| Plan: | Kerkdijk 27, Ansen |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1690.BP00462-VG01 |
Aan de Kerkdijk 27 in Ansen bestaat het voornemen om een vrijstaande woning te realiseren. Het betreft nu een onbebouwd stuk grond. Voorheen was deze grond onderdeel van de tuin bij de vrijstaande woning aan de Kerkdijk 25, maar dit stuk grond is in 2019 van de tuin afgesplitst.
Het college van burgemeester en wethouders heeft per brief van 8 maart 2019 aangegeven dat zij in principe mee wil werken aan het realiseren van één extra woonkavel op deze locatie.
Op basis van het geldende bestemmingsplan is deze ontwikkeling niet mogelijk. Daarom is het opstellen van een nieuw bestemmingsplan noodzakelijk.
Het plangebied is gelegen in de bebouwde kom van het dorp Ansen. Het ligt in het zuidoostelijk deel van het dorp. Het gaat om het perceel kadastraal bekend als gemeente Ruinen, sectie I nummer 580. Het perceel heeft een totale omvang van 1.120 m2.
Op onderstaande luchtfoto is de ligging van het plangebied in het dorp Ansen en omgeving weergegeven.
Luchtfoto met ligging plangebied in Ansen (bron: kadastralekaart.com)
Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan Kleine Kernen Noord uit oktober 2008. Het plangebied heeft in dit bestemmingsplan de bestemming 'tuinen'. Daarnaast geldt de dubbelbestemming 'archeologisch waardevol gebied'.
Op onderstaande afbeelding is een uitsnede van de verbeelding van dit bestemmingsplan weergegeven.
Uitsnede verbeelding geldend bestemmingsplan (ruimtelijkeplannen.nl)
In het volgende hoofdstuk wordt de huidige en toekomstige situatie van het perceel beschreven. Vervolgens komt in hoofdstuk 3 het voor het plan relevante ruimtelijke beleid aan de orde. In hoofdstuk 4 worden de relevante omgevingsaspecten beschreven. Hoofdstuk 5 bevat de toelichting op de juridische regeling van dit bestemmingsplan. Hoofdstuk 6 gaat tot slot in op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan. In dit hoofdstuk komt onder andere inspraak en overleg aan de orde.
In 2019 is het perceel aan de Kerkdijk 25 in Ansen in tweeën gesplitst. Op het westelijk deel van het perceel (nu kadastraal bekend als gemeente Ruinen, sectie I nummer 581) staat een vrijstaande woning. Het plangebied betreft het oostelijk deel van het perceel (nu kadastraal bekend als gemeente Ruinen, sectie I nummer 580).
In het zuiden grenst het plangebied aan de Kerkdijk. Ten noorden en westen grenst het plangebied aan het gazon behorende bij Kerkdijk 25 en ten oosten aan de achtertuinen van huizen aan de Meulekaamp.
Het plangebied is grotendeels ingericht als gazon. Verder zijn er drie bomen aanwezig en is de oostelijke rand van het plangebied begroeid met diverse struiken.
Op onderstaande luchtfoto is de ligging en begrenzing van het plangebied weergegeven.
Luchtfoto (ingezoomd) met ligging en begrenzing van plangebied (bron: kadastralekaart.com)
Zoals ook al in het eerste hoofdstuk beschreven, is het voornemen op in het plangebied één vrijstaande woning te realiseren.
Om er voor te zorgen dat dit plan past in de omgeving en voor een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit zorgt, is een inpassingsplan opgesteld. Dit inpassingsplan, waarin als uitgangspunt het gemeentelijk Landschappelijk Ontwikkelingskader De Wolden (LOK) is genomen, biedt inzicht in de afwegingen voor de toekomstige inrichting van het terrein. Het inpassingsplan is als bijlage 1 bij de regels gevoegd.
Op onderstaande afbeelding is de inrichting van het perceel zoals beschreven in het inrichtingsplan, weergegeven.
Inpassingsplan (bron: BügelHajema adviseurs)
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties.
In de SVIR schetst het kabinet hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Het ruimtelijke- en mobiliteitsbeleid wordt meer aan provincies en gemeenten overgelaten. Hieronder valt bijvoorbeeld het landschapsbeleid. De Rijksoverheid richt zich op nationale belangen, zoals een goed vestigingsklimaat, een degelijk wegennet en waterveiligheid. Tot 2028 heeft het kabinet in de SVIR drie Rijksdoelen geformuleerd:
De provincies en gemeenten krijgen in het nieuwe ruimtelijke beleid en mobiliteitsbeleid meer bevoegdheden. Bijvoorbeeld op het gebied van landschappen, verstedelijking en het behoud van groene ruimte. Provincies en gemeenten zijn volgens het kabinet beter op de hoogte van de situatie in de regio en de vraag van bewoners, bedrijven en organisaties. Daardoor kunnen zij beter afwegen wat er in een gebied moet gebeuren. Het opstellen van dit bestemmingsplan past in die lijn.
Over gebiedsontwikkeling is in de SVIR opgenomen dat 'een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten' van belang is. Hierbij hanteert het Rijk de Ladder voor duurzame verstedelijking. Deze is opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In paragraaf 3.1.2 wordt hier nader op ingegaan.
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) heeft het Rijk voorts enkele nationale belangen voorzien van bindende regels. Deze moeten bij ruimtelijke plannen in acht worden gehouden. Het plangebied ligt niet in een gebied waarvoor bindende regels zijn opgenomen.
De Ladder voor duurzame verstedelijking (hierna: Ladder) is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik, met een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Bij besluit van 28 augustus 2012 is de Ladder toegevoegd aan artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en vervolgens op 1 oktober 2012 in werking getreden. Op 1 juli 2017 is het Bro gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt.
De Ladder staat als instrument niet op zichzelf, maar geeft mede vorm aan de systeemverantwoordelijkheid van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor een goede ruimtelijke ordening. Deze verantwoordelijkheid brengt met zich mee, dat de minister er voor zorgt dat decentrale overheden over de juiste instrumenten kunnen beschikken voor een zorgvuldige benutting van de ruimte. Hieronder wordt begrepen het voorkomen van overprogrammering, het faciliteren van groei, het anticiperen op stagnatie en het leefbaar houden van krimpregio's.
De Ladder is onder andere van toepassing op bouwplannen die worden aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Bij het bepalen óf en hoe de Ladder moet worden toegepast zijn de volgende aspecten van belang:
Ad. 1.
De Ladder is van toepassing op woningbouwplannen die worden aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling. De eerste afweging in de toetsing aan de Ladder is het beantwoorden van de vraag of er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Hiervoor kan worden gekeken naar jurisprudentie. Hieruit blijkt dat niet iedere ontwikkeling als een nieuwe stedelijke ontwikkeling valt te kwalificeren. De aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving bepaalt of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling. In het geval van wonen geldt dat voor woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling die ‘Ladderplichtig’ is, waarbij tevens geldt dat het een nieuwe ontwikkeling betreft.
Gezien het feit dat het planvoornemen betrekking heeft op het realiseren van één woning mag er redelijkheidshalve van worden uitgegaan dat het hier geen nieuwe stedelijke ontwikkeling betreft en dat een ladderonderbouwing niet van toepassing is.
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat het plan voldoet aan de Ladder van duurzame verstedelijking. Er is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Wanneer er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, zijn de overige vragen van de Ladder niet meer van toepassing. Ondanks dat er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet de behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling wel worden aangetoond. In paragraaf 3.4.3 wordt hier nader op ingegaan.
Provinciale Staten van Drenthe hebben op 2 juli 2014 ingestemd met de Actualisatie Omgevingsvisie Drenthe 2014. Op 3 oktober 2018 is de Omgevingsvisie andermaal geactualiseerd en vastgesteld. De Omgevingsvisie is hét kader voor de ruimtelijk-economische ontwikkeling van Drenthe. De provincie beschrijft hierin wat de gewenste ruimtelijk-economische ontwikkeling is. Daarbij is de volgende missie geformuleerd: "het ontwikkelen van een bruisend Drenthe, passend bij de kernkwaliteiten die de provincie rijk is". De kernkwaliteiten zijn de kwaliteiten die bijdragen aan de identiteit en aantrekkelijkheid van Drenthe. Het provinciaal belang ligt in het behouden en waar mogelijk ontwikkelen van de kernkwaliteiten.
In de Omgevingsvisie Drenthe geeft de provincie aan dat wordt gestreefd naar een robuust sociaaleconomisch systeem waarbinnen voldoende variatie in het aanbod van woonmilieus en voorzieningen met een hoge kwaliteit aanwezig is.
Naast de Omgevingsvisie is voor het plangebied ook de Provinciale Omgevingsverordening (POV) relevant. De geactualiseerde POV is op 15 oktober 2015 in werking getreden. Ook de POV is op 3 oktober 2018 andermaal geactualiseerd en vastgesteld.
In de POV is opgenomen dat bij ruimtelijke ontwikkelingen uiteengezet wordt dat met het desbetreffende plan wordt bijgedragen aan behoud en ontwikkeling van de bij het plan betrokken kernkwaliteiten conform het provinciaal beleid en de sturingsniveaus zoals die zijn verwoord in de Omgevingsvisie. Daarnaast mag een ruimtelijke ontwikkeling geen nieuwe activiteiten dan wel een wijziging van bestaande activiteiten mogelijk maken die de kernkwaliteiten significant aantasten. Verder dient in het kader van zorgvuldig ruimtegebruik de Ladder voor duurzame verstedelijking gevolgd te worden. Het plan is getoetst aan de Ladder in paragraaf 3.1.2. Ten aanzien van de kernkwaliteiten volgen hieronder de kernkwaliteiten die voor het plangebied relevant zijn.
Kernkwaliteit landschap
In de omgevingsvisie zijn zes landschapstypen te onderscheiden. Het doel is deze landschapstypen van Drenthe herkenbaar, beleefbaar en leesbaar te houden. De verschillende landschapstypen zijn nader omschreven en het bijbehorende provinciaal belang is gedefinieerd. Op de kaart bij de omgevingsvisie is aangegeven welke landschappelijke kenmerken en structuren van provinciaal belang zijn.
Het plangebied is gelegen in het esdorpenlandschap. De essen en beekdalen zijn van provinciaal belang. Het plangebied is niet gelegen op een es of in een beekdal. Doordat het plangebied omgeven wordt door bebouwing heeft het voornemen ook geen invloed op de beleving of structuur van het esdorpenlandschap. Overigens is vanaf de Kerkdijk en het plangebied wel zicht op de es ten noorden van het plangebied mogelijk. Door middel van een regeling in dit bestemmingsplan wordt het zicht op de es zoveel mogelijk behouden. In paragraaf 2.2 is dit nader toegelicht.
Kernkwaliteit natuur
Het plangebied is gelegen in een gebied dat is aangewezen als onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN).
Uitgangspunt voor NNN gebieden is dat een ruimtelijke ontwikkeling, zoals het toevoegen van een woonperceel, geen wezenlijke kernmerken van het NNN gebied significant mag aantasten. De nieuwe bestemming mag de natuurwaarden niet onomkeerbaar belemmeren.
In de vooroverlegreactie van de provincie is aangegeven dat de omzetting van de bestemming tuin naar wonen is een verzwaring van de natuurfunctie is. In een nadere reactie heeft de provincie te kennen gegeven dat voor Kerkdijk 27 geldt op basis van nader overleg is vastgesteld dat gelet op het huidige gebruik (grasveld met een enkele boom) er nu ook al geen sprake is van een natuurwaarde. Het toevoegen van een woonperceel tast daardoor de natuurwaarde niet significant aan volgens het oordeel van de provincie.
Kernkwaliteit cultuurhistorie
Het plangebied ligt in het deelgebied "6: de velden in centraal Drenthe" met als sturingsniveau respecteren. Bij ontwikkelingen waarvoor dit sturingsniveau geldt, ligt de inzet bij het waarborgen van de cultuurhistorische samenhang voor de toekomst. Initiatiefnemers hebben de verantwoordelijkheid om de cultuurhistorische hoofdinstructuur als inspiratiebron te benutten voor ontwikkelingen.
Zoals ook al onder het kopje 'Kernkwaliteit landschap' in deze paragraaf is beschreven, wordt in het inrichtingsplan zoveel mogelijk rekening gehouden met de landschappelijke en cultuurhistorische waarden in de omgeving van het plangebied. Op deze manier vormt de cultuurhistorische structuur een inspiratiebron voor de inrichting van het perceel.
Kernkwaliteit archeologie
Het plangebied heeft op de kaart die hoort bij de kernkwaliteit archeologie beschermingsniveau '1: generiek'. In paragraaf 4.6 wordt nader ingegaan op het thema archeologie.
Conclusie
Het project tast de bestaande kernkwaliteiten niet significant aan. Het project is in overeenstemming met het provinciaal beleid.
Het plan is gelegen binnen het beheersgebied van het waterschap Drents Overijsselse Delta. In het waterbeheerplan is beschreven hoe het waterschap uitvoering geeft aan haar watertaken in de periode 2016-2021. Het gaat dan om het zorgen voor een goede bescherming tegen hoog water, zorgen voor een goed functionerend regionaal watersysteem en voor het zuiveren van afvalwater. Bij nieuwe ontwikkelingen wordt getoetst of deze invloed hebben op de waterveiligheid, waterkwantiteit (voldoende water), waterkwaliteit (schoon water) en afvalwater verwerking (afvalwater keten).
Dit plan voorziet in het realiseren van één vrijstaande woning. Er is uitvoering gegeven aan de digitale watertoets. Uit deze toets volgt dat er een aantal (standaard) aandachtspunten zijn wat betreft waterhuishoudkundige aspecten. In paragraaf 4.7 van deze toelichting wordt ingegaan op deze aspecten.
Conclusie
Vooruitlopend op de uitwerking van de watertoets verderop in de toelichting, kan worden geconcludeerd dat het plan een geringe ruimtelijke ingreep betreft die geen invloed van betekenis heeft op waterhuishoudkundige aspecten en daarmee in overeenstemming is met het waterbeheerplan van het waterschap.
De gemeentelijke Structuurvisie De Wolden uit 2011 vormt het toetsingskader voor ruimtelijke ontwikkelingen, met 2030 als zichtjaar. Daarin staat hoe de gemeente in de toekomst met thema’s als wonen, leefbaarheid, landbouw, recreatie en natuur omgaat. Welke ontwikkelingen zijn gewenst en waar moeten die ontwikkelingen plaatsvinden. De structuurvisie heeft niet als doelstelling de ontwikkelingslocaties op perceelsniveau op de kaart weer te geven, maar geeft de ontwikkelingsmogelijkheden per landschapstype weer.
De visie richt zich op het creëren van ontwikkelingsmogelijkheden, waarbij het versterken van de ruimtelijke kwaliteit de randvoorwaarde is. Ruimtelijke kwaliteit in De Wolden wordt bepaald en versterkt door de dynamiek van het landschap.
Het plangebied is gelegen in het esdorpenlandschap. Het gebied rondom Ansen en Ruinen is een gaaf onderdeel van dit landschap. In het Landschappelijk Ontwikkelings Kader (LOK, zie paragraaf 2.2 en 1.3) is beschreven op welke manier met nieuwe ontwikkelingen in dit landschap moet worden omgegaan.
Wat betreft het thema wonen is in de structuurvisie opgenomen dat het belangrijk blijft om voldoende ruimte te creëren voor woningebouw. Belangrijk is dat de grootte van ontwikkelingen oftewel het aantal woningen passend moet zijn bij de aard en schaal van het dorp. Ansen hoort bij één van de kleine kernen in de gemeente. In kleine kernen wordt ingezet op beperkte ontwikkelingsmogelijkheden volgens het concept van 'landschappelijk bouwen'. Hiermee wordt woningbouw passend binnen de kenmerken van het landschap bedoeld. Locaties, aansluitend aan een kleine kern, komen hiervoor in aanmerking. De gemeente regisseert deze onwikkelingen op basis van het Woonplan 2017-2022 (zie paragraaf 3.4.3).
Zoals in voorgaande paragraaf beschreven is het gebied rondom Ansen en Ruinen een gaaf onderdeel van het esdorpenlandschap.
In het LOK is omschreven wat de landschapskenmerken zijn van het esdorpenlandschap, hier zijn bijvoorbeeld waarden als kleinschaligheid, variatie in landschap en microreliëf benoemd. Ook is voor het esdorp Ansen een dorpskarakteristiek opgenomen en zijn de kwaliteiten van de dorpsrand benoemd.
In het ontwerp is rekening gehouden met de uitgangspunten uit het LOK. De volgende uitgangspunten worden gewaarborgd (zie ook inrichtingsschets in paragraaf 2.2 en bijlage 1 bij de regels):
Op 6 juli 2017 heeft de gemeenteraad het Woonplan 2017-2022: ‘Een leven lang wonen’ vastgesteld. Het woonplan is een sturingsinstrument voor woningbouw ontwikkelingen. In het woonplan worden onder andere aantallen en doelgroepen (per kern) benoemd. Bij het opstellen van dit Woonplan is een aantal beleidsdocumenten relevant. De belangrijkste zijn de Structuurvisie 2010 - 2032, de regionale woonvisie en het collegeprogramma 2014 - 2018.
Het woonplan voorziet in een fors woningbouwprogramma van in totaal 440 woningen tot en met 2022. In het plan staat dat alle doelgroepen worden voorzien, zowel inwoners die nu al in de gemeente wonen als nieuwe inwoners en starters, alleenstaanden, (jonge) gezinnen, senioren en zorgbehoevenden.
In de visie wordt gestreefd naar een woningbouwprogramma met zowel goedkopere als duurdere huur- en koopwoningen. In alle dorpen is er ruimte om te bouwen en net als in het vorige woonplan houdt de gemeente vast aan een risicodragende rol in de kerndorpen en een faciliterende rol in kleine kernen.
De voorkeur van de gemeente gaat uit naar inbreiding, vanwege de landschappelijke kwaliteit. Dit plan voorziet in realisatie van één woning in Ansen, op een inbreidingslocatie. Dit plan sluit aan bij het gemeentelijke Woonplan.
In 2014 is de cultuurhistorische waardenkaart met bijbehorende nota vastgesteld. In deze kaart zijn de aanwezige cultuurhistorische waarden op het grondgebied van de gemeente De Wolden inzichtelijk gemaakt. Uit deze kaarten blijkt dat er in de omgeving van het perceel, maar niet direct aangrenzend, waardevolle bebouwing en bomen zijn gesitueerd. Het gebied waarin de locatie is gelegen heeft een gemiddelde cultuurhistorische waarde.
Uitsnede uit kaartbijlage 7 van Cultuurhistorische waardenkaart gemeente De Wolden (met het plangebied globaal omcirkeld)
Cultuurhistorie speelt een nevengeschikte rol bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. In het Lanschappelijk inpassingsplan (Bijlage 1 bij de regels) is ingegaan op de cultuurhistorische waarden van het landschap.
Eind 2012 is de Welstandsnota 2013 door de gemeenteraad vastgesteld. Voor de gehele gemeente gelden algemene welstandscriteria. Grote gebieden van de gemeente zijn in de welstandsnota tot welstandsvrij verklaard, hiervoor zijn geen gebiedsgerichte welstandscriteria opgenomen.
Het plan wordt getoetst aan de algemene welstandscriteria ten aanzien van ligging, massa, detaillering van het bouwwerk en het toegepaste materiaal.
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de relevante omgevingsaspecten. Op grond van artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening (Wro) dient te worden bezien of het plan uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening verenigbaar is met de eisen die aan de omgeving worden gesteld. Het plan dient een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te waarborgen en de belangen van omwonenden niet te schaden.
Inleiding
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan wij het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:
Als uitgangspunt voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt veelal de VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke indicatieve richtafstand. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het plan mogelijk is.
Toetsing
Het plan voorziet in de realisatie van één woning. Deze woning leidt van zichzelf niet tot milieuhinder voor omliggende functies, maar is andersom als woonfunctie wel gevoelig voor milieuhinder van omliggende bedrijven en kan ook een belemmering vormen voor deze bedrijven.
In de directie omgeving van het plangebied (in een straal van circa 50 meter) zijn alleen woonfuncties gelegen. Op grotere afstand is een aantal andere bedrijven gelegen, zoals een camping, een landbouwbedrijf en bed &breakfasts. Omdat deze op grotere afstand liggen en het plangebied niet binnen de richtafstanden ligt, is milieuhinder niet te verwachten.
Conclusie
Een goed woon- en leefklimaat in de woning kan gegarandeerd worden en de nieuw te bouwen woning vormt geen belemmering voor deze bedrijven.
Inleiding
Voor de bodemkwaliteit geldt de Wet bodembescherming (Wbb) en het (bijbehorende) besluit bodemkwaliteit. Gestreefd wordt naar een duurzaam gebruik van de bodem. Bij een ruimtelijk plan dient de bodemkwaliteit van het betreffende gebied inzichtelijk worden gemaakt. Het uitgangspunt wat betreft de bodem in het plangebied is, dat de kwaliteit ervan zodanig moet zijn dat er geen risico's zijn voor de volksgezondheid bij het gebruik van het projectgebied voor de voorgenomen functie en dat het de financiële haalbaarheid van het plan niet in gevaar brengt.
Onderzoek
Het plan maakt de realisatie van één woning mogelijk. Voor het plan is daarom een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op de planlocatie, door Sigma Bouw & Milieu. De rapportage van het onderzoek is als bijlage 1 bij deze toelichting gevoegd. Hieronder volgt een korte samenvatting van de conclusies van het onderzoek.
Het verkennend bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 heeft tot doel inzicht te verkrijgen in de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en vast te stellen of sprake is van bodemverontreiniging. Tijdens de zintuigelijke waarnemingen die zijn gedaan tijdens het onderzoek zijn geen bodemvreemde afwijkingen of asbestverdacht materiaal waargenomen. Ook in de mengmonsters van de boven- en ondergrond zijn geen verhoogde waarden aangetroffen. In de peilbuis die is geplaatst om de kwaliteit van het grondwater te meten is een verhoogd gehalte barium en zink aangetroffen. Omdat deze verhoogd gemeten gehalten niet de tussenwaarde of bodemindex-waarde overschrijden, is aanvullend onderzoek niet nodig.
Conclusie
Nader bodemonderzoek is op basis van de resultaten van het onderzoek niet noodzakelijk. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het voornemen.
Inleiding
De eventuele verplichting tot uitvoering van een akoestisch onderzoek is vastgelegd in de Wet geluidhinder (Wgh). De Wgh bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai, industrielawaai en luchtvaartlawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan, indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt.
Onderzoek
Omdat dit bestemmingsplan een geluidgevoelig object (woning) mogelijk maakt binnen de geluidszone van de Kerkdijk, is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. De rapportage van het onderzoek is als bijlage 2 bij deze toelichting gevoegd.
Uit het onderzoek is gebleken dat de geluidsbelasting op de te realiseren woning ten hoogste 48 dB bedraagt. Er wordt hiermee voldaan aan de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB vanwege de Kerkdijk.
Conclusie
Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het voornemen.
Inleiding
Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer. De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing) en locaties waartoe leden van het publiek gewoonlijk geen toegang hebben.
Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit.
Ook projecten die 'niet in betekenende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De criteria om te kunnen beoordelen of er voor een project sprake is van nibm, zijn vastgelegd in de AMvB-nibm.
In de AMvB-nibm is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m3 NO2 of PM10) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd.
Plan
Het plan houdt de realisatie van één vrijstaande woning in. Voor de verkeersgeneratie van een vrijstaande koopwoning in niet-stedelijk gebied, in de bebouwde kom, is een kental van 8,6 verkeersbewegingen per etmaal opgenomen in de CROW-publicatie 381.
Onderzoek
Voor kleinere ruimtelijke en verkeersplannen die effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit heeft het ministerie van Infrastructuur en Milieu in samenwerking met Kenniscentrum InfoMil de nibm-tool 2018 ontwikkeld. Daarmee kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of een plan niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging. Met behulp van deze rekentool is de toename van de stoffen NO2 en PM10 bepaald.
Uit de berekeningen met de nibm-tool blijkt dat het plan de grens van 3% (een toename van 1,2 µg/m3 NO2 of PM10) niet overschrijdt. Het project kan derhalve worden beschouwd als een nibm-project. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit vanwege de toename van het verkeer is niet noodzakelijk.
Achtergrondniveau
Hoewel geconstateerd is dat het project een zogenaamd nibm-project betreft, dient ook te worden bezien of de luchtkwaliteit in het plangebied niet zodanig is dat de normen voor een goed woonklimaat worden overschreden.
Daartoe is gebruik gemaakt van de Grootschalige Concentratiekaarten Nederland 2017, welke in 2018 zijn gepubliceerd. Het RIVM produceert deze kaarten jaarlijks. De kaarten geven een beeld van de luchtkwaliteit in Nederland en betreffen zowel recente als toekomstige jaren. Per kilometervak worden de concentraties voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen weergegeven waarvoor Europese regelgeving bestaat. De kaarten op deze website hebben een juridisch-formele status.
Uit onderzoek blijkt dat in de omgeving van het plangebied de achtergrondniveaus ruim onder de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2.5 blijven.
Conclusie
Het project kan worden beschouwd als een nibm-project. Daarnaast is de luchtkwaliteit in en rond het plangebied zodanig dat de normen voor een goed woonklimaat worden gewaarborgd.
Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan derhalve achterwege blijven.
Inleiding
De wet- en regelgeving rond het thema externe veiligheid zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen, het Besluit externe veiligheid transportroutes en het Besluit externe veiligheid buisleidingen. In deze besluiten en bijbehorende regelingen zijn risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot risicobronnen wettelijk vastgelegd.
Onderzoek
Uit de risicokaart blijkt dat in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen aanwezig zijn. Zo ligt een gasdrukregel- en meetstation in de omgeving op circa 700 meter afstand van het projectgebied. Eveneens liggen er in de nabijheid geen wegen waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt en ligt het plangebied buiten de invloedssfeer van risicovolle buisleidingen. De dichtstbijzijnde buisleiding ligt op circa 6 kilometer afstand waardoor het plangebied ruim buiten de invloedssfeer van de leiding valt.
Conclusie
Het aspect externe veiligheid levert geen belemmeringen op voor de uitvoerbaarheid van het project.
Inleiding
Bij het opstellen van plannen moeten cultuurhistorische waarden tijdig in beeld worden gebracht. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt in dat verband specifieke eisen aan het opstellen van ruimtelijke plannen. Waar mogelijk moeten cultuurhistorische waarden worden behouden of versterkt. Cultuurhistorie is daarmee een sturend onderdeel geworden in de ruimtelijke ordening.
Ter bescherming van eventuele archeologische waarden in de bodem is de Erfgoedwet van toepassing. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven.
Onderzoek
Het plangebied is gelegen in het esdorpenlandschap. Zoals in paragraaf 3.4.2, 3.2.2 en 3.4.4 en is beschreven, is in de erfinrichting rekening gehouden met dit type landschap. Andere cultuurhistorische waarden of structuren worden met dit plan niet aangetast.
Zoals in paragraaf 3.4.2 is benoemd, heeft het plangebied in het geldende bestemmingsplan de dubbelbestemming 'archeologisch waardevol gebied'. Volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente De Wolden heeft het plangebied een hoge of middelhoge verwachting. Hiervoor geldt dat archeologisch onderzoek verplicht is bij ingrepen van meer dan 1.000 m2 en dieper dan 30 cm. Het plan overschrijdt deze afmetingen niet.
Conclusie
Archeologisch onderzoek of onderzoek naar het gevolg van het voornemen op cultuurhistorische waarden is niet noodzakelijk. Deze thema's vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
Inleiding
Vanwege het grote belang van het water in de ruimtelijke ordening, wordt van waterschappen een vroege en intensieve betrokkenheid bij het opstellen van ruimtelijke plannen verwacht. Bovendien is de watertoets een verplicht onderdeel in de ruimtelijke procedure geworden.
Waterschappen hebben op grond van de Waterwet een belangrijke taak met betrekking tot het waterbeheer. In een waterbeheerplan geven zij functies aan het water geven waarbij afstemming wordt gezocht met het ruimtelijk beleid. Als leidende principes voor een duurzaam waterbeheer geldt een tweetal ‘tritsen’:
In dit kader heeft het waterschap waarbinnen het plangebied ligt, waterschap Drents Overijsselse Delta, haar beleid beschreven in het waterbeheerplan 2016-2021.
Onderzoek
Voor dit bestemmingsplan is op 18 februari 2020 de digitale watertoets uitgevoerd. Hiermee is het plan als nieuwe ontwikkeling aangemeld bij het waterschap.
Het perceel is in de huidige situatie onbebouwd en onverhard. De ontwikkeling van de woning en de oprit/aanleg tuin zorgen voor een versnelde afvoer van hemelwater door toename van verhard oppervlak. De toename bedraagt circa 500 m2.
De uitkomsten van de watertoets zijn als bijlage 3 bij deze toelichting gevoegd. Uit de watertoets komt naar voren dat het waterschap akkoord met het plan gaat, mits voldaan wordt aan de uitgangspunten uit de standaard waterparagraaf. Hieronder komen de aandachtspunten uit de standaard waterparagraaf naar voren.
Invloed op waterhuishouding
Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. Binnen het bestemmingsplan worden niet meer dan tien wooneenheden gerealiseerd en de toename van het verharde oppervlak bedraagt niet meer dan 1500 m2. Binnen het plangebied is geen sprake van (grond)wateroverlast.
Voor de aanleghoogte wordt een ontwateringsdiepte geadviseerd van minimaal 80 centimeter. Dit is de afstand tussen de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) en onderzijde bouwvloer. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een kleinere ontwateringsdiepte. Om wateroverlast binnen woningen en bedrijven te voorkomen adviseert het waterschap om een drempelhoogte van 30 centimeter boven het straatpeil te hanteren (as van de weg). Voor lager gelegen ruimtes, zoals kelders en parkeergarages, wordt aandacht besteed aan het voorkomen van wateroverlast door bijvoorbeeld instromend hemelwater. Bij verdere uitwerking van het plan worden deze aandachtspunten meegenomen.
Voorkeursbeleid hemelwater
Bij de afvoer van overtollig hemelwater moet het afstromend hemelwater ter plaatse in de bodem dan wel op het oppervlaktewater worden teruggebracht. Het waterschap heeft de voorkeur om het hemelwater, daar waar mogelijk, te infiltreren in de bodem.
Het hemelwater wordt geïnfiltreerd in de bodem waar mogelijk (dat betekent waar geen verharding of bebouwing wordt gerealiseerd). Overig hemelwater wordt via een gescheiden stelsel uit het plangebied weggevoerd.
Watervergunning (of melding) op grond van de Keur
Voor het plan is geen watervergunning of melding nodig.
Conclusie
Wat betreft het thema water zijn er geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het plan.
Inleiding
Om de uitvoerbaarheid van het plan te toetsen, is een inventarisatie van natuurwaarden uitgevoerd. Het doel hiervan is om na te gaan of aanvullend onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) of het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid noodzakelijk is.
Onderzoek
Door BügelHajema adviseurs is een ecologische inventarisatie uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is als Bijlage 4 bij deze toelichting gevoegd.
Uit het onderzoek komt naar voren dat wat soortenbescherming betreft, er rekening moet worden gehouden met het broedseizoen van vogels. Nader onderzoek of een ontheffing van de Wnb is in dat geval niet nodig.
Het plangebied is gelegen binnen het Natuur Netwerk Nederland. Gezien het huidige gebruik van het perceel zullen er door het bouwen van een woning geen natuurwaarden aangetast worden.
Voor gebiedsbescherming is vooral het Dwingelderveld een belangrijk aandachtspunt. Voor de invloed van het plan op Natura 2000-gebieden, op het gebied van stikstofdepositie, kan zowel de aanlegfase als de gebruiksfase relevant zijn. Effecten van stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden in de aanlegfase kunnen als verwaarloosbaar worden beschouwd, gezien de zeer beperkte omvang van de benodigde werkzaamheden (realisatie van 1 woning) en de afstand tot het stikstofgevoelige gebied (circa 1 km). Ook in de gebruiksfase kunnen deze effecten als verwaarloosbaar beschouwd worden gelet op de zeer beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen.
Conclusie
Mits rekening gehouden wordt met de voorgenoemde maatregelen en werkwijze (verlichting en broedvogels) is geen overtreding van de natuurwetten aan de orde. Vanuit de eisen van de natuurbescherming is het plan derhalve uitvoerbaar.
Inleiding
Voor een ruimtelijk plan geldt dat de verkeerseffecten die optreden als gevolg van een planvoornemen in het kader van een goede ruimtelijke ordening moeten worden onderbouwd. De nadruk ligt daarbij op de effecten van de ontwikkeling op de verkeersafwikkeling en parkeren (bereikbaarheid), de verkeersveiligheid en de verkeershinder (leefbaarheid). In publicatie nr. 381: Toekomstbestendig parkeren (2018) van CROW zijn vuistregels en kengetallen aangereikt om verkeerseffecten bij ontwikkelingen te bepalen.
Onderzoek
Bij de beoordeling of er voldoende parkeergelegenheid bestaat hoeft alleen rekening te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van het bouwplan. De publicatie heeft voor verschillende variabelen parkeerkerncijfers, dit plangebied is geclassificeerd als niet stedelijk en in de bebouwde kom. Het gaat om één vrijstaande koopwoning.
Voor deze woning geldt een parkeerbehoefte van 1,9 tot 2,7 parkeerplaatsen. Op het terrein bij de woning is voldoende ruimte om in elk geval 3 parkeerplaatsen te realiseren en bovendien is er de mogelijkheid om een garage te bouwen.
De woning leidt tot een verkeersgeneratie van 7,8 tot 8,6 verkeersbewegingen per dag. De weg waarop het plangebied is ontsloten, de Kerkdijk, heeft voldoende capaciteit om deze toename aan te kunnen.
Conclusie
Het planvoornemen leidt niet tot een verslechtering van de verkeerssituatie in het projectgebied en de parkeerbehoefte wordt opgelost op eigen erf. Wat betreft verkeerseffecten wordt het planvoornemen dan ook uitvoerbaar geacht.
Op 1 april 2011 is het (gewijzigde) Besluit m.e.r. in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D (betreft de m.e.r.-beoordeling) van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Concreet betekent dit dat, ook wanneer ontwikkelingen onder de in lijst D opgenomen drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben, de zogenaamde 'vergewisplicht'. Daarbij zijn in het bijzonder de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EU-richtlijn van belang. Deze omstandigheden betreffen onder andere de kenmerken van de potentiële effecten en cumulatie. Op grond van artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dient het bevoegd gezag zijn eventuele keuze voor géén m.e.r.-beoordeling voor een activiteit die beneden de drempelwaarde valt, te motiveren in de overwegingen van het moederbesluit. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Op basis van de vormvrije m.e.r. blijkt of al dan niet een m.e.r. of m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is.
Vervolgens is het Besluit m.e.r. op 7 juli 2017 gewijzigd. De wijziging is het gevolg van de implementatie van Richtlijn 2014/52/EU die ziet op het wijzigen van Richtlijn 2011/92/EU. Één van de belangrijkste gevolgen van de wijziging van het Besluit m.e.r. is dat een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet worden aangevraagd door middel van een aanmeldnotitie. Dit is geregeld in artikel 2, vijfde lid van het Besluit m.e.r.
Dit bestemmingsplan biedt de mogelijkheid om één woning te realiseren. De activiteit die mogelijk wordt gemaakt, valt onder onderdeel D 11.2 van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Onderdeel D 11.2 betreft: 'uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'.
Onder verwijzing naar haar uitspraken van 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694, van 31 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:348 en van 17 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1253, heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State in haar uitspraak van 12 juni 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1879) overwogen dat het antwoord op de vraag of sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage, afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Het betwiste plan voorziet in de bouw van drie woningen op een perceel grasland in een kleine kern. De Raad van State heeft in voornoemde uitspraak geoordeeld dat het plan, gelet op de aard en omvang, niet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject. Hierbij is van belang dat het ruimtebeslag van de voorziene bebouwing beperkt is en dat de voorziene ontwikkeling gepaard gaat met een beperkte bebouwing op het perceel.
Het plan aan de Kerkdijk kent een beperkt ruimtebeslag en een beperkte bebouwing. Ten opzichte van de huidige situatie neemt het bebouwd oppervlak gering toe (circa 250 m2). De functie van een deel van het perceel wijzigt van 'tuinen' naar een woonfunctie. Geconcludeerd kan worden dat onderhavig plan niet als stedelijke ontwikkeling kan worden aangemerkt. Dat betekent dat er geen sprake is van een m.e.r.-(beoordelings)plicht.
In dit hoofdstuk worden de regels van het voorliggende plan nader toegelicht. De regels zijn afgestemd op de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het Bro bevat een aantal regels, die verplicht moeten worden overgenomen in de regels van een bestemmingplan. Dit betreft:
Het bestemmingsplan is overeenkomstig artikel 3.1.3 van het Besluit ruimtelijke ordening vervat in een beschrijving van de bestemmingen, waarbij per bestemming het doel wordt of de doeleinden worden aangegeven. De inleidende regels (begrippen en wijze van meten) sluiten tevens aan bij de eisen van de SVBP 2012. Daarnaast sluit het bestemmingsplan aan bij de overige eisen uit het Besluit ruimtelijke ordening en het IMRO 2012. In het voorliggende bestemmingsplan worden tevens de begrippen uit de Wabo gehanteerd.
In het navolgende wordt de algemeen gehanteerde opbouw van de bestemmingsregels aan de orde gesteld. Deze ziet er als volgt uit:
Dit wordt in het navolgende nader toegelicht.
Hoofdstuk 1 - Inleidende regels
Dit onderdeel bestaat uit de begrippen (Artikel 1) en de wijze van meten (Artikel 2). Hierin wordt aangegeven wat in de regels onder bepaalde begrippen moet worden verstaan en hoe dient te worden gemeten bij de toepassing van de bouwregels of sommige gebruiksregels van het plan.
Hoofdstuk 2 - Bestemmingsregels
Een bestemming is een omschrijving van aan de grond toegekende functies, zoals wonen, bedrijven, groenvoorzieningen et cetera. De aard van de toegelaten inrichting van de gronden (bouwwerken en werken, geen bouwwerken zijnde) vloeit dan voort uit de toegelaten functies. In het bestemmingsplan worden meerdere bestemmingen onderscheiden. Aan deze bestemmingen zijn regelingen als de bestemmingsomschrijving, bebouwingsmogelijkheden en gebruiksmogelijkheden gekoppeld.
Per bestemming wordt de indeling volgens de SVBP 2012 gehanteerd. Deze volgorde en de naamgeving zijn standaard en dienen in principe te worden gevolgd.
Het bestemmingsplan kent de volgende bestemmingen:
De eerste enkelbestemming in het plan is de bestemming 'Tuin'.Binnen deze bestemming is het bouwen van gebouwen en overkappingen niet toegestaan.
De enkelbestemming Tuin - landschapswaarden is opgenomen om de bescherming van de aanwezige rododendrons te waarborgen.
De enkelbestemming 'Wonen' is in het plan opgenomen ten behoeve van de nieuw te bouwen woning. Het hoofdgebouw moet binnen het in de verbeelding weergegeven bouwvlak worden gebouwd en de goothoogte mag maximaal 4 m bedragen. Verder zijn er regels opgenomen voor het gebruik van de woning in combinatie met een aan huis verbonden beroep en kleinschalige bedrijfsacitiviteiten. Daarnaast is er een verplichting opgenomen om de landschapsmaatregelen in overeenstemming met het landschappelijk inpassingsplan door te voeren, teneinde te komen tot een goede Landschappelijke inpassing, binnen 12 maanden nadat de bouwvergunning is verleend. De landschapsmaatregelen dienen in stand te worden gehouden, waarbij de beukenhaag niet hoger mag zijn dan 1 m.
Tot slot kent het bestemmingsplan ook de bestemming 'Waarde - Archeologie'. De dubbelbestemming is opgenomen ten behoeve van het behoud en het herstel van de archeologische waarden. Ter bewerkstelliging daarvan bepalen de bouwregels dat ter plaatse van het plangebied niet zondermeer gebouwd kan worden indien door de bouw de bodem op een grotere diepte dan 30 cm zal kunnen worden verstoord. Die bouwregel geldt echter niet wanneer de verstoring van het oppervlak kleiner is dan 1.000 m2.
Hoofdstuk 3 - Algemene regels
Hieronder zijn begrepen de anti-dubbeltelregel, de algemene gebruiksregels en de algemene afwijkingsregels.
Hoofdstuk 4 - Overgangs- en slotregels
In dit hoofdstuk zijn het overgangsrecht en de slotregel opgenomen.
De kosten van het voornemen komen ten laste van de initiatiefnemer. Tussen de gemeente en de initiatiefnemer is een planschadeovereenkomst gesloten. Hierin is vastgelegd dat eventuele planschadekosten, welke het gevolg zijn van het project, voor rekening van de initiatiefnemer komen. Het project is derhalve economisch uitvoerbaar.
Op grond van artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening is het bestemmingsplan voor vooroverleg verstuurd naar de provincie Drenthe. De provincie heeft in twee reacties (zie Bijlage 5) laten weten dat zij graag een toesting in het plan zouden zien aan het gemeentelijke beleid ten aanzien van cultuurhistorie en archeologie. De toelichting van dit bestemmingsplan is hierop aangevuld. Daarnaast is het plangebied gelegen binnen het Natuur Netwerk Nederland. Gelet op het huidige gebruik van het plangebied als grasveld worden er geen natuurwaarden aangetast door het voornemen.
Het bestemmingsplan heeft van 4 februari tot en met 17 maart 2021 als ontwerp ter inzage gelegen. Binnen dit termijn is één zienswijze ingediend. Het bestemmingsplan is naar aanleiding van de zienswijze inhoudelijk niet gewijzigd. Wel is de bestemming Tuin - landschapswaarden opgenomen ter verduidelijking dat de rododendrons beschermd moeten blijven.
Het bestemmingsplan is op 27 mei 2021 vastgesteld