direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22N Sint-Jansklooster - Schaarweg 22
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1708.STJSchaarweg22OP-VA01

Regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Toepassingsbereik

  • a. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid.
  • b. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
  • c. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22N Sint-Jansklooster - Schaarweg 22, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1708.STJSchaarweg22OP-VA01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.

Artikel 2 Begripsbepalingen

2.1 Van toepassing verklaring:

Begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk van het omgevingsplan.

2.2 Aanvullende begrippen:

In aanvulling op het bepaalde in 2.1 worden voor de toepassing van de regels in dit hoofdstuk de begrippen als bedoeld in 2.3 tot en met 2.47 gehanteerd.

2.3 Plan:

Het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22N Sint-Jansklooster - Schaarweg 22 met identificatienummer NL.IMRO.1708.STJSchaarweg22OP-VA01 van de gemeente Steenwijkerland bestaande uit de geometrisch bepaalde planobjecten zoals vervat in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.1708.STJSchaarweg22OP-VA01 met de in dit plan opgenomen regels en de daarbij behorende bijlagen.

2.4 Aan huis verbonden bedrijf:

het bedrijfsmatig verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid dat op kleine schaal in een woning of de daarbij behorende bijgebouwen wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende bedrijfsuitoefening een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie ter plaatse, niet zijnde detailhandel, behoudens de ondergeschikte verkoop van artikelen verband houdende met de activiteiten.

2.5 Aan huis verbonden beroep:

een dienstverlenend beroep dat op kleine schaal in een woning of de daarbij behorende bijgebouwen wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende beroepsuitoefening een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie ter plaatse, niet zijnde detailhandel, behoudens de ondergeschikte verkoop van artikelen verband houdende met de activiteiten.

2.6 Aanbouw/uitbouw:

een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan dat hoofdgebouw, maar er functioneel onderdeel van uitmaakt.

2.7 Aanduiding:

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

2.8 Aanduidingsgrens:

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

2.9 Achtererfgebied:

erf aan de achterkant en de zijkant, op meer dan 1,00 meter van de voorkant van het hoofdgebouw.

2.10 Agrarisch bedrijfsmatig gebruik:

het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren, ten behoeve van een agrarisch bedrijf. Hieronder wordt mede verstaan een rietteeltbedrijf.

2.11 Agrarisch hobbymatig gebruik:

het telen van gewassen en/of het houden van dieren, niet gericht op het voortbrengen van producten ten behoeve van een agrarisch bedrijf.

2.12 Agrarisch:

het telen van gewassen en/of het houden van dieren.

2.13 Ambacht(elijk):

het bedrijfsmatig, geheel of overwegend door middel van handwerk vervaardigen, ver-/bewerken, herstellen of installeren van goederen, alsook het verkopen en/of leveren, als ondergeschikte activiteit, van goederen die ter plaatse worden vervaardigd, ver- of bewerkt, ondergeschikt aan de woonfunctie. Wanneer deze activiteit in een woning en de daarbij behorende bijgebouwen plaatsvindt, dient de omvang van de activiteit zodanig te zijn dat de woonfunctie in overwegende mate wordt gehandhaafd.

2.14 Archeologische deskundige:

de provinciaal, gemeentelijk of regionaal archeoloog of een andere door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen deskundige op het gebied van archeologie.

2.15 Archeologische verwachting:

de aan een gebied toegekende verwachting in verband met de kans op het voorkomen van archeologische relicten.

2.16 Archeologische waarde:

de aan een gebied toegekende waarde in verband de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteit uit het verleden.

2.17 Bebouwing:

één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.

2.18 Bed & breakfast:

het aanbieden van recreatief nachtverblijf in de vorm van logies met ontbijt binnen bestaande gebouwen gericht op kortdurend verblijf, niet zijnde de uitoefening van een hotel, pension of ander bedrijf. Hieronder wordt niet verstaan het overnachten, noodzakelijk in verband met het verrichten van tijdelijk of seizoensgebonden werkzaamheden en/of arbeid.

2.19 Bedrijf:

een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten. Aan-huisverbonden beroepen en bedrijven niet daaronder begrepen.

2.20 Bedrijfsmatig:

via een bedrijf, stichting of andere rechtspersoon deelnemen aan het economisch verkeer al dan niet met winstoogmerk, en activiteiten die hiermee naar aard, omvang en regelmaat zijn gelijk te stellen.

2.21 Beeldkwaliteit:

de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde met betrekking tot de bouwkundige vormgeving en ruimtelijke en functionele aspecten.

2.22 Bestaand:

de op legale wijze gerealiseerde of realiseerbare bebouwing of het op legale wijze gerealiseerde of realiseerbare gebruik ten tijde van de inwerkingtreding van de beheersverordening.

2.23 Bijgebouw:

een vrijstaand of aangebouwd gebouw dat architectonisch ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

2.24 Bouwen:

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.

2.25 Bouwgrens:

de grens van een bouwvlak.

2.26 Bouwlaag:

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw, zolder, dakopbouw of setback.

2.27 Bouwperceel:

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

2.28 Bouwperceelgrens:

de grens van een bouwperceel.

2.29 Bouwvlak:

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.

2.30 Bouwwerk:

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

2.31 Carport:

een bouwwerk met tenminste een dak en niet, of aan maximaal twee zijden van wanden voorzien, inclusief bestaande wanden.

2.32 Cultuurhistorische waarde:

de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat in de loop van de geschiedenis is ontstaan door het gebruik dat de mens van dat bouwwerk of gebied heeft gemaakt.

2.33 Dagrecreatie:

het totaal van mogelijkheden en voorzieningen om te recreëren op een bepaalde plaats zonder overnachtingsmogelijkheden.

2.34 Dak:

een uitwendige scheidingsconstructie als bovenafsluiting van een bouwwerk.

2.35 Detailhandel:

het bedrijfsmatig te koop, te huur of in lease aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ter verkoop, ter verhuur, ter leasing, het verkopen, het verhuren en/of leveren, van goederen aan diegenen die, die goederen kopen respectievelijk huren, voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

2.36 Eerste bouwlaag:

bouwlaag op de begane grond.

2.37 Erf:

al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, mits deze inrichting in overeenstemming is met de beheersverordening.

2.38 Erfafscheiding:

afscheiding welke op een grens tussen twee erven is geplaatst.

2.39 Erker:

een ondergeschikte uitbouw op de begane grond van de woning, die strekt ter vergroting van het woongenot. Een erker is gelegen aan de verblijfsruimte en zorgt voor een verbijzondering van de voorgevel zonder de architectuur wezenlijk aan te tasten. Een erker heeft een diepte van maximaal 1,00 meter en is aan drie zijden geheel of gedeeltelijk voorzien van glas.

2.40 Gebouw:

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

2.41 Geschakelde woning:

een woning, waarvan het hoofdgebouw door middel van een bijgebouw verbonden is aan een ander (hoofd)gebouw van een andere woning.

2.42 Gevellijn:

de bouwgrens die (nagenoeg) gelijk loopt aan de as van de weg of het water waarin een (of meer) gevel(s) van een gebouw is (zijn) geplaatst en die is gelegen aan de weg grenzende perceelsgrens, ofwel de gevellijn als aangeduid op de kaart.

2.43 Grondgebonden woning:

een gebouw dat uitsluitend één woning omvat en waarvan op het bijbehorende bouwperceel geen andere woningen voorkomen.

2.44 Hoofdgebouw:

gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is.

2.45 Kampeermiddel:

een middel ten behoeve van recreatief nachtverblijf, waaronder wordt begrepen een tent, een tentwagen, een kampeerauto, toercaravans, vouwwagens, campers of huifkarren.

2.46 Karakteristieke bebouwing:

een gebouw of een complex van gebouwen dat vanwege zijn cultuurhistorische en architectonische waarde, niet zijnde monumenten, in relatie met zijn omgeving als waardevol wordt beschouwd.

2.47 Kunstwerk:

civiel-technisch werk voor de infrastructuur van wegen water spoorbanen waterkeringen en of leidingen en niet bedoeld voor permanent menselijk verblijf.

2.48 Locatievlak:

een geometrisch bepaald vlak dat is aangewezen voor een gebruiksdoel.

2.49 Natuur- en landschapselementen:

houtopstanden, houtwallen, houtsingels en daaraan gelijk te stellen elementen.

2.50 Nevenactiviteit:

een bedrijfs- of beroepsmatige activiteit die in ruimtelijk, functioneel en inkomenswervend opzicht ondergeschikt is aan de op de ingevolge deze beheersverordening toegestane hoofdfunctie op een perceel.

2.51 Normale onderhoudswerkzaamheden:

werkzaamheden die regelmatig noodzakelijk zijn voor een goed beheer van de gronden en bouwwerken. Daaronder worden mede verstaan werken of werkzaamheden die deel uitmaken van de activiteiten die worden uitgevoerd in het kader van een beheersplan, zoals bedoeld in de Natuurbeschermingswet.

2.52 Overkapping:

een bouwwerk, geen gebouw zijnde met een dak, dat niet of slechts aan één zijde is voorzien van een (bestaande) wand.

2.53 Paardenbak:

een onoverdekte, als zodanig herkenbare ruimte, al dan niet omsloten, bedoeld voor het trainen, rijden en berijden van paarden en pony's.

2.54 Peil:

  • a. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
  • b. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de gemiddelde hoogte van het afgewerkte aansluitende maaiveld;
  • c. indien in of op het water wordt gebouwd: het Normaal Amsterdams Peil (NAP) of het ter plaatse geldende waterpeil.

2.55 Recreatief medegebruik:

het medegebruik van gronden voor recreatieve activiteiten, zoals wandelen, fietsen, ruitersport, varen met kano en gemotoriseerde (fluister)boot, surfen, zeilen en sportvisserijen, alsmede route-ondersteunende voorzieningen, zoals picknick-, uitzicht-, rust- en informatieplaatsen, voor zover de overige functies van de gronden dit toelaten.

2.56 Recreatief nachtverblijf:

verblijf door recreanten die hun hoofdverblijf elders hebben.

2.57 Teeltondersteunende voorzieningen:

In, op of boven de grond aangebrachte voorzieningen ter ondersteuning van agrarische, plantaardige teelt met als doel verbetering van de productie (onder meer door teeltvervroeging en -verlating, terugdringing van onkruidgroei en beperking van vraat), verbeteren van de arbeidsomstandigheden (onder meer door gewassen verhoogd te telen) en het bereiken van positieve effecten op milieu en water (bodembescherming, terugdringen onkruidbestrijdingsmiddelen, effectief omgaan met water).

2.58 Verdieping:

een bouwlaag die is gelegen boven de eerste bouwlaag welke is gelegen op de begane grond.

2.59 Voorgevel:

gevel van een gebouw die is gelegen aan de zijde van de weg of het water dan wel die in ruimtelijk opzicht de voorkant van het gebouw vormt.

2.60 Waterhuishoudkundige voorzieningen:

voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelwaterinfiltratie en/of waterkwaliteit zoals duikers, stuwen, infiltratievoorzieningen, gemalen, inlaten etc.

2.61 Woning:

een (gedeelte van een) gebouw dat dient voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.

2.62 Woningsplitsing:

het bouwkundig en functioneel splitsen van een bestaande woning in twee of meer zelfstandige woningen ten behoeve van de vestiging van meer dan één huishouden.

2.63 Zolder:

ruimte(n) in een gebouw die hoofdzakelijk is (zijn) afgedekt met schuine daken en die in functioneel opzicht geen deel uitmaakt van (de) daaronder gelegen bouwlaag of bouwlagen.

Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen

De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in meters (m), m² of m³ zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in dit artikel. Bij toepassing van dit hoofdstuk wordt als volgt gemeten:

3.1 de afstand tot de zijdelingse bouwperceelgrens:

tussen de zijdelingse grenzen van een bouwperceel en enig punt van het op dat bouwperceel voorkomend (hoofd-)gebouw, waar die afstand het kortst is.

3.2 het bebouwingspercentage:

het percentage van een bouwperceel dat met gebouwen mag worden bebouwd. Voor zover op de kaart bouwgrenzen zijn aangegeven wordt het bebouwingspercentage berekend over het gebied binnen de bouwgrenzen.

3.3 de bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

3.4 de dakhelling:

de helling langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.

3.5 de goothoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeiboord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

3.6 de hoogte van een windturbine:

vanaf het peil tot aan de (wieken)as van de windturbine.

3.7 de horizontale diepte van een gebouw:

de lengte van een gebouw, gemeten loodrecht vanaf de naar de weg gekeerde gevel.

3.8 de inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of) het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

3.9 de lengte, breedte en diepte van een bouwwerk:

de buitenwerks tussen de buitenzijde van de gevels en/of het hart van de scheidingsmuren gemeten grootste afstand.

3.10 de ondergrondse bouwdiepte van een bouwwerk:

vanaf peil tot het diepste punt van het bouwwerk, de fundering niet meegerekend.

3.11 de oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

3.12 de ondergeschikte bouwdelen:

Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, tot een maximum van 1,00 meter.

3.13 de verticale diepte van een gebouw:

de diepte van een gebouw, gemeten vanaf de onderzijde van de begane grondvloer.

Hoofdstuk 2 Functieregels

Artikel 4 Agrarisch met waarden

4.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als 'Agrarisch met waarden'.

4.2 Functieomschrijving

Een locatie die op de verbeelding is aangewezen als Agrarisch met waarden heeft de volgende functies:

  • a. agrarisch bedrijfsmatig gebruik;
  • b. agrarisch hobbymatig gebruik;
  • c. bescherming, instandhouding en versterking van de aanwezige natuurlijke en/of landschappelijke waarden;
  • d. instandhouding, versterking en ontwikkeling van natuur- en landschapselementen, water en oevervegetaties.

Met daaraan ondergeschikt:

  • 1. ontsluitingsvoorzieningen;
  • 2. groenvoorzieningen;
  • 3. recreatief medegebruik, voor zover dit geen onevenredige verkeersaantrekkende werking tot gevolg heeft;
  • 4. watervoorzieningen.
4.3 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
4.3.1 Gebouwen

Op gronden met de functie Agrarisch met waarden mogen geen gebouwen worden gebouwd.

4.3.2 Bouwwerken, geen gebouw zijnde

Op gronden met de functie 'Agrarisch met waarden' mogen geen bouwwerken, geen gebouw zijnde worden gebouwd, met uitzondering van:

  • a. omheiningen, uitsluitend in de vorm van draadomheining, met dien verstande dat de hoogte maximaal 1 meter bedraagt;
  • b. voerderruiven, drinkbakken en/of picknickplaatsen, met dien verstande dat de bouwhoogte maximaal 1,50 meter bedraagt;
  • c. bouwwerken, geen gebouw zijnde ten behoeve van het instandhouden, versterken en/of ontwikkelen van de in artikel 4.2 genoemde natuur- en landschapselementen, met dien verstande dat de bouwhoogte maximaal 2,00 meter bedraagt;
  • d. bestaande bouwwerken, geen gebouw zijnde, met dien verstande dat de bouwhoogte maximaal de bestaande bouwhoogte bedraagt.
4.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
4.4.1 Teeltondersteunende voorzieningen

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning teeltondersteunende voorzieningen te plaatsen.

4.4.2 Paardenbak

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een paardenbak te realiseren.

4.4.3 Minicampings

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een minicamping te exploiteren.

4.5 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit
4.5.1 Teeltondersteunende voorzieningen

Een omgevingsvergunning voor teeltondersteunende voorzieningen kan uitsluitend worden verleend indien:

  • a. de oppervlakte van teeltondersteunende voorzieningen per bedrijf maximaal 500 m2 bedraagt;
  • b. er sprake is van een goede landschappelijke inpassing.

4.5.2 Paardenbak

Een omgevingsvergunning voor een paardenbak kan uitsluitend worden verleend indien:

  • a. de volledige paardenbak wordt gerealiseerd binnen een straal van 70 meter, gemeten vanaf het aangrenzende en bij de functie behorende hoofdgebouw;
  • b. de paardenbak op minimaal 50 meter afstand van de woning van derden wordt aangelegd;
  • c. de paardenbak een maximale afmeting van 20 x 40 meter heeft;
  • d. de paardenbak in het achtererf wordt gerealiseerd;
  • e. er sprake is van een goede landschappelijke inpassing;
  • f. de bouwhoogte van de omheining rond een paardenbak maximaal 1,50 meter is, met dien verstande dat de lichtmasten ten hoogste 5,50 meter bedragen;
  • g. de plaatsing van lichtmasten bij de paardenbak uitsluitend plaatsvindt op een manier dat dit geen lichthinder tot gevolg heeft.

4.5.3 Minicampings

Een omgevingsvergunning voor een minicamping kan uitsluitend worden verleend indien:

  • a. het totaal aantal overnachtingsplekken op minicampings binnen de gemeente niet meer dan 750 bedraagt;
  • b. het maximaal aantal kampeerplaatsen per minicamping maximaal 20 bedraagt;
  • c. de oppervlakte van een kampeerplaats minimaal 80 m2 bedraagt;
  • d. er uitsluitend kampeermiddelen worden geplaatst;
  • e. er sprake is van een goede landschappelijke inpassing;
  • f. er in voldoende mate wordt voorzien in de parkeerbehoefte, overeenkomstig de parkeernota Steenwijkerland of diens rechtsopvolger;
  • g. de afstand van de minicamping tot de perceelsgrens met de aangrenzende woningen met een woonfunctie minimaal 25 meter bedraagt;
  • h. nieuwe minicampings niet zijn gelegen in Natura-2000 gebied en/of EHS gebieden;
  • i. er uitsluitend sprake is van seizoensgebonden recreatie.
4.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
4.6.1 Regels voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

Het is verboden op of in de gronden, met de functie Agrarisch met waarden, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen, verharden of verwijderen van wegen, paden of parkeergelegenheden en het aanbrengen of verwijderen van andere oppervlakteverhardingen;
  • b. het scheuren van grasland en/of rietland;
  • c. het aanbrengen van (bovengrondse) leidingen, constructies, installaties en apparatuur;
  • d. het verrichten van exploitatieboringen;
  • e. het graven, verbreden, uitdiepen, dempen en/of verleggen van watergangen;
  • f. het wijzigen van de bodemstructuur, het ontginnen, bodemverlagen of afgraven, ophogen en/of egaliseren van de bodem met meer dan 0,20 meter;
  • g. het verwijderen van natuur- en landschapselementen;
  • h. het aanbrengen dan wel wijzigen van drainagesystemen;
  • i. het dempen van oppervlaktewater;
  • j. het vergraven van oevers;
  • k. het verleggen van watergangen.

4.6.2 Uitzonderingen

Het verbod in artikel 4.6.1. is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die;

  • a. het normale beheer en/of onderhoud betreffen;
  • b. worden verricht in het kader van normaal bodemgebruik;
  • c. deel uitmaken van activiteiten die worden uitgevoerd in het kader van een beheersplan, zoals bedoeld in de Omgevingswet.

4.6.3 Voorwaarden

De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden wordt slechts verleend indien;

  • d. de werken of werkzaamheden, de waarden en doeleinden genoemd in artikel 4.2 niet onevenredig aantasten;
  • e. de gevolgen van de werken of werkzaamheden, direct of indirect, de waarden en doeleinden genoemd in artikel 4.2 niet onevenredig aantasten;
  • f. de mogelijkheden voor herstel van de waarden niet wezenlijk worden verkleind.     

4.6.4 Advies

Het bevoegd gezag vraagt advies aan het bevoegde waterschapsgezag, alvorens een vergunning verleend kan worden in de volgende gevallen:

  • a. indien er meer dan 750 m2 extra verhard oppervlakte gerealiseerd wordt;
  • b. gronden worden afgegraven met als doel meer dan 750 m2 oppervlaktewater te realiseren.

Artikel 5 Groen

5.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als 'Groen'.

5.2 Functieomschrijving

Een locatie die op de verbeelding is aangewezen als Groen heeft de volgende functies:

  • a. groenvoorzieningen, structurele beplantingen en plantsoenen;
  • b. recreatief medegebruik;
  • c. water(bergings)voorzieningen;
  • d. openbare nutsvoorzieningen;
  • e. speelvoorzieningen;
  • f. voet- en fietspaden;
  • g. extensief agrarisch gebruik en beheer door beweiding en maaien;
  • h. opstelplaats(en) voor afvalinzameling.
5.3 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken

5.3.1 Algemeen

Op de gronden met de functie Groen mogen uitsluitend worden gebouwd:

  • a. bouwwerken ten behoeve van een nutsvoorzieningen;
  • b. bouwwerken, geen gebouw zijnde, mits wordt voldaan aan de in 5.3.2 gestelde voorwaarden.

5.3.2 Bouwwerken geen gebouw zijnde

Een bouwwerk, geen gebouw zijnde, mag uitsluitend worden gebouwd indien de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde maximaal 6,00 meter bedraagt en deze wordt gerealiseerd ten behoeve van:

  • a. nutsvoorzieningen;
  • b. de regeling van de verkeersveiligheid;
  • c. de verlichting van wegen, rijwiel- en voetpaden;
  • d. recreatieve bewegwijzering, informatieborden en kleinschalige uitzicht- en rustpunten;
  • e. straatmeubilair;
  • f. speelvoorzieningen;
  • g. vergelijkbare bouwwerken.
5.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
5.4.1 Aanleggen van wegen

Het is verboden wegen aan te leggen of aangrenzende wegen te verbreden in de functie Groen, anders dan de wegenstructuur conform bijlage 1 van deze regels.

5.4.2 Realiseren van parkeerplaatsen

Het is verboden om parkeerplaatsen te realiseren in de functie Groen, anders dan de parkeerplaatsen conform bijlage 1 van deze regels.

5.5 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit
5.5.1 Vergroten van de bouwhoogte van nutsvoorzieningen

Een omgevingsvergunning voor het vergroten van de bouwhoogte van nutsvoorzieningen kan uitsluitend worden verleend indien:

  • a. de goothoogte niet meer dan 3,00 meter bedraagt;
  • b. de bouwhoogte niet meer dan 6,00 meter bedraagt;
  • c. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt aan het straat- en bebouwingsbeeld.

5.5.2 Aanleggen van wegen

Een omgevingsvergunning voor het verbreden of aanleggen van wegen of paden binnen de functie Groen kan worden toegestaan indien:

  • a. de verkeersveiligheid gewaarborgd blijft;
  • b. er geen onevenredige nadelige gevolgen voor het woonmilieu ontstaan of kunnen ontstaan;
  • c. er geen aantasting plaatsvindt aan het straat- en bebouwingsbeeld.

5.5.3 Realiseren van parkeerplaatsen

Een omgevingsvergunning voor het realiseren van parkeerplaatsen binnen de functie Groen kan alleen worden verleend indien:

  • a. de parkeerbehoefte is aangetoond;
  • b. de verkeersveiligheid gewaarborgd blijft;
  • c. er geen onevenredige nadelige gevolgen voor het woonmilieu ontstaan of kunnen ontstaan;
  • d. er geen aantasting plaatsvindt aan het straat- en bebouwingsbeeld.

Artikel 6 Tuin

6.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als 'Tuin'

6.2 Functieomschrijving

Een locatie die op de verbeelding is aangewezen als Tuin heeft de volgende functies:

  • a. Tuinen behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen (hoofd)gebouwen.

met de daarbij behorende:

  • 1. erven;
  • 2. watervoorzieningen;
  • 3. ontsluitings- en parkeervoorzieningen.
6.3 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken (artikel 22.29)

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 gelden teven de volgende beoordelingsregels.

6.3.1 Algemeen

Op de voor de functie Tuin aangewezen gronden mogen uitsluitend bouwwerken geen gebouwen zijnde worden gebouwd, met dien verstande dat dit geldt voor:

  • a. Erkers, luifels, balkons en dergelijke mits:
    • 1. de diepte gemeten vanaf de bouwgrens van de woning maximaal 1,00 meter bedraagt;
    • 2. de breedte niet meer dan 2/3e van de breedte van de woning bedraagt;
    • 3. de goothoogte maximaal gelijk is aan de hoogte van de eerste verdiepingsvloer + 0,30 meter.

Artikel 7 Verkeer

7.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als 'Verkeer'

7.2 Functieomschrijving

Een locatie die op de verbeelding is aangewezen als Verkeer heeft de volgende functies:

  • a. verkeersdoeleinden;
  • b. parkeervoorzieningen;
  • c. paden, wegen en straten.

Met daaraan ondergeschikt:

  • 1. groenvoorzieningen;
  • 2. speelvoorzieningen;
  • 3. geluidwerende voorzieningen;
  • 4. openbare nutsvoorzieningen;
  • 5. straatmeubilair;
  • 6. kunstwerken;
  • 7. afvalinzameling;
  • 8. watervoorzieningen.
7.3 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken

7.3.1 Algemeen

Op de voor functie Verkeer aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd:

  • a. gebouwen ten behoeve van een nutsvoorziening;
  • b. bouwwerken, geen gebouw zijnde, met dien verstande dat wordt voldaan aan de voorwaarden in 7.3.2.

7.3.2 Bouwwerken, geen gebouw zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde gelden de volgende bepalingen:

  • a. er mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouw zijnde worden gebouwd ten behoeve van/ of als:
    • 1. speelvoorzieningen;
    • 2. afvalinzameling;
    • 3. kunstwerken, zoals bruggen en duikers;
    • 4. onder- en/of bovengrondse voorzieningen voor de opvang en buffering van water.
  • b. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde bedraag maximaal 10,00 meter.
7.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
7.4.1 Bouwwerk geen gebouw zijnde ten behoeve van beeldende kunst

Het is verboden om zonder een omgevingsvergunning een bouwwerk geen gebouw zijnde ten behoeve van beeldende kunst te realiseren.

7.4.2 Plaatsen van masten ten behoeve van telecommunicatie en alarmering

Het is verboden om zonder een omgevingsvergunning een mast ten behoeve van telecommunicatie en alarmering te realiseren.

7.5 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
7.5.1 Bouwwerk geen gebouw zijnde ten behoeve van beeldende kunst

Een omgevingsvergunning voor beeldende kunst kan uitsluitend worden verleend indien:

  • a. advies wordt ingewonnen bij de Commissie Beeldende Kunst;
  • b. de beeldende kunst geen hinder voor de verkeersveiligheid vormt.

7.5.2 Nutsvoorzieningen met grotere bouwhoogte

Een omgevingsvergunning voor grotere bouwhoogte van nutsvoorzieningen kan uitsluitend worden verleend indien:

  • a. de goothoogte maximaal 3,00 meter bedraagt;
  • b. de bouwhoogte maximaal 6,00 meter bedraagt;
  • c. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
    • 1. het straat- en bebouwingsbeeld;
    • 2. de verkeersveiligheid;
    • 3. de milieusituatie;
    • 4. de gebruiksmogelijkheden van de gronden.

7.5.3 Plaatsen van masten ten behoeve van telecommunicatie en alarmering

Een omgevingsvergunning voor masten ten behoeve van telecommunicatie en alarmering kan uitsluitend worden verleend indien:

  • a. deze passen binnen het stedenbouwkundige- en/of het landschappelijke beeld ter plaatse;
  • b. belangen van derden niet onevenredig (kunnen) worden geschaad;
  • c. de totale bouwhoogte van de antenne-installatie inclusief bebouwing maximaal 40,00 meter bedraagt.
7.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
7.6.1 Regels voor het uitvoeren van werken, geen gebouw zijnde, of van werkzaamheden

Het is verboden op of in de gronden als bedoeld in artikel 7.4.1 zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanbrengen van boven- en ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
  • b. het vellen en rooien van bomen, hakhout en andere houtopstanden en het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging tot gevolg hebben of kunnen hebben, met uitzondering van het vellen, rooien of beschadigen van fruitbomen en het periodiek afzetten van hakhout;
  • c. werken of werkzaamheden die wijziging van de waterhuishouding of waterstand beogen of tot gevolg hebben, zoals uitdiepen of draineren;
  • d. het onttrekken van grondwater, anders dan ten behoeve van de veedrenking.

7.6.2 Uitzonderingen

Het in artikel 7.4.1 opgenomen verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  • a. het normale beheer en/of onderhoud betreffen;
  • b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip waarop dit hoofdstuk rechtskracht verkrijgt;
  • c. betrekking hebben op de aanleg van natuurvriendelijke oevers.

7.6.3 Voorwaarden

De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden wordt slechts verleend indien en voor zover:

  • a. de werken en werkzaamheden, waarop de vergunning betrekking heeft, noodzakelijk zijn voor een doelmatig gebruik van de gronden overeenkomstig hun functie;
  • b. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de ruimtelijke kwaliteiten van het terrein;
  • c. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de waterhuishoudkundige situatie met betrekking tot de waterkwaliteit en -kwantiteit;
  • d. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de historisch-ruimtelijke, cultuurhistorische- en/of archeologische waarden van het terrein.

7.6.4 Advies

Alvorens omtrent een aanvraag omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden te beslissen, winnen burgemeester en wethouders, indien nodig, advies in bij de met betrekking tot het betreffende terrein meest aangewezen instantie

Artikel 8 Waarde - Archeologie 2

8.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als 'Waarde – Archeologie 2'.

8.2 Functieomschrijving

De voor Waarde – Archeologie 2 aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), mede aangewezen voor bescherming van de aanwezige of naar verwachting aanwezige archeologische waarden.

8.3 Omgevingsvergunning voor het bouwen op een locatie met de waarde Archeologie 2
8.3.1 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Ter plaatse van gronden met de Waarde – Archeologie 2 is het niet toegestaan om zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen, indien de oppervlakte groter is dan 2500 m2.

8.3.2 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning

Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a. een aanvullend en/of een definitief archeologisch rapport waarin, naar oordeel van het bevoegd gezag, de archeologische waarde van het terrein is vastgesteld.

8.3.3 Beoordelingsregels omgevingsvergunning voor het bouwen

De omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk wordt slechts verleend indien en voor zover uit het archeologisch rapport blijkt dat:

  • a. de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld en;
  • b. in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard of gedocumenteerd, dan wel:
  • c. in voldoende mate is aangegeven dat de archeologische waarden van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad, dan wel niet (meer) aanwezig zijn.

8.3.4 Aanvullende beoordelingsregel omgevingsvergunning voor het bouwen

Indien uit het in 8.3.2 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarde van de gronden voor het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de onderstaande voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen;
  • c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
8.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
8.4.1 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

In het belang van de archeologische monumentenzorg en ter voorkoming van onevenredige aantasting van aanwezige dan wel naar verwachting aanwezige archeologische waarden, is het verboden, behoudens het bepaalde in lid 8.4.2, zonder een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders op en in de in lid 8.1 bedoelde gronden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. Over een oppervlakte groter dan 2500 m2 en voor zover het dieper gaat dan 50 cm beneden het maaiveld.

Voor zover het gaat over:

  • 1. het ophogen, afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen) woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage;
  • 2. het verwijderen en/of aanbrengen van bomen en diepwortelende beplanting;
  • 3. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of communicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.

8.4.2 Uitzondering vergunningplichtige gevallen

Het bepaalde in lid 8.4.1 is niet van toepassing bij werkzaamheden indien:

  • a. door middel van een aanvullend en/of definitief archeologisch onderzoek naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is aangegeven dat de archeologische waarden van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad, dan wel niet (meer) aanwezig zijn;
  • b. het gaat om onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;
  • c. werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip van inwerkingtreding van de beheersverordening in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip verleende (omgevings)vergunning/ontheffing mogen worden uitgevoerd.
  • d. de werken en werkzaamheden worden verricht in het kader van een aanvullend of definitief archeologisch onderzoek.

8.4.3 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning

Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a. een aanvullend en/of een definitief archeologisch rapport waarin, naar oordeel van het bevoegd gezag, de archeologische waarde van het terrein is vastgesteld.

8.4.4 Beoordelingsregels omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden wordt slechts verleend indien en voor zover:

  • a. de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld en;
  • b. in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard of gedocumenteerd, dan wel:
  • c. in voldoende mate is aangegeven dat de archeologische waarden van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad, dan wel niet (meer) aanwezig zijn.

8.4.5 Aanvullende beoordelingsregel omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

Indien uit het in 8.3.2 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarde van de gronden voor het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de onderstaande voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen;
  • c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.

Artikel 9 Wonen

9.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als 'Wonen'.

9.2 Functieomschrijving

Een locatie die op de verbeelding is aangewezen als Wonen heeft de volgende functies:

  • a. wonen in een woning;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek' de bescherming en instandhouding van karakteristieke elementen waaronder de hoofdvorm van de oorspronkelijke woning;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen – rietopslag' mede de opslag van riet.

Met de daarbij behorende:

  • 1. tuinen en erven;
  • 2. ontsluitings- en parkeervoorzieningen;
  • 3. watervoorzieningen.
9.3 Gebruiksactiviteit - Voorwaardelijke verplichting
9.3.1 Parkeren
  • a. Een omgevingsvergunning voor het bouwen, het uitbreiden en/of het wijzigen van de functie van gebouwen en gronden wordt slechts verleend, indien bij de aanvraag wordt aangetoond dat voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein overeenkomstig de geldende normen zoals opgenomen in het gemeentelijk parkeerbeleid;
  • b. Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde onder a en zo tot lagere parkeernormen komen en/of niet (alle) parkeerplaatsen op het eigen terrein (laten) realiseren en/of een andere maatvoering (laten) realiseren onder de voorwaarde dat: het voldoen aan die bepalingen gezien het gebruik en/of het bouwplan van het betreffende plangebied, mede gezien de omgeving, niet noodzakelijk is en/of op overwegende bezwaren stuit, en;
    • 1. dit besluit wordt voorzien van een motivering waaruit blijkt dat de ruimtelijke kwaliteit gewaarborgd blijft.
  • c. Afwijken van de regels, als bedoeld onder b is slechts mogelijk, indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
    • 1. de parkeersituatie in de openbare ruimte;
    • 2. de woon- en leefsituatie.
9.4 Beoordelingsregels (behorende bij de binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteiten bouwwerken (artikel 22.29)
9.4.1 Algemeen

Op de gronden met de functie Wonen mogen uitsluitend de volgende bouwwerken worden gebouwd:

  • a. Woningen;
  • b. Bijbehorende bouwwerken;
  • c. Bouwwerken, geen gebouw zijnde.

9.4.2 Woningen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende bepalingen:

  • a. per bouwvlak is maximaal 1 woning toegestaan, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' maximaal het aangeduide aantal woningen is toegestaan;
  • b. woningen mogen alleen worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak', met dien verstande dat:
    • 1. ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand' enkel vrijstaande woningen zijn toegestaan;
    • 2. ter plaatse van de aanduiding 'twee-aaneen' enkel twee-aaneengebouwde woningen zijn toegestaan;
    • 3. ter plaatse van de aanduiding 'aaneengebouwd' enkel aaneengebouwde woningen zijn toegestaan;
  • c. de voorgevels worden geplaatst in of evenwijdig aan de naar de weg gekeerde bouwgrens of evenwijdig aan de voorgevelrooilijn van bestaande omliggende bebouwing;
  • d. het bouwvlak mag volledig worden bebouwd;
  • e. de inhoud van een woning bedraagt maximaal 750 m3, of de inhoud zoals mogelijk is binnen de oorspronkelijke hoofdvorm ter plekke van de aanduiding 'karakteristiek';
  • f. de goothoogte van een woning bedraagt maximaal de met 'maximale goothoogte' aangeduide goothoogte, dan wel maximaal de bestaande legale bouwhoogte indien deze groter is;
  • g. de bouwhoogte van een woning bedraagt de met 'maximale bouwhoogte' aangeduide bouwhoogte, dan wel maximaal de bestaande legale bouwhoogte indien deze groter is;
  • h. de woningen worden voorzien met een kap met een dakhelling van minimaal 30* en maximaal 60* graden, met uitzondering van woningen met wolfseinden.

9.4.3 Bijbehorende bouwwerken

Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken behorende bij de woning gelden de volgende bepalingen:

  • a. bijbehorende bouwwerken mogen enkel in het achtererfgebied ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' en/of ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen – bijgebouwen 1' worden gebouwd
  • b. de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken binnen de aanduiding 'bijgebouwen', met uitzondering van overkappingen, bedraagt maximaal de oppervlakte zoals hieronder aangegeven
Oppervlakte achtererfgebied   Toegestane oppervlakte bijgebouwen  
Achtererfgebied tot 100 m2   60% van het achtererfgebied  
100 m2 - 200 m2   70 m2  
200 m2 - 300 m2   90 m2  
300 m2 - 400 m2   100 m2  
400 m2 - 500 m2   110 m2  
500 m2 - 600 m2   120 m2  
600 m2 - 700 m2   130 m2  
700 m2 - 800 m2   140 m2  
Achtererfgebied vanaf 800 m2   150 m2  

  • c. de oppervlakte van bijgebouwen ter plekke van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen – bijgebouwen 1' is bepaald door de grootte van het aanduidingsvlak;
  • d. maximaal 60% van het achtererf binnen de aanduiding 'bijgebouwen' mag bebouwd worden;
  • e. de goothoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 3,50 meter;
  • f. de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 80% van de bouwhoogte van de woning;
  • g. bijbehorende bouwwerken worden met een kap van minimaal 20* - maximaal 60* afgedekt.

9.4.4 Bouwwerken, geen gebouw zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde gelden de volgende bepalingen:

  • a. bouwwerken, geen gebouw zijnde mogen uitsluitend in het achtererfgebied worden gebouwd, met uitzondering van erfafscheidingen en een vlaggenmast;
  • b. voor bouwwerken, geen gebouw zijnde, niet specifiek hieronder gedefinieerd geldt dat de hoogte maximaal 3 meter mag bedragen;
  • c. de bouwhoogte van erfafscheidingen mag niet meer dan 2,00 meter bedragen, met uitzondering van de erfafscheidingen die zich in het voorerfgebied bevinden, waarvan de bouwhoogte niet meer dan 1,00 meter mag bedragen;
  • d. een carport wordt op een afstand van minimaal 1,00 meter achter de voorgevelrooilijn van de woning gebouwd, met dien verstande dat de bouwhoogte van een carport maximaal 3,00 meter bedraagt en de oppervlakte van een carport maximaal 20 m² bedraagt;
9.5 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
9.5.1 Dakhelling woning

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een andere dakhelling te realiseren dan gesteld in 9.4.2

9.5.2 Bewoning van een woning door meer dan één huishouden

Het is verboden om zonder een omgevingsvergunning een woning te bewonen met meer dan één huishouden

9.5.3 Groter oppervlakte van bijbehorend bouwwerken na sanering

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een grotere oppervlakte voor bijbehorende bouwwerken te realiseren dan gesteld in 9.4.3.

9.5.4 Vergroten van de inhoud van de woning en gedeeltelijk bouwen buiten het bouwvlak

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een woning met een grotere inhoud te realiseren dan het maximum dat gesteld is in 9.4.2.

9.5.5 Vergroten van de goothoogte van de woning

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een woning met een hogere goothoogte te realiseren dan het maximum dat gesteld is in 9.4.2.

9.5.6 Samenvoegen van woningen

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning woningen samen te voegen.

9.5.7 Woningsplitsing

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een bestaande woning te splitsen naar meerdere wooneenheden.

9.5.8 Detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit uit te oefenen.

9.5.9 Bed & Breakfast

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gelegenheid ten behoeve van het verlenen van bed & breakfast aan te bieden.

9.5.10 Paardenbak

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een paardenbak te realiseren.

9.6 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit
9.6.1 Dakhelling woning

Een omgevingsvergunning voor het verkleinen van de dakhelling tot 0* kan worden verleend indien dit vanuit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar is.

9.6.2 Bewoning van een woning door meer dan één huishouden

Een omgevingsvergunning voor bewoning van een woning door meer dan één huidhouden kan uitsluitend worden verleend indien er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • a. de verkeersveiligheid;
  • b. het woon- en leefklimaat;
  • c. de milieusituatie;
  • d. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
  • e. er sprake is van voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein.

9.6.3 Groter oppervlakte van bijbehorende bouwwerken na sanering

Een omgevingsvergunning voor een grotere oppervlakte van bijbehorende bouwwerken na sanering kan uitsluitend worden verleend indien:

  • a. er sprake is van sloop en maximaal 75% van de gesloopte bebouwing terug wordt gebouwd;
  • b. na sanering het perceel voor maximaal 60% is bebouwd.

9.6.4 Vergroten van de inhoud van een woning en gedeeltelijk bouwen buiten het bouwvlak

Een omgevingsvergunning voor het vergroten van de inhoud van een woning en gedeeltelijk bouwen buiten het bouwvlak kan uitsluitend worden verleend indien:

  • a. ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek' de karakteristieke hoofdvorm van de woning behouden blijft;
  • b. het gedeeltelijk bouwen buiten het bouwvlak betrekking heeft op de uitbreiding van een woning binnen het bouwvlak;
  • c. de inhoud van de woning maximaal 750 m3 bedraagt;
  • d. er sprake is van een goede landschappelijke- en stedenbouwkundige inpassing.

9.6.5 Vergroten van de goothoogte van de woning

Een omgevingsvergunning voor het vergroten van de goothoogte van de woning kan uitsluitend worden verleend indien de goothoogte van de woning niet hoger is dan 5,50 meter.

9.6.6 Samenvoegen van woningen

Een omgevingsvergunning voor het samenvoegen van woningen kan uitsluitend worden verleend indien:

  • a. de woningsplitsing vanuit stedenbouwkundigoogpunt aanvaardbaar is;
  • b. de inhoud en oppervlakte van de woning inclusief aan- en uitbouwen en bijgebouwen niet wordt vergroot.

9.6.7 Woningsplitsing

Een omgevingsvergunning voor woningsplitsing kan uitsluitend worden verleend indien:

  • a. de te splitsen woning ten minste een inhoud heeft van 600 m3;
  • b. na splitsing elke woning ten minste een inhoud van 250 m3 heeft;
  • c. de woningsplitsing vanuit stedenbouwkundigoogpunt aanvaardbaar is;
  • d. het niet gaat over de samenvoeging van woningen in een rij aaneengesloten soortgelijke woningen;
  • e. de inhoud en oppervlakte van de woning inclusief aan- en uitbouwen en bijgebouwen niet wordt vergroot.

9.6.8 Detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit

Een omgevingsvergunning voor detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit kan uitsluitend worden verleend indien:

  • a. de ruimtes welke worden gebruikt ten behoeve van ondergeschikte detailhandel zich bevinden op de begane grond van de woning of een bijbehorend bouwwerk;
  • b. maximaal 35% van de toegestane bebouwde oppervlakte van de woning en de daarbij behorende bijbehorende bouwwerken wordt gebruikt voor een nevenactiviteit, zoals bedoeld in 9.6.8 en 9.6.9.
  • c. er maximaal 2 personen werkzaam zijn, waarvan minstens één de bewoner is;
  • d. de oppervlakte van productiegebonden detailhandel maximaal 10% van het brutovloeroppervlakte, tot een maximum van 150 m2 bedraagt;
  • e. er geen etalages zijn/ worden aangebracht;
  • f. er ten hoogste één reclame-uiting is met de maximale afmetingen van 20 cm x30 cm;
  • g. er geen verkoop van producten met veiligheidsrisico plaatsvindt;
  • h. er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid, overeenkomstig de parkeernota Steenwijkerland of diens rechtsopvolger;
  • i. er geen sprake is van een onevenredige verkeersaantrekkende werking.

9.6.9 Bed & breakfast

Een omgevingsvergunning voor Bed & breakfast kan uitsluitend worden verleend indien:

  • a. er maximaal 10 slaapplaatsen per bouwperceel gerealiseerd worden, ten behoeve van gelijktijdig nachtverblijf van maximaal 10 personen;
  • b. maximaal 35% van de toegestane bebouwde oppervlakte van de woning en de daarbij behorende bijbehorende bouwwerken wordt gebruikt voor een nevenactiviteit, zoals bedoeld in 9.6.8 en 9.6.9.
  • c. er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid, overeenkomstig de parkeernota Steenwijkerland of diens rechtsopvolger;
  • d. er sprake is van een goede landschappelijke inpassing.

9.6.10 Paardenbak

Een omgevingsvergunning voor een paardenbak kan uitsluitend worden verleend indien:

  • a. de volledige paardenbak wordt gerealiseerd binnen een straal van 70 meter, gemeten vanaf het aangrenzende en bij de functie behorende hoofdgebouw;
  • b. de paardenbak op minimaal 50 meter afstand van de woning van derden wordt aangelegd;
  • c. de paardenbak een maximale afmeting heeft van 20 meter x 40 meter;
  • d. de paardenbak in het achtererf gerealiseerd wordt;
  • e. er sprake is van een goede landschappelijke inpassing;
  • f. de bouwhoogte van de omheining rond een paardenbak maximaal 1,50 meter is, met dien verstande dat de lichtmasten ten hoogste 5,50 meter bedragen;
  • g. de plaatsing van lichtmasten bij de paardenbak uitsluitend plaatsvindt op een manier dat dit geen lichthinder tot gevolg heeft.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 10 Aanvraagvereisten

De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van het omgevingsplan Steenwijkerland, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk.

Artikel 11 Algemene functieregel

11.1 Milieuzone - spuitzonering

Ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - spuitzone' is het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen niet toegestaan.

Artikel 12 Algemeen gebruiksverbod

Het is verboden zonder omgevingsvergunning gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies.

Artikel 13 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 14 Voorwaardelijke verplichting - landschappelijke inpassing

  • a. Het gebruik van de gronden overeenkomstig dit plan is uitsluitend toegestaan indien:
    • 1. de groene (gebouwde) inpassing en beplanting in het plangebied uiterlijk drie jaar na het onherroepelijk worden van dit plan is aangelegd en in stand wordt gehouden conform de Ontwikkelingsstudie en beeldkwaliteitsplan én het Beplantingsplan die als bijlage 1 en bijlage 2 zijn opgenomen;
    • 2. de agrarische bedrijfsactiviteiten zijn beëindigd binnen 2 jaar na het onherroepelijk worden van het plan én voorafgaand aan de start van de bouwactiviteiten zoals bepaald in artikel 9;
  • b. In afwijking van het bepaalde onder a kunnen burgemeester en wethouders afwijkingen van de groene inpassing toestaan. Hiervoor geldt als beoordelingsregel dat deze afwijkingen niet mogen leiden tot een wezenlijke andere inrichting van het plangebied.

Artikel 15 Welstand

Een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt slechts verleend, indien en voor zover het gaat om:

  • a. de bestaande woning met de aanduiding 'karakteristiek', wordt voldaan aan de redelijke eisen van welstand conform het gestelde in de gemeentelijke welstandsnota of diens rechtsopvolger;
  • b. de nieuw te ontwikkelen woningen, waarvoor geldt dat het uiterlijk en/of de plaatsing van de bouwwerken, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, voldoen aan de redelijke eisen van welstand conform het Beeldkwaliteitsplan, zoals opgenomen in bijlage 1.

Hoofdstuk 4 Overgangsregels

Artikel 16 Overgangsrecht

16.1 Overgangsrecht bouwwerken
16.1.1 Algemeen

Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel aanwezig of in uitvoering is, danwel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning, en afwijkt van dit plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,

  • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
  • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.

16.1.2 Uitzondering

Het bepaalde in 16.1.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel, maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd zijn met het omgevingsplan zoals dat gold voor inwerkingtreding van dit plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen in het omgevingsplan.

16.2 Overgangsrecht gebruik
16.2.1 Algemeen

Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

16.2.2 Strijdig gebruik

Het is verboden het met dit plan strijdige gebruik, bedoeld in 16.2.1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit hoofdstuk strijdige gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

16.2.3 Onderbroken gebruik

Indien het gebruik, bedoeld in 16.2.1, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

16.2.4 Uitzondering

Het bepaalde in 16.2.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het omgevingsplan voor inwerkingtreding van dit artikel, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van het omgevingsplan.