| Plan: | Scheerwolde - Woldlakeweg 2 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1708.SCWwoldlakeweg2BP-VA01 |
De initiatiefnemer wilt op het agrarische perceel aan de Woldlakeweg 2 de bestaande ligboxenstal uitbreiden. Door de situering van het huidige bouwvlak is deze uitbreiding op basis van de geldende beheersverordening "Buitengebied Steenwijkerland 2014" niet toegestaan. Om de uitbreiding van de ligboxenstal mogelijk te maken, wordt de situering van het bouwvlak aangepast, het oppervlak van het bouwvlak wordt niet vergroot, zie paragraaf 2.2. Om de situering van het bouwvlak te wijzigen moet een ruimtelijke procedure worden doorlopen.
De gemeente Steenwijkerland wil meewerken aan het project via een bestemmingsplanprocedure. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de nieuwe juridisch-planologische regeling voor het agrarische bouwperceel en de uitbreiding daarvan ten behoeve van de vergroting van de ligboxenstal.
Het plangebied betreft het perceel aan de Woldlakeweg 2 in het buitengebied van de gemeente Steenwijkerland ten noordoosten van de kern Scheerwolde. De ligging van het plangebied is weergeven in figuur 1.1.
Figuur 1.1 Ligging plangebied, (bron: Rho Basisviewer)
Het plangebied is juridisch-planologisch geregeld in de beheersverordening “Buitengebied Steenwijkerland 2014”, vastgesteld op "9 december 2014". Het deel van het perceel aan de Woldlakeweg 2 waar de uitbreiding plaatsvindt, heeft hierin de bestemming 'Agrarisch'. Daarnaast heeft het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2'.
Het bedrijfsperceel heeft de bestemming 'Agrarisch – Agrarisch bedrijf 2' met bouwvlak . Hier zijn onder andere grondgebonden agrarische bedrijven toegestaan. Voor bedrijfsgebouwen, waar de ligboxenstal onder valt, gelden de volgende regels
Figuur 1.2 Uitsnede beheersverordening Buitengebied Steenwijkerland 2014 (bron: Google Maps)
Strijdigheid met het geldende bestemmingsplan
Op de voor 'Agrarisch' aangewezen gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd. De uitbreiding van de ligboxenstal vindt plaats binnen deze bestemming. Om die reden is een uitbreiding van het bouwperceel met de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf 2' nodig. Deze bestemming, en het bouwvlak, zijn in de huidige situatie namelijk al van toepassing om de rest van het perceel.
Na dit hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 een beknopte beschrijving van het plan gegeven. Daarbij wordt ingegaan op de bestaande situatie, de gewenste ontwikkeling en op de hiervoor opgestelde randvoorwaarden. Hoofdstuk 3 geeft een beschrijving van het relevante beleidskader, waarna in hoofdstuk 4 een toetsing aan de omgevingsaspecten volgt. Hoofdstuk 5 gaat in op de juridische aspecten van het plan. Ten slotte, volgt in hoofdstuk 6 de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid behandeld
Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Steenwijkerland in de kop van Overijssel ten noordoosten van het dorp Scheerwolde. Scheerwolde is een klein dorp in de gemeente Steenwijkerland. Op onderstaande foto (figuur 2.1) is de ligging van het plangebied ten opzichte van de kern Scheerwolde weergeven. In figuur 2.2 wordt een luchtfoto van het plangebied weergegeven.
In de omgeving van het plangebied zijn veelal agrarische gronden aanwezig. De agrarische bebouwing in de omgeving heeft voor een groot deel de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf 2'. Daarnaast is er een aantal woonbestemmingen aan de Woldlakeweg.
De erven van de agrarische bedrijven in de directe omgeving (Woldlakeweg 4 & 5) hebben een meer open aanzicht in vergelijking tot het plangebied. De grenzen van het bedrijfsperceel (met uitzondering van de achter erfgrens) zijn dicht begroeid met singels van opgaand groen, waardoor alleen de bedrijfswoning vanaf de weg te zien is. In figuur 2.3 en 2.4 zijn afbeeldingen van het plangebied opgenomen.
Figuur 2.1: Situatie plangebied, (bron: Rho Basisviewer)
Figuur 2.2: Luchtfoto plangebied, (bron: Google maps)
Figuur 2.3: Aanzicht perceel vanaf Woldlakeweg (bron: Google Streetview)
Figuur 2.4: Perceel vanaf Woldlakeweg (bron: Google Streetview)
Om de melkveehouderij op een toekomstbestendige manier voort te zetten, is het voor de initiatiefnemer van belang om de ligboxenstal ten behoeve van melkkoeien uit te breiden. In Figuur 2.4 en in bijlage 1 is een tekening opgenomen van de beoogde uitbreiding.
Gezien de huidige kavelstructuur en de bestaande landschappelijke inpassing van het erf is het niet logisch om het perceel aan de noordzijde (binnen het huidige bouwvlak) uit te breiden. De uitbreiding vindt dus aan de achterzijde van de bestaande ligboxenstal plaats. Dit is gunstiger voor de bedrijfsvoering, omdat er dan maar één (grote) stal is. Qua hoogte en bouwstijl wordt aangesloten op de bestaande stal, zie bijlage 1.
Vanuit ruimtelijk oogpunt blijft hierdoor ook de bestaande langgerekte kavelstuctuur van het perceel intact die door de verlenging van het bouwperceel minimaal veranderd. Hierdoor kan ook de bestaande landschappelijke inpassing van het erf worden gehandhaafde en worden doorgetrokken, zodat het gehele erf rondom wordt afgeschermd met singels. Vanaf de openbare weg blijft het aanzicht hetzelfde. Om dit te borgen, wordt het huidige bouwvlak aan de noordzijde weg bestemd en de landschappelijke inpassing geborgd in de planregels. In figuur 2.5 is te zien waar de uitbreiding plaatsvindt.
Figuur 2.5: Uitbreiding ligboxenstal (bron: Bouwkundig Bureau Haverkamp
De ontwikkeling vindt plaats in een agrarisch gebied. Het past daarom goed binnen de omgeving en kan dan ook gekenmerkt worden als een gebiedseigen functie. Daarnaast is de uitbreiding van de stal beperkt, wat zorgt voor minimale impact op de omgeving.
Het KGO-beleid is, provinciaal beleid, die is opgesteld om ontwikkelingen in het landelijk gebied mogelijk te maken in ruil voor een impuls van de ruimtelijke kwaliteit. Dit beleid is uitgebreid beschreven in paragraaf 3.2.4
Voor investeringen op het eigen erf geldt dat die in algemene zin niet als aanvullende kwaliteitsprestatie worden gezien, tenzij een gebiedseigen ontwikkeling al bijdraagt aan de omgevingskwaliteiten.
De kwaliteitsimpuls is in elk geval van toepassing, als er een agrarisch bouwperceel ontstaat dat groter is dan 1,5 ha. Voor het overige laat het provinciebestuur de gemeenten zelf bepalen wat nu precies onder grootschalig kan worden verstaan. De impact van de uitbreiding op de omgeving is bepalend voor de beantwoording van de vraag op een uitbreiding grootschalig is.
Bij agrarische bedrijven die groter zijn dan 1,5 hectare wordt in de toelichting van de verordening gesteld dat deze als "grootschalig" zijn aan te merken. Voor het toevoegen van nieuwe agrarische bouwpercelen en het uitbreiden van bestaande agrarische bouwpercelen tot 1,5 hectare is een specifieke vorm van het instrument Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving van toepassing (Kwaliteitsimpuls agro en food).
Met voorgenomen ontwikkeling vindt er een verplaatsing van het huidige agrarisch bouwvlak plaats, zie figuur 2.6 en figuur 2.7. Het oppervlakte van het bouwvlak blijft nagenoeg hetzelfde. In de huidige situatie is dit 1,25 ha en in de nieuwe situatie wordt het bouwvlak 1,2 ha. Het ter plaatse aanwezige melkrundveebedrijf is niet als een grootschalig bedrijf aan te merken, gezien het bouwvlak onder de grens van 1,5 ha blijft. Voor de ontwikkeling van het bedrijf is de aanvullende investering uit de KGO dus niet van toepassing en is een aanvullende kwaliteitsprestatie, bovenop de landschappelijke inpassing van het bedrijf, dus niet noodzakelijk.
Figuur 2.6: Bouwvlak huidige situatie (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Figuur 2.7: Bouwvlak nieuwe situatie (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Landschappelijke inpassing
De situering van het bouwvlak wordt aangepast, hiermee wordt voorkomen dat het bedrijf in noordelijke richting uitbreid. Dit voorkomt in het kader van landschappelijke inpassing een ongewenste uitbreiding.
Het huidige erf is door de singels landschappelijk ingepast, echter de huidige sleufsilo's liggen achter de bestaande singels. Met de beoogde uitbreiding worden de bestaande singels verlengd en aan de achterzijde aangeplant. Deze singels bestaan uit streekeigen soorten, zoals Els, hazelaars en zachte berken. De uitbreiding en sleufsilo's worden door deze 'nieuwe'singels afgeschermd. In figuur 2.8 en bijlage 1 wordt de landschappelijke landschappelijke inpassing weergeven. In de planregels van dit bestemmingsplan is de landschappelijke inpassing als voorwaardelijke verplichting opgenomen.
Gesteld kan worden dat met de voorgenomen ontwikkeling wordt voldaan aan de richtlijnen van de KGO en dat de basisinspanning genoeg toereikend is.
Figuur 2.8 Landschappelijke inpassing
Het parkeren van alle voertuigen geschiedt op eigen terrein. Groot materiaal wordt in een aparte stal binnen geparkeerd. Ten behoeve van de uitbreiding van de stal zijn geen nieuwe parkeerplaatsen noodzakelijk. De bestaande erfverharding zal aan de achterzijde worden uitgebreid.
Voor de ontsluiting van het bedrijf wordt op dit moment gebruik gemaakt van een inrit vanaf de Woldlakeweg 2. Het betreft een gecombineerde bedrijfs- en privé inrit. Het gebied wordt in noordelijke en zuidelijke richting ontsloten door de Woldlakeweg. Dit is een 60 km/uur weg in het buitengebied van Scheerwolde.
De realisatie van de nieuwe stal leidt overigens niet tot grote aantallen nieuwe verkeersbewegingen. Het aantal melktransporten blijft nagenoeg gelijk. Per vracht zal meer meer melk worden vervoerd.
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) stelt regels omtrent de 14 aangewezen nationale belangen zoals genoemd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Dit project raakt geen rijksbelangen zoals deze genoemd zijn in het Barro.
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (hierna: NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt om keuzes te maken; te kiezen voor slimme combinaties van functies en uit te gaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden. En er nu mee aan de slag te gaan en beslissingen niet uit te stellen of door te schuiven. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. Bij de NOVI hoort een Uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe uitvoering wordt gegeven aan de NOVI.
Binnen de NOVI zijn 8 voorlopige aandachtsgebieden geformuleerd als zogeheten NOVI-gebied. In een NOVI-gebied krijgt een aantal concrete vraagstukken extra prioriteit. Dit helpt om grote veranderingen en ruimtelijke opgaven in een regio beter te realiseren.
Opgaven
Er is in Nederland sprake van een aantal dringende maatschappelijke opgaven. Deze opgaven kunnen niet apart van elkaar worden opgelost. Ze moeten in samenhang bekeken worden. Ze grijpen in elkaar en vragen meer ruimte dan beschikbaar is in Nederland. Niet alles kan, niet alles kan overal. Op het niveau van nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven aan de omgeving in Nederland, verwoord in 4 opgaven:
Realiseren opgaven
In de NOVI is een tweetal instrumenten opgenomen om de opgaven te realiseren:
Voor Oost Nederland wordt in 2021 een omgevingsagenda opgesteld, waar Overijssel onderdeel van uitmaakt. In de Omgevingsagenda agenderen het Rijk en regio de gezamenlijke vraagstukken en de gewenste aanpak daarvan. De Omgevingsagenda biedt een basis voor uitvoeringsafspraken en inzet van programma's en projectbesluiten van Rijk en regio.
Een NOVI-gebied is een instrument waarbij Rijk en regio meerdere jaren verbonden zijn aan de gezamenlijke uitwerking van de verschillende opgaven in het ruimtelijke domein. Vaak wordt voortgebouwd op bestaande samenwerkingstrajecten. Denk aan een Regio Deal en een verstedelijkingsstrategie.
Conclusie
Gelet op de te realiseren opgaven uit de NOVI kan de conclusie worden getrokken dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met de NOVI.
In de Omgevingsvisie Overijssel (2017) wordt de visie op de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van de provincie Overijssel geschetst. De visie is daarbij gericht op 2030. Gekoppeld aan de Omgevingsvisie heeft de provincie een Omgevingsverordening (2017) opgesteld. In de Omgevingsverordening worden regels gesteld ten aanzien van het provinciaal belang. De provincie wil de kwaliteit van de leefomgeving verbeteren met het oog op een goed vestigingsklimaat, een veilige en aantrekkelijke woonomgeving en een fraai buitengebied. Deze leefomgeving moet geschikt zijn voor de grote diversiteit aan activiteiten die mensen in de provincie willen ondernemen.
In de omgevingsvisie staat het uitvoeringsmodel centraal. In figuur 3.1 wordt het uitvoeringsmodel weergegeven. In dit model draait het om drie vragen die antwoord geven op of, waar en hoe ontwikkelingen uitgevoerd worden. Bij de eerste vraag zijn generieke beleidskeuzes van belang. Bij de tweede vraag zijn ontwikkelingsperspectieven richtinggevend en bij de derde vraag gaat het om de inpassing in de kenmerken van het gebied.
Figuur 3.1: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel
Generieke beleidskeuzes
Het gaat hier om algemene keuzes die bepalen of ontwikkeling nodig, dan wel mogelijk zijn. Voor stedelijke ontwikkeling hanteert de provincie de Ladder voor Duurzame verstedelijking. Dit betekent dat voor ontwikkelingen eerst bestaande bebouwing of herstructurering wordt benut, voordat er uitbreiding plaatsvindt.
Het uitbreiden van de ligboxelstal past binnen de genoemde generieke beleidskeuzes van de provincie. De ontwikkeling vindt plaats door een herstructurering van een voorheen bebouwd perceel en de woonfunctie past in de sociaaleconomische structuur van de omgeving. Hierna wordt ingegaan op de gebiedskenmerken en ontwikkelingsperspectieven.
Gebiedskenmerken
De provincie wil ruimtelijke kwaliteit realiseren door, naast bescherming, vooral in te zetten op het verbinden van bestaande kwaliteiten en nieuwe ontwikkelingen. Hierbij zijn de gebiedskenmerken van provinciaal belang het uitgangspunt. Hierna wordt een korte samenvatting gegeven van de in het plangebied voorkomende gebiedskenmerken volgens de lagenbenadering:
Natuurlijke laag: Laagveengebieden
Als ontwikkelingen plaats vinden in de laagveenrestanten, dan dragen deze bij aan verhoging van het waterpeil om bodemdaling en verdwijnen van het veen pakket tegen te gaan en, waar mogelijk, aan toename van natuurkwaliteit en het areaal levend laagveen.
Dit project stelt een perceelsgebonden ontwikkeling voor. De zichtbare glooiingen en structuren in het landschap worden gehandhaafd.
De laag van het agrarisch cultuurlandschap: Laagveenontginning
De ambitie van dit gebied van de provincie is de cultuurhistorische kwaliteiten van het laagveenlandschap zoveel als mogelijk in stand te houden en beleefbaar te maken.
De kenmerken van dit in cultuur gebrachte landschap worden gerespecteerd en waar mogelijk versterkt, door het toevoegen en herstellen singels.
De stedelijke laag: n.v.t.
Voor het plangebied is geen stedelijke laag opgenomen. Deze laag is dan ook niet van toepassing.
Laag van de beleving: Donkerte
In het gebied de 'donkerte' wil de provincie het rustige en onthaaste karakter behouden. In de donkere gebieden zijn alleen minimaal noodzakelijke toepassing van kunstlicht toegestaan. Dit vereist het selectief inzetten en ‘richten’ van kunstlicht. Daarnaast is er veel aandacht voor het vermijden van onnodig kunstlicht bij ontwikkelingen in het buitengebied.
De uitbreiding van de bestaande stal doet geen afbreuk aan de donkerte in het gebied.
Hoe aan het beleid uit de Omgevingsvisie uitvoering moet worden gegeven is vastgelegd in de Omgevingsverordening. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel. De Omgevingsverordening is een uitvoeringsmodel van de Omgevingsvisie en is opgesteld in de vorm van regels. In veel regels is gekozen voor proces- en motiveringsvereisten. In de Omgevingsverordening moet elk inhoudelijk thema geregeld zijn, waar de provincie de mogelijkheid op wil hebben om juridische instrumenten in te kunnen zetten. Het inzetten van juridische instrumenten vindt plaats op basis van de interventieladder (OF, WAAR-, HOE- benadering).
Deze onderwerpen komen aan bod in de toelichting bij het bestemmingsplan.
Op basis van het het provinciale beleid valt onderhavige locatie in het ontwikkelperspectief 'Agrarische ondernemen in het grootschalig landschap'. De beoogde uitbreiding past daarmee binnen het provinciale beleid.
In het kader van de verordening gaat het met name over de vraag 'Hoe' de ontwikkeling wordt vorm gegeven dat wordt voldaan aan de eisen van: duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit. Hiervoor zijn in artikel 2.1 van de provinciale verordening een set aan regels gesteld. In de vorige paragraaf 3.2.1 is op basis van het uitvoeringsmodel de Of en Waar vraag beschreven Om de 'hoe' vraag goed te beantwoorden wordt conform artikel 2.1.5 gebruik gemaakt van de Catalogus Gebiedskenmerken en het Werkboek Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving.
De toekomstige ontwikkeling en ambitie is gericht op verdere ontwikkeling van de agrarische bedrijven met oog voor de ruimtelijke kwaliteit van het gebied. Hierbij staat met name het beschermen van de openheid van het gebied centraal. De landschappelijke inpassing van het erf moet hier rekening mee houden.
In de provinciale verordening wordt onderscheid gemaakt tussen kleinschalige- en grootschalige ontwikkelingen in De Groene Ruimte. Feit is dat de locatie is gelegen in de groene ruimte en dat een agrarisch bedrijf hier thuis hoort. Er is in de verordening geen definitief opgenomen van kleinschalige- of grootschalige ontwikkelingen.
Met onderhavige plan wordt het bestaande bouwvlak verplaatst, hierdoor is de uitbreiding mogelijk in oppervlak neemt het bouwvlak minimaal toe (1.25 ha naar 1.33 ha). Het verplaatsen komt ten goede aan de landschappelijke inpassing van het erf en wordt er aangesloten op het beleid van de provincie.
Voor het aspect 'ruimtelijke kwaliteit' wordt aangesloten bij het 'Werkboek Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving'. In paragraaf 3.2.4 is het Werkboek Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving en de toepassing hiervan beschreven.
De Kwaliteitsimpuls agro en food is onderdeel van het provinciaal ruimtelijk beleid en richt zich op verduurzaming van groeiende agrarische bedrijven. De provinciale inzet voor de transitie naar verduurzaming bestaat uit drie elementen:
De Kwaliteitsimpuls agro en food kent 5 basisprincipes die richting geven aan de evenwichtige
ontwikkeling van bedrijfsontwikkeling en kwaliteitsversterking:
Het KGO-beleid is ontstaan om ontwikkelingen in het landelijk gebied mogelijk te maken in ruil voor een impuls van de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse. De 'Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving' is ontwikkeld als een eenduidige bundeling van diverse regelingen waaronder het Rood voor Rood-beleid. Voor de toepassing van KGO is een werkwijze ontwikkeld om de principes van ontwikkelingsplanologie toepasbaar te maken voor sociaaleconomische ontwikkelingen in de groene omgeving. De basis van de KGO is in lijn met de ontwikkelperspectieven en de 'Catalogus Gebiedskenmerken' en richt zich op zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik.
Een belangrijke voorwaarde is dat in ruil voor de ontwikkelingsruimte een passende kwaliteitsimpuls wordt gedaan. Voor elke ontwikkeling geldt een basisinspanning. Dat wil zeggen dat elke ontwikkeling goed landschappelijk ingepast dient te worden door de juiste situering van gebouwen en erfbeplanting. De aanvullende prestaties die moeten worden gedaan voor de ruimtelijke kwaliteit zijn afhankelijk van een drietal variabelen, namelijk:
Randvoorwaarden vanuit KGO:
Zoals al eerder aangegeven houdt de kwaliteitsimpuls in dit geval in dat er in het buitengebied ruimte is voor grootschalige uitbreidingen, mits die gelijk opgaan met verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. De kwaliteitsimpuls bestaat uit een basisinspanning, die bestaat uit een goede ruimtelijke inpassing van het totale erf waar de ontwikkeling deel van uitmaakt, en een aanvullende kwaliteitsprestatie, waarbij sprake is van maatwerk.
Wanneer een gebiedseigen ontwikkeling vanuit de functie zelf al bijdraagt aan de omgevingskwaliteiten, dan kan dat deels gezien worden als invulling van de aanvullende kwaliteitsprestaties. In dat geval kan materieel gezien worden volstaan met een basisinspanning ruimtelijke kwaliteit. Het uitgangspunt hierbij is dat de schaal van de ontwikkeling past in de gebiedskenmerken. De schaalvergroting van een grondgebonden agrarisch bedrijf in een grootschalig open gebied dat ligt in het perspectief 'Agrarische ondernemen in het grootschalig landschap' wordt als voorbeeld aangehaald. De bedrijfsontwikkeling past in het ontwikkelperspectief en draagt op zich bij aan de instand- houding en/of versterking van de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving. In dit geval kan er volstaan worden met een goede ruimtelijke inpassing van het bedrijf.
In paragraaf 2.3 wordt de ruimtelijke inpassing van het erf beschreven. Na de realisatie wordt het gehele erf ruimtelijke ingepast. Bestaande boomsingels worden naar achteren verlengd en aan de achterzijde aangeplant. Met het aanplanten van deze singels worden het gehele erf, de uitbreiding en sleufslilo's, afgeschermd overeenkomstig met de omgeving. Met deze basis inspanning wordt voldaan aan het KGO beleid.
De gemeente heeft de Omgevingsvisie Steenwijkerland 'Waardevast landschap' (juni 2017) opgesteld. Het betreft een visie op hoofdlijnen die zich richt op de fysieke leefomgeving en een strategisch kader voor ruimtelijke ontwikkeling is.
In de omgevingsvisie stelt de gemeente dat het streven is dat de boerenbedrijvigheid op peil blijft. Niet alleen vanwege de primaire werkgelegenheid maar ook omdat boerenbedrijven de kwaliteit en vitaliteit van het buitengebied bepalen. Goed onderhouden erven en stallen bepalen het beeld. Agrariërs spelen een belangrijke rol in natuurbeheer. Het kan alleen als er ruimte gegeven wordt aan schaalvergroting, diversificatie, (gedeeltelijke) functieverandering en innovatie binnen de landbouw. De gemeente wil bijdragen aan de kracht van de Nederlandse land- en tuinbouw.
De ontwikkelingen van de agrarische sector kunnen een stevig stempel drukken op het buitengebied. Het gaat om de ontwikkeling van grotere bedrijfsgebouwen, de behoefte aan meer ruimte voor verbreding en om de verandering van de erfinrichting, de inrichting van gebieden (verkaveling) en ontsluiting. Grootschaligheid kan botsen met landschappelijke en recreatieve waarden. De verschillende landschapstypen hebben elk hun eigen draagvermogen. Dit draagvermogen bepaalt wat mogelijk is qua schaalvergroting. De mogelijkheid en de voorwaarden om door te groeien, worden gebiedsafhankelijk bepaald.
In onderhavig plan is sprake van een bedrijfsontwikkeling die bijdraagt aan versterking van de ruimtelijke kwaliteit en de toekomstbestendigheid van de ondernemer.
Voor Scheerwolde gelden de volgende welstandscriteria die van invloed zijn op de beoogde ontwikkeling:
Het plangebied ligt in 'Laagveenlandschap' en nog specifieker in de 'inpoldering met Scheerwolde'.
Het open polderlandschap is regelmatig verkaveld in lange stroken, in gebruik als weide- en akkerbouwgebied. Restanten van het oude kraggenlandschap zijn nog herkenbaar. De boerderijen zijn op regelmatige onderlinge afstand geplaatst: langs de polderwegen, het kanaal Beukers-Steenwijk, het Steenwijkerdiep en de N333. De erfbeplanting is overwegend een singel halfrond of begrenst de zijkant van de boerderij. De bebouwing is overwegend met het woongedeelte haaks op de weg georiënteerd. De boerderijen volgen ook wel de verkavelingshoek. De zijde naar de weg is open. De bijgebouwen staan zoveel mogelijk op het erf, maar door de grotere schaal vallen de nieuwere bijgebouwen daar vaak buiten. De oudere boerderijen, onder andere enige stelpen uit de periode van voor de inpoldering, bevinden zich aan het Steenwijkerdiep.
De uitgangspunten voor het nieuwe bestemmingsplan 'Buitengebied' van gemeente Steenwijkerland zijn uitgewerkt in de 'Beleidsnotitie bestemmingsplan Buitengebied Steenwijkerland'. Deze is vastgesteld door de gemeenteraad op 27 maart 2012 en geeft weer waar de gemeente Steenwijkerland zich op richt bij de verdere ontwikkeling van haar buitengebied. Het voornaamste doel van de notitie is het verschaffen van helderheid over uitgangspunten van gebruiks- en bouwmogelijkheden in het buitengebied. De gemeente was voornemens voor het buitengebied een nieuw bestemmingsplan op te stellen. In een later stadium, na vaststelling van de beleidsnotitie, is er voor gekozen het planologisch kader in het buitengebied te actualiseren met de (geldende) Buitengebied. Voor de beleidsnotitie verandert dit niet veel, deze behoudt bestaansrecht als gemeentelijk beleidskader voor nieuwe initiatieven.
Bij uitbreiding van agrarische bedrijven gelden de volgende uitgangspunten:
De volgende randvoorwaarden worden geformuleerd:
Aan voorgenoemde randvoorwaarden wordt voldaan. Met dit bestemmingsplan wordt de situering van de bedrijfskavel (bouwvlak) aangepast het oppervlak van de bedrijfskavel wordt hierdoor minimaal vergroot. De 'uitbreiding' vindplaats op de aangrenzende agrarische gronden. In de bestaande situatie is, met name aan de voorzijde van het perceel sprake van een goede landschappelijke inpassing, met de beoogde ontwikkeling wordt deze landschappelijke inpassing op dezelfde manier rondom doorgetrokken, zodat het gehele erf landschappelijk goed is ingepast. De landschappelijke kwaliteit van de omgeving is hiermee gewaarborgd
Op het erf is voldoende ruimte om in de eigen parkeerbehoefte te voorzien. Voor de uitvoerbaarheid en het waarborgen van een goed woon- en leefklimaat wordt verwezen naar hoofdstuk 4 en 6. In de hoofdstukken wordt geconcludeerd dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat en het project uitvoerbaar is.
Wegverkeerslawaai
Op grond van de Wet geluidhinder geldt rond wegen met een maximumsnelheid hoger dan 30 km/uur, spoorwegen en inrichtingen die ''in belangrijke mate geluidhinder veroorzaken'', een geluidzone. Bij ontwikkeling van nieuwe geluidsgevoelige objecten binnen deze geluidzones of bij bepaalde veranderingen aan de weg zelf (zoals het verhogen van de maximumsnelheid of het uitbreiden van het aantal rijstroken) moet akoestisch onderzoek worden uitgevoerd om aan te tonen dat de ontwikkeling voldoet aan de voorkeursgrenswaarden die in de wet zijn vastgelegd.
Het plangebied ligt aan de Woldlakeweg, dit is een 60km/uur weg. Binnen het plangebied worden geen nieuwe geluidsgevoelige functies opgericht. Er ontstaan dan ook geen strijdigheden met de Wgh. Wat betreft geluid zijn dan ook er geen belemmeringen voor dit project.
Inrichtingslawaai
In het kader van een ruimtelijke beoordeling van de geluidsaspecten gelden geen wettelijke normen. De gemeenteraad en B&W komt bij deze beoordeling beleidsvrijheid toe. De gemeenteraad kan uitgaan van de toetsingssystematiek uit de VNG-Brochure bedrijven en milieuzonering, maar kan ook aansluiten bij de geluidnormen die in het milieuspoor worden gehanteerd, zoals het Activiteitenbesluit milieubeheer. In paragraaf 4.3 is de beoogde ontwikkeling getoetst aan de systematiek uit de VNG-Brochure bedrijven en milieuzonering. Op basis van de VNG-Brochure bedrijven en milieuzonering en de daarin opgenomen richtafstanden kan worden geconcludeerd dat er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is.
Toetsingskader
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk onderbouwing uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit.
Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in onderstaande tabel weergegeven.
| Stof | Toetsing van | Grenswaarde |
| stikstofdioxide (NO2) | jaargemiddelde concentratie | 40 µg/m³ |
| fijn stof (PM10) | jaargemiddelde concentratie | 40 µg/m³ |
| 24-uurgemiddelde concentratie | max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³ | |
| fijn stof (PM2,5) | jaargemiddelde concentratie | 25 µg /m³ |
Tabel 4.1 Grenswaarden maatgevende stoffen Wet milieubeheer
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.
Besluit niet in betekenende mate
In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk onderbouwing uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit.
Onderzoek
De beoogde ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van een uitbreiding van de ligboxenstal ten behoeve van melkkoeien. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2020 (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de N333, direct ten zuiden van het plangebied. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2020; 10,9 µg/m³ voor NO2, 14,7 µg/m³ voor PM10 en 8,3 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6 dagen. Hierdoor is er ter plaatste van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
De omgevingsdienst IJsselland heeft in haar advies, door middel van de NIBM rekentool, onderzocht waar het omslagpunt van luchtverontreiniging fijnstof en stikstofdioxide door transportbewegingen ligt. Hieruit blijkt dat het omslagpunt bij 135 (zware) voertuigbeweginen ligt. Met de uitbreiding van het bedrijf is het aannemlijk dat het aantal verkeersbewegingen minimaal toenemen, het gaat namelijk om een bestaand bedrijf. De toename in verkeersbewegingen is op dit moment niet bekent, maar de toename blijft in iedergeval ruim onder de grens van 135 (zware) voertuigbewegenin.
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied. Ter plaatse van het plangebied is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Toetsingskader
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:
Om een belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt gebruik gemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof.
Onderzoek
In de beoogde situatie wordt een uitbreiding van de ligboxenstal ten behoeve van melkkoeien gerealiseerd. Hiermee wordt een milieuhinderlijke functie opgericht en moet worden getoetst aan de richtafstanden zoals vermeld in de VNG-brochure. Het plangebied is in het buiten gebied gelegen met in de omgeving voornamelijk agrarische bestemmingen, waardoor de omgeving getypeerd kan worden als 'buitengebied'.
Binnen het plangebied worden geen nieuwe gevoelige functies opgericht. Omliggende bedrijven vormen geen belemmering.
Met de beoogde ontwikkeling wordt wel een bestaande agrarische functie uitgebreid. Een veehouderij ten behoeve van Rundvee valt onder VNG-categorie 3.2 (Fokken en houden van rundvee). Dit betekent dat een richtafstand van 100 meter tot woningen moet worden aangehouden. De dichtstbijzijnde woning ligt op 200 meter, daarmee wordt ruim voldaan aan de gestelde richtafstand. Daarnaast komt door de uitbreiding, het bedrijf niet dichter op deze woning te liggen.
Op basis van de VNG-Brochure bedrijven en milieuzonering en de daarin opgenomen richtafstanden kan worden geconcludeerd dat er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is.
Vaste afstanden
Op basis van de wet geurhinder en veehouderij (Wgv) geldt voor geurgevoelige objecten gelegen buiten de bebouwde kom een minimale afstand van 50 meter. Met gemeentelijk geurbeleid vastgesteld op basis van artikel 6 van de Wgv kunnen andere afstanden van toepassing zijn.
De gemeente Steenwijkerland heeft op 3 april 2014 de 'Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Steenwijkerland' vastgesteld. Op basis van artikel 2 van deze verordening geldt, in afwijking van de afstand van de wet geurhinder en veehouderij, voor geurgevoelige objecten gelegen in gebiedstype I een afstand van 25 meter.
Met onderhavige ontwikkeling worden geurgevoelig objecten mogelijk gemaakt. De dichtstbijzijnde woning bevindt zich op 200 meter ten opzichte van het plangebied. Aan de gestelde richtafstand wordt dan ook ruim voldaan.
Toetsingskader
Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.
Onderzoek
In de omgeving van het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen te vinden met een externe werking. Ook vindt er geen transport van gevaarlijke stoffen plaats via het spoor, de weg, het water of door buisleidingen. Daarnaast bestaat de beoogde ontwikkeling uit de uitbreiding van de ligboxenstal ten behoeve van melkkoeien. Dit betreffen geen kwetsbare objecten en hoeven niet verantwoord te worden.
Conclusie
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Toetsingskader
Met de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.
Gebiedsbescherming
Bescherming van natuurgebieden wordt gewaarborgd door de Wet natuurbescherming en de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Natura 2000-gebieden worden beschermd door de Wnb en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt beschermd door de Wro.
Natura 2000-gebieden
De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn).
Een bestemmingsplan die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling of voortoets de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:
De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden.
Soortenbescherming
In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:
De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn.
Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden.
Bij de voorbereiding van de ruimtelijke onderbouwing moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen.
Onderzoek
Gebiedsbescherming
Het plangebied is geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige gedeelte van Natura 2000-gebied Weerribben ligt op circa 830 meter. Het plangebied maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Tegenover het plangebied is NNN-gebied gelegen. De beoogde ontwikkeling veroorzaakt geen toename van stikstofdepositie ten opzichte van de aangevraagde vergunning Wet natuurbescherming.
Natura 2000-gebieden: impact stikstofdepositie
In Nederland staan veel Natura 2000-gebieden onder druk door een overbelasting van stikstofdepositie. Ook kleinschalige initiatieven kunnen leiden tot een toename van de stikstofdepositie en moeten om die reden daarop worden beoordeeld. Voor kleine plannen waarvan op voorhand (en goed gemotiveerd) kan worden onderbouwd dat deze - vanwege bijvoorbeeld de grote afstand tot Natura 2000-gebieden - geen negatieve gevolgen kunnen hebben voor de relevante Natura 2000-gebieden, kan een passende beoordeling van de stikstofdepositie achterwege blijven. Hiermee geeft het ministerie ruimte voor een kwalitatieve onderbouwing voor kleine projecten, waarvan op voorhand met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid geen (significant) negatief effect is op de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden.
Voor de melkveehouderij en de uitbreiding is op 13 februari een aanvraag vergunning Wet natuurbescherming met stikstofberekening aangevraagd. De provincie Overijssel heeft deze vergunning geweigerd zie bijlage 3, omdat het niet nodig is voor het in werking hebben van een melkveehouderij aan de Woldlakeweg 2 in Scheerwolde (positieve weigering).
Uit de overweging van de provincie blijkt dat de stikstofdepositie van het aangevraagde project niet toeneemt ten opzichte van een op de Europese referentiedatum aanwezige milieutoestemming, waarbij de laagst toegestane depositie vanaf de referentiedatum geldt. Dan is op grond van objectieve gegevens uitgesloten dat die wijziging significante gevolgen heeft. Sinds 1 januari 2020 geldt er dan geen vergunningplicht meer.
Door de afstand van uw bedrijf tot Natura 2000-gebieden zijn er geen andere activiteiten die negatief zijn voor de instandhoudingsdoelen. Op grond van de Wnb is vergunningsplicht niet aan de orde.
De beoogde ontwikkeling veroorzaakt tijdens de gebruikfase geen toename van stikstofdepositie ten opzichte van de aangevraagde vergunning Wet natuurbescherming. Tijdens de aanlegfase ontstaat ook stikstofdepositie dit bedraagt nooit meer dan de stikstofdepositie die uitstoot tijdens de gebruikfase. Aangezien tijdens de aanlegfase, het aantal beoogde dieren nog niet aanwezig zijn, kan deze 'stikstofruimte' worden gebruikt voor de aanlegfase.
Soortenbescherming
Ten aanzien van de soortenbescherming gelden onder andere algemene verboden tot het verwijderen van groeiplaatsen van beschermde plantensoorten, het beschadigen, vernielen, wegnemen of verstoren van voortplantings- of vaste rustplaatsen of verblijfplaatsen van beschermde diersoorten of het opzettelijk verontrusten van een beschermde diersoort. Voor de beoogde uitbreiding is een ecologische quickscan uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 2 van deze toelichting.
Het veldbezoek is afgelegd op 24 maart 2021. Tijdens dit veldbezoek is de onderzoekslocatie, waar de uitbreiding plaatsvindt beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van de aanwezige habitat. Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat in de te slopen gevel geen beschermende soorten aanwezig zijn. Wel wordt geadviseerd om te werken buiten het broedseizoen en om in de toekomstige situatie te werken met vleermuisvriendelijke verlichting.
Voor alle soorten is de zorgplicht van kracht. Bij verstoring van dieren tijdens de werkzaamheden moeten deze de gelegenheid krijgen te vluchten naar een nieuwe leefomgeving. Hiermee zal tijdens de uitvoering van de werkzaamheden rekening worden gehouden.
Op grond van het Bro moet in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig moet worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt voor de desbetreffende functie (functiegericht saneren).
De beoogde ontwikkeling is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (bijlage 4). Aanleiding voor het uitvoeren van het onderzoek is de voorgenomen uitbreiding van het huidige bouwblok aan de noordoostzijde. Doel van het bodemonderzoek is het bepalen van de algemene milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (grond en grondwater), om een uitspraak te kunnen doen of deze al dan niet een belemmering vormt voor de beoogde bouw- en grondwerkzaamheden.
Uit de resultaten van het bodemonderzoek blijkt dat in het grondwater licht verhoogde concentraties barium, kobalt, nikkel en xylenen zijn gemeten. De gemeten overschrijdingen van de streefwaarde zijn echter dermate gering dat zij vanuit milieukundig oogpunt geen bezwaar vormen. Nader onderzoek is daarom niet noodzakelijk. Op grond van het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek is er geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek.
Er zijn vanuit milieuhygienisch oogpunt geen belemmeringen voor de voorgenomen bouw- en grondwerkzaamheden op de onderzoekslocatie
De regels ten aanzien van de omgang met archeologische waarden zijn opgenomen in de Erfgoedwet. De kern van de wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, archeologische resten intact moeten blijven. Als dit niet mogelijk is, is opgraving een optie. Om inzicht te krijgen in de kans op het aantreffen van archeologische resten in bepaalde gebieden zijn op basis van historisch onderzoek archeologische verwachtingskaarten opgesteld.
De gemeente Steenwijkerland heeft een gemeentelijke archeologische beleidskaart. Deze kaart geeft op basis van oudheidkundig onderzoek verschillende waarderingen op het grondgebied van de gemeente. Figuur 4.1 geeft een fragment van de beleidskaart weer.
Figuur 4.1 Fragment archeologische beleidskaart Steenwijkerland
Het plangebied ligt in de zone's 'lage archeologische verwachting' en 'hoge archeologische verwachting'. Zandruggen hebben een hoge archeologische verwachtingswaarde.
Op basis van het archeologiebeleid moet hier bij ingrepen groter dan 2.500 m2 (in het buitengebied) archeologisch onderzoek plaatsvinden. De betreffende gebieden zijn in de geldende beheersverordening bestemd als 'Waarde - Archeologie 2'.
De beoogde uitbreiding valt deels binnen deze zone. De uitbreiding heeft een oppervlak van circa 500 m² daarmee blijft de ontwikkeling ruimt onder de gestelde grens van 2.500 m²
Voor gebieden met een lage verwachtingswaarde geldt dat er geen archeologisch onderzoek uitgevoerd hoeft te worden. Vanuit dit aspect bestaan geen belemmeringen voor het project. Indien bij de werkzaamheden toch archeologische resten worden aangetroffen, geldt op grond van de Erfgoedwet een meldingsplicht.
Toetsingskader
Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:
Onderzoek en conclusie
In en rondom het plangebied liggen geen planologisch relevante leidingen.
Toetsingskader
De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU Richtlijn m.e.r. De richtlijn is van toepassing op de milieueffectbeoordeling van openbare en particuliere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben.
De Europese regelgeving is in de Nederlandse wetgeving onder andere geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (verder Wm) en in het Besluit milieueffectrapportage 1994. In de bijlagen behorende bij het Besluit m.e.r. zijn de m.e.r.-plichtige activiteiten (de C-lijst) en de m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten (de D-lijst) beschreven. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Voor de betreffende activiteiten die niet aan de drempelwaarden voldoen, dient het bevoegd gezag na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:
Onderzoek en conclusie
In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op meer dan 200 stuks melk-, kalf- of zoogkoeien, 340 stuks vrouwelijk jongvee tot 2 jaar of 340 stuks melkvee en jongvee.
In de beoogde situatie worden 125 stuks melkvee en 85 stuks jongvee gehouden. Daarmee blijft de ontwikkeling onder de drempelwaarden. Dit betekent dat kan worden volstaan met een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling'.
In het kader van de bestemmingsplanprocedure zal het college met inachtneming van de in bijlage 6 opgenomen aanmeldingsnotitie voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling, voorafgaand aan de ter inzage legging van het ontwerpbestemmingsplan besluiten dat geen MER nodig is. Uit de aanmeldnotitie blijkt namelijk dat, gelet op de kenmerken van het project (zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden.
Vanwege het grotere belang van het water in de ruimtelijke ordening, wordt van waterschappen een vroege en intensieve betrokkenheid bij het opstellen van ruimtelijke plannen verwacht. Bovendien is de watertoets een verplicht onderdeel in de ruimtelijke ordening geworden.
Wateradvies
Via de Digitale Watertoets (www.dewatertoets.nl) is het waterschap Drents Overijsselse Delta gevraagd een reactie te geven op het plan. Uit de ingediende gegevens (zie bijlage 5) is bepaald dat het plan een beperkte invloed heeft op de waterhuishouding. Hierdoor kan de korte procedure worden gevolgd voor de watertoets. Dit betekent dat de beperkte invloed van het plan op de waterhuishouding kan worden ondervangen met de uitgangspunten uit de standaard waterparagraaf.
Relevant beleid
Het beleid van het waterschap Drents Overijsselse Delta staat beschreven in het waterbeheerplan 2016-2021. Specifiek voor het stedelijke gebied heeft het waterschap het beleid geformuleerd in Water Raakt! Daarnaast is de Keur een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden.
Invloed op de waterhuishouding
Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. Binnen het bestemmingsplan worden geen wooneenheden gerealiseerd en de toename van het verharde oppervlak bedraagt niet meer dan 1500 m2. Binnen het plangebied is geen sprake van (grond)wateroverlast.
Voor de aanleghoogte wordt een ontwateringsdiepte geadviseerd van minimaal 80 centimeter. Dit is de afstand tussen de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) en onderzijde bouwvloer. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een kleinere ontwateringsdiepte. Om wateroverlast binnen woningen en bedrijven te voorkomen adviseren wij om een drempelhoogte van 30 centimeter boven het straatpeil te hanteren (as van de weg). Voor lager gelegen ruimtes, zoals kelders en parkeergarages, wordt aandacht besteed aan het voorkomen van wateroverlast door bijvoorbeeld instromend hemelwater.
Voorkeursbeleid hemelwater
Bij de afvoer van overtollig hemelwater moet het afstromend hemelwater ter plaatse in de bodem dan wel op het oppervlaktewater worden teruggebracht. Het waterschap heeft de voorkeur om het hemelwater, daar waar mogelijk, te infiltreren in de bodem. Oppervlakkige afvoer naar de infiltratievoorziening en infiltratie via wadi s heeft daarbij de voorkeur. Als oppervlakkige infiltratie niet mogelijk is, is ondergrondse infiltratie door middel van bijvoorbeeld een infiltratieriool (IT-riool) of infiltratiekratten een mogelijkheid. Als infiltratie niet mogelijk is dan kan hemelwater via een bodempassage worden geloosd op oppervlaktewater. De afvoer van overtollig hemelwater uit het plangebied mag, ongeacht de toegepaste methode, niet tot wateroverlast leiden op aangrenzende percelen of het omliggende watersysteem. Schoon hemelwater (bijvoorbeeld vanaf dakoppervlakken) kan direct worden afgevoerd naar oppervlaktewater.
Met de beoogde ontwikkeling wordt aangesloten op het beleid van het waterschap. Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Daarom wordt hemelwater geïnfiltreert. Momenteel wordt onderzocht of dit door middel van een wadi gaat gebeuren of dat er ondergrondse infiltratie wordt toegepast.
Het bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Het voldoet aan de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012.
Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding zijn de verschillende bestemmingen vastgelegd, in de regels (per bestemming) de bouw- en gebruiksmogelijkheden.
Agrarisch
Het deel van perceel kadastraal bekend gemeente IJsselham, sectie x, nummer 1055 wat voorheen als agrarisch bouwperceel (met de bestemming Agrarisch - Agrarisch bedrijf 2) was bestemd, krijgt in dit bestemmingsplan de bestemming 'Agrarisch'. Deze grond is in de huidige situatie in gebruik als weiland en zal ook in de toekomstige situatie niet als bouwperceel worden aangewend.
Agrarisch - Agrarisch bedrijf 2
Het gedeelte van het perceel kadastraal bekend gemeente IJsselham, sextie x, nummer 772 dat in de huidige situatie de bestemming 'Agrarisch' heeft, krijgt met de beoogde ontwikkeling de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf 2'. Hiermee heeft het hele perceel aan de Woldlakeweg 2 dezelfde enkelbestemming. Het bouwvlak dat op het perceel ligt, wordt tevens met deze bestemming vergroot. Hiermee wordt de uitbreiding van de ligboxenstal mogelijk gemaakt.
Waarde - Archeologie 2
Een groot deel van het plangebied heeft de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2'. Deze gronden zijn mede bestemd voor de bescherming van de mogelijke archeologische waarden die in het gebied voorkomen. Ter plaatse is een omgevingsvergunning nodig wanneer het te bouwen oppervlakte groter is dan 2.500 m² (buiten de bebouwde kom).
Wettelijk bestaat de verplichting om inzicht te geven in de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan. In dat verband wordt een onderscheid gemaakt tussen de maatschappelijke en de economische uitvoerbaarheid.
De economische uitvoerbaarheid van een plan wordt in eerste instantie bepaald door de financiële haalbaarheid ervan. Daarnaast is de grondexploitatieregeling uit de Wro van belang voor de economische uitvoerbaarheid. Deze regeling bepaalt dat de gemeente de door haar gemaakte kosten kan verhalen. Het kostenverhaal heeft dus ook invloed op de haalbaarheid van het plan.
Financiële haalbaarheid
De ontwikkeling betreft een particulier initiatief, waarmee de gemeente geen directe financiële bemoeienis heeft. Aangenomen wordt dat deze over de financiële middelen beschikt om het plan uit te kunnen voeren en alle kosten voor de uitvoering voor rekening neemt.
Grondexploitatie
Doel van de in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) opgenomen grondexploitatieregeling is het bieden van ruimere mogelijkheden voor het kostenverhaal en het creëren van meer sturingsmogelijkheden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de publiekrechtelijke weg via een exploitatieplan en de privaatrechtelijke weg in de vorm van overeenkomsten. In het geval van een exploitatieplan kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden, woningbouwcategorieën en fasering. Bij de privaatrechtelijke weg worden dergelijke afspraken in een (anterieure) overeenkomst vastgelegd.
De gemeente moet, volgens de grondexploitatieregeling in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), de gemaakte gemeentelijke kosten verhalen op de initiatiefnemers van de ontwikkeling. Dit geldt overigens alleen wanneer sprake is van bouwplannen, zoals opgenomen in het Bro.
Conform artikel 3.1.6 van het Bro dient bij het opstellen van een bestemmingsplan onderzoek te worden ingesteld naar de uitvoerbaarheid van het plan. De gronden waarop de ontwikkelingen plaatsvinden, zijn eigendom van de initiatiefnemers. De realisatie heeft plaatsgevonden voor rekening en risico van initiatiefnemers en kende derhalve geen financiële risico's voor de gemeente. De kosten die verbonden zijn aan het doorlopen van de procedure worden verhaald op de initiatiefnemer op basis van de legesverordening. Mogelijke planschadekosten zijn eveneens voor rekening van de initiatiefnemer, hiervoor is een overeenkomst met de gemeente opgesteld. Op basis van bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het plan economisch uitvoerbaar.
In deze paragraaf worden, wanneer deze beschikbaar zijn en indien noodzakelijk, de resultaten van het overleg op grond van artikel 3.1.1. Besluit ruimtelijke ordening uiteengezet. Ook de resultaten van de inspraak dan wel ter visie legging worden hier uiteengezet wanneer deze beschikbaar is.
Belanghebbenden
De omgeving is door de initiatief op 25 juni 2021 nogmaals op de hoogte gesteld van het plan en hebben het plan gezamelijk ondertekend. Vanuit de omgeving zijn geen bezwaren tegen het voornemen.
Overleg
Omdat de gemeente de belanghebbenden wil betrekken bij de planvorming, is op basis van de Inspraakverordening van de gemeente het plan in deze periode aangeboden aan overlegpartners. De uitkomsten hiervan worden te zijner tijd verwerkt in dit hoofdstuk.
Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan is gedurende zes weken ter inzage gelegen. Tijdens deze periode is eenieder in de gelegenheid gesteld om een zienswijzen in te dienden. Tijdens deze periode zijn geen zienswijzen ingediend.
Vaststelling
Vervolgens is het bestemmingsplan op 25 januari 2022 ongewijzigd vastgesteld. Uiteindelijk is tegen het vaststellingsbesluit beroep mogelijk bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.