direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Kerklaan, Koekange
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1690.TAMOPH22fKerklKoe-VG01

Regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van overeenkomstige toepassing op dit TAM-omgevingsplan, tenzij hierna daarvan is afgeweken. In aanvulling zijn de volgende begripsbepalingen van toepassing:

1.1 plan:

het Omgevingsplan gemeente De Wolden;

1.2 TAM-omgevingsplan:

het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Kerklaan, Koekange met identificatienummer NL.IMRO.1690.TAMOPH22fKerklKoe-VG01 van de gemeente De Wolden;

1.3 aan-huis-verbonden beroep

een dienstverlenend beroep als bedoeld in Bijlage 1 Lijst toelaatbare beroepen en vormen van bedrijvigheid bij wonen dat in of bij een woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is;

1.4 aan-huis-verbonden bedrijf

kleinschalige bedrijvigheid als bedoeld in Bijlage 1 Lijst toelaatbare beroepen en vormen van bedrijvigheid bij wonen die door zijn beperkte omvang in of bij een woonhuis met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend;

1.5 aanduiding;

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

1.6 aaneengebouwde woning:

een woning deel uitmakend van in een rij aaneengebouwde woningen;

1.7 aangebouwd bijgebouw;

een rechtstreeks aan het (hoofd)gebouw verbonden gebouw, dat zowel ruimtelijk, architectonisch als functioneel ondergeschikt is aan het op hetzelfde bouwperceel gelegen (hoofd)gebouw en ten dienste staat van dat (hoofd)gebouw;

1.8 aan- of uitbouw:

een aan een hoofdgebouw aanwezig bouwwerk, dat ruimtelijk en architectonisch ondergeschikt is aan dat hoofdgebouw, maar in functioneel opzicht onderdeel uitmaakt van dat hoofdgebouw;

1.9 bebouwing:

één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

1.10 bebouwingspercentage:

de bebouwde oppervlakte van een gebouw uitgedrukt in procenten van nader aangegeven gronden;

1.11 bestaand:
  • 1. het gebruik dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit wijzigingsbesluit van het Omgevingsplan De Wolden aanwezig is en/of bebouwing die op dat tijdstip aanwezig of in uitvoering is, dan wel kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen;
  • 2. het onder 1 bedoelde geldt niet voor zover sprake was van strijd met het voorheen geldende plan, daaronder mede begrepen het overgangsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening, of een andere planologische toestemming;
1.12 bijbehorende bouwwerken:

alle aan- en uit- bouwen, (aangebouwde)bijgebouwen en overkappingen op een perceel;

1.13 bijgebouw:

een op zichzelf staand niet voor bewoning bestemd gebouw, al dan niet vrijstaand, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw;

1.14 bouwgrens:

de grens van een bouwvlak;

1.15 bouwperceel:

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

1.16 bouwperceelgrens:

de grens van een bouwperceel;

1.17 bouwvlak:

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten;

1.18 huishouden:

een alleenstaande, dan wel twee of meer personen, die een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren of willen voeren;

1.19 kleinschalige bedrijfsmatige activiteit:

de in dit plan genoemde bedrijvigheid, die door zijn beperkte omvang in of nabij een woonhuis met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend;

1.20 landschappelijke waarden:

de cultuurhistorische en de visuele waarden van het landschap;

1.21 natuurlijke waarden:

de abiotische en biotische waarden van een gebied;

1.22 nutsvoorziening

voorzieningen ten behoeve van de telecommunicatie en de gas-, water- en elektriciteitsdistributie alsmede soortgelijke voorzieningen van openbaar nut, zoals transformatorhuisjes, pompstations, gemalen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie;

1.23 normaal onderhoud:

het onderhoud dat, gelet op de bestemming, regelmatig noodzakelijk is voor een goed beheer en gebruik van de gronden en gebouwen die tot de betreffende bestemming horen;

1.24 overkapping:

een bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke oppervlakte overdekt bestaande uit een dakconstructie en voorzien van ten hoogste twee wanden, waaronder mede een carport wordt verstaan;

1.25 peil:
  • a. indien op het land wordt gebouwd:
    • 1. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst:
      • de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
    • 2. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst:
      • de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;
  • b. indien in het water wordt gebouwd:
    • 1. het Normaal Amsterdams Peil;
1.26 twee-aaneenwoning:

Woning waarbij het hoofdgebouw aan maximaal één zijde door een scheidsmuur van een naastgelegen hoofdgebouw is begrensd, waardoor het hoofdgebouw deel uitmaakt van een blok van maximaal twee hoofdgebouwen;

1.27 voorgevel:

De gevel van een gebouw welke door gevelindeling als meest representatieve gevel van het gebouw dient te worden aangemerkt;

1.28 voorgevellijn:

De zijde van het bouwvlak die op de verbeelding met ‘gevellijn' is aangegeven;

1.29 voorgevelrooilijn:

een naar de weg of het openbaar gebied gekeerde bouwgrens gevormd door de denkbeeldige lijn in het verlengde van de voorgevel van het hoofdgebouw; bij percelen op de hoek van straten/paden geldt dat langs beide straten/paden een voorgevelrooilijn is gelegen;

1.30 vrijstaande woning

Woning waarbij het hoofdgebouw niet begrensd is door scheidsmuren van andere hoofdgebouwen;

1.31 woning:

een complex van ruimten dat dient voor de zelfstandige huisvesting van één afzonderlijk huishouden;

1.32 woonhuis:

een gebouw, hetzij vrijstaand, hetzij aaneen gebouwd, dat slechts één woning omvat;

1.33 zijerf:

gedeelte van het erf dat aan de zijkant van het gebouw is gelegen.

Artikel 2 Toepassingsbereik

  • a. De regels in dit TAM-omgevingsplan vervangen de regels van het Omgevingsplan gemeente De Wolden, op de locatie als bedoeld onder d, zoals opgenomen in artikel 6 (Agrarisch met waarden) en artikel 30 (Waarde - Archeologie) van de beheersverordening Buitengebied De Wolden 2023 (zoals vastgesteld op 28 december 2023).
  • b. De regels van het Omgevingsplan De Wolden blijven onverminderd van toepassing op de locatie zoals bedoeld onder d, voor zover de regels in dit TAM-omgevingsplan deze regels niet hebben gewijzigd.
  • c. De regels van het Omgevingsplan gemeente De Wolden, met daarbij inbegrepen afdeling 22.2 en afdeling 22.3, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, blijven buiten toepassing indien sprake is van strijdigheid met de regels van dit TAM-omgevingsplan.
  • d. De regels in dit TAM-omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Kerklaan, Koekange', waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1690.TAMOPH22fKerklKoe-VG01.

Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

3.1 de dakhelling:

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;

3.2 de goothoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;

3.3 de inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

3.4 de bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwwerken zoals schoorstenen, antennes, ventilatiekappen, liftkokers, lichtkoepels en daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

3.5 de oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. Overstekken van daken, dieper dan 40 cm, worden meegerekend bij de oppervlakte van bouwwerken;

3.6 de afstand tot de (bouw)perceelgrens:

vanaf enig punt van een bouwwerk tot de (bouw)perceelgrens.

Artikel 4 Algemeen verbod

Niet genoemde functies en activiteiten en functies en activiteiten die niet zijn toegestaan op grond van dit TAM-omgevingsplan zijn verboden tenzij sprake is van een binnenplanse omgevingsplanactiviteit waarvoor een omgevingsvergunning kan worden verleend, met uitzondering van bestaande functies en activiteiten.

Hoofdstuk 2 Functies en activiteiten

Artikel 5 Agrarisch met waarden

5.1 Gebruiksregels

Op de voor 'Agrarisch met waarden' aangewezen gronden zijn de volgende functies en gebruiksactiviteiten toegestaan:

  • a. cultuurgrond;
  • b. de uitoefening van het agrarisch bedrijf, met dien verstande dat:
    • 1. het opslaan van mest en/of overige landbouwproducten buiten het bouwperceel niet is toegestaan;
    • 2. het gebruik van gronden ten behoeve van de sierteelt, fruitteelt, boomteelt of overige opgaande meerjarige teeltvormen niet is toegestaan.
  • c. het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke, cultuurhistorische en natuurlijke waarden van de gronden;

met daaraan ondergeschikt:

  • d. nutsvoorzieningen;
  • e. recreatief medegebruik;

met de daarbij behorende:

  • f. infrastructurele voorzieningen;
  • g. waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • h. sloten, beken en daarmee gelijk te stellen waterlopen.
5.2 Bouwregels
5.2.1 Bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde geldt dat de bouwhoogte niet meer bedragen dan 5 m.

5.3 Afwijken gebruiksregels

Het bevoegd gezag kan, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid, de milieusituatie, de gebruiksmogelijkheden van omliggende gronden, de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

  • a. lid 5.1 en toestaan dat gronden en bouwwerken buiten het bouwperceel worden gebruikt voor het opslaan van mest en/of overige landbouwproducten, mits:
    • 1. deze opslag noodzakelijk is voor een goede bedrijfsvoering (bedrijfseconomische redenen), dan wel om redenen van ontsluiting of milieu opslag binnen het bouwvlak niet mogelijk is; en
    • 2. de opslag voor zover op basis van bedrijfstechnische redenen mogelijk direct aansluitend aan het bouwvlak wordt gesitueerd.
5.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
5.4.1 Vergunningplicht werken en werkzaamheden

Voor de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden is, een omgevingsvergunning vereist:

  • a. het aanplanten van bomen en/of houtgewas, over een oppervlakte van meer dan 100 m² voor zover niet gelegen binnen een bouwperceel, met uitzondering van houtteelt, sier- en fruitteelt en/of overige opgaande teeltvormen;
  • b. het kappen en/of rooien van houtgewas en/of -singels;
  • c. het verharden van agrarische perceel-, kavelontsluitings- en/of onderhoudswegen buiten het bouwperceel met een grotere breedte dan 4 m;
  • d. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen ten behoeve van het agrarisch gebruik buiten het bouwperceel, niet zijnde perceel- en/of kavelontsluitingswegen, met een oppervlakte van meer dan 50 m²;
  • e. het aanleggen van fiets-, voet- en ruiterpaden buiten het bouwperceel;
  • f. het afgraven, ophogen of egaliseren van gronden, zodanig dat er een verschil in hoogte, c.q. diepte ten opzichte van het bestaande maaiveld ontstaat van meer dan 30 cm;
  • g. het aanleggen van voorzieningen ten behoeve van het recreatief medegebruik;
  • h. het wijzigen van de grondsamenstelling en/of het aanbrengen van voorzieningen ten behoeve van de aanleg van paardrijbakken;
  • i. het aanleggen van ligplaatsen voor vaartuigen;
  • j. het graven of dempen, verdiepen of verbreden van sloten en daarmee gelijk te stellen waterlopen, uitsluitend indien dit een wijziging van het kavelpatroon tot gevolg heeft;
  • k. het aanleggen van wegen ten behoeve van gebiedsontsluiting.

5.4.2 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 5.4.1 wordt verleend als:

  • a. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke, de natuurlijke, de geomorfologische, cultuurhistorische en de archeologische waarden;
  • b. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de waterhuishouding van het gebied en de omliggende percelen, c.q. de gebruiksmogelijkheden daarvan.

5.4.3 Uitzonderingen vergunningplicht

Het bepaalde in lid 5.4.1 en 5.4.2 is niet van toepassing op de volgende werken of werkzaamheden:

  • a. normaal onderhoud;
  • b. werken of werkzaamheden die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan, met een daarvoor geldende vergunning.

Artikel 6 Groen

6.1 Gebruiksregels

Op de voor 'Groen' aangewezen gronden zijn de volgende functies en gebruiksactiviteiten toegestaan:

  • a. groenvoorzieningen;

met de daarbij behorende:

  • b. fiets- en voetpaden;
  • c. speelvoorzieningen;
  • d. nutsvoorzieningen;
  • e. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • f. dammen en/of duikers.
6.2 Bouwregels
6.2.1 Gebouwen en overkappingen

Op deze gronden mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd.

6.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 3,5 m.

Artikel 7 Tuin

7.1 Gebruiksregels
7.1.1 Toegestaan

Op de voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn de volgende functies en gebruiksactiviteiten toegestaan:

  • a. tuinen behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen functies en gebruik;
  • b. erkers en entreepartijen ten dienste van de op de aangrenzende gronden gelegen functie en gebruik.

7.1.2 Verbod

Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer uitgesloten - parkeren' is parkeren niet toegestaan.

7.2 Bouwregels
7.2.1 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 3,5 m.

7.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 1 m indien het voor de voorgevel of een naar de weg gekeerde zijgevel van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan wordt opgericht;
  • b. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 2 m.
  • c. voor erf- of perceelsafscheidingen gericht op openbaar toegankelijk gebied geldt een maximale bouwhoogte van 1 meter.

Artikel 8 Verkeer

8.1 Gebruiksregels

Op de voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn de volgende functies en gebruiksactiviteiten toegestaan:

  • a. wegen;
  • b. voet- en fietspaden;

met de daarbij behorende:

  • c. parkeervoorzieningen;
  • d. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • e. dammen en/of duikers;
  • f. sloten, bermen en beplanting;
  • g. groenvoorzieningen.
8.2 Bouwregels
8.2.1 Gebouwen en overkappingen
  • a. er mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd.

8.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 12 m.

Artikel 9 Water

9.1 Gebruiksregels

Op de voor 'Water' aangewezen gronden zijn de volgende functies en gebruiksactiviteiten toegestaan:

  • a. waterberging;
  • b. waterhuishouding;
  • c. waterlopen en waterwegen;

met de daarbij behorende:

  • d. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • e. dammen en/of duikers.
9.2 Bouwregels
9.2.1 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 4 m.

Artikel 10 Wonen

10.1 Gebruiksregels

Op de voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn de volgende functies en gebruiksactiviteiten toegestaan:

  • a. wonen, waarbij het aantal woningen niet meer mag bedragen dan 20;

met daarbij behorend en ondergeschikt:

  • b. een aan de woning gebonden beroep of bedrijf als bedoeld in Bijlage 1 Lijst toelaatbare beroepen en vormen van bedrijvigheid bij wonen, tot een oppervlakte van niet meer dan 30% van de oppervlakte van de woning met bijbehorende bouwwerken, tot een maximum van 50 m2;
  • c. nutsvoorzieningen;
  • d. wegen en paden;
  • e. groenvoorzieningen;
  • f. parkeervoorzieningen;
  • g. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • h. tuin, erven en terreinen.
10.2 Bouwregels
10.2.1 Hoofdgebouwen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. de hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;
  • b. de voorgevel van ieder hoofdgebouw moet opgericht worden in de lijn die op de kaart is aangeduid als 'gevellijn';
  • c. als hoofdgebouw zijn uitsluitend toegestaan:
    • 1. ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand': een vrijstaande woning;
    • 2. ter plaatse van de aanduiding 'twee-aaneen': twee-aaneenwoningen waarbij de hoofdgebouwen aaneen moeten worden gebouwd;
    • 3. ter plaatse van de aanduiding 'rij': aaneengebouwde woningen, met dien verstande dat niet meer dan vier woningen in één rij aaneen mogen worden gebouwd;
  • d. het aantal woningen bedraagt per bestemmingsvlak niet meer dan het ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' aangegeven aantal;
  • e. de goothoogte en de bouwhoogte mogen ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' niet meer bedragen dan aangegeven;
  • f. in afwijking van het bepaalde onder d mag de goothoogte ter plaatse van 'specifieke bouwaanduiding - asymmetrische kap' niet meer bedragen dan:
    • 1. 3,5 m aan de voorgevel; en
    • 2. 6 m aan de achtergevel;
  • g. de dakhelling mag ter plaatse van de aanduiding 'minimum dakhelling (graden)' niet minder bedragen dan aangegeven;
  • h. de dakhelling mag ter plaatse van de aanduiding 'maximum dakhelling (graden)' niet meer bedragen dan aangegeven;
  • i. in aanvulling op de algemene parkeerregels, zoals die zijn opgenomen in artikel 21 lid 21.1 geldt per woningtype de parkeernorm per woning, zoals opgenomen in onderstaande tabel:
  • j. in aanvulling op de algemene parkeerregels, zoals die zijn opgenomen in artikel 17 lid 17.1 geldt per woningtype de parkeernorm per woning, zoals opgenomen in onderstaande tabel:
Woningtype   Bewonersnorm   Bezoekersnorm   Totale norm  
Koop, huis, vrijstaand   1,7   0,3   2,0  
Koop, huis, twee-aaneen   1,6   0,3   1,9  
Koop, huis,
aaneengebouwd  
1,5   0,3   1,8
 
Huur, huis, vrije sector   1,1   0,3   1,4  

Tabel 10.1: Parkeernormen per woningtype

  • k. voor vrijstaande en tweeaaneen gebouwde hoofdgebouwen geldt dat het parkeren op eigen erf opgelost dient te worden, volgens de parkeernormen uit tabel 10.1 en de voorwaarden uit artikel 17.1.

10.2.2 Bijbehorende bouwwerken

Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. bijbehorende bouwwerken worden niet minder dan 1 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw of het verlengde hiervan gebouwd;
  • b. de afstand tot de zijdelingse perceelgrens mag niet minder bedragen dan 1 m, tenzij in de perceelgrens wordt gebouwd;
  • c. de gezamenlijke oppervlakte bij het hoofdgebouw van al dan niet met vergunning gebouwde bijbehorende bouwwerken dient te voldoen aan de volgende regels:
    • 1. in het geval het erfbebouwingsgebied kleiner of gelijk is aan 100 m²: 60% van de oppervlakte van het erfbebouwingsgebied;
    • 2. in het geval het erfbebouwingsgebied groter is dan 100 m² en kleiner of gelijk is aan 300 m²: 60 m² vermeerderd met 40% van dat deel van de oppervlakte van het erfbebouwingsgebied dat groter is dan 100 m²;
    • 3. in het geval het erfbebouwingsgebied groter is dan 300 m² en kleiner of gelijk is aan 900 m²: 140 m² vermeerderd met 10% van dat deel van de oppervlakte van het erfbebouwingsgebied dat groter is dan 300 m²;
    • 4. in het geval het erfbebouwingsgebied groter is dan 900 m²: 200 m²;
  • d. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3 m, met dien verstande dat de goothoogte voor aangebouwde bijbehorende bouwwerken mag worden verhoogd tot niet meer dan 0,25 m boven de vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw.
  • e. de bouwhoogte van overkappingen mag niet meer bedragen dan 3,25 m.

10.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 2 m.
  • b. Voor erf- of perceelsafscheidingen gericht op openbaar toegankelijk gebied geldt een maximale bouwhoogte van 1 meter.

Artikel 11 Waarde - Archeologie

11.1 Gebruiksregels

Op de voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies en gebruiksactiviteiten, mede de volgende functies en gebruiksactiviteiten toegestaan:

  • het behoud van de aldaar in of op de grond aanwezige archeologische waarden.
11.2 Beoordelingsregels voor het bouwen
11.2.1 Bouwwerken

Daar waar de gronden op de Archeologische beleidskaart zijn aangegeven als 'hoge verwachting', 'hoge of middelhoge verwachting' voor zover de oppervlakte van de ingreep in de grond betrekking heeft groter is dan 1.000 m² en de activiteit op een grotere diepte dan 30 cm wordt uitgevoerd moet voor bouwwerken alvorens een omgevingsvergunning wordt verleend door de aanvrager een rapport worden overgelegd waarin, naar het oordeel van burgemeester en wethouders:

  • a. in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard of gedocumenteerd.

11.2.2 Voorwaarden

Indien uit het in lid 11.2.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen worden verstoord, kunnen burgemeester en wethouders één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen;
  • c. de verplichting de oprichting van het bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties, tenzij in het rapport als bedoeld onder a naar het oordeel van het bevoegd gezag is aangetoond dat het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft niet zal leiden tot een onevenredige aantasting van archeologische waarden.
11.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
11.3.1 Vergunningplichtige werken en werkzaamheden

Het is verboden zonder omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden met een oppervlakte van meer dan 1.000 m² uit te voeren daar waar de gronden op de Archeologische beleidskaart zoals opgenomen in Bijlage 2 Archeologische beleidskaart zijn aangegeven als 'hoge verwachting', 'hoge of middelhoge verwachting', zulks ongeacht het bepaalde in de regels bij de andere op deze gronden van toepassing zijnde bestemmingen:

  • a. het ontgronden, afgraven, egaliseren, mengen, diepploegen, ontginnen en/of anderszins ingrijpend wijzigen van de bodemstructuur dieper dan 30 cm, met dien verstande dat geen vergunning nodig is wanneer het betreft niet-bodemkerende werkzaamheden ten behoeve van het verbeteren van de verdichte bodemstructuur (woelen) tot ten hoogste 10 cm onder de bouwvoor;
  • b. het graven en/of baggeren van sloten, vaarten en andere watergangen dieper dan 30 cm;
  • c. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur dieper dan 30 cm;
  • d. het aanleggen en vervangen van drainage daar waar de gronden op de Archeologische beleidskaart zijn aan gegeven als 'hoge verwachting (essen)'.

11.3.2 Beoordelingsregels

Het bepaalde in lid 11.3.1 is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  • a. plaatsvinden in of op gronden waarvan op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat er zich ter plekke geen archeologische waarden bevinden;
  • b. reeds in uitvoering zijn ten tijde van het van kracht worden van het TAM-plan;
  • c. het normale onderhoud betreffen;
  • d. op archeologisch onderzoek zijn gericht.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 12 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 13 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

Bij een aanvraag omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk of een werkzaamheid worden gegevens en bescheiden verstrekt over:

  • a. de te gebruiken materialen;
  • b. de mate waarin sprake is van afvoer van grond naar een andere locatie; en
  • c. de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan aan het verrichten van de activiteit.

Artikel 14 Algemene afwijkingsregels

14.1 10%- regeling

Van de in de beoordelingsregels in hoofdstuk 2 genoemde maten en afmetingen, met uitzondering van de oppervlaktematen, kan worden afgeweken tot ten hoogste 10% van die maten en afmetingen, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de milieusituatie en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

14.2 Afwijkende beoordelingsregels bouwen

Voor het bouwen van bouwwerken gelden tevens de volgende beoordelingsregels en wordt de omgevingsvergunning ook verleend, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid, de milieusituatie, de gebruiksmogelijkheden van omliggende gronden en de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden, voor:

  • a. het afwijken tot ten hoogste 10% van maten en afmetingen van de in hoofdstuk 2 genoemde maten en afmetingen, met uitzondering van de oppervlaktematen;
  • b. een overschrijding van de bouwgrenzen behorend bij de regels voor 'Wonen' door:
    • 1. uitbreiding van het hoofdgebouw, indien gelegen in een bouwvlak met een diepte van minder dan 12 m, uitsluitend aan de niet naar de straat gekeerde zijde binnen een afstand tot de voorgevel van het woonhuis van 12 m;
    • 2. plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen en schoorstenen;
    • 3. gevel- en kroonlijsten en overstekende daken;
    • 4. (hoek)erkers over maximaal de halve gevelbreedte, ingangspartijen, luifels, balkons en galerijen, met dien verstande dat:
      • de bouwgrens met niet meer dan 1,5 m mag worden overschreden;
      • de afstand van een erker tot de naar de weg gekeerde perceelgrens ten minste 3 m bedraagt;
      • de gezamenlijke oppervlakte per erker niet meer bedraagt dan 6 m²;
      • de oppervlakte van een erker niet wordt meegerekend bij de toegestane oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken per hoofdgebouw, met dien verstande dat het maximale bebouwingspercentage van het bouwperceel onverminderd van toepassing blijft;
  • c. het in geringe mate aanpassen van het beloop of het profiel van wegen of de aansluiting van wegen onderling, indien de verkeersveiligheid en/of –intensiteit daartoe aanleiding geven;
  • d. het aanpassen aan de werkelijke afmetingen van het terrein, mits de structuur van het gebied niet wezenlijk wordt aangetast, de belangen van derden in redelijkheid niet worden geschaad en de afwijking gewenst en noodzakelijk wordt geacht;
  • e. het vergroten van de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde tot niet meer dan 10 m.
14.3 Afwijken beoordelingsregels gebruik

Voor het gebruiken van gronden en bouwwerken gelden tevens de volgende beoordelingsregels, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid, de milieusituatie, de gebruiksmogelijkheden van omliggende gronden en de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden voor:

  • a. het toestaan van logiesverstrekking, met dien verstande dat wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:
    • 1. vestiging is toegestaan binnen de gehele gemeente;
    • 2. vestiging moet plaatsvinden binnen bestaande bebouwing, en mag zowel in een hoofdgebouw als in een bijbehorend bouwwerk gerealiseerd worden. Er wordt uitgegaan van een bestaande entree (deur);
    • 3. in een bijbehorend bouwwerk mogen uitsluitend slaapplaatsen met sanitaire voorzieningen worden gerealiseerd. Hieraan gekoppeld moet in het bijbehorende hoofdgebouw een ontbijtruimte, en mag een eventuele woonkamer, worden gerealiseerd;
    • 4. het bijbehorend bouwwerk dient in de directe nabijheid te staan van en een duidelijke relatie te hebben met het hoofdgebouw;
    • 5. de uiterlijke kenmerken van het bijbehorend bouwwerk moeten behouden blijven. Er mogen geen uiterlijke kenmerken van een woning worden toegevoegd;
    • 6. er mogen maximaal drie slaapkamers gerealiseerd worden;
    • 7. er mag geen keukenblok in de kamers worden gemaakt;
    • 8. het parkeren dient op het eigen erf plaats te vinden;
    • 9. er mag geen extra inrit worden aangelegd in verband met de vestiging;
    • 10. de vestiging is alleen toegestaan aan een verkeersontsluiting van voldoende omvang;
    • 11. de vestiging mag geen onevenredige afbreuk doen aan de milieusituatie van agrarische bedrijven in de directe omgeving.

Artikel 15 Bodemgevoelig gebouw bouwen

15.1 Meldingplicht bodemgevoelig gebouw

Voor de gebouwen, waarvoor geen omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit is vereist, geldt een meldingplicht voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw zoals bedoeld in artikel 5.89g van het Bkl, op een bodemgevoelige locatie zoals bedoeld in artikel 5.89h van het Bkl.

15.2 Indieningvereisten melding
  • a. Indien sprake is van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie dan moet dit ten minste vier weken voor het begin van de bouw worden gemeld bij het bevoegd gezag.
  • b. De melding als bedoeld onder a wordt ondertekend en bevat ten minste:
  • 1. de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
  • 2. de naam en het adres van degene die de bouwactiviteit verricht;
  • 3. het adres waarop de bouwactiviteit wordt verricht;
  • 4. de dagtekening; en
  • 5. bij overschrijding van een waarde als bedoeld in artikel 5.89i, eerste lid van het Bkl: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen.
  • c. 1 en 5 zijn niet van toepassing op locaties die zijn aangewezen in het omgevingsplan waar een overschrijding van een waarde als bedoeld in artikel 5.89i, eerste lid van het Bkl redelijkerwijs is uit te sluiten.

Artikel 16 Algemene aanduidingsregels

16.1 overige zone - spuitzone

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - spuitzone' is het toepassen van chemische gewasbeschermingsmiddelen niet toegestaan.

Artikel 17 Overige regels

17.1 Beoordelingsregels parkeren
  • a. Een bouwwerk, waarvan een behoefte aan parkeergelegenheid wordt verwacht, kan niet worden gebouwd of gebruikt wanneer op het bouwperceel of in de omgeving daarvan niet in voldoende parkeergelegenheid is voorzien en in stand wordt gehouden.
  • b. Of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid wordt beoordeeld op basis van de normen die zijn neergelegd in de CROW-publicatie 744 ‘Parkeerkencijfers 2024’, deze betreffen voor:
  • Koop, huis, vrijstaand: 2,0
  • Koop, huis, twee-onder-een-kap: 1,9
  • Koop, huis, tussen/hoek: 1,8
  • Huur, huis, vrije sector: 1,4

Hierbij kunnen voorschriften worden opgenomen over het realiseren en in stand houden van parkeergelegenheid op eigen terrein.

  • c. Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in sub a en worden toegestaan dat in minder dan voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien, indien de structuur van de omgeving daartoe aanleiding geeft en geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de bereikbaarheid.

Hoofdstuk 4 Overgangsregels

Artikel 18 Overgangsrecht

18.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • 1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het TAM-omgevingsplan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • 2. Het bevoegd gezag verleent eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning indien sprake is van het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.
  • 3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat bestemmingsplan.
18.2 Overgangsrecht gebruik

Behoudens voor zover uit de Richtlijnen 79/409/EEG en 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand onderscheidenlijk van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna beperkingen voortvloeien ten aanzien van ten tijde van de inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan bestaand gebruik, zijn de volgende overgangsregels van toepassing voor gebruik:

  • 1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • 2. Het is verboden het met het TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • 3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat bestemmingsplan.