direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Herontwikkeling Vrijetijdsboulevard, deelgebied B
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1699.2021BP088-vg01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

De gemeente Noordenveld heeft in samenwerking met ondernemers en grondeigenaren op de Vrijetijdsboulevard in Roden een ontwikkelperspectief opgesteld voor het gebied aan de Kanaalstraat, tussen globaal de Ceintuurbaan Noord en de Bloemstraat. Het doel is om tot een duurzame en toekomstgerichte ontwikkeling van de Vrijetijdsboulevard te komen. In het ontwikkelperspectief worden verschillende deelgebieden onderscheiden, namelijk:

  • de Kanaalstraat en directe omgeving (de ruggengraat);
  • het gebied tussen Ceintuurbaan Noord en huidig braakliggend terrein (deelgebied A);
  • het huidig braakliggend terrein, met tijdelijk bikepark (deelgebied B);
  • het gebied tussen braakliggend terrein en Bloemstraat (deelgebied C).

Dit bestemmingsplan heeft betrekking op deelgebied B, dat in eigendom is van de gemeente (zie figuur 1.1). Het voornemen is om dit terrein te herontwikkelen tot woongebied. De gemeente wil deze woonontwikkeling door marktpartijen laten uitwerken. De transformatie past niet binnen de geldende beheersverordening voor het gebied. Om de herontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk te maken, is daarom dit bestemmingsplan opgesteld. Het bestemmingsplan vormt vervolgens het kader voor de marktuitvraag.

afbeelding "i_NL.IMRO.1699.2021BP088-vg01_0001.png"

Figuur 1.1 Globale begrenzing plangebied (bron: kadastralekaart.com)

1.2 Planologisch kader

Voor het plangebied geldt de beheersverordening 'Vrijetijdsboulevard' (vastgesteld 2 september 2015). Het plangebied heeft op grond van deze beheersverordening de bestemming 'Bedrijfsdoeleinden'. Daarnaast geldt het facetbestemmingsplan 'Parkeren Noordenveld' (vastgesteld 20 juni 2018).

Het realiseren van woningen is niet mogelijk binnen de bestemming 'Bedrijfsdoeleinden'. Om deze reden is dit bestemmingsplan opgesteld, dat voorziet in een juridisch-planologische regeling voor de transformatie.

1.3 Begrenzing nieuw bestemmingsplan

Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 22.000 m2. Aan de oostzijde vormt de Kanaalstraat de grens. Ten noorden en zuiden van het plangebied bevinden zich bedrijfspercelen. Aan de westzijde wordt het plangebied begrensd door woonpercelen aan de Zulthereschweg. Figuur 1.1 geeft de globale begrenzing van het plangebied weer.

1.4 Leeswijzer

Hoofdstuk 2 gaat in op de ruimtelijke structuur van het plangebied en de transformatie. In hoofdstuk 3 komt het relevante beleid op rijksniveau, provinciaal en gemeentelijk niveau aan bod. Hoofdstuk 4 benoemt vervolgens de milieukundige en ruimtelijke omgevingsaspecten. In hoofdstuk 5 is de juridische vormgeving van het plan beschreven. De hoofdstukken 6 en 7 gaan achtereenvolgens in op de economische uitvoerbaarheid en de resultaten van inspraak en overleg.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Achtergrond

Roden is een brink-/esdorp, gelegen ten zuidwesten van de stad Groningen in een gebied met een hoge aantrekkelijkheid voor toerisme en recreatie en wonen. De omgeving van Roden kent verschillende landschapstypen met elk hun eigen kwaliteiten.

Het karakter van Roden als brink/-esdorp is in de huidige situatie niet of nauwelijks meer herkenbaar. In de afgelopen decennia is er in het dorp gekozen voor een praktische en functionele inrichting van de openbare ruimte. Verder zijn landschapsstructuren die doorliepen tot in de kern van Roden in de loop van de ontwikkeling van het dorp afgesneden aan de randen.

Het is zaak de kwaliteiten van de omgeving weer terug te laten komen in de kern zelf. Daarmee kan de positieve beleving van de omgeving doorgezet worden in een positieve beoordeling van de kern. De herprofilering en vergroening van de Kanaalstraat en openbare ruimte wordt daarbij, voor dit deel van Roden, gezien als ruggengraat in de herontwikkeling.

Wat wonen betreft, geldt dat voor Roden dat de vraag naar nieuwbouw groter is dan het aanbod. Het ontwikkelen van nieuwe locaties nabij het centrum is kansrijk. Daarbij geldt dat een goede ruimtelijke inpassing en programmering medebepalend is voor het uiteindelijke succes van de locatie.

2.2 Toekomstige situatie

Toekomstige situatie

In aanvulling op het realiseren van de ruggengraat is het langere termijnbeeld voor het gebied een programmatische en functionele (her)ontwikkeling tot kwalitatief aantrekkelijk woon-, werk- en verblijfsgebied. Voor het plangebied gaat het om een ontwikkeling van woningbouw, in combinatie met groen. Hiervoor is een ontwikkelvisie opgesteld (Bijlage 1).

Op figuur 2.1 zijn de stedenbouwkundige principes voor het plangebied weergegeven. Hierbij is uitgegaan van de volgende uitgangspunten:

  • Stevig front aan de Kanaalstraat en dorpse intimiteit in de woonbuurt.
  • Informele verbindingen naar alle kanten.
  • Een gezonde groene woonbuurt.

In de ontwikkelvisie wordt uitgegaan van circa 70 woningen in verschillende typen, waarbij de exacte aantallen moeten blijken bij de invulling van het gebied. Dit aantal van 70 wordt in dit plan aangehouden als maximum aantal woningen. Maar een goede balans tussen nieuwe kavels, openbaar gebied en passende ruimtelijke kwaliteit (juiste DNA) staat voorop, meer dan een kwantitatieve doelstelling in aantal woningen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1699.2021BP088-vg01_0002.jpg"

Figuur 2.1 Stedenbouwkundige principes

Stevig front en dorpse intimiteit

Langs de Kanaalstraat is de ruimte, de maat en de schaal aanwezig om een stevig en representatief bebouwingsfront te maken (maximaal 3 bouwlagen). De woningen hebben geen (ruime) voortuin, wel een kleine ‘stoep’ of groen geveltuintje. Tussen deze bebouwing en de Kanaalstraat ligt een groene zone. Dit gebied heeft een parkachtig verblijfskarakter waar niet geparkeerd wordt.

De woningen zijn modern, individueel herkenbaar, maar refereren ook aan de markante zuivelfabriek. Deze stadswoningen grenzen aan het verblijfsgebied en zorgen samen met de bedrijfsgebouwen voor de ruimtelijke begrenzing van de Kanaalstraat.

De dorpse intimiteit zit in het gebied achter ‘de eerste lijn’. Dit gebied heeft geen directe ruimtelijke relatie met de omgeving. Daarom wil de gemeente dat dit woongebied als een samenhangend hof wordt ontwikkeld met een eigen onderscheidende architectuur. Dit dorpse hof moet, naast (bijzonder) duurzaam, een groene en veilige plek bieden aan jong en oud rond een gezamenlijk buitenterrein.

Informele verbindingen

De nieuwe woonbuurt wordt vanaf de Kanaalstraat aan twee zijden ontsloten. Belangrijker dan deze wegverbinding zijn de informele routes in de buurt en tussen buurt en omgeving. Deze informele routes leggen vanuit de woonbuurt de verbinding richting de Zulthereschweg, Ceintuurbaan Noord en de op termijn mogelijke woningbouw aan de zuidzijde van de woonbuurt. De verbindingen kunnen niet in alle gevallen al gerealiseerd worden gelijktijdig met de ontwikkeling van deelgebied B. In de stedenbouwkundige opzet wordt er echter wel ruimte geboden en rekening gehouden met een fijnmazig netwerk van informele routes voor voetgangers en fietsers.

Een gezonde groene woonbuurt

Het gebied wordt dooraderd en omringd door groen. De randen zijn groen als afscherming van de buurt van de omgeving en met groen wordt een aangenaam straatbeeld gemaakt.

In het hart van het gebied ligt een natuurlijke groenzone (oost-west) die zorgt voor doorzicht vanaf de Kanaalstraat naar de achterliggende hof. De groenzone biedt ook ruimte voor waterberging en afvoer van hemelwater. Deze groenzone komt uit in een achterliggend groengebied. Dit gebied vormt de scheiding met de woonwijk aan de Zulthereschweg.

Ook langs de Kanaalstraat ligt een brede groenstrook. Deze strook heeft een representatief en parkachtig karakter. Deze zone is een ‘openbare voortuin’ voor de woningen die aan de groenzone staan.

2.3 Verkeer en parkeren

Normaal gesproken worden de CROW-richtlijnen gehanteerd bij de ontwikkeling van woonbuurten. Maar in deze woonbuurt wordt er ruimte geboden voor een experiment, ook gelet op de beperkte omvang van het gebied en het feit dat er voldoende ruimte moet zijn voor groen, waterberging en klimaatbestendigheid in het gebied.

Daarom wordt in dit gebied iets anders omgegaan met de parkeernormen. De woonbuurt ligt dicht bij het centrum en op korte afstand van de HUB bij het busstation. De woonbuurt ligt ook gunstig voor fietsroutes naar Groningen en door de Corona-pandemie zal er een nieuwe balans ontstaan tussen thuis werken en op kantoor. Dat zal in een forenzendorp als Roden tot andere verkeersbewegingen leiden.

In dit gebied wordt er daarom ruimte gegeven om te experimenteren met het parkeren. Iedere woning heeft in ieder geval één parkeerplaats op eigen erf, bijvoorbeeld op de oprit, maar niet in de voortuinen. Voor 60% van de woningen die geen twee parkeerplaatsen op eigen erf kwijt kunnen, wordt een parkeerplaats in openbaar gebied aangelegd.

Mocht nu blijken dat de parkeerdruk toch te hoog wordt in de buurt, zal een deel van het openbaar gebied toch geschikt worden gemaakt om te parkeren, om zo alsnog te kunnen voldoen aan de parkeernorm van het CROW (afhankelijk van het type woning en de CROW-richtlijnen, gemiddeld genomen twee parkeerplaatsen per woning). Het is belangrijk dat bij het ontwerp en de inrichting van het openbaar gebied op voorhand voldoende ruimte wordt gereserveerd/aangewezen waar deze eventuele omzetting naar parkeren mogelijk is.

De te ontwikkelen woonbuurt in deelgebied B is een eerste stap in een mogelijk verdere ontwikkeling van het gebied rond de Kanaalstraat. De woonbuurt moet voor het autoverkeer op twee plekken worden ontsloten, om ook een afwikkeling van verkeer van latere woonbuurten mogelijk te maken. In de buurt zelf staat het verblijfskarakter voorop. De straten zijn zo mogelijk autoluw (alleen bestemmingsverkeer) of zelfs autovrij.

Daarnaast is het van belang dat de nieuwe woonbuurt via voet- en fietspaden goed verbonden is met de directe omgeving. In de opzet van de buurt moet daarom ruimte zijn voor deze langzaam verkeersverbindingen, in ieder geval richting Zulthereschweg, Ceintuurbaan-Noord en eventuele nieuwe woonbuurten ten zuiden van dit deelgebied B.

Hoofdstuk 3 Beleidskaders

3.1 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) van kracht geworden. In de SVIR is de visie van de rijksoverheid op de ruimtelijke en mobiliteitsopgaven voor Nederland richting 2040 aangegeven. Dit betreft een integraal kader dat de basis vormt voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties.

In de SVIR is gekozen voor een meer selectieve inzet van het rijksbeleid dan voorheen. Voor de periode tot 2028 zijn de ambities van het Rijk in drie doelen uitgewerkt:

  • vergroten van de concurrentiekracht door versterking van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;
  • verbeteren van de bereikbaarheid;
  • zorgen voor een leefbare en veilige omgeving met unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden.

Met de hiervoor genoemde doelen zijn 13 nationale belangen aan de orde die in de SVIR verder gebiedsgericht zijn uitgewerkt in concrete opgaven voor de diverse onderscheiden regio's. Buiten deze nationale belangen hebben decentrale overheden meer beleidsvrijheid op het terrein van de ruimtelijke ordening gekregen. Het kabinet is van mening dat provincies en gemeenten beter op de hoogte zijn van de actuele situatie in de regio en de vraag van bewoners, bedrijven en organisaties en daardoor beter kunnen afwegen welke (ruimtelijke) ingrepen in een gebied nodig zijn.

Bij gebiedsontwikkeling is 'een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten' van belang. Hierbij hanteert het Rijk de Ladder voor duurzame verstedelijking. Deze is opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening heeft het Rijk voorts enkele nationale belangen voorzien van bindende regels. Deze moeten bij ruimtelijke plannen in acht worden gehouden. Het plangebied ligt niet in een gebied waarvoor bindende regels zijn opgenomen.

Ladder voor duurzame verstedelijking
Bij gebiedsontwikkeling is 'een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten' van belang. Hierbij hanteert het Rijk de Ladder voor duurzame verstedelijking. Deze is opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De Ladder houdt in dat de toelichting bij een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving bevat van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

STEDELIJKE ONTWIKKELING

Voordat de Ladder voor duurzame verstedelijking wordt doorlopen, moet de vraag worden beantwoord of er wel sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Artikel 1.1.1 Bro definieert een stedelijke ontwikkeling als 'een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'.

Het doel van het plan is de realisatie van maximaal 70 nieuwe woningen. Gezien het aantal woningen moet de vraag of er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling bevestigend worden beantwoord.

BEHOEFTE

In 2015 heeft onderzoek plaatsgevonden naar de woningmarkt in de regio Groningen-Assen (Woningbehoefteonderzoek 2015 d.d. 17 juni 2015 & Extra onderzoek ten behoeve van actualisatie woonbeleid en prestatieafspraken, d.d. 16 november 2015, Companen). Gebaseerd op de gegevens van het Woningbehoefteonderzoek van Companen is in 2017 een Woningmarktanalyse Regio Groningen-Assen 2017-2030 opgesteld door Weusthuis en KAW. Door KAW is daarnaast het Woningmarktonderzoek 2020-2030 uitgevoerd (d.d. 29 april 2020). De belangrijkste conclusies wat betreft de kwantitatieve en kwalitatieve woningbehoefte zijn hierna vermeld.

  • Kwantitatieve woningbehoefte

In de regio Groningen-Assen is sprake van een trend van verstedelijking, waarbij extra groei zal plaatsvinden van de woningbehoefte in Groningen, Assen en de zogenaamde volledige kernen, dat zijn de dorpen met een hoog voorzieningenniveau - waaronder de kern Roden.

De gemeente Noordenveld moet tot 2030 rekening houden met een extra woningbehoefte variërend van 460 in het lage scenario, 775 in het middenscenario tot 1.075 woningen in het hoge scenario. Dat is deels het gevolg van eigen vraag (vergrijzing, gezinsverdunning), maar het grootste deel van de extra behoefte wordt veroorzaakt door de druk op de woningmarkt in de stad Groningen. Binnen de gemeente Noordenveld nemen de dorpen Roden, Nieuw-Roden en Peize naar verwachting het grootste deel van de huishoudensgroei voor hun rekening. Voor Roden en Nieuw-Roden wordt gerekend op een netto groei van 240 tot 610 huishoudens.

afbeelding "i_NL.IMRO.1699.2021BP088-vg01_0003.png"

Figuur 3.1 Woningbehoefte per dorp tot 2030

  • Kwalitatieve woningbehoefte

Aan de hand van de kwantitatieve behoefte is ook de behoefte per woonmilieu onderzocht. In figuur 3.2 is de uitkomst weergegeven voor het middenscenario.

afbeelding "i_NL.IMRO.1699.2021BP088-vg01_0004.png"

Figuur 3.2 Behoefte per woonmilieu

In de volledige kernen, als Roden, is er een tweedeling in de vraag: of wonen in of nabij het centrum met een karakteristieke sfeer en voorzieningen binnen handbereik, of ruim en landelijk wonen. Centrumdorps wonen uit zich in de vraag naar grondgebonden wonen: zo'n 80%. Er is daarnaast vraag naar 'excellent dorps' wonen. Dit kan samenvallen met centrumdorps wonen, maar op kleine schaal ook met overige woonmilieus.

Op grond van bovenstaande onderzoeken kan worden geconcludeerd dat er in Roden in de toekomst zowel een kwantitatieve als kwalitatieve woningbehoefte zal blijven bestaan. Het initiatief voor de transformatie van een voormalig bedrijventerrein naar centrumdorps woongebied met maximaal 70 woningen sluit aan bij de regionale behoefte.

BESTAAND STEDELIJK GEBIED 

Voor bestaand stedelijk gebied wordt de definitie uit het Bro aangehouden. Het begrip is daarin gedefinieerd als: "bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur".

De landschappelijke kwaliteit beperkt de mogelijkheden tot het ontwikkelen van nieuwe woningbouwlocaties in Roden. Het is daarom van belang voor de kwaliteit van deze kern dat er allereerst geïnvesteerd wordt in het opvullen van binnendorpse locaties in de bestaande kern.

De locatie bevindt zich binnen bestaand stedelijk gebied en wordt middels transformatie geschikt gemaakt voor de woningen. Het plan voldoet daarmee aan de Ladder voor duurzame verstedelijking.

CONCLUSIE

Uit het voorgaande blijkt dat de ontwikkeling voldoet aan de voorwaarden die in het kader van toetsing aan de Ladder voor duurzame verstedelijking relevant zijn. Het initiatief is dan ook in overeenstemming is met de Ladder voor duurzame verstedelijking.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie Drenthe

Provinciale Staten van Drenthe hebben op 3 oktober 2018 de Omgevingsvisie Drenthe vastgesteld. De missie uit de Omgevingsvisie is het waarderen van de Drentse kernkwaliteiten en het ontwikkelen van een bruisend Drenthe passend bij deze kernkwaliteiten. Deze ambitie vormt het hart van het beleid. De provincie wil ‘ontwikkelen met ruimtelijke kwaliteit’, mede vanuit de wetenschap dat landschapskwaliteit een belangrijke vestigingsfactor is. In het beleid zijn zes verschillende kernkwaliteiten benoemd die de Drentse ruimtelijke identiteit inhoud geven. Het gaat om landschap, cultuurhistorie, aardkundige waarden, archeologie, rust en natuur.

De provincie streeft naar een robuuste ontwikkeling van de ruimtelijke dragers: de sociaaleconomische structuur, het landbouwsysteem, het watersysteem en het natuursysteem. Een systeem is robuust als het weinig gevoelig is voor verstoringen als gevolg van nieuwe ontwikkelingen. Waar geen dominant systeem aanwijsbaar is, wordt gesproken over ‘multifunctionele gebieden’.

COMBINATIEMODEL

Het doel is om functies, kwaliteiten en strategische opgaven met elkaar te combineren. In het combinatiemodel is er sprake van een gelaagde aanpak. De basis wordt gevormd door de kernkwaliteiten. Daarop liggen de robuuste systemen, waarin de strategische opgaven voor 2030 landen. De combinatie van opgaven en robuuste systemen binnen de context van de Drentse identiteit geeft invulling aan de visie van een bruisend Drenthe.

afbeelding "i_NL.IMRO.1699.2021BP088-vg01_0005.png"

Figuur 3.1 Combinatiemodel Omgevingsvisie Drenthe 2018

3.2.2 Omgevingsverordening Drenthe

De Omgevingsvisie is verder vertaald naar een verordening, voor zover het planologisch relevante aspecten betreft. De Omgevingsverordening is op 3 oktober 2018 vastgesteld. In de Provinciale Omgevingsverordening Drenthe is opgenomen dat in een ruimtelijk plan uiteengezet wordt hoe het desbetreffende plan zich verhoudt tot het behoud en de ontwikkeling van de bij het plan betrokken kernkwaliteiten conform het provinciaal beleid, en de strategische opgaven en de sturingsniveaus zoals die zijn verwoord in de omgevingsvisie. Verder maakt het desbetreffende ruimtelijk plan geen nieuwe activiteiten dan wel wijziging van bestaande activiteiten mogelijk die de kernkwaliteiten significant aantasten.

Een ruimtelijk plan kan voorzien in nieuwe woningbouw mits de behoefte op basis van de gemeentelijke woonvisie kan worden aangetoond en aansluit bij bestaand stedelijk gebied. De gemeentelijke woonvisie ten aanzien van de woningvoorraad:

  • a. draagt bij aan balans tussen vraag en aanbod in de gehele Drentse woningvoorraad op de lange termijn en is hiertoe afgestemd binnen de woningmarktregio's;
  • b. benoemt ten minste de kwaliteit, kwantiteit, doelgroepen, duurzaamheid en kernenstructuur;
  • c. schetst de opgaven in de bestaande woningvoorraad;
  • d. geeft aan op welke wijze balans op lange termijn wordt gerealiseerd;
  • e. geeft een lange termijn beeld.

Daarnaast dient in het kader van zorgvuldig ruimtegebruik de Ladder voor duurzame verstedelijking te worden gevolgd. In paragrafen 3.1 en 3.4.11 wordt onderbouwd dat het plan in overeenstemming is met het gemeentelijke woonbeleid en de Ladder voor duurzame verstedelijking.

KERNKWALITEITEN

Voor het plangebied zijn de kernkwaliteiten Landschap, Cultuurhistorie en Aardkundige waarde van toepassing:

  • Landschap

Ten aanzien van de kernkwaliteit Landschap ligt het plangebied in het esdorpenlandschap. In dit landschap zijn met name de essen en beekdalen van provinciaal belang. Het plangebied betreft bestaand stedelijk gebied en tast geen essen of beekdalen aan. De kernkwaliteit is dan ook niet in het geding.

  • Cultuurhistorie

Met betrekking tot de kernkwaliteit Cultuurhistorie geldt voor het plangebied het sturingsniveau 'eisen stellen'. Het projectgebied maakt deel uit van 'De kop van Drenthe'. De ambities zijn hier:

  • 1. Het in stand houden van de karakteristiek van het esdorpenlandschap. Deze karakteristiek uit zich in een zichtbare ruimtelijke samenhang tussen esdorp, es, beekdal en veld, met bijbehorend microreliëf en beplantingselementen zoals houtwallen, esrandbosjes en middeleeuwse gebruiksbossen. Bovendien kent het esdorpenlandschap een grote tijdsdiepte, wat blijkt uit zichtbare en onzichtbare (pre)historische bewoningssporen zoals nederzettingen, grafmonumenten en celtic fields.
  • 2. Het vasthouden en zorgvuldig doorzetten van de ruimtelijke opzet van de esdorpen. Deze opzet wordt getypeerd door een vrije ordening van bebouwing en boerderijen, afwisseling tussen bebouwde plekken en open ruimtes (in het bijzonder de brinken) en doorzichten naar het omliggende buitengebied.

Het plangebied betreft een voormalig bedrijventerrein in stedelijk gebied waar de karakteristieken van het esdorpenlandschap en de ruimtelijke opzet van de esdorpen niet meer herkenbaar of aanwezig zijn. In het plangebied zijn geen cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig. De kernkwaliteit wordt niet aangetast.

  • Aardkundige waarden

Op grond van de kernkwaliteit Aardkundige waarden geldt voor het plangebied een generiek beschermingsniveau. Voor deze categorie heeft de provincie Drenthe de ambitie om de lokale, aardkundige kenmerken voor de toekomst bewaren. Van gemeenten wordt verwacht dat zij in deze gebieden nagaan welke kenmerkende aardkundige waarden aanwezig zijn en dat zij hieraan bescherming geven via het gemeentelijk bestemmingsplan en plannen en initiatieven daarop beoordelen.

Als gevolg van bouwontwikkelingen in het gebied en de daarmee gepaard gaande afgravingen en ophogingen is de bodem verstoord. De bodemingrepen ten behoeve van dit plan leiden dan ook niet tot een aantasting van de kernkwaliteit.

ROBUUSTE SYSTEMEN

Ten aanzien van dit plan is met name het sociaaleconomische systeem als drager van belang, en dan specifiek het aspect wonen. De provincie vindt het van provinciaal belang om te anticiperen op een veranderende bevolkingssamenstelling en de effecten hiervan op de leefomgeving en de woningmarkt. De demografische ontwikkelingen maken het nodig dat er wordt geanticipeerd op een ouder wordende bevolking, toenemende vraag naar levensloopbestendig wonen en zorgwonen en een daling van het aantal huishoudens, in met name de buitengebieden.

In paragraaf 3.1 is onderbouwd dat er in Roden in de toekomst een behoefte zal blijven bestaan aan woningen. Het plan voor de bouw van maximaal 70 woningen sluit daarmee aan bij deze behoefte.

VISIE

Ten aanzien van wonen streeft de provincie naar aantrekkelijke, gevarieerde en leefbare woonmilieus die voorzien in de woonvraag. Zoals hierboven beschreven past dit plan binnen deze ambitie.

Conclusie

Het plan houdt rekening met de voor de locatie relevante kernkwaliteiten. Aan de combinatie van opgaven en robuuste systemen wordt op passende wijze invulling gegeven. Het plan is dan ook in overeenstemming met het provinciaal beleid uit de Omgevingsvisie en Omgevingsverordening.

3.3 Regionaal beleid

3.3.1 Regiovisie Groningen-Assen 2030

Roden maakt deel uit van de regio Groningen-Assen (provincies Drenthe en Groningen en de gemeenten Assen, Bedum, Groningen, Haren, Hoogezand-Sappemeer, Leek, Noordenveld, Slochteren, Ten Boer, Tynaarlo, Winsum en Zuidhorn). In Regio Groningen-Assen hebben de gemeenten hun plannen voor woonlocaties en bedrijventerreinen aangepast aan de veranderde vraag. De afspraken hierover zijn vastgelegd in een Regionaal Instemmingsmodel.

Aanleiding voor het gezamenlijk aanpassen van de plannen was het grote overaanbod aan bedrijventerreinen en woningbouwlocaties als gevolg van de veranderende vraag en de economische crisis. Uitgangspunt was het maken van afspraken over het aanbod en prioritering van locaties tot en met 2030, als ware de regio één gemeente. Op deze manier worden gezamenlijk risico’s geminimaliseerd, ontstaat er een betere balans tussen vraag en aanbod en worden marktkansen beter benut.

Voor woningbouw geldt dat er jaarlijks ruim 1.300 woningen mogen worden gebouwd in Regio Groningen-Assen in plaats van 2.900 woningen. Voor de totale plannen voor bijna 50.000 woningen (nulmeting 2011) t/m 2030 is nu afgesproken dat hiervan 25.000 woningen mogen worden gerealiseerd (regionaal instemmingsmodel). Elke gemeente heeft op basis van het afgesproken scenario een planningslijst opgesteld die de basis vormen van het instemmingsmodel. De daadwerkelijke vaststelling van de planningslijsten is een verantwoordelijkheid van de gemeenten.

In 2016 zijn met betrekking tot het regionale instemmingsmodel nadere afspraken gemaakt om meer duidelijkheid en ruimte te geven rondom de wijze van tellen van herstructurering en zorgwonen. Bij herstructurering wordt nu rekening gehouden met de toevoeging/het verlies. Woonzorgvastgoed gebouwd ter vervanging van verpleeg- en verzorgingshuizen of gebouwd exclusief bestemd voor zorgdoelgroepen wordt buiten beschouwing gelaten. De regiogemeenten hebben meer vrijheid gekregen om binnendorpse en binnenstedelijke locaties toe te voegen, mits het totaal aantal afgesproken woningen niet wordt overschreden. De regionale woningbouwafspraken en bijbehorende instemming blijven van toepassing bij nieuwe uitleglocaties of als een maximum aantal door een gemeente wordt overschreden.

De bouw van maximaal 70 woningen past binnen het regionale instemmingsmodel.

3.3.2 Waterbeheerplan 2016-2020 Noorderzijlvest

Het plangebied maakt deel uit van het beheergebied van het Waterschap Noorderzijlvest. In het Waterbeheerprogramma 2016-2020 beschrijft het Waterschap Noorderzijlvest wat de inzet zal zijn om de ingezetenen van veilig, voldoende en schoon water te voorzien.

Voor het plangebied gelden geen specifieke doelen. Het plangebied maakt deel uit van de functie bebouwd gebied. In paragraaf 4.8 wordt ingegaan op de watertoets die in het kader van de nieuwe ontwikkeling is uitgevoerd.

3.4 Gemeentelijk beleid

3.4.1 Geldende beheersverordening

In paragraaf 1.2 van dit bestemmingsplan is aangegeven dat de huidige beheersverordening voor het plangebied 'Vrijetijdsboulevard' uit 2015 is. De werking van die beheersverordening vervalt voor het plangebied bij het in werking treden van dit nieuwe bestemmingsplan.

3.4.2 Omgevingsvisie

De gemeente Noordenveld heeft op 8 februari 2017 de Omgevingsvisie Noordenveld 2030 vastgesteld. Hierin laat de gemeente zien hoe ze denkt wat de gemeente Noordenveld in het jaar 2030 uniek maakt op het sociale en fysieke domein. De Omgevingsvisie is de basis voor de programma's op de kernwaarden leefbaar, groen, ondernemend, duurzaam en transparant.

In de Omgevingsvisie zijn ook de ambities per gebied aangegeven. Als algemene ambitie voor de kleine kernen geldt dat woningbouw mogelijk is. Uitgangspunt daarbij is maatwerk en aangetoonde behoefte voor de langere termijn. De dorpsgemeenschap staat centraal. De inwoners denken mee met plannen.

Specifiek voor Roden is als ambitie opgenomen dat het dorp een sterke, veelzijdige woonkern blijft. Er zijn verschillende potentiële zoekgebieden voor inbreiding en herstructurering in Roden waar onderzoek gedaan wordt naar mogelijkheden voor woningbouw. De relatie met het omringende landschap is versterkt. Groene elementen lopen vanuit het omliggende landschap door in de woonwijken, de bedrijventerreinen en het centrumgebied. Dit bestemmingsplan past binnen deze ambitie.

3.4.3 De Noordenveldse Kwaliteitsgids

De Noordenveldse Kwaliteitsgids is vastgesteld op 22 april 2020. De kwaliteitsgids is in eerste instantie opgesteld als een document dat de gemeente betrekt bij de afweging van ruimtelijke ontwikkelingen en initiatieven.

Roden behoort tot het esdorpenlandschap. Het esdorpenlandschap vormt een landschappelijk systeem waarin oude veldontginningen met essen, de beekdalen en de jonge veldontginningen onderling samenhangende deelgebieden vormen. Voor het esdorpenlandschap gelden de volgende gidsprincipes:

  • initiatieven moeten passen bij de schaal van het landschap en een landschappelijke én stedenbouwkundige meerwaarde opleveren
  • houd het onderscheid en de overgangen tussen de oude veldontginningen, jonge veldontginningen en beekdalen zichtbaar
  • koester en versterk de brongebieden en bovenloopjes van de beken
  • houd de contrasten in het aanwezige reliëf zichtbaar
  • respecteer bestaande verkavelingspatronen van de oude veldontginningen en het beekdal
  • houd de landgoederen als zelfstandige gebieden met een samenhangende structuur leesbaar en publiek toegankelijk
  • versterk de parkachtige structuur van de oude veldontginningen door kleinschalige ontwikkelingen in de omgeving van oude dorpen goed in te passen met bosachtige aanplant
  • koester het groene onbebouwde karakter van brinken
  • behoud het open karakter van de essen en versterk waar mogelijk beplanting langs randen
  • laat beplanting langs wegen reageren op het karakter van het landschap
  • het karakter van het jonge ontginningslandschap leent zich voor transformatie en biedt kansen voor nieuw landschap waarin meerdere doelen worden gerealiseerd (koppelkansen)
  • bouw op de hogere gronden en voorkom verdere bebouwing van het beekdal
  • behoud landschappelijk waardevolle elementen zoals pingoruïnes en heiderelicten
  • verhard zandpaden in principe niet
  • grijp functiewijzigingen of uitbreidingen aan voor een goede landschappelijke inpassing van het erf
  • hergebruik bestaande boerderijen, keuterijen enzovoorts en zorg ervoor dat het agrarische karakter van deze panden en hun erf afleesbaar blijft
  • respecteer bestaande smalle verkavelingspatronen met elzensingels ten westen van Roden

Specifiek voor Roden gelden daarnaast de volgende gidsprincipes:

  • respecteer de heldere grenzen tussen Roden en het landschap zoals bij de N372
  • koester groene dorpsranden zoals Spijkerzoom en Oosteinde en geef bestaande, stenige en eventuele nieuwe dorpsranden een groen karakter
  • behoud en versterk de laanstructuren met zware, inheemse boombeplanting in het centrum
  • versterk de relatie van Roden met het Leekstermeer en De Onlanden
  • maak de Rodervaart en de Steenbergerloop beter herkenbaar en beleefbaar
  • koester landgoed Mensinge met de Havezate
  • versterk de verblijfskwaliteit in het centrum en verken de mogelijkheden om het aandeel doorgaand verkeer door het centrum te verminderen
  • behoud en versterk het historische karakter van het esdorp in de omgeving van De Brink en versterk het dorpse bebouwingsbeeld van het winkelgebied
  • situeer eventuele uitbreidingslocaties op de hogere delen in het landschap
  • borduur bij uitbreidingslocaties voort op de traditie van wijken met wijd vertakkende groenstructuren met ‘lucht’ tussen de huizen
  • geef vervangende nieuwbouw een dorpse maat en schaal en sluit aan bij de aanwezige bebouwingsstructuur

Met de Ontwikkelvisie, zoals beschreven in Hoofdstuk 2 en opgenomen in Bijlage 1 wordt aangesloten op de gidsprincipes uit de Kwaliteitsgids.

3.4.4 Welstandsnota

Op 18 december 2008 heeft de gemeenteraad de Welstandsnota voor de gemeente Noordenveld vastgesteld. De welstandsnota beoogt versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Bepalend voor de ruimtelijke kwaliteit zijn onder meer het uiterlijk van individuele gebouwen en bouwwerken en de kwaliteit van het totaalbeeld van de gebouwen. De welstandstoets is een belangrijk instrument voor de sturing van deze kwaliteiten.

Bij aanvragen van een omgevingsvergunning worden bouwplannen getoetst aan de welstandscriteria. In de nota is onderscheid gemaakt in verschillende deelgebieden, waarvoor verschillende welstandscriteria zijn opgenomen. De criteria spitsen zich toe op materiaalgebruik, ligging, vorm en massa. Bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan geeft, kunnen echter niet door welstandscriteria worden tenietgedaan.

Voor de ontwikkelingen in het plangebied zijn hoofdstuk 2 'Algemene welstandscriteria' en hoofdstuk 3 'Gebiedsgerichte welstandscriteria' van de Welstandsnota van toepassing. Ontwikkelingen in het plangebied moeten voldoen aan de criteria, zoals hier zijn opgenomen. Voor het gebied geldt een aanduiding als bijzonder welstandsgebied. Essentieel is daarbij de afstemming op de individuele kwaliteiten van de bestaande, overwegend traditionele of vroeg twintigste-eeuwse bebouwing.

3.4.5 Gids Omgevingskwaliteit

Deze Gids Omgevingskwaliteit van de gemeente Noordenveld wordt naar verwachting medio 2021 vastgesteld en vervangt de Welstandsnota uit 2008. In de Gids Omgevingskwaliteit staat wat de basisprincipes van de gemeente Noordenveld zijn:

  • 1. Het gebouw heeft een helder ontwerpidee
  • 2. Het gebouw past op de plek
  • 3. Het gebouw is zorgvuldig vormgegeven

De basisprincipes worden aangevuld met gebiedsprincipes, op maat gemaakte principes voor de verschillende gebieden in Noordenveld. Daarnaast zijn er soms gebieden in ontwikkeling, bijvoorbeeld een nieuwbouwwijk. Voor deze ontwikkelingsgebieden is of wordt een apart kwaliteitsplan opgesteld. Als een ontwikkelingsgebied klaar is, vervalt het kwaliteitsplan en wordt het gebied onderdeel van een van de elf gebieden van de Gids Omgevingskwaliteit.

Dit bestemmingsplan heeft betrekking op de ontwikkeling van een nieuw woongebied. Hiervoor is de eerdergenoemde Ontwikkelvisie opgesteld (Bijlage 1). In de visie wordt de opgave van deze locatie geschetst en worden kaders en kansen benoemd voor de ontwikkeling van het gebied.

3.4.6 Landschapsbeleidsplan Noordenveld

Een belangrijke doelstelling van het Landschapsbeleidsplan Noordenveld is het behouden en herstellen van landschappelijke kwaliteiten en het versterken van identiteit en eigenheid van het buitengebied van de gemeente Noordenveld.

Omdat de ruimtelijke ontwikkeling in de kern Roden plaatsvindt, is het Landschapsbeleidsplan in dit geval niet relevant.

3.4.7 Groenvisie Noordenveld

In de Groenvisie Noordenveld (2002, Oranjewoud) wordt het huidige groen naar inrichting en beheer in beeld gebracht. Het plan legt voor de gemeente Noordenveld de groenstructuur en de gewenste kwaliteit voor het groen binnen de bebouwde kom vast.

Voor Roden wordt aangegeven welke identiteitsdragers het dorpen kent, wat de 'knelpunten' zijn en welke aandachtspunten er daarom zijn. Voor het plangebied vormt het groen in de woonwijken de identiteitsdrager. Op de navolgende kaart zijn de groenstructuur en de opgaven verbeeld.

afbeelding "i_NL.IMRO.1699.2021BP088-vg01_0006.png"

Afbeelding 3.2 Groenstructuur Roden (bron: Groenvisie Noordenveld)

3.4.8 Gemeentelijk verkeer- en vervoersplan 2015-2025

In dit plan wordt beschreven hoe het gemeentelijk beleid op het gebied van verkeer, vervoer en mobiliteit er de komende jaren uitziet. Daarbij wordt ingespeeld op nieuwe ontwikkelingen en ambities van de gemeente. Er zijn algemene beleidsregels opgenomen wat betreft verkeersstructuur, verkeersveiligheid en mobiliteit.

Het plangebied grenst aan de Kanaalstraat waarvoor een maximumsnelheid geldt van 50 km/uur. De nieuwe wegen in het plangebied worden ingericht als woonstraat. Op het aspect parkeren is reeds nader ingegaan in de planbeschrijving in Hoofdstuk 2.

3.4.9 Gemeentelijk rioleringsplan

Op 16 januari 2013 is het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan vastgesteld door de raad van de gemeente Noordenveld. Op 1 januari 2008 is de Wet gemeentelijke watertaken (Wgw) in werking getreden. Deze wetgeving stelt de gemeente beter in staat een bijdrage te leveren aan de aanpak van watervraagstukken in bebouwd gebied. De gemeente heeft met deze wet de zorgplichten gekregen voor hemel- en grondwater binnen bebouwd gebied.

De gemeente dient in het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) naast de gebruikelijke zorg voor de riolering vast te leggen hoe zij deze wettelijke zorgplichten voor hemelwater en grondwater gaat invullen. We noemen dit GRP dan ook het verbrede GRP (vGRP) vanwege de uitbreiding met de nieuwe zorgplichten.

Toetsingskader gemeentelijke watertaken

Doelen gemeentelijke watertaken:

  • 1. Doelmatig inzamelen en transporteren van stedelijk afvalwater naar een geschikt lozingspunt.
  • 2. Doelmatig inzamelen van regenwater (daar waar de perceeleigenaar redelijkerwijs niet in staat is dit zelf te doen).
  • 3. Doelmatig verwerken van het ingezameld regenwater.
  • 4. Voorkomen dat grondwater de bestemming van een gebied structureel belemmert.
  • 5. Voorkomen van overlast voor de omgeving (in de brede zin van het woord).

In de bestuursakkoorden Water (NBW/RBW3) is vastgelegd dat moet worden ingespeeld op de verwachte klimaatsverandering: het watersysteem moet robuust worden gemaakt. De 'droge voeten'-agenda worden met deze akkoorden vormgegeven. Daarom is inzicht in de stedelijke wateropgave noodzakelijk, zodat kan worden bepaald waar en hoe eventueel extra berging kan worden gecreëerd.

Afkoppelen van schone oppervlakken, zodat relatief schoon regenwater niet meer naar de rioolwaterzuiveringsinrichting wordt getransporteerd, is een aanpak die past in de huidige ontwikkelingen. De tritsen 'vasthouden-bergen-afvoeren' en 'schoonhouden-scheiden-schoonmaken' zijn daarbij leidend.

Het voormalige Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer heeft een regenwaterbrief uitgebracht die aangeeft hoe de regenwaterproblematiek bij gemeenten het best kan worden aangepakt. Er zijn vier pijlers van het regenwaterbeleid benoemd:

  • 1. aanpak bij de bron: het voorkomen van verontreiniging van regenwater;
  • 2. regenwater vasthouden en bergen;
  • 3. regenwater gescheiden van afvalwater afvoeren;
  • 4. integrale afweging op lokaal niveau.

Vanuit het hemelwaterbeleid wordt naar redelijkheid een inspanning gevraagd van bewoners, bedrijven en overheid. Hiervoor wordt bij ontwikkelingen onderscheid gemaakt naar een toename van het verhard oppervlak en een ontwikkeling zonder toename van verhard oppervlak. Onder dit laatste valt het opbreken van verharding, terugplaatsen van dezelfde of nieuwe verharding en sloop en nieuwbouw van gebouwen.

In die zin zijn er drie situaties te onderscheiden voor de omgang met hemelwater:

  • 1. afkoppelen van hemelwater afkomstig van nieuwbouw op een reeds bebouwde locatie;
  • 2. afkoppelen /bergen van hemelwater afkomstig van nieuwbouw op een nieuw aangelegde locatie;
  • 3. afkoppelen van hemelwater afkomstig van bestaande bebouwing.

Het afkoppelen/bergen van hemelwater is geregeld voor de eerste twee situaties. Het afkoppelen van hemelwater afkomstig van nieuwbouw op een reeds bebouwde locatie is een verplichting die volgt uit de aan te vragen omgevingsvergunning. Het afkoppelen/bergen van hemelwater afkomstig van nieuwbouw op een nieuw aangelegde locatie is een verplichting op basis van de watertoets die gekoppeld is aan de ontwikkeling van een nieuwbouwlocatie.

Uitvoerend beleid zorgplicht grondwater

Voorkomen dat grondwater het doel van een gebied structureel belemmert. Dit doel vormt de invulling van de zorgplicht voor het grondwater. Grondwater speelt tenslotte een belangrijke rol binnen de stedelijke openbare ruimte. De ruime omschrijving van dit doel is noodzakelijk omdat de oorzaken en oplossingen van grondwaterproblemen liggen op het grensvlak van stedelijk waterbeheer en ruimtelijke ordening. Op eigen terrein heeft de burger nadrukkelijk zelf een verantwoordelijkheid het grondwaterprobleem op te lossen en te voorkomen.

3.4.10 Nota duurzaamheid

In deze nota geeft de gemeente aan hoe ze invulling wil geven aan duurzaamheid. De focus ligt daarbij op energiebesparing en duurzame energie, omdat hier op korte termijn de grootste winst te behalen is. De sectoren waarop wordt ingezet zijn woningen, bedrijven, duurzame energieproductie en de eigen organisatie.

De verantwoordelijkheid voor energiebesparing en duurzame energie ligt in eerste instantie bij de sectoren zelf. De rol van de gemeente zal een faciliterende en ondersteunende zijn.

Noordenveld wil klimaatneutraal zijn in 2040. Klimaatneutraal betekent netto geen uitstoot van broeikasgassen binnen Noordenveld. De gemeente heeft in de Nota duurzaamheid doelstellingen opgesteld voor woningen, bedrijven, eigen organisatie en duurzame energieproductie.

In de voorgenomen ontwikkeling is sprake van nieuwbouw. Hiervoor gelden de nieuwbouweisen uit het Bouwbesluit, ook wat betreft isolatie- en duurzaamheidsmaatregelen.

3.4.11 Kaderstelling geactualiseerd woonbeleid

Gezien de ontwikkelingen op de woningbouwmarkt de afgelopen jaren is er genoeg reden om het woonbeleid in Noordenveld te actualiseren. Op 20 april 2016 is de kaderstelling voor het geactualiseerd woonbeleid vastgesteld. De kaders zijn bedoeld om richting te geven en accenten te zetten. Hieronder zijn de kaders opgenomen die raakvlakken hebben met dit bestemmingsplan:

  • Leidend is het bouwen voor behoefte, zowel kwantitatief als kwalitatief
  • Periodiek woningmarktonderzoek met monitoring is een gewenste onderlegger voor het kunnen bouwen voor behoefte
  • Op basis van het uitgangspunt bouwen voor behoefte moet er vroegtijdig worden ingezet op voldoende uitlegcapaciteit om op de verwachte vraag te kunnen anticiperen. Uitgangspunt is in principe de Ladder voor duurzame verstedelijking
  • Anticiperen op de 'hobbel': eerst groei en daarna teruggang van de woningbehoefte
  • Het is belangrijk om starters/jongeren die in de gemeente willen blijven wonen, goed te faciliteren in de sociale huursector. Dat kunnen ook studio's en kleine units zijn, waarbij transformatie een mogelijke optie is
  • De omvang van de sociale huursector moet voldoende zijn om de doelgroep adequaat te kunnen huisvesten
  • Betaalbaarheid van de voorraad sociale huur is cruciaal
  • Het kader voor duurzaamheid is de gemeentelijke Nota duurzaamheid van 2015. Het uiteindelijke doel is op termijn een woningvoorraad die zoveel mogelijk energieneutraal is

Hoofdstuk 4 Milieukundige en ruimtelijke aandachtspunten

4.1 Archeologie en cultuurhistorie

Toetsingskader
De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is.

De Erfgoedwet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast moet ieder ruimtelijk plan een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. Voor zover in een plangebied sprake is van erfgoed, moet op grond van voorgaande dan ook te worden aangegeven op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologie rekening wordt gehouden.

Archeologie
Op de gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart is het plangebied aangeduid als archeologisch onderzocht terrein dat is vrijgegeven. Een archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor dit plan.

Cultuurhistorie
Het plangebied bestaat uit een voormalig fabrieksterrein waar alle bebouwing gesloopt is. Het gebied is tijdelijk in gebruik als bikepark. In het plangebied zijn geen bijzondere cultuurhistorische waarden aanwezig. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor dit plan.

4.2 Bodem

Toetsingskader
Voor de beoordeling van de bodemkwaliteit vormen de Wet bodembescherming (Wbb) en het (bijbehorende) Besluit bodemkwaliteit het toetsingskader. Gestreefd wordt naar een duurzaam gebruik van de bodem. Bij een ruimtelijk plan moet de bodemkwaliteit van het betreffende gebied inzichtelijk worden gemaakt. Het uitgangspunt wat betreft de bodem in het plangebied is dat de kwaliteit ervan zodanig moet zijn dat er geen risico's zijn voor de volksgezondheid bij het gebruik van het plangebied voor de voorgenomen functie. Ten behoeve van het plan is daarom een bodemonderzoek uitgevoerd (Bijlage 2).

Onderzoek
De bovengrond in het plangebied bevat plaatselijk een verhoogd gehalte polycyclische aromatische koolwaterstoffen ten opzichte van de achtergrondwaarde. De tussenwaarde (indicatie voor nader onderzoek) wordt in dit geval niet overschreden, zodat er uit milieuhygiënische overweging geen aanleiding is tot het instellen van aanvullend onderzoek.

De bovengrond bevat ook verhoogde gehalten som PFOA en som PFOS ten opzichte van de bepalingsgrens. De gemeten gehalten overschrijden de geactualiseerde toepassingsnorm uit het tijdelijk handelingskader PFAS echter niet.

Conclusie
Het aspect bodem vormt geen belemmering voor het plan.

4.3 Ecologie

Toetsingskader
Om de uitvoerbaarheid van het plan te toetsen, is een ecologische quickscan uitgevoerd voor het hele centrumgebied van Roden, waaronder het plangebied (Bijlage 3). Daarnaast is een berekening stikstofdepositie uitgevoerd (Bijlage 5).

Soortenbescherming
VOGELS
In het plangebied zijn, vanwege het ontbreken van bebouwing, geen jaarrond beschermde nesten te verwachten van huismus en gierzwaluw. Voor de andere mogelijk aanwezige soorten broedvogels geldt dat de werkzaamheden buiten het broedseizoen uitgevoerd moeten worden.

VLEERMUIZEN
Enkele boombewonende vleermuissoorten hebben mogelijk hun vaste rust- en/of verblijfplaats in het plangebied. Bij het kappen van bomen met holtes of bomenlanen is het noodzakelijk aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van deze vleermuissoorten te verrichten.

LIBELLE
De gevlekte witsnuitlibel en sierlijke witsnuitlibel komen mogelijk in het plangebied voor. Bij werkzaamheden aan de poelen van het bikepark wordt aanbevolen onderzoek te doen naar de aanwezigheid van deze soorten.

AMFIBIEËN
Bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en alpenwatersalamander komen mogelijk voor in de poelen langs het bikepark. Bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander zijn door alle provincies vrijgesteld van de Wet natuurbescherming mits er bij het uitvoeren van werkzaamheden wordt voldaan aan de zorgplicht. Bij werkzaamheden aan de poelen wordt aanbevolen onderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid van alpenwatersalamander.

Het nader onderzoek naar de gevlekte witsnuitlibel, sierlijke witsnuitlibel en alpenwatersalamander is uitgevoerd (Bijlage 4). De uitkomst is dat de libellen en de salamander niet zijn aangetroffen in het plangebied. Het plan leidt dan ook niet tot negatieve effecten op deze beschermde amfibieën- en libellensoorten.

Gebiedsbescherming
NATURA 2000
Het plangebied ligt niet in of grenst niet aan een beschermd gebied in het kader van de Wnb. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is het Leekstermeergebied dat op ruim 2 km ten noorden van het plangebied ligt.

De kenmerken en doelstellingen van de Natura 2000-gebieden staan beschreven in de database van Natura-2000 gebieden (Ministerie van LNV, 2019). Voor een overzicht van mogelijke verstoringsfactoren op de Natura 2000-gebieden als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling is de Effectenindicator geraadpleegd (Ministerie van LNV, 2019). De effectenindicator is een hulpmiddel bij de toetsing op grond van de Wnb en geeft informatie over de gevoeligheid van soorten en habitattypen voor de meest voorkomende storende factoren, gebaseerd op absolute getallen voor biotische randvoorwaarden en kennis van ruimtelijke randvoorwaarden. De resultaten zijn per gebied te raadplegen. Voor voorliggende situatie worden de mogelijke effecten van storingsfactoren op basis van de planontwikkeling in beeld gebracht.

Gezien de ligging op ruim 2 km afstand heeft het onderzoeksgebied geen belangrijke directe ecologische relaties met het eerdergenoemde Natura 2000-gebied. Door de afstand en de aard van de ontwikkelingen hebben deze geen invloed op een groot aantal factoren zoals oppervlakteverlies, versnippering, mechanische effecten, verstoring door licht, geluid, trilling, optische verstoring of verstoring van de populatiedynamiek. Ook vinden geen aanpassingen in de waterhuishouding plaats en worden geen verontreinigende stoffen uitgescheiden. Daardoor zijn ook effecten op alle water gerelateerde factoren zoals verontreiniging, verdroging en vernatting uit te sluiten.

Van externe werking van de ontwikkelingen in het onderzoeksgebied is mogelijk sprake ten gevolge van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Voor het bestemmingsplan is daarom een berekening stikstofdepositie uitgevoerd. De uitkomst daarvan is dat er geen natuurgebieden zijn met een overschrijding van een projectbijdrage van meer dan 0,00 mol N/ha/jaar.

NATUURNETWERK NEDERLAND
Het plangebied maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Het meest nabij gelegen NNN-gebied betreft De Maatlanden op circa 0,5 km ten noorden van het plangebied.

Gezien de afstand tot het plangebied, de aard van de ingreep en het gebruik van het tussenliggend gebied kunnen negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van dit NNN-gebied worden uitgesloten. Om deze redenen veroorzaken de plannen geen conflict met de regelgeving omtrent het NNN.

Conclusie
In algemene zin kan redelijkerwijs worden gesteld dat op grond van de mogelijke effecten de uitvoering van de ingreep niet door de Wet natuurbescherming wordt verhinderd, mits:

  • Er rekening wordt gehouden met het broedseizoen van vogels.
  • Bij werkzaamheden aan bomen met holtes of bij kapwerkzaamheden in bomenlanen, tijdig aanvullend onderzoek wordt uitgevoerd naar boom bewonende vleermuizen en vliegroutes.

Gezien de terreinomstandigheden, de afstand tot beschermde gebieden, de inrichting van het tussenliggende gebied en de aard van de ontwikkeling zijn er met betrekking tot het voorgenomen plan geen negatieve effecten op Natura 2000-gebieden te verwachten. Een vergunning op grond van de Wnb voor gebieden is niet nodig voor de beoogde activiteiten. Het plan is daarnaast niet in strijd met het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid.

4.4 Externe veiligheid

Toetsingskader
Externe veiligheid betreft het risico dat aan bepaalde activiteiten verbonden is voor niet bij de activiteit betrokken personen. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het voorkomen en beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en van risicovol transport (onder andere van gevaarlijke stoffen). Het gaat daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen of omstandigheden. Risicobronnen kunnen worden onderscheiden in risicovolle inrichtingen (onder andere lpg-tankstations), vervoer van gevaarlijke stoffen (via wegen, spoorwegen, waterwegen) en leidingen (onder andere aardgas, vloeibare brandstof en elektriciteit).

Om voldoende ruimte te scheppen tussen de risicobron en de personen of objecten die risico lopen (kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten), moeten vaak afstanden in acht worden genomen. Ook ontwikkelingsmogelijkheden die ingrijpen in de personendichtheid kunnen om onderzoek vragen.

Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans dat een persoon die (onafgebroken aanwezig en onbeschermd) op een bepaalde plaats overlijdt als gevolg van een calamiteit met een inrichting of een transportmodaliteit. Het GR bestaat uit de cumulatieve kans per jaar dat een groep van een bepaalde omvang overlijdt als gevolg van een calamiteit met een inrichting of een transportmodaliteit.

afbeelding "i_NL.IMRO.1699.2021BP088-vg01_0007.png"

Figuur 4.1 Uitsnede risicokaart

Onderzoek
Uit een inventarisatie van de risicokaart (risicokaart.nl) blijkt dat zich in de omgeving van het plangebied geen wegen of spoor- en waterwegen bevinden die relevant zijn in het kader van externe veiligheid.

Op circa 300 m ten noordoosten van het plangebied bevinden zich een gasontvangststation (2e Energieweg 2) en buisleiding (N-507-41) van Gasunie. Het gasontvangststation heeft geen plaatsgebonden risicocontour. De plaatsgebonden risicocontour van de gasleiding ligt op de leiding zelf. Het invloedsgebied van de gasleiding is 45 m.

Daarnaast bevindt zich op ruim 300 m ten zuidoosten van het plangebied een tankstation met lpg
(1e Energieweg 17). De plaatsgebonden risicocontour van het tankstation is maximaal 35 m. Het invloedsgebied is 150 m.

Het plangebied ligt gezien de genoemde afstanden niet in het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen en leidingen. Het plan leidt, met de transformatie tot woongebied, tot een toename van het aantal mensen in het gebied. Dit is naar verwachting niet dusdanig dat het leidt tot een overschrijding van het groepsrisico. Een nadere verantwoording van het groepsrisico wordt niet noodzakelijk geacht.

Conclusie
Vanuit het oogpunt van externe veiligheid bestaan geen belemmeringen voor de voorgenomen herontwikkeling van het plangebied.

4.5 Geluid

Wet geluidhinder
Een akoestisch onderzoek is op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) noodzakelijk wanneer een woning of een geluidgevoelig object gelegen is binnen een door deze wet aangewezen geluidzone. Voor het plan is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (Bijlage 6).

Onderzoek
De precieze invulling van het plangebied is nog niet bekend. In het akoestisch onderzoek zijn daarom de geluidscontouren berekend. Uit deze berekening blijkt dat de woningbouwlocatie deels binnen de 48 dB geluidscontour van de Kanaalstraat ligt. Op figuur 4.2 zijn de geluidscontouren weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1699.2021BP088-vg01_0008.png"

Figuur 4.2 Cumulatieve geluidscontouren op 4,5 m boven maaiveld

De locatie voldoet niet volledig aan de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB. De overschrijding van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting bedraagt maximaal 10 dB vanwege de Kanaalstraat. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB wordt echter niet overschreden. De gemeente Noordenveld kan overgaan tot het verlenen van hogere grenswaarden voor wegverkeerslawaai.

Er zijn twee geluidzones op de verbeelding en in de regels aangegeven:

  • geluidzone - weg 1: het gaat hier om de zone van 48-53 dB;
  • geluidzone - weg 2: dit is de zone die direct aan de Kanaalstraat grenst en waarvoor een maximale geluidsbelasting van 53-58 dB geldt.

Voor de woningen langs de Kanaalstraat is de geluidbelasting op de gevel hoger dan de wettelijke voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Vanwege stedenbouwkundige en financiële redenen is het vergroten van de afstand van de woningen tot deze weg tot de 48 dB-grens niet wenselijk. Er ontstaat dan een te brede lege ruimte tussen de woningen en de weg.

Voor woningen die liggen in de geluidszones geldt dat bij de omgevingsvergunningaanvraag aangetoond moet kunnen worden dat in de woning voor wat betreft het geluidsniveau wordt voldaan aan de normen uit het Bouwbesluit. Dit betekent wellicht dat de woning moet worden voorzien van geluidswerende gevels. Indien met akoestisch onderzoek wordt aangetoond dat de daadwerkelijke geluidbelasting minder bedraagt dan de waarden zoals opgenomen in dit bestemmingsplan kan dit betekenen dat minder geluidwerende maatregelen nodig zijn. Dit geldt bijvoorbeeld voor de woningen die achter andere bebouwing gebouwd gaan worden.

Conclusie
Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de herontwikkeling van het plangebied.

4.6 Luchtkwaliteit

Nederland heeft de regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer. De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing) en locaties waartoe leden van het publiek gewoonlijk geen toegang hebben.

NSL/nibm
Op 15 november 2007 is dit deel van de Wet milieubeheer in werking getreden. Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit.

De ministerraad heeft op voorstel van de minister van Infrastructuur en Milieu ingestemd met het NSL. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. Ook projecten die 'niet in betekenende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De criteria om te kunnen beoordelen of er voor een project sprake is van nibm, zijn vastgelegd in de AMvB-nibm. In de AMvB-nibm is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m3 NO2 of PM10) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd.

In 2015 is door Infomil een onderzoek uitgevoerd naar de verhouding tussen de concentratie PM10 en PM2,5 in de lucht. Uit de resultaten hiervan blijkt dat de concentratie PM10 en PM2,5 in de lucht sterk samenhangen. Op basis hiervan merkt Infomil op dat "wanneer wordt voldaan aan de maatgevende grenswaarde voor PM10, vrijwel altijd ook wordt voldaan aan de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie PM2,5".

Voor woningbouwlocaties is een nibm-grens opgenomen van 1.500 woningen bij minimaal één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij minimaal twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Een project dat kleiner is dan deze grenzen, is in beginsel 'niet in betekenende mate'.

Onderzoek
Het plan biedt de mogelijkheid tot het realiseren van maximaal 70 woningen. Het blijft daarmee ruimschoots onder de nibm-grens en kan als 'niet in betekenende mate' van invloed op de luchtkwaliteit worden beschouwd.

Conclusie
Het project moet worden beschouwd als een nibm-project. Nader onderzoek naar luchtkwaliteit kan achterwege blijven.

4.7 Milieuzonering

Toetsingskader
Milieuzonering zorgt voor voldoende afstand tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) in ruimtelijke plannen. Het doel hiervan is om reeds in ruimtelijke plannen milieuhinder bij woningen te voorkomen en tegelijkertijd aan bedrijven voldoende milieuruimte te bieden voor het uitoefenen van hun bedrijfsactiviteiten. Regels voor milieuzonering zijn opgenomen in de VNG-publicatie Bedrijven en Milieuzonering, editie 2009. Hierin wordt, onderscheiden naar omgevingstypen waarvoor een bepaalde mate van milieuhinder aanvaardbaar wordt geacht, een richtafstand tot woningen per bedrijfstype aangegeven.

Voor een scala aan milieubelastende activiteiten zijn richtafstanden aangegeven ten opzichte van een rustige wijk. In de lijsten wordt onderscheid gemaakt voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie. Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kan gemotiveerd een kleinere afstandrichtlijn worden aangehouden, omdat gezien de aanwezige functiemenging of ligging nabij drukke wegen al een hogere milieubelasting aanwezig is.

Onderzoek
Het plangebied bevindt in de kern Roden. In de omgeving van het plangebied bevindt zich een mengeling van onder meer detailhandel, woonfuncties en bedrijvigheid in ten hoogste milieucategorie 2. De omgeving van het plangebied kan daarmee worden aangemerkt als een gemengd gebied. De grootste richtafstand voor functies in milieucategorie 2 in een gemengd gebied bedraagt 10 m.

Met het plan worden woningen mogelijk gemaakt. Deze worden gesitueerd op een afstand van minimaal 10 m van de aanwezige milieubelastende functies. Vanuit de omliggende milieubelastende functies zijn er daarmee geen belemmeringen voor de herontwikkeling van het plangebied. Daarnaast vormt de functieverandering geen belemmering voor de ontwikkeling van de omliggende functies.

De transformatie van het plangebied tot woongebied is daarnaast een eerste stap in de herontwikkeling van het grotere gebied aan de Kanaalstraat. Het is daarbij de verwachting dat ook de in paragraaf 1.1 genoemde deelgebieden A en C op termijn van bedrijventerrein naar gebieden met meer woningen gaan verkleuren.

Conclusie
Het plangebied wordt op een zodanige wijze ingevuld met woningen dat er vanuit het aspect van milieuzonering geen belemmeringen zijn voor de uitvoerbaarheid.

4.8 Water

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet bij ruimtelijke plannen een waterparagraaf worden opgenomen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder verbouw- en nieuwbouwplannen, wordt getoetst welke consequenties deze plannen hebben voor de waterhuishouding en hoe in de plannen wordt omgegaan met aspecten van water. Het beleid van het waterschap is neergelegd in het Waterbeheerprogramma 2016-2021 en de Notitie Water en Ruimte. In beide documenten is vastgelegd hoe het waterschap invulling geeft aan het integrale waterbeheer, nu en in de toekomst.

Dit bestemmingsplan maakt een nieuwe ontwikkeling mogelijk. Er is daarom een digitale watertoets uitgevoerd (Bijlage 7). Hieruit volgt dat het plan invloed heeft op de waterhuishouding en/of de belangen van het waterbeheer raakt. De normale procedure is van toepassing.

Wateradvies
TOENAME VERHARD OPPERVLAK
Door toename van verhard oppervlak stroomt regenwater, als het wordt verzameld via kolken en goten, sneller af richting oppervlaktewater waardoor afvoeren en piekwaterstanden toenemen. Dit kan leiden tot wateroverlast.

Bij een toename van het verhard oppervlak met meer dan 750 m2 in de bebouwde kom is compensatie door aanleg van waterberging nodig. Niet voor elk ruimtelijk plan is het noodzakelijk op gedetailleerde wijze de waterberging te berekenen.

Om versnelde afvoer te voorkomen is afwatering op het aangrenzende maaiveld of berm een optie. Ook gebruik van waterpasserende bestrating, aanleg van wadi's en infiltratiestroken of andere voorzieningen kunnen bijdragen aan het voorkomen van versnelde afvoer.

Voor plannen waarvan de bruto oppervlakte kleiner is dan 10 ha kan de waterberging volgens de volgende praktische vuistregel berekend worden: het extra te realiseren wateroppervlak is gelijk aan 10% van de toename van het verhard oppervlak dat versnelde afvoer veroorzaakt.

AFVOER VAN RIOOL- EN HEMELWATER
Door het afvalwater en schone hemelwater gescheiden aan te bieden via een (verbeterd) gescheiden stelsel, wordt invulling gegeven aan het beleid van gemeente en waterschap. Afstemming met de gemeente is altijd nodig.

GRONDWATER
Bij nieuwe ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de drooglegging. Om grondwateroverlast te voorkomen kan worden gewerkt met de volgende indicatieve droogleggingsnormen:

Functie   Drooglegging (m)  
Woningen met kruipruimte   1,30  
Woningen zonder kruipruimte   1,00  
Gebiedsontsluitingswegen   0,80  
Erftoegangswegen   0,80  
Groenstroken/ecologische zones   0,50  

Afweging
Voor het plan is een waterhuishoudkundige gebiedsanalyse uitgevoerd (Bijlage 8). Op basis van de gebiedsinventarisatie zijn de volgende kansen en knelpunten gesignaleerd:

  • De bovenste lagen tot circa 6 m - mv bestaan voornamelijk uit zand, afkomstig van de Boxtel formatie. De doorlatendheid hiervan is over het algemeen goed. Infiltratie van hemelwater lijkt mogelijk, aandachtspunt betreft de kans op het aantreffen van sporen van kleilagen die de infiltratie weer juist beperken.
  • De freatische grondwaterstanden zijn niet exact in beeld. Op basis van één peilbuis uit Dinoloket is de verwachting dat de grondwaterstanden op meer dan 1,0 m beneden maaiveld zit, De droogvallende zaksloot met een bodempeil van ca. 3,0 m + NAP bevestigt dit beeld.
  • Ophogen om aan de ontwateringsnormen te voldoen lijkt gezien de verwachte grondwaterstanden geen vereiste.
  • Het plangebied vangt in de huidige situatie hemelwater op van het eigen plangebied maar ook vanuit de omgeving. Er mag geen verslechtering optreden in de directe omgeving door het verlies aan huidige bergingscapaciteit.
  • De droogvallende sloot in het plan, geïntegreerd met het regenwaterriool, dient in functie behouden te blijven.
  • De zuidelijke greppel op particulier terrein (buiten het plangebied) moet te allen tijde een overloopmogelijkheid houden zodat inundatie wordt voorkomen.
  • Bovengrondse infiltratievoorzieningen zijn i.c.m. grondverbetering en eventueel drainage goed mogelijk.
  • Het bestaande regenwaterriool kan dienen als opvang voor overtollig hemelwater, dus ontvangstriool na het halen van voldoende berging of ontvangst van de vertraagde afvoer.
  • Het bestaand vuilwaterriool in de Kanaalstraat ligt voldoende diep om het vuilwater uit het woongebied op aan te sluiten.
  • Met de kennis van de hittestress berekening is het aan te bevelen geen hoogbouw of hoge verhardingsgraad aan de oostzijde te realiseren. Meer groen en open ruimte zorgen voor een verkoelend effect.
  • Ingesloten ruimtes zonder afvoer moeten worden voorkomen. Het opheffen van het grondlichaam langs de westkant van de zaksloot biedt kansen om de afwatering ter plaatsen te verbeteren.

Op basis van de kansen en knelpunten zijn de volgende ontwerpuitgangspunten en randvoorwaarden geformuleerd:

afbeelding "i_NL.IMRO.1699.2021BP088-vg01_0009.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1699.2021BP088-vg01_0010.png"

WATERSCHAP
Door het waterschap is in reactie op de watertoets aangegeven dat de hierboven genoemde ontwerpuitgangspunten de instemming van het waterschap hebben. Er zijn daarbij nog een aantal opmerkingen:

  • Grondwater: geadviseerd wordt een drooglegging van minimaal 1,30 m bij woningen met kruipruimte en 1,00 m zonder kruipruimte;
  • Beheer & Onderhoud: het waterschap hanteert als minimale watergangafmetingen: bodembreedte 0,50 m, taluds 1:1.5 en een waterdiepte van 0,50 m. Een onderhoudsstrook van 5 m geldt voor hoofdwatergangen; deze zijn niet aanwezig in het plangebied. Duikers dienen een minimale diameter te hebben van 300 mm (in plaats van 400 mm).

Het waterschap benadrukt daarnaast ook het belang van de bergings- en afvoerfunctie van de bestaande sloten aan de west- en zuidzijde. In de verdere uitwerking wordt hier aandacht voor gevraagd.

4.9 Vormvrije m.e.r.

Wettelijk kader
Op 1 april 2011 is het Besluit milieueffectrapportage gewijzigd door het 'Besluit reparatie en modernisering milieueffectrapportage' en is bepaald dat de grenswaarden voor een m.e.r.-beoordelingsplicht indicatief zijn. Het bevoegd gezag moet bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, nagaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling (85/337/EEG). In het kader hiervan is een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd.

In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld over de vraag hoe moet worden vastgesteld of een activiteit met een omvang onder de drempelwaarde toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarden ligt, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gebruikt. Uit deze toets kunnen twee conclusies volgen: belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten of belangrijke nadelige milieueffecten zijn niet uitgesloten. In het eerste geval is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig, in het andere geval moet een m.e.r.-beoordeling worden uitgevoerd en de bijbehorende procedure te worden gevolgd. De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling moet plaatsvinden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling.

Afweging
Het plan maakt de bouw van maximaal 70 woningen mogelijk op een binnenstedelijke locatie van circa 2,2 ha. De transformatie van het plangebied tot woongebied is een eerste stap in de herontwikkeling van het grotere gebied aan de Kanaalstraat. Het is daarbij de verwachting dat ook de in paragraaf 1.1 genoemde deelgebieden A en C op termijn van bedrijventerrein naar gebieden met meer woningen gaan verkleuren.

Voor stedelijke ontwikkelingsprojecten (D11.2) geldt een grenswaarde van een oppervlakte van 100 ha of 2.000 woningen. Het plan blijft met het genoemde aantal ruimschoots onder de drempelwaarde, zoals die is opgenomen op de D-lijst van het Besluit m.e.r.

Uit de verrichte milieuonderzoeken, zoals opgenomen in dit plan, blijkt dat de effecten van de realisatie van de woningen in het betreffende gebied niet van dien aard zijn dat er sprake is van belangrijke nadelige gevolgen. De aard van de voorgenomen activiteit is niet van die omvang dat er, ook in samenhang met de mogelijke herontwikkeling van deelgebieden A en C, onevenredig nadelige, dan wel cumulatieve effecten op de omgeving plaatsvinden. Daarnaast vindt de ingreep niet plaats in een gevoelig gebied. Er zijn geen negatieve effecten op de omgeving te verwachten.

Het plan is van een relatief geringe omvang. Daarbij is het project qua situering en potentiële negatieve effecten op de omgeving niet van dien aard dat het nader beoordeeld moet worden in een afzonderlijke m.e.r.-(beoordelings)procedure.

Hoofdstuk 5 Juridische vormgeving

5.1 Inleiding

De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bevat de regeling voor de opzet en de inhoud van een bestemmingsplan. In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is deze regeling verder uitgewerkt.

Het bestemmingsplan bestaat uit:

  • a. een verbeelding van het bestemmingsplangebied, zowel analoog (bestaande uit een kaartblad, schaal 1:1.000 met bijbehorende legenda en verklaring) als digitaal, waarin alle bestemmingen van de gronden worden aangewezen;
  • b. de regels waarin de bestemmingen worden beschreven en waarbij per bestemming het doel wordt of de doeleinden worden genoemd.

Bij het bestemmingsplan hoort een toelichting.

Ook zijn de regels van de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012) toegepast. Met deze standaard worden de regels en de verbeelding zodanig opgebouwd en ingericht dat bestemmingsplannen goed met elkaar kunnen worden vergeleken.

Het bestemmingsplan met de daarbij behorende toelichting wordt langs elektronische weg vastgelegd en ook in die vorm vastgesteld, tegelijk met een analoge versie van het bestemmingsplan. Als de digitale en analoge versie tot interpretatieverschillen leiden, is de digitale versie beslissend.

5.2 Planvorm

Het bestemmingsplan betreft de herontwikkeling van een braakliggende locatie naar een woongebied. Omdat er nog geen concreet eindbeeld van het woongebied is, is gekozen voor een flexibele opzet. Dit houdt in dat de verkaveling niet is vastgelegd, evenmin als het type woningen. Wel zijn bijvoorbeeld de maximale bouwhoogte, het bouwvlak en de afstand tot de zijdelingse bouwperceelgrens vastgelegd.

Via het stellen van nadere eisen op grond van artikel 4.3 van de regels kan de gemeente sturing geven aan de bouwplannen. Dat kan gaan over de plaats van de gebouwen op de percelen, alsmede de bouwhoogte van de gebouwen.

5.3 Opzet van de regels

De regels zijn opgebouwd uit een aantal hoofdstukken.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels
In hoofdstuk 1 is een uitleg van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen opgenomen, alsmede de wijze van meten.

BEGRIPPEN
In dit artikel zijn de standaard begripsomschrijvingen van de gemeente Noordenveld opgenomen, aangevuld met die begrippen, die specifiek in dit bestemmingsplan voorkomen en waarbij sprake is van een (mogelijk) afwijkende betekenis in het algemeen spraakgebruik en/of technische begrippen.

WIJZE VAN METEN
Om de in de regels aangegeven oppervlakte, goot- en bouwhoogten en inhoud van bouwwerken te kunnen bepalen, is aangegeven hoe deze worden gemeten.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels
In hoofdstuk 2 zijn de bestemmingen opgenomen. Het bestemmingsplan kent de bestemmingen 'Groen' en 'Woongebied'. Hieronder wordt een korte uitleg gegeven.

GROEN

In het hart van het gebied ligt een natuurlijke groenzone (oost-west) die als 'Groen' is bestemd. Deze groenzone zorgt voor doorzicht vanaf de Kanaalstraat naar de achterliggende hof.

Ook aan de westzijde van het plangebied ligt een brede groenstrook (noord-zuid). In deze groenstrook is de waterberging geprojecteerd met ruimte voor waterberging en afvoer van hemelwater. Op de verbeelding is deze aangeduid als 'waterberging'.

WOONGEBIED
In de bestemming 'Woongebied' mogen maximaal 70 woningen in de vorm van grondgebonden woningen en woongebouwen. Voor aan- en uitbouwen en bijgebouwen gelden de bouwregels van het bestemmingsplan en - voor het vergunningsvrij bouwen - het regime van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. Alle gebouwen moeten binnen het bouwvlak worden gebouwd. De woningen zijn grondgebonden, maar ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld' zijn ook gestapelde woningen en woongebouwen toegestaan.

Het bouwtype van de woning is niet vastgelegd, zodat bijvoorbeeld vrijstaand, geschakeld, twee-aaneen of aaneengebouwd gebouwd mag worden. Er mogen maximaal vijf woningen in één voorgevelrooilijn worden gebouwd. Dit houdt in dat het aantal aaneengebouwde woningen wel meer dan vijf mag bedragen, maar dat de woningen dan bijvoorbeeld moeten verspringen. Doel van deze regel is dat voorkomen wordt dat er een massieve/lange gevelwand aan de straatzijde wordt gerealiseerd. De maximale goot-en bouwhoogte bedragen 6 en 10 m. Voor gestapelde woningen en woongebouwen geldt een maximale bouwhoogte van 10 m. Deze woningen en woongebouwen mogen ook plat worden afgedekt.

In de bouwregels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen om te borgen dat de stedenbouwkundige inpassing voldoet aan de uitgangspunten zoals verwoord in de ontwikkelvisie, zoals opgenomen in Bijlage 1 bij de toelichting.

Verder zijn er nadere eisen opgenomen en is er nog een afwijkingsmogelijkheid opgenomen voor het realiseren van een hoogteaccent in de bebouwing. De bouwhoogte mag in die situatie 12 m bedragen.

In de woonfunctie zijn aan huis verbonden werkactiviteiten bij recht toegestaan, alsmede kleinschalige verblijfsrecreatie in de vorm van bed & breakfast. Het gebruik voor deze activiteiten is toegestaan voor zover de oppervlakte niet meer bedraagt dan 30% van de oppervlakte van de hoofd- en bijgebouwen met een maximum van 45 m2. Indien de activiteiten gezamenlijk worden gebezigd geldt dit maximum ook.

De woonbuurt wordt voor het autoverkeer op twee plekken ontsloten. De locatie van deze ontsluitingen zijn aangeduid als 'ontsluiting'.

Hoofdstuk 3 Algemene regels
In dit hoofdstuk zijn de anti-dubbeltelregel, de algemene bouw- en gebruiksregels, de algemene afwijkingsregels en de overige regels opgenomen.

ANTI-DUBBELTELREGEL
Het doel van de anti-dubbeltelregel is om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Kort gezegd, komt het erop neer, dat grond die één keer in beschouwing is genomen voor het toestaan van gebouwen, niet een tweede maal mag meetellen voor de toelaatbaarheid van andere gebouwen, als die grond inmiddels tot een ander bouwperceel is gaan behoren.

ALGEMENE BOUWREGELS
In de algemene bouwregels zijn bepalingen over ondergeschikte bouwonderdelen opgenomen.

ALGEMENE GEBRUIKSREGELS
In de algemene gebruiksregels is aangegeven welke specifieke vormen van gebruik in elk geval strijdig zijn met de bestemmingen. In dit bestemmingsplan is een verbod opgenomen voor het gebruik van de gronden en gebouwen ten behoeve van een seksinrichting. Dit verbod geldt voor alle bestemmingen.

ALGEMENE AANDUIDINGSREGELS
Er zijn twee geluidzones op de verbeelding en in de regels aangegeven:

  • geluidzone - weg 1: het gaat hier om de zone van 48-53 dB.
  • geluidzone - weg 2: dit is de zone die direct aan de Kanaalstraat grenst en waarvoor een maximale geluidsbelasting van 53-58 dB geldt.

Zie verder paragraaf 4.5 voor een inhoudelijke toelichting op deze geluidszones.

ALGEMENE AFWIJKINGSREGELS
In de algemene afwijkingsregels is een aantal bepalingen opgenomen die het mogelijk maken om het plan op ondergeschikte punten aan te passen. Omdat dit zich niet beperkt tot één bestemming, maar bij diverse bestemmingen gewenst of noodzakelijk kan blijken, zijn deze regels in beginsel op alle bestemmingen van toepassing.

Het verlenen van een omgevingsvergunning met afwijking mag geen automatisme zijn. Het verlenen van de vergunning wordt zorgvuldig afgewogen en gemotiveerd.

OVERIGE REGELS
In de overige regels is een regeling opgenomen over parkeergelegenheid en los- en laadmogelijkheden. In deze regels wordt uitdrukkelijk uitgegaan van regulering bij het aanvragen en verlenen van omgevingsvergunningen. Daarbij moet gedacht worden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen en alle gebruiksveranderingen die niet bij recht in het bestemmingsplan zijn toegestaan. Zodra een gebruiksverandering past binnen een bestemming, en hiervoor geen omgevingsvergunning hoeft te worden aangevraagd dan hoeft dus in beginsel ook niet nader te worden gekeken naar het parkeerbeleid van de gemeente.

De vraag hoe wordt bepaald of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid wordt beantwoord in het Gemeentelijk Verkeers- en VervoerPlan (GVVP). In het GVVP wordt aangegeven dat voor de berekening van het aantal parkeerplaatsen bij bepaalde functies moet worden uitgegaan van de parkeercijfers van de meest actuele CROW-publicatie (ten tijde van het opstellen van dit plan is dat publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren'). Hetzelfde geldt ten aanzien van de afmetingen van de te realiseren parkeerplaatsen dan wel -ruimten. Ook hier verwijst het GVVP naar de relevante CROW-publicaties. Op deze wijze wordt ten aanzien van de hiervoor genoemde punten een duidelijk houvast geboden voor het beoordelen van aanvragen van een omgevingsvergunning.

Zoals in paragraaf 2.3 is aangegeven zal voor het plangebied ruimte worden gegeven om te experimenteren met het parkeren. Iedere woning heeft in ieder geval één parkeerplaats op eigen erf, bijvoorbeeld op de oprit, maar niet in de voortuinen. Voor 60% van de woningen die geen twee parkeerplaatsen op eigen erf kwijt kunnen, wordt een parkeerplaats in openbaar gebied aangelegd.

De definitieve parkeeroplossing zal via een afwijking van de regels (artikel 10.1 sub d) worden vergund.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels
In dit hoofdstuk zijn het overgangsrecht en de slotregel opgenomen.

OVERGANGSREGELS
Voor de redactie van het overgangsrecht geldt het Besluit ruimtelijke ordening. Bebouwing die niet voldoet aan de bepalingen van dit bestemmingsplan is onder het overgangsrecht gebracht. Een geringe uitbreiding van de bebouwing met 10% wordt mogelijk gemaakt.

Het gebruik van gronden en bebouwing dat in strijd is met dit nieuwe bestemmingsplan op het tijdstip van inwerkingtreding, mag in beginsel worden voortgezet. Wijziging van dit strijdige gebruik is verboden, indien de afwijking van het plan wordt vergroot. Indien het strijdige gebruik, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

Bebouwing en gebruik die in strijd zijn met de geldende Beheersverordening Vrijetijdsboulevard, inclusief de overgangsbepalingen, zijn in het voorliggende bestemmingsplan niet toegestaan.

Omdat er geen bebouwing meer aanwezig is in het plangebied zijn de overgangsbepalingen ten aanzien van bebouwing niet aan de orde.

SLOTREGEL
In de slotregel van het bestemmingsplan wordt aangegeven onder welke titel het bestemmingsplan wordt vastgelegd.

Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid

Door middel van de grondexploitatieregeling beschikt de gemeente over de mogelijkheid tot het verhalen van kosten, bijvoorbeeld voor het bouw- en woonrijp maken en kosten voor de ruimtelijke procedure. Wanneer sprake is van een bouwplan als bepaald in artikel 6.12 Wro en 6.2.1 Bro moet de gemeente hiervoor in beginsel een exploitatieplan vaststellen. Hiervan kan worden afgezien als het kostenverhaal anderszins verzekerd is.

In dit geval wordt is de gemeente de initiatiefnemer van het bestemmingsplan. Te zijner tijd wordt er een overeenkomst gesloten tussen gemeente en de ontwikkelende partij, waarin het kostenverhaal is geregeld. Hierin wordt ook rekening gehouden met mogelijke planschade. De vaststelling van een exploitatieplan bij het bestemmingsplan is dan ook niet nodig.

Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

7.1 Vooroverleg

Het bestemmingsplan is in het kader van het wettelijke vooroverleg (artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening) aan de provincie, het waterschap en andere vooroverleginstanties voorgelegd. Op het plan zijn geen inhoudelijke vooroverlegreacties binnengekomen. De vooroverleginstanties zijn akkoord met het plan.

7.2 Reacties ontwerpbestemmingsplan

Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 17 juni 2021 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Gedurende deze periode had iedereen de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen. Er is één zienswijze ingediend. In de Nota van zienswijzen (Bijlage 9) is de zienswijze samengevat en geeft de gemeente hierop een reactie. De zienswijze heeft niet geleid tot een aanpassing van het bestemmingsplan.