| Plan: | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Kerklaan, Koekange |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1690.TAMOPH22fKerklKoe-VG01 |
De gemeente De Wolden is van plan om aan de Kerklaan, aan de noordkant van Koekange, in totaal 20 nieuwe woningen te realiseren. Voor de ontwikkeling is een stedenbouwkundig plan gemaakt, die als basis dient voor de wijziging van het omgevingsplan. Een uitsnede van het stedenbouwkundig ontwerp (versie 24-6-2025) is weergeven in figuur 1.1.
Figuur 1.1. Stedenbouwkundig ontwerp, versie 24 juni 2025 (bron: Gemeente De Wolden)
De ontwikkeling is niet mogelijk binnen de bestaande juridisch-planologische kaders van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. De gemeente wil daarom het plan juridisch-planologisch mogelijk maken door middel van een wijziging van het omgevingsplan.
Het plangebied ligt aan de rand van het dorp Koekange, een middelgroot dorp gelegen op 8 kilometer afstand ten oosten van Meppel, in de gemeente De Wolden. Figuur 1.2 geeft de ligging van het plangebied weer ten opzichte van het dorp Koekange. Het plangebied betreft zowel de gronden van het toekomstige woongebied alsmede de daaromheen liggende spuitzone.
Figuur 1.2: Ligging plangebied ten opzichte van Koekange (bron: PDOK)
Het plangebied ligt in het landelijk gebied, aan de noordkant van het bestaand stedelijk gebied van Koekange. Het plangebied grenst aan de zuidkant aan de Kerklaan. Het plangebied is in de huidige situatie in gebruik als agrarisch grasland. Het plangebied bestaat uit een gedeelte van de kadastrale percelen die bekend staan als gemeente De Wijk, sectie I, nummer 241 en gemeente De Wijk, sectie B, nummer 2334. Figuur 1.3 geeft de het plangebied weer samen met de kadastrale aanduiding.
Figuur 1.3: Begrenzing en kadastrale aanduiding plangebied (bron: kadaster)
In de gemeente De Wolden geldt per 1 januari 2024 van rechtswege het Omgevingsplan De Wolden. Binnen het plangebied is sprake van twee planologische regelingen, welke onder het Omgevingsplan onderdeel uitmaken van het tijdelijk deel van het Omgevingsplan.
Figuur 1.4: Plangebied met de huidige planologische situatie
Beheersverordening Buitengebied de Wolden (2023)
De beheersverordening 'Buitengebied de Wolden 2023', vastgesteld op 28-12-2023 en geheel onherroepelijk in werking, is van toepassing op het plangebied. Hierbinnen kent het plangebied de bestemming 'Agrarisch met waarden'. De gronden ter plekke van deze bestemming zijn hoofdzakelijk bedoeld voor, onder andere cultuurgrond en de uitoefening van het agrarisch bedrijf.
Daarnaast geldt ter plekke van de beheersverordening de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bedoeld voor het behoud en herstel van de archeologische waarden.
Beheersverordening Koekange (2013)
De beheersverordening 'Koekange', vastgesteld op 10-10-2013 en geheel onherroepelijk in werking, is van toepassing op het zuidelijk gedeelte van het plangebied dat aansluit op de Kerklaan. Hierbinnen kent het plangebied de bestemming 'Verkeer'. De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn hoofdzakelijk bestemd voor onder andere wegen, bruggen, dammen en/of duikers.
Daarnaast geldt ter plekke van de beheersverordening de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bedoeld voor het behoud en herstel van de archeologische waarden.
Strijdigheid met het omgevingsplan
De voorgenomen ontwikkeling maakt het bouwen van woningen en gebruik van de gronden voor wonen mogelijk. De gronden van het plangebied zijn bestemd voor agrarisch gebruik. De voorgenomen ontwikkeling past daarmee niet binnen de regels uit de voormalige beheersverordeningen. De voorgenomen ontwikkeling is daarom ook niet mogelijk op basis van het omgevingsplan.
Deze ruimtelijke motivering is onderdeel van het wijzigingsbesluit voor de wijziging van het omgevingsplan van de gemeente De Wolden en dient te voldoen aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De opbouw van deze motivering is als volgt:
De uitbreidingslocatie van het dorp Koekange ligt direct aan de noordrand van de bestaande bebouwing, in een open weidelandschap. Het plangebied heeft een bruto-oppervlakte van circa 9.165 m² en grenst aan de zuidzijde aan de Kerklaan. Momenteel is het terrein in gebruik als agrarisch grasland en vormt het een groene overgang tussen dorp en buitengebied. In figuur 2.1 is de huidige situatie weergegeven op een luchtfoto, bezien vanuit het zuiden.
Figuur 2.1: Luchtfoto huidige situatie plangebied gezien vanuit het zuiden (bron: Cyclomedia)
Het plangebied wordt zowel aan de noordzijde als de zuidzijde begrenst door een watergang en een houtopstand. Het plangebied wordt aan de oostzijde van het perceel begrenst door een watergang, welke het plangebied scheidt van perceel Dorpsstraat 49. De westelijke grens van het plangebied ligt ter hoogte van perceel Kerklaan 16.
Het plangebied ligt aan de rand van het dorp Koekange. De omgeving van het plangebied heeft een agrarisch karakter. De omliggende agrarische percelen strekken zich in west-oostelijke richting uit. Enige agrarische percelen worden omgeven door een houtsingel.
Het plangebied grenst aan de zuidkant aan de Kerklaan. De Kerklaan is een gemeentelijke weg welke in westelijke richting wordt ontsloten op de Koekanger Dwarsdijk en is oostelijke richting op de Dorpsstraat. Deze beide straten sluiten in noordelijke richting aan op de provinciale weg N375. Het plangebied ligt op ongeveer 250 meter van de spoorwegovergang van de spoorlijn Meppel - Hoogeveen.
De gemeente De Wolden is van plan om aan de Kerklaan, aan de noordkant van Koekange, in totaal 20 nieuwe woningen te realiseren. Voor de ontwikkeling is een stedenbouwkundig ontwerp gemaakt, welk is weergegeven in figuur 2.2. De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit vier twee-onder-een kapwoningen, één vrijstaande woning, drie keer vier aaneen rijenwoningen en één keer drie aaneen rijenwoningen.
Programma
Er worden in totaal 20 woningen mogelijk gemaakt. Het betreft een mix van sociale huurwoningen, betaalbare koopwoningen, middelduur koopwoningen en dure woningen.
Inrichting plangebied
Het plangebied wordt ingericht met nieuwe ontsluitingswegen, groenstroken inclusief bomen, voetpaden, 35 parkeerplaatsen en water (gangen). Het plangebied wordt in zuidelijke richting ontsloten op de Kerklaan.
Figuur 2.2: Stedenbouwkundig plan uitbreiding Koekange (bron: gemeente De Wolden, versie 24-06-2025)
De nieuwe plek voor woningbouw is gelegen aan de Kerklaan tegen de dorpskern aan. De grond is in eigendom van de gemeente. Op dit moment wordt deze grond gebruikt en verpacht als weiland. Het stedenbouwkundig plan is gemaakt voor 20 woningen. De ontsluiting is aan de Kerklaan. De structuur van ontsluiting en wegen sluiten aan bij de Prinses Margrietlaan en de Prins Bernhardlaan en zijn zodoende een verlenging daarvan. De typologie van de bebouwing en ook de dichtheid sluit aan op de bestaande bebouwing van het dorp.
De karakteristieke hakhoutbosjes worden opnieuw als overgang naar de weidegronden aangeplant. Zo ontstaat er een samenhangende inpassing bij het dorp, waarbij de kenmerken van het historische landschap worden gerespecteerd. In het nieuwe plan wordt voldoende rekening gehouden met wateropvang, tijdelijke waterberging en bodem infiltratie, om een verantwoorde waterhuishouding te borgen.
Sinds begin 2022 werken de gemeente De Wolden en de Werkgroep Wonen in Koekange intensief samen aan de planvorming voor woningbouw aan de Kerklaan in Koekange. In dit traject is veel aandacht besteed aan participatie en communicatie met inwoners, belanghebbenden en direct omwonenden. In bijlage 1 is een overzicht opgenomen van alle gedane participatie en communicatie over het planvoornemen.
Door middel van werksessies, enquêtes, persberichten en inloopavonden is actief ingezet op het ophalen van ideeën, het delen van informatie en het creëren van draagvlak. Ook Plaatselijk Belang Koekange is nauw betrokken geweest bij het proces. Transparantie, betrokkenheid en samenwerking vormden hierbij de rode draad. Deze aanpak heeft gezorgd voor een breed gedragen plan dat aansluit bij de wensen en behoeften van het dorp.
Onder de Omgevingswet is informeel vooroverleg over plannen mogelijk. Het vooroverleg voor wijzigingen van het omgevingsplan is in de Omgevingswet juridisch niet geregeld. Het vooroverleg is vormvrij. Door bij ruimtelijke ontwikkelingen in een vroeg stadium met elkaar op te trekken, kunnen knelpunten in een vroeg stadium worden gesignaleerd. De gemeente zal het concept van deze wijzing van het omgevingsplan ook in het kader van het informeel vooroverleg ter beoordeling toesturen aan de overlegpartners. De gemeente zal de overlegpartners verzoeken aan te geven of er specifieke aandachtspunten aan de orde zijn waarmee rekening dient te worden gehouden in het omgevingsplan.
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (hierna: NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt om keuzes te maken, te kiezen voor slimme combinaties van functies en uit te gaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle projecten met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. Bij de NOVI hoort een Uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe uitvoering wordt gegeven aan de NOVI.
Binnen de NOVI zijn 8 voorlopige aandachtsgebieden geformuleerd als zogeheten NOVI-gebied. In een NOVI-gebied krijgt een aantal concrete vraagstukken extra prioriteit. Dit helpt om grote veranderingen en ruimtelijke opgaven in een regio beter te realiseren.
Opgaven
Er is in Nederland sprake van een aantal dringende maatschappelijke opgaven. Deze opgaven kunnen niet apart van elkaar worden opgelost. Ze moeten in samenhang bekeken worden. Ze grijpen in elkaar en vragen meer ruimte dan beschikbaar is in Nederland. Niet alles kan, niet alles kan overal. Op het niveau van nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven aan de omgeving in Nederland, verwoord in vijf opgaven:
De bouw van ongeveer 1 miljoen nieuwe woningen;
Realiseren opgaven
In de NOVI is een tweetal instrumenten opgenomen om de opgaven te realiseren:
De Omgevingsagenda
Momenteel wordt voor Noord-Nederland gewerkt aan een omgevingsagenda. Als voorloper is er gewerkt aan een Contour Omgevingsagenda waarin acht omgevingsopgaven zijn benoemd:
De NOVI-gebieden
Een NOVI-gebied is een instrument waarbij Rijk en regio meerdere jaren verbonden zijn aan de gezamenlijke uitwerking van de verschillende opgaven in het ruimtelijke domein. Vaak wordt voortgebouwd op bestaande samenwerkingstrajecten. Denk aan een Regiodeal en/of een verstedelijkingsstrategie. De regio waarvan de gemeente De Wolden deel uitmaakt is niet aangewezen als NOVI-gebied. Het beleid uit de NOVI is derhalve niet van toepassing op de ontwikkeling in het plangebied.
Uitvoering
De NOVI gaat vergezeld van een uitvoeringsagenda, waarin staat aangegeven hoe het Rijk invulling geeft aan zijn rol bij de uitvoering van de NOVI. In de Uitvoeringsagenda zijn onder andere een overzicht van instrumenten en (gebiedsgerichte) programma's op de verschillende beleidsterreinen te vinden. De Uitvoeringsagenda zal, indien nodig, jaarlijks worden geactualiseerd.
Toetsing en conclusie
De ontwikkeling in het plangebied raakt, gezien de relatief kleine omvang, geen opgaven die zijn opgenomen in de NOVI en draagt door het realiseren van extra woningen in Koekange bij aan de opgave om steden en regio's sterker en leefbaarder te maken.
Op 13 september 2022 is door de Provinciale Staten van Drenthe de Omgevingsvisie Drenthe 2022 vastgesteld. Een belangrijke opgave uit de omgevingsvisie is het waarderen van de Drentse kernkwaliteiten en het ontwikkelen van een bruisend Drenthe passend bij deze kernkwaliteiten. De kernkwaliteiten zijn de kwaliteiten die bijdragen aan de identiteit en aantrekkelijkheid van Drenthe. Het provinciaal belang is het behouden en, waar mogelijk, ontwikkelen van de kernkwaliteiten. De kernkwaliteiten zijn:
Naast bovenstaande kernkwaliteiten hecht de provincie Drenthe waarde aan een zorgvuldig ruimtegebruik en de bescherming van de milieu- en leefomgevingskwaliteit. Veel ingrepen in de ruimte hebben gevolgen voor de langere termijn en beperken ontwikkelingsmogelijkheden in de toekomst. Het zorgvuldig gebruiken van de ruimte is van provinciaal belang.
Het beschermen van de milieukwaliteit van de leefomgeving is veelal op Europees en nationaal niveau geregeld. Daarbij zijn diverse taken en verantwoordelijkheden bij de provincies neergelegd. Deze taken, gericht op het beschermen van de kwaliteit van lucht, water en bodem en het verbeteren van verkeersveiligheid, waterveiligheid en externe veiligheid, zijn van provinciaal belang. In hoofdstuk 4 worden de verschillende milieu- en omgevingsaspecten besproken.
Hieronder wordt het voornemen getoetst aan de waar relevante kernkwaliteiten uit de Omgevingsvisie van de provincie Drenthe.
Kernkwaliteit Landschap
Binnen de provincie Drenthe zijn verschillende landschapstypen te onderscheiden:
Wegdorpenlandschap van de laagveenontginning
Het plangebied valt binnen het landschapstype Wegdorpenlandschap. Het wegdorpenlandschap van de laagveenontginning, ook wel het ‘slagenlandschap’, ligt op de laagstgelegen plekken in de provincie Drenthe, waar in de benedenlopen van de beekdalen veen is ontstaan. Kenmerkend zijn de ontginningsassen, de langgerekte lintdorpen (waarvan het karakter en de sfeer grotendeels bepaald worden door bebouwing en wegbeplanting) en de grote, open weidegebieden (met de smalle, langgerekte verkaveling en het slotenpatroon haaks op de ontginningsas). Sommige delen hebben door de kavelgrensbeplanting een min of meer besloten karakter.
De gewenste ontwikkeling van de 20 woningen vindt plaats in het landelijk gebied, waardoor de provinciale belangen moeten worden afgewogen bij de planvorming van de voorgenomen ontwikkeling. Van provinciaal belang voor wegdorpenlandschap van de laagveenontginning is het open weidegebied en de smalle verkaveling met het fijnmazige slotenpatroon. Het provinciaal beleid is gericht op het behouden en versterken van het open karakter en de smalle verkavelingsstructuur.
Om te komen tot een goede inrichting vanuit de kernkwaliteit landschap is een stedenbouwkundig plan opgesteld (zie 2.2.1) waaruit wordt aangesloten op de bestaande landschappelijk elementen in het landelijke gebied en ook bij de omliggende bebouwing van het dorp Koekange. Zo worden de houtsingels ten noorden en zuiden van het plangebied behouden. Zo worden de landschappelijk elementen in het landelijk gebied behouden, wordt er uitwerking gegeven aan de Kernkwaliteit landschap voor het landschapstype en worden de provinciale belangen voldoende geborgd.
Kernkwaliteit natuur
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een robuuste, samenhangende structuur van natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden, ecologische verbindingen en agrarische gebieden met hoge natuurwaarden, bijvoorbeeld gebieden met agrarisch natuurbeheer. Het plangebied grenst niet aan een NNN gebied. De voorgenomen ontwikkeling in Koekange maakt geen woningbouw mogelijk binnen NNN-gebied.
Kernkwaliteit cultuurhistorie
Het plangebied ligt in Deelgebied Cultuurhistorie - De Reest en Meppel. Bepalend voor de hoofdstructuur van dit gebied is de waaier van waterlopen waartussen de randveenontginningen liggen met hun bebouwingslinten. Waar de waterlopen samenkomen heeft Meppel zich vanaf de middeleeuwen ontwikkeld als handelsstad en doorvoerhaven. De randveenontginningen kenmerken zich door bewonings- en ontginningsassen op smalle zandruggen, met van daaruit smalle, zeer lange verkavelingsstroken, en veelal een jongere 2de bewoningsas, zoals bij Ruinerwold. Bij Kolderveen en Nijeveen zijn enkele middeleeuwse griften (turfkanalen) nog aanwezig. De grillige loop van de Reest is authentiek gebleven als grensrivier met Overijssel, met aan weerszijden zandkoppen waarop losse erven en esgehuchten zich aftekenen als eilanden in een open uitgestrekt beekdal.
Kernkwaliteit Aardkundige waarden - beschermingsniveau generiek
De identiteit van Drenthe en het Drentse landschap wordt sterk bepaald door het natuurlijke bodem- en grondwatersysteem. Kenmerkende aardkundige elementen, de opbouw van de ondergrond (bijvoorbeeld de aanwezigheid van keileem en het voorkomen van bijzondere bodems) en actieve geologische processen (bijvoorbeeld meandering en zandverstuiving) worden beschouwd als aardkundig erfgoed. De provincie stelt in deze gebieden voor om mogelijk aardkundige kwaliteiten als inspiratiebron bij ontwikkelingen te gebruiken. In en rondom het plangebied is sprake van een hoog beschermingsniveau voor aardkundige waarden.
Het plangebied ligt in het beschermingsgebied 'Aardkundige waarden - beschermingsniveau generiek'. In deze gebieden kunnen aardkundige kwaliteiten als inspiratiebron bij ontwikkelingen worden gebruikt. Wij verwachten van gemeenten dat zij in deze gebieden nagaan welk kenmerkend aardkundig erfgoed aanwezig is en dat zij hieraan bescherming geven via de gemeentelijk omgevingsvisie en plannen en initiatieven daarop beoordelen. Voor zover dit op deze schaal mogelijk is wordt bij ontwikkeling van het plangebied rekening gehouden met deze kernkwaliteit, zodat deze niet wordt aangetast. Hier wordt in de volgende paragraaf (4.2.2) onder Aardkundige waarden verder op ingegaan, omdat deze kernkwaliteit doorwerking heeft in de provinciale omgevingsverordening.
Conclusie
De voorgenomen woningbouwontwikkeling in Koekange is in overeenstemming met de kernkwaliteiten zoals benoemd in de omgevingsvisie van de provincie Drenthe. Er hoeven geen aanvullende maatregelen worden getroffen of regelingen worden opgenomen.
Met de Omgevingsverordening 2024 vertaalt de provincie Drenthe de omgevingsvisie Drenthe door naar een verordening voor de planologisch relevante aspecten in de fysieke leefomgeving. De omgevingsverordening schrijft voor dat, wanneer bij een ruimtelijk project kernkwaliteiten betrokken zijn, deze in het project uiteengezet worden. Daarbij wordt aangegeven in welke mate het project bijdraagt aan het behoud en de ontwikkeling van de betrokken kernkwaliteiten. De Omgevingsvisie Drenthe en de uitwerkingen daarvan geven hiervoor aanwijzingen.
Het projectgebied voor woningbouw ligt zowel binnen als buiten het bestaand stedelijk gebied. Op grond hiervan gelden de volgende instructieregels uit de omgevingsverordening.
De volgende regels zijn van toepassing op het plangebied:
Artikel 3.1 Kernkwaliteit Landschap
Zoals al aangegeven in paragraaf 4.2.1 is het plangebied gelegen in de Kernkwaliteit landschap (Wegdorpenlandschap van de laagveenontginning). In het omgevingsplan is gehouden aan de volgende randvoorwaarden:
In paragraaf 2.2.2 wordt ingegaan op de ruimtelijke inpassing van de gewenste woningbouwontwikkeling op de beeldkwaliteit. Door rekening te houden met de uitgangspunten uit deze paragrafen wordt voldoende rekening gehouden met de landschappelijke kwaliteiten van de omgeving. De kernkwaliteit landschap wordt niet aangetast. Er kan worden voldaan aan instructieregel 3.1 uit de provinciale omgevingsverordening.
Artikel 3.4 lid 3 Kernkwaliteit Aardkundige Waarden
Het plangebied ligt binnen het gebied 'Aardkundige waarden - Beschermingsniveau generiek', waardoor het omgevingsplan:
Bij ontwikkelingen met ingrepen in de bodem verwachten wij een goede analyse van de aardkundige waarden. Doel is om in de planvoorbereiding de bodemopbouw en het reliëf zoveel mogelijk te behouden, waar dit niet mogelijk is verwachten wij dat de informatiewaarde van bodem wordt vastgelegd.
Om te onderzoeken of in het plangebied de aardkundige waarden al zijn aangetast is een archeologisch onderzoek uitgevoerd, zie bijlage 8. De resultaten van dit onderzoek worden ook behandeld in 5.12. Uit de onderzoeksresultaten volgt dat er geen nader archeologisch onderzoek nodig is binnen het onderzoeksgebied (plangebied voor de voorgenomen ontwikkeling) en dat de gronden kunnen worden vrijgegeven voor het realiseren van de voorgenomen ontwikkeling. Het bevoegd gezag, de gemeente De Wolden, heeft het onderzoeksrapport beoordeeld en het bovenstaand advies overgenomen.
Met bovenstaande is aangetoond dat er voldoende invulling is gegeven aan instructieregel 3.4 uit de provinciale omgevingsverordening.
Artikel 3.16 Woningbouw, lid 1
Lid 1 van dit artikel uit de provinciale omgevingsverordening stelt dat woningbouw in het landelijk gebied mogelijk is, mits het aansluit op het bestaand stedelijk gebied en het plan de behoefte aantoont die in de woonvisie genoemd is.
De beoogde woningbouwontwikkeling in Koekange sluit aan op het bestaand stedelijk gebied van Koekange. In de woon(zorg)visie heeft gemeente De Wolden de ambitie geformuleerd om tot 2030 750 tot 1.000 woningen toe te voegen. Eind maart 2025 is deze ambitie bijgesteld naar 810 tot 1.060 extra woningen tot 2030. Hiervan zouden 75 tot 100 woningen in Koekange gerealiseerd moeten worden. Met 20 woningen betekent de voorgenomen ontwikkeling in Koekange een aanzienlijke bijdrage levert aan de behoefte uit de woonvisie van de gemeente. Hiermee toont het plan de behoefte aan die genoemd is in de woonvisie van de gemeente.
Uit voorgaande blijkt dat wordt voldaan aan de instructieregel uit artikel 3.16 lid 1 van de provinciale omgevingsverordening.
Artikel 3.21 Mobiliteit
Artikel 3.21 geeft aan dat inzicht moet worden verkregen op de verkeersbewegingen die van wezenlijke invloed kunnen zijn op de verkeersafwikkeling via bestaande infrastructuur. Dit zijn:
Paragraaf 5.2 gaat in op het aspect mobiliteit. Hieruit blijkt dat binnen het plangebied wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen om de parkeerbehoefte op te lossen. Het omliggende (Basisnetwerk) wegennet kan de verkeerstoename vanuit de beoogde ontwikkeling probleemloos vlot en veilig verwerken.
Uit voorgaande blijkt dat er voldaan wordt aan artikel 3.21 uit de provinciale omgevingsverordening.
Conclusie omgevingsverordening Drenthe
De voorgenomen woningbouwontwikkeling in Koekange is niet is strijd met de relevante instructieregels uit de omgevingsverordening van de provincie Drenthe. Er hoeven geen aanvullende maatregelen worden getroffen of regelingen worden opgenomen.
Bij de woningbouwontwikkeling in Koekange wordt rekening gehouden met de toegekende kernkwaliteiten uit de omgevingsvisie en wordt voldaan aan de instructieregels uit de omgevingsverordening van de provincie Drenthe. Uit het voorgaande blijkt dat de provinciale belangen voldoende zijn geborgd.
Er is steeds vaker sprake van extreme weersomstandigheden. De huidige inrichting van onze gemeente is hier niet op berekend. Onze infrastructuur, inrichting en bebouwing is van goede kwaliteit, maar nog niet klaar voor het veranderende klimaat. Daarom is het belangrijk om klimaatadaptatie stevig te integreren in de plan- en besluitvorming. Het Klimaatadaptatieplan 2023-2028 maakt inzichtelijk welke gevolgen van het veranderende klimaat er in de gemeente De Wolden wel en niet worden geaccepteerd en hoe de gemeente daarmee omgaat in de komende 6 jaar.
Klimaatadaptatie-eisen bij nieuwbouw
Onderdeel van het Klimaatadaptatieplan van gemeente De Wolden is de beslisboom voor klimaatadaptatie-eisen bij (nieuw)bouw:
Toetsing
De voorgenomen ontwikkeling in Koekange heeft een compact, maar groen karakter. De eis van 5% vrijhouden van bebouwing wordt dan ook ruimschoots gehaald. Daarnaast wordt er door het aanleggen van de watergang langs de Kerklaan voorzien in het opvangen van hemelwater. Daarnaast worden er binnen het plangebied door het graven van de watergang en het planten van bomen voorzien in koele, schaduwrijke verblijfsplekken. Op basis van voorgaande wordt voldaan aan de klimaatadaptatie-eisen bij nieuwbouw. De voorgenomen ontwikkeling is daarmee in overeenstemming met het beleidsstuk Klimaatadaptieplan van de gemeente De Wolden.
Algemeen
De Wolden is een aantrekkelijke plek om te wonen. Het is een landelijke gemeente met een grote diversiteit aan landschappen en groenstructuren. Het is een goed bereikbare gemeente en de voorzieningen binnen de gemeente zijn over het algemeen goed bereikbaar voor de inwoners.
De Wolden heeft, zoals het hele land, te maken met verschillende uitdagingen op de woningmarkt en in de volkshuisvesting. Er is een tekort aan woningen en vooral starters en jonge huishoudens vinden moeilijk een woning, de huizenprijzen stijgen, het aantal woningzoekenden met een zorgvraag neemt toe en de bouwkosten stijgen.
De gemeente De Wolden heeft het beleidsdocument 'Woon(zorg)visie' opgesteld om vorm te geven aan bovenstaande opgaven. Hieronder wordt ingegaan aan hoe de voorgenomen ontwikkeling in Koekange invulling geeft aan het beleid uit de Woon(zorg)visie.
Ambities woon(zorg)visie
De gemeente De Wolden werkt aan een toekomstbestendige woonvoorraad. De Wolden verwacht een huishoudensgroei, enerzijds omdat mensen van buiten de gemeente naar De Wolden verhuizen en anderzijds omdat er steeds meer kleine huishoudens zijn. In de woon(zorg)visie 2023-2027, "Veelzijdig wonen in De Wolden!", staan de zes ambities genoemd die De Wolden in dit kader heeft geformuleerd voor de komende jaren:
Het woon(zorg)visie zet vooral in op het realiseren van betaalbare woningen voor starters en wil ook de doorstroming op gang brengen. Er is vooral behoefte aan betaalbare en middeldure woningen.
Toetsing
De voorgenomen ontwikkeling maakt nieuwbouw mogelijk aan de rand van de kern Koekange. Zo wordt bijgedragen aan de woningbouwbehoefte in gemeente De Wolden en de kern Koekange. Daarnaast worden de nieuwe woningen duurzaam gebouwd, volgens de meest recente eisen. Zodoende draagt de voorgenomen ontwikkeling in Koekange bij aan de twee ambities van de Woonzorgvisie.
In het Actieplan Klimaat en Energie 2021-2024 staat hoe de gemeente ervoor wil zorgen dat in 2040 de hele gebouwde omgeving van De Wolden energieneutraal is. De gemeente wil dit bereiken door het gasverbruik volledig te verduurzamen en steeds meer duurzame elektriciteit op te wekken. In het Actieplan wordt ingezet op het goede voorbeeld geven als gemeente, toegankelijke mogelijkheden voor financiering van energiebesparing en –opwekking en het ondersteunen van lokale (duurzaamheids)initiatieven.
De ambities uit het Actieplan Klimaat en Energie zijn direct van toepassing op woningbouw in de gemeente De Wolden. Nieuwe woningbouwprojecten, zoals de voorgenomen ontwikkeling in Koekange, worden ontwikkeld met het doel om bij te dragen aan een energieneutrale gebouwde omgeving in 2040. Dat betekent dat bij het ontwerp en de realisatie van nieuwe woningen al vanaf het begin rekening wordt gehouden met duurzaamheid, energie-efficiëntie en het gebruik van hernieuwbare energiebronnen. Denk daarbij aan goed geïsoleerde woningen, zonnepanelen, warmtepompen in plaats van gasaansluitingen en voorzieningen voor lokale energieopwekking.
Daarnaast speelt het beperken van de energievraag een belangrijke rol. Door in te zetten op slimme indeling, hoogwaardige bouwmaterialen en duurzame installaties kunnen nieuwbouwwoningen significant minder energie verbruiken. Dit sluit aan bij de doelstelling om het gasverbruik te verlagen en het resterende verbruik volledig in te vullen met groen gas. Ook stimuleert de gemeente lokale energie-initiatieven en samenwerking met bewoners en ontwikkelaars, wat leidt tot integrale wijkaanpakken waarbij energie, klimaatadaptatie en leefbaarheid hand in hand gaan.
Toetsing
Met de voorgenomen woningbouwontwikkeling in Koekange worden 20 woningen gerealiseerd. De woningen worden gebouwd volgens de meest recente duurzaamheidsstandaarden, zoals hoogwaardige bouwmaterialen. Daarnaast worden de woningen gasloos gebouwd. Daarnaast krijgt elk woonperceel een groene tuin en wordt de openbare ruimte binnen het plangebied met groen en water ingericht. Zodoende wordt aangesloten bij de ambities uit het beleidsdocument Actieplan Klimaat en Energie van gemeente De Wolden.
De voorgenomen woningbouwontwikkeling in Koekange is getoetst aan relevante beleidsstukken van gemeente De Wolden. De voorgenomen ontwikkeling sluit aan bij de verschillende ambities uit de gemeentelijke beleidsdocumenten. Hieruit blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling in lijn is met gemeentelijk beleid.
Op basis van de Omgevingswet moeten gemeenten ervoor zorgen dat de regels in het omgevingsplan leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Dit wordt bereikt door activiteiten en functies te reguleren en te koppelen aan locaties voor het gemeentelijke grondgebied. Alle regels in het omgevingsplan samen moeten leiden tot een ETFAL, rekening houdend met alle betrokken belangen. De instructieregels van het Rijk (Besluit kwaliteit leefomgeving) en de provincie (provinciale verordening) geven mede invulling aan de ETFAL.
De aard, omvang en locatie van de activiteit(en) zijn bepalend voor de milieu-, en omgevingsaspecten en andere thema's die onderzocht moeten worden als onderdeel van de motivering van de wijziging van het Omgevingsplan. Dit is nodig met het oog op de ETFAL. In onderstaande paragrafen wordt ingegaan op de verschillende milieuaspecten. De milieuaspecten (slag)schaduw en windhinder worden in dit hoofdstuk niet behandeld, aangezien deze thema's niet relevant zijn voor dit plan.
In Bijlage V van het Omgevingsbesluit (Ob) is aangegeven welke activiteiten mer-(beoordelings)plichtig zijn. Activiteiten die zijn genoemd in kolom 1 zijn mer-plichtig als wordt voldaan aan de drempelwaarden uit kolom 2 en mer-beoordelingsplichtig in gevallen als genoemd in kolom 3. In kolom 4 staat aangegeven bij welk besluit de mer-(beoordelings)plicht geldt.
Voor mer-beoordelingsplichtige activiteiten moet worden onderzocht of deze aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. De criteria om dit vast te stellen zijn genoemd in bijlage III van Richtlijn 2011/92/EU (richtlijn m.e.r.). Samengevat zijn dit de kenmerken van een plan, de locatie van een plan en soort en kenmerken van de verschillende milieueffecten.
De initiatiefnemer van een in Bijlage V aangewezen project moet daarvan mededeling doen bij het bevoegd gezag, doorgaans het college van B&W (artikel 16.45, lid 1 van de Omgevingswet). In die mededeling (de aanmeldingsnotitie) is een beschrijving van het project, de locatie en de mogelijke milieueffecten opgenomen (artikel 11.10 Ob). Het bevoegd gezag beslist binnen zes weken of sprake is van aanzienlijke milieueffecten en neemt die beoordeling op in de omgevingsvergunning (artikel 11.11 Ob).
De beoogde ontwikkeling, namelijk het mogelijk maken van 20 woningen, wordt gezien als een stedelijk ontwikkelingsproject. Categorie J11 uit Bijlage V van het Ob is van toepassing. Hiervoor geldt een project-mer-beoordelingsplicht. In bijlage 2 is de mer-beoordeling opgenomen. Uit de informatie in de mer-beoordeling blijkt dat de kenmerken en de plaats van het project geen aanleiding vormen voor het doorlopen van een mer-procedure. Het stedelijk ontwikkelingsproject leidt niet tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Het doorlopen van een volledige mer-procedure is niet noodzakelijk.
Er is geen sprake van nadelige milieugevolgen. Het doorlopen van een volledige mer-procedure is niet noodzakelijk.
Verkeer en parkeren moeten als omgevingsaspecten in het belang van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden beoordeeld. De Omgevingswet en het Bkl stellen geen regels op het gebied van verkeer.
Voor het aspect parkeren dient aangetoond te worden dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig is voor het opvangen van de beoogde parkeerbehoefte en dat de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersveiligheid en verkeersafwikkeling van het omliggende wegennet. De CROW-richtlijnen blijven net als in de huidige praktijk belangrijk bij de beoordeling van verkeer en parkeren.
Daarnaast is Artikel 3.21 uit de POV van toepassing op het plangebied:
Een omgevingsplan dat betrekking heeft op Landelijk Gebied met nieuwe woningbouwlocaties, voorzieningen, kantoren, (dag)recreatieve voorzieningen of bedrijven, die verkeersbewegingen kunnen veroorzaken die van wezenlijke invloed zijn op de verkeersafwikkeling via bestaande infrastructuur, geven inzicht in:
a. de mogelijkheden van bestaande verkeers- en vervoersvoorzieningen om de extra mobiliteit veilig en adequaat op te vangen;
b. de wijze waarop binnen het plan wordt voorzien in een adequate en veilige aansluiting op het bestaande wegen- en fietspadennet;
c. de wijze waarop aansluiting op het Basisnetwerk openbaar vervoer wordt gerealiseerd.
Ontsluiting en verkeer
De verkeersgeneratie bedraagt 158,4 mvt/etmaal op een weekdag, zie bijlage 5 en onderstaand figuur 5.1. Voor het beoordelen van de verkeersafwikkeling is echter de gemiddelde werkdag maatgevend. Voor het omrekenen van weekdag naar werkdag wordt conform CROW 744 voor woonfuncties een omrekenfactor van 1,11 toegepast. Dit resulteert in een verkeersgeneratie van 175,8 mvt/etmaal op een gemiddelde werkdag.
Ten behoeve van de bereikbaarheid van het plangebied wordt de aanwezige sloot ten zuiden van het plangebied breder gemaakt en voorzien van een autobrug en een fiets- en voetgangersbrug. Het extra verkeer wikkelt zich vervolgens af via de Kerklaan, een weg met een maximumsnelheid van 30 km/uur. Deze weg kan de verkeerstoename vanuit de beoogde ontwikkeling probleemloos en veilig verwerken. Dit is in overeenstemming met artikel 3.21 van de POV.
Figuur 5.1: Verkeersgeneratie ontwikkeling (bron: EcoReest).
Parkeren
De gemeente De Wolden heeft op dit moment geen vastgesteld beleid met betrekking tot parkeren. Om deze reden zijn de CROW-richtlijnen (publicatie 744) gebruikt om de parkeerbehoefte te bepalen. Voor het bepalen van de te hanteren kencijfers wordt op basis van CBS-data voor de gemeente De Wolden een stedelijkheidsgraad van 'niet stedelijk' aangehouden. Het gebiedstype van de planlocatie is gedefinieerd als 'rest bebouwde kom'. Tenslotte wordt op basis van de omgevingsadressendichtheid en het gemiddelde autobezit binnen de gemeente De Wolden conform het CBS per kencijfer het gemiddelde van de bandbreedte aangehouden. De volgende parkeerkencijfers worden aangehouden:
Bovenstaande resulteert in een parkeerbehoefte van 41 parkeerplaatsen (kencijfer incl. bezoekersdeel). De benodigde parkeerplaatsen worden binnen het plangebied gerealiseerd. Hierdoor wordt voldaan aan de berekende parkeerbehoefte op basis van de CROW-publicatie 744. In de verkaveling is voldoende ruimte aanwezig om deze parkeerplaatsen te realiseren op eigen terrein en in het openbare gebied.
Binnen het plangebied wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen om de parkeerbehoefte op te lossen. Het omliggende wegennet kan de verkeerstoename vanuit de beoogde ontwikkeling probleemloos vlot en veilig verwerken. Er zijn geen aanvullende maatregelen nodig en het opstellen van aanvullende planregels is niet noodzakelijk.
Wanneer een geluidgevoelig gebouw mogelijk wordt gemaakt zal bij het wijzigen van het omgevingsplan rekening gehouden moeten worden met het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied. Dit betekent dat bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied een belangenafweging zal moeten worden gemaakt en deze goed zal moeten worden gemotiveerd.
Daarnaast zal de wijziging van het omgevingsplan erin moeten voorzien dat het geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein op geluidgevoelige gebouwen binnen een aandachtsgebied aanvaardbaar is (artikel 5.78s, tweede lid, Bkl). Het geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw door een weg, spoorweg of industrieterrein is in ieder geval aanvaardbaar als dit niet hoger is dan de standaardwaarde uit tabel 5.78t uit het Bkl. Ook moet de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid op een geluidgevoelig gebouw moeten worden beoordeeld (artikel 5.78s, derde lid jo. 5.78ac Bkl).
Tabel 5.1: Standaardwaarden en grenswaarden geluid per geluidbronsoort
| Geluidbronsoort | Standaardwaarde Lden [dB]2,3 | Grenswaarde Lden[dB] | Grenswaarde Lden[dB] | ||
| Vaststellen geluidproductieplafonds Aanleg/wijziging wegen/lokale spoorwegen zonder geluidproductieplafonds |
Nieuw geluidgevoelig gebouw | ||||
| Provinciale wegen
Rijkswegen |
50 | 651 | 60 | ||
| Gemeentewegen Waterschapswegen |
53 | 70 | 70 | ||
| Lokale spoorwegen Hoofdspoorwegen |
55 | 70 | 65 | ||
| Industrieterreinen | 50 Lden/40 Lnight | 60 Lden/50 Lnight | 55 Lden/45 Lnight | ||
Indirecte effecten
Indirecte effecten kunnen worden veroorzaakt door een toename van de verkeersintensiteit veroorzaakt op een weg of spoorweg. De toename door invloed van het initiatief mag in beginsel niet leiden tot een toename van de geluidbelasting met meer dan 1,5 dB als gevolg van de beoogde ontwikkeling. Een toename van meer dan 1,5 dB is mogelijk als er geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen, dan wel de toename zoveel als mogelijk wordt beperkt en wordt voldaan aan de grenswaarden volgens tabel 5.1. Hierbij dient ook de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid beoordeeld te worden. De indirecte effecten vanwege veranderend verkeer hoeven alleen te worden beoordeeld voor gemeentewegen, waterschapswegen met een verkeersintensiteit van meer dan 1.000 mvt/etmaal, niet zijnde een woonerf.
De ontwikkeling betreft het toelaten van nieuwe geluidgevoelig gebouwen met een woonfunctie binnen het geluidaandachtsgebieden van de geluidbronsoort gemeentewegen en de geluidsbronsoort spoorwegen. Het plangebied ligt niet in of nabij een industrieterrein.
Aangetoond moet worden dat de ontwikkeling in overeenstemming is met de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en dat het geluid aanvaardbaar is. Om de aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting op de tijdelijke woningen te onderzoeken is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Het complete onderzoek is te raadplegen in bijlage 3.
Uit het onderzoek blijkt dat zowel de standaardwaarde voor de geluidbronsoort gemeentewegen als de standaardwaarde voor de geluidbronsoort spoorwegen niet wordt overschreden. Het geluid kan daarom als aanvaardbaar worden beschouwd. Omdat de standaardwaarde voor deze geluidbronsoorten niet wordt overschreden is het niet nodig om het gezamenlijk geluid in het omgevingsplan vast te leggen. Er hoeven qua geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen geen aanvullende planregels worden opgesteld om te voldoen aan de instructieregels en van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Er is een aanvaardbare situatie ter plaatse. Vanuit het aspect geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen is er geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Er zijn geen aanvullende maatregelen nodig en het opstellen van aanvullende planregels is niet noodzakelijk om te voldoen aan de ETFAL en de instructieregels.
Geluid is relevant in het licht van de aangevraagde activiteit, omdat geluidgevoelige gebouwen (woningen) worden toegelaten waarop geluid wordt veroorzaakt door activiteiten in de omgeving. De instructieregels van paragraaf 5.1.4.2 van het Bkl zijn van toepassing. In deze instructieregels is onder meer bepaald dat het geluid door een activiteit op de nieuw te bouwen woningen aanvaardbaar moet zijn (artikel 5.59). De regels uit de bruidsschat gelden op de locatie. Deze regels geven invulling aan de instructieregels uit het Bkl.
Met de beoogde ontwikkeling worden geluidgevoelige gebouwen (woningen) mogelijk gemaakt. Er worden geen geluidveroorzakende activiteiten mogelijk gemaakt. In de directe omgeving kunnen zich (bedrijfs)activiteiten bevinden die van invloed zijn op de geluidsbelasting op de beoogde geluidgevoelige bebouwing. In onderstaande alinea's wordt hier verder op ingegaan.
Stationsweg 21 – Bestemming 'Agrarisch met waarden'
Ten noorden van het plangebied is een perceel met de bestemming 'Agrarisch met waarden' gelegen. In de huidige situatie is hier een melkrundveehouderij gevestigd. De VNG-afstandentabel uit 'Bedrijven en Milieuzonering' (2009) biedt een indicatie of het aannemelijk is dat de geluidwaarden van de bruidsschat in acht genomen kunnen worden. Voor de activiteit 'fokken en houden van rundvee' geldt een richtafstand van 100 meter. De huidige afstand bedraagt ongeveer 175 meter en voldoet hiermee aan de richtafstanden ten opzichte van de huidige activiteit. Er kan worden voldaan aan de geluidwaarden uit de bruidsschat dat opgenomen is in het gemeentelijke omgevingsplan.
Dorpsstraat 57 – Bestemming 'Detailhandel'
Ten noorden van het plangebied is een perceel met de bestemming 'Detailhandel' gelegen. In de huidige situatie is hier een gereedschapswinkel met werkplaats gevestigd. Voor de activiteit 'detailhandel voor zover n.e.g.' en 'reparatie t.b.v. particulieren (excl. auto's en motorfietsen)' geldt een richtafstand van 10 meter. Daarnaast wordt er binnen de bestemming vuurwerk opgeslagen. Het gaat om de activiteit 'groothandel in vuurwerk en munitie: - consumentenvuurwerk, verpakt. Opslag < 10 ton'. Voor deze activiteit geldt een richtafstand van 30 meter.
Het bestemmingsplan staat ook andere bedrijven toe. De bijbehorende richtafstand betreft 'worst-case' 30 meter bij de activiteit 'bouwmarkten, tuincentra, hypermarkten'.
De huidige afstand bedraagt ongeveer 100 meter en voldoet aan de richtafstanden ten opzichte van de huidige en maximaal planologische situatie. Er kan worden voldaan aan de geluidwaarden uit de bruidsschat dat opgenomen is in het gemeentelijke omgevingsplan.
Kerklaan 18 – Bestemming 'Maatschappelijk'
Ten zuiden van het plangebied is een perceel met de bestemming 'Maatschappelijk' gelegen. In de huidige situatie is hier een verenigingsgebouw gevestigd. Voor de activiteit 'Buurt- en clubhuizen' geldt een richtafstand van 30 meter. Volgens een artikel van RTV Drenthe uit mei 2022 wordt het verenigingsgebouw gebruikt voor de opvang van Oekraïense vluchtelingen. Het bestemmingsplan staat bedrijven toe met een maximale richtafstand van 30 meter bij de activiteiten 'scholen voor beroeps-, hoger en overig onderwijs' en 'ziekenhuizen'.
De huidige afstand bedraagt ongeveer 60 meter en voldoet aan de richtafstanden ten opzichte van de huidige en maximaal planologische activiteiten. Er kan worden voldaan aan de geluidwaarden uit de bruidsschat dat opgenomen is in het gemeentelijke omgevingsplan.
Er is een aanvaardbare situatie ter plaatse. Vanuit het aspect geluid door activiteiten is er geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Er zijn geen aanvullende maatregelen nodig en het opstellen van aanvullende planregels is niet noodzakelijk om te voldoen aan de ETFAL en de instructieregels.
In § 5.1.4.4 van het Bkl zijn de instructieregels met betrekking tot trillingen opgenomen. Daarbij gaat het onder andere om het toelaten van een trillinggevoelig gebouw waarop trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz worden veroorzaakt door een activiteit. Deze instructieregels gelden niet voor trillingen door doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen. Gemeenten kunnen in die gevallen zelf bepalen of en zo ja, welke regels zij voor trillingen van activiteiten in het omgevingsplan opnemen in het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De instructieregels van het Bkl zijn overigens wel van toepassing als in het omgevingsplan een trillingaandachtsgebied langs het spoor is vastgelegd. Daarvan is vooralsnog nog geen sprake.
In de omgeving zijn geen milieubelastende activiteiten die mogelijk trillinghinder veroorzaken ter plaatse van het plangebied. Vanwege de toenemende aandacht voor trillingen en trillinghinder langs spoorlijnen (met name waar veelvuldig goederentreinen rijden) is er sinds mei 2019 de “Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen” (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat). In de Handreiking wordt twee afstandscriteria aangegeven t.a.v. van de beoordeling van het aspect trillingen. Vindt een project plaats binnen een afstand van 100 meter van een spoorlijn, dan wordt geadviseerd een quickscan trillinghinder uit te voeren op basis van paragraaf 10.1 van de Handreiking. Vindt een project plaats binnen 250 meter afstand van een spoorlijn, dan moet worden beoordeeld in hoeverre klachten, bodemopbouw en/of het treinbeeld aanleiding geven voor het doen van nader onderzoek.
De spoorlijn ten noorden van het plangebied ligt op circa 250 meter het plangebied, zie figuur 5.2 en 5.3. Er is geen onderzoek naar trillingen noodzakelijk.
Figuur 5.2: Plangebied met spoortracé en zone 250 meter
Figuur 5.3: Plangebied met zone 250 meter vanaf het spoor
Wat betreft trillingen zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Artikel 5.129g Bkl regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist.
Bij een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand rekening gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling. Artikel 5.129g Bkl legt hiervoor geen grens vast. Geldende jurisprudentie is vanaf 12 woningen, een functiewijziging met een oppervlak groter dan 500 m² bvo, meer dan 500 m² bvo bebouwing of een functie die gelet op de ruimtelijke uitstraling een stedelijke ontwikkeling is. Leegstand mag volgens jurisprudentie niet 'onaanvaardbaar' zijn.
Als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied moet ook rekening worden gehouden met de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. De grens van het stedelijk gebied wordt bepaald door de omstandigheden van het geval, de specifieke ligging, de feitelijke situatie, het omgevingsplan en de aard van de omgeving.
De woningbouwontwikkeling bestaat uit maximaal 20 woningen aan de rand van stedelijk gebied van Koekange. Het plangebied ligt daarmee buiten het bestaand stedelijk gebied Op grond van vaste jurisprudentie is een plan vanaf 12 woningen in beginsel een stedelijke ontwikkeling. De Laddertoets moet alleen uitgevoerd worden wanneer de stedelijke ontwikkeling 'nieuw' is. De vraag is dan of meer bebouwing mogelijk wordt gemaakt dan het geldende omgevingsplan toestaat.
De voorgenomen ontwikkeling vindt plaats aan de rand van het bestaand stedelijke gebied. Gezien de locatie en de beperkte schaal en grootte van de voorgenomen woningbouwontwikkeling, is het toepassen van de ladder van duurzame verstedelijking niet relevant. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt namelijk strak tegen het bestaand stedelijk gebied aangebouwd. Daarnaast wordt met de ontwikkeling voorzien in de behoefte voor woningen in de kern Koekange, zoals aangetoond in 4.3.2.
Gezien de locatie en de beperkte schaal en grootte van de voorgenomen woningbouwontwikkeling is het toepassen van de ladder voor duurzame verstedelijking niet aan de orde.
Welstand gaat over hoe de uiterlijke kenmerken van een bouwwerk in de omgeving passen. Hierbij kan gedacht worden aan de vorm, kleur of gebruikte materialen. De redelijke eisen van welstand zijn uitgewerkt in de welstandsnota van de gemeente. In de bruidsschat zijn regels opgenomen met betrekking tot (1) repressief welstand (art. 22.7), oftewel de excessenregeling en (2) beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk (art. 22.29). Heeft de gemeente geen welstandsnota en ook geen beleidsregels voor de beoordeling van het uiterlijk van bouwwerken? Dan gelden de regels in de bruidsschat niet. De regel geldt ook niet bij een bouwwerk of in een gebied dat de gemeente als welstandsvrij heeft aangewezen.
In de 'Welstandsnota 2013' heeft de gemeente criteria opgesteld voor bouwplannen. De doelstelling van het welstandsbeleid is het veilig stellen van een basiskwaliteit van de gebouwde omgeving. Daar waar dit gewenst en mogelijk is, zal een verbetering van de kwaliteit van de gebouwde omgeving het doel zijn. In de welstandsnota zijn algemene criteria voor bouwplannen opgesteld. Een groot gedeelte van de gemeente de Wolden is aangewezen als zijnde 'welstandsvrij'. De gemeente streeft naar een gebalanceerd bebouwingsbeeld voor de voorgenomen ontwikkeling in Koekange.
In de gemeente De Wolden bestaat de bestuurlijke wens tot deregulering en meer verantwoordelijkheid bij de burger neer te leggen. Deze wens heeft er toe geleid dat in de raadsvergadering van 13 december 2012 de raad besloten heeft tot het welstandsvrij verklaren van grote gebieden van de gemeente. Daarmee heeft de gemeenteraad het vertrouwen in de burger uitgesproken dat hij/zij de verantwoordelijkheid aan kan om op een juiste wijze met de ruimtelijke kwaliteit in de gemeente De Wolden om te gaan.
Aangezien artikel 12a lid 1 van de Woningwet is komen te vervallen, is het niet langer mogelijk om de Welstandsnota uit 2013 te wijzigen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de geldende welstandsnota een beleidsregel als bedoeld in artikel 4.19 Omgevingswet geworden (zie artikel 4.114, lid 1 van de Invoeringswet Omgevingswet). De wettelijke grondslag van de welstandsnota is dus als gevolg van het overgangsrecht gewijzigd, maar de welstandsnota geldt nog steeds. Het plangebied is aangewezen als 'welstandsvrij' in de geldende welstandsnota. Voor de voorgenomen ontwikkeling wordt over het algemeen aangesloten bij het bebouwingsbeeld van de omliggende woongebieden van Koekange.
Het plangebied ligt in een welstandsvrij gebied. Er gelden qua uiterlijk van de gewenste bebouwing geen eisen. Het aspect welstand vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat geen instructieregels met betrekking tot soortenbescherming. Echter, bij het toelaten van een nieuwe ontwikkeling dient met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aangetoond te worden dat de ontwikkeling niet evident onuitvoerbaar is. Daarom zijn de effecten van de ontwikkeling op flora en fauna onderzocht. Het toelaten van een nieuwe ontwikkeling kan immers hinder en schade opleveren voor bepaalde soorten. Bij de beoordeling kan blijken dat sprake is van flora- en fauna-activiteiten. Wanneer hiervan sprake is, dient er een omgevingsvergunning aangevraagd te worden om vroegtijdig te kunnen beoordelen of er sprake is van een ETFAL.
Om aan te tonen of de beoogde ontwikkeling invloed heeft op flora en fauna is een quickscan uitgevoerd. Uit de quickscan natuurbescherming Omgevingswet (zie bijlage 4) wordt het volgende geconcludeerd:
Op basis van de bovenstaande bevindingen is verder onderzoek niet vereist. Te allen tijde geldt de specifieke zorgplicht, waardoor nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel mogelijk moeten worden voorkomen.
Het plan vormt geen belemmering voor het aspect ecologie: soortenbescherming, wel is het noodzakelijk dat een ecologisch werkprotocol wordt opgesteld en dat een deskundig ecoloog de planlocatie vrijgeeft voor de werkzaamheden. Het opstellen van aanvullende planregels is niet noodzakelijk.
Er zijn gebieden in Nederland die voor flora en fauna van groot belang zijn. Dit zijn de Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland-gebieden en andere bijzondere natuurgebieden en landschappen. Hiermee moet bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening worden gehouden. Bij de beoordeling kan blijken dat sprake is van Natura 2000-activiteiten: dit zijn activiteiten die significant nadelige gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied. Deze zijn meestal vergunningplichtig. Wanneer hiervan sprake is dienen deze direct te worden aangevraagd om vroegtijdig te kunnen beoordelen of er sprake is van een Evenwichtige Toedeling Van Functies Aan Locaties.
Natura 2000-gebieden
De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) wijst de Natura 2000-gebieden aan. Hiervoor gelden instandhoudingsdoelstellingen. De instandhouding moet zijn gericht op behoud. Het gaat ook om herstel dat moet worden nagestreefd om een habitattype of -soort weer in een gunstige staat te brengen. Nederland kent 162 Natura 2000-gebieden.
Natuurnetwerk Nederland-gebieden (NNN-gebieden)
Het NNN is een samenhangend landelijk ecologisch netwerk. Het is gericht op de bescherming, de instandhouding en zo nodig het herstel van een gunstige staat van instandhouding van:
Bijna alle aangewezen Natura 2000-gebieden zijn onderdeel van het NNN. De provincie heeft in de omgevingsverordening de NNN-gebieden opgenomen.
Bijzondere natuurgebieden en landschappen
Naast de Natura 2000-gebieden kan de Minister van LNV bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen. De provincie kan in de omgevingsverordening bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen aanwijzen.
Houtopstanden (bos)
Mocht het plan gevolgen hebben voor houtopstanden buiten de bebouwingscontour houtkap (dat wil zeggen: er moeten bomen worden geveld), gelden rijksregels uit het Bal. Bij vellen hoort een herplantingsplicht maar hierop bestaan uitzonderingen (zie artikel 11.111 Bal). Als de rijksregels voor vellen van toepassing zijn, is het vellen van houtopstanden verboden zonder eerst een melding te doen.
Natura 2000-gebieden
Het plangebied ligt buiten de begrenzing van Natura 2000-gebied. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden betreffen Holtingerveld, Dwingelderveld en De Wieden, op respectievelijk 8,3, 9,1 en 10,8 kilometer afstand (zie figuur 5.4).
De effectenindicator van Broekmeyer et al. (2014; 2006) is een hulpmiddel om mogelijke schadelijke effecten op Natura 2000-gebieden te bepalen. De effectenindicator bevat 28 categorieën van activiteiten. De categorie die het meest toepasbaar is op de beoogde werkzaamheden (sloop) betreft 'woningbouw'. Op basis van de effectenindicator kan de categorie 'woningbouw' in relatie tot de meest nabij gelegen Natura 2000-gebieden mogelijk leiden tot: oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring (licht, geluid, optisch), trillingen en mechanische effecten. Als aanvulling hierop kan ook sprake zijn van verzuring/vermesting als gevolg van stikstofdepositie. Uit het onderzoek (zie bijlage 4) blijkt dat er geen sprake is van potentiële effecten, behalve (mogelijk) stikstofdepositie. Om deze reden is stikstofonderzoek uitgevoerd voor de realisatie- en gebruiksfase (zie bijlage 5, 6 en 7). De beoogde ontwikkeling heeft geen negatief effect als gevolg van stikstofdepositie op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden. Voor de uitvoering van het plan geldt ten aanzien van het aspect stikstof geen vergunningplicht voor een Natura 2000-activiteit.
Figuur 5.4: Globale ligging plangebied (rode asterisk) ten opzichte van de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden (Bron: RIVM, 2024 - AERIUS Calculator).
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Uit figuur 5.5 blijkt dat het plangebied buiten het Natuurnetwerk Nederland (NNN) ligt. Gezien de ruime afstand (>1,8 kilometer), de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling en het tussenliggende bebouwde gebied dat een afschermde werking heeft, is geen sprake van aantasting van wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN. Vervolgstappen ten aanzien van het NNN zijn niet aan de orde.
Figuur 5.5: Ligging plangebied (rode vierkant) ten opzichte van het NNN (groen) (Bron: Provincie Drenthe, 2024).
Bijzondere natuurgebieden en landschappen
In het Drentse ruimtelijk beleid is naast bescherming van natuur binnen het NNN ook aandacht voor bescherming van natuur buiten het NNN, namelijk in bijzonder provinciale natuurgebieden en ganzenrustgebieden (Provincie Drenthe – Omgevingsvisie, 2024).
In Drenthe is momenteel één gebied aangewezen als bijzonder provinciaal natuurgebied: Landgoed Overcingel. Dit gebied ligt in Assen, op meer dan dertig kilometer afstand. Ook ligt het plangebied niet in ganzenrustgebieden (Provincie Drenthe – Omgevingsvisie, 2022). In Drenthe is alleen het Leekstermeer als ganzenrustgebied aangewezen. Gezien de afstanden tot deze gebieden en het tussenliggende bebouwde gebied dat een afschermde werking heeft, is geen sprake van negatieve effecten. Vervolgstappen zijn niet aan de orde.
Houtopstanden
Binnen het plangebied wordt ten behoeve van het plan opgaand groen verwijderd. Het betreft enkele zomereiken.
Er is sprake van beschermde houtopstanden in het kader van de Omgevingswet indien:
De planlocatie ligt buiten de bebouwingscontour houtkap, zodat het beschermingsregime van de Omgevingswet ten aanzien van houtopstanden hiervoor geldt. De te verwijderen bomen betreffen twee tot drie bomen in een rij van meer dan 20 bomen en vallen hiermee binnen het oppervlaktecriterium. De te kappen houtopstanden vallen niet onder de genoemde uitzonderingen (art 11.111, lid 2 Bal). Uit bovenstaande volgt dat er voor de voorgenomen kap vervolgstappen (meld- en herplantplicht) in het kader van de Omgevingswet aan de orde zijn. De melding dient minimaal zes weken en maximaal 1 jaar (zie provinciale verordening) voorafgaand aan de kap te worden ingediend. De eisen voor herplant zijn in de provinciale verordening van Provincie Drenthe uitgewerkt.
Figuur 5.6: Ligging plangebied (rood omlijnd) ten opzichte van bebouwingscontour houtkap Omgevingswet (bron: Provincie Drenthe, 2024).
Wat betreft gebiedsbescherming zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling, wel geldt voor de bomenkap een meld- en herplantplicht. Het opstellen van aanvullende planregels is niet noodzakelijk.
Rijk
In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) heeft het Rijk 21 nationale belangen geformuleerd. Dit zijn belangen die het lokale, regionale en provinciale niveau ontstijgen en vragen om nationale politiek-bestuurlijke aandacht. Eén van die belangen is het waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat. Voor dit vestigingsklimaat is de radioastronomie van belang. De NOVI geeft hierover aan: "Nederland wil in verschillende vakgebieden (onder andere radio-astronomie) tot de wereldtop blijven behoren. De opgave in deze is om essentiële grootschalige wetenschappelijke infrastructuur, die voor haar functioneren afhankelijk is van een storingsvrije omgeving, te beschermen door een storingsvrije omgeving te waarborgen." Het Rijk ziet erop toe dat de kwaliteit van deze infrastructuur binnen de leefomgeving gewaarborgd blijft.
Provincie
De provincie wil garanderen dat de radioastronomie zich kan blijven ontwikkelen en dat verstoring van activiteiten die daarmee samenhangen wordt voorkomen. Om dat te bewerkstelligen, liggen er beschermingszones rondom de LOFAR-radiotelescoop, waar beperkingen gelden inzake de ruimtelijke ontwikkelingsmogelijkheden ter voorkoming van elektromagnetische straling. Een kernbegrip hierbij is het begrip 'verstoring'. Elektrische en elektronische apparatuur zendt, onbedoeld, radiogolven uit en kan de systemen van het Nederlands Instituut voor Radio Astronomie (ASTRON) storen. Deze soort storing valt in de categorie Elektro-Magnetische Compatibiliteit (EMC). Ook al voldoet de apparatuur aan de geldende EMC emissie normen, toch kunnen ze zwakke signalen uit het heelal storen. Echter, voor dit soort zwakke signalen heeft LOFAR nu juist zijn grote gevoeligheid gekregen. Deze zeer zwakke signalen uit het heelal worden dan als het ware overstemd door de, op aarde geaccepteerde, signalen. Vanwege genoemd effect is er een veilige minimumafstand nodig radiogolven uitzendende apparatuur en LOFAR. De mate van verstoring is dus gekoppeld aan elektromagnetische straling van een bron. Er is sprake van twee zones met elk een verschillend beschermingsniveau.
Voor een ruimtelijk plan dat binnen zone I en II van de LOFAR-radiotelescoop ligt, is een advies van ASTRON nodig. Uit de Provinciale omgevingsverordening Drenthe volgt dat dit ook geldt voor een ruimtelijk plan die voorziet in ontwikkelingen binnen een straal van twee kilometer rondom een LOFAR-buitenstation. De locaties van deze buitenstations en de bijbehorende beschermingszones zijn aangegeven op de website van ASTRON.
Het plangebied bevindt zich mogelijk in een beschermde zone voor radioastronomie. Om vast te stellen of dit het geval is, is de Provinciale Omgevingsverordening Drenthe geraadpleegd. Uit deze verordening blijkt dat het plangebied niet binnen een zone voor radioastronomie valt. De beoogde ontwikkeling heeft geen nadelige gevolgen voor de exploitatie van de radiotelescopen.
Er worden geen belemmeringen verwacht op het gebied van radioastronomie. Er zijn geen aanvullende maatregelen nodig en het opstellen van aanvullende planregels is niet noodzakelijk om te voldoen aan de ETFAL.
Onder de Omgevingswet is het niet meer in alle gevallen nodig om te toetsen aan luchtkwaliteit. Wel moet bij het toelaten van specifiek aangewezen activiteiten (te weten de aanleg of wijziging van een wegtunnelbuis en de aanleg van een autoweg of autosnelweg) de bijdrage aan de concentratie van stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) altijd worden beoordeeld. In het geval wanneer een ontwikkeling in of nabij een aandachtsgebied voor stikstofdioxide en fijnstof plaatsvindt kan in de volgende gevallen onderzoek naar de luchtkwaliteit nodig zijn:
Onderzoek is in deze gevallen in beginsel niet nodig als de activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit.
De beoogde ontwikkeling ligt niet binnen het volgende toepassingsbereik: de aanleg of wijziging van een autoweg, autosnelweg of tunnel voor het wegverkeer. Daarnaast is de gemeente De Wolden niet aangewezen als aandachtsgebied voor stikstofdioxide en fijnstof. Een toets aan de omgevingswaarden voor de luchtkwaliteit is niet noodzakelijk.
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient een afweging van de luchtkwaliteit ter plaatse van de beoogde ontwikkeling plaats te vinden. Uit het advies van de Omgevingsdienst RUD van 18 juli 2024 blijkt de actuele concentratie van luchtverontreinigende stoffen:
De jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijnstof liggen ruimschoots onder de rijksomgevingswaarden en de toekomstig aangescherpte EU-grenswaarden (2030). Voor PM10 en stikstofdioxide wordt zelfs voldaan aan de WHO-advieswaarde.
De luchtkwaliteit ter plaatse van de planlocatie is aanvaardbaar. Nader onderzoek is niet nodig. Er zijn geen aanvullende maatregelen nodig en het opstellen van aanvullende planregels is niet noodzakelijk om te voldoen aan de ETFAL en de instructieregels.
De gemeente moet in het omgevingsplan rekening houden met de geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Dit volgt uit artikel 5.92 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Dit is een invulling van een plicht die al geldt vanuit de Omgevingswet. In de Omgevingswet staat dat de overheid bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening moet houden met het belang van het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1 lid 4 Omgevingswet). Hierbij moet de gemeente rekening houden met de lokale specifieke omstandigheden en de gevolgen van de activiteiten voor de gezondheid van haar burgers (artikel 2.1 en 2.4 Omgevingswet).
Een geurgevoelig gebouw is in ieder geval een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een:
Met de beoogde ontwikkeling worden geurgevoelige gebouwen mogelijk gemaakt. Ten noorden van het plangebied is een melkrundveehouderij gevestigd op circa 175 meter afstand.
Het plangebied is gelegen binnen de gemeente De Wolden. Hierdoor geldt de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente De Wolden 2010 (dat is opgenomen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan). De melkrundveehouderij heeft geen landbouwhuisdieren met een geuremissiefactor. Er is geen specifieke berekening vereist om de geurbelasting te bepalen, maar er kan gebruik worden gemaakt van afstandseisen. Op basis van de verordening geldt een minimale afstandseis tot een geurgevoelig gebouw:
Gezien de beoogde afstand van 175 meter tussen de woningen en de veehouderij, kan ruim worden voldaan aan de minimale afstandseisen uit de geurverordening. Er kan ook worden voldaan aan de strengere afstandseis van 100 meter uit het Bkl. De situatie met betrekking tot geur is aanvaardbaar.
De geurbelasting op het plangebied is aanvaardbaar. Er zijn geen aanvullende maatregelen nodig en het opstellen van aanvullende planregels is niet noodzakelijk om te voldoen aan de ETFAL en de instructieregels/verordening.
Omgevingsveiligheid omvat de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor externe veiligheidsrisico's zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan.
Verder dient op grond van artikel 5.2 van het Bkl voor de risico's van branden, rampen en crises als bedoeld in artikel 10, onder a en b, van de Wet veiligheidsregio's, rekening te worden gehouden met het belang van:
Met de beoogde ontwikkeling worden kwetsbare gebouwen (woningen) mogelijk gemaakt. Er worden geen risicovolle activiteiten mogelijk gemaakt. Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle activiteiten en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn, is de risicokaart geraadpleegd. Figuur 5.7 toont een uitsnede van deze kaart. In de nabijheid van het plangebied bevinden zich een spoorlijn en buisleidingen. Over het spoor vindt het transport van gevaarlijke stoffen plaats, waardoor er brand-, explosie- en gifwolkaandachtsgebieden rondom de spoorlijn aanwezig zijn. Het plangebied ligt buiten een brand- of explosieaandachtsgebied en de PR10-6-contour van het spoor.
Een deel van het plangebied ligt binnen het gifwolkaandachtsgebied van het spoor. Afhankelijk van de situatie en de inrichting van de omgeving kan het handelingsperspectief verschillen. Voor personen binnen gebouwen is het handelingsperspectief 'schuilen'. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. Hierbij is het van belang dat de mechanische ventilatie gemakkelijk uit te zetten is zodat de luchttoevoer bij een toxische wolk kan worden geminimaliseerd. Conform het Bbl bestaat de verplichting dat mechanische ventilatiesystemen standaard beschikken over een voorziening waarmee het systeem handmatig kan worden uitgeschakeld (artikel 4.124 Besluit bouwwerken leefomgeving).
Figuur 5.7: Uitsnede risicokaart met plangebied in zwarte omlijning (bron: REV)
Voor zowel dagelijkse incidenten (zoals brand of wateroverlast) als calamiteiten op het gebied van externe veiligheid is een goede bereikbaarheid voor hulpdiensten essentieel. Het plangebied wordt ontsloten via de Kerklaan. Via de Kerklaan, Prins Bernhardlaan of Prinses Margrietlaan kan van de bronnen afgevlucht worden. De brandweerkazerne van De Wijk-Koekange ligt op enkele minuten rijden van het plangebied, hierdoor is er een snelle aanrijtijd. Daarnaast is er voldoende bluswater beschikbaar in en rond het gebied. Bovenstaande wordt geborgd door aan te sluiten bij de standaardregeling (bruidsschat artikel 22.13-22.15). Het grootste deel van de aanwezigen in het plangebied zal zelfredzaam zijn. Kinderen en ouderen worden wel als verminderd zelfredzaam beschouwd. In geval van nood wordt ervan uitgegaan dat ouders of andere aanwezigen hen kunnen begeleiden bij evacuatie.
Aangezien omgevingsveiligheid breder is dan uitsluitend externe veiligheid, is met behulp van de Atlas Leefomgeving een inventarisatie uitgevoerd van aanvullende veiligheidsthema's, zoals brandbare natuur en overstromingsrisico's. Uit deze inventarisatie blijkt dat er geen sprake is van een verhoogd veiligheidsrisico.
Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Er zijn geen aanvullende maatregelen nodig en het opstellen van aanvullende planregels is niet noodzakelijk om te voldoen aan de ETFAL en de instructieregels.
Onder cultureel erfgoed valt onder andere archeologie, cultuurhistorie, monumenten, karakteristieke panden, beschermde gezichten, monumentale bomen en landschap. Voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap.
Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.
Archeologie
Archeologisch onderzoek
Er is archeologisch onderzoek uitgevoerd voor het plangebied, zie bijlage 8. In vrijwel het hele plangebied is de bodem verstoord tot in de BC-horizont of C-horizont. De bovenliggende verstoorde zandlaag, met een scherpe overgang naar de intacte lagen, duiden erop dat de bodem hier vergraven of omgeploegd is. Op één locatie werd een ten dele intacte podzolbodem aangetroffen, bestaande uit een B- en BC-horizont. In geen van de boringen zijn archeologische indicatoren aangetroffen. Met het ontbreken van zelfs de kleinste indicatoren, zoals puinspikkels of houtskoolspikkels, is het zeer onwaarschijnlijk dat het plangebied deel uit heeft gemaakt van het erf van de historische boerderij, of andere vormen van bewoning uit de late middeleeuwen of nieuwe tijd.
Aangezien de bovenkant van de podzolbodem (de A- en E-horizont) nergens meer aanwezig is, is het vondstenniveau van de periode steentijd-neolithicum reeds verdwenen. Gezien de mate van verstoring, het ontbreken van archeologische indicatoren en het feit dat in de directe omgeving nauwelijks vondsten zijn gedaan, wordt geadviseerd het plangebied vrij te geven voor de geplande ontwikkelingen.
Indien onverhoopt toch archeologische waarden worden aangetroffen binnen de vrijgegeven gebieden, geldt de wettelijke meldingsplicht op basis van artikel 5.10 van de Erfgoedwet. In dat geval moet een melding worden gedaan bij de Minister van OCW, of eventueel bij de gemeente of provincie.
De bevoegde overheid, de gemeente De Wolden, heeft op dinsdag 24 juni kennisgegeven de rapportage goed te keuren en bovenstaand selectieadvies over te nemen.
Aardkundige waarde
Het plangebied ligt in een gebied met een generiek beschermingsniveau voor Aardkundige waarden (zie 4.2.1). Het gebied is vanuit aardkundige oogpunt al verstoord door het agrarisch gebruik.
Conclusie archeologie
Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Er zijn in het kader van archeologie geen aanvullende maatregelen nodig en het opstellen van aanvullende planregels is niet noodzakelijk om te voldoen aan de ETFAL en de instructieregels.
Cultuurhistorie
Cultuurhistorische kenmerken plangebied
De locatie voor uitbreiding van het dorp Koekange is gelegen tegen de rand van het dorp in een bestaand weidelandschap. In de gemeentelijke structuurvisie staat, dat het landschap een van de belangrijkste kwaliteiten is van de gemeente de Wolden. In de verschillende landschappen is de cultuurhistorie besloten van de Wolden. Deze cultuurhistorische waarden bieden aanknopingspunten en geven inspiratie voor nieuwe ontwikkelingen naar de toekomst. Voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving is de bijzondere landschappelijke karakteristiek zeer waardevol. De lange bebouwingslinten zijn als ontginning assen nog steeds zichtbaar aanwezig in het landschap.
Koekange ligt in het gebied waar in de middeleeuwen de laagveen ontginningen zijn ontstaan. Vanaf de smalle zandruggen zijn lange zeer smalle ontginningspercelen uitgezet, die tot ver het land inlopen. Rond Koekange liggen er drie bebouwingslinten in het landschap. Elk lint heeft haar eigen ontstaansgeschiedenis, omdat de ontginningen ook uit verschillende periodes waren.
Het eerste lint is de Koekange Aa en de Dwarsdijk. Dicht bij de beek gelegen was de eerste vestingplaats. Het landschap was een veengebied met bosjes, plassen en heidevelden. De eerste bewoners waren boeren. (Rond 1300 na Chr.) Zij ontgonnen in lange strekken het land van de dijk naar de beek en zo ontstonden kleine weidegronden afgewisseld met bos en heide. De kenmerkende houtwallen gaven de scheiding aan tussen de verschillende agrarische percelen. Het gebied was nat en het regelen van ontwateringen ging zeer moeizaam.
Vanwege de natte periodes trokken de boeren hogerop en zo ontstond er een tweede lint. De betreffende locatie voor uitbreiding van het dorp Koekange ligt aan de tweede lint. De tweede lint is Weerwille, Prinsesseweg, Dorpstraat en Eggeweg. De eerste boerderijen lagen aan de oostzijde van de tweede lint en het landschap veranderde in lange opstrekkende kavels. Aan de westzijde van het lint (Kerklaan) zijn nog tamelijk veel houtwallen tussen de strekken te zien. Het gebied was echter vroeger meer beplant dan nu het geval is. De opstrekken aan de tweede lint grensden oostelijk met bouwlanden aan de heidevelden van Koekangerveld. Aan het einde van op de overgang van bouwland naar woeste gronden lagen de talrijke hakhoutbosjes.
Het derde lint ontstond weer later toen men ook de woeste gronden ging bewerken en ook daar boeren zich vestigden en heidevelden gingen bewerken tot landbouwgronden. Het derde lint is de Ruinerweg en een meer open lint met mooie vergezichten tot aan de bossen van Echternerveld.
De Kerklaan is een zijstraat van de Dorpsstraat en ligt aan de noordkant van het dorp. Hier staan boerderijen met wisselde afstanden tot de weg. Er is een eerste, tweede en derde rang te onderscheiden. In de eerste rang liggen de boerderijen met hun erven met de ontsluiting direct aan de weg. In de tweede rang liggen er kleinere weides of akkers tussen erf en weg en in de derde rand liggen er grotere percelen tussen erf en weg. De nieuwe locatie ligt in de tweede bebouwingslijn vanaf het ontginningslint gezien en de verbinding is met de Kerklaan. De karakteristiek landschappelijk kwaliteit van de locatie blijft bestaan, omdat de bebouwing plaatsvindt binnen de bestaande houtwallen en de breedte van de strekkende kavels in dit gebied.
In 1975 is men begonnen met de bouw van woningen op de percelen aan de Kerklaan en Dorpstraat en kwamen er nieuwe straten binnen de linten. De straatnamen hebben een verwijzing naar het Koningshuis. In de jaren daarna heeft het dorp zich ontwikkeld in richting van de Langedijk. Ook het sportgebouw, scholen en een dorpshuis werden in deze periode gerealiseerd, wat een belangrijk ontwikkeling was en nog is voor de ca. 2600 inwoners die Koekange. Nieuwbouwontwikkelingen komen er ook aan de Meidoornstraat waar de Corporatie Actium 8 levensloopbestendige huurwoningen gaat bouwen.
Toetsing voorgenomen ontwikkeling
De nieuwe plek voor woningbouw is gelegen aan de Kerklaan tegen de dorpskern aan. De grond is in eigendom van de gemeente. Op dit moment wordt deze grond gebruikt en verpacht als weiland. Het stedenbouwkundig plan, weergegeven in figuur 5.8, is gemaakt voor 20 woningen. De ontsluiting is aan de Kerklaan. De structuur van ontsluiting en wegen sluiten aan bij de Prinses Margrietlaan en de Prins Bernhardlaan. De karakteristieke hakhoutbosjes worden opnieuw als overgang naar de weidegronden aangeplant. Zo ontstaat er een samenhangende inpassing bij het dorp, waarbij de kenmerken van het historische landschap worden gerespecteerd.
Figuur 5.8: Schetsontwerp stedenbouwkundig plan met cultuurhistorische structuren (bron: gemeente De Wolden)
De typologie van de bebouwing en ook de dichtheid wordt afgestemd op bestaande bebouwing van het dorp. Het woonprogramma sluit aan bij de behoefte aan woningen in het dorp. De koop van Levensloopbestendige woningen maar ook de woningen voor starters op de woningmarkt worden door dit plan mogelijk gemaakt. Midden duur en duur segment zijn qua aanbod in de minderheid maar worden aan meegenomen in het totaal aanbod van woningen op deze plek.
De plek is als vrij nat en drassig aan te merken. In het nieuwe plan wordt voldoende rekening gehouden met wateropvang, tijdelijke waterberging en bodem infiltratie, om een verantwoorde waterhuishouding te borgen. Parkeren is voldoende aanwezig. De verkoop van kavels kan plaatsvinden na het bouwrijp maken van de grond. Zowel aan particulieren als ook aan ontwikkelaars kunnen de kavels worden uitgegeven.
Conclusie cultuurhistorie
Uit voorgaande volgt dat er voldoende rekening is gehouden met de cultuurhistorische kernmerken van het plangebied en de omgeving daarvan.
Landschap
Het plangebied valt binnen het landschapstype Wegdorpenlandschap. Het landschapstype is van provinciaal belang. Het wegdorpenlandschap van de laagveenontginning, ook wel het ‘slagenlandschap’, ligt op de laagstgelegen plekken in de provincie Drenthe, waar in de benedenlopen van de beekdalen veen is ontstaan.
De ontwikkeling van Koekange sluit aan bij de historische ontwikkeling van het cultuurlandschap, zoals aangetoond in voorgaande subparagraaf. Het karakter van het gebied wordt zo min mogelijk verstoord en de aanwezige historische kenmerken, zoals de groenstructuren, worden behouden. De ontwikkeling sluit hiermee aan op de ontstane structuren in- en rondom het plangebied. Derhalve worden er vanuit het aspect cultuurhistorie geen belemmeringen verwacht voor de voorgenomen ontwikkeling.
Conclusie landschap
Uit voorgaande volgt dat er wordt voldaan aan de kernkwaliteit landschap die van provinciaal belang is. Er wordt met de inrichting van het plangebied aangesloten bij de bestaande landschappelijke waarden en er worden geen belemmeringen verwacht vanuit de kernkwaliteit landschap.
Vanuit het aspect archeologie, cultuurhistorie en landschap worden er geen belemmeringen verwacht voor de voorgenomen wijziging van het omgevingsplan. Er zijn geen aanvullende maatregelen nodig en het opstellen van aanvullende planregels is niet noodzakelijk om te voldoen aan de ETFAL en de instructieregels.
Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. In dit geval zijn de interventiewaarden van toepassing die zijn opgenomen in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving. De instructieregels schrijven voor dat het bouwen van een bodemgevoelig gebouw ofwel vergunningplichtig ofwel meldingsplichtig moet worden gemaakt op grond van het omgevingsplan.
Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem).
De instructieregels schrijven ook voor dat met het omgevingsplan het ambtsgebied ingedeeld wordt in bodemfunctieklassen.
Verkennend bodemonderzoek
Voor de beoogde ontwikkeling is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 9. De onderzoeksresultaten van de grond- en waterbodemmonsters zijn getoetst aan de kwaliteitsklassen voor het toepassen op of in de landbodem en aan de interventiewaarden bodemkwaliteit. Hieruit volgt het eindoordeel 'landbouw en natuur'. Wat betreft het grondwater kan er voldaan worden aan de interventiewaarden. Daarnaast is er geen sprake van een verhoogde waarde voor PFAS. Ook is er een ruim voldoende bodemloodkwaliteit.
De aangetoonde resultaten vormen geen significante risico's voor mens, plant of dier. Uit milieuhygiënisch oogpunt is er geen bezwaar tegen de voorgenomen nieuwbouwplannen.
Bodemfunctieklasse
De gemeente De Wolden heeft een bodemkwaliteitskaart en de bodemfunctieklassekaart vastgesteld. Volgens de bodemfunctieklassenkaart geldt ter plaatse van de planlocatie de bodemfunctieklasse landbouw/natuur. De regeling voor de bodemfunctieklassen wordt in het gemeentedekkende omgevingsplan opgenomen.
Vanuit het aspect bodem zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. Er zijn geen aanvullende maatregelen nodig en het opstellen van aanvullende planregels is niet noodzakelijk om te voldoen aan de ETFAL en de instructieregels.
Een ontwikkeling moet ook worden getoetst aan de instructies van de omgevingsverordening van het waterschap en de provincie. De locatie ligt in het beheergebied van Drents Overijsselse Delta. De gemeente of initiatiefnemer is verantwoordelijk voor het opstellen van de uitwerking, mogelijke effecten en de te nemen maatregelen om aan te tonen dat wordt voldaan aan de normen. De gemeenten kunnen strengere normen opnemen in het omgevingsplan. Dit is altijd maatwerk en gebiedsafhankelijk.
Bij de wijziging van het omgevingsplan wordt rekening gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen en dienen voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder te worden betrokken. Dit geldt in het algemeen voor alle waterbelangen. Voorbeelden zijn:
Het beleid van Waterschap Drents Overijsselse Delta (WDODelta) is beschreven in de Watervisie, het Waterbeheerprogramma 2022-2027 en de Kadernotitie Stedelijk Water.
Voor een aantal specifieke rijksbelangen stelt het Bkl aanvullende instructieregels. Deze zijn:
Bovenstaande instructieregels zijn niet van toepassing op het plangebied.
Op basis van de ingevulde gegevens in het wateradvies heeft het waterschap Drents Overijsselse Delta een uitgangspuntennotitie opgesteld. Deze notitie is opgenomen in bijlage 10. Hieronder volgt een samenvatting van de inhoud van de notitie.
Bestaande situatie
Het plan ligt in het (deel)stroomgebied Wold Aa. In de omgeving liggen A-oppervlaktewaterlichaam [WWA-08-04 BB] die WDODelta beheert. Het peilgebied bevat één peilvak (WA118) en heeft een maximumpeil van NAP +2.1m. De hoogte van het maaiveld ligt gemiddeld op ongeveer NAP +2,6m, zie figuur 5.9.
De bodem (deklaag) bestaat voornamelijk uit Podzolgronden. De Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) ligt op 28 cm onder het maaiveld.
Figuur 5.9: Kaartbeeld bestaande maaiveld rond het plangebied (bron: WDODelta)
Bij extreme neerslag wordt beperkt wateroverlast in of bij het plangebied verwacht, zie figuur 5.10.
Figuur 5.10: Kaartbeeld wateroverlast rond het plangebied met een hevige bui van 70 mm/2 uur (bron: WDODelta)
Uitgangspunten toekomstige situatie
Watersysteem
Aan de noordzijde van het plangebied ligt een A-watergang, zie figuur 5.11. Het omliggende beperkingengebied van deze watergang wordt niet geraakt.
Figuur 5.11: Uitsnede legger (bron: WDODelta)
Voor de beoogde nieuwbouw wordt watercompensatie toegepast, aangezien voor het totale verharde oppervlak binnen het plangebied berging nodig is ter compensatie van de versnelde afvoer van hemelwater. Na realisatie van het plan is er een totaal verhard oppervlak van ongeveer 5.641 m² aanwezig binnen het plangebied. Dit houdt in dat een waterberging van 5.641 m² * 0.08 m = 451,28 m3 noodzakelijk is. Door het verbreden van de watergang aan de zuidzijde van het plangebied wordt deze waterberging gerealiseerd. Aangezien hiervoor een vergunning vereist is, zal deze worden aangevraagd. Daarnaast worden er afspraken gemaakt tussen de gemeente en het waterschap over het onderhoud van het watersysteem.
De aanleghoogte van de gebouwen worden minimaal 80 cm ten opzichte van de GHG. Op deze wijze wordt grondwateroverlast voorkomen. Door het ophogen komt het terrein meer op gelijke hoogte te liggen met de omliggende wijken (zie figuur 5.9). Om wateroverlast (hemelwater) en schade in woningen te voorkomen wordt de drempelhoogte 30 cm boven het straatpeil.
Waterkwaliteit
Het hemelwater dient zo schoon mogelijk te blijven. Het is daarom belangrijk om de waterkwaliteit te bewaken. Daarom wordt het gebruik van uitloogbare materialen (zoals koper, lood of zink) bij de bouw van de nieuwe woningen zoveel mogelijk vermeden.
Riolering
Er wordt een gescheiden rioolstelsel aangelegd, zodat schoon hemelwater niet naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie wordt afgevoerd.
Hittestress
Op basis van de Klimaateffectatlas is ter plaatse van het plangebied sprake van een beperkt stedelijk hitte-eilandeffect. In het kader van klimaatadaptatie en het bevorderen van een gezonde leefomgeving wordt het plangebied groen en klimaatbestendig ingericht. Door het toevoegen van voldoende groenvoorzieningen, waaronder schaduwgevende beplanting, wordt hittestress effectief tegengegaan.
De beoogde ontwikkeling vormt geen belemmering voor het aspect water. Er zijn geen aanvullende maatregelen nodig en het opstellen van aanvullende planregels is niet noodzakelijk.
De Omgevingswet biedt geen specifiek toetsingskader voor duurzaamheid. Wel is duurzaamheid een belangrijk thema waar gemeenten bij het opstellen van hun omgevingsplan rekening mee moeten houden. Duurzaamheid is een breed begrip dat verschillende aspecten omvat, zoals de energietransitie, mobiliteit en hergebruik van materialen. Voor klimaatadaptatie gelden de nationale afspraken, met als doel dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust is. Nieuwe ontwikkelingen kunnen bijdragen aan dit doel.
In de Toekomstvisie 2022–2040 van de gemeente De Wolden, getiteld 'Samen aan zet!', neemt duurzaamheid een centrale plaats in. De visie is opgebouwd rond drie hoofdambities: een vitale samenleving, een duurzame leefomgeving en het landschap als drager. Deze ambities zijn uitgewerkt in zes thema’s, waaronder 'energie en klimaat' en 'milieu en circulariteit'.
In het kader van de verduurzaming wordt ingezet op het minimaliseren van warmteverlies, conform de eisen uit het Bouwbesluit voor nieuwbouw. Bovendien worden de woningen volledig gasloos, wat bijdraagt aan een de transitie naar een duurzame energievoorziening.
Er zijn geen belemmeringen wat betreft het thema duurzaamheid.
Op agrarische percelen kan sprake zijn van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) beoordeelt of gewasbeschermingsmiddelen en biociden veilig zijn voor mens, dier en milieu voordat ze worden toegelaten. Dat betekent echter niet dat nadelige gezondheidseffecten voor omwonenden volledig kunnen worden uitgesloten. Er zijn nog veel onduidelijkheden over de mogelijke relatie tussen blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen en de kans op gezondheidsschade. Op grond van het Bkl gelden weliswaar geen specifieke instructieregels, maar bij de evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet in elk geval rekening worden gehouden met het belang van de volksgezondheid. In dat kader dienen ook de mogelijke gezondheidsgevolgen door het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen te worden beoordeeld.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies (zoals woningen) en agrarische gronden waar gewasbeschermingsmiddelen kunnen worden gebruikt, niet onredelijk wordt geacht. Uit diezelfde jurisprudentie volgt dat het mogelijk is om deze afstand te verkleinen indien daaraan een deugdelijke, locatiespecifieke motivering ten grondslag ligt. Bij deze locatiespecifieke beoordeling dient niet alleen te worden gekeken naar het bestaande, feitelijke gebruik van de agrarische gronden. Uitgangspunt vormen de maximale mogelijkheden (rekening houdend met eventuele omschakeling naar andere teeltvormen en intensivering van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen).
Het plangebied grenst aan agrarische gronden met de daarbij behorende bestemmingen. Ter beperking van mogelijke effecten van gewasbeschermingsmiddelen wordt binnen het plangebied, op de locatie van agrarische percelen met bijzondere waarden, een spuitvrije zone aangeduid. Met de aanduiding is het gebruik van gewasbestrijdingsmiddelen niet toegestaan, waarmee feitelijk sprake is van een spuitvrije zone van 50 meter. Door het opnemen van deze spuitvrije zone worden de aangrenzende woningen voldoende beschermd tegen de negatieve effecten van gewasbeschermingsmiddelen. De regeling is verder toegelicht in paragraaf 6.5.
Door het opnemen van de aanduiding 'spuitvrije zone' worden de woningen voldoende beschermd tegen de mogelijke negatieve effecten van gewasbeschermingsmiddelen. Daarmee vormt het aspect 'gebruik van gewasbeschermingsmiddelen' geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Doel van de Ow is ook het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, lid 3, onder b). In lid 4 benadrukt de wet dat bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening wordt gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid.
Voor de voorgenomen ontwikkeling wordt een quickscan gezonde leefomgeving uitgevoerd. De resultaten van deze quickscan worden in de volgende versie van voorliggende motivering opgenomen.
De conclusie wordt in de volgende versie van voorliggende motivering opgenomen.
Met deze wijziging van het omgevingsplan worden de bestaande juridisch-planologische mogelijkheden en de regels uit het Omgevingsplan gemeente De Wolden vervangen door deze wijziging van het omgevingsplan. Deze wijziging voldoet aan de Omgevingswet, de instructies vanuit het Rijk en van de provincie Drenthe.
In het toepassingsbereik, zoals opgenomen in artikel 2 van de planregels, is opgenomen welke regels van het Omgevingsplan De Wolden worden vervangen met dit wijzigingsbesluit om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken.
De bruidsschat (inclusief vangnetregeling) en de gemeentelijke verordeningen die deel uitmaken van het tijdelijke omgevingsplan worden niet gewijzigd. Vergunningplichten voor het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk zijn niet opgenomen in dit omgevingsplan, deze zijn al geregeld in de bruidsschat. Wel heeft afstemming plaatsgevonden met de bruidsschat en waar nodig zijn bruidsschatregels opgenomen, die op deze wijziging van toepassing zijn. Deze regels waren alleen van toepassing op het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Om ze ook van toepassing te laten zijn op deze wijziging moeten ze worden opgenomen, de bruidsschat (dus het tijdelijke deel van het omgevingsplan voor dit deel) zelf wordt hiermee dus niet gewijzigd. Het is geen verplichting om deze regels uit de bruidsschat ook voor deze wijziging en locatie te laten gelden, de regeling is echter ook voor deze wijziging van het omgevingsplan opgenomen om uniformiteit in de regeling te behouden voor de gemeente. Dit geldt voor:
Ook heeft afstemming met de bruidsschat plaatsgevonden wat betreft de vergunningplicht voor het bouwen van een erf- of perceelafscheiding. In het voormalige bestemmingsplan geldt een vergunningplicht voor erf- of perceelafscheidingen die niet hoger zijn dan 2 m en achter de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw wordt gebouwd. In de bruidsschat kunnen erf- of perceelafscheidingen achter de voorgevelrooilijn worden gebouwd wanneer zij niet hoger zijn dan 2 meter en een functionele relatie hebben met het hoofdgebouw. Omdat deze regeling uit de bruidsschat in dit geval voorgaat op de regels uit het TAM-omgevingsplan (zie Artikel 2 Toepassingsbereik), is de vergunningplicht uit het bestemmingsplan niet overgenomen.
De begripsbepalingen uit de bijlage van de Omgevingswet zijn van rechtswege van toepassing op het wijzigingsbesluit en hoeven dus niet bij de begrippen te worden opgenomen. De begripsbepalingen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en de Omgevingsregeling zijn niet van rechtswege van toepassing op het TAM-omgevingsplan. Daarom is in de begrippen hierop aangesloten door deze van toepassing te verklaren. In de begripsbepalingen zijn daarom geen begrippen meer opgenomen voor gebouw, hoofdgebouw, bijbehorend bouwwerk, hoofdgebouw en erf. Deze begrippen komen terug in het Bbl. Hetzelfde geldt voor het begrip bouwwerken en bouwen, deze zijn opgenomen in de begripsbepalingen bij de Omgevingswet. Er zijn aanvullende begrippen opgenomen die nodig zijn om de regels van dit TAM-omgevingsplan uit te leggen en die niet zijn opgenomen in de Omgevingswet of de AMvB's.
In het algemene verbod is opgenomen dat alle functies en activiteiten die niet zijn genoemd en in strijd zijn met het TAM-omgevingsplan, verboden zijn. Er is echter een uitzondering voor binnenplanse omgevingsplanactiviteiten waarvoor een omgevingsvergunning kan worden verleend, en voor bestaande functies en activiteiten. Dit betekent dat als een activiteit niet in het plan staat, deze in principe niet mag worden uitgevoerd, tenzij het een binnenplanse activiteit is die vergunningplichtig is, of als het een bestaande situatie betreft. Het begrip bestaand is opgenomen in de begripsbepalingen, waarbij het gaat om legale situaties ten tijde van het in werking treden van dit TAM-omgevingsplan.
Een omgevingsplan moet technisch voldoen aan de Omgevingswet Standaarden STOP/TPOD. De wetgever heeft tot 1 januari 2026 gemeenten de mogelijkheid geboden om een omgevingsplan onder de Omgevingswet op te stellen op basis van de RO standaarden 2012 en te publiceren via www.ruimtelijkeplannen.nl en de overbruggingsfunctie van het Informatiehuis Ruimte naar het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Het omgevingsplan conform TAM maakt juridisch deel uit van het omgevingsplan, maar wordt technisch in de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl geplaatst.
Bij het opstellen van een TAM-omgevingsplan, waarbij gebruik wordt gemaakt van de RO standaarden 2012, kan nog gebruik worden gemaakt van bestemmingen. Dit voorliggend TAM-omgevingsplan bevat bestemmingen. De bestemmingen bevatten gebruiksregels en bouwregels. Voor de inhoud van de juridische regeling wordt deels aangesloten op de systematiek en regels uit het bestemmingsplan voor wat betreft de bestemming 'Agrarisch met waarden' en 'Waarde - Archeologie', en deels op het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Middelveen V, Zuidwolde. De bestemmingen bevatten gebruiksregels, bouwregels en aanlegregels (vergunningplichten voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden).
Agrarisch met waarden
De bestemming 'Agrarisch met waarden' (Artikel 5) is opgenomen, omdat de aanduiding 'overige zone - spuitzone' moet worden opgenomen in verband met het verbod op het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen ter plaatse van de agrarische gronden. Het overnemen van deze regeling in het TAM-omgevingsplan, in plaats van in het toepassingsbereik bepalen dat de bestemming 'Agrarisch met waarden' uit de beheersverordening Buitengebied De Wolden 2023 van toepassing blijft, vergroot de juridische leesbaarheid van het plan. De bestemming is grotendeels conserverend overgenomen uit de regels van de beheersverordening Buitengebied de Wolden 2023. Wel is de regeling aangevuld met het verbod op het gebruik van gronden ten behoeve van de sierteelt, fruitteelt, boomteelt of overige opgaande meerjarige teeltvormen en is de regeling afgestemd op het plangebied.
Groen
De bestemming 'Groen' (Artikel 6) zorgt voor een groene en bebouwingsvrije zone tussen het omliggende agrarisch gebied. Het plangebied wordt landschappelijk ingepast in de bestaande omgeving. in paragraaf 2.2.2 wordt hierop ingegaan. Het uitgangspunt voor de landschappelijke inpassing is het behoud en uitbreiding van groenstructuren en watergangen. In het plangebied worden de karakteristieke hakhoutbosjes opnieuw als overgang naar de weidegronden aangeplant. Zo ontstaat er een samenhangende inpassing bij het dorp, waarbij de kenmerken van het historische landschap worden gerespecteerd.
Op deze gronden mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd, met uitzondering van gebouwen voor nutsvoorzieningen.
Tuin
De gedeelten van de percelen waar geen gebouwen mogen worden gebouwd, hebben de bestemming 'Tuin' (Artikel 7). Meestal liggen deze gronden tussen de voorgevel van het gebouw en de openbare weg. Ook kan aan de zijkant van het gebouw deze bestemming gelegen zijn, om een bepaalde openheid te kunnen houden.
Verkeer
De gronden zijn binnen de bestemming 'Verkeer' (Artikel 8) bedoeld voor de ontsluiting van de nieuwe woonwijk. De bouw van gebouwen en overkappingen is niet toegestaan. Voor bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, geldt een bouwhoogte van niet meer dan 12 m.
Water
De gronden zijn binnen de bestemming 'Water' (Artikel 9) bedoeld voor waterberging, waterhuishouding en waterlopen en waterwegen. Zo wordt voldoende rekening gehouden met wateropvang, tijdelijke waterberging en bodeminfiltratie. Het plangebied wordt aan de zuidzijde ingericht met een duiker.
Wonen
De bestemming 'Wonen' (Artikel 10) maakt het wonen mogelijk binnen het bestemmingsvlak conform de gewenste woningbouwontwikkeling en met inachtneming van de uitgangspunten ten aanzien van de ruimtelijke inpassing zoals opgenomen in paragraaf 2.2.2. Tevens is het ondergeschikte gebruik voor een aan de woning gebonden beroep of bedrijf toegestaan. De hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd en per bestemmingsvlak is het type woning vastgelegd, om te kunnen voldoen aan de programmering. Dit betreffen vrijstaande, aaneengebouwde en twee-aaneenwoningen (of: twee-onder-een-kapwoningen). De goot- en bouwhoogtes en dakhellingen zijn opgenomen op de verbeelding. In afwijking hiervan geldt dat ter plaatste van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - asymmetrische kap' de maximum goothoogte in de regels wordt geregeld. Het aantal woningen mag in het plangebied niet meer bedragen dan 20. Voor de aaneengebouwde woningen geldt dat niet meer dan vier woningen in één rij aaneen gebouwd mogen worden.
Voor alle woningen is een bijbehorende bouwwerkenregeling opgenomen. Er is aangesloten op de bijbehorende bouwwerkenregeling zoals in de gemeente gebruikelijk is.
Waarde - Archeologie
De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' (Artikel 11) is vanwege het opnemen van de aanduiding 'overige zone - spuitzone' integraal en conserverend overgenomen uit de regels van de beheersverordening Buitengebied De Wolden 2023.
Binnen de algemene regels is de anti-dubbeltelregeling opgenomen. In het Bkl is geen plicht opgenomen tot het opnemen van een anti-dubbeltelregeling. Deze hoeft dus niet te worden opgenomen in dit TAM-omgevingsplan. De keuze is om deze wel mee te nemen om ongewenste bebouwingsmogelijkheden te creëren (voor bijvoorbeeld bijbehorende bouwwerken).
De aanvraagvereisten voor de aanvraag omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk of een werkzaamheid zijn opgenomen, de motivering daarvan is opgenomen in paragraaf 6.1.
Er zijn algemene beoordelingsregels opgenomen voor de bouw van gebouwen voor nutsvoorzieningen. Ook is de 10%-regeling vewerkt. De 10% regeling zorgt ervoor dat in algemene zin kan worden afgeweken van de in de beoordelingsregels opgenomen maten en afmetingen. Algemenere afwijkingsregels voor het bouwen en met een omgevingsvergunning afwijken van het gebruik zijn ook opgenomen en overgenomen uit de voorheen geldende regelingen. De parkeerregels zijn conserverend overgenomen uit de bestaande regelingen.
Het opnemen van overgangsrecht is niet meer verplicht onder de Omgevingswet. In verband met de rechtszekerheid van bestaande rechten is ervoor gekozen om overgangsregels op te nemen. Deze overgangsregels zijn zowel voor bouwwerken als gebruik.
In dit hoofdstuk wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling economisch uitvoerbaar is. Dit houdt in dat:
Financiële uitvoerbaarheid
De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling betreft de bouw van maximaal 20 woningen. De gemeente is grondeigenaar en geeft de kavels uit.
De gemeente is de initiatiefnemer en realiseert deze ruimtelijke ontwikkeling voor eigen rekening en risico. De gemeente heeft middelen beschikbaar vanuit de grondexploitatie om de ontwikkeling te realiseren. Daarmee is aan de eerste vereiste voldaan.
Kostenverhaal
Wie een woning, bedrijfspand of ander gebouw bouwt of verbouwt, moet hiervoor in veel gevallen een bijdrage betalen aan het bevoegd gezag. Deze bijdrage is onder andere voor de kosten van het opstellen van plannen, het aanleggen van openbare voorzieningen en het inrichten van de openbare ruimte. Dit wordt kostenverhaal genoemd.
De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling ziet toe op ontwikkeling van een woonbuurt voor maximaal 20 (nieuwe) woningen. De beoogde ontwikkeling is op grond van artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit aangewezen als kostenverhaalplichtige activiteit. Op grond van artikel 13.12 Ow is het verboden kostenverhaalplichtige activiteiten uit te voeren voordat de hiervoor geldende kostenverhaalbijdrages zijn betaald. Dit verbod geldt niet in het geval dat het kostenverhaal is verzekerd.
De gemeente heeft de gronden waarop de kostenverhaalplichtige activiteit mogelijk wordt gemaakt in eigendom. Hierdoor is het kostenverhaal niet aan de orde. De gemeente is zelf exploitant, waardoor de kosten voor rekening van de gemeente zijn. De gemaakte kosten worden bij grondverkoop via de grondprijs verhaald. Hiermee is ook aan de tweede vereiste voldaan en hieruit volgt dat de ruimtelijke ontwikkeling niet evident economisch onuitvoerbaar is.
In dit hoofdstuk wordt gemotiveerd of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties betekent dat er balans bestaat tussen het beschermen en benutten ten gevolge van de verschillende functies die locaties binnen een gebied kunnen vervullen. Het bevoegd gezag moet beoordelen of deze wijziging van het omgevingsplan sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om dit te kunnen beoordelen moeten alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten zorgvuldig worden onderzocht en afgewogen. Dat is in de voorgaande hoofdstukken gebeurd.
Voor de beoordeling van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten, voor zover betrekking hebbend op deze wijziging van het omgevingsplan, nader onderzocht in deze motivering.
Afweging
Met de beoogde ontwikkeling worden maximaal 20 nieuwe woningen mogelijk gemaakt. Deze wijziging van het omgevingsplan is in overeenstemming met de relevante beleidsuitgangspunten / instructieregels op provinciaal en gemeentelijk niveau en veroorzaakt het geen conflicten met de instructieregels vanuit het Bkl. In hoofdstuk 5 is de beoogde ontwikkeling getoetst aan de geldende milieu wet- en regelgeving. In de beoordeling is gebleken voor de beoogde ontwikkeling sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.