| Plan: | Molenpad Kamperland |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1695.BPMolenpad-VA01 |
De locatie Molenpad (ongenummerd) te Kamperland betreft een braakliggend terrein. Voorheen stonden hier diverse bedrijfsgebouwen, deze zijn in 2008 door brand verwoest. Het voornemen is om op deze locatie 4 woon-werkkavels te realiseren. De locatie heeft in het geldende bestemmingsplan 'Bebouwde kom Kamperland 2016' de bestemming 'Bedrijventerrein'. De gronden ter plaatse zijn bestemd voor de uitoefening van bedrijfsactiviteiten. Het plan voor de woon-werkkavels is in strijd met het huidige bestemmingsplan 'Bebouwde kom Kamperland 2016' omdat het bestemmingsplan ter plaatse geen bedrijfswoningen toestaat.
Om de gewenste ontwikkeling van 4 woon-werkkavels mogelijk te maken, moet het geldende bestemmingsplan voor deze locatie worden gewijzigd. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in het planologisch mogelijk maken van de woon-werkkavels.
Het plangebied ligt aan de noordkant van Kamperland, aan het Molenpad. Het plangebied betreft het perceel dat kadastraal bekend is als WSK00, sectie R, perceelnummer 470 (zie afbeelding 1) . De totale oppervlakte van het perceel betreft 4.265 m2.
Afbeelding 1 | Luchtfoto met plangrens (bron: ruimtelijkeplannen.nl; bewerking Juust B.V.)
Het doel van dit bestemmingsplan is het voorgenomen plan planologisch mogelijk te maken. Het vaststellen van dit bestemmingsplan vormt de basis om met één of meer omgevingsvergunningen de uitvoering van het plan mogelijk te maken.
Dit bestemmingsplan bestaat uit deze toelichting, regels en een verbeelding. Deze toelichting bestaat naast dit inleidende hoofdstuk uit vier hoofdstukken. In hoofdstuk 2 wordt het initiatief toegelicht en de daarbij horende juridische regeling. Hoofdstuk 3 beschrijft het geldende beleidskader. Vervolgens worden in hoofdstuk 4 de verschillende omgevingsaspecten beoordeeld. In hoofdstuk 5 wordt tot slot de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid beschreven.
Het plangebied betreft een thans braakliggend terrein aan het Molenpad te Kamperland, de bedrijfsgebouwen die op de locatie stonden zijn door brand verwoest. Na de sanering van de bouwresten is het perceel ingezaaid met gras. Het plangebied wordt aan zowel de zuid- als aan de zuidwestzijde begrensd door gronden met dezelfde bestemming 'Bedrijventerrein'. Een sloot scheidt het plangebied van de overige gronden. Aan de zuidoostzijde van het plangebied is tevens een woonbestemming gelegen. Aan de noord(west)zijde van het plangebied is het Molenpad gelegen met aansluitend agrarische gronden. Aan de noordoostzijde grenst het plangebied aan de Campensnieuwlandweg, achter welke weg eveneens agrarische gronden zijn gelegen.
Afbeelding 2 | Huidige situatie plangebied (bron: Provincie Zeeland)
In de toekomstige situatie worden ter plaatse 4 woon-werkkavels gerealiseerd (afbeelding 3). Er is geen concreet bouwplan voorzien. Het voornemen is om het perceel te splitsen in 4 woon-werkkavels waarbij per kavel de mogelijkheid aanwezig is om één bedrijfswoning te realiseren. Op de percelen mogen bedrijven gevestigd worden tot en met milieucategorie 3.1.
Afbeelding 3 | Toekomstige situatie plangebied (bron: Bouwbedrijf Schrijver BV)
Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Bebouwde kom Kamperland 2016' van de gemeente Noord-Beveland. Dit bestemmingsplan is op 24 mei 2017 door de gemeenteraad vastgesteld. De gronden zijn in dit bestemmingsplan bestemd voor 'Bedrijventerrein'. Binnen deze bestemming mogen bedrijfsactiviteiten uitgeoefend worden tot en met milieucategorie 3.1, voorzover deze voorkomen in de Staat van Bedrijfsactiviteiten (zoals opgenomen in bijlage 1 bij de regels). Op de locatie is tevens een bouwvlak opgenomen waarbinnen uitsluitend bedrijfsgebouwen en andere gebouwen gerealiseerd mogen worden. De realisatie van bedrijfswoningen is, op basis van de bouwregels, niet toegestaan.
Daarnaast is de dubbelbestemming 'Waarde-Archeologie-2' opgenomen. Hierbij geldt dat er mag worden gebouwd, tenzij de grond- of graafwerkzaamheden dieper gaan dan de vrijstellingsdiepte van 40 cm beneden het maaiveld en het te verstoren oppervlak groter is dan 250 m². In dat geval geldt dat, op basis van een archeologisch onderzoek, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport, moet worden vastgesteld dat ter plaatse geen behoudenswaardige archeologische waarden aanwezig zijn of de aanwezige behoudenswaardige archeologische waarden hierdoor niet onevenredig worden geschaad.
Afbeelding 4 | Uitsnede geldend bestemmingsplan (bron: ruimtelijkeplannen.nl, bewerking: Juust B.V.)
Voor het plangebied is de geldende bestemming 'Bedrijventerrein' overgenomen. Op de verbeelding is één bouwvlak opgenomen. Binnen het bouwvlak kunnen maximaal vier bouwpercelen voor de vestiging van bedrijfsgebouwen en andere gebouwen gerealiseerd worden. Daarnaast is de functie-aanduiding 'bedrijfswoning' opgenomen. Met deze aanduiding wordt per bouwperceel maximaal één bedrijfswoning toegestaan.
De bedrijfswoningen worden op tenminste 5 meter afstand van de noordelijke/voorste perceelsgrens gebouwd. Binnen genoemde afstand van 5 meter is geen bebouwing toegestaan (geen bouwvlak), deze ruimte kan daarmee onder meer worden benut als opstelplaats voor vrachtwagens voor het laden/lossen. De strook voor bedrijfswoningen met bijbehorende bouwwerken is vervolgens 15 meter diep, de functieaanduiding sluit andere (bedrijfs)gebouwen dan de woning met bijbehorende bouwwerken uit. Daarachter zijn bedrijfsgebouwen mogelijk. De hoogte van deze bedrijfsgebouwen is maximaal 8 meter. Via een binnenplanse afwijking mag de bouwhoogte maximaal 10 meter bedragen.
Het bebouwingspercentage van het bouwvlak is 100%. Bedrijfsgebouwen en bijbehorende bouwwerken mogen in de perceelsgrens worden gerealiseerd. Tussen de gebouwen onderling bedraagt de afstand tenminste 3 meter, tenzij de gebouwen aaneen worden gebouwd. Met een binnenplanse afwijking kan deze afstand worden verkleind. De afstand van bedrijfswoningen tot de perceelsgrens bedraagt 3 meter. Aan de achterzijde van de percelen loopt een sloot, op grond van de regels van het waterschap Scheldestromen dient de bebouwing 5 meter uit de insteek van de sloot gerealiseerd te worden in verband met de noodzaak om onderhoud aan de sloot te verrichten (schouwstrook).
De dubbelbestemming 'Waarde-Archeologie-3' (dit was Waarde-Archeologie-2) is in aangepaste vorm uit het geldende bestemmingsplan overgenomen. Uit het uitgevoerde archeologisch onderzoek is gebleken dat de vrijstellingsoppervlakte vergroot kan worden tot 500m². Daarnaast is gebleken dat de vrijstellingsdiepte kan worden vergroot tot 9 meter. Dit betekent dat de beoogde planuitwerking niet wordt beperkt door de dubbelbestemming, maar dat bij een eventuele toekomstige diepe verstoring het onderwerp wederom aan de orde kan komen.
In de Wet ruimtelijke ordening met bijbehorende Besluit ruimtelijke ordening heeft het bestemmingsplan een belangrijke rol als normstellend instrument voor het ruimtelijk beleid van de gemeente, provincies en het rijk,. In de ministeriële 'Regeling standaarden ruimtelijke ordening' hierna (Rsro) is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (hierna SVBP 2012) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen, die tot doel heeft om te komen tot een geüniformeerde en gestandaardiseerde opzet van bestemmingsplannen in Nederland. Deze methodiek is onverkort gevolgd. Het bestemmingsplan is daarbij tevens digitaal vervaardigd en is daarom ook digitaal raadpleegbaar via internet.
Naast het feit dat de bestemmingen, aanduidingen en weergave van de verbeelding gestandaardiseerd zijn, vloeit de redactie van de regels ten aanzien van het overgangsrecht en de anti dubbeltelbepaling rechtstreeks voort uit het Besluit ruimtelijke ordening. De beleidsmatige inhoud van het bestemmingsplan is niet gestandaardiseerd. De gemeente behoudt haar vrijheid ten aanzien van de inhoud en vormgeving aangaande de toelichting.
Verbeelding
De verbeelding geeft de bestemmingen weer. Binnen de bestemmingsvlakken kunnen bouwvlakken, bouw-, gebieds-, functie-, en maatvoeringsaanduidingen aangegeven worden, waarbinnen een aantal specifieke bouwregels en functies kunnen worden aangegeven. Deze hebben juridische betekenis, omdat daar in de regels naar wordt verwezen. De topografische ondergrond die gebruikt is als basis voor de verbeelding heeft geen juridische status.
Regels
Algemeen
De regels bevatten bepalingen over het gebruik van de gronden, over de toegelaten bebouwing en bepalingen betreffende het gebruik van op te richten bouwwerken. De regels zijn, conform de wettelijk verplicht gestelde SVBP 2012, onderverdeeld in vier hoofdstukken:
- Hoofdstuk 1 Inleidende regels
- Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels
- Hoofdstuk 3 Algemene regels
- Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels
Inleidende regels
Begripsbepalingen en Wijze van meten
De inleidende regels omvatten de begripsbepalingen en de bepalingen omtrent de wijze van meten. De begripsbepalingen geven de definities over de in de regels gehanteerde begrippen met betrekking tot bouwen en functies. De wijze van meten geeft uitsluitsel over de wijze waarop afstanden, hoogtes, oppervlakte etc. moeten worden gemeten.
Bestemmingsregels
Bedrijventerrein
Voor het gehele plangebied geldt de enkelbestemming 'Bedrijventerrein'. De voor Bedrijventerrein aangewezen gronden zijn bestemd voor bedrijfsmatige activiteiten uit ten hoogste milieucategorie 3.1, alsmede voor bedrijfswoningen en de daarbij behorende bouwwerken.
Waarde-Archeologie-3
Over het gehele plangebied ligt de dubbelbestemming 'Waarde-Archeologie-3'. Om de aanwezige archeologische waarden bij toekomstige bodemingrepen te waarborgen is de dubbelbestemming Waarde - Archeologie - 3 opgenomen. Voor bepaalde ingrepen is afhankelijk van de oppervlakte en de mate van verticale bodemverstoring een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden noodzakelijk.
Algemene regels
Anti-dubbeltelregel
Deze bepaling is ingevolge artikel 3.2.4 van het Besluit ruimtelijke ordening vast voorgeschreven. Doel van deze bepaling is te voorkomen, dat er meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogd, bijv. ingeval (onderdelen van) percelen van eigenaar wisselen.
Algemene bouwregels
Dit artikel bevat een aantal algemene bepalingen ten aanzien van het overschrijden van de bouwgrenzen van verschillende bij gebouwen horende elementen zoals galerijen, afdaken en erkers. Tevens is een regeling opgenomen die waarborgt dat er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid bij nieuwbouw.
Algemene gebruiksregels
In dit artikel zijn algemene regels opgenomen ten aanzien van het gebruik van gronden en bouwwerken.
Algemene afwijkingsregels
In deze regels wordt aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om bij omgevingsvergunning af te wijken van de maximum toegestane bouwhoogte en voor het aanbrengen van wijzigingen in de plaats, richting en/of afmetingen van bouwgrenzen voor zover dit voor een praktische uitvoering van het plan noodzakelijk is.
Algemene wijzigingsregels
In dit artikel is een aantal algemene wijzigingsregels opgenomen. Het betreft een standaardregeling die het mogelijk maakt om bij de uitvoering van bouwplannen beperkte afwijkingen van het plan mogelijk te maken die niet met een omgevingsvergunning voor afwijken geregeld kunnen worden, zoals het overschrijden van bestemmingsgrenzen.
Overgangs- en slotregels
In deze regels is het overgangsrecht vastgelegd in de vorm zoals in het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Als laatste is de slotbepaling opgenomen, welke bepaling zowel de titel van het plan als de regels bevat.
Structuurvisie Infrastructuur & Ruimte
Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur & Ruimte vastgesteld (SVIR). Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Hiernaar wordt gestreefd middels een krachtige aanpak die gaat voor een excellent internationaal vestigingsklimaat, ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt.
Belangrijk thema in deze structuurvisie is de ladder voor duurzame verstedelijking. De ladder voor duurzame verstedelijking is ingericht voor een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten waardoor de ruimte in stedelijke gebieden optimaal benut wordt. De ladder is verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening en luidt als volgt:
De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
In welke gevallen er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling is niet concreet vastgelegd. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Het plan voorziet in de ontwikkeling van vier woon-werkkavels, waarop zowel bedrijfsgebouwen als bedrijfswoningen zijn toegestaan, met een totaal ruimtebeslag van meer dan 500 m2. Hiermee is de ontwikkeling aan te merken als een stedelijke ontwikkeling. De voorgenomen ontwikkeling is echter geen nieuw beslag op de ruimte en daarmee geen nieuwe stedelijke ontwikkeling, aangezien in de huidige situatie de gronden reeds de bestemming 'Bedrijventerrein' hebben en voor 100% bebouwd mogen worden. Aangezien de Laddertoets alleen geldt voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen, kan een toetsing derhalve achterwege blijven. Inmiddels is ook de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vorig jaar vastgesteld als voorbereiding op de Omgevingswet, die naar verwachting op 1 juli 2022 in werking treedt. De NOVI moet Nederland voorbereiden op de grote uitdagingen die de komende jaren opgepakt moeten worden. (Inter)nationale en lokale ontwikkelingen hebben invloed op de leefomgeving. Veranderende en groeiende steden, de overgang naar een duurzame en circulaire economie en het aanpassen aan de gevolgen van de klimaatverandering zijn voorbeelden van deze opgaven. Dit biedt kansen, maar vraagt wel om zorgvuldige keuzes. Ruimte, zowel boven-, als ondergronds, is een schaars goed.
Het combineren van al die opgaven vraagt een nieuwe manier van werken. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking, waarbij de verantwoordelijkheid voor een groot deel bij lagere overheden ligt.
In de NOVI zijn vier landelijke prioriteiten vastgesteld, aan de hand van deze prioriteiten is een toekomstperspectief voor 2050 vastgesteld en brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. De vier prioriteiten zijn:
Het rijksbeleid verzet zich niet tegen de ontwikkeling.
Omgevingsplan Zeeland 2018
Op 21 september 2018 heeft het college van Gedeputeerde Staten het Omgevingsplan 2018 vastgesteld. Het Omgevingsplan geeft de provinciale visie en provinciale belangen op Zeeland weer, waar de Provincie Zeeland een (groot) belang aan hecht. Alle hoofdlijnen voor de fysieke leefomgeving zijn opgenomen. Zowel op het gebied van ruimtelijke ontwikkeling, maar ook economie, mobiliteit, natuur, cultuur, water en milieu.
Met betrekking tot bedrijvigheid richt het Omgevingsplan zich op een concentratie en bundeling van bedrijvigheid. Bedrijven met milieu-impact wordt daarom zoveel mogelijk geclusterd op bedrijventerreinen, met de nadruk op ontwikkeling van de grootschalige terreinen. De realisatie van 4 woon-werkkavels voorziet in de concentratie en clustering van bedrijvigheid op een bestaand bedrijventerrein. De ontwikkeling past hiermee binnen het beleid van het Omgevingsplan.
Omgevingsverordening Zeeland 2018
De Omgevingsverordening Zeeland 2018 gaat net als het Omgevingsplan ook over de fysieke leefomgeving van de provincie. Bij de beoordeling van ruimtelijke plannen is vooral hoofdstuk 2 welke gaat over het ruimtelijk domein van belang. In artikel 2.3 van de omgevingsverordening zijn regels opgenomen met betrekking tot bedrijven. Daaruit volgt dat bedrijvigheid zich bij voorkeur vestigt op een bedrijventerrein. De voorgenomen ontwikkeling, de realisatie van vier woon-werkkavels, vindt plaats op een bedrijventerrein en past hiermee binnen de regels van de Omgevingsverordening. Verder zijn er geen specifieke regels in de Omgevingsverordening opgenomen die de voorgenomen ontwikkeling in de weg staat.
Provinciaal beleid staat de vaststelling van het plan niet in de weg.
Toekomstvisie Noord-Beveland 2030
De Toekomstvisie Noord-Beveland 2030 is het uitgangspunt voor beleid dat de komende jaren opgesteld zal worden. In deze Toekomstvisie zijn reeds de Energievisie en de Economische visie opgenomen. Deze visies zijn parallel aan de Toekomstvisie opgesteld en maken de ambities uit de Toekomstvisie concreter. In de toekomstvisie Noord-Beveland 2030 is in vier ambities de toekomstdroom van Noord-Beveland geschetst.
Onder ambitie 2 'bruisende en bedrijvige gemeente' is gesteld dat Noord-Beveland ondernemerschap in het algemeen stimuleert en in het MKB in het bijzonder. Startups en innovatieve bedrijfsinitiatieven krijgen op Noord-Beveland in onder andere leegstaande bedrijfsgebouwen en in woon-werkeenheden de ruimte. Voorgenomen ontwikkeling betreft het realiseren van vier woon-werkkavels voor nieuwe bedrijfsactiviteiten.
Structuurvisie Noord-Beveland 2008
In de Structuurvisie is voor de middellange en de lange termijn zowel voor verschillende beleidsthema's als gebiedsgericht het te voeren ruimtelijk beleid voor Noord-Beveland uiteengezet. Het faciliteren van kleinschalige bedrijvigheid en bedrijvigheid passend bij het karakter van Noord-Beveland is het centrale beleidsuitgangspunt. Het vestigen van kleinschalige bedrijven zonder milieubelastende en verkeersaantrekkende activiteiten is mogelijk in de dorpskernen, waarbij de voorkeur uit gaat naar een combinatie van wonen en werken, zoals een klein kantoor en ambachtelijke, aan huis gebonden bedrijven. Kernoverstijgende bedrijfsactiviteiten kunnen voorzien worden op het bedrijventerrein het Rip als op het bedrijventerrein Cruijkelcreke.
Afbeelding 5 | Uitsnede structuurvisie (bron: gemeente Noord-Beveland; bewerking Juust B.V.)
In de structuurvisie is opgenomen dat gestreefd wordt naar herstructurering van de oude bedrijfslocaties aan het Molenpad te Kamperland (blauwe vlak). De voorgenomen ontwikkeling is gelegen aan het Molenpad (rest bebouwde kom) en betreft een herstructureringsopgave van een oude bedrijfslocatie. Hiermee geeft de voorgenomen ontwikkeling uitvoering aan het gemeentelijk beleid.
Er bestaat een duidelijke relatie tussen milieubeleid en ruimtelijke ordening. De laatste decennia groeien deze beleidsvelden dan ook naar elkaar toe. De milieukwaliteit vormt een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de besluitvorming over het al dan niet toelaten van een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling wordt dan ook onderzocht welke omgevingsaspecten daarbij een rol (kunnen) spelen. Het is van belang om milieubelastende functies (zoals bepaalde bedrijfsactiviteiten) ruimtelijk te scheiden ten opzichte van milieugevoelige functies zoals woningen. Andersom moet in de ruimtelijke ordening nadrukkelijk rekening gehouden worden met de gevolgen van ruimtelijke ingrepen voor het milieu. Milieubelastende situaties moeten voorkomen worden.
Archeologie
In Europees verband is het zogenaamde 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit
verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het
bodemarchief met zorg ontsloten te worden. In juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Deze wet
vervangt diverse wetten en regels voor behoud en beheer van cultureel erfgoed in Nederland. In de
Erfgoedwet staat wat cultureel erfgoed is, hoe Nederland omgaat met roerend cultureel erfgoed, wie
welke verantwoordelijkheden heeft en hoe Nederland daar toezicht op houdt.
Daarnaast is, in aanvulling op de Erfgoedwet, ook een gemeentelijk archeologiebeleid opgesteld, dat op 26 januari 2012 is vastgesteld. Het beleid bestaat uit een “Deel A: Beleidsnota archeologie” en een “Deel B: Toelichting beleidskaart” en bepaalt wanneer archeologisch onderzoek noodzakelijk is.
Afbeelding 6 | Uitsnede beleidskaart
Op basis van de beleidskaart, die gevormd wordt door kaarten en een toelichting, is bepaald of voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling archeologisch onderzoek moet plaatsvinden. Het plangebied is, zoals blijkt uit afbeelding 6, aangemerkt als Categorie 4: er geldt een hoge verwachtingswaarde op archeologische vondsten; er is geen onderzoeksplicht indien minder dan 250 m2 wordt verstoord.
Voor het plangebied geldt de archeologische dubbelbestemming 'Waarde-archeologie - 2'. Hiervoor geldt dat er geen archeologisch onderzoek nodig is wanneer de bodemingrepen een kleinere oppervlakte beslaan dan 250 m2 en niet dieper reiken dan 40 centimeter. Het totale plangebied is in totaal 4.265 m2. De daadwerkelijk te roeren grondoppervlakte overschrijdt de vrijstellingswaarden, zodat archeologisch onderzoek nodig is.
Op 6 april 2021 is door Artefact! een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd (Bijlage 1). Uit het onderzoek is gebleken dat in de vier boringen natuurlijke en onverstoorde afzettingen van het Laagpakket van Walcheren aanwezig zijn die het Hollandveen Laagpakket en onderliggend Laagpakket van Wormer afdekken. Globaal genomen kunnen in het Laagpakket van Walcheren twee sedimentatiefasen onderscheiden worden. De jongste fase bestaat uit een sterk siltige klei die in de boringen 1 tot 3 in de bovenste meter -mv aanwezig is (ca. 0,40 m +NAP – 0,11 m -NAP) en in boring 4 tot ca. 0,65 m -NAP doorloopt. Een tweede fase binnen het Laagpakket van Walcheren heeft bovenin een zwak siltige ontkalkte klei die in boring 4 afwezig lijkt te zijn. Vanaf een diepte van 0,51 tot 0,76 m -NAP vergroot geleidelijk de zandfractie, gaande van zwak zandige klei naar sterk siltig zand. Dit zandpakket is aangeboord tot een diepte van 1,19 en 2,31 m -NAP en heeft de top van het onderliggende Hollandveen Laagpakket geërodeerd. Het resterende veenpakket is opgebouwd uit een mos- en rietveen. Hieronder bevinden zich vanaf 2,70 – 3,06 m -NAP kleiige afzettingen met rietresten, behorend tot het Laagpakket van Wormer.
Met uitzondering van een dun laagje recent bouwzand zijn in de boringen geen verstoringen vastgesteld. In de boringen zijn ook geen oude bodems of oude maaiveldniveaus waargenomen. Wel dient rekening gehouden te worden met het feit dat de boringen doelbewust niet ter plaatse van in het bureauonderzoek opgemerkte sporen (19de- en 20ste-eeuwse sloten en greppels) en recente verstoringen (uitbraaksleuven van voormalige bebouwing, locatie ondergrondse tanks) zijn uitgevoerd en dat er binnen het plangebied plaatselijk dus wel degelijk verstoringen aanwezig zullen zijn. Hierdoor is het mogelijk dat de top van de afzettingen van het Laagpakket van Walcheren plaatselijk verstoord is geraakt.
Uit het bureau- en booronderzoek blijkt dat in het plangebied afzettingen aanwezig zijn van het Laagpakket van Walcheren, het Hollandveen Laagpakket en het Laagpakket van Wormer, maar dat voor al deze niveaus een lage archeologische verwachting naar voren komt. De archeologische waarde van het terrein is hiermee in voldoende mate bepaald, verder vervolgonderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Echter, het is niet uit te sluiten dat toch relevante archeologische vindplaatsen in de bodem verborgen zijn en dat deze in de uitvoeringsfase van de toekomstige graafwerkzaamheden aan het licht komen. Voor dergelijke vondsten bestaat een wettelijke meldingsplicht op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet (2016).
De conclusie van het onderzoek is dat de archeologische verwachting van het plangebied kan worden bijgesteld naar 'laag'. Verder archeologisch onderzoek voor de beoogde ontwikkeling is niet verplicht. Vanuit de gemeentelijke archeologische deskundige is wel aangegeven dat het wenselijk is om een dubbelbestemming 'Waarde-Archeologie' op te nemen met een vrijstellingsdiepte van 9 meter beneden het maaiveld en een vrijstellingsoppervlakte van 500 m² (Bijlage 2). Voor dit bestemmingsplan is daarom de dubbelbestemming 'Waarde-Archeologie-3' opgenomen met de bovengenoemde vrijstellingsdiepte. Het aspect 'archeologie' vormt geen belemmering voor het planologisch mogelijk maken van de voorgenomen ontwikkeling.
Cultuurhistorie
Met de Erfgoedwet beschermt de overheid het cultureel erfgoed in Nederland. De Erfgoedwet heeft zes
wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed vervangen waaronder de Monumentenwet
1988. Op basis van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het wettelijk verplicht om in de toelichting van
een bestemmingsplan een beschrijving op te nemen van de wijze waarop met in het gebied aanwezige
cultuurhistorische waarden of monumenten rekening is gehouden.
Cultuurhistorisch waardevolle objecten in of in de directe omgeving van het plangebied, waarmee in het plan rekening moet of kan worden gehouden, zijn aanwezig. Ten westen van het plangebied is op een afstand van circa 55 meter een MIP-object aanwezig (oranje plus). Het betreft de sterk in verval geraakte molenromp van molen 'de Goede Verwachting'. De molen is van het type grondzeiler-bovenkruier en bestaat uit gelige bakstenen.
Op de locatie Ruiterplaatweg 1, op een afstand van ca. 160 meter, is daarnaast een historische boerderij aanwezig, bestaande uit een woning en bijbehorende schuren (groene stip). Het plangebied en de cultuurhistorisch waardevolle objecten liggen op ruime afstand van elkaar. De Campensnieuwlanddijk is daarnaast, zo blijkt uit de provinciale cultuurhistorische waardenkaart, als relict aangemerkt. De aanleg van deze (oorspronkelijke) polderdijk startte in 1669, de bedijking is nog in de stormvloed van 1682 gebroken geweest. Deze dijk begrenst de oostzijde van het plangebied. Gelet echter op zijn hogere ligging dan het plangebied en de impact ten opzichte van de huidige situatie, waar al bedrijfsmatige activiteiten mogelijk zijn en bedrijfsgebouwen kunnen worden opgericht, niet verandert, wordt deze mogelijke cultuurhistorische waarde niet negatief beïnvloed. Het aspect 'cultuurhistorie' vormt geen belemmering voor het planologisch mogelijk maken van de voorgenomen ontwikkeling.
Afbeelding 7 | Uitsnede Cultuurhistorische Hoofdstructuur kaart (bron: Provincie Zeeland; bewerking Juust B.V.)
Een goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Sommige activiteiten die planologisch mogelijk worden gemaakt, veroorzaken milieubelasting voor de omgeving. Andere (gevoelige) functies moeten juist beschermd worden tegen milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen en wordt het bedrijven mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. Het doel van milieuzonering is om te komen tot een optimale kwaliteit van de leefomgeving.
Bedrijven kunnen niet zomaar naast een gevoelige functie, zoals een woning, gerealiseerd worden. Ook andersom moet er zorgvuldig gemotiveerd worden dat een nieuwe woning geen belemmering vormt voor bestaande bedrijven. Bedrijfswoningen vallen buiten de kaders van de richtafstanden. Wel kunnen de in de VNG-brochure opgenomen richtafstanden een indicatie vormen voor de aanvaardbaarheid van bedrijfswoningen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen bedrijfswoningen bij het eigen bedrijf (behorende tot de inrichting) en bedrijfswoningen van derden. Voor de eerste categorie geldt vanuit het milieuspoor geen of beperkte bescherming, de tweede categorie wordt wel beschermd. In de nabijheid van het plangebied zijn geen bedrijfswoningen aanwezig aangezien de bestemming 'Bedrijventerrein' geen bedrijfswoningen toestaat. De beschouwing van de beoogde bedrijfsmatige activiteiten op eventuele aanwezige bedrijfswoningen in omgeving is niet van toepassing.
Op het plangebied ligt de bestemming 'Bedrijventerrein' waardoor uitoefening van bedrijfsactiviteiten in de categorie 1, 2 en 3.1 ter plaatse reeds is toegestaan. De woon-werkkavels zijn bedoeld voor bedrijven tot en met milieucategorie 3.1. Voor het bepalen van de richtafstanden is uitgegaan van 'gemengd gebied', aangezien in de nabije omgeving van het plangebied zowel woonfuncties, bedrijfsfuncties als agrarische functies aanwezig zijn. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Uitgaande van milieucategorie 3.1 geldt er, conform de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering', voor een gemengd gebied een richtafstand van 30 meter.
Zowel aan de zuidoost- als aan de westzijde van het plangebied zijn woonbestemmingen gelegen. Gemeten vanaf de grens van de bedrijfsbestemming bedraagt de afstand tot het bouwvlak van de woonbestemming aan de zuidoostzijde van het plangebied ruim 50 meter. Er wordt voldaan aan de richtafstand. De afstand van de bedrijfsbestemming tot de woonbestemmingen aan de westzijde van het plangebied bedraagt circa 54 meter waardoor voldaan wordt aan de richtafstand. Daarnaast is in de huidige situatie op het plangebied een bedrijf tot milieucategorie 3.1 reeds toegestaan waardoor de voorgenomen ontwikkeling niet leidt tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van de woningen in de omgeving van het plangebied.
De bedrijfswoningen dienen in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook op enige afstand van de omliggende bedrijven te worden gesitueerd. Direct grenzend aan de zuidzijde van het plangebied zijn eveneens bedrijfsactiviteiten tot en met milieucategorie 3.1 toegestaan, waarvoor de richtafstand van 30 meter geldt. Tussen het plangebied en de bedrijfsactiviteiten is een parkeerterrein en/of terrein met opslag gelegen. De bedrijfsmatige activiteiten van het bedrijf vinden met name in de bedrijfsgebouwen plaats op een afstand van circa 20 meter tot het plangebied. Daarnaast zijn de beoogde bedrijfswoningen gelegen aan het Molenpad en kunnen minimaal op 37 meter uit de achterste/zuidelijk gelegen perceelsgrens worden gesitueerd. Aan de richtafstand wordt voldaan.
Aan de westzijde van het plangebied is een bedrijf toegestaan tot en met milieucategorie 3.1 waarvoor evengoed een richtafstand geldt van 30 meter. Aangezien de bedrijfsbestemming direct aan het plangebied grenst, wordt niet voldaan aan de richtafstand. Dit is nader beschouwd in het akoestisch onderzoek dat is uitgevoerd. Voor de resultaten hiervan wordt verwezen naar paragraaf 4.6.
Alles overwegende vormt dit aspect geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Om het risico uit te sluiten, dat mensen gezondheidsproblemen krijgen als gevolg van een langdurig verblijf op verontreinigde grond, dient aangetoond te worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie.
Gemotiveerd moet worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de bestemming. Bedrijvigheid is op deze locatie reeds toegestaan, waardoor de toegestane functie van het perceel planologisch niet wijzigt. Aangezien er op het perceel ook bedrijfswoningen mogelijk worden gemaakt, moet beoordeeld worden op de bodemkwaliteit geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bedrijfswoningen.
Op 22 november 2017 is door Mitec een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Bijlage 3). Uit het onderzoek blijkt dat:
Op basis van historisch onderzoek, de zintuiglijke beoordeling van de grond- en grondwatermonsters en de resultaten van het chemisch-analytisch onderzoek kan geconcludeerd worden dat er geen risico's voor de volksgezondheid en het milieu aanwezig zijn met betrekking tot de huidige en voorgenomen activiteiten op de onderzoekslocatie. De verkregen resultaten geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader onderzoek.
Het aspect 'Bodem' vormt geen belemmering voor het planologisch mogelijk maken van de voorgenomen ontwikkeling.
De doelstelling van het externe veiligheidsbeleid is het realiseren van een veilige woon- en leefomgeving door het beheersen van risico's van activiteiten met gevaarlijke stoffen (zoals het gebruik, de opslag, de productie als het transport). Het beleid is erop gericht te voorkomen dat er dichtbij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Bij nieuwe (ruimtelijke) ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met risicobronnen in de omgeving.
Op een afstand van ca. 160 meter van het plangebied ligt op de locatie Molenweg 43 het loon- en handelsbedrijf Van der Heide BV. Op het terrein is opslag aanwezig. Op een afstand van ca. 320 meter van het plangebied ligt op de locatie Molenweg 69 camping de Molenhoek. Ook hier is een opslag aanwezig op het terrein. Gezien de grote afstand tussen het plangebied en de opslagfuncties is het niet noodzakelijk nadere berekeningen of onderzoek uit te voeren. Daarnaast zijn op het plangebied of in de directe omgeving geen andere risicovolle inrichtingen aanwezig.
Geluid kan hinderlijk en schadelijk voor de gezondheid zijn. Zo kunnen hoge geluidsniveaus het gehoor beschadigen. Maar ook verstoring van de slaap kan op de lange duur slecht zijn voor de gezondheid. In Nederland zijn afspraken gemaakt over wat acceptabele geluidsniveaus zijn en wat niet (de geluidsnormen). Bij ruimtelijke plannen kan akoestisch onderzoek nodig zijn om geluidhinder bij geluidgevoelige objecten (scholen, woningen, etc.) te voorkomen. De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai, industrielawaai en luchtvaartlawaai. Een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd als een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidzone van een bestaande geluidbron of indien het plan een nieuwe geluidbron mogelijk maakt.
In de beoogde ontwikkeling wordt per woon-werkkavel één bedrijfswoning mogelijk gemaakt. Aangezien de vier beoogde bedrijfswoningen aangemerkt worden als geluidsgevoelig objecten en daarnaast binnen de geluidszone van bestaande geluidsbronnen zijn gelegen, is een akoestisch onderzoek naar industrielawaai nodig.
Het plangebied ligt aan de westzijde van de Campensnieuwlandweg waar een maximale snelheid geldt van 60 km/uur. Aangezien de weg gelegen is in het stedelijk gebied en bestaat uit één rijstrook, geldt een geluidszone van 200 meter aan weerszijden van de weg. Het plangebied ligt hierdoor binnen de geluidszone van deze weg. Hierdoor is tevens een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai nodig.
Op 19 april 2021 is door Kraaij Akoestisch Adviesbureau een akoestisch onderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 4) in het kader van industrielawaai en wegverkeerslawaai.
Wegverkeerslawaai
De herontwikkeling ligt voor wat betreft wegverkeerslawaai binnen de geluidzone van de Ruiterplaatweg, de Campensnieuwlandweg, de Krommeweg en de Molenweg (alleen geluidzoneerd in buitenstedelijk gebied). Het nieuwbouwplan is niet binnen de geluidzone van een spoorweg of een industrieterrein gelegen. Voor een groot deel van de wegen binnen de bebouwde kom van Kamperland, waaronder het Molenpad, de Molenweg en een deel van de Ruiterplaatweg, geldt een 30 km/u regime. Dergelijke wegen hebben volgens de Wgh geen geluidzone en formeel dus ook geen toetsingsplicht aan de Wgh. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het echter wel wenselijk de geluidbelasting vanwege 30 km/u wegen te beschouwen als de geluidbelasting vanwege deze wegen mogelijk relevant kan zijn voor de beoogde ontwikkeling. Gezien de afstand tot de planlocatie in relatie tot de verkeersintensiteit en wegdekverharding zijn daarom de Molenweg, het Molenpad en de Ruiterplaatweg (deels 30 km/u) eveneens in het onderzoek betrokken.
De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt vanwege de geluidgezoneerde wegen niet overschreden. In onderhavige situatie is dus geen sprake van relevante blootstelling aan één of meerdere geluidgezoneerde bronnen, waarmee op basis van de Wgh een cumulatieberekening niet noodzakelijk is.
Uit de rekenresultaten vanwege de niet geluidgezoneerde wegen blijkt dat de berekende geluidbelasting vanwege alle 30 km/u wegen samen ten hoogste 41 dB bedraagt op de gevels van de nieuwe bedrijfswoningen. Daarmee wordt vanwege deze wegen overal aan de richtwaarde van 48 dB in lijn met de Wgh voldaan. Omdat de richtwaarde niet wordt overschreden is blootstelling aan geluid van deze 30 km/u wegen vanuit akoestisch oogpunt dus niet relevant voor het woon- en leefklimaat bij de herontwikkeling en is aanvullend onderzoek naar geluidreducerende maatregelen niet noodzakelijk.
In de cumulatieberekening vanwege wegverkeerslawaai zijn zowel de geluidgezoneerde als de niet geluidgezoneerde wegen in de onderzoeksomgeving opgenomen. De gecumuleerde geluidbelasting bedraagt op de gevels van de nieuwe bedrijfswoningen 40 – 51 dB en het akoestisch woon- en leefklimaat dient daarbij volgens de MilieuKwaliteitsMaat als overwegend goed tot zeer goed te worden beoordeeld. De toename in geluid van maximaal 2 dB op de meest kritisch gelegen gevel na cumulatie van de geluidbronnen leidt niet tot een wezenlijke verslechtering van de kwalificatie van het woonmilieu.
Gelet op de geluidbelasting in relatie tot de ligging van het plangebied, wordt het woonklimaat in onderhavige situatie zeer aanvaardbaar geacht en is sprake van een goede ruimtelijke ordening. Vanuit het oogpunt van wegverkeerslawaai is er dus geen belemmering tot uitvoering van de voorgenomen herontwikkeling.
Industrielawaai
Aan de zuidzijde van de ontwikkeling bevindt zich een tankstation met washal, een garagebedrijf, een woninginrichting en een bouwcentrum. Aan de westzijde bevindt zich een timmerbedrijf. Deze bedrijvigheid bevindt zich op relatief korte afstand van de ontwikkeling. Onderzocht is wat de invloed van deze bedrijvigheid is op het woon- en leefklimaat ter plaatse van de geprojecteerde bedrijfswoningen.
Uit de beschouwing van de richtafstanden van de omliggende bedrijven blijkt dat de bedrijfswoningen buiten de richtafstanden van het garagebedrijf, de woninginrichting en de bouwmarkt zijn geprojecteerd. Deze bedrijven zijn dus niet van invloed op het woon- en leefklimaat bij de bedrijfswoningen. Gelet op de grote afstand tussen de bedrijven en de geprojecteerde bedrijfswoningen, zal de ontwikkeling niet belemmerend zijn voor de bedrijfsvoering van het garagebedrijf, de woninginrichting en de bouwmarkt.
Voor het parkeerterrein geldt een milieucategorie 3.1 bestemming. Op basis van een berekening blijkt dat de geluidbelasting van het parkeerterrein de richtwaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en het maximaal geluidniveau uit de VNG-brochure “Bedrijven en milieuzonering” niet overschrijdt. Het parkeerterrein is dus niet van invloed op het woon- en leefklimaat.
Bedrijven die zich vestigen in de opstallen van het timmerbedrijf moeten voldoen aan de geluidnormen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. Hiermee wordt voldoende bescherming geboden aan het woon- en leefklimaat ter plaats van de geprojecteerde bedrijfswoningen.
Ook de nieuwe bedrijven die zich vestigen aan het Molenpad moeten voldoen aan het Activiteitenbesluit milieubeheer, om een goed w0on- en leefklimaat te waarborgen.
In het bestemmingsplan worden uitsluitend kabels en leidingen (gas, water, elektra, rioolpersleidingen) opgenomen die ruimtelijke relevantie hebben, of van belang zijn in het kader van externe veiligheid, beheer of gezondheidsrisico. Voor deze kabels en leidingen geldt een waarborgzone omdat deze wellicht een risico met zich meebrengen. Het gaat hier met name om een verhoogd risico als ze bij werkzaamheden worden geraakt.
Aan de zuidzijde van het plangebied ligt op een afstand van circa 110 meter vanaf het plangebied de dubbelbestemming 'Leiding-Water' (ter hoogte van de Ruiterplaatweg). Gezien de grote afstand tot het plangebied, vormt de dubbelbestemming 'Leiding-Water' geen belemmering voor het planologisch mogelijk maken van de voorgenomen ontwikkeling. Verder liggen er in of in de nabijheid van het plangebied liggen geen planologisch relevante kabels en/of leidingen.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient rekening te worden gehouden met luchtkwaliteit. Als het een ruimtelijk project of (te vergunnen) activiteit betreft, waarvan de bijdrage aan de luchtverontreiniging klein is, is geen toetsing aan de grenswaarden luchtkwaliteit nodig. Beoordeeld moet worden of de ontwikkeling 'Niet In Betekende Mate' (NIBM) bijdraagt aan de concentraties van diverse verontreinigende stoffen, waaronder stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) in de buitenlucht.
Als een project tot een toename voor NO2 en PM10 leidt die lager is dan de NIBM grens van 1,2 µg/m3 hoeft het project niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Vanzelfsprekend moet er wel sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening. In de regeling NIBM is aangegeven, dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen en één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het project betreft de ontwikkeling van vier woon-werkkavels en ligt, gezien de omvang, ruim onder de drempelwaarde. Er is geen sprake van een ontwikkeling die in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit, zie ook onderstaand tabel.
Afbeelding 8 | Resultaat NIBM-tool
In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 inzichtelijk gemaakt aan de hand van NSL-monitoringstool. In de direct omgeving van het plangebied zijn geen metingen verricht. Op enige afstand van het plangebied, ten noordoosten van het plangebied, wel. In de onderstaande afbeelding zijn de concentraties NO2, PM10 en PM2,5 voor het peiljaar 2020 weergegeven.
Afbeelding 9 | Uitsnede NSL 2020-monitor (bron: Rijksoverheid)
Hieruit blijkt dat voor het gebied de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 respectievelijk maximaal 13,8 µg/m3 (rekenpunt 727734), 16,4 µg/m3 en 9,o µg/m3 bedraagt. De jaargemiddelde grenswaarde voor NO2, PM10 (beide 40 µg/m3 ) en PM2,5 (25 µg/m3) wordt niet overschreden. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24 uurgemiddelde concentratie is afgerond 6, waardoor het maximum van 35 dagen niet wordt overschreden. De luchtkwaliteitssituatie vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoering van de gewenste ontwikkeling.
De Wet natuurbescherming zorgt voor bescherming van gebieden, diersoorten, plantensoorten en bossen. De beschermde flora en fauna mag niet worden verstoord, verjaagd of worden gedood. Voorafgaand aan een ontwikkeling moet worden onderzocht of er beschermde dieren- of plantensoorten in het plangebied leven.
Gebiedsbescherming
Het plangebied ligt op een afstand van circa:
De effecten van de stikstofdepositie als gevolg van de ontwikkeling van vier woon-werkkavels zijn berekend met de AERIUS-calculator. Zowel de realisatie- als de gebruiksfase van het plan zijn doorgerekend. Er is in de realisatie- en gebruiksfase geen sprake van een toename van stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied. In bijgevoegde memo en berekeningen (Bijlage 5) is een en ander nader onderbouwd. Het aspect stikstof vormt geen belemmering voor uitvoering van het plan. Daarmee zijn significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden uitgesloten.
Soortenbescherming
Nieuwe ontwikkelingen kunnen daarnaast effect hebben op beschermde gebieden en beschermde soorten (dieren en planten). Aangezien het plangebied braakliggend is, worden er geen bomen en/of struiken gekapt en zijn er geen sloopwerkzaamheden voorzien. Teneinde te voorkomen dat zich op het perceel bijzondere vegetatie ontwikkelt of (beschermde) diersoorten zich vestigen, is gekozen voor intensief regulier onderhoud van het perceel. Het ingezaaide gras wordt om die reden, afhankelijk van de weersomstandigheden, 1 tot 2 maal per maand gemaaid door een lokale agrarisch ondernemer. Om deze reden is er geen quickscan Wet natuurbescherming benodigd.
Een goede ontsluiting en voldoende parkeerfaciliteiten zijn belangrijk voor een goed functionerende ontwikkeling. In deze paragraaf wordt aandacht besteed aan de gevolgen van het plan op de verkeerssituatie in de omgeving, de verkeersgeneratie, de ontsluiting en de wijze waarop voldoende parkeergelegenheid in het plan is gewaarborgd.
Parkeren
Op basis van de CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' is het parkeerkencijfer bepaald. Er is uitgegaan van de stedelijkheidsgraad 'niet stedelijk' en het gebiedstype 'rest bebouwde kom'. Aangezien er op het plangebied bedrijven toegestaan zijn tot en met milieucategorie 3.1 is voor de berekening van de parkeerkencijfers uitgegaan van een bedrijf arbeidsintensief/bezoekersextensief. Voor een bedrijf arbeidsintensief/bezoekersextensief (industrie, laboratorium, werkplaats) is het minimale parkeerkencijfer 2,1 en het maximale parkeerkencijfer 2,6 per 100 m2 bvo. Dit betekent dat er gemiddeld 2,35 parkeerplaatsen nodig zijn per 100 m2 bvo.
De oppervlakte van het bouwvlak achter de aanduiding van bedrijfswoningen is 2.810 m². Aan de hand van de bouwregels blijft er een oppervlakte van ongeveer 2.000 m² over. Dit betekent dat er 47 parkeerplaatsen nodig zijn. Per woon-werkkavel ontstaat daarmee ruimte voor circa 500 m² aan bedrijfsgebouwen en afgerond 12 parkeerplaatsen.
Voor de bedrijfswoningen wordt uitgegaan van een vrijstaande koopwoning (niet stedelijk, rest bebouwde kom) Hiervoor geldt dat er minimaal 1,9 en maximaal 2,7 parkeerplaatsen benodigd zijn. Gemiddeld moet er voorzien worden in 2,3 parkeerplaatsen per bedrijfswoning. Dit betekent dat er 9,2 parkeerplaatsen gerealiseerd moeten worden ten behoeve van het wonen. Echter, er is in dit geval sprake van woon-werkkavels en is dubbelgebruik aan de orde. De 47 parkeerplaatsen zijn hiermee voldoende voor zowel de bedrijfsmatige activiteiten als voor de woonfunctie.
Verkeersgeneratie
Voor een bedrijf arbeidsintensief/bezoekersextensief (niet stedelijk, rest bebouwde kom) is de minimale verkeersgeneratie 9,1 per 100 m2 bvo en de maximale verkeersgeneratie 10,9 per 100 m2 bvo. De gemiddelde verkeersgeneratie bedraagt hiermee 10 motorvoertuigbewegingen per weekdagetmaal per 100 m2 bvo. De gemiddelde verkeersgeneratie ten behoeve van bedrijfsmatige activiteiten bedraagt 200 motorvoertuigbewegingen per weekdagetmaal.
Voor het berekenen van de verkeersgeneratie voor de bedrijfswoningen wordt eveneens uitgegaan van een vrijstaande koopwoning (niet stedelijk, rest bebouwde kom). De minimale verkeersgeneratie bedraagt 7,8 motorvoertuigbewegingen per weekdagetmaal en maximaal 8,6 motorvoertuigbewegingen per weekdagetmaal. De gemiddelde verkeersgeneratie bedraagt hiermee 8,2 motorvoertuigbewegingen per weekdagetmaal. Voor de 4 bedrijfswoningen bedraagt de gemiddelde verkeersgeneratie hiermee 32,8 motorvoertuigbewegingen per weekdagetmaal. De totale verkeersgeneratie bedraagt hiermee 232,8 motorvoertuigbewegingen per etmaal.
In het verleden stonden bedrijfsgebouwen op de betreffende locatie. In de huidige situatie bestaat dan ook al de mogelijkheid om in ieder geval bedrijfsgebouwen te realiseren. In de huidige situatie is ongeveer een bouwvlak gelegen met een oppervlakte van 3.450 m². Daarbinnen is ongeveer 3.000 m² aan bedrijfsgebouwen mogelijk. Uitgaande van een arbeidsintensief/bezoekersextensief bedrijf dat zich hier kan vestigen betekent dit een verkeersgeneratie van 300 motorvoertuigbewegingen per etmaal. In principe is in de toekomstige situatie minder verkeersgeneratie te verwachten dan in de huidige planologische situatie.
Bovendien is de verkeersgeneratie goed af te wikkelen op omliggende verkeersstructuur. Via het Molenpad kan het verkeer ontsluiten via de Campensnieuwlandweg en/of de Molenweg. Het Molenpad en de Molenweg wordt bovendien heringericht vanwege met name ondergrondse aanpassingen.
Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets in ruimtelijke plannen verplicht. Beschreven moet worden op welke wijze in het plangebied met water en watergerelateerde aspecten wordt omgegaan. Voorkomen moet worden dat ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een goede afstemming tussen beiden is derhalve noodzakelijk om problemen, zoals bijvoorbeeld wateroverlast, slechte waterkwaliteit, verdroging, etc., te voorkomen.
| Thema en water(beheer)doelstelling | Uitwerking |
|
Veiligheid waterkeringen
Waarborgen van het veiligheidsniveau en rekening houden met de daarvoor benodigde ruimte. |
Het plangebied ligt niet in de nabijheid van een waterkering en heeft hiervoor geen gevolgen. Aan de zuidoostzijde van het plangebied is een secundaire watergang gelegen. |
|
Voorkomen overlast door oppervlaktewater
Het plan biedt voldoende ruimte voor het vasthouden, bergen en afvoeren van water. Waarborgen van voldoende bouwpeil om overstroming vanuit oppervlaktewater in maatgevende situaties te voorkomen. Rekening houden met de gevolgen van klimaatverandering en de kans op extreme weersituaties. |
In de huidige situatie is het plangebied braakliggend. Er is echter een bouwvlak gelegen met een oppervlakte van ongeveer 3.450 m². Daarbinnen is circa 3.000 m² aan bedrijfsgebouwen mogelijk. In de toekomstige situatie mag vanaf de noordelijke perceelsgrens een strook van 5 meter breed (met een oppervlakte van 377 m2) niet bebouwd worden. Daarachter ligt een 15 meter diepe strook met een oppervlakte van ongeveer 1.100 m2 waarbinnen 4 bedrijfswoningen met bijbehorende bouwwerken gerealiseerd mogen worden. Uitgaande van 200 m² (woning 150 m² en bijbehorende bouwwerken 50 m²). per woon-werkkavel is dit 800 m² aan dakoppervlak. De oppervlakte van het bouwvlak achter de aanduiding van bedrijfswoningen is 2.810 m². Aan de hand van de bouwregels blijft er een oppervlakte aan mogelijke bedrijfsgebouwen van ongeveer 2.000 m² over. Dit betekent 500 m² aan bedrijfsgebouwen per woon-werkkavel. In totaal een dakoppervlak van 2.800 m². Voor de dichte bodemverharding gaan we ervanuit dat het bouwvlak ten behoeve van de bedrijfsgebouwen volledig wordt verhard. Dit betekent 810 m² aan dichte bodemverharding. Verder gaan we ervan uit dat de 5 meter onbebouwde strook voor 75% wordt verhard (oprit, parkeerplaatsen e.d.). Dit betekent een dichte bodemverharding van 283 m³. In totaal een oppervlakte van dichte bodemverharding van 1.093 m². In de zone van de bedrijfswoningen is voor het dakoppervlak al een behoorlijk aantal vierkante meters opgenomen. In deze zone gaan we ervan uit dat de rest wordt ingericht als tuin bij de bedrijfswoningen en daarom niet is meegenomen in de oppervlakte van dichte bodemverharding. Er is een totaal verhard oppervlak van 3.893 m² te verwachten. Ervan uitgaande dat het plangebied al volledig verhard is geweest en planologisch gezien 100% bebouwd mag worden, is geen watercompensatie nodig. |
|
Voorkomen overlast door hemel- en afvalwater
Waarborgen optimale werking van de zuiveringen/ RWZI's en van de (gemeentelijke) rioleringen. Afkoppelen van (schone) verharde oppervlakken in verband met de reductie van hydraulische belasting van de RWZI, het transportsysteem en het beperken van overstorten. |
Het hemelwater wordt apart afgevoerd naar de reeds aan de achterzijde van de percelen aanwezige sloot. Het afvalwater wordt aangesloten op de drukriolering, die ter plaatse (Campensnieuwlandweg) aanwezig is, dan wel bij de reconstructie van het Molenpad daar wordt aangebracht. |
|
Grondwaterkwantiteit en verdroging
Voorkomen en tegengaan van grondwateroverlast en -tekort. Rekening houdend met de gevolgen van klimaatverandering. Beschermen van infiltratiegebieden en –mogelijkheden. |
Het plan heeft geen negatieve invloed op de grondwaterkwantiteit. |
|
Grondwaterkwaliteit
Behoud of realisatie van een goede grondwaterkwaliteit. Denk aan grondwaterbeschermingsgebieden. |
Door bij de bouw geen gebruik te maken van uitlogende materialen, zoals zink en lood, maar enkel van duurzame niet-uitloogbare bouwmaterialen, zal de ontwikkeling geen gevolgen hebben voor de grondwaterkwaliteit. |
|
Oppervlaktewaterkwaliteit
Behoud of realisatie van goede oppervlaktewaterkwaliteit. Vergroten van de veerkracht van het watersysteem. Toepassing van de trits schoonhouden, scheiden, zuiveren. |
Er worden geen uitlogende materialen gebruikt. Het hemelwater wordt apart afgevoerd en mogelijk ter plaatse opgeslagen en/of geïnfiltreerd. Het afvalwater wordt aangesloten op de aanwezige drukriolering. Het plan heeft geen negatief effect op de oppervlaktewaterkwaliteit. |
|
Volksgezondheid
Minimaliseren risico watergerelateerde ziekten en plagen. Voorkomen van verdrinkingsgevaar/-risico's via o.a. de daarvoor benodigde ruimte. |
Er is geen sprake van open water. Het plan heeft geen negatief effect op de volksgezondheid. |
|
Bodemdaling
Voorkomen van maatregelen die (extra) maaiveldsdalingen in zettinggevoelige gebieden kunnen veroorzaken. |
Het (grond)waterpeil wordt niet aangepast als gevolg of ten behoeve van dit plan. Eventuele bodemdaling in de omgeving zal niet door het plan worden beïnvloed. |
|
Natte natuur
Ontwikkeling/bescherming van een rijke gevarieerde en natuurlijk karakteristieke aquatische natuur. |
Met de gewenste ontwikkeling worden waardevolle wateren en natte natuur niet aangetast. Er is geen sprake van (ontwikkeling van) natte natuur. |
|
Onderhoud oppervlaktewater
Oppervlaktewater moet adequaat onderhouden worden. Rekening houden met obstakelvrije onderhoudsstroken vrij van bebouwing en opgaande (hout)beplanting. |
Aan de oostzijde van het plangebied ligt een gerioleerde secundaire waterloop. Aan de zuidzijde van het plangebied ligt een secundaire waterloop. De gerioleerde waterloop is echter recent overbodig geworden door de aanleg van een nieuwe duiker aan de noordzijde van het Molenpad onder de Campensnieuwlanddijk. Er hoeft dus geen keurstrook te worden aangehouden ten opzichte van deze buisleiding. Langs de waterloop aan de zuidzijde van het perceel moet een obstakelvrije strook van 5 m breed worden aangehouden in verband met het onderhoud aan de waterloop. |
| Andere belangen waterbeheer | |
|
Relatie met eigendom waterbeheerder
Ruimtelijke ontwikkelingen mogen de werking van objecten (terreinen, milieuzonering) van de waterbeheerder niet belemmeren. |
Niet van toepassing. |
|
Wegen in beheer bij het waterschap
(alleen invullen voor zover van toepassing) * in de bouwfase: Vinden er transporten (grond/bouwmaterialen) plaats over waterschapswegen? * na realisatie: verkeersaantrekkende werking Veroorzaakt uw plan structureel extra verkeer? *na realisatie: bereikbaarheid Omschrijf hoe motorvoertuigen, fietsers en voetgangers uw plan kunnen bereiken. Worden er hiervoor uitwegen gewijzigd of nieuw aangelegd? * na realisatie: parkeren Wordt er op uw eigen terrein geparkeerd? * na realisatie: (ver)bouwen Bent u voornemens om binnen 20 meter van een waterschapsweg een bouwwerk te (ver)bouwen? (zoals een woning of afscheiding (gefundeerd). |
De ontsluiting van de woon-werkkavels zal plaatsvinden via het Molenpad. Het Molenpad is geen waterschapsweg. De aan de oostkant gelegen Campensnieuwlandweg wel.
In de bouwfase kunnen er tijdelijk transporten plaatsvinden via de Campensnieuwlandweg voor het aanleveren van grond en bouwmaterialen voor de bedrijfsgebouwen en bedrijfswoningen. Na realisatie van de ontwikkeling zal het plan een andere verkeersaantrekkende werking hebben dan nu het geval is. Echter, het plangebied heeft reeds de bestemming 'bedrijventerrein' waardoor planologisch gezien de voorgenomen ontwikkeling geen structureel extra verkeer veroorzaakt. Motorvoertuigen, fietsers en voertuigen kunnen het plangebied bereiken via zowel het Molenpad als de Campensnieuwlandweg. Parkeerplaatsen zullen voorzien worden op eigen terrein. De afstand van het plangebied tot de as van de Campensnieuwlandweg bedraagt tenminste 20 meter, zoals blijkt uit onderstaande afbeelding.
|
In onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r. zijn diverse activiteiten opgenomen waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Hierbij moet beoordeeld worden of er sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden geldt een m.e.r.-plicht.
In onderdeel D is per activiteit de drempelwaarde benoemd. Als een activiteit voorkomt in onderdeel D en boven de drempelwaarde komt, geldt voor het te nemen besluit een m.e.r.-beoordelingsplicht. Indien er activiteiten plaatsvinden die in onderdeel D zijn opgenomen, maar onder de drempelwaarde blijven, dient er nagegaan te worden of het project grote milieugevolgen heeft. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria uit bijlage III van de Europese richtlijn m.e.r..
De hoofdcriteria waaraan getoetst moet worden zijn: kenmerken van het project, plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect. Het bevoegd gezag dient vervolgens voor de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan een besluit te nemen of er een MER moet worden opgesteld. De grondslag hiervoor is een vormvrije m.e.r.-beoordeling.
In onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r. is de volgende activiteit opgenomen: De aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein (D 11.3). De bijbehorende drempelwaarde is gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 75 hectare of meer. De gewenste ontwikkeling valt ver onder deze drempelwaarde. In dit geval gaat het om het realiseren van vier woon-werkkavels. In de huidige situatie zijn er al bedrijfsmatige activiteiten mogelijk en mag het perceel bovendien voor 100% bebouwd worden. Het bedrijventerrein vormt geen nieuw beslag op de ruimte. Het opstellen van een vormvrije m.e.r.-beoordeling is derhalve niet aan de orde. Er is geen sprake van milieu-effecten van enige omvang (zie voorgaande paragrafen).
Omgevingsaspecten zijn onderzocht en vormen geen belemmering voor de ontwikkeling. Planologische medewerking aan het initiatief ligt dan ook in de rede.
Voor bouwplannen zoals die zijn aangewezen in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het uitgangspunt dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt. Van de verplichting een exploitatieplan vast te stellen kan onder andere worden afgeweken als het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd, bijvoorbeeld door een anterieure overeenkomst of doordat de verplicht te verhalen kosten zijn verdisconteerd in de grondprijs.
Dit plan voorziet in het realiseren van vier woon-werkkavels en betreft een 'aangewezen' bouwplan, zoals dat hiervoor is benoemd. De gemeente Noord-Beveland sluit met de initiatiefnemer een (anterieure) overeenkomst waarin onder andere het kostenverhaal is geregeld. De kosten die gemaakt worden bij de uitvoering van de ontwikkeling zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Ook eventuele planschade wordt op de initiatiefnemer verhaald. De ontwikkeling heeft voor de gemeente geen negatieve financiële gevolgen. Voor het verkrijgen van de noodzakelijke omgevingsvergunning(en) zullen de gebruikelijke leges in rekening worden gebracht.
Vooroverleg
Vooroverleg zoals bedoeld in artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening is voor dit plan van toepassing. In het kader van dit bestuurlijke vooroverleg is het plan toegezonden aan de provincie en het waterschap Scheldestromen.
Provincie Zeeland
De provincie heeft gereageerd per e-mail van 24 juni 2021, welke reactie bij brief van 5 juli 2021 is bevestigd, en brengt hierin de volgende aandachtspunten naar voren:
Wnb-gebiedsbescherming:
De afstand van de planlocatie tot verschillende N2000 gebieden wordt genoemd en stikstof staat nog als PM-post. Er ontbreekt een conclusie waarin is aangegeven dat er geen sprake is van effecten. We nemen aan dat dit nog wordt aangevuld. De Aerius-berekeningen zijn akkoord.
Antwoord
De conclusies ten aanzien van stikstof worden in de toelichting opgenomen, deze zijn gebaseerd op de Aerius-berekeningen die zijn uitgevoerd.
Wnb-soortenbescherming:
Aangegeven is dat er geen sprake is van sloop of kap en dat het gebied braak ligt en er derhalve geen quickscan benodigd is. Dat een terrein braakliggend is, wil niet zeggen dat er geen sprake is van natuurwaarden of broedvogels. Wanneer het gras regelmatig gemaaid wordt, zal de kans zeer beperkt zijn maar is dat niet het geval bestaat de kans op bv. broedvogels. Dit dient in het plan beter onderbouwd te worden.
Antwoord
De toelichting wordt aangevuld met de wijze van onderhoud van het perceel, afhankelijk van de weersomstandigheden wordt er 1 tot 2 maal per maand gemaaid.
Archeologie:
Dieptevrijstelling - Bij de bijlagen zit een bureau- en boorrapport van Artefact, met de status 'definitief'. De conclusie van het onderzoek is dat de archeologische verwachting van het plangebied kan worden bijgesteld naar 'laag'. Geadviseerd wordt (hoofdstuk 4.2) om geen verder archeologisch onderzoek verplicht te stellen. In hoofdstuk 4.2 staat dat het rapport is beoordeeld en goedgekeurd door de bevoegde overheid.
Toelichting
Op p.8 van de Toelichting staat correct dat op het plangebied momenteel de dubbelbestemming 'Waarde-Archeologie-2' van kracht is. Op p.9 wordt dit aangepast naar een 'Waarde-Archeologie-3' op basis van het uitgevoerde archeologische onderzoek, met aangepaste vrijstellingsgrenzen van 500m2 en 9m –MV. Bij het aspect Archeologie ontbreekt een verwijzing naar het gemeentelijk archeologisch beleid. In het hoofdstuk zijn de conclusies van het archeologische onderzoek overgenomen. Met daarbij de toevoeging dat de gemeentelijk archeologisch deskundige heeft aanbevolen om een dubbelbestemming 'Waarde-Archeologie' op te nemen met vrijstellingsgrenzen van 9 meter beneden het maaiveld en een oppervlakte van 500m². Deze diepte wordt natuurlijk niet overschreden bij deze bouwplannen zodat het aspect archeologie geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling. Deze toevoeging blijkt echter niet uit het rapport van Artefact. De boringen zijn ook 'maar' tot 4-5 m -MV gezet dus het is niet duidelijk waar deze 9 meter -MV vandaan komt. We adviseren om dit advies/besluit van de bevoegde overheid op te nemen als bijlage bij de stukken.
Antwoord
Daar waar de Waarde-Archeologie-2 is genoemd is dat vervangen door Waarde-Archeologie-3, een 'maatwerkbestemming' gebaseerd op de diepte en de oppervlakte van de vrijstelling.
De toelichting is aangevuld met het gemeentelijk archeologiebeleid.
Het advies met de beoordeling van het archeologisch rapport is als bijlage bijgevoegd, hieruit blijken de vrijstellingsdiepte en –oppervlakte zoals die in het plan zijn opgenomen. De paragraaf m.b.t. het aspect Cultuurhistorie is kort maar prima. Wel dient nog de Campensnieuwlanddijk vermeld te worden.
Antwoord
De toelichting is op dit punt aangevuld.
Regels
In artikel 4 van de Regels zijn de (bestaande) bepalingen opgenomen voor een dubbelbestemming 'Waarde-Archeologie-2'. Volgens bovenstaand zou dit moeten worden aangepast/gespecificeerd naar een dubbelbestemming 'Waarde-Archeologie-3'.
Antwoord
Dit is aangepast.
Verbeelding
Hier is een dubbelbestemming 'Waarde-Archeologie-2' opgenomen voor het plangebied. Volgens bovenstaand zou dit moeten worden aangepast naar een dubbelbestemming 'Waarde-Archeologie-3'.
Antwoord
Dit is aangepast.
Waterschap Scheldestromen
Het Waterschap heeft gereageerd per e-mail van 7 juli 2021 en brengt hierin de volgende aandachtspunten naar voren.
Voor het realiseren van de bedrijven inclusief bedrijfswoningen is het van belang rekening te houden met de Keur Wegen. Het plangebied grenst aan de oostzijde aan de Campensnieuwland. Bouwwerken dienen 20 meter uit de as van de weg te worden gerealiseerd.
Antwoord
De afstand tussen de grens van het plangebied en de as van de weg bedraagt meer dan 20 meter. De afstand tot aan de toekomstige bebouwing is dan ook voldoende. De watertoetstabel wordt hierop aangepast.
In de plannen is uitgegaan van een verkeersproductie van circa 233 mvt/etm. Opgenomen is dat het bedrijfsverzamelgebouw wat voorheen op dit kavel stond een verkeersproductie van circa 300 mvt/etm genereerde. De redenatie dat de verkeersproductie afneemt is theoretisch juist. In de praktijk geldt dat de omgeving gewend is geraakt aan een lagere verkeersproductie en dat een toename van het verkeer zeker merkbaar zal zijn. Vanwege de ligging van het plangebied is de toename op de omliggende wegen beperkt.
Antwoord
Deze opmerking wordt voor kennisgeving aangenomen.
In het document van de stikstofberekening is aangegeven dat verkeer zich afwikkelt via de Campensnieuwland en de Ruiterplaatweg, richting de Oost-Westweg. In de stukken is niets opgenomen over de beperking in rijrichting die is opgenomen op de Ruiterplaatweg, verkeer mag vanaf de Ruiterplaatweg niet afslaan richting de Campensnieuwland en Burgemeester de Moorweg. Dit betekent dat verkeer naar het perceel op de heenweg gebruik moet maken van de Molenweg / Molenpad. Op de terugweg kan verkeer kiezen tussen Molenpad / Molenweg of Campensnieuwland. Het lijkt zinvol het stuk hierop aan te passen.
Antwoord
De verplichte rijrichting op de Ruiterplaatweg is recent opgeheven in het kader van de aanleg van de landbouwroute. Een aanpassing van de toelichting is dan ook niet nodig.
Tot 2008 was het plangebied bijna volledig verhard, het verharde oppervlak bedroeg ruim 4100m². Terecht wordt in het watertoetsformulier ook opgemerkt dat er geen watercompensatie nodig is.
Antwoord
Deze opmerking wordt voor kennisgeving aangenomen.
In het formulier wordt ook gesteld dat er geen sprake is van oppervlaktewater in of in de directe nabijheid van het plangebied. Dat is onjuist omdat aan de oostzijde een gerioleerde secundaire waterloop ligt en aan de zuidzijde een secundaire waterloop. De gerioleerde waterloop is echter recent overbodig geworden door de aanleg van een nieuwe duiker aan de noordzijde van het Molenpad onder de Campensnieuwlanddijk. Er hoeft dus geen keurstrook te worden aangehouden ten opzichte van deze buisleiding. Boven de overbodig geworden gerioleerde waterloop ligt nog eigendom (onderdeel van perceel WSK00 S 492) van het waterschap (150m²) wat aangekocht kan worden door de initiatiefnemer. De riolering kan worden geamoveerd.
Langs de waterloop aan de zuidzijde van het perceel moet wel een obstakel vrijestrook van 5.00 m1 breed worden aangehouden vanwege het onderhoud aan de waterloop.
Antwoord
Het formulier wordt hierop aangepast.
Ter inzage legging ontwerpbestemmingsplan
Gelet op het bepaalde in artikel 3.8 Wro in combinatie met afdeling 3.4 Awb wordt een ontwerpbestemmingsplan, na voorafgaande bekendmaking, gedurende een periode van zes weken ter inzage gelegd. Een ieder is dan in de gelegenheid zijn of haar zienswijze mondeling of schriftelijk kenbaar te maken bij de gemeenteraad. Vaststelling van het bestemmingsplan, al dan niet in gewijzigde vorm, gebeurt met inachtneming van de ingediende zienswijzen.