| Plan: | Natuurcamping de Olde Bârgen Dwingeloo |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1701.509PHZOldeBargenDW-0003 |
In 1998 heeft de toenmalige eigenaar de in eigendom zijnde ondergrond met gebouwen verkocht aan De Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland. De Vereniging heeft daarop volgend met de toenmalige pachters een erfpachtovereenkomst gesloten. Per 1 april 2015 zijn de huidige pachters, gestart met de exploitatie van de camping.
Camping De Olde Bârgen ligt op een locatie waar omstreeks 1800 al twee akkertjes lagen tegen de zandverstuiving aan. Het Drentse toponiem "barg" verwijst naar heuvel of grafheuvel
Afbeelding: Kaart met de in omstreeks 1800 aanwezige 2 akkertjes ter plaatse van de huidige camping Bron: Kwaliteitsteam Natuurlijke Recreatie
Zo 'n honderd jaar later in 1900 bestaan de akkertjes nog steeds en is de bebossing er grotendeels in geslaagd het stuifzand te bedwingen.
Afbeelding: Kaart ca. 100 jaar later. Bron: Kwaliteitsteam Natuurlijke Recreatie.
In grote lijn is de aanleiding voor de plannen, het teruglopen van het (toeristisch) kamperen, waardoor de continuïteit van de camping in de toekomst (misschien niet) kan worden gewaarborgd.
Afbeelding: Ontwikkeling van het kamperen
In paragraaf 1.2.1 is deze ontwikkeling toegelicht, met als basis een onderzoek van de Provincie Drenthe. In paragraaf 1.2.2 is de ontwikkeling van de bezetting van de camping zelf aangegeven.
Vrijetijdseconomie, feiten en cijfers van de Provincie Drenthe
Volgens onderzoek van de Provincie Drenthe, weergegeven in "Vrijetijdseconomie, feiten en cijfers 2017" loopt het aantal toeristische overnachtingen in Drenthe terug. Zie onderstaand grafiek 27.
Afbeelding: Grafiek 27 overgenomen uit Vrijetijdseconomie, feiten en cijfers 2017 van
de Provincie Drenthe.
Zowel in Drenthe als in heel Nederland nam het aantal overnachtingen op een camping af. Ten opzichte van 2005 werden er in Drenthe in 2014 bijna 30% minder nachten op een camping doorgebracht; landelijk 13%.
Onderstaand 2 overzichten m.b.t. de boekingen / bezetting natuurcamping De Olde Bârgen. Het eerste overzicht betreft de boekingen / bezetting in de periode 2009 - 2014 in het zomerseizoen ( van 1 april tot 31 oktober 2014).
Het tweede overzicht betreft de het aantal bezette plaatsen per type plaats en de bezettingsgraad in de periode 2009 - 2013, gesplitst in de zomer- en de winterperiode van natuurcamping De Olde Bârgen.
Afbeelding: Boekingen seizoen 2009 tot 2014
Afbeelding: Overzicht bezetting, periode 2009 tot en met 2013 (gegevens van vorige erfpachter)
De bezettingsgraad van de camping ligt tussen de 43 en de 49%. Over het algemeen ligt de bezettingsgraad van de camping in de periodes Hemelvaart-Pinksteren én in augustus tussen de 90- en de 100%. Het verhogen van de bezettingsgraad zal zich dan ook richten op de periodes buiten Hemelvaart-Pinksteren en buiten de maand augustus. T/m 2011 schommelde het aantal overnachtingen per zomerseizoen rond de 7.000 en de bezetting rond de 46%. In 2012 en 2013 daalde het aantal overnachtingen als gevolg van de economische crisis. In 2014 is echter de stijgende lijn weer ingezet. Het aantal boekingen t/m 15 juni zijn 200 nachten hoger t.o.v. dezelfde periode vorig jaar. Het aantal reserveringen per 15 juni tot begin september bedragen 800 nachten.
Vanaf 1 juli 2015 boeken we de reserveringen middels een bookings-programma.
Bezetting 2015
De bezettingspercentages zijn van 1 juli tot en met 31 oktober 2015 de volgende:
Bezetting 2016
De bezettingspercentages zijn van 1 april tot en met 30 september 2016 de volgende:
Bezetting 2017
De bezettingspercentages zijn van 1 april tot en met 31 oktober 1917 de volgende:
Bezetting 2018
De bezettingspercentages zijn van 1 april tot en met 31 oktober 2018 de volgende:
1. De trekkershut 39,72 %
2. De tentplaatsen 26,69 %
3. De toeristische staanplaatsen 57,23 %
Bezetting 2019
De bezettingspercentages zijn van 1 april tot en met 31 oktober 2019 de volgende:
1. De trekkershut 31,30 %
2. De tentplaatsen 15,13 %
3. De toeristische staanplaatsen 52,84 %
Bezetting 2020
De bezettingspercentages zijn van 1 april tot 31 oktober 2020 de volgende:
Gezien de door de Provincie Drenthe geschetste ontwikkelingen en de huidige bezettingsgraad willen we dan ook de continuïteit van de camping / het bedrijf voor de toekomst waarborgen door de bouw van 8 "sterrenwoningen" met bijbehoren gebouw. Door de bouw kunnen we het seizoen verlengen om het bedrijf toekomstperspectief te geven, ook bij eventuele overdracht.
Deze onderbouwing is als volgt opgebouwd. In Hoofdstuk 2 is het voornemen aangegeven en onder paragraaf 2.2.1 een toelichting op het ontwerp dat in het te wijzigen bestemmingsplan een juridische basis krijgt. In Hoofdstuk 3 geeft een samenvatting van de relevante beleidskaders van de rijksoverheid, de provinciale overheid en het gemeentelijke beleid, waarmee bij het opstellen van dit bestemmingsplan rekening moet worden gehouden. Daarnaast moet met de uitwerking van de plannen rekening worden gehouden met de aanwezige omgevingsaspecten waar de plannen invloed op kunnen hebben. Deze komen aan bod in Hoofdstuk 4. In Hoofdstuk 5 volgt een toelichting op de regels. Hoofdstuk 6 beschrijft de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tot slot wordt in Hoofdstuk 7 op de overlegmomenten ingegaan.
Het plangebied c.q. natuurcamping De Olde Bârgen is gelegen in een esdorpenlandschap ten zuidoosten van Dwingeloo en ten zuiden van het buurtschap Lhee. Het plangebied ligt aan de noordzijde van het Dwingelderveld en aan de rand van het Natura 2000 gebied. Het plangebied maakt onderdeel uit van het NNN-gebied en het plangebied is deels gelegen in het Nationale Park.
Als plangebied wordt in het kader van deze onderbouwing beschouwd, de camping / het kampeerterrein en het bijbehorende parkeerterrein aan de overzijde van de Oude Hoogeveensedijk.
Voor de bestaande situatie wordt verwezen naar de Bijlage 2.
Onderstaand 2 luchtfoto's met het plangebied.
Afbeelding: Luchtfoto met het plangebied met directe omgeving
Afbeelding: Luchtfoto met globaal het plangebied meer in detail
Natuurcamping De Olde Bârgen is een kleinschalige (natuur)camping voor toeristisch kamperen
De camping beschikt momenteel over totaal 75 kampeerplaatsen. De 75 kampeerplaatsen zijn onderverdeeld in:
De volgende gebouwen behoren bij natuurcamping De Olde Bârgen:
De volgende gebouwen maken onderdeel uit van natuurcamping De Olde Bârgen:
Een stookhut is een overkapte en in de grond verzonken afdak ten dienste van het tentenveld. Hierin kunnen de tentkampeerders schuilen, eventueel droog koken en BBQ-en en of recreëren.
Onderstaand is de kadastrale situatie weergegeven, incl. de bedrijfs- en recreatiewoning en het parkeerterrein aan de overkant van de Oude Hoogeveensedijk.
De camping bestaat uit de volgenden kadastrale percelen (Sectie M, gemeente Dwingeloo):
Het concept "Sterrenwoningen"
Het concept “Sterrenwoningen” is ingegeven door het feit dat Dwingeloo als geen ander is verbonden met de ruimte, door de aanwezigheid van de Astron, JIVI, Planetron en de door ASTRON ontwikkelde open Science Hub in de oude bibliotheek aan de Brink. Dit is een centrum waar informatie over sterrenkunde wordt gegeven.
De “Sterrenwoningen” heeft een aantal specifieke voorzieningen en mogelijkheden, zoals:
De "Sterrenwoningen" worden gezien als een goede aanvulling op het bestaande recreatieve verblijfsmogelijkheden, passend bij het gebied en de directe omgeving van de camping en zal zeker een specifieke doelgroep aantrekken. Door de bouw van de "Sterrenwoningen' zal het recreatieve seizoen verder verbreed kunnen worden en zal zo een bijdrage leveren aan het streven tot een volwaardig jaarrond inkomen.
Een zienswijze die wordt ook ondersteund door het “Kwaliteitsteam Natuurlijke Recreatie”.
Tevens is de kleinschalige Natuurcamping De Olde Bârgen een van de rustigste, donkerste en stilste campings aan de rand van het Dwingelderveld. In alle rust, stilte en duisternis kunnen de sterren c.q. sterrenbeelden worden geobserveerd.
De doelgroep en bouw "Sterrenwoningen"
Het voornemen bestaat uit het bouwen van, per saldo, 8 "Sterrenwoningen" (overeenkomstig het advies van het Kwaliteitsteam Natuurlijke Recreatie) en een bijbehorend bouwwerk. Het advies van het Kwaliteitsteam is terug te vinden in paragraaf 2.6.
De term "sterrenwoningen" is "geboren" uit het feit dat Dwingeloo, "als geen ander", is verbonden met astronomie. Ook willen we met de bouw van "sterrenwoningen" een andere doelgroep bereiken.
Het gaat hier om mensen die geïnteresseerd zijn in sterren(beelden), de duisternis, het heelal, kort gezegd de oneindige ruimte om ons heen in als haar facetten.
Concreet gaat het in ieder geval om leden van de Koninklijke Nederlandse Vereniging voor Weer en Sterrenkunde (KNVWS).
CAMRAS heeft aangeboden om deze leden te animeren voor de “sterrenwoningen” en zal tevens een cursus voor ons als recreatieondernemers verzorgen. Op onze beurt zullen wij deze informatie uitdragen om gasten hiermee te interesseren voor de “Sterrenwoningen”.
Met andere woorden een doelgroep die bewust kiest voor campings als de Olde Bargen, maar daarnaast interesse heeft in sterrenkunde of sterrenkunde als hobby heeft.
Het bijbehorende bouwwerk bij de 'sterrenwoningen' zal bestaan uit een overdekte jacuzzi. De architectuur daarvan zal aansluiten bij de architectuur van de "sterrenwoningen" / het huidige sanitair gebouw.
Optie "groepsverblijf"
Met betrekking tot de "sterrenwoningen" S5 en S6, is er een optie om deze uit te voeren als 2 gecombineerde sterrenwoningen, welke geschikt is voor een groep bestaande uit ca. 12 personen. Afhankelijk van de marktomstandigheden zal dit ja dan nee worden gerealiseerd (zie hiervoor Bijlage 5). Er is in het plangebied 1 mogelijkheid aangegeven waar deze eventuele samenvoeging gerealiseerd kan worden. In het geval van samenvoeging is en blijft sprake van maximaal 7 vakantieverblijven.
Met betrekking tot de vormgeving en transformatie worden de volgende uitgangspunten gehanteerd (zie ook de hieronder opgenomen schetsen / impressies d.d. 28 augustus 2015):
Voor de gewijzigde situatie wordt verwezen naar Bijlage 5. Op deze tekening is ook het bouwblok weergegeven. De bouwblokken zijn afgestemd op de te bouwen sterrenwoningen.
Onderstaand zijn de gevels, doorsneden en plattegronden van de “Sterrenwoningen” weergegeven. Voor de bouwkundige tekening wordt verwezen naar Bijlage 6.
Tekeningen van de te bouwen "Sterrenwoningen" d.d. 28 augustus 2015
Afbeelding: Tekening “Sterrenwoningen”, voorgevel en linker zijgevel
Afbeelding: Tekening "Sterrenwoning", achtergevel en rechterzijgevel
Afbeelding: Tekening “Sterrenwoning”, begane grond
Afbeelding: Tekening "Sterrenwoning", plattegrond verdieping
Afbeelding: Tekening “Sterrenwoning”, principedoorsneden.
Fasering
Aansluitend bij het advies van het Kwaliteit team Natuurlijke Recreatie Drenthe is het voornemen om de "Sterrenwoningen" gefaseerd te bouwen en wel zodanig dat van de gerealiseerde winst een volgende woning kan worden gebouwd. Afhankelijk van de financiële situatie, gaan we uit van de volgende fasering:
Peil
Als peil zal worden aangehouden:
e.e.a. in overleg met de gemeente Westerveld.
Duidelijke scheiding tussen de woningen en het toeristisch kamperen
De provincie Drenthe heeft, bij monde van de Gemeente Westerveld, aangegeven dat een (duidelijke) scheiding tussen het toeristisch kamperen en de "sterrenwoningen" wenselijk is. Daarom is gekozen om de woningen op het achterste veld van de camping te realiseren. Wij denken dat door de gekozen situering en de daarbij aan te brengen natuurlijke afscheiding / singels tussen de "sterrenwoningen" en het toeristisch kamperen, aan de wens / voorwaarde van de provincie Drenthe is voldaan. Verder is er een nadrukkelijke wens de woningen eenvoudig te ontsluiten vanaf de onverharde "Bosrand" waardoor verkeersbewegingen op de camping worden voorkomen t.b.v. de woningen.
Afbeelding: Foto van het achterste veld, gezien vanaf plaats 038
Situering "sterrenwoningen" m.b.t advies Kwaliteitsteam Natuurlijke Recreatie
Onderstaande tekst is overgenomen uit het Advies van het Kwaliteitsteam Natuurlijk recreatie. "Wat betreft de situering van de woningen doet het Kwaliteitsteam de suggestie na te denken over en indeling waarbij de noordrand van het kampeerterrein zoveel mogelijk wordt benut voor de sterrenwoningen en de tentplaatsen langs de zuidrand van het kampeerterrein. Dit in verband met een aangenaam verblijf in de sterrenwoningen als de zon in najaar en winter lager staat. In een inrichtingsschets zou dat nader kunnen worden uitgewerkt" Aanvrager heeft op basis van bovenstaand advies de situatie aangepast, waarvoor wordt verwezen naar Bijlage 5.
De volgende parkeerplaatsen zullen worden opgenomen bij de “Sterrenwoningen”:
* Indien de woningen S5 en S6 als groepsverblijf zullen worden uitgevoerd, zullen daarbij 4 parkeerplaatsen worden opgenomen.
Met betrekking van de natuurcompensatie worden de volgende uitgangspunten gehanteerd:
De dakvlakken van de hellende daken zullen worden voorzien van een sedum-bedekking.
Ten gevolge van de gewijzigde situatie zal ca. 189 m² singelbeplating vervallen en zal er ca. 366 m² nieuwe singelbeplanting worden geplant. Derhalve een toename van ca. 177 m².
Onderstaand een overzicht van de (reeds geplante, ca. 600 stuks - periode 2015 - 2016) gekozen soorten.
Nederlandse naam: Latijnse naam: Toelichting:
2-stijlige meidoorn Crataegus Laevigata
Hazelaar Corylus avellana
Krentenboom Amelachier Laevis Dr. krentenboompje
Vuilboom Rhamnus Frangula Wilde lijsterbes Sorbus Aucuparia
Hulst Ilex aquifolium Vrouw. en mannelijke
Zoete kers Prunus avium Solitair
Gewone inheemse vogelkers Prunus Padus
Sleedoorn Prunus spinosa
Gelderse Roos Viburnum opulus
Gewone vlier Sambuca Nigra
Wilde Kardinaalsmuts Muts Europaeus
Bij de gemaakte keuzes van de soorten beplanting is het uitgangspunt geweest bessen voor de vogels. Bij de nieuwe singelbeplanting (366 m²), zal tevens rekening worden gehouden met vlinders.
Ontsluiting "sterrenwoningen"
Bij realisering zullen de sterrenwoningen in beginsel ontsloten worden via de bestaande ontsluiting op de Oude Hoogeveensedijk. Het is de uitdrukkelijk wens om de sterrenwoningen te ontsluiten, middels een ontsluiting aan de noord-west zijde van het terrein. De verharding zal worden uitgevoerd in half-verharding en is voor rekening van de opdrachtgever / Camping De Olde Bârgen V.O.F. De lengte van de ontsluiting is vanaf de verharde "Bosrand" hemelsbreed, over de langste lente 36,41 meter.
Een afzonderlijke ontsluiting van de "sterrenwoningen" wordt als van groot belang ter beperking van de verkeersbewegingen op de camping. Het verstoort de rust en het natuurlijk karakter van de camping.
Voor de gewenste ontsluiting en/of het eventueel opheffen van het 1-richtingsverkeer ter plaatse van de ontsluiting is de medewerking noodzakelijk van en met de wegbeheerder, eigenaar van de gronden en omgeving.
Afbeelding: Luchtfoto met weg "Bosrand" in de bomen
Zoals eerder aangegeven zijn de woningen te kwalificeren als streekeigen, in die zin dat "sterren en duisternis" nauw verwant zijn met Dwingeloo door de aanwezigheid van ASTRON, de Stichting CAMRAS en de radiotelscoop.
Om daadwerkelijk te spreken van "Sterrenwoningen" zal, in ieder geval, in de woningen S1, S2 en S3, een optische kijker worden geplaatst (Type ETX-95 o.g.). Om goed te kunnen observeren zal in een elektrisch te openen venster o.i.d. worden voorzien. De optimale observatiehoek dient bij voorkeur horizontaal ca. 120 graden en verticaal ca. 80 graden te zijn. Het meest interessante deel van het heelal om optische te observeren is het hoge zuiden.
Tevens zullen de woningen worden "ingericht" als "sterrenwoningen" en zal informatie-materiaal ter beschikking van de gasten worden gesteld.
Ook leeft nog de gedachte (een deel van) het plafond in de woningen te voorzien van sterrenbeelden welke middels led-verlichting, per sterrenbeeld, zichtbaar kunnen worden gemaakt.
M.b.t. tot de voorlichting en educatie op het gebied van astronomie is contact gezocht met de Stichting CAMRAS. Met de voorzitter van de Stichting Camras zijn gesprekken geweest hoe de Stichting ons verder kan ondersteunen en begeleiden met betrekking tot de "Sterrenwoningen" c.q. het thema "Sterren en duisternis". Van een daadwerkelijke invulling daarvan is op het moment nog geen sprake.
Het Kwaliteitsteam Natuurlijke Recreatie Drenthe is betrokken bij het project op verzoek van de gemeente. Hierbij was het uitgangspunt dat het Kwaliteitsteam het aantal recreatiewoningen bepaald, waarbij de provinciale en gemeentelijk kernkwaliteiten niet worden aangetast en het perceel landschappelijk goed wordt ingepast. Het definitieve advies is als bijlage 5 bij de toelichting gevoegd.
Het advies van het Kwaliteitsteam bestaat uit drie aspecten, namelijk:
Ruimtelijke inpassing
De sterrenwoningen zijn landschappelijk goed in te passen in het meest westelijke punt van de camping. De al bestaande natuurlijke afscherming van de camping is robuust genoeg voor een goede inpassing van de huisjes, mits er wordt gewerkt met natuurlijk materiaal- en kleurgebruik. Het idee van houten woningen maakt dit mogelijk.
Het in gebruik nemen van de paardenwei voor realisatie van sterrenwoningen lijkt het Kwaliteitsteam geen goed idee. Dit perceel biedt juist de charme van de overgang tussen bos en heide enerzijds en de voormalige akkers anderzijds. Er zijn nog maar weinig plekken in Drenthe die zo'n gave overgang tussen heideveld en dorp kennen als de overgang Dwingelderveld – Lhee.
Wat betreft de situering van de woningen doet het Kwaliteitsteam de suggestie na te denken over en indeling waarbij de noordrand van het kampeerterrein zoveel mogelijk wordt benut voor de sterrenwoningen en de tentplaatsen langs de zuidrand van het kampeerterrein. Dit in verband met een aangenaam verblijf in de sterrenwoningen als de zon in najaar en winter lager staat. In een inrichtingsschets zou dat nader kunnen worden uitgewerkt.
De ontsluiting van de recreatiewoningen via de achterzijde van het perceel is inderdaad een groot voordeel aangezien het bij recreatiewoningen vaak om heel ander soort gasten gaat dan campinggasten. Bij diverse kampeerterreinen in Drenthe die het Kwaliteitsteam de afgelopen jaren heeft bezocht is in het verleden gebleken dat vermenging van recreatiewoningen met een kampeerterrein leidt tot afname van het aantal kamperende gasten. Het aantal van 8 recreatiewoningen op het bestaande terrein is ruimtelijk gezien ook zo ongeveer het maximum. Meer woningen zou leiden tot een dusdanige afname van het terrein voor toeristisch kamperen dat er niet langer sprake zal zijn van een kampeerterrein, maar van een huisjesterrein. Het kwaliteitsteam adviseert dan ook om het op het bestaande campingterrein te laten tot maximaal 8 recreatiewoningen en bij eventuele groeibehoefte in de toekomst vooral te kijken naar overname van bestaande recreatiewoningen in de omgeving van Olde Bârgen. Een exploitatie van recreatiewoningen hoeft niet per definitie afhankelijk te zijn van één plek. Er zijn daarvan succesvolle voorbeelden in het Drents-Friese Wold.
Ten slotte vereist de lagere ligging van het meest westelijke deel van het campingterrein extra aandacht bij de planuitwerking.
Financiën baseren op een rendabele business case
De exploitatieopzet is bekeken. Het Kwaliteitsteam stelt voor om uit te gaan van een gefaseerde/stapsgewijze ontwikkeling, waarbij bespaart kan worden op de bouwkosten door de inbreng van eigen arbeid. Op deze wijze kan ook de financiering voor nog te realiseren woningen deels opgebracht woeden door de extra opbrengsten van al gerealiseerde woningen.
Thematiek "sterren'
Het Kwaliteitsteam is van mening dat het thema "sterren' aanvullend is op het bestaande verblijfsrecreatieve aanbod. De uitwerking in de vorm van de sterrenwoningen is dan ook goed gevonden, past bij het gebied en zal zeker een specifieke doelgroep aantrekken. Maar vergeet daarbij vooral ook niet het basisproduct voor de kampeergasten, namelijk de natuur en het "bos". Het thema "sterren" heeft als natuurverschijnsel meer te maken met seizoenen, weerselementen, temperatuurwisselingen en de natuur in brede zin als in eerste instantie wordt gedacht.
Juist op een kleinschalig recreatiebedrijf als De Olde Bârgen kan deze combinatie worden uitgewerkt door arrangementen voor gasten aan te bieden buiten het hoofdseizoen. In combinatie met de sterrenwoningen wordt daarmee het seizoen verbreed, wat op zich weer gunstig is voor het streven om te komen tot een volwaardig jaarrond inkomen. Arrangementen in de sfeer van midwinterfestiviteiten, het beleven van duisternis en oriëntatie op maan en sterren kan een goede combinatie vormen met de verblijfsrecreatie. Rust op de camping zal dan wel gegarandeerd moeten blijven gezien het huidige "groene profiel" van de gasten.
Ten slotte kan het thema sterren heel goed worden uitgewerkt in de inrichting en vormgeving van de woningen. Soms zijn het simpele zaken als "glow in the dark" stickers die juist voor kinderen heel spannend kunnen zijn.
Conclusie:
Vastgesteld kan worden dat met het advies van het Kwaliteitsteam rekening is gehouden.
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 door de minister vastgesteld. Met de Structuurvisie zet het kabinet het roer om in het nationale ruimtelijke beleid. Om de bestuurlijke drukte te beperken brengt het Rijk de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij burgers en bedrijven, laat het meer over aan gemeenten en provincies en komen de burgers en bedrijven centraal te staan. Het Rijk kiest voor een meer selectieve inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsruimte voor het faciliteren van ontwikkelingen. De voorgenomen ontwikkeling twee van deze Rijksbelangen. Namelijk
De natuur in het Natuurnetwerk Nederland (NNN) blijft goed beschermd met een 'nee, tenzij'-regime. Binnen de NNN zijn nieuwe projecten, plannen en handelingen met een significant negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN niet toegestaan, tenzij er sprake is van een groot openbaar belang en reële alternatieven ontbreken. Het beleid ten aanzien van Nationale Parken is niet langer een rijks verantwoordelijkheid en laat het Rijk over aan de provincies (zie hiervoor paragraaf 3.2).
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) stelt regels voor de 13 aangewezen nationale belangen zoals genoemd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Dit bestemmingsplan raakt geen rijksbelangen zoals deze genoemd zijn in het Barro.
Artikel 3.1.6 lid 2 van de Bro geeft aan dat de toelichting van een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, moet voldoen aan een aantal voorwaarden:
Uit jurisprudentie volgt dat voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, in onderlinge samenhang moet worden bezien in hoeverre het plan, in vergelijking met het voorgaande plan, voorziet in een functiewijziging, de aard van de voorziene functie, alsmede het planologische beslag dat de voorziene ontwikkeling op de ruimte legt in vergelijking met het voorgaande plan.
De beoogde ontwikkeling voorziet in een omzetting van een deel van de bestaande camping. Een uitbreiding van de camping welke slechts geringe bouwmogelijkheden met zich meebrengt is geen nieuwe stedelijke ontwikkeling (zaaknummer ECLI:NL:RVS:2016:2508, www.rechtspraak.nl.). Hiervan is in dit geval sprake aangezien slechts 8 sterrenwoningen en enige voorzieningen worden gebouwd. Deze bebouwing is ondergeschikt aan de staanplaatsen welke verreweg het grootste gedeelte van het plangebied omvatten.
Provinciale Staten van Drenthe hebben op 2 juni 2010 de Omgevingsvisie Drenthe vastgesteld. Op 2 juli 2014 hebben Provinciale Staten ingestemd met de Actualisatie Omgevingsvisie Drenthe 2014. De omgevingsvisie is het strategisch kader voor de ruimtelijk-economische ontwikkelingen in Drenthe. De Omgevingsvisie beschrijft de ruimtelijk-economische ontwikkelingen voor de periode tot 2020, met in sommige gevallen een doorkijk voor de periode daarna. Op 3 oktober 2018 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie Drenthe (en de omgevingsverordening) vastgesteld. Het gaat hierbij om een revisie van de Omgevingsvisie van 2014. Voor revisie zijn een aantal argumenten genoemd: namelijk de basis is goed (tevreden over de huidige visie), een aantal thema's vraagt om actualisatie, namelijk Energielandschappen, Sterke Steden en Vrijetijdseconomie. en als laatste kan worden aangegeven dat de nieuwe wetgeving nog niet definitief is en er nog onzekerheden zijn voor wat betreft de toekomstige Omgevingswet. Aangegeven kan worden dat in grote lijnen het ingezette beleid van 2010 wordt voortgezet.
In de Omgevingsvisie zijn niet alle kernkwaliteiten goed te duiden in het fysiek-ruimtelijk domein, zijn ze daarom vertaald naar indicatoren. Rust is vertaald naar stilte en duisternis. Ruimte staat voor de openheid van het landschap. De graadmeter voor natuur is de biodiversiteit. Landschap is vertaald naar diversiteit en gaafheid van landschapstypen. Oorspronkelijkheid is concreet gemaakt in de kernkwaliteiten cultuurhistorische, archeologische en aardkundige waarden. Veiligheid staat voor sociale, externe en verkeersveiligheid. De kernkwaliteiten noaberschap, menselijke maat en kleinschaligheid zijn lastig ruimtelijk te duiden, maar zijn meegenomen in de begrippen 'leefbaarheid' en 'passend bij Drenthe'. Onder natuur wordt de biodiversiteit in de provincie verstaan. Biodiversiteit is echter veelomvattend. De inzet op het behouden en het versterken van de biodiversiteit richt zich primair op het soortenbeleid en op het realiseren van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het NNN vormt de ruggengraat van de biodiversiteit in onze provincie.
Een belangrijk uitgangspunt van het Drentse omgevingsbeleid is om zorgvuldig om te gaan met de beschikbare ruimte in Drenthe. In paragraaf 4.3 van de Omgevingsvisie is dat principe nadrukkelijk verwoord. Het relatief bescheiden percentage bestaand stedelijk gebied in Drenthe is een van de aspecten die Drenthe maakt tot wat het is. Via dit hoofdstuk wordt daarom verankerd dat gemeenten de Ladder voor duurzame verstedelijking toepassen. Hierbij kunnen zij gebruik maken van de speciaal voor deze toepassing opgestelde Handreiking ladder voor duurzame verstedelijking. Kort gezegd zorgt deze ervoor dat er niet nodeloos gebouwd wordt en inbreiding voor uitbreiding gaat en dat waar uitbreiding plaatsvindt dit in principe niet los van bestaande bebouwingsconcentraties gebeurt. De Ladder voor duurzame verstedelijking moet worden toegepast voor woon-werklocaties, verblijfsrecreatie, detailhandel en infrastructuur. De Ladder voor duurzame verstedelijking wordt tevens gehanteerd voor recreatie en toerisme en in de landbouwsector. Bij ontwikkelingen in deze sectoren gaat het vooral om het denkmodel dat gehanteerd moet worden. In paragraaf 3.1.3 wordt al ingegaan op de landelijke ladder voor uurzame verstedelijking. Dezelfde argumentatie als daar is gehanteerd geldt ook voor de ladder voor duurzame verstedelijking uit de omgevingsvisie.
Kernkwaliteit Aardkundige waarden
Uit de kaart blijkt dat m.b.t. de kernkwaliteit "Aardkundige werken" op het projectgebied de volgende beschermingsniveau's van toepassing zijn:
De feitelijk bouwlocatie ligt in het hoogste beschermingsniveaugebied: stergebied.
Het voornemen betreft de uitbreiding van een camping. Het gaat hier om de realisatie van 8 "Sterrenwoningen". Deze recreatiewoningen geven de mogelijkheid om het stergebied te kunnen ervaren. Het is slechts een relatief kleine uitbreiding waarbij geen grootschalige recreatievoorzieningen worden gerealiseerd waar licht- of geluidshinder vanuit gaat. De aardkundige waarden worden daarmee niet aangetast en het initiatief is passend binnen het gebied. Daarnaast geeft het de mogelijkheid om het stergebied te doen ervaren.
Kernkwaliteit Rust
Uit de kaart blijkt dat m.b.t. de kernkwaliteit "Rust" met als indicator "Stilte" m.b.t. het projectgebied het volgende van toepassing is:
Uit de kaart blijkt dat m.b.t. de kernkwaliteit "Rust" met als indicator "Duisternis" m.b.t. het projectgebied het volgende van toepassing is:
Het voornemen betreft de uitbreiding van een camping. Het gaat hier om de realisatie van 8 "Sterrenwoningen". Het is slechts een relatief kleine uitbreiding waarbij geen grootschalige recreatievoorzieningen worden gerealiseerd waar licht- of geluidshinder vanuit gaat. De ontwikkeling is passend binnen het nationaal park en de recreatievoorziening biedt de mogelijkheid het nationaal park te doen ervaren.
Kernkwaliteit Natuur
Het plangebied ligt binnen het Natuurnetwerk Nederland. Het ruimtelijke beleid voor het NNN is gericht op behoud en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden. Daarom geldt in het NNN het 'nee, tenzij'-regime. Indien een voorgenomen ingreep de 'nee, tenzij'-afweging met positief gevolg doorloopt kan de ingreep plaatsvinden, mits de eventuele nadelige gevolgen worden gemitigeerd en resterende schade wordt gecompenseerd. Indien een voorgenomen ingreep niet voldoet aan de voorwaarden uit het 'nee, tenzij'-regime dan kan de ingreep niet plaatsvinden.
Het voornemen betreft de uitbreiding van een camping. Het gaat hier om de realisatie van 8 "Sterrenwoningen". De ontwikkeling vindt plaats binnen het NNN vandaar dat er natuurcompensatie dient plaats te vinden hier is verder op ingegaan in 2.3. Daarnaast wordt op het aspect ecologie verder ingegaan in 4.7. Met het voornemen is voldoende rekening gehouden met de natuurwaarden.
Kernkwaliteit Landschap
Uit de kaart blijkt dat m.b.t. de kernkwaliteit "Landschap" m.b.t. het projectgebied het volgende van toepassing is:
Landschapstype : Maakt onderdeel uit van het esdorpenlandschap.
De onderdelen binnen het landschaptype esdorpenlandschap zijn niet van toepassing op het plangebied. Het voornemen doet daarmee geen afbreuk aan dit landschapstype.
Kernkwaliteit Cultuurhistorie
Uit de kaart blijkt dat m.b.t. de kernkwaliteit "Cultuurhistorie" m.b.t. het projectgebied het volgende van toepassing is:
Wat betreft cultuurhistorie doet het voornemen geen afbreuk aan de cultuurhistorie die al dan niet aanwezig is. Op het aspect cultuurhistorie wordt verder ingegaan in paragraaf 4.8.
Kernkwaliteit Archeologie
Uit de kaart blijkt dat m.b.t. de kernkwaliteit "Archeologie" m.b.t. het projectgebied het volgende van toepassing is:
Wat betreft archeologie doet het voornemen geen afbreuk aan de archeologie die al dan niet aanwezig is. Op het aspect archeologie wordt verder ingegaan in paragraaf 4.8.
De provinciale belangen zoals genoemd in de Omgevingsvisie zijn in de Provinciale Omgevingsverordening (vastgesteld op 9 maart 2011) vertaald naar regels voor ruimtelijke plannen. Ook de Omgevingsverordening is door Provinciale Staten vastgesteld op 3 oktober 2018. Het plan is in overeenstemming met de regels uit de verordening.
De structuurvisie is op 26 november 2013 vastgesteld. Het centrale vertrekpunt van de structuurvisie vormt de identiteit van de gemeente Westerveld: een groene, agrarische gemeente met een ongekende rijkdom aan cultuurhistorische, toeristisch / landschappelijke en ecologische waarden. Deze identiteitsbepalende kenmerken die in grote hoeveelheid en ook nog gaaf aanwezig zijn, maken ook dat de gemeente zo goed leesbaar is qua ontstaansgeschiedenis. De belangrijkste bronnen van werkgelegenheid zijn de agrarische sector, recreatie en toerisme. Recreatie en toerisme moeten een transformatie ondergaan naar een meer gevarieerd en een kwalitatief hoger aanbod.
Toerisme betreft een van de belangrijkste economische pijlers. In de structuurvisie wordt onderscheid gemaakt naar ontwikkelingen die de gemeente als basisverantwoordelijkheid beschouwt, ambities en ontwikkelingen die de gemeente zelf wil realiseren, kansen en ontwikkelingen die we mogelijk willen maken en/of willen faciliteren en ontwikkelingen die de gemeente echt tegen wil gaan. Initiatieven van derden zullen steeds belangrijker worden voor de leefbaarheid en uitstraling van de gemeente, zoals bijvoorbeeld de verzelfstandiging van voorzieningen zoals zwembaden en dorpshuizen. Dit vraagt om bereidheid aan de kant van de gemeente om mee te denken en te bewegen mits de kernkwaliteiten niet in het geding komen. De reactie verschuift van 'nee tenzij' naar 'ja mits'.
De verblijf recreatieve sector van de gemeente Westerveld is zeer belangrijk voor de lokale werkgelegenheid. Toerisme vormt in Westerveld een belangrijke pijler voor de lokale economie. De afwisselende landschappen, de natuurgebieden en de vele cultuurhistorische elementen bepalen in sterke mate de toeristische aantrekkelijkheid van de gemeente. Naast het beschermen en ontwikkelen, dienen deze elementen ook te worden benut voor een ontwikkeling en versterking van de toeristisch-recreatieve sector.
Deze groei zal gericht moeten zijn op kwaliteitsverbetering, het genereren van herhalingsbezoek en het vergroten van de herkenbaarheid van de gemeente.
De gemeente wil de recreatieve sector de ruimte bieden om in te spelen op de toenemende vraag naar overnachtingsmogelijkheden. De toeristisch-recreatieve missie van de gemeente is gericht op ontwikkeling en versterking van het toeristisch-recreatieve product. Van groot belang daarbij is de afstemming tussen het aanbod uit de sector en de inpassing in landschap en natuur.
Een eerste belangrijke stap naar de herziening van het Bestemmingsplan Buitengebied is het vaststellen van het beleid op hoofdlijnen. Daarmee wordt de basis gelegd voor een uitwerking in bestemmingen. Dit beleid is in de Kadernota (vastgesteld 14 februari 2006) vastgelegd. In de Kadernota zijn de algemene uitgangspunten voor ontwikkelingen in het buitengebied van de gemeente Westerveld opgenomen. Belangrijk onderdeel van de nota is een ontwikkelingskaart aan de hand waarvan nieuwe ontwikkelingen worden getoetst. De drie ontwikkelingsgebieden geven de gewenste richting voor ontwikkelingen aan. De gebieden zijn op basis van het bestaande grondgebruik en het vastgelegde beleid in grote eenheden globaal begrensd en gelden als vertrekpunt. De gewenste ontwikkelingsrichting van de drie ontwikkelingsgebieden staan hieronder aangegeven, voor zover betrekking hebbende op het plangebied / het plan.
In dit gebied staan de natuurwaarden en het toeristisch recreatief medegebruik op de eerste plaats. Voor bestaande recreatieve functies geldt als uitgangspunt dat deze kunnen worden voortgezet en dat recreatiebedrijven, indien wenselijk voor het voortbestaan van het bedrijf, kwalitatief mogen worden uitgebreid. Voor de uitbreiding worden voorwaarden gesteld met betrekking tot een goede landschappelijke inpassing. Tevens moet bij uitbreiding worden aangetoond dat de natuurwaarde van het gehele gebied in hoofdzaak niet wordt aangetast.
In dit gebied kunnen landbouw, natuur en recreatie zich gelijkwaardig ontwikkelen. Hierbij geldt dat bestaande functies en de verder ontwikkeling daarvan, op de eerste plaats staan. Nieuwe functies kunnen worden toegestaan, mits de verdere ontwikkeling van bestaande functies niet wordt aangetast dan wel wordt gecompenseerd. Hiertoe behoort ook het voorkomen van ongewenste versnippering. Omdat schaalvergroting in dit gebied als gevolg van de kleinschalige eigendomssituatie en natuur- en milieuwetgeving veelal moeilijk te realiseren valt, wordt een ontwikkeling verwacht waarbij functieverandering en functieverbreding veelvuldig nodig zal zijn. Hierbij moet worden gedacht aan een ontwikkeling van bestaande en nieuwe bedrijfsvormen waarin verschillende functies worden gecombineerd. In het gebied liggen agrarische gronden die binnen de doelbegrenzing van het Natuurnetwerk Nederland vallen. De realisatie van het NNN vindt zo mogelijk op bedrijfseconomische grondslag plaats door het natuurbeheer onder te brengen in extensieve vormen van landbouw, zoals agrarisch natuurbeheer en biologisch landbouw. Boerderijen die niet benut kunnen worden als beheerboerderij, krijgen zo mogelijk een nieuwe passende functie, bijvoorbeeld wonen, zorg of kleinschalige verblijfsrecreatie. Het gebied heeft tevens een functie voor het vasthouden en bergen van water.
In dit gebied wordt gestreefd naar een ontwikkeling waarbij de grondgebonden landbouw de nodige schaalvergroting kan doormaken. Dit kan in geval van nieuwvestiging van een grootschalig agrarisch bedrijf deels zonder landschappelijke tegenprestatie (in de geel gewaardeerde gebieden) en deels met landschappelijke tegenprestatie (in de rood-blauw gewaardeerde gebieden). Het gebied 'Ontwikkeling landbouw en recreatie' behoort tot de agrarische hoofdstructuur en blijft of wordt hiervoor zo optimaal mogelijk ingericht. Nieuwe functies zijn mogelijk, mits de agrarische hoofdstructuur in hoofdzaak in stand blijft. Dit betekent dat ontwikkeling van niet agrarische functies die ruimtebeslag vragen, bij voorkeur langs de randen van het gebied plaatsvinden. Hierbij wordt met name gedacht aan recreatieve ontwikkelingen, waaronder bijvoorbeeld de vestiging van grootschalige verblijfsrecreatieterreinen.
Conclusie
De kadernota buitengebied Westerveld ondersteund de voorgestelde ontwikkelingen. Deze ondersteuning is onderstreept weergegeven in de ontwikkelingsgebieden 1 en 2.
De welstandsnota van de gemeente Westerveld is in 2008, 2010 en 2011 herzien. Daarmee sluit de welstandsnota beter aan bij de wens van de gemeente om kleinere bouwplannen ambtelijk te kunnen toetsen en zijn enkele gebieden, waarvoor in de 'oude' nota nog geen of onjuist beleid was, opnieuw bekeken.
De doelstelling van het welstandsbeleid is het veiligstellen van een basiskwaliteit van de gebouwde omgeving. Indien mogelijk zal plaatselijk een verbetering van de kwaliteit van de gebouwde omgeving het gewenste doel zijn. Kleine veel voorkomende veranderingen en aanpassingen, mogen niet storend zijn.
Bij kleine en middelgrote projecten moet er sprake zijn van een samenhang met de omgeving, maar een zelfstandige ontwerpstijl mag niet worden uitgesloten. Bij grote projecten moeten de stedenbouwkundige kwaliteitsdoelstellingen worden vertaald in toetsingskaders voor de welstandsadvisering.
De gemeente baseert haar ruimtelijk kwaliteitsbeleid in hoofdzaak op de in de gemeente van kracht zijnde bestemmingsplannen. De gemeente onderscheid algemene welstandscriteria die altijd van toepassing zijn en gebiedsgerichte criteria die alleen voor bepaalde gebieden van toepassing zijn.
In de welstandsnota zijn zes aandachtspunten geformuleerd voor het ontwerpen van gebouwen. De aandachtspunten vormen een algemeen beoordelingskader om in eerste instantie snel na te gaan of een bouwplan aan redelijke eisen van welstand voldoet. De volgende aandachtspunten zijn geformuleerd:
Voor een 14-tal gebieden heeft de gemeente gebiedsgerichte welstandscriteria opgesteld. Bij de indeling van deze gebieden heeft cultuurhistorie een belangrijke rol gespeeld. Voor gebieden zoals beschermde dorpsgezichten, lintbebouwing, esgronden, natuurgebieden, e.d., die beeldbepalend zijn voor deze omgeving, gelden gebiedsgerichte welstandscriteria.
Beeldkwaliteitsplan
De welstandsnota van 2012 richt zich op de gebouwde omgeving. Nieuwe ontwikkelingen dienen aan te sluiten bij bestaande structuren. Om deze ontwikkelingen ook landschappelijk in te kunnen passen, is er een beeldkwaliteitsplan opgesteld die de landschappelijke waarden van de gemeente in beeld brengt. Zo zorgen de welstandsnota en het beeldkwaliteitsplan samen voor een goede inpassing van nieuwe ontwikkelingen in het buitengebied van de gemeente Westerveld. Het beeldkwaliteitsplan gaat over de kenmerken en essenties van de zes verschillende landschapstypen en de verschillen in bebouwingstypologieën binnen de gemeente Westerveld. Aan de hand van de verschillende landschapstypen, overeenkomstig de Kadernota beschreven, zijn de kenmerken van de landschappen weergegeven. Vervolgens zijn criteria geformuleerd die gehanteerd kunnen worden bij de toetsing van nieuwe ontwikkelingen. In het beeldkwaliteitsplan worden tevens voorstellen gedaan voor de landschappelijke inpassing per landschapstype. Het plangebied valt in de categorie natuurgebied.
Gevoerde procedure m.b.t. welstand
Medewerking gemeente m.b.t. de bouw van de woningen
De gemeente Westerveld heeft aangegeven dat deze bereid is medewerking te verlenen aan de partiële herziening mits een bijzondere en aantrekkelijke vormgeving van de te bouwen woningen.
Principe goedkeuring welstand
De welstandscommissie heeft uitgesproken dat het plan in principe voldoet aan redelijke eisen van welstand.
Welstand
De welstands- en monumentencommissie West Overijssel - Zuidwest Drenthe 'het Oversticht' heeft op 3 november 2016 het plan beoordeeld. Deze is van mening dat het plan in principe voldoet aan de redelijke eisen van welstand.
Beleidsnota lokale economie
De gemeente Westerveld heeft in december 2009 de 'Beleidsnota lokale economie, met kwaliteit en authenticiteit boven het maaiveld uit' vastgesteld. De nota schetst de mogelijkheden die gelden voor de langere termijn. Eén van de ambities van de gemeente: "Een gemeente waar het aantrekkelijk wonen en recreëren is". Doel is het signaleren van pareltjes in de lokale economie en ruimte te bieden deze ook verder te ontwikkelen. Anderzijds is ook een doel het stellen van grenzen aan ontwikkelingen die de kernkwaliteiten van de gemeente aantasten.
Tegelijkertijd zijn er verschillende richtingen uitgewerkt die op korte termijn versterking kunnen geven aan de lokale economie. De nota geeft daarnaast de koers aan waaraan zowel ondernemers als gemeente houvast hebben voor investeringsbeslissingen, prioriteiten of inrichtingsvragen.
Geconcludeerd kan worden dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen het doel van de beleidsnota (kwaliteit en vernieuwing) en een belangrijke bijdrage levert aan de lokale economie, doordat duidelijker bepaalde doelgroepen aan de gemeente worden gebonden, passend bij het hoge kwaliteitsniveau van de omgeving.
Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r. gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r. wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.-beoordeling uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt.
Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij projecten die kleiner zijn dan de drempelwaarden uit lijst C en D beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook deze projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een MER nodig is.
Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een MER nodig. Voor deze toets wordt ook wel de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:
Op 7 juli 2017 is het Besluit m.e.r. weer gewijzigd. Bij deze wijziging is een nieuwe procedure opgenomen voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.- beoordeling aan de orde is, moet het bevoegd gezag een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden.
De aanmeldnotitie m.e.r. is opgenomen in Bijlage 1. Uit de aanmeldnotitie blijkt dat de activiteiten die mogelijk worden gemaakt in het kader van het bestemmingsplan ‘Natuurcamping de Olde Bârgen Dwingeloo’ zijn, gelet op de kenmerken en de plaats van de activiteiten en de kenmerken van de potentiële effecten, niet zodanig van invloed op het milieu dat een milieueffectrapportage moet worden doorlopen. Het voorstel is om de gemeenteraad van de gemeente Westerveld op basis van deze notitie te laten besluiten dat geen milieueffectrapportage nodig is.
Met het oog op een goede ruimtelijke ordening dient in geval van ruimtelijke ontwikkelingen te worden aangetoond dat de bodem geschikt is voor het beoogde functiegebruik. Ter plaatse van locaties die verdacht worden van bodemverontreiniging, moet verkennend bodemonderzoek uit worden gevoerd.
Het Bestemmingsplan Buitengebied kent een overwegend conserverend karakter. Met het plan worden geen grootschalige ontwikkelingen mogelijk gemaakt waarbij de bodem een belemmering kan vormen voor de uitvoerbaarheid van het plan. Bij de beperkte ontwikkelingen die wel rechtstreeks mogelijk worden gemaakt, zal bij de bouwaanvraag verkennend bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd. Ter plaatse van deze uitbreidingsmogelijkheden zijn geen verontreinigende activiteiten bekend die de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in de weg staan.
Verdachte plekken met betrekking tot de kwaliteit van de bodem dienen in het kader van de Wet bodembescherming bij ruimtelijke plannen en projecten te worden gesignaleerd vanuit een goede ruimtelijke ordening.
Het terrein is al jaren in gebruik is als camping, waardoor bodemvervuiling niet in de lijn der verwachting ligt. Bodemonderzoek is in het kader van een bestemmingsplan niet verplicht, maar in het kader van de omgevingsvergunning voor de bouw is bodemonderzoek wel verplicht gesteld
Conclusie
Het aspect bodem levert geen problemen op bij de voorgenomen ontwikkeling.
De Wet geluidhinder heeft als belangrijkste doel het bestrijden en voorkomen van geluidhinder. Op grond van de wet zijn verschillende vormen van geluidhinder te onderscheiden die directe raakvlakken hebben met de ruimtelijke ordening.
Zo dient onder meer ingevolge de Wet geluidhinder voorafgaand aan de vaststelling van een bestemmingsplannen waarin nieuwe geluidsgevoelige objecten worden mogelijk gemaakt, te worden aangetoond of zij voldoen aan de normen uit de Wet geluidhinder.
Rond geluidbronnen met een grote geluidsuitstraling gelden geluidszones. In deze zones zijn de wettelijke regelingen van de Wet geluidhinder van toepassing. Binnen de zones gelden specifieke regels voor geluidsgevoelige bestemmingen zoals woningen, scholen, ziekenhuizen, etc. Met betrekking tot het landelijk gebied van Westerveld dient rekening te worden gehouden met het aspect 'wegverkeerslawaai'.
Op grond van de Wet geluidhinder hebben alle wegen een geluidzone, tenzij er sprake is van een woonerf, een 30-km/uur-gebied of een gemeentelijke geluidsniveaukaart waaruit blijkt dat de geluidsbelasting op 10 meter uit de as van de meest nabijgelegen rijstrook 48 dB of minder bedraagt. Ten aanzien van wegverkeerslawaai is de voorkeursgrenswaarde 48 dB. De gemeente beschikt niet over een door de gemeenteraad vastgestelde geluidniveaukaart.
Dit houdt in dat alle wegen in principe geluidzoneplichtig zijn. Bovendien komen er in het buitengebied geen of weinig woonerven en 30-km/uur-gebieden voor.
Toelichting
De recreatiewoningen grenzen enerzijds aan verharde weg "Bosrand" en anderzijds aan de onverharde weg "Bosrand". Via de onverharde weg "Bosrand" komen alleen verkeersbewegingen voor uit bezoekers van "De Bospub" en van de daarnaast gelegen woning en incidenteel bezoekers van het Dwingerderveld. De weg is een eenrichtingsverkeersweg.
Wegverkeerslawaai
In het voorliggend bestemmingsplan worden echter geen nieuwe geluidsgevoelige objecten direct mogelijk gemaakt. Toetsing aan de Wet geluidhinder is derhalve niet noodzakelijk.
Industrielawaai
In of nabij het plangebied zijn geen industrieterreinen gelegen waar op grond van de Wet geluidhinder een geluidszone van kracht is. Zodoende heeft het aspect 'industrielawaai' geen gevolgen voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
Het gaat in dit geval om het bouwen van recreatiewoningen. Deze zijn volgens de Wgh niet geluidsgevoelig.
Toetsing door gemeente Westerveld door de RUD
De gemeente Westerveld heeft, ondanks dat recreatiewoningen niet geluidgevoelig zijn volgens de Wgh, laten toetsen door de RUD. De conclusies daarvan zijn de volgende:
Voor wat betreft milieu was de conclusie van de RUD:
Het verzoek is getoetst en hierbij komt de volgende conclusie tot stand:
Conclusie
Het aspect geluid levert geen problemen op bij de voorgenomen ontwikkeling.
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit.
In de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:
Daarnaast is ook het ´Besluit gevoelige bestemmingen´ van toepassing voor gevoelige bestemmingen op een locatie binnen 300 meter vanaf de rand van rijkswegen of binnen 50 meter vanaf de rand van provinciale wegen. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen.
Voor wat betreft de in en rond het plangebied optredende emissie, kan opgemerkt worden dat de in het bestemmingsplan voorgestane ontwikkelingen, zoals bijvoorbeeld nieuwe compensatiewoningen, vergroting van de agrarische bedrijfskavel, intensieve veehouderij en het splitsen van voormalige agrarische bedrijven naar meerdere woningen, geen zodanige nieuwe luchtverontreiniging toe zullen voegen dat daardoor grenswaarden zouden kunnen worden overschreden. Op het bestemmingsplan is derhalve het Besluit en de Regeling 'niet in betekenende mate' van toepassing. De voorgenomen ontwikkeling zal niet leiden tot een onevenredige verslechtering van de luchtkwaliteit.
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit levert geen problemen op bij de voorgenomen ontwikkeling.
Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, LPG en munitie. Sinds een aantal jaren is er wetgeving over "externe veiligheid" om de burger niet onnodig aan te hoge risico's bloot te stellen. De normen voor externe veiligheid zijn vastgelegd in onder andere het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), de Circulaire risiconormering vervoer van gevaarlijke stoffen en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).
Ten aanzien van externe veiligheid wordt er gekeken naar Bevi-inrichtingen, vervoer van gevaarlijke stoffen en hoofdgasleidingen.
Bevi-inrichtingen
Op grond van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) gelden richtlijnafstanden tussen risicovolle en risicogevoelige functies. In de omgeving van het plangebied komen geen Bevi-inrichtingen voor.
Vervoer gevaarlijke stoffen
Over of langs het plangebied vindt geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats.
Hoofdgasleiding
In de nabijheid van het plangebied liggen geen hoofdgasleidingen.
Defensie
Defensie-inrichtingen zijn kazernes, munitieopslagen, militaire vliegvelden en schiet- en oefenterreinen. In het Register Risicosituaties Gevaarlijke stoffen worden alleen de Defensie-inrichtingen geregistreerd waar buiten de inrichtingsgrens beperkingen gelden aan het gebruik van de beschikbare ruimte. In Westerveld ligt in Darp de Johannes Postkazerne. In de buurt van deze kazerne ligt een munitieopslag waarvoor een veiligheidszone geldt.
Overige inrichtingen
In de nabijheid van het plangebied liggen de volgende "overige inrichtingen gevaarlijk stoffen":
Het plangebied ligt niet binnen de risicocontouren van deze inrichtingen. Er zijn dus geen risicobronnen in de omgeving die beperking voor de gewenste ontwikkeling oplevert. Tevens liggen binnen het plangebied en in de nabijheid daarvan geen buisleidingen waar rekening mee moet worden gehouden.
Afbeelding: Uitsnede risicokaart
Conclusie
Het aspect externe veiligheid levert geen problemen op bij de voorgenomen ontwikkeling.
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast.
Milieuzonering heeft twee doelen:
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is.
In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering is een tweetal gebiedstypen onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer.
Op basis van de VNG-uitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ vergelijkbaar omgevingstype.
Het omgevingstype ‘gemengd gebied’ wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ omschreven als een gebied met een matige tot sterke functiemenging waarbij bijvoorbeeld direct naast woningen andere functies voor kunnen komen zoals winkels, horeca en kleine bedrijven.
Met betrekking tot de ontwikkeling geldt het gebiedstype gemengd gebied. Dit vanwege het feit dat er in de directe omgeving verschillende functies aanwezig zijn.
Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd wordt bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol:
Externe werking
Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. Volgens de publicatie geldt voor een "kampeerterrein, vakantiecentra e.d. (met keuken)" een afstand van tenminste 50 meter in verband met het aspect geluid. Opgemerkt wordt dat bij deze afstand gekeken is naar bedrijfsvoorzieningen "met keuken" (maaltijd- en drankvoorzieningen). In dit geval is op het terrein geen sprake van een restaurant, café of iets dergelijks. Daarom kan een kleinere richtafstand worden aangehouden. Er wordt dan ook niet verwacht dat de omliggende woningen hinder zullen ondervinden van het gewenste voornemen.
Interne werking
Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe (gevoelige) functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. In het plangebied bevinden zich geen gevoelige functies. Recreatiewoningen worden niet aangemerkt als gevoelige functies. Hierover zijn verschillende uitspraken gedaan. Recreatiewoningen zijn namelijk naar hun aard niet bestemd voor bewoning. Van hinder als gevolg van omliggende milieubelastende functies is daarom geen sprake.
Conclusie
Het aspect milieuzonering levert geen problemen op bij de voorgenomen ontwikkeling.
In de Wet natuurbescherming (Wnb) is de bescherming van specifieke natuurgebieden geregeld. Het betreft de Natura 2000-gebieden die een internationale bescherming genieten. Plannen en projecten met negatieve effecten op deze gebieden zijn vergunningplichtig. Relevant daarbij is dat de Wnb een externe werking kent. Van externe werking is sprake als activiteiten buiten een Natura 2000-gebied van invloed zijn op de natuurwaarden in een Natura 2000-gebied.
Voortoets
In het kader van deze ontwikkeling is in 2018 een voortoets uitgevoerd. Deze voortoets Natura 2000 is opgenomen in Bijlage 8. Deze voortoets met de toen gemaakte AERIUS-berekening is de opmaat is geweest voor de aanmeldnotitie m.e.r. welke is opgenomen in Bijlage 1. Bij het actualiseren van de aanmeldnotitie zijn de AERIUS-berekeningen geactualiseerd. De conclusie ten aanzien van deze voortoets is als volgt.
Conclusie voortoets
Het plangebied maakt geen deel uit van, maar grenst wel aan gebied aangewezen als Natura 2000-gebied (beschermd op basis van Wnb). Dit betreft het Natura 2000-gebied Dwingelderveld. De meeste kwalificerende habitattypen en soorten komen alleen op ruime afstand van het plangebied (meer dan 1 km) voor, alleen de zwarte specht kan ook voorkomen in de bossen grenzend aan het plangebied.
De veranderingen ten gevolge van het plan tijdens de aanlegfase en de gebruiksfase zijn van vrij beperkte omvang. Een veld met 26 kampeerplekken wordt omgevormd tot een veld met acht recreatiewoningen. De gebruiksintensiteit neemt daardoor af, wel neemt de gebruiksperiode iets toe (van 95 naar 140 dagen per jaar. De bouw van de woningen vindt gespreid over vier jaar plaats, dus twee per jaar.
Ten gevolge van het plan treedt in de aanlegfase een toename van stikstofemissie op die leidt tot negatief effect op Natura 2000-gebied door toename van verzuring en vermesting. Dit betreft een geringe toename van 0,08 mol/ha/jaar in het aangrenzend habitattype Bos van droge grond. De verstoringseffecten voor alle overige relevante storingsfactoren is nul of verwaarloosbaar klein. Voor deze storingsfactoren kan een (significant) negatief effect ten aanzien van in het kader van de Wnb beschermde gebieden worden uitgesloten.
Wnb-vergunning
Voor de ontwikkeling is op 28 mei 2019 een Wnb-vergunning afgegeven. Deze vergunning is opgenomen in Bijlage 10. Van belang is de uitspraak van de Raad van State over het Programma Aanpak Stikstof (PAS) geen invloed heeft op de afgegeven vergunning. Vergunningen die definitief zijn (waarover geen juridische procedure meer loopt) zijn namelijk geldig en vervallen niet door deze uitspraak.
Stikstofberekening
In het kader van dit bestemmingsplan dient ook te worden aangetoond of er sprake is van stikstofdepositie en in hoeverre dit een probleem vormt voor de ontwikkeling. Deze berekening is op genomen in Bijlage 4.
Aanlegfase
Een berekening voor de aanleg in het rekenjaar 2022 (hoogste emissie) laat een stikstofdepositie van maximaal 0,11 mol/ha/jr zien. Het rekenjaar 2021 (met 0,44 kg NOx a.g.v. de werktuigen en 2.520 lichte en 36 zware verkeersbewegingen) geeft een maximale depositie van 0,09 mol/ha/jr.
De AERIUS-berekening voor de aanlegfase, rekenjaar 2022 (kenmerk: RPRmsF6Dm2Ny, d.d.16 oktober 2020) is ook in Bijlage 4 toegevoegd.
Afbeelding: Resultaat verschilberekening huidige versus toekomstige situatie: afname van 0,87 kg NOx/jr (zie volledige AERIUS-berekening).
Gebruiksfase
Een berekening voor het rekenjaar 2022 -waarin alle sterrenwoningen zijn gerealiseerd- laat een feitelijke afname van 0,87 kg NOx/jr zien (zie figuur 2). Qua stikstofdepositie betekent dit maximaal 0,22 mol/ha/jr in de huidige situatie tegenover maximaal 0,16 mol/ha/jr in de toekomstige situatie: een afname van maximaal 0,07 mol/ha/jr (zie figuur 3). De AERIUS-berekening voor de gebruiksfase (kenmerk: S3YSu3DDDLJa, d.d. 16 oktober 2020) is ook in Bijlage 4 toegevoegd.
Afbeelding: Resultaat verschilberekening huidige versus (links) toekomstige situatie (rechts): voor alle relevante habitattypen en leefgebieden is sprake van een afname van de stikstofdepositie (max.0,07 mol/ha/jr) (zie volledige AERIUS-berekening).
De tijdelijke extra stikstofdepositie afkomstig van de aanlegfase heeft hooguit betrekking op twee aanlegjaren. Gezien de tijdelijke aard van de aanlegactiviteiten, de onherroepelijke vergunning van 0,08 mol/ha/jr (Provincie Drenthe, 2019) en het perspectief dat op korte termijn een partiële vrijstelling voor tijdelijke stikstofemissies van activiteiten van de bouwsector geldt, wordt geconcludeerd dat het voornemen geen significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden heeft.
De tijdelijke extra depositie wordt na realisatie van het plan (ruimschoots) daarbij gecompenseerd, aangezien in de gebruiksfase sprake is van een permanente afname van 0,07mol/ha/jr.
Conclusie
Het aspect ecologie levert geen problemen op bij de voorgenomen ontwikkeling.
Archeologie
Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het projectgebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het projectgebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.
Het plangebied is getoetst aan de Archeologische verwachtings- en beleidskaart. In het plangebied zijn geen archeologische vindplaatsen bekend. Wel kent het plangebied een hoge archeologische verwachtingswaarde. Dit houdt in dat bij ingrepen groter dan 1000 m2 verkennend booronderzoek (6 boringen per ha) en zo nodig karterend onderzoek noodzakelijk is.
De voorgenomen ontwikkeling betreft de bouw van 8 sterrenwoningen en het oppervlakte van deze woningen tezamen is ongeveer 700 m2. Daarom is verkennend booronderzoek niet nodig is. Ook de gemeentelijk archeoloog is van mening dat geen verkennend bodemonderzoek nodig is.
Cultuurhistorie
Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten.
In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten.
Op basis van de Cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Westerveld blijkt dat er in het plangebied geen bijzondere cultuurhistorische waarden aanwezig zijn
Conclusie
Het aspect archeologie & cultuurhistorie levert geen problemen op bij de voorgenomen ontwikkeling.
Watertoets
Het Waterschap Drents Overijsselse Delta is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. Deze toets is opgenomen in Bijlage 9. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de korte procedure van de watertoets is toegepast. De bestemming en de grootte van het plan hebben een geringe invloed op de waterhuishouding.
Standaard waterparagraaf
In het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is het verplicht de Watertoets uit te voeren. De Watertoets is een waarborg voor water in ruimtelijke plannen en besluiten. Deze standaard waterparagraaf heeft betrekking op het plan Natuurcamping de Olde Bârgen Dwingeloo.
Waterhuishouding
Het plan loopt geen verhoogd risico op wateroverlast als gevolg van overstromingen. Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. In het verleden is er in of rondom het plangebied geen wateroverlast of grondwateroverlast geconstateerd. De toename van het verharde oppervlak is minder dan 1500 m².
Voorkeursbeleid hemelwaterafvoer
In het plan wordt gestreefd het voorkeursbeleid van het waterschap op te volgen. Als het hemelwater niet wordt aangekoppeld of wordt afgekoppeld van het bestaande rioolstelsel is oppervlakkige afvoer en infiltreren in de bodem uitgangspunt. Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst. Speciale aandacht wordt besteed aan duurzaam bouwen en een duurzaam gebruik van de openbare ruimte om een goede kwaliteit van het afgekoppelde hemelwater te garanderen.
Aanleghoogte van de bebouwing
Voor de aanleghoogte van de gebouwen (onderkant vloer begane grond) wordt een ontwateringsdiepte geadviseerd van minimaal 80 centimeter ten opzichte van de gemiddelde hoogste grondwaterstand(GHG). Bij een afwijkende maatvoering is de kans op structurele grondwateroverlast groot. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een geringere ontwateringsdiepte. Om wateroverlast en schade in woningen en bedrijven te voorkomen wordt geadviseerd om een drempelhoogte van 30 centimeter boven het straatpeil te hanteren. Ook voor lager, beneden het maaiveld, gelegen ruimtes (kelders, parkeergarages) moet aandacht worden besteed aan het voorkomen van wateroverlast.
Conclusie
Het aspect water levert geen problemen op bij de voorgenomen ontwikkeling.
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen.
De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012.
Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken.
De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken:
Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten:
Begrippen (Artikel 1)
In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd.
Wijze van meten (Artikel 2)
Dit artikel geeft onder meer bepalingen waar mag worden gebouwd en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.
Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.:
Het bestemmingsplan bestaat uit een set met bestemmingsregels en een digitale verbeelding. Verder is een plantoelichting opgenomen. In deze paragraaf volgt een toelichting op de bestemmingsregels en de wijze waarop deze regels zijn vertaald. In de regels wordt zoveel mogelijk qua inhoud en systematiek aangesloten bij de regels van het bestemmingsplan Buitengebied. In het bestemmingsplan zijn drie bestemmingen opgenomen, namelijk 'Recreatie - 2', 'Verkeer' en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3'.
Recreatie - 2 (Artikel 3)
De bestemming ‘Recreatie - 2’ is van toepassing op de recreatieterreinen. Kampeerterreinen waar geen stacaravans en chalets zijn toegestaan. Ook de natuurkampeerterreinen vallen onder deze bestemming.
Waarde - Archeologie 3 (Artikel 4)
Uit paragraaf 4.8 blijkt dat er sprake is van een hoge archeologische verwachtingswaarde. Deze is vertaald naar de bestemming 'Waarde - Archeologie 3'. Binnen deze bestemming geldt dat bij ingrepen en voor het bouw van bouwwerken met een oppervlakte groter dan 1.000 m2 een archeologisch onderzoek nodig is.
Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit:
Anti-dubbeltelregel (Artikel 5)
Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan een keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage.
Algemene bouwregels (Artikel 6)
In dit artikel is bepaald in hoeverre de bouwgrenzen mogen worden overschreden. Daarnaast is in dit artikel regels opgenomen betreffende het parkeren en laden/lossen. Deze regels zijn opgenomen om het betreffende plangebied van genoeg ruimte voor parkeergelegenheid en laden/lossen te voorzien.
Algemene gebruiksregels (Artikel 7)
In dit artikel worden de algemene gebruiksregels beschreven. Deze gaat uit van de gedachte dat het gebruik uitsluitend mag plaatsvinden in overeenstemming met de bestemming. Dit brengt met zich mee dat de bestemmingsomschrijving van de te onderscheiden bestemming helder en duidelijk moet zijn.
Algemene aanduidingsregels (Artikel 8)
In het plangebied gelden twee algemene aanduidingsregels.
Vrijwaringszone - radiotelescoop 2
De radiotelescoop in het plangebied heeft twee invloedszones. Met name hoge bebouwing en gemotoriseerd verkeer kunnen van invloed zijn op het functioneren van de observatieposten. Via de aanvullende bestemmingsregeling wordt daar rekening mee gehouden.
Vrijwaringszone - laagvlieggebied
Binnen de vrijwaringszone van een laagvlieggebied is het bestemmingsplan terughoudend in het voorzien van bouwmogelijkheden voor masten, windmolens en andere hoge objecten. Binnen het laagvlieggebied voor jachtvliegtuigen wordt bebouwing uitgesloten hoger dan 40 m.
Algemene afwijkingsregels (Artikel 9)
In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken.
Overige regels (Artikel 10)
In dit artikel is bepaald dat de situering en de maatvoering van bouwwerken nader kan worden ingevuld door welstandscriteria.
In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.
Volgens artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient bij een ruimtelijke onderbouwing (toelichting bij dit bestemmingsplan) een onderzoek te worden ingesteld naar de uitvoerbaarheid van dat plan. In het onderhavige geval is er sprake van een particulier initiatief. Dit bestemmingsplan regelt de herstructurering van Natuurcamping de Olde Bârgen te Dwingeloo. De kosten die verbonden zijn aan het initiatief zijn voor rekening van initiatiefnemer. Dit geldt eveneens voor eventuele verzoeken voor planschade. Een beschrijving van de economische uitvoerbaarheid wordt derhalve achterwege gelaten.
Het (voorontwerp)bestemmingsplan is het kader van het vooroverleg, voorgelegd aan de vooroverlegpartners. De vooroverlegreacties zijn opgenomen in Bijlage 7.
Conform de gemeentelijke inspraakverordening kan het bestuursorgaan zelf besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. Voorliggend bestemmingsplan heeft ter visie gelegen als voorontwerp. De inspraakreacties zijn voorzien van een reactie zoals in bijgevoegde Nota van inspraak in Bijlage 3 is opgenomen. Het bestemmingsplan heeft als ontwerp gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Gedurende de inzageperiode kunnen inspraakreacties worden ingediend.
Er is één zienswijze ingediend. De zienswijze geeft aanleiding het bestemmingsplan aan te passen. De gegevens in de toelichting zijn aangevuld. Voor de plek waar S5 en S6 voorzien zijn, is op de verbeelding een aanduiding opgenomen waarbij de mogelijkheid wordt opgenomen dat alleen daar de mogelijkheid is om twee vakantieverblijven samen te voegen tot 1. Als daarvan gebruik wordt gemaakt, dan is er sprake van maximaal 7 vakantieverblijven in plaats van 8. Een samengevoegde woning dient ook te voldoen aan dezelfde eisen zoals die gelden voor 1 woning. Dit is juridisch vastgelegd in de bestemmingsplanregels.
29 juni 2021.