven

Het plangebied valt binnen het ontwikkelingsperspectief 'Woon- en werk locaties buiten de stedelijke netwerken'. Het ontwikkelingsperspectief richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied en in de kernen. De steden en dorpen buiten de stedelijke netwerken mogen altijd bouwen voor de lokale behoefte aan wonen, werken en voorzieningen, inclusief lokaal gewortelde bedrijvigheid, mits onderbouwd en regionaal afgestemd. Herstructurering en transformatie van de woon-, werk-, voorzieningen- en mixmilieus moeten deze vitaal en aantrekkelijk houden en de diversiteit aan milieus versterken.

De ontwikkeling van woningen past binnen het ontwikkelingsperspectief. Zoals in paragraaf 3.3 wordt beschreven past de realisatie van 4 levensloopbestendige woningen binnen het gemeentelijke beleid. Met dit plan wordt voorzien in een lokale behoefte voor wonen.

Hoe -Gebiedskenmerken

De provincie wil ruimtelijke kwaliteit realiseren door, naast bescherming, vooral in te zetten op het verbinden van bestaande kwaliteiten en nieuwe ontwikkelingen. Hierbij zijn de gebiedskenmerken van provinciaal belang het uitgangspunt. Hierna wordt een korte samenvatting gegeven van de in het plangebied voorkomende gebiedskenmerken volgens de lagenbenadering:

De natuurlijke laag: Zeekleigebied en randmeren

Het plangebied is onderdeel van de natuurlijke laag van het zeekleigebied en randmeren. Dit is het voormalige overgangsgebied van de rivieren en de Zuiderzeekust. Door de invloed van de voormalige Zuiderzee, wind en erosie ontstond hier geulen, wallen en platen. Dit bestemmingsplan voorziet slechts in een perceel gebonden ontwikkeling, binnen het bestaand stedelijk gebied. Er vinden geen ingrepen plaats die invloed hebben om de geulen wallen en/of platen.

De laag van het agrarisch cultuurlandschap: Zeekleilandschap

Het plangebied ligt op de rand van het Zeekleilandschap. Dit open landschap de voormalige Zuiderzeekust wordt verspreid opgehoogd door terperven en boerderijen op natuurlijke hoogtes. Hoofdzakelijk zijn deze polders als grasland in gebruik. Door verschillende uitbreiding van woonbebouwing is dit Zeekleilandschap ter plaatse van het plangebied niet meer aanwezig.

De stedelijke laag en de lust- en leisurelaag: woonwijk 1955 - nu

De woonwijken van 1955 tot nu, zijn planmatig opgezette uitbreidingswijken. De woonwijk waar het plangebied deel van uitmaakt, is ook planmatig ontworpen, de functies (wonen, werken en voorzieningen) zijn vaak niet gemengd binnen de woonwijken. De wijken hebben een homogeen bebouwingskarakter. Met het ontwerp is rekening gehouden met de stedenbouwkundige structuur en de bebouwingskarakteristieken van de woningen in de directe omgeving.

De lust- en leisurelaag is niet van toepassing

Ontwikkelingsperspectieven

Op basis van de gebiedskenmerken zijn verschillende 'ontwikkelingsperspectieven' opgesteld. Een nieuwe ontwikkeling moet passen binnen het ontwikkelingsperspectief dat in de Omgevingsvisie Overijssel voor het gebied is neergelegd.

Het plangebied is gelegen binnen het deel van de stedelijke omgeving waar als ontwikkelingsperspectief het ontwikkelen van een gemengd en divers woon- en werkmilieu is geformuleerd (woonwijk). In het gebied is tevens ruimte voor herstructurering.

3.2.2 Omgevingsverordening Overijssel 2017

Hoe aan het beleid uit de Omgevingsvisie uitvoering moet worden gegeven, is vastgelegd in de Omgevingsverordening. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel. De Omgevingsverordening is een uitvoeringsmodel van de Omgevingsvisie en is opgesteld in de vorm van regels. In veel regels is gekozen voor proces- en motiveringsvereisten. In de Omgevingsverordening moet elk inhoudelijk thema geregeld zijn, waarop de provincie de mogelijkheid wil hebben voor de inzet van juridische instrumenten. Het inzetten van juridische instrumenten vindt plaats op basis van de interventieladder.

In hoofdstuk 2 van de verordening worden de regels gegeven die betrekking hebben op de ruimtelijke ordening. In artikel 2.1.5 van de verordening worden regels gegeven gericht op de ruimtelijke kwaliteit van nieuwe ontwikkelingen. Deze moeten bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken. In paragraaf 3.2.1 is reeds beschreven dat de ontwikkeling geen afbreuk doet aan de gebiedskenmerken.

De ontwikkeling betreft een nieuwe ontwikkeling binnen het bestaand stedelijke gebied. Dit raakt verder geen provinciale belangen.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Omgevingsvisie Steenwijkerland

Op 20 juni 2017 heeft de raad de Omgevingsvisie Steenwijkerland vastgesteld.

De gemeente wil met de Omgevingsvisie de omgevingskwaliteit van Steenwijkerland naar een hoger plan tillen. Omgevingskwaliteit is gedefinieerd als de integrale kwaliteit van ruimtes; het gaat er niet alleen om hoe deze ruimtes eruitzien, maar ook waartoe en op welke manier ze functioneren, hoe ze gebruikt worden en hoe de (functies van de) ruimtes met elkaar samenhangen en bijdragen aan het beter functioneren van de samenleving. De schoonheid van de natuur en de bevaarbaarheid van het water in de Weerribben, het stationsplein van Steenwijk met de verbinding naar werk en voorzieningen, de culturele waarde van Giethoorn en de beleving ervan door grote aantallen buitenlandse toeristen.

De visie draagt bij aan het versterken van de omgevingskwaliteit. Deze kwaliteit is niet te meten. Alleen elementen ervan zijn meetbaar (zoals geluidswaarden) of aanwijsbaar (cultureel erfgoed). Een deel van de omgevingskwaliteit kun je slechts ervaren (sfeer, veiligheid). Het is de som der delen die de uiteindelijke kwaliteit bepaalt. Deze nieuwe definitie is betekenisvol: omgevingskwaliteit is het centrale doel van al het ruimtelijk handelen. Dat is een breuk met het verleden waarin het doel vaak economische groei was en deze groei geconfronteerd werd met bijvoorbeeld de randvoorwaarde erfgoed of natuur.

Als opgaven in de kernen zijn benoemd:

- leegkomend vastgoed krijgt een nieuwe functie;

- leefbaarheid krijgt prioriteit;

- herbezinning uitbreiding capaciteit bedrijventerreinen;

- aantrekkingskracht van Giethoorn zorgvuldig benutten;

- kleine kernen bereikbaar houden.

De verwachting voor een kern zoals Vollenhove richting 2030, is dat de woningvoorraad meer aansluit bij de behoefte van de gebruiker. Duurzame woningbouw en menging van doelgroepen (jongeren, ouderen en gezinnen) in de wijken. De vier energiezuinige levensloopbestendige woningen die dit bestemmingsplan mogelijk maakt sluit goed aan bij de omgevingsvisie.

Geconcludeerd wordt dat de Omgevingsvisie niet in de weg staat aan onderhavige ontwikkeling.

3.3.2 Visie op wonen en leefbaarheid

De Visie op wonen en leefbaarheid – duurzaam vitaal geeft de visie van de gemeente Steenwijkerland weer op het gebied van wonen en leefbaarheid. De visie is door de gemeenteraad van Steenwijkerland vastgesteld op 29 mei 2012.

Ten aanzien van het woonaanbod neemt de gemeente Steenwijkerland een verschuiving van kwantiteit naar kwaliteit waar. De gemeente Steenwijkerland streeft ernaar om minimaal 50% van de nieuwbouw op inbreidingslocaties te realiseren. In dit bestemmingsplan is sprake van een investering in de woningvoorraad binnen het bestaand stedelijke gebied met nieuwbouw die aansluit op de woonwensen vanuit de markt.

3.3.3 Woonvisie Steenwijkerland 2017 - 2021

In 2012 is de woonvisie ''Visie op wonen en leefbaarheid – duurzaam vitaal' vastgesteld. Sinds 2012 is veel veranderd op het gebied van wonen. Daarom besloot de gemeente Steenwijkerland deze visie te actualiseren. Hiervoor is gebruik gemaakt van een woningmarkt- en woonbehoefte onderzoek.

In de gemeente Steenwijkerland is als geheel nog beperkte behoefte aan groei van de woningvoorraad. Uit de prognose van het de woonvisie blijkt dat tot 2025 het aantal huishouden blijft groeien daarna zal voornamelijk de leeftijdscategorie 35-54 jaar afnemen. De leeftijdscategorie 55 en hoger zal blijven toenemen.

 afbeelding "i_NL.IMRO.1708.VLHSteigerBP-VA01_0006.png"

Tabel 1.1 Ontwikkeling aantal personen en huishoudens , Steenwijker land, Primos 2013.

Met deze woonvisie legt de gemeente onderhandere de focus op de groeiende groep senioren( al dan niet met een zorgvraag). De visie beschrijft dat de gemeente streeft dat bewoners langer zelfstandig kunnen blijven wonen. Levensloopbestendige woningen worden dan ook als kans gezien. Op die manier kunnen ouderen langer en comfortabele thuis wonen.

Vollenhove

In Vollenhove is het woningaanbod meer stedelijk van aard, terwijl de vraag voor de komende periode meer landelijk is, met vooral vraag naar tweekappers en vrijstaande woningen en minder vraag naar huurwoningen of goedkopere koopwoningen. Volgens het woningmarkt onderzoek dat is gebruikt voor de woonvisie ligt de groei van Vollenhove met ca 120 huishouden.

Toetsing

De vier levensloopbestendige woningen die dit bestemmingsplan mogelijk maakt past binnen de lijnen van de woonvisie 2017 -2021. Met deze levensloopbestendige woningen wordt het mogelijk voor bewoners langer te blijven wonen in hun woning, iets wat de visie als een kans ziet. De vier levensloop bestendige woningen passen binnen de groei aan huishouden van Vollenhove.

3.3.4 Welstandsnota Steenwijkerland

De gemeente Steenwijkerland heeft haar gemeentelijke welstandsbeleid opgenomen in de Welstandsnota. Deze geeft de gemeente de mogelijkheid om de cultuurhistorische, stedenbouwkundige en architectonische waarden die in een bepaald gebied aanwezig zijn, te benoemen en een rol te laten spelen bij de ontwikkeling en beoordeling van bouwplannen. Hiertoe zijn onder andere voor het plangebied van dit bestemmingsplan een aantal welstandscriteria opgesteld, waaraan het bouwplan moet voldoen. Het plangebied valt onder de welstandsnota: Land van Vollenhove deelgebied, Vollenhove overig. Bouwplannen binnen woonwijken moet de bebouwingskarakteristieken van de omgeving respecteren. Vernieuwing is mogelijk mits deze in maat en schaal aansluit op de directe omgeving. Aan de randen met het buitengebied dient de bebouwing aan te sluiten bij de bebouwingskarakteristieken van het buitengebied. Met de ruimtelijke ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt, is met het ontwerp (paragraaf 2.2) zoveel mogelijk aangesloten met de bebouwingskarakteristieken van de omgeving.

Hoofdstuk 4 Planologische randvoorwaarden

In onderstaande paragrafen wordt een overzicht gegeven van de voor het nieuw op te stellen bestemmingsplan relevante milieuaspecten. Milieuaspecten zijn een belangrijk onderdeel van de belangenafweging die ten grondslag ligt aan het bestemmingsplan. Eventuele milieuaspecten kunnen, voorzover mogelijk en noodzakelijk, vertaald worden in de regeling van dit bestemmingsplan.

Voor het plangebied en de ontwikkeling die dit bestemmingplan mogelijk maakt, is advies gevraagd bij de regionale uitvoeringsdienst IJsselland (Bijlage 3). Conclusies en aanbevelingen van de uitvoeringsdienst zijn verwerkt in dit hoofdstuk.

4.1 Vormvrije m.e.r. -beoordeling

In bijlage C en D van het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het bestemmingsplan planmer-plichtig (bijlage C en D), projectmer-plichtig (bijlage C) of mer-beoordelingsplichtig (bijlage D) zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast moet het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, nagaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:

  • 1. de kenmerken van de projecten;
  • 2. de plaats van de projecten;
  • 3. de kenmerken van de potentiële effecten.


Toetsing aan de drempelwaarden uit het Besluit mer

In bijlage D van het Besluit m.e.r. (D 11.2) is de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen genoemd. In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer is een projectmer noodzakelijk.


Met dit bestemmingsplan worden 4 woningen mogelijk gemaakt. De drempelwaarde uit het Besluit m.e.r. wordt hiermee niet overschreden. In het kader van het Besluit m.e.r. is voor de beoogde ontwikkeling dan ook geen sprake van een directe mer(beoordelings)-plicht.

Sinds 7 juli 2017. is een aanpassing van het Besluit m.e.r. in werking getreden. Hierin is geregeld dat ook voor projecten die zijn opgenomen in bijlage D, maar beneden de drempelwaarden vallen, een besluit moet worden genomen of een MER nodig is. In dat kader wordt afgewogen of het plan mogelijk toch belangrijke negatieve milieueffecten heeft, op basis van de eerder genoemde omstandigheden. Dit is een vormvrije mer-beoordeling.


Vormvrije mer-beoordeling

Gelet op de kenmerken van het project (zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden.


Dit blijkt ook uit het onderzoeken van de verschillende milieuaspecten zoals deze in de volgende paragrafen zijn opgenomen. De gemeente kan op basis van voorgaande een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen waarin besloten wordt dat een planmer niet noodzakelijk is.

4.2 Milieuzonering

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ruimtelijke afstemming tussen bedrijfsactiviteiten, voorzieningen en gevoelige functies (woningen) noodzakelijk. Bij deze afstemming kan gebruik worden gemaakt van de richtafstanden uit de basiszoneringslijst van de VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering (2009). Een richtafstand kan worden beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten redelijkerwijs uit te sluiten is.

In de omgeving van het plangebied komen voornamelijk woonfuncties voor. Wel bevinden zich aan de noordzijde van het plangebied enkele relevante (bedrijfs)functies. Ten noordwesten van het plangebied, aan de Laan van Toutenburgh 2, is een groepsaccommodatie gevestigd. Een groepsaccommodatie valt onder een milieucategorie 1, waarvoor een richtingsafstand van 10 meter geldt. De afstand tussen de grens van het erfperceel van de groepsaccommoddatie en de voorgevel van de dichtstbij gelegen woning bedraagt ruim 40 meter. Aan de richtafstand wordt dan ook ruim voldaan.

Ten noorden van het plangebied op 40 meter afstand aan de Aan Boord is daarnaast een kleinschalige kinderboerderij gevestigd. Deze kinderboerderij valt onder een milieucategorie 2, waarvoor een richtafstand van 30 meter geldt. Aan de richtafstand wordt ook voldaan. Overige (bedrijfs) functies liggen op een dermate grote afstand van het plangebied, dat deze niet noemenswaardig zijn.

4.3 Ecologie

Bij elk ruimtelijk plan dient met het oog op de natuurbescherming rekening te worden gehouden met de gebiedsbescherming en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 zijn beide aspecten geregeld in de Wet natuurbescherming (Wnb). Hierbij dient te worden aangetoond dat als gevolg van de geplande activiteiten de gunstige staat van instandhouding van waardevolle dier- en plantensoorten niet in het geding komt.

Gebiedsbescherming

Met betrekking tot gebiedsbescherming is de ligging van de aangewezen Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur) van belang.

Het plangebied ligt in een binnenstedelijk gebied op ruime afstand van beschermde natuurgebieden. De ontwikkeling heeft, mede gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling, geen negatieve effecten op natuurwaarden die op grotere afstand liggen.

Soortenbescherming

Ten aanzien van de soortenbescherming gelden onder andere algemene verboden tot het verwijderen van groeiplaatsen van beschermde plantensoorten, het beschadigen, vernielen, wegnemen of verstoren van voortplantings- of vaste rustplaatsen of verblijfplaatsen van beschermde diersoorten of het opzettelijk verontrusten van een beschermde diersoort.

De locatie is door het huidige gebruik ongeschikt als groeiplaats voor bijzondere en beschermde plantensoorten. Het plangebied betreft een groenstrook binnen stedelijk gebied en is omsloten door bebouwing. Het braakliggende perceel is op dit moment in afwachting van de ontwikkeling ingezaaid met gras en wordt continu gemaaid en onderhouden. De locatie is daarom ongeschikt als groeiplaats voor bijzondere en beschermde plantensoorten. Het vormt ook geen waardevol habitat voor beschermde dieren. Daarnaast worden geen werkzaamheden uitgevoerd in het water of aan de walkant, waardoor ter plaatse van deze gronden niets te verwachten is. Er worden dus geen potentiële vaste verblijfplaatsen van beschermde soorten geschaad.

Een (verkennend) veldonderzoek naar het voorkomen van beschermde soorten is dan ook niet nodig. Effecten op beschermde planten- en diersoorten worden niet verwacht. De ontwikkelingen die dit bestemmingsplan mogelijk maakt zijn niet in strijd met het gestelde binnen de Wet Natuurbescherming. Voor alle soorten is de zorgplicht van kracht. Bij verstoring van dieren tijdens de werkzaamheden moeten deze de gelegenheid krijgen te vluchten naar een nieuwe leefomgeving. Hiermee zal tijdens de uitvoering van de werkzaamheden rekening worden gehouden.

4.4 Geluid

Op grond van de Wet geluidhinder geldt rond wegen met een maximumsnelheid hoger dan 30 km/uur, spoorwegen en inrichtingen die ''in belangrijke mate geluidhinder veroorzaken'', een geluidzone. Bij ontwikkeling van nieuwe geluidsgevoelige objecten binnen deze geluidzones of bij bepaalde veranderingen aan de weg zelf (zoals het verhogen van de maximumsnelheid of het uitbreiden van het aantal rijstroken) moet akoestisch onderzoek worden uitgevoerd om aan te tonen dat de ontwikkeling voldoet aan de voorkeursgrenswaarden die in de wet zijn vastgelegd.

Voor de wegen in de omgeving geldt een maximumsnelheid van 30 km/uur. Het plangebied ligt dus niet binnen een geluidzone van wegen. Daarnaast betreffen het wegen die geen belangrijke ontsluitende functie hebben. De wegen rondom het plangebied zijn relatief rustig, met een te verwachten lage verkeersintensiteit. Door de beperkte breedte van de weg en diverse snelheid beperkende maatregelen doormiddel van verkeersdrempels die aanwezig zijn op de Aan Boord zijn de snelheden relatief laag. Het vaststellen van een hogere waarde en/of een akoestisch onderzoek is daarom niet noodzakelijk.

Daarnaast dient ook een bepaalde binnenwaarde te worden gegarandeerd bij de omgevingsvergunning voor de woningen. Doordat de toekomstige woningen voldoen aan de minimale eisen ten aanzien van geluid vanuit het Bouwbesluit, zal sprake zijn van een goed binnenwaardeniveau.

4.5 Bodem

Op grond van het Bro moet in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig moet worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt voor de desbetreffende functie (functiegericht saneren).

De beoogde ontwikkeling vinden plaatst op gronden die in tot op heden onbebouwd zijn. Er zijn hier geen aanwijzingen door verontreinigende activiteiten in het verleden. Om deze analyse te bevestigen is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Bijlage 1). Het verkennend bodemonderzoek bevestig deze analyse. In en rondom het plangebied is een lichte verhoging waargenomen. Deze lichte verhoging vormen geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader onderzoek.

4.6 Water

Een belangrijk onderdeel van de planvorming is de Watertoets. Het doel van de Watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen meer expliciet en op een evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Het plangebied is gelegen in het beheergebied van Waterschap Drents Overijsselse Delta, voorheen Reest en Wieden. Het waterschap is verantwoordelijk voor het watersysteem en het zuiveren van het aangeboden stedelijk afvalwater.

De ontwikkeling is op 7 december 2017 aan het waterschap kenbaar gemaakt via de digitale watertoets (kenmerk: 20171207-35-16595). Van het waterschap is op 7-12-2017 bericht ontvangen dat het plan in aanmerking komt voor de normale procedure. Met dit plan wordt rekening gehouden met de uitgangspunten uit Bijlage 2 Advies waterschap.

Waterhuishouding

Het plangebied ligt in het stroomgebied Vollenhove/ Zwartewater. Rond het plangebied liggen schouwsloten/watergangen van het waterschap. Het peilgebied heeft een maximumpeil van NAP -0.8. Opgemerkt wordt dat dit peil de instelhoogte van het kunstwerk is en zodoende voor het laagste deel van het peilvak de drooglegging garandeert. Lokaal kunnen dus (grote) verschillen optreden.

De bodem (deklaag) bestaat voornamelijk uit een veengrond. Veengronden veranderen langzaam naar moerige gronden en moerige gronden veranderen langzaam naar zandgronden. Daarnaast ligt er ook veel zeeklei.

Compensatie

Ter compensatie voor het toenemen aan verharding is circa 160 m2 aan waterberging nodig. In het openbare gedeelte van het plangebied wordt ten behoeve van waterberging een waterpartij aangebracht. Deze waterpartij bedraagt een oppervlakte van minimaal 160 m2.

Aanleg hoogte van de bebouwing

Om wateroverlast en grondwateroverlast rond de bebouwing te voorkomen adviseert het waterschap om de bebouwing op voldoende hoogte aan te leggen. Het waterschap adviseert een aanleghoogte van ten minste 30 cm boven straatpeil.

Waterkwaliteit

In (stads)wateren wordt gestreefd naar een situatie met helder water en een rijke vegetatiestructuur met zowel in het oevercompartiment als het watercompartiment een aanzienlijke bedekking met ondergedoken waterplanten, drijfbladplanten en helofyten.

Er worden geen materialen gebruikt die een verontreiniging van het oppervlaktewater met zich meebrengen. Metalen, zoals lood, koper of zink worden niet gebruikt. Gebruik van bestrijdingsmiddelen wordt tegengegaan.

Regenwater mag worden geloosd op oppervlaktewater in het stedelijke gebied. Hemelwater van schone oppervlakken (zoals daken en tuinen) mag rechtstreeks geloosd worden. Minder schoon regenwater zoals van een parkeerterrein afstroomt (of anderszins) vervuild raakt, dient via een bodempassage af te wateren.

Riolering

Er wordt in het plan rekening gehouden met gescheiden waterstromen. Het regenwater wordt niet afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie, maar binnen het plangebied verwerkt. Bij het gescheiden afvoeren van regenwater wordt rekening gehouden met de drempelhoogte in relatie tot de fluctuatie van het ontvangende water.

Waterontrekking

Voor het onttrekken van grondwater tijdens de aanleg en het lozen hiervan in oppervlaktewater gelden specifieke regels. Indien hier sprake van is, wordt voortijdig contact opgenomen met het waterschap.

Bovenstaande uitgangspunten en de aanvullende uitgangspunten uit Bijlage 2 Advies waterschap worden in acht genomen bij de uitwerking van onderhavig bestemmingsplan, zodat er geen gevolgen zijn voor de waterhuishoudkundige situatie in het plangebied.

4.7 Waterveiligheid en overstromingsrisico's

Nederland is voor een groot deel beschermd tegen overstromingen vanuit buitenwater (zee, IJsselmeer en grote rivieren). Een stelsel van primaire waterkeringen zorgt voor deze bescherming. Nederland is daarvoor opgedeeld in verschillende dijkringen. Dijkringen worden geheel omsloten door primaire waterkeringen of door 'hoge gronden'. Hoge gronden betreffen de delen van Nederland die als gevolg van de hoogteligging geen bescherming behoeven tegen overstromingen.

Het plangebied ligt in dijkring 9 (Vollenhove). Sinds 1 januari 2017 gelden nieuwe normen voor de waterveiligheid. Waar eerst werd uitgegaan van een hoogte- en sterktenorm voor de kering, heeft de nieuwe normering een faalkans. Deze nieuwe normen zijn tot stand gekomen met de risicobenadering: de normen hangen niet alleen samen met de kans op een overstroming, maar ook met de gevolgen van een overstroming. Daarbij wordt ingezet op meerlaagsveiligheid. Dit betekent dat de waterveiligheid niet alleen afhankelijk is van de kwaliteit van dijken, dammen en sluizen. In de nieuwe benadering is sprake van waterveiligheid in drie lagen:

  • 1. maatregelen om overstromingen te voorkomen;
  • 2. gevolgen van overstromingen beperken via ruimtelijke inrichting;
  • 3. gevolgen van overstromingen beperken via rampenbestrijding.

Het plangebied ligt in dijkring 9 (Vollenhove). De totale lengte van de primaire waterkering van dijkring 9 is ruim 46 kilometer en grenst aan de zuidzijde aan de Vecht vanaf Ommen westwaarts (dijktrajact 9-1), en in het westen aan het Zwarte Water en het Zwarte Meer tot de Kadoelersluis (dijktraject 9-2). In het noorden en oosten wordt het dijkringgebied volledig begrensd door hoge grond, in het noordwesten bestaat de kering uit categorie c-keringen. Omdat het plangebied gelegen is in dijkring 9 is in de toelichting een overstromingsrisicoparagraaf relevant voor deze ontwikkeling.

Laag 1: voorkomen

Dit plangebied wordt met name beschermd door dijktraject 9-1. Gebieden die door dit traject worden beschermd hebben een overstromingskans van 1:1000 per jaar.

Het plangebied en directe omgeving liggen echter in een deel van de dijkring waarin geen sprake is van een grote, middelhoge of lage overstromingskans. Zie hiervoor de uitsnede van de risicokaart. Op deze risicokaart zijn gebieden met een grote, middelgrote of lage overstromingskans rood gearceerd. Het plangebied ligt in een gebied waar deze kans niet aanwezig is. Vollenhove en omgeving liggen namelijk ruimschoots hoger dan het omliggende gebied. Met een maaiveldhoogte van 3,2 meter NAP is de kans op overstroming op de locatie als nihil in te schatten.

Aangezien de locatie en omgeving hoog en droog genoeg liggen, zal bij het falen van de nabijgelegen primaire waterkering ter plaatse geen sprake zijn van een kans op overlijden als gevolg van de overstroming. Maatregelen in de ruimtelijke inrichting en rampenbestrijding (laag 2 en 3) zijn dan ook niet aan de orde.

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.VLHSteigerBP-VA01_0007.png"

Figuur 4.1 Uitsnede risicokaart (plangebied locatie oranje gemarkeerd)

4.8 Cultuurhistorie

In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat in een ruimtelijk plan een beschrijving opgenomen moet worden van de manier waarop met de aanwezige cultuurhistorische waarden rekening is gehouden.

Het plangebied kent geen specifieke cultuurhistorische waarden. Wel kunnen de structuren en kenmerken in de omgeving als van cultuurhistorische betekenis worden aangemerkt. Omdat dit bestemmingsplan perceelsgebonden is, wordt geen afbreuk gedaan aan de structuren in de omgeving. De te bouwen woningen zijn afgestemd op de kenmerken van de omgeving. De ontwikkeling past binnen de bestaande stedenbouwkundige structuur qua functie en volume. Het is dan ook niet noodzakelijk om nadere regels te stellen ter bescherming van cultuurhistorische waarden.

4.9 Archeologie

Voor archeologische resten in de bodem is de Erfgoedwet van toepassing. Deze wet regelt onder andere dat in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening gehouden wordt met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden.

Voor een deel van de gemeente is een Archeologische Waarderingskaart vastgesteld. Hierin is per gebied een waardering toegekend ten aanzien van de archeologische waarden. Op de beleidskaart wordt onderscheid gemaakt tussen:

  • archeologische monumenten;
  • gebieden met een hoge archeologische verwachting;
  • gebieden met een lage archeologische verwachting;
  • gebieden zonder archeologische verwachting;
  • gebieden met onbekende archeologische verwachting.

Figuur 4.2 geeft een uitsnede van de archeologische waarderingskaart ten hoogte van het plangebied weer. Het plangebied bevindt zich in een gebied met een lage archeologische verwachtingswaarde. In gebieden met een lage archeologische verwachtingswaarde is geen archeologisch onderzoek nodig.

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.VLHSteigerBP-VA01_0008.png"

Het aspect 'archeologie' staat de ontwikkeling niet in de weg. Wanneer bij de werkzaamheden toch archeologische resten worden aangetroffen, geldt op grond van de Erfgoedwet een meldingsplicht.

4.10 Luchtkwaliteit

Een onderdeel van de Wet milieubeheer betreft luchtkwaliteit. De wet is bedoeld om de negatieve effecten op de volksgezondheid als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging aan te pakken.

Overschrijdingen van de grenswaarden voor luchtkwaliteit zijn vaak het gevolg van het aantal verkeersbewegingen in een gebied. Op grond van de algemene maatregel van bestuur 'niet in betekenende mate' vormen luchtkwaliteitseisen geen belemmeringen voor projecten die niet in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.

De ontwikkeling van vier nieuwbouw woningen draagt niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Aanvullend onderzoek naar het aspect luchtkwaliteit is niet noodzakelijk.

4.11 Externe veiligheid

Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen. De normen voor externe veiligheid zijn vastgelegd in onder andere het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

In het kader van het aspect externe veiligheid is de risicokaart van de provincie Overijssel geraadpleegd. Hieruit blijkt dat in de omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen aanwezig zijn. Ten noorden van het plangebied ligt een hogedruk aardgastransportleiding van de Gasunie. Het invloedsgebied van deze leiding reikt niet tot het plangebied, gelet op de ruime afstand tot het plangebied (520 m) en de beperkte omvang van de leiding (8 inch, 40 bar).

Vanuit het aspect externe veiligheid bestaan er dan ook geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan.

4.12 Kabels en leidingen

Bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van elektriciteit- en communicatiekabels en nutsleidingen in de grond. Hier gelden beperkingen voor ingrepen in de bodem. Daarnaast zijn zones, bijvoorbeeld rondom hoogspanningsverbindingen, straalpaden en radarsystemen van belang. Deze vragen vaak om het beperken van gevoelige functies of van de hoogte van bouwwerken. Voor ruimtelijke plannen zijn alleen de hoofdleidingen van belang. De kleinere, lokale leidingen worden bij de uitvoering door middel van een Klic-melding in kaart gebracht.

In of nabij het plangebied liggen geen kabels of leidingen die moeten worden voorzien van een planologische regeling.

Hoofdstuk 5 Juridische opzet

In dit hoofdstuk staat een toelichting op de juridische regeling van dit bestemmingsplan. In paragraaf 5.1 staat een algemene toelichting op de betekenis en opbouw van het bestemmingsplan en de achtergronden daarvan. In paragraaf 5.2 wordt de bestemmingsregeling van dit bestemmingsplan toegelicht.

5.1 Algemeen

Het bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012. Onderdeel hiervan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De SVBP beoogt bestemmingsplannen die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, digitaal en analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld volgens deze standaarden.

Het bestemmingsplan voldoet ook aan de terminologie van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding zijn de verschillende bestemmingen vastgelegd, in de regels (per bestemming) de bouw- en gebruiksmogelijkheden.

5.2 Toelichting op de bestemmingen

De bestemmingen die in dit bestemmingsplan voorkomen zijn afgestemd op de regeling uit het bestemmingsplan 'Vollenhove en Blokzijl'. De regeling voor de woonpercelen is toegespitst op dit initiatief, waarbij de randvoorwaarden uit het beleidskader als uitgangspunt gelden. Binnen het plangebied komen de volgende bestemmingen voor:

5.2.1 Groen

De gronden ter plaatse van de bestemming 'Groen'. Binnen deze bestemming zijn geen bouwwerken toegestaan. Het aanleggen van paden, waterpartijen en nutsvoorzieningen is ondergeschikt toegestaan.

5.2.2 Tuin

De gronden ter plaatse van de bestemming 'Tuin 'zijn bedoeld voor onbebouwde tuinen bij woningen.

Het betreft (delen van) percelen behorende bij een woning, maar waarop bebouwing niet gewenst is, meestal de voortuinen.

5.2.3 Verkeer

De gronden ter plaatse van de bestemming 'Verkeer' zijn bedoeld voor de afwikkeling van het verkeer. Binnen de bestemming zijn straten, fiets- en voetpaden, groenvoorzieningen en parkeervoorzieningen toegestaan. Gebouwen zijn niet toegestaan.

5.2.4 Wonen - 2

De bestemming 'Wonen -2' is bedoeld voor grondgebonden woningen. Voor hoofdgebouwen (woningen) geldt dat deze alleen ter plaatse van een bouwvlak mogen worden gebouwd. Per bouwvlak mogen maximaal twee wooneenheden gerealiseerd worden. voor aan huis gebonden beroepen is de in de gemeente gebruikelijke regeling opgenomen.

De bouw- en goothoogte van woningen bedragen maximaal 9,00 en 4,00 meter. Afwijkende hoogtes, zoals beschreven in paragraaf 2.2, zijn op de kaart aangeduid.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

Wettelijk bestaat de verplichting om inzicht te geven in de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan. Deze is gedeeltelijk aangetoond in de voorgaande paragrafen. Ook spelen de maatschappelijke en de economische uitvoerbaarheid een rol.

6.1 Grondexploitatie

Dit bestemmingsplan maakt de realisatie van een nieuw woningbouwproject mogelijk. Omdat het gaat om een bouwplan zoals opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening, valt het plan onder de grondexploitatieregeling die in de Wro is opgenomen.

Er is bij het plan sprake van kosten die de gemeente moet maken voor de realisatie ervan, bijvoorbeeld voor het opstellen van dit bestemmingsplan en voor het bouwrijpmaken. Deze kosten kan de gemeente verhalen, hiervoor is het echter wel verplicht een exploitatieberekening op te stellen en deze gezamenlijk met dit bestemmingsplan vast te stellen.

6.2 Economische uitvoerbaarheid

De woningbouwlocatie is al in eigendom van de gemeente. Na planologische goedkeuring in medio 2018 kan naar verwachting eind 2018 gestart worden met het bouwrijp maken, waarna later de eerste gronduitgifte plaats kan vinden.

Voor het plangebied is een gemeentelijke grondexploitatie opgesteld met naar verwachting een ontwikkelingstermijn van 3 jaar. In de investeringen die met de ontwikkeling van het gebied gemoeid zijn, is onder andere rekening gehouden met de kosten van bouwrijp maken, algemene planontwikkelingskosten en planschade.

De genoemde investeringen worden gedekt door de opbrengsten uit de gronduitgifte. Het financieel resultaat van de grondexploitatie op eindwaarde (31-12-2021) is zodoende minimaal kostendekkend. Gesteld kan worden dat de realisatie van de woningbouwontwikkeling in Vollenhove (Aan Boord/ Stieger) een financieel-economische verantwoorde ontwikkeling is.

6.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

De resultaten uit de bestemmingsplanprocedure geven inzicht in de maatschappelijke uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. Met dit bestemmingsplan zijn overigens geen grote maatschappelijke belangen gemoeid.

Gesprekken omwonenden

In het kader van het voorontwerp bestemmingsplan is de omgeving bij het plan betrokken. Er hebben diverse gesprekken met direct omwonenden plaats gevonden. Het verslag van deze gesprekken is opgenomen als bijlage 4 bij dit bestemmingsplan. Geconcludeerd wordt dat de omwonenden in beginsel positief tegenover de plannen staan.

Ontwerpbestemmingsplan

Het ontwerpbestemmingsplan heeft gedurende zes weken ter inzage gelegen Tijdens deze periode is een ieder in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen (artikel 3.8 Wro). Tijdens deze periode zijn geen zienswijzen ingediend.

Vaststelling

Het bestemmingsplan "Vollenhove - Locatie Aan Boord / Steiger" is op 19 juni 2018 vastgesteld. Uiteindelijk is tegen het bestemmingsplan beroep mogelijk bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.