direct naar inhoud van Motivering
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22N Sint-Jansklooster - Schaarweg 22
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1708.STJSchaarweg22OP-VA01

Motivering

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding voor het initiatief

De initiatiefnemer is voornemens om ter plaatse van de Schaarweg 22 en de percelen ten zuiden van dit adres in Sint Jansklooster 23 nieuwe woningen te ontwikkelen. Daarnaast wordt de bestaande bedrijfswoning omgezet naar een burgerwoning. Omdat deze ontwikkeling niet past in het omgevingsplan van de gemeente Steenwijkerland maar dit initiatief wel wenselijk is, wordt middels voorliggende wijziging van het omgevingsplan (TAM-IMRO) medewerking verleend aan de voorgenomen activiteit. In dit document wordt toegelicht waarom er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (etfal) conform de Omgevingswet.

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied is gelegen aan de Schaarweg 22 en het zuidelijke perceel aan de rand van Sint Jansklooster, in het buitengebied van de gemeente Steenwijkerland. Bijgevoegde afbeelding toont globaal de ligging van het plangebied in de omgeving.

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.STJSchaarweg22OP-VA01_0002.png"

Globale ligging plangebied in omgeving (bron: OpenStreetMap)

1.3 Leeswijzer

Deze motivering gaat in op dat deel van het besluit waar het gaat over een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en daarmee op de gevolgen voor de fysieke leefomgeving. Hoofdstuk 2 geeft de beschrijving van de huidige situatie, gevolgd door een beschrijving van de voorgenomen ontwikkeling. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het relevante beleid van Rijk, provincie, regio en gemeente. In hoofdstuk 4 en 5 wordt getoetst aan aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving. In hoofdstuk 6 volgt de integrale weging van alle aspecten. Daarna wordt in hoofdstuk 7 ingegaan op de juridische planbeschrijving. Enkele aspecten komen altijd voor, maar staan los van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (etfal). Daar wordt in hoofdstuk 8 'Overige aspecten' op ingegaan.

Alléén relevante onderwerpen

Deze motivering gaat in lijn met de wet in op de regels, beleidsonderwerpen en onderzoeksaspecten die relevant zijn voor het project en het effect van het project op de omgeving. Onderwerpen die niet relevant zijn worden dientengevolge niet behandeld.

Hoofdstuk 2 Voorgenomen ontwikkeling

In dit hoofdstuk wordt het initiatief beschreven. Eerst wordt ingegaan op de bestaande situatie van het plangebied en de relatie met de omgeving. Daarna wordt ingezoomd op het beoogde initiatief.

2.1 Huidige situatie

Het plangebied is gelegen aan de Schaarweg, aan de noordwestzijde van de kern Sint Jansklooster in de gemeente Steenwijkerland. Het betreft een traditioneel erf binnen een karakteristiek kampenlandschap met een orthogonale verkavelingsstructuur. De locatie wordt gekenmerkt door een losse opzet van de hoofdbebouwing langs de weg, met rationeel geplaatste bijgebouwen op het achtererf.

Op het erf bevindt zich een voormalige boerderij met bijbehorende schuren, een boomgaard met hoogstamfruit en diverse erfbeplanting, waaronder houtwallen. Enkele opstallen zoals stallen, een mestsilo en aanbouwen verkeren in slechte staat of zijn niet langer in gebruik, en zijn aangeduid voor sloop.

Het landschap rondom het plangebied is open van karakter en wordt visueel gekenmerkt door zichtlijnen richting het achterliggende agrarische gebied. Het erf als geheel vormt een beeldbepalend element binnen de omgeving, dat van cultuurhistorische en landschappelijke waarde is.

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.STJSchaarweg22OP-VA01_0003.png"

Luchtfoto van het plangebied waarbij het plangebied rood is omkaderd (bron: Pdok)

2.2 Toekomstige situatie

In de toekomstige situatie wordt het bestaande erf aan de Schaarweg 22 getransformeerd tot een woonerf. Hierbij vindt sloop van voormalige agrarische opstallen plaats en wordt er 1 nieuwe woning op dit erf toegevoegd. Dat betekent concreet dat wordt voldaan aan de voorwaarde om de agrarische functie te verwijderen. Verder worden op het aangrenzende perceel ten zuiden van het erf 22 nieuwe woningen gerealiseerd. Dit gebeurt op het perceel kadastraal bekend gemeente Vollenhove, sectie N, nummer 58 (gedeeltelijk):

  • 1 vrijstaande woning;
  • 4 twee onder één kapwoningen;
  • 3 drie onder één kapwoningen;
  • 14 rijwoningen.

Uitgangspunt is dat 15 van de 22 van de woningen ( ca 70%) worden aangemerkt als betaalbare koop (maximale koopsom van € 390.000,- v.o.n. (prijspeil 1-1-2025). Een ander uitgangspunt is dat landschappelijke kwaliteiten behouden blijven en stedenbouwkundige kwaliteiten worden toegevoegd/verbeterd. Hiertoe is een ontwikkelingsstudie met beeldkwaliteitsplan opgesteld, bijgevoegd in bijlage 1. Navolgend wordt het plan op hoofdlijnen toegelicht.

Te behouden erf

Op het bestaande erf wordt een deel van de aanwezige schuren gesloopt, namelijk de twee varkensschuren, ligboxenstal en mestopslag. Eén schuur wordt naar achteren verplaatst en ingepast bij de nieuw op te richten woning. Ook de hooiberg blijft behouden. De bestaande boerderij blijft gehandhaafd en wordt onderdeel van het nieuwe woonerf. De ontsluiting hier vindt plaats via de twee bestaande inritten. Geparkeerd wordt er op eigen terrein.

Wonen

De nieuwe woningen bestaan uit een mix van woningen zoals hiervoor aangegeven. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen betaalbare woningen (15 stuks) en woningen in het duurdere segment (7 stuks). De woningen zijn in hoofdopzet geïnspireerd op boerenerftypologieën, met een losse, speelse verkaveling met gevarieerde dichtheid en oriëntatie naar binnen op het hofje.

Ontsluiting en parkeren

De ontsluiting van het zuidelijke woonerf vindt plaats via een nieuwe toegangsweg vanaf de Schaarweg. Daarnaast wordt rekening gehouden met mogelijke verbindingen voor langzaam verkeer. Het woonerf krijgt een informele en dorpse uitstraling, waarbij het parkeren deels op eigen terrein en deels in groene parkeerkoffers is voorzien.

Landschappelijke inpassing

Het plangebied is gelegen in een overgangslandschap. In de inrichting is veel aandacht voor het behoud van bestaande landschappelijke structuren waaronder de houtwal en het versterken van landschappelijke structuren met nieuwe boomgroepen, struweelhagen, houtwallen en zichtlijnen naar het achterliggende landschap. Het openbaar gebied krijgt een groen en landelijk karakter met extensief beheerde graslanden, struweelhagen en een waterbergingszone met natuurvriendelijke oevers. De overgang van openbaar naar privé wordt vormgegeven met lage en hoge hagen met en ten behoeve van het behoud van de landschappelijke openheid richting het buitengebied. De nieuwe woonwijk sluit hiermee op zorgvuldige wijze aan op het omringende landschap en versterkt de ruimtelijke kwaliteit van de locatie.

Navolgende afbeelding geeft een impressie van de toekomstige situatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.STJSchaarweg22OP-VA01_0004.png"

Impressie inrichting toekomstige situatie (ontwerp: De Regt + Danz BNA )

Hoofdstuk 3 Beleid en regelgeving

In dit hoofdstuk wordt het initiatief getoetst aan beleid en regelgeving. Er wordt ingegaan op geldend beleid en regelgeving op Rijks-, provinciaal-, regionaal en gemeentelijk niveau. Vervolgens wordt het beoogde initiatief daaraan getoetst.

3.1 Rijksbeleid en rijksregels

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Per februari 2021 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) van kracht. De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen. Denk aan het bouwen van nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van een circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. Alles met zorg voor een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving.

Met de NOVI benoemt het Rijk nationale belangen, geeft het richting op de vier prioriteiten en helpt keuzes maken waar dat moet. Want niet alles kan overal. Deze visie is ontwikkeld in nauwe samenwerking met provincies, gemeenten, waterschappen, maatschappelijke instellingen en burgers.

Gebiedsgericht

De NOVI benoemt een aantal aspecten van nationaal ruimtelijk belang. Het betreft de bescherming van de waterveiligheid aan de kust en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, de uitoefening van defensietaken, het Natuurnetwerk Nederland (voorheen de ecologische hoofdstructuur), de elektriciteitsvoorziening, de toekomstige uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet en de veiligheid rond rijksvaarwegen.

3.1.2 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. Het Bkl geldt voor het Rijk en decentrale overheden en heeft geen directe uitwerking op de fysieke leefomgeving. Bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moeten de verschillende instructieregels en geformuleerde omgevingswaarden in acht genomen worden.

Het gaat hierbij over de instructieregels met het oog op:

  • 1. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties;
  • 2. Het behoud van werelderfgoed en cultureel erfgoed;
  • 3. Natuurbescherming.

Daarnaast gaat het om de volgende omgevingswaarden

  • 4. Veiligheid primaire waterkeringen;
  • 5. Veiligheid andere dan primaire waterkeringen in beheer bij het Rijk;
  • 6. Kwaliteit van de buitenlucht;
  • 7. Waterkwaliteit;
  • 8. Kwaliteit van de zwemlocatie.

Artikel 5.129g van het Bkl bepaalt dat de Ladder betrekking heeft op een stedelijke ontwikkeling die voldoende substantieel is. De aard en omvang van het woningbouwplan in relatie met de omgeving bepaalt of het plan voldoende substantieel is.

Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. De Laddertoets moet alleen worden uitgevoerd wanneer de stedelijke ontwikkeling 'nieuw' is.

3.1.3 Toetsing van het initiatief aan het rijksbeleid

Het plangebied ligt niet in één van de aangewezen beschermde gebieden uit de NOVI of het Bkl. Het initiatief heeft daarmee op voorhand geen effect op één of meerdere aspecten met een nationaal ruimtelijk belang.

Voor de Laddertoets wordt verwezen naar paragraaf 5.1 waar onderbouwd wordt of er sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik.

De toetsing aan de eventueel van toepassing zijnde omgevingswaarden vindt plaats in hoofdstuk 4.

3.2 Provinciaal beleid en provinciale regels

3.2.1 Omgevingsvisie en Omgevingsverordening provincie Overijssel

De Omgevingsvisie Overijssel van 1 mei 2017 geeft de provinciale visie op de fysieke leefomgeving van Overijssel weer. De Omgevingsvisie wordt jaarlijks geactualiseerd, voor het laatst op 8 november 2023. Vanaf 22 mei 2025 heeft een nieuw ontwerp ter inzage gelegen.

In de visie worden onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur in samenhang bezien voor een duurzame ontwikkeling van de leefomgeving.

Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn de leidende principes of 'rode draden' bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel.

De ambities in het kader van duurzaamheid zijn: klimaatbestendigheid, het realiseren van een duurzame energiehuishouding, het sluiten van kringlopen (circulaire economie) en het beter benutten van ruimte, bestaande bebouwing en infrastructuur.

Ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit wordt ingezet op het vergroten van de gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde. De ambitie van de provincie Overijssel is dat elk project bijdraagt aan de versterking van de ruimtelijke kwaliteit van de leefomgeving en dat nieuwe initiatieven worden verbonden met bestaande kwaliteiten. De Catalogus Gebiedskenmerken, die per gebiedstype beschrijft welke kwaliteiten behouden, versterkt en ontwikkeld moeten worden, is daarbij een instrument om te sturen op ruimtelijke kwaliteit.

Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. Per 01-05-2025 geldt de meest recente Omgevingsverordening Overijssel, behalve de jaarlijkse actualisatieronde wijkt de inhoud van de regels niet af van de eerdere verordening.

Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel

Om te bepalen of een initiatief bijdraagt aan de provinciale ambities wordt gebruik gemaakt van het 'Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel'. In dit uitvoeringsmodel staan de stappen 'of', 'waar' en 'hoe' centraal. Bij een initiatief voor een ruimtelijke ontwikkeling kan aan de hand van deze drie stappen bepaald worden of een initiatief binnen de geschetste visie voor Overijssel mogelijk is, waar het past en hoe het uitgevoerd kan worden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.STJSchaarweg22OP-VA01_0005.png"

Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel 2017 (Bron: Provincie Overijssel)

Dit uitvoeringsmodel is gebaseerd op de volgende drie niveaus:

  • Generieke beleidskeuzes
  • Ontwikkelingsperspectieven
  • Gebiedskenmerken

  • 1. Generieke beleidskeuzes (OF)

Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een maatschappelijke behoefte aan een bepaalde voorziening. Hierbij kan het gaan om beleidskeuzes om basiskwaliteiten als schoon drinkwater en droge voeten te garanderen, maar ook aan beleidskeuzes om overaanbod van bijvoorbeeld woningbouw- en kantorenlocaties te voorkomen (de 'ladder'). De generieke beleidskeuzes zijn vaak normstellend en vastgelegd in de omgevingsverordening.

  • 2. Ontwikkelingsperspectieven (WAAR)

Na het beantwoorden van de of-vraag, is de vraag waar het initiatief past of ontwikkeld kan worden. In de Omgevingsvisie van het provincie Overijssel worden zes ontwikkelingsperspectieven onderscheiden voor de groene en stedelijke omgeving. De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daarbij is ruimte voor een lokale afweging. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven.

  • 3. Gebiedskenmerken (HOE)

Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en lust- en leisurelaag) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en -opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt. Aan de hand van de genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.

Planspecifiek

  • 1. Generieke beleidskeuzes (OF)

Bij de afwegingen in deze eerste stap zijn de artikelen 4.3, 4.5, 4.9 en 4.11 van de Omgevingsverordening Overijssel relevant. De artikelen 4.3 en 4.5 vormen hierbij een aanvulling op de Ladder voor duurzame verstedelijking.

Artikel 4.3 Oogmerk Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking

Deze afdeling stelt voor de provinciale doelstellingen voor ruimtelijke kwaliteit, duurzaamheid en sociale kwaliteit, aanvullende eisen op de ladder voor duurzame verstedelijking en is gericht op concentratie van stedelijke functies in kernen, het bevorderen van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en toekomstbestendigheid.

Artikel 4.5 Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik

  • 1. Omgevingsplannen maken alleen extra ruimtebeslag voor stedelijke functies in de Groene Omgeving mogelijk aansluitend op bestaand bebouwd gebied en als aannemelijk gemaakt is dat
    • a. er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied;
    • b. de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en transformatie; en
    • c. mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut.
  • 2. Het tweede lid is niet van toepassing op stedelijke functies waarvoor extra ruimtebeslag op de Groene Omgeving plaatsvindt in de vorm van uitleg van dorpen en steden.

Artikel 4.9 Onderbouwing ruimtelijke kwaliteit

  • 1. Omgevingsplannen bevatten een onderbouwing waaruit blijkt dat nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan ruimtelijke kwaliteit waarin:
    • a. het uitvoeringsmodel (OF-, WAAR- en HOE-benadering) uit de omgevingsvisie Overijssel wordt toegepast;
    • b. wordt gemotiveerd dat de nieuwe ontwikkeling past binnen het ontwikkelingsperspectief dat volgens de omgevingsvisie Overijssel van toepassing is voor het gebied; en
    • c. inzichtelijk gemaakt wordt hoe de vier-lagenbenadering van het uitvoeringsmodel is toegepast en de catalogus Gebiedskenmerken (Bijlage VII) is gebruikt bij de ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling.
  • 2. In omgevingsplannen kan gemotiveerd worden afgeweken van het ontwikkelingsperspectief dat volgens de Omgevingsvisie Overijssel van toepassing is voor het gebied, als:
    • a. er sprake is van sociaaleconomische of maatschappelijke redenen; en
    • b. voldoende verzekerd is dat er sprake is van versterking van de ruimtelijke kwaliteit in overeenstemming met de uitspraken die de Catalogus Gebiedskenmerken doet voor dat gebied.

In het derde lid staat vermeld welke gebieden worden onderscheiden in de Catalogus Gebiedskenmerken.

Artikel 4.11 Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving

  • 1. Omgevingsplannen laten alleen nieuwvestiging en grootschalige uitbreiding van bestaande functies toe in de Groene Omgeving als:
    • a. daarvoor sociaaleconomische of maatschappelijke redenen voor zijn;
    • b. het verlies aan ecologische of landschappelijke waarden in voldoende mate wordt gecompenseerd door investeringen in versterking van de ruimtelijke kwaliteit in de omgeving; en
    • c. in het geval de nieuwvestiging of een grootschalige uitbreiding plaatsvindt op gronden binnen het ontwikkelingsperspectief Ondernemen met Natuur en Water de compensatie bedoeld in onderdeel b gericht is op de versterking van de kwaliteit van natuur, water en landschap.
  • 2. Het eerste lid is in ieder geval van toepassing op:
    • a. nieuwe verblijfsrecreatieve complexen en verblijven;
    • b. uitbreidingen van bestaande verblijfsrecreatieve complexen;
    • c. de bouw van nieuwe woningen;
    • d. nieuwe bouwlocaties voor bedrijvigheid die niet aan de Groene Omgeving is gebonden;
    • e. grootschalige uitbreiding van bestaande locaties voor niet-agrarische bedrijvigheid die niet aan de Groene Omgeving is gebonden.
  • 3. Het eerste lid is niet van toepassing op:
    • a. de bedrijfsontwikkeling en nieuwvestiging van agrarische bedrijven;
    • b. zelfstandige opstellingen van zonnepanelen.

In aanvulling op het gestelde onder 1 geldt voor nieuwe ontwikkelingen die plaatsvinden op gronden die vallen binnen het ontwikkelingsperspectief Ondernemen met Natuur en Water en die niet zijn aangeduid als Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voorwaarde dat de compensatie door investeringen ter versterking van ruimtelijke kwaliteit in de omgeving gericht dienen te zijn op de versterking van de kwaliteit van natuur, water en landschap.

Ad.

1. Generieke beleidskeuzes (OF)

De beoogde ontwikkeling sluit aan op de bebouwde omgeving van Sint Jansklooster en draagt bij aan de lokale woningbehoefte (zie paragraaf 3.3.1 en 3.4.2). In paragraaf 5.1 is toegelicht dat sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik en dat rekening is gehouden met de behoefte aan woningen en de locatie waar dit nu plaatsvindt. Voorafgaand aan terinzagelegging heeft met de provincie afstemming plaatsgevonden hoe met voorliggend plan voldoende rekening gehouden wordt met de aanvullende regels (brief aan college van GS, d.d. 24 juni 2024, 24.00214-7). Voorliggend plan is een uitwerking van dit overleg en is akkoord bevonden door de provincie. Hiermee wordt voldaan artikel 4.3 en 4.5 uit de provinciale Omgevingsverordening. Het ontwerp volgt het uitvoeringsmodel van de Omgevingsvisie en is afgestemd op het ontwikkelingsperspectief (zie ook WAAR) voor het gebied. Door behoud van karakteristieke bebouwing, sloop van verouderde opstallen en versterking van het landschap wordt de ruimtelijke kwaliteit aantoonbaar verbeterd, waarmee ook invulling wordt gegeven aan de vereisten voor de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving. Dit is nader uitgewerkt in bijlage 1. Hiermee wordt eveneens voldaan aan artikel 4.9 en 4.11.

2. Ontwikkelingsperspectieven (WAAR)

Het plangebied is op de kaart met Ontwikkelingsperspectieven aangemerkt voor Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap. Omdat het kleinschalige mixlandschap ruimte biedt voor een zorgvuldige verweving van landbouw, wonen, recreatie, natuur en kleinschalige bedrijvigheid, ziet de provincie hier kansen om uiteenlopende functies te combineren met behoud en versterking van landschappelijke, cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten. Ontwikkelingen zoals woningbouw of verbrede agrarische activiteiten kunnen worden ingepast mits deze bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit en passen bij de structuur en schaal van het landschap. De provincie ondersteunt initiatieven die deze balans versterken en waarde toevoegen aan de omgeving, bijvoorbeeld via hergebruik van vrijkomende erven of korte ketens in de landbouw. De Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (KGO) biedt daarbij het beleidskader om maatschappelijke opgaven te verbinden met zorgvuldig ruimtegebruik en omgevingskwaliteit.

Voorliggend plan speelt in op de ambities van het kleinschalige mixlandschap door herontwikkeling van een agrarisch erf te combineren met behoud en versterking van landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten. Het plan ziet toe op de sloop van verouderde bebouwing en het herstel van het erf als landschappelijke eenheid, met behoud van de karakteristieke boerderij, de boomgaard en waardevolle structuren. Daarmee draagt het plan bij aan zorgvuldig ruimtegebruik en het zichtbaar en beleefbaar houden van het landschap. De ontwikkellocatie, ook buiten het oorspronkelijke erf maar aansluitend aan de bebouwde kom,biedt ruimte voor nieuwe functies zoals wonen, zonder afbreuk te doen aan de kernkwaliteiten van het gebied. De afweging in het kader van de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving is meegenomen in het stedenbouwkundig plan en vertaald in concrete maatregelen in de inrichting en beeldkwaliteit.

3. Gebiedskenmerken (HOE)

Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch-cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en -opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen.

Natuurlijke laag

Het plangebied ligt in het gebied 'stuwwallen'. Dit zijn reliëfrijke gebieden met een sterke verweving van natuur, landbouw en erfbebouwing. De ambitie is het reliëf zichtbaar en beleefbaar te houden en landschapselementen zoals houtwallen en doorzichten te behouden. Het plan sluit hierop aan door de ruimtelijke opzet te baseren op het bestaande erf, de nieuwe woningen aan te sluiten aan de bestaande bebouwde kom, waardevolle beplanting te behouden en het zicht op het achterliggende landschap open te houden.

Laag van het agrarische cultuurlandschap

Het plangebied ligt in het 'Oude hoevelandschap', een kleinschalig en gevarieerd cultuurlandschap met karakteristieke erven, houtwallen en open ruimten. De verkaveling is historisch gegroeid en sluit aan bij de agrarische gebruiksgeschiedenis van het gebied. De nieuwe ontwikkeling past binnen deze structuur door voort te bouwen op een bestaand erf, en bestaande verkavelingsstructuren met behoud van landschappelijke elementen zoals de boomgaard en houtwallen. Het plan sluit aan bij de bestaande sfeer van een traditioneel erf wat is terug te zien in de verkavelingsopzet en de gekozen beeldkwaliteiten sluit daarmee aan op de natuurlijke laag en het historische patroon van het Oude Hoevelandschap.

Stedelijke laag

Het plangebied ligt binnen de stedelijke laag in de gebieden 'Verspreide bebouwing' en 'Informele trage netwerk'. Kenmerkend voor deze zones is de losse ruimtelijke structuur met erven en bebouwing die individueel georiënteerd zijn, vaak in relatie tot historische wegen of paden. Het plan sluit hierbij aan door de opzet van een kleinschalig woonerf met gevarieerde woningtypen en een informele verkaveling. De bebouwing is speels georiënteerd, met behoud van openheid en doorzichten naar het landschap. Hiermee wordt de bestaande karakteristiek van verspreide bebouwing versterkt en krijgt het langzaam verkeer ruimte binnen een groen en herkenbaar woonmilieu.

Laag van de beleving

Het plangebied ligt binnen de laag van beleving in de zone 'donkerte', waar het behoud van duisternis en het beperken van lichthinder centraal staan. Deze zone draagt bij aan de beleving van rust, het landelijke karakter en de ecologische kwaliteit van het buitengebied. Het plan houdt hier rekening mee door het toepassen van een dorpse uitstraling, waarbij openbare verlichting tot een functioneel minimum beperkt kan worden. Zo blijft de duisternis in de omgeving behouden en wordt aangesloten op de ambitie van een rustige, natuurlijke woonomgeving. In de civiele uitwerking van het plan wordt dit verder gedetailleerd.

3.2.2 Toetsing van het initiatief aan het provinciale beleid

Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het initiatief passend is binnen het beleid en de regels van de provincie Overijssel.

3.3 Regionaal beleid

3.3.1 Woondeal West-Overijssel 2025 t/m eind 2030

De provincie Overijssel en de West-Overijsselse gemeenten hebben in de Woondeal ‘Wonen met Kwaliteit’ afspraken gemaakt over de gezamenlijke woningbouwopgave voor de periode tot en met 2030. De regio zet in op de realisatie van 28.200 woningen, met nadruk op versnelling, betaalbaarheid, duurzaamheid en toekomstbestendige woonmilieus. Gemeenten worden gestimuleerd om plancapaciteit te vergroten, flexibele woonvormen te benutten en regionale woningbehoeften integraal af te wegen. De Woondeal vormt daarmee een belangrijk beleidskader voor nieuwe woningbouwinitiatieven.

Planspecifiek

De ontwikkeling sluit aan op de lokale behoefte aan kleinschalige, dorpse woonmilieus. Het plan past binnen de inzet op spreiding van woningbouw over stedelijke én landelijke gebieden, en sluit aan op het streven naar voldoende plancapaciteit en een gedifferentieerd aanbod. Met de toevoeging van zowel betaalbare als duurdere woningen wordt bijgedragen aan het versterken van de lokale leefbaarheid, in lijn met de ambities van de Woondeal op het gebied van woningbouw, vitaliteit van dorpen en ruimtelijke kwaliteit.

3.3.2 Toetsing van het initiatief aan het regionale beleid

Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het initiatief passend is binnen het regionale beleid.

3.4 Gemeentelijk beleid

3.4.1 Omgevingsvisie Steenwijkerland

De gemeente Steenwijkerland werkt momenteel aan een nieuwe Omgevingsvisie. Voordat deze is vastgesteld, is er de Omgevingsvisie uit juni 2017. Dit document is het strategisch kader voor de ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente. Doel van de Omgevingsvisie is de leefbaarheid en de economische kracht van de gemeente te vergroten door de omgevingskwaliteiten van de gemeente te behouden en te versterken. De volgende thema's worden onderscheiden:

  • 1. Het landelijk gebied
  • 2. Onze karakteristieke kernen én
  • 3. Vestingstad Steenwijk

Planspecifiek

Door de herontwikkeling van een bestaand agrarisch erf tot een kleinschalig woonerf dat aansluit aan de bebouwde kom wordt invulling gegeven aan de wens om leegstand tegen te gaan en erven een nieuwe functie te geven. Tegelijkertijd wordt niet alleen het erf getransformeerd, maar wordt ook bijgedragen aan de woningbouwopgave aansluitend aan de bebouwde kom. Daarbij wordt nadrukkelijk rekening gehouden met het landschap en de ruimtelijke identiteit van het gebied, in lijn met de visie op een vitaal buitengebied met ruimte voor wonen, ondernemen en kwaliteit van de leefomgeving.

Het initiatief past binnen de Omgevingsvisie.

3.4.2 Woonagenda 2022-2026

In het voorjaar van 2022 is de Woonagenda Steenwijkerland 2022 – 2026 vastgesteld. In deze woonagenda staat concreet verwoord waar de gemeente in de periode 2022-2026 wat betreft wonen op in willen zetten. De woonagenda dient ook als basis voor het maken van nieuwe prestatieafspraken met de woningcorporaties. Deze woonagenda is daarnaast input voor de gemeentelijke omgevingsvisie en het omgevingsplan. De Woonagenda Steenwijkerland 2022-2026 volgt de Woonvisie Steenwijkerland 2017-2021 op.

De woningmarkt in Steenwijkerland wordt momenteel gedomineerd door schaarste, vooral op de koopmarkt. Uit de Woonagenda volgt dat voor Sint Jansklooster er vraag is tot 60 nieuwe koopwoningen. Ook blijft er behoefte aan sociale woningbouw. Dit wordt bevestigd in het recent uitgevoerde Woonbehoefteonderzoek.

Planspecifiek

Door de toevoeging van 22 woningen in een dorpse woonomgeving wordt bijgedragen aan de opgave om ook in kleine kernen het woningaanbod uit te breiden en diverser te maken. Het plan bevat een mix van betaalbare en duurdere woningen, waarmee wordt ingespeeld op de behoefte aan doorstroming én starterswoningen. Daarmee draagt het initiatief bij aan de versterking van de lokale leefbaarheid en het behoud van vitale dorpen.

Het initiatief is hiermee passend binnen de Woonagenda.

3.4.3 Omgevingsplan

Huidige bouw- en gebruiksmogelijkheden

Het tijdelijk deel van het omgevingsplan bestaat uit de geldende bestemmingsplannen, de verordeningen tijdelijk deel omgevingsplan (archeologieverordening (artikel 38, Monumentenwet 1988), geurverordening (artikel 6, Wet geurhinder en veehouderij), verordening afvoer regen- en grondwater (artikel 10.32a, Wet milieubeheer), hogere waarde besluiten (artikel 110a, Wet geluidhinder), vastgestelde veiligheidscontouren (artikel 14, Besluit externe veiligheid inrichtingen) en de bruidsschat. Hierna wordt per aspect de ontwikkeling getoetst op strijdigheden. Om te bepalen of het initiatief past binnen het omgevingsplan, wordt getoetst aan het voorheen geldende bestemmingsplan dat één op één is overgenomen in het tijdelijk deel van het omgevingsplan.

Op grond van het tijdelijk deel van het omgevingsplan (vervat in de beheersverordening Buitengebied Steenwijkerland 2014) heeft het plangebied de functies 'Agrarisch met waarden' en 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf 1'. Ter plaatse van de agrarische bedrijfsfunctie is een bouwvlak gelegen met tevens de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - intensieve veehouderij neventak'. Voor het gehele plangebied geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2'.

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.STJSchaarweg22OP-VA01_0006.png"

Uitsnede vigerende planologische situatie (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Strijdigheden initiatief in relatie tot omgevingsplan

Ter plaatse van het plangebied zijn geen mogelijkheden opgenomen voor het bouwen en gebruiken van reguliere burgerwoningen. Daarmee is het initiatief in strijd met het omgevingsplan. Met onderhavige wijziging van het omgevingsplan wordt deze ontwikkeling mogelijk gemaakt, waarbij rekening is gehouden met de uitgangspunten/ voorwaarden zoals door de gemeente zijn gesteld. Dit is verwerkt en gemotiveerd in paragraaf 2.2.

3.4.4 Toetsing van het initiatief aan het gemeentelijk beleid

De activiteit past binnen de doelstellingen en het beleid van de gemeente. De ontwikkeling is echter in strijd met de regels van het omgevingsplan. Daarom wordt het omgevingsplan gewijzigd waarvoor onderhavige motivering is opgesteld.

Hoofdstuk 4 Veilige en gezonde fysieke leefomgeving

In dit hoofdstuk wordt inzicht gegeven in de aspecten die samen bepalend zijn voor de vraag of met de voorgenomen ontwikkeling een veilige en gezonde fysieke leefomgeving ontstaat en behouden blijft voor nu en in de toekomst.

4.1 Weging van het waterbelang

Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het wettelijk kader is afhankelijk van zowel gemeentelijk beleid als het beleid van het waterschap.

Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem.

De verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de omgevingswaarden ten aanzien van water zijn als volgt onderverdeeld:

  • Rijk: omgevingswaarden voor (1) waterkwaliteit, (2) zwemwaterkwaliteit, (3) veiligheid van primaire waterkeringen en (4) de veiligheid van andere dan primaire waterkeringen, voor zover die in het beheer zijn bij het Rijk (2.15 Ow);
  • Provincie: omgevingswaarden voor de veiligheid van (1) bij de omgevingsverordening aangewezen andere dan primaire waterkeringen die niet bij het rijk in beheer zijn en (2) de gemiddelde overstromingskans per jaar van bij de omgevingsverordening aangewezen gebieden met oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop (niet bij het rijk in beheer zijnde) regionale wateren moeten zijn berekend (2.13 Ow);
  • Gemeente: gemeenten kunnen ook zelf besluiten om omgevingswaarden vast te stellen. Indien hiervan sprake is dient ook aan deze omgevingswaarde getoetst te worden.

Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de eerdere, verplichte watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven. In elk geval worden de wateraspecten beschreven en wordt aangegeven welke waterhuishoudkundige maatregelen voor de ontwikkeling moeten worden getroffen. Over het initiatief wordt advies gevraagd aan de betrokken waterbeheerder.

Beleid Drents Overijsselse Delta

Het plangebied maakt onderdeel uit van het Waterschap Drents Overijsselse Delta (hierna: WDODelta). Zij heeft een watervisie voor de komende tien jaar. Deze visie laat zien waar zij als Waterschap voor staan. De rode draad is klimaatverandering en het beperken van de gevolgen daarvan samen met de omgeving. De titel van de 'Watervisie' is 'meer dan water'. De watervisie is het kompas voor de komende tien jaar en laat zien wat inwoners, bedrijven, organisaties en mede-overheden van het waterschap mogen verwachten.

Het waterbeheerprogramma van WDODelta bevat de uitwerking van de ambities in de Watervisie 'meer dan water' en geeft voor de periode 2022 tot en met 2027 aan wat de maatregelen zijn om het watersysteem, de waterketen en de waterkeringen op orde te brengen. Ook zijn de maatschappelijke doelen voor duurzaamheid, circulaire bedrijfsvoering, klimaatadaptatie, educatie en voorlichting uitgewerkt. Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 bestaat uit drie delen:

  • waterbeheerprogramma WDODelta 2022-2027;
  • gebiedsuitwerkingen WBP 2022-2027;
  • KRW factsheets en achtergronddocument.

In de gebiedsuitwerkingen zijn de doelen en maatregelen voor de vijf deelgebieden uitgewerkt. De gebiedskenmerken worden beschreven, de ontwikkelingen in het gebied en de doelen en maatregelen zijn uitgebreid toegelicht.

Het WDODelta hanteert de driestapsstrategieën “vasthouden – bergen - afvoeren” (kwantiteit) en “schoonhouden – scheiden – zuiveren” (kwaliteit). Een afname van de aanwezige ruimte voor waterberging ten gevolge van de uitvoering van ruimtelijke maatregelen moet worden gecompenseerd. In eerste instantie moet deze compensatie binnen het plangebied worden gerealiseerd. Bij het vasthouden van hemelwater hanteert WDODelta infiltreren in de bodem als uitgangspunt.

Planspecifiek

Algemeen

Onderhavig plangebied maakt onderdeel uit van het beheergebied van het waterschap Drents Overijsselse Delta. Ten aanzien van het initiatief is een memo met de watertoets opgesteld. Het resultaat hiervan is te vinden in bijlage 2. Het plangebied gelegen is in een grondwaterbeschermingsgebied. Daarnaast bevindt zich een B-watergang bij het plangebied.

Hemelwater/afvalwater

Als een gevolg van de ontwikkeling neemt de hoeveelheid verhard oppervlak ter plaatse van het plangebied toe. Om tegemoet te komen aan de eisen met betrekking tot hemelwaterberging, is aan de oostkant van de nieuwe woningen een waterbergingsvoorziening geprojecteerd, zoals opgenomen in de ontwikkelingsstudie. Uit de memo met de watertoets blijkt dat er een bergingsbehoefte bestaat van 655 m3 op basis van de verhardingen. Bij een waterdiepte van 0,42 m betreft dit een wadi met een gemiddeld oppervlakte van ca. 1.560 m2. In het inrichtingsplan kan 820 m3 waterberging worden gerealiseerd. Dit is voldoende voor de berging van 80 mm regenwater over het afvoerend verharde oppervlak en de oppervlakte van de wadi’s.

Bij de civiele uitwerking van de plannen wordt bekend hoeveel verhard oppervlakte er exact gerealiseerd wordt en wat de exacte opgave is ten aanzien van waterberging. Voorzieningen die gebruikt kunnen worden, zijn wadi's, grindkoffers, kratten, greppels of een vijver / poel in de tuin. Daarnaast is het mogelijk om bij de aanleg en inrichting van de tuin rekening te houden met de waterberging. Hemelwater dat valt op terrassen kan in de tuin infiltreren. Er zijn daarmee voldoende mogelijkheden om op eigen terrein binnen het gehele plangebied in de benodigde waterberging te voorzien.

Hemelwater wordt gescheiden van het afvalwater. De afvoer van het afvalwater vindt plaats middels aanleg van nieuwe riolering in het plangebied dat aansluit op het bestaande rioleringsnetwerk.

Watersysteem

Het bouwprogramma vindt op ruime afstand van de bestaande B-watergang plaats. Er wordt geen bebouwing binnen de beschermingszone van de watergang gerealiseerd. Bovendien wordt hemelwater lokaal geborgen en geïnfiltreerd, waardoor de belasting op de watergang niet toeneemt. Hiermee blijft de functie en doorstroming van de watergang gewaarborgd.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.2 Activiteiten en milieuzonering

Bedrijven (die milieubelastende activiteiten uitvoeren/ ondernemen) kunnen niet zomaar naast een gevoelige functie, zoals een woning, gerealiseerd worden. Ook andersom moet er zorgvuldig gemotiveerd worden dat een nieuwe gevoelige functie nabij bestaande bedrijven gerealiseerd kan worden.

Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de leefkwaliteit. Ook zorgt dit ervoor dat (bestaande) bedrijven niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. De publicatie “Bedrijven Milieuzonering” van de VNG is, zeker ook gezien jurisprudentie, een goed houvast hierbij. De in deze publicatie genoemde richtafstanden tussen gevoelige functies en milieubelastende activiteiten gelden voor gemiddelde situaties. Er kunnen omstandigheden zijn waarom er toch van een andere afstanden uitgegaan kan of moet worden.

Op weg naar de inwerkingtreding van de Omgevingswet is door de VNG een nieuwe publicatie uitgegeven: Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet 2023. Kern van deze publicatie is om de toelating van bedrijven te reguleren op basis van een beschikbaar gestelde milieuruimte per bedrijf, aan de hand van concrete milieunormen. In de nieuwe systematiek wordt de toelating van activiteiten niet meer gekoppeld aan een bij de regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten met milieucategorieën. Dit maakt het ook niet mogelijk de ontwikkeling van nieuwe gevoeligere objecten te toetsen aan bestaande bedrijven. Om die reden wordt voor de eerste beoordeling van de omliggende activiteiten/ functies in de praktijk nog aangesloten bij de richtafstanden uit de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'.

Planspecifiek

Met onderhavig initiatief worden nieuwe milieugevoelige objecten mogelijk gemaakt. Met het plan wordt de mogelijkheid tot het uitoefenen van een veehouderij op de locatie aan de Schaarweg 22 verwijderd. Het agrarisch bedrijf wordt beëindigd. In de omgeving van het plangebied bevinden zich dan ook geen bedrijven (meer) die beperkend werken op het woon- en leefklimaat ter plaatse. Ook leidt het plan niet tot belemmeringen voor bedrijvigheid in de omgeving. En door het verwijderen van de agrarische functie verbetert de situatie voor woningen in de directe omgeving, los van de te realiseren nieuwe woningen in dit plan. Ten behoeve van de bescherming van het woon- en leefklimaat is een spuitzone opgenomen waarbinnen geen gewasbeschermingsmiddelen mogen worden toegepast.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.3 Bodem

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn er voor het aspect bodemkwaliteit instructieregels opgenomen in het Bkl. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang;

  • de bodem te beschermen tegen nieuwe verontreinigingen en aantastingen;
  • te zorgen voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem;
  • de resterende historische verontreinigingen en aantastingen duurzaam en doelmatig te beheren.

Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast (bodemkwaliteitskaart) en neemt dit op in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen.

Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit.

Planspecifiek

Ten aanzien van de ontwikkeling is bodemonderzoek uitgevoerd. Dit is toegevoegd in bijlage 3. Uit de resultaten blijkt dat in zowel de bovengrond als de ondergrond (bodem en water) van het gehele terrein geen verhoogde concentraties zijn aangetroffen. Het terrein is op basis van de milieuhygiënische kwaliteit geschikt voor het voorgenomen gebruik.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.4 Luchtkwaliteit

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl en zijn de 'omgevingswaarden richtlijn luchtkwaliteit' opgenomen in paragraaf 2.2.1.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10).

Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een resultaatverplichting;
  • het initiatief leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • het initiatief draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.

Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering komt het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook te vervallen.

Niet in betekenende mate (NIBM)

Voor een activiteit die niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een initiatief niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een initiatief binnen de NIBM-grens blijft:

  • 1. Motiveren dat het initiatief binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze 'standaardgevallen NIBM' vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een initiatief binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden.
  • 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een initiatief de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een initiatief in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool.

Aandachtsgebieden

Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 (aandachtsgebieden voor zowel stikstofdioxide als fijnstof) en lid 3 (aandachtsgebieden voor fijnstof) Bkl. Gemeenten die onder agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 (aanwijzing agglomeraties richtlijn luchtkwaliteit en richtlijn gevaarlijke stoffen in de lucht) Omgevingsregeling. In enkele situaties moet de luchtkwaliteit altijd worden beoordeeld:

  • bij een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit
  • bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter, of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter toeneemt;
  • bij de aanleg van een autoweg of een autosnelweg.

Op plekken waar mensen relatief kort verblijven, als het gaat om arbeidsplaatsen (bedrijventerreinen en bedrijfswoningen) en op locaties waar mensen niet kunnen komen is toetsing aan de omgevingswaarden voor luchtkwaliteit niet nodig.

Planspecifiek

Luchtkwaliteit ter plaatse van het initiatief

Het dichtstbijzijnde toetspunt voor luchtkwaliteit bij het plangebied is de receptor wegverkeer 51048329_69329 aan de N762 ten noorden van het plangebied. In de tabel hieronder zijn de totale concentraties van stikstofdioxide, fijnstof en de fijnere fractie van fijnstof weergeven.

  NO2 
(stikstofdioxide)  
PM10
(fijnstof)  
PM2,5 (fijnere fractie van fijnstof)  
Gemeten totale concentratie jaargemiddelde 2020 (µg/m3)   7,3 µg/m3   13,1 µg/m3   6,7 µg/m3  
Grenswaarde concentratie (µg/m3)   40 µg/m3   40 µg/m3   25 µg/m3  

De concentraties stikstofdioxide en fijn stof liggen ruim onder de gestelde grenswaarden. Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.

Bijdrage van het initiatief

Ten aanzien van de bijdrage aan luchtkwaliteit is het initiatief van geringe omvang ten opzichte van de benoemde grenswaarde (3%, vergelijkbaar met 1.500 woningen). Op basis van de te verwachten toename aan verkeersbewegingen ten gevolge van het initiatief is te concluderen dat dit initiatief 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een nadere toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof kan daarom achterwege blijven. Tevens ligt het plangebied niet binnen de genoemde aandachtsgebieden (artikel 5.51 luchtkwaliteit in aandachtsgebieden) voor stikstofdioxide en/of fijnstof.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.5 Geur

In de regelgeving is bepaald dat een omgevingsplan erin voorziet dat de geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw (artikel 5.91 Bkl) aanvaardbaar moet zijn (artikel 5.92, tweede lid, Bkl). In artikel 5.91 van het Bkl is de definitie van een geurgevoelig gebouw opgenomen. Het gaat dan in ieder geval om woningen, onderwijsinstellingen, gebouwen met gezondheidszorgfuncties en kinderopvang met bedgebied (wat inhoudt dat er slaapgelegenheid is). Dit betekent dat de gemeente moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. De gemeente moet onder de Omgevingswet rekening houden met mogelijke cumulatie van geur door meerdere activiteiten.

De activiteiten dienen te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan, in het deel van de Bruidsschat. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden nog steeds de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over:

  • Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony's voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 BS);

Voor geur zijn er voor dierenverblijven voor landbouwhuisdieren specifieke instructieregels waar de gemeente zich aan moet houden. In deze instructieregels zijn voor landbouwhuisdieren met een geuremissiefactor, twee typen normen opgenomen: standaardwaarden en grenswaarden. In een omgevingsplan kan de gemeente afwijken van deze standaardwaarden, zolang dit onder de gestelde grenswaarden blijft.

Geurgevoelig gebouw   Standaardwaarde   Grenswaarde  
Gelegen binnen de bebouwingscontour geur en buiten een concentratiegebied   2,0 ouE/m3   8,0 ouE/m3  
Gelegen binnen de bebouwingscontour geur en binnen een concentratiegebied   3,0 ouE/m3    14,0 ouE/m3  
Gelegen buiten de bebouwingscontour geur en buiten een concentratiegebied   8,0 ouE/m3   20,0 ouE/m3  
Gelegen buiten de bebouwingscontour geur en binnen een concentratiegebied   14,0 ouE/m3   35,0 ouE/m3  

Tabel Standaardwaarde en grenswaarde toelaatbare geur (ouE/m3 als 98-percentiel) door houden landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op een geurgevoelig gebouw

In het Bkl wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden en niet-concentratiegebieden en binnen en buiten de bebouwingscontour. Het onderscheid tussen concentratiegebieden en niet-concentratiegebieden valt terug te voeren op een verschil in de relatie tussen geurbelasting en geurhinder. Het RIVM geeft aan dat er geen gezondheidskundige grenswaarden zijn voor geurbelasting of geurhinder. Welk percentage door geur gehinderde omwonenden aanvaardbaar is, is vanuit het gezondheidsaspect een beleidsmatige keuze.

Voor dieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen omrekeningsfactoren zijn vastgesteld, zoals melkrundvee, vrouwelijk jongvee en paarden gelden vaste afstandseisen. De minimaal aan te houden afstand bedraagt 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom (bebouwingscontour geur) en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom (bebouwingscontour geur). Deze afstanden gelden ongeacht het aantal dieren dat er gehouden wordt en worden gemeten vanaf het dichtstbijzijnde emissiepunt van een stal waarin de betreffende dieren worden gehouden.

Daarnaast moet de afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf (onafhankelijk van de diersoort die er gehouden wordt) minimaal 25 meter bedragen tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom en 50 meter bedragen tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom (gevel-gevel afstand).

Planspecifiek

Met onderhavig initiatief worden nieuwe geurgevoelige objecten mogelijk gemaakt. Het plangebied is niet gelegen binnen een concentratiegebied en in de omgeving van het plangebied zijn geen intensieve veehouderijen aanwezig. Daarmee zijn er geen belemmeringen ten aanzien van het plan vanuit het aspect geur. De bestaande mogelijkheid voor de veehouderij ter plaatse van het plangebied wordt verwijderd. Hiermee verbetert de situatie met betrekking tot geur voor in de omgeving gelegen woningen.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.6 Geluid

Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. De regels van het Bkl over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige functies. In het Bkl zijn instructieregels opgenomen hoe om te gaan met geluid m.b.t. geluidgevoelige functies en stiltegebieden. Bij geluidgevoelige functies gaat het om gebouwen ten behoeve van functies zoals wonen, onderwijs of zorg. Voor andere gebouwen (functies) of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.

In de bruidsschat is het onderdeel geluid geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig functie die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de bruidsschat zijn waarden bepaald (zie artikel 22.57 Bruidsschat waar waarden gelden).

Het Bkl bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid en staan in de volgende tabel.

Geluidbronsoort   Standaardwaarde, in dB.   Grenswaarde, in dB.  
Rijks- en provinciale wegen. In Lden   50   60  
Gemeente- en waterschapswegen. In Lden   53   70  
Hoofd- en lokale spoorwegen. In Lden   55   65  
Industrieterrein   Lden   50   55  
  Lnight   40   45  

Standaardwaarde en grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw bij toelaten geluidbron, Tabel 3.34 en.3.35 Bkl

Het bevoegd gezag moet voorzien in een aanvaardbaar geluidsniveau door een lokale (spoor)weg op een geluidgevoelig gebouw (artikel 5.78l, lid 2 Bkl). De kans op gezondheidsschade is klein als het geluid voldoet aan de standaardwaarde. Minder geluid dan de standaardwaarde of het geluid op het tijdstip van de wijziging van het omgevingsplan, is aanvaardbaar (artikel 5.78m, lid 1 en lid 2 Bkl). Het bevoegd gezag mag meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar beoordelen. Het besluit moet dan voldoen aan de eisen uit de instructieregels (artikelen 5.78m tot en met 5.78q Bkl). Op grond van artikel 5.78, lid 3 Bkl bepaalt het omgevingsplan dat de waarden gelden:

  • op een aangewezen geluidgevoelig gebouw:
    • 1. op de gevel, als het gaat om een aanwezig geluidgevoelig gebouw
    • 2. op de locatie waar een gevel mag komen, als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw
  • op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van een woonschip of woonwagen
  • in geval van een binnenwaarde, in een geluidgevoelige ruimte.

Het bevoegd gezag kan alleen geluid tot en met de grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toestaan als ze:

  • 1. geen geluidbeperkende maatregelen kan treffen om aan de standaardwaarde te voldoen (artikel 5.78n, lid 1, onder a Bkl);
  • 2. de overschrijding van de standaardwaarde zoveel mogelijk heeft beperkt door het treffen van geluidbeperkende maatregelen (artikel 5.78n, lid 1b Bkl);
  • 3. bij voorwaarde 1 en 2 geluidbeperkende maatregelen overweegt die financieel doelmatig zijn en tegen het treffen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan (artikel 5.78n, lid 2 Bkl);
  • 4. besluit tot geluidwerende maatregelen als het geluid in een geluidgevoelige ruimte hoger is dan de grenswaarde in geluidgevoelig ruimte (binnenwaarde) (artikel 3.52 Bkl). De karakteristieke geluidwering van deze ruimte is minstens 3 dB groter dan het verschil tussen het gezamenlijk geluid en de grenswaarde. Deze grenswaarde in geluidgevoelig ruimte is meestal 36 dB. In een beperkt aantal bestaande situaties is de grenswaarde 41 dB (artikel 3.52, lid 1, onder a sub 1 Bkl);
  • 5. het gecumuleerd geluid beoordeelt (artikel 5.78p Bkl);
  • 6. het gezamenlijk geluid bepaalt (artikel 5.78q Bkl).

De geluidsregels van het Bkl zijn alleen van toepassing bij het realiseren van geluidgevoelige functies binnen een geluidsaandachtsgebied. Dit omvang van dit aandachtsgebied is afhankelijk van de verkeerdrukte, rijsnelheid, afstand van de locatie tot de weg en eventuele afschermende bebouwing.

Geluidsaandachtsgebied   Breedte (m)  
Weg bestaande uit 1 of 2 rijstroken, snelheid 30 km/u of minder   100  
Weg bestaande uit 1 of 2 rijstroken, snelheid meer dan 30 km/u   200  
Weg bestaande uit 3 of meer rijstroken   350  
Lokale spoorweg bestaande uit 1 of 2 sporen   200  
Lokale spoorweg bestaande uit 3 of meer sporen   350  

Tabel: Breedte van het geluidaandachtsgebied vanaf de rand van de weg of de buitenste spoorstaaf, artikel 17.5 omgevingsregeling

Wegen met een verkeersintensiteit van in elk geval minder dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal als kalenderjaargemiddelde hebben geen aandachtsgebied.

Planspecifiek

Met onderhavig initiatief worden nieuwe geluidgevoelige objecten mogelijk gemaakt. Om de effecten met betrekking tot geluid te beoordelen, is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (zie bijlage 4). Het doel van het onderzoek is om de geluidbelasting van wegverkeer op de toekomstige woningen te berekenen en te toetsen. De berekeningen zijn uitgevoerd voor het jaar 2035, rekening houdend met de Omgevingswet. Uit het onderzoek blijkt dat de geluidbelasting van de provinciale weg (N762) maximaal 40 dB na aftrek bedraagt . Dit is lager dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB die de Wet Geluidhinder voorschrijft. De geluidbelasting van de gemeentelijke Schaarweg bedraagt maximaal 46 dB. Dit voldoet aan de standaardwaarde van 53 dB zoals vastgelegd in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De conclusie is dat de geluidbelasting op de geplande woningen van zowel de provinciale N762 als de gemeentelijke Schaarweg binnen de wettelijke normen valt.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.7 Omgevingsveiligheid

Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Bkl. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

Plaatsgebonden risico

Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).

Groepsrisico

Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Dit zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM). Aandachtsgebieden zijn er voor de scenario's brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV).

Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden er dus altijd aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl).

Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning voor het bouwen.

Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Uitgangspunt is dat personen buiten een aandachtsgebied in een gebouw (dat voldoet aan de eisen uit het BBL) voldoende zijn beschermd tegen de mogelijke effecten van een grootschalig ongeval met gevaarlijke stoffen bij de risicobron.

Planspecifiek

Via de website atlasleefomgeving.nl kan voor de locatie worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, buisleidingen en/of belangrijke transportroutes aanwezig zijn die in het kader van de omgevingsveiligheid van belang zijn. Bijgevoegd een screenshot van die website. Het plangebied is hier globaal aangegeven met de rode cirkel.

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.STJSchaarweg22OP-VA01_0007.png"

Uitsnede risicokaart (bron: atlasleefomgeving.nl)

Op de risicokaart is te zien dat het plangebied niet gelegen is in een PR-contour of aandachtsgebied. Een nadere beschouwing van het groepsrisico kan daarmee achterwege blijven. Het aspect omgevingsveiligheid levert geen belemmeringen op ten aanzien van het initiatief.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.8 Trilling

Trillingen kunnen nadelige gevolgen hebben voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ze kunnen effect hebben op het welzijn of schade aan gebouwen veroorzaken. De Omgevingswet beschermt (delen van) gebouwen. Trilling wordt gezien als een milieubelastende activiteit. In het omgevingsplan neemt de gemeente regels op voor trillingen door milieubelastende activiteiten. Vastgelegd wordt welke trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Hiervoor gelden de instructieregels over trillingen door activiteiten op trillinggevoelige gebouwen in het Bkl.

Een trillinggevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een:

  • a. woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
  • b. onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
  • c. gezondheidszorgfuncties met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of
  • d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.

Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen trillingen. Het onderdeel Trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 22.87a van de Bruidsschat.

Planspecifiek

In de ruime omgeving van het plangebied zijn geen activiteiten aanwezig die trillingen kunnen veroorzaken zoals grote wegen, spoorlijnen en/of industriële machines.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.9 Spuitzonering

Bij het telen van bollen-, boom- en fruit in de open lucht kan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen van belang zijn. Dit vanwege mogelijk vrijkomende drift (verwaaiing van spuitvloeistof) bij het bespuiten. Er gelden, behoudens het niet mogen belasten van oppervlaktewater, in Nederland geen wettelijke bepalingen over een minimaal aan te houden afstanden tussen de teeltgronden en voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige objecten, zoals woningen en bedrijven. In de praktijk wordt daarom op basis van jurisprudentie een vuistregel gehanteerd om een afstand van 50 meter aan te houden tussen een genoemde teelten en een gevoelige bestemming. Dit is een in de praktijk gegroeide indicatieve vuistregel. Er kunnen omstandigheden zijn om (gemotiveerd) van deze indicatieve afstand af te wijken.

Planspecifiek

Het plangebied is gelegen op de rand van de bebouwde kom van Sint Jansklooster naar het agrarisch gebied, waar het teelt in de openlucht mogelijk is. Hierbij kan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen van belang zijn. Het is dan ook belangrijk om de situatie in beeld te brengen en de risico's daarvan te duiden. Daartoe is de bijgevoegde beoordeling in bijlage 5 opgenomen. Op basis van deze beoordeling is voor de agrarische gronden direct aansluitend aan het plangebied (oost- en westzijde) een bijbehorende spuitzone nodig.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.10 M.e.r.-beoordeling

De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit.

In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn.

Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije m.e.r-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één m.e.r.-beoordelingsprocedure. Beoordeling of een m.e.r.-procedure of m.e.r.-beoordeling plaats moet vinden volgt uit Bijlage V van het Omgevingsbesluit.

  • 1. De eerste stap is te kijken of het project past binnen de omschrijving van een project in kolom 1.
  • 2. Vervolgens moet gekeken worden of in kolom 4 'de omgevingsvergunning' of 'het omgevingsplan' staat. Het omgevingsplan is relevant als in het plan vergunningplichtige activiteiten worden aangewezen.
  • 3. Als bovenstaande stappen van toepassing zijn op het project, moet bepaald worden of voor het project een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt. Dit gebeurt door te kijken naar de kolommen 2 en 3.
    • a. Voldoet het project aan de voorwaarden van kolom 2? Dan geldt voor het project een 'project-mer-plicht'.
    • b. Voldoet het project aan de voorwaarden van kolom 3? Dan geldt voor het project een 'project-mer-beoordelingsplicht'.

Als er voor het project een omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor een omgevingsplanactiviteit, dan wordt die omgevingsvergunning aangemerkt als het besluit in plaats van het besluit tot vaststelling van een omgevingsplan. Dit volgt uit artikel 11.8 onder 3 van het Omgevingsbesluit. Daarmee geldt er dus ook voor omgevingsvergunningaanvragen die niet in kolom 4 staan wel de mer-(beoordelings)plicht.

Planspecifiek

Onderhavige ontwikkeling kan beschouwd worden als een stedelijk ontwikkelingsproject (categorie J11 Bijlage V Omgevingsbesluit). Het opstellen van een mer-beoordelingsnotitie is daarom nodig. Deze is opgenomen in bijlage 6. Hierin is geconcludeerd dat er geen sprake is van aanzienlijke milieueffecten. Het plan is niet mer-plichtig.

Hoofdstuk 5 Goede omgevingskwaliteit

In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze een goede omgevingskwaliteit wordt gewaarborgd en verder ontwikkeld door de voorgenomen ontwikkeling.

5.1 Zorgvuldig ruimtegebruik

De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Bkl regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing rekening moet worden gehouden met de Ladder.

Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. De Raad van State heeft ook aangegeven dat geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling bij ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen in de vorm van een terrein met een ruimtebeslag van minder dan 500 m² of een gebouw met een bruto-vloeroppervlakte kleiner dan 500 m².

De Ladderonderbouwing beschrijft de behoefte aan de ontwikkeling. Als de ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied plaatsvindt, moet bovendien gemotiveerd worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De aard en omvang van de ontwikkeling bepalen het schaalniveau waarop de ruimtebehoefte wordt afgewogen.

Naast deze regeling gelden de artikel 4.3 en 4.5 uit de provinciale Omgevingsverordening. Zie hiervoor paragraaf 3.2. Deze artikelen vormen een aanvulling op de Ladder. Er moet dan ook rekening gehouden worden met de uitgangspunten en normen die in de integrale belangenafweging worden beoordeeld.

Planspecifiek

Nieuwe stedelijke ontwikkeling

Voorliggend initiatief voorziet in meer dan 12 woningen, waarmee sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van de Ladder. Om die reden dient ingegaan te worden op de behoefte naar de ontwikkeling en de locatie ervan.

Behoefte

Er is sprake van een actuele en onderbouwde behoefte aan woningbouw in de gemeente Steenwijkerland. Uit de Woonagenda Steenwijkerland 2022–2026 (3.4.2) en het daarop gebaseerde woningbouwprogramma blijkt dat er in de kern Sint Jansklooster een opgave ligt in zowel het betaalbare segment als in specifieke woningtypes, zoals twee-onder-een-kapwoningen en rijwoningen. Dit wordt bevestigd door het recent uitgevoerde woonbehoefteonderzoek. De ontwikkeling speelt daar onder meer op in door het realiseren van 15 betaalbare koopwoningen (max. €390.000,- v.o.n., prijspeil 2025), in combinatie met woningen in het middeldure en dure segment. Daarmee wordt invulling gegeven aan zowel de kwantitatieve als kwalitatieve woningbehoefte.

Locatie

Het plangebied ligt direct grenzend aan het bestaand stedelijk gebied van Sint Jansklooster en maakt deels gebruik van een bestaand agrarisch erf. Er vindt sloop plaats van voormalige bedrijfsbebouwing en hergebruik van gronden die reeds (gedeeltelijk) zijn bebouwd of verhard. Binnen de kern Sint Jansklooster zijn geen reële alternatieve locaties beschikbaar of geschikt die de omvang, het woonprogramma in combinatie met de ligging en inpassing van deze ontwikkeling kunnen faciliteren. Met voorliggend initiatief wordt er dan ook een woonmilieu gecreëerd dat er nog niet is in Sint Jansklooster. Daarmee is sprake van een zorgvuldige locatiekeuze. Bovendien draagt het plan bij aan ruimtelijke kwaliteit door het wegbestemmen van een agrarische functie naast de kern, de versterking van landschappelijke structuren en het toevoegen van stedenbouwkundige kwaliteit op deze locatie.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

5.2 Archeologie, cultuurhistorie en landschap

De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van projecten onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap.

De Erfgoedwet en de Omgevingswet vormen samen het fundament voor de duiding en de bescherming van het cultureel erfgoed. De vuistregel voor de verdeling tussen Erfgoedwet en Omgevingswet is als volgt: de duiding van cultureel erfgoed en de zorg voor cultuurgoederen in overheidsbezit staat in de Erfgoedwet; de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving is geregeld in de Omgevingswet.

Voor gebouwde of aangelegde monumenten betekent dit dat de vergunningverlening voor het wijzigen van rijksmonumenten is geregeld via de Omgevingswet. Ook aanwijzing en omgang met beschermde stads- en dorpsgezichten gebeurt op grond van de Omgevingswet. Datzelfde geldt voor de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving (vergunningverlening en integratie in de planvorming).

Besluit kwaliteit leefomgeving

In het Bkl is ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.

Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is veelal opgenomen op de archeologische beleidskaart en/of de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal vertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst.

Planspecifiek

Cultuurhistorie en landschap

Ter plaatse van het plangebied is het voormalige agrarische erf een waardevol traditioneel erf met beeldbepalende bebouwing. Deze setting is dan ook behoudenswaardig en kan worden versterkt door de nieuwe bebouwing goed in te passen, passend bij de erfopzet en het betreffende landschap. Er zijn voor de rest geen monumenten of andere gebouwde objecten van cultuurhistorische waarde aanwezig. Middels het behoud en versterking van landschapselementen zoals de boomgaard en houtwallen, sloop van verouderde opstallen en een zorgvuldig landschappelijk ontwerp wordt de ruimtelijke kwaliteit versterkt. Daarmee zijn negatieve effecten voor de aspecten cultuurhistorie en landschap als gevolg van het plan uitgesloten.

Archeologie

Het plangebied heeft de archeologische dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2'. Voor deze dubbelbestemming geldt dat archeologisch onderzoek nodig is voor te bouwen bouwwerken vanaf 2.500 m2. Daarnaast geldt voor werken, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden (zoals het ophogen, vergraven en egaliseren van gronden of bijvoorbeeld het aanleggen van ondergrondse infrastructuur) dat archeologische onderzoek nodig is bij een oppervlakte van minimaal 2.500 m2 en een diepte van meer dan 0,5 meter. Door de dubbelbestemming ook in dit plan te behouden, zijn eventuele archeologische resten in de bodem voldoende beschermd.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

5.3 Ecologie

De Wet natuurbescherming (Wnb) is opgenomen in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur, het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het huidige normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijven ongewijzigd. Uitgezonderd van de toets ten aanzien van stikstof. Het beoordelen van de effecten van een planontwikkeling op beschermde gebieden is geregeld in artikel 11.6 van het Besluit activiteiten leefomgeving. De regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven gelden tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum. Hier vindt, vooralsnog, dus geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving. Na de nog te bepalen datum dient stikstof te worden gemonitord als omgevingswaarde.

Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).

Gebiedsbescherming

De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

  • 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden;
  • 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en
  • 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd.

Soortenbescherming

Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, en op bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of:

  • er soorten aanwezig zijn; en
  • welke soorten dat zijn.

In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.

Planspecifiek

Ten behoeve van voorliggende ontwikkeling is een onderzoek gedaan naar deze aspecten. De belangrijkste conclusies zijn in het vervolg van voorliggende paragraaf opgenomen.

Soortenbescherming

Ten behoeve van soortenbescherming is een natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. Deze is opgenomen in bijlage 7. De voorgenomen ontwikkeling heeft negatieve gevolgen voor verschillende beschermde diersoorten. Als gevolg van het slopen van de gebouwen worden mogelijk beschermde dieren gedood en gaan voortplantings- en rustplaatsen verloren. Voor sommige soorten geldt een vrijstelling voor het beschadigen en vernielen van de voortplantings- en rustplaats, maar dat geldt niet voor vogels. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Onderzoek heeft aangetoond dat vleermuizen géén verblijfplaats bezetten in het plangebied. Als er zorgvuldig gewerkt wordt (geen dieren opzettelijk doden), en bezette vogelnesten niet negatief beïnvloed worden, kunnen de voorgenomen werkzaamheden uitgevoerd worden zonder overtreding van een verbodsbepaling. Overtreding ten aanzien van algemene broedvogels kan worden voorkomen door de locatie buiten het broedseizoen bouwrijp te maken. Er hoeft geen aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden. Er dient altijd rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht.

Gebiedsbescherming

De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000 / Beschermd natuurmonument/ Wetland/ Nationaal Park / Gelders Natuurnetwerk. Het perceel ligt op circa 337 m afstand tot het Natura 2000-gebied De Wieden. Gezien de situatie van het beëindigen van het agrarisch bedrijf ter plaatse en de woningbouwontwikkeling zijn er geen significant negatieve effecten te verwachten als gevolg van stikstofdepositie. Hiervoor wordt verwezen naar de passende beoordeling in bijlage 8. Voor dit specifieke aspect is een vergunning aangevraagd bij de provincie Overijssel. Gezien de aard, omvang en afstand van de ontwikkeling tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is er ook geen sprake van overige effecten (geluid, optische verstoring, licht, trillingen).

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

5.4 Verkeer en parkeren

De omgevingsvisie van de gemeente moet een visie op verkeer en vervoer op gemeentelijk niveau bevatten. Het initiatief dient hieraan getoetst te worden. Daarnaast blijven de bekende richtlijnen vanuit het CROW bestaan.

Een ruimtelijke ontwikkeling zorgt vaak voor een verandering van het aantal verkeersbewegingen. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto's (en evt. ook fietsen en/of scooters). Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn.

De gemeente stelt parkeerbeleid op met daarin parkeernormen waaraan nieuwe ontwikkelingen moeten voldoen. De activiteit dient dus aan het gemeentelijk beleid getoetst te worden.

Planspecifiek

Verkeersgeneratie en ontsluiting

De verkeersgeneratie (licht verkeer) neemt als gevolg van de ontwikkeling beperkt toe. Daarnaast neemt de hoeveelheid zwaarder verkeer af door het verwijderen van de bedrijfsmogelijkheden ter plaatse. De ontsluiting van de nieuwe woningen vindt plaats, middels een nieuwe aansluiting op de Schaarweg, via een erftoegangsweg. Gezien de kleinschalige opzet en het beperkte aantal verkeersbewegingen is geen sprake van verkeersonveilige situaties of overbelasting van de bestaande wegstructuur.

Parkeren

In de gemeente Steenwijkerland worden op basis van de Nota Parkeernormen 2015 Gemeente Steenwijkerland voor het berekenen van de parkeerbehoefte de normen van het CROW gehanteerd. Navolgende tabel geeft hiervan een uitwerking voor onderhavig plan.

Type woning   Aantal   Parkeernorm   Totaal  
Vrijstaande woning   1   2   2  
Twee-onder-een-kapwoning   4   1,8   7,2  
Rijwoning   17   1,6   27,2  
Totaal   22     36,4  

Onderhavig initiatief voorziet in de volgende parkeervoorzieningen:

Type   Aantal   Eenheid   Totaal  
Openbare parkeerplaatsen   24   1   24  
Enkele oprit   8   1   8  
Lange oprit   2   2   4  
Dubbele oprit   1   2   2  
Totaal       38  

Met onderhavig initiatief worden 38 parkeerplaatsen toegevoegd. Hiermee wordt aan de gestelde parkeernorm voor de genoemde woningen voldaan. Voor de extra woning op het bestaande erf is er voldoende ruimte om op het eigen terrein te voorzien in 2 parkeerplaatsen.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

5.5 Duurzaamheid en klimaatadaptatie

Het klimaat verandert en steeds vaker worden we geconfronteerd met de gevolgen, zoals hitte, droogte, extreme neerslag en overstromingen. Klimaatverandering is in een vergaand stadium en de effecten en risico's voor onze samenleving worden steeds groter. Aan de ene kant moeten we de uitstoot van broeikasgassen verminderen, zodat de opwarming beperkt blijft. Aan de andere kant is het noodzakelijk om ons als samenleving aan te passen en voor te bereiden op de reeds ingezette klimaatveranderingen en de gevolgen daarvan. Niet alleen om schade te beperken, maar ook om kansen te benutten.

De nationale opgave voor klimaatadaptatie is beschreven in het Bestuursakkoord Klimaatadaptatie en het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie met daarin een prominente rol voor gemeenten. Lokale gevoeligheden voor klimaatverandering moeten in kaart worden gebracht en als integraal onderdeel van beleid daadkrachtig worden aangepakt. Daarbij is het van belang zowel te kijken naar aanpassingen aan de bestaande openbare ruimte als naar nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.

Planspecifiek

Op basis van de Klimaateffectatlas is in beeld gebracht welke risico's zich kunnen voordoen in het plangebied als gevolg van klimaatverandering.

Wateroverlast

Volgens de Klimaateffectatlas neemt het aantal zeer natte dagen in de omgeving van het plangebied naar verwachting toe. Ook de gemiddelde jaarlijkse neerslag stijgt, terwijl zomerse buien mogelijk intensiever maar korter worden. Door de lage ligging kan er lokaal sprake zijn van een verhoogde kans op grondwateroverlast bij langdurige neerslag. In het plan is daarom voorzien in waterberging en blijft een groot deel van het terrein onverhard, zodat regenwater lokaal kan infiltreren.

Hittestress

Het aantal tropische dagen en periodes van langdurige hitte neemt in de toekomst toe. De nieuwbouwwoningen worden goed geïsoleerd en voldoen aan de actuele bouwvoorschriften, waarmee ze beter bestand zijn tegen opwarming. Het plangebied wordt daarnaast landschappelijk groen ingericht, met veel vegetatie. Hierdoor wordt opwarming van de leefomgeving beperkt en hittestress tegengegaan.

Droogte

De Klimaateffectatlas voorspelt een toename van neerslagtekorten, vooral in het groeiseizoen. Het plan speelt hierop in door regenwater zoveel mogelijk op eigen terrein te bergen en te laten infiltreren, onder andere via groenzones en wadi’s. Daarmee wordt bijgedragen aan het op peil houden van het lokale bodemvocht.


Overstroming

Het plangebied ligt op ruime afstand van grotere wateren en buitendijkse gebieden. De kans op overstroming is hiermee beperkt. Binnen het plangebied bestaan voldoende mogelijkheden voor schuilen.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

Hoofdstuk 6 Conclusie

Artikel 1.3 van de Omgevingswet, “maatschappelijke doelen van de wet”, bepaalt het volgende:

“Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang:

  • 1. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur, en
  • 2. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.”

Met behulp van de wet moet de samenleving in staat zijn om de fysieke leefomgeving op de gewenste kwaliteit te brengen, te houden én tegelijkertijd voldoende ruimte te laten voor activiteiten van burgers en bedrijven. Centraal staat de samenhangende zorg voor de fysieke leefomgeving welke integrale oplossingen moet bevorderen. Integraal betekent niet dat er geen sectorale beleidsdoelen meer zullen zijn. Zo zullen er doelen en randvoorwaarden blijven op het gebied van veiligheid, gezondheid, kwaliteit van ecosystemen, beschikbaarheid van hulpbronnen en behoud van cultureel erfgoed. Het is voor een goede integratie van belang dat sectorale doelen en randvoorwaarden helder en eenduidig zijn, omdat deze het uitgangspunt vormen voor de integrale zorg voor de fysieke leefomgeving. Mocht het zo zijn dat er in een bepaald geval een norm wordt overschreden dan is er de bestuurlijke afwegingsruimte. Die ruimte kan nodig zijn om (gemotiveerd) af te wijken van een norm in verband met bijvoorbeeld (bijzondere) lokale situaties, complexe gebieden of gebiedsoverstijgende belangen.

Om een omgevingsplan te kunnen wijzigen dient het te voldoen aan de wettelijk eis dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om deze vraag te beantwoorden is een afweging nodig tussen alle aspecten met betrekking tot het plan. Van belang daarbij is dat voldaan wordt aan de eisen voor gezondheid en veiligheid. Dit is van belang omdat hiervoor niet één algemene norm is maar dit tot stand komt als optelsom – en – weging van het totaal. Het kan gewenst zijn af te wijken van een, of meerdere, sectorale aspecten om uitvoering van een maatschappelijk gewenste activiteit of maatwerk in het individuele geval mogelijk te maken. Op deze manier kan afgewogen worden waarom een ontwikkeling bijdraagt aan de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Aan de hand van een voorbeeld is dit makkelijk duidelijk te maken: dat een woning meer geluid ontvangt van wegverkeer dan gewenst maakt nog niet dat het onaanvaardbaar is. Dat geldt voor veel woningen waar mensen gezond en veilig wonen. Dat geldt ook voor geur, omgevingsveiligheid, trilling, luchtkwaliteit of bodemkwaliteit. Maar als álle zes deze aspecten wat hoger zijn, of drie flink hoger of twee heel hoog – maar binnen de maximale norm – dan kan de conclusie anders zijn.

In voorgaande hoofdstukken is ingegaan op die regels, beleidsonderwerpen en onderzoeksaspecten die relevant zijn voor de beoordeling of bij dit plan sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Overige regels, beleidsonderwerpen en onderzoeksaspecten zijn niet relevant voor de beoordeling van dit plan en daarom niet beschreven.

Planspecifiek

Uit voorgaande hoofdstukken blijkt dat er geen aspecten zijn die beperkend werken op de gewenste ontwikkeling. Er wordt voldaan aan de eisen voor gezondheid en veiligheid: ook als optelsom -en de weging daarbij- geldt dat gezien hetgeen in hoofdstuk 4 en 5 is te lezen (“veilige en gezonde fysieke leefomgeving“ en “een goede omgevingskwaliteit”) dit plan voldoet aan evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Hoofdstuk 7 Juridische planbeschrijving

7.1 Inleiding

Het TAM-IMRO omgevingsplan is een tijdelijke alternatieve maatregel (TAM) voor gemeenten die in de beginperiode van de Omgevingswet om enige reden nog niet in staat zijn om een omgevingsplan in STOP/TPOD op te stellen of te wijzigen. De TAM is primair bedoeld om urgente gebiedsontwikkeling te kunnen blijven faciliteren. Kort gezegd houdt TAM-IMRO omgevingsplan in dat de oude IMRO-standaard voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet (nieuw juridisch kader, oude techniek).

7.2 Juridische systematiek

Hoewel onderhavig initiatief gebruik maakt van bestaande techniek, wordt juridisch wel voldaan aan de regels van de Omgevingswet. De regels en verbeelding van voorliggend TAM-omgevingsplan zijn dan ook opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP). De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding bij het plan. Dit plan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012.

Het juridisch bindend gedeelte van het TAM-omgevingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. De regels zijn onderverdeeld in een preambule en vier hoofdstukken:

  • Preambule;
  • Hoofdstuk 1: Inleidende regels;
  • Hoofdstuk 2: Functieregels;
  • Hoofdstuk 3: Algemene regels;
  • Hoofdstuk 3: Overgangsregels.

7.3 Toepassingsbereik TAM-Omgevingsplan

Dit TAM-omgevingsplan (hierna: plan) wijzigt het omgevingsplan in die zin dat na hoofdstuk 22 van het omgevingsplan een [hoofdstuk 22N] wordt ingevoegd, bestaande uit de regels van dit plan. De hoofdstukken in de regels moeten gelezen worden als paragrafen van [hoofdstuk 22N] van het omgevingsplan Steenwijkerland. Dit plan komt in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. In de regels staat de verhouding tot de rest van het tijdelijke deel van het omgevingsplan.

In de regels staat ook de verhouding tot de rest van het tijdelijke deel van het omgevingsplan beschreven.

De regels van de geldende bestemmingsplannen vervallen op de locatie van voorliggend plan bij vaststelling van voorliggend plan.

7.4 Beschrijving per functie

Onderhavig initiatief kent de volgende functies:

Agrarisch met waarden

De functie 'Agrarisch met waarden' is opgenomen ten behoeve van het behoud van bestaande agrarische gronden met de daarbij behorende waarden, waaronder de openheid. Ten behoeve van de bescherming van het woon- en leefklimaat is een spuitzone opgenomen waarbinnen geen gewasbeschermingsmiddelen mogen worden toegepast.

Groen

De functie 'Groen' is opgenomen ten behoeve van groenvoorzieningen aan de randen van het woongebied.

Tuin

De functie 'Tuin' is bij de woningen op het zuidelijke perceel opgenomen aan de voorzijdes van de woningen. Hierbinnen is het gebruik ten behoeve van tuin toegestaan.

Verkeer

De functie 'Verkeer' is opgenomen op het zuidelijke perceel ten behoeve van een goede ontsluiting van de woningen en de mogelijkheid tot het toevoegen van openbare parkeervoorzieningen.

Wonen

Ten behoeve van de woningen is de functie 'Wonen' opgenomen. Binnen de functievlakken zijn bouwvlakken aanwezig, waarbij middels bouwaanduidingen ('aaneengebouwd', 'twee-aaneen' en 'vrijstaand') is aangegeven welke type woningen waar toegestaan zijn. Tevens zijn maatvoeringen opgenomen voor het maximum aantal wooneenheden, de maximum goothoogte en maximum bouwhoogte per bouwvlak. Op het noordelijke erf zijn op het functievlak aanduidingen 'bijgebouwen' opgenomen ten behoeve van de bijgebouwen. Dit hele aanduidingsvlak mag worden benut voor bijgebouwen. Bij het meest noordelijke bouwvlak worden karakteristieke elementen beschermd middels de aanduiding 'karakteristiek'. Het gaat in deze niet om een aangewezen monument en/of monumentale waarde.

Waarde - Archeologie 2

Ten behoeve van de bescherming en behoud van eventueel aanwezige archeologische waarden is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' overgenomen. Deze geldt ter plaatse van het gehele plangebied.

Hoofdstuk 8 Overige aspecten

Behalve de beoordeling of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, dient ook ingegaan te worden op de aspecten participatie en kostenverhaal. In dit hoofdstuk worden deze aspecten behandeld om te kunnen beoordelen of het plan maatschappelijk en economisch uitvoerbaar is.

8.1 Participatie

Onder de Omgevingswet is het belang van participatie toegenomen. De gemeenteraad kan aangeven in welke gevallen participatie verplicht is en hoe dat vorm gegeven kan worden.

Planspecifiek

Voor het initiatief heeft de initiatiefnemer de direct belanghebbenden in de omgeving op de hoogte gebracht.

Daarnaast zijn tijdens de terinzagelegging van het ontwerp plan twee zienswijzen ontvangen. Deze zijn samengevat en beantwoord in de Reactienota zienswijzen ontwerpomgevingsplan. De Reactienota is bijgevoegd in bijlage 9. De zienswijzen leiden niet tot aanpassing van het plan.

8.2 Kostenverhaal

Het kostenverhaal is het door de overheid verhalen van kosten op een initiatiefnemer. Voor het verlenen van de dienst om stukken te beoordelen en samen met de initiatiefnemer uit te werken worden op basis van de legesverordening leges geheven. Maar het verhaal van te maken overheidskosten heeft ook betrekking op werken, werkzaamheden en maatregelen zoals bijvoorbeeld kosten voor het aanleggen van openbare voorzieningen zoals wegen, parkeren, civiele voorzieningen etc.. Dit kostenverhaal kan publiekrechtelijk vormgegeven worden via het Omgevingsplan, het projectbesluit of de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Overheid en initiatiefnemer kunnen een overeenkomst sluiten over kostenverhaal voorafgaand aan het besluit dat de aangewezen activiteit mogelijk maakt: de 'anterieure overeenkomst'. De Omgevingswet biedt daarvoor een grondslag in paragraaf 13.6.2 van de Omgevingswet. Onderdeel van deze overeenkomst is ook dat hier wordt vastgelegd op welke wijze omgegaan wordt met de nadeelcompensatie.

Planspecifiek

De ontwikkelingskosten komen geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Hiertoe heeft de gemeente voorafgaand aan de procedure met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst afgesloten. Voor de realisatie van het plan hoeft de gemeente geen investering te doen. De kosten die door de gemeente gemaakt worden voor het voeren van de procedure zijn verrekend in de anterieure overeenkomst . Eventuele extra gemeentelijke kosten worden gedekt door de anterieure overeenkomst.

Tevens is in de anterieure overeenkomst het onderwerp nadeelcompensatie opgenomen. Deze kosten komen eveneens geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het plan economisch uitvoerbaar is.