| Plan: | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22N Sint-Jansklooster - Schaarweg 22 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1708.STJSchaarweg22OP-VA01 |
2.1 Van toepassing verklaring:
Begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk van het omgevingsplan.
2.2 Aanvullende begrippen:
In aanvulling op het bepaalde in 2.1 worden voor de toepassing van de regels in dit hoofdstuk de begrippen als bedoeld in 2.3 tot en met 2.47 gehanteerd.
2.3 Plan:
Het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22N Sint-Jansklooster - Schaarweg 22 met identificatienummer NL.IMRO.1708.STJSchaarweg22OP-VA01 van de gemeente Steenwijkerland bestaande uit de geometrisch bepaalde planobjecten zoals vervat in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.1708.STJSchaarweg22OP-VA01 met de in dit plan opgenomen regels en de daarbij behorende bijlagen.
2.4 Aan huis verbonden bedrijf:
het bedrijfsmatig verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid dat op kleine schaal in een woning of de daarbij behorende bijgebouwen wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende bedrijfsuitoefening een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie ter plaatse, niet zijnde detailhandel, behoudens de ondergeschikte verkoop van artikelen verband houdende met de activiteiten.
2.5 Aan huis verbonden beroep:
een dienstverlenend beroep dat op kleine schaal in een woning of de daarbij behorende bijgebouwen wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende beroepsuitoefening een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie ter plaatse, niet zijnde detailhandel, behoudens de ondergeschikte verkoop van artikelen verband houdende met de activiteiten.
2.6 Aanbouw/uitbouw:
een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan dat hoofdgebouw, maar er functioneel onderdeel van uitmaakt.
2.7 Aanduiding:
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.
2.8 Aanduidingsgrens:
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.
2.9 Achtererfgebied:
erf aan de achterkant en de zijkant, op meer dan 1,00 meter van de voorkant van het hoofdgebouw.
2.10 Agrarisch bedrijfsmatig gebruik:
het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren, ten behoeve van een agrarisch bedrijf. Hieronder wordt mede verstaan een rietteeltbedrijf.
2.11 Agrarisch hobbymatig gebruik:
het telen van gewassen en/of het houden van dieren, niet gericht op het voortbrengen van producten ten behoeve van een agrarisch bedrijf.
2.12 Agrarisch:
het telen van gewassen en/of het houden van dieren.
2.13 Ambacht(elijk):
het bedrijfsmatig, geheel of overwegend door middel van handwerk vervaardigen, ver-/bewerken, herstellen of installeren van goederen, alsook het verkopen en/of leveren, als ondergeschikte activiteit, van goederen die ter plaatse worden vervaardigd, ver- of bewerkt, ondergeschikt aan de woonfunctie. Wanneer deze activiteit in een woning en de daarbij behorende bijgebouwen plaatsvindt, dient de omvang van de activiteit zodanig te zijn dat de woonfunctie in overwegende mate wordt gehandhaafd.
2.14 Archeologische deskundige:
de provinciaal, gemeentelijk of regionaal archeoloog of een andere door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen deskundige op het gebied van archeologie.
2.15 Archeologische verwachting:
de aan een gebied toegekende verwachting in verband met de kans op het voorkomen van archeologische relicten.
2.16 Archeologische waarde:
de aan een gebied toegekende waarde in verband de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteit uit het verleden.
2.17 Bebouwing:
één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.
2.18 Bed & breakfast:
het aanbieden van recreatief nachtverblijf in de vorm van logies met ontbijt binnen bestaande gebouwen gericht op kortdurend verblijf, niet zijnde de uitoefening van een hotel, pension of ander bedrijf. Hieronder wordt niet verstaan het overnachten, noodzakelijk in verband met het verrichten van tijdelijk of seizoensgebonden werkzaamheden en/of arbeid.
2.19 Bedrijf:
een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten. Aan-huisverbonden beroepen en bedrijven niet daaronder begrepen.
2.20 Bedrijfsmatig:
via een bedrijf, stichting of andere rechtspersoon deelnemen aan het economisch verkeer al dan niet met winstoogmerk, en activiteiten die hiermee naar aard, omvang en regelmaat zijn gelijk te stellen.
2.21 Beeldkwaliteit:
de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde met betrekking tot de bouwkundige vormgeving en ruimtelijke en functionele aspecten.
2.22 Bestaand:
de op legale wijze gerealiseerde of realiseerbare bebouwing of het op legale wijze gerealiseerde of realiseerbare gebruik ten tijde van de inwerkingtreding van de beheersverordening.
2.23 Bijgebouw:
een vrijstaand of aangebouwd gebouw dat architectonisch ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.
2.24 Bouwen:
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.
2.25 Bouwgrens:
de grens van een bouwvlak.
2.26 Bouwlaag:
een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw, zolder, dakopbouw of setback.
2.27 Bouwperceel:
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.
2.28 Bouwperceelgrens:
de grens van een bouwperceel.
2.29 Bouwvlak:
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.
2.30 Bouwwerk:
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.
2.31 Carport:
een bouwwerk met tenminste een dak en niet, of aan maximaal twee zijden van wanden voorzien, inclusief bestaande wanden.
2.32 Cultuurhistorische waarde:
de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat in de loop van de geschiedenis is ontstaan door het gebruik dat de mens van dat bouwwerk of gebied heeft gemaakt.
2.33 Dagrecreatie:
het totaal van mogelijkheden en voorzieningen om te recreëren op een bepaalde plaats zonder overnachtingsmogelijkheden.
2.34 Dak:
een uitwendige scheidingsconstructie als bovenafsluiting van een bouwwerk.
2.35 Detailhandel:
het bedrijfsmatig te koop, te huur of in lease aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ter verkoop, ter verhuur, ter leasing, het verkopen, het verhuren en/of leveren, van goederen aan diegenen die, die goederen kopen respectievelijk huren, voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.
2.36 Eerste bouwlaag:
bouwlaag op de begane grond.
2.37 Erf:
al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, mits deze inrichting in overeenstemming is met de beheersverordening.
2.38 Erfafscheiding:
afscheiding welke op een grens tussen twee erven is geplaatst.
2.39 Erker:
een ondergeschikte uitbouw op de begane grond van de woning, die strekt ter vergroting van het woongenot. Een erker is gelegen aan de verblijfsruimte en zorgt voor een verbijzondering van de voorgevel zonder de architectuur wezenlijk aan te tasten. Een erker heeft een diepte van maximaal 1,00 meter en is aan drie zijden geheel of gedeeltelijk voorzien van glas.
2.40 Gebouw:
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
2.41 Geschakelde woning:
een woning, waarvan het hoofdgebouw door middel van een bijgebouw verbonden is aan een ander (hoofd)gebouw van een andere woning.
2.42 Gevellijn:
de bouwgrens die (nagenoeg) gelijk loopt aan de as van de weg of het water waarin een (of meer) gevel(s) van een gebouw is (zijn) geplaatst en die is gelegen aan de weg grenzende perceelsgrens, ofwel de gevellijn als aangeduid op de kaart.
2.43 Grondgebonden woning:
een gebouw dat uitsluitend één woning omvat en waarvan op het bijbehorende bouwperceel geen andere woningen voorkomen.
2.44 Hoofdgebouw:
gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is.
2.45 Kampeermiddel:
een middel ten behoeve van recreatief nachtverblijf, waaronder wordt begrepen een tent, een tentwagen, een kampeerauto, toercaravans, vouwwagens, campers of huifkarren.
2.46 Karakteristieke bebouwing:
een gebouw of een complex van gebouwen dat vanwege zijn cultuurhistorische en architectonische waarde, niet zijnde monumenten, in relatie met zijn omgeving als waardevol wordt beschouwd.
2.47 Kunstwerk:
civiel-technisch werk voor de infrastructuur van wegen water spoorbanen waterkeringen en of leidingen en niet bedoeld voor permanent menselijk verblijf.
2.48 Locatievlak:
een geometrisch bepaald vlak dat is aangewezen voor een gebruiksdoel.
2.49 Natuur- en landschapselementen:
houtopstanden, houtwallen, houtsingels en daaraan gelijk te stellen elementen.
2.50 Nevenactiviteit:
een bedrijfs- of beroepsmatige activiteit die in ruimtelijk, functioneel en inkomenswervend opzicht ondergeschikt is aan de op de ingevolge deze beheersverordening toegestane hoofdfunctie op een perceel.
2.51 Normale onderhoudswerkzaamheden:
werkzaamheden die regelmatig noodzakelijk zijn voor een goed beheer van de gronden en bouwwerken. Daaronder worden mede verstaan werken of werkzaamheden die deel uitmaken van de activiteiten die worden uitgevoerd in het kader van een beheersplan, zoals bedoeld in de Natuurbeschermingswet.
2.52 Overkapping:
een bouwwerk, geen gebouw zijnde met een dak, dat niet of slechts aan één zijde is voorzien van een (bestaande) wand.
2.53 Paardenbak:
een onoverdekte, als zodanig herkenbare ruimte, al dan niet omsloten, bedoeld voor het trainen, rijden en berijden van paarden en pony's.
2.54 Peil:
2.55 Recreatief medegebruik:
het medegebruik van gronden voor recreatieve activiteiten, zoals wandelen, fietsen, ruitersport, varen met kano en gemotoriseerde (fluister)boot, surfen, zeilen en sportvisserijen, alsmede route-ondersteunende voorzieningen, zoals picknick-, uitzicht-, rust- en informatieplaatsen, voor zover de overige functies van de gronden dit toelaten.
2.56 Recreatief nachtverblijf:
verblijf door recreanten die hun hoofdverblijf elders hebben.
2.57 Teeltondersteunende voorzieningen:
In, op of boven de grond aangebrachte voorzieningen ter ondersteuning van agrarische, plantaardige teelt met als doel verbetering van de productie (onder meer door teeltvervroeging en -verlating, terugdringing van onkruidgroei en beperking van vraat), verbeteren van de arbeidsomstandigheden (onder meer door gewassen verhoogd te telen) en het bereiken van positieve effecten op milieu en water (bodembescherming, terugdringen onkruidbestrijdingsmiddelen, effectief omgaan met water).
2.58 Verdieping:
een bouwlaag die is gelegen boven de eerste bouwlaag welke is gelegen op de begane grond.
2.59 Voorgevel:
gevel van een gebouw die is gelegen aan de zijde van de weg of het water dan wel die in ruimtelijk opzicht de voorkant van het gebouw vormt.
2.60 Waterhuishoudkundige voorzieningen:
voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelwaterinfiltratie en/of waterkwaliteit zoals duikers, stuwen, infiltratievoorzieningen, gemalen, inlaten etc.
2.61 Woning:
een (gedeelte van een) gebouw dat dient voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.
2.62 Woningsplitsing:
het bouwkundig en functioneel splitsen van een bestaande woning in twee of meer zelfstandige woningen ten behoeve van de vestiging van meer dan één huishouden.
2.63 Zolder:
ruimte(n) in een gebouw die hoofdzakelijk is (zijn) afgedekt met schuine daken en die in functioneel opzicht geen deel uitmaakt van (de) daaronder gelegen bouwlaag of bouwlagen.
De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in meters (m), m² of m³ zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in dit artikel. Bij toepassing van dit hoofdstuk wordt als volgt gemeten:
tussen de zijdelingse grenzen van een bouwperceel en enig punt van het op dat bouwperceel voorkomend (hoofd-)gebouw, waar die afstand het kortst is.
het percentage van een bouwperceel dat met gebouwen mag worden bebouwd. Voor zover op de kaart bouwgrenzen zijn aangegeven wordt het bebouwingspercentage berekend over het gebied binnen de bouwgrenzen.
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
de helling langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeiboord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
vanaf het peil tot aan de (wieken)as van de windturbine.
de lengte van een gebouw, gemeten loodrecht vanaf de naar de weg gekeerde gevel.
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of) het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
de buitenwerks tussen de buitenzijde van de gevels en/of het hart van de scheidingsmuren gemeten grootste afstand.
vanaf peil tot het diepste punt van het bouwwerk, de fundering niet meegerekend.
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, tot een maximum van 1,00 meter.
de diepte van een gebouw, gemeten vanaf de onderzijde van de begane grondvloer.
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als 'Agrarisch met waarden'.
Een locatie die op de verbeelding is aangewezen als Agrarisch met waarden heeft de volgende functies:
Met daaraan ondergeschikt:
Op gronden met de functie Agrarisch met waarden mogen geen gebouwen worden gebouwd.
Op gronden met de functie 'Agrarisch met waarden' mogen geen bouwwerken, geen gebouw zijnde worden gebouwd, met uitzondering van:
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning teeltondersteunende voorzieningen te plaatsen.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een paardenbak te realiseren.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een minicamping te exploiteren.
Een omgevingsvergunning voor teeltondersteunende voorzieningen kan uitsluitend worden verleend indien:
Een omgevingsvergunning voor een paardenbak kan uitsluitend worden verleend indien:
Een omgevingsvergunning voor een minicamping kan uitsluitend worden verleend indien:
Het is verboden op of in de gronden, met de functie Agrarisch met waarden, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
Het verbod in artikel 4.6.1. is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die;
De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden wordt slechts verleend indien;
Het bevoegd gezag vraagt advies aan het bevoegde waterschapsgezag, alvorens een vergunning verleend kan worden in de volgende gevallen:
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als 'Groen'.
Een locatie die op de verbeelding is aangewezen als Groen heeft de volgende functies:
Op de gronden met de functie Groen mogen uitsluitend worden gebouwd:
Een bouwwerk, geen gebouw zijnde, mag uitsluitend worden gebouwd indien de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde maximaal 6,00 meter bedraagt en deze wordt gerealiseerd ten behoeve van:
Het is verboden wegen aan te leggen of aangrenzende wegen te verbreden in de functie Groen, anders dan de wegenstructuur conform bijlage 1 van deze regels.
Het is verboden om parkeerplaatsen te realiseren in de functie Groen, anders dan de parkeerplaatsen conform bijlage 1 van deze regels.
Een omgevingsvergunning voor het vergroten van de bouwhoogte van nutsvoorzieningen kan uitsluitend worden verleend indien:
Een omgevingsvergunning voor het verbreden of aanleggen van wegen of paden binnen de functie Groen kan worden toegestaan indien:
Een omgevingsvergunning voor het realiseren van parkeerplaatsen binnen de functie Groen kan alleen worden verleend indien:
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als 'Tuin'
Een locatie die op de verbeelding is aangewezen als Tuin heeft de volgende functies:
met de daarbij behorende:
In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 gelden teven de volgende beoordelingsregels.
Op de voor de functie Tuin aangewezen gronden mogen uitsluitend bouwwerken geen gebouwen zijnde worden gebouwd, met dien verstande dat dit geldt voor:
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als 'Verkeer'
Een locatie die op de verbeelding is aangewezen als Verkeer heeft de volgende functies:
Met daaraan ondergeschikt:
Op de voor functie Verkeer aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd:
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde gelden de volgende bepalingen:
Het is verboden om zonder een omgevingsvergunning een bouwwerk geen gebouw zijnde ten behoeve van beeldende kunst te realiseren.
Het is verboden om zonder een omgevingsvergunning een mast ten behoeve van telecommunicatie en alarmering te realiseren.
Een omgevingsvergunning voor beeldende kunst kan uitsluitend worden verleend indien:
Een omgevingsvergunning voor grotere bouwhoogte van nutsvoorzieningen kan uitsluitend worden verleend indien:
Een omgevingsvergunning voor masten ten behoeve van telecommunicatie en alarmering kan uitsluitend worden verleend indien:
Het is verboden op of in de gronden als bedoeld in artikel 7.4.1 zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
Het in artikel 7.4.1 opgenomen verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:
De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden wordt slechts verleend indien en voor zover:
Alvorens omtrent een aanvraag omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden te beslissen, winnen burgemeester en wethouders, indien nodig, advies in bij de met betrekking tot het betreffende terrein meest aangewezen instantie
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als 'Waarde – Archeologie 2'.
De voor Waarde – Archeologie 2 aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), mede aangewezen voor bescherming van de aanwezige of naar verwachting aanwezige archeologische waarden.
Ter plaatse van gronden met de Waarde – Archeologie 2 is het niet toegestaan om zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen, indien de oppervlakte groter is dan 2500 m2.
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
De omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk wordt slechts verleend indien en voor zover uit het archeologisch rapport blijkt dat:
Indien uit het in 8.3.2 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarde van de gronden voor het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de onderstaande voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning:
In het belang van de archeologische monumentenzorg en ter voorkoming van onevenredige aantasting van aanwezige dan wel naar verwachting aanwezige archeologische waarden, is het verboden, behoudens het bepaalde in lid 8.4.2, zonder een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders op en in de in lid 8.1 bedoelde gronden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
Voor zover het gaat over:
Het bepaalde in lid 8.4.1 is niet van toepassing bij werkzaamheden indien:
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden wordt slechts verleend indien en voor zover:
Indien uit het in 8.3.2 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarde van de gronden voor het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de onderstaande voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning:
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als 'Wonen'.
Een locatie die op de verbeelding is aangewezen als Wonen heeft de volgende functies:
Met de daarbij behorende:
Op de gronden met de functie Wonen mogen uitsluitend de volgende bouwwerken worden gebouwd:
Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende bepalingen:
Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken behorende bij de woning gelden de volgende bepalingen:
| Oppervlakte achtererfgebied | Toegestane oppervlakte bijgebouwen |
| Achtererfgebied tot 100 m2 | 60% van het achtererfgebied |
| 100 m2 - 200 m2 | 70 m2 |
| 200 m2 - 300 m2 | 90 m2 |
| 300 m2 - 400 m2 | 100 m2 |
| 400 m2 - 500 m2 | 110 m2 |
| 500 m2 - 600 m2 | 120 m2 |
| 600 m2 - 700 m2 | 130 m2 |
| 700 m2 - 800 m2 | 140 m2 |
| Achtererfgebied vanaf 800 m2 | 150 m2 |
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde gelden de volgende bepalingen:
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een andere dakhelling te realiseren dan gesteld in 9.4.2
Het is verboden om zonder een omgevingsvergunning een woning te bewonen met meer dan één huishouden
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een grotere oppervlakte voor bijbehorende bouwwerken te realiseren dan gesteld in 9.4.3.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een woning met een grotere inhoud te realiseren dan het maximum dat gesteld is in 9.4.2.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een woning met een hogere goothoogte te realiseren dan het maximum dat gesteld is in 9.4.2.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning woningen samen te voegen.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een bestaande woning te splitsen naar meerdere wooneenheden.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit uit te oefenen.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gelegenheid ten behoeve van het verlenen van bed & breakfast aan te bieden.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een paardenbak te realiseren.
Een omgevingsvergunning voor het verkleinen van de dakhelling tot 0* kan worden verleend indien dit vanuit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar is.
Een omgevingsvergunning voor bewoning van een woning door meer dan één huidhouden kan uitsluitend worden verleend indien er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
Een omgevingsvergunning voor een grotere oppervlakte van bijbehorende bouwwerken na sanering kan uitsluitend worden verleend indien:
Een omgevingsvergunning voor het vergroten van de inhoud van een woning en gedeeltelijk bouwen buiten het bouwvlak kan uitsluitend worden verleend indien:
Een omgevingsvergunning voor het vergroten van de goothoogte van de woning kan uitsluitend worden verleend indien de goothoogte van de woning niet hoger is dan 5,50 meter.
Een omgevingsvergunning voor het samenvoegen van woningen kan uitsluitend worden verleend indien:
Een omgevingsvergunning voor woningsplitsing kan uitsluitend worden verleend indien:
Een omgevingsvergunning voor detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit kan uitsluitend worden verleend indien:
Een omgevingsvergunning voor Bed & breakfast kan uitsluitend worden verleend indien:
Een omgevingsvergunning voor een paardenbak kan uitsluitend worden verleend indien:
De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van het omgevingsplan Steenwijkerland, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk.
Ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - spuitzone' is het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen niet toegestaan.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies.
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt slechts verleend, indien en voor zover het gaat om:
Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel aanwezig of in uitvoering is, danwel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning, en afwijkt van dit plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
Het bepaalde in 16.1.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel, maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd zijn met het omgevingsplan zoals dat gold voor inwerkingtreding van dit plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen in het omgevingsplan.
Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
Het is verboden het met dit plan strijdige gebruik, bedoeld in 16.2.1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit hoofdstuk strijdige gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
Indien het gebruik, bedoeld in 16.2.1, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
Het bepaalde in 16.2.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het omgevingsplan voor inwerkingtreding van dit artikel, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van het omgevingsplan.