| Plan: | Buitengebied, deelplan Oude Benderseweg 11, Ruinen |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1690.2020BP1002005-VG01 |
Over de camping de Landclub in Ruinen zijn een aantal juridische procedures gevoerd. Het gaat handhavingsverzoeken, die gedaan zijn door een van de omwonenden van de camping. Op basis van de uitspraken in deze procedures, is aanpassing van de huidige bestemming van camping de Landclub op een aantal kleine onderdelen noodzakelijk.
Dit bestemmingsplan voorziet in de toevoeging van een aantal begrippen en het koppelen van het landschappelijke inpassingsplan aan de bestaande recreatieve bestemming voor camping de Landclub.
Het voorliggende bestemmingsplan maakt de gewenste aanpassing mogelijk. Het plan is een gedetailleerde bestemmingsregeling. Het bestemmingsplan is afgestemd op de nieuwe Wet ruimtelijke ordening en voldoet aan de meest recente inzichten betreffende de digitale uitwisseling en raadpleging (RO-Standaarden). Hierdoor is het bestemmingsplan een goed leesbaar en bruikbaar plan.
Achtereenvolgens komen na deze inleiding (hoofdstuk 1) de volgende onderwerpen aan bod:
Het plangebied is gelegen ten noordwesten van Ruinen aan de rand van het nationaal park het Dwingelderveld. Het onder de beheersverordening Buitengebied De Wolden en heeft daarin de bestemming Recreatie - 3. Afbeelding 1.1 geeft met rode omlijning de ligging van het plangebied aan.
Afbeelding 1.1: De ligging van het plangebied
Het plangebied heeft in de beheersverordening "Buitengebied De Wolden", vastgesteld op 28 februari 2018 de bestemming "Recreatie-3". Verder geld de dubbelbestemming "Waarde-Archeologie" en de aanduidingen "Milieuzone - hydrologische beïnvloeding", "Vrijwaringszone - molenbiotoop" en "Vrijwaringszone - radiotelescoop". Het plangebied van dit bestemmingsplan betreft het bestemmingsvlak "Recreatie - 3" aan de westkant van de Oude Benderseweg. Zoals aangegeven op afbeelding 2.1. De twee bestemmingsvlakken "Recreatie - 3" ten oosten van de Oude Benderseweg maken geen onderdeel uit van dit bestemmingsplan en blijven hierdoor ongewijzigd gelden.
Afbeelding 2.1
Het plangebied is gelegen ten noordoosten van de kern Ruinen in de gemeente De Wolden. De Oude Benderseweg waaraan het plangebied gelegen is een smalle weg die als één van de ontsluitingswegen naar het Dwingelderveld fungeert. Ruinen is een esdorp gelegen in een esdorpenlandschap. Historische boerderijen, erven, oude boomgaarden, houtsingels en essen maken het een waardevol gebied. Deze van oudsher relevante elementen zijn nog goed terug te zien in het landschap. De variatie en de kleinschaligheid van het landschap maken het aantrekkelijk om te wonen en te recreëren.
Het plangebied heeft momenteel al de bestemming "recreatie-3". De westkant van de Oude Benderseweg wordt momenteel gebruikt ten behoeve van een camping, de oostzijde wordt op dit moment niet gebruikt en ligt braak. Hier is wel recreatief gebruik en het realiseren van recreatieverblijven toegestaan vanuit de huidige planologische mogelijkheden. Ten midden van de camping aan de westzijde van de weg is een zwembad aanwezig, deze hoort qua bestemming en eigendom niet bij de camping. De toegangsweg wordt gezamenlijk gebruikt. Een deel van de omliggende gronden hebben de natuurbestemming, hier staat voor een groot deel bos op, deels is er ook heide aanwezig. Ook zijn er grenzend aan het plangebied gronden aanwezig met de bestemming Agrarisch met waarden. Deze gronden worden als agrarisch grasland gebruikt. Tegen de zuidwesthoek van de recreatieve bestemming is een molen aanwezig, deze heeft een maatschappelijke bestemming. Direct ten noorden van het plangebied is het kantoor van natuurmonumenten gevestigd. Op wat grotere afstand zijn woningen en agrarische bedrijven gevestigd.
Het betreft hier het aanpassen van een aantal definities, het wijzigen van een algemene landschappelijke inpassing naar een maatwerkplan en het loskoppelen van twee delen van een bestemming binnen een bestaande recreatiebestemming. Deze aanpassingen hebben geen raakvlakken met het Europees belang.
Het betreft hier het aanpassen van een aantal definities, het wijzigen van een algemene landschappelijke inpassing naar een maatwerkplan en het loskoppelen van twee delen van een bestemming binnen een bestaande recreatiebestemming. Deze aanpassingen hebben geen raakvlakken met het Rijksbelang.
Provinciale Staten hebben op 3 oktober 2018 de Omgevingsvisie- en Omgevingsverordening Drenthe 2018 vastgesteld.
De Omgevingsvisie is voor Drenthe een centraal visiedocument. Deze Omgevingsvisie is het strategische kader voor de ruimtelijk-economische ontwikkeling van Drenthe. De ambitie ziet toe op het waarderen van de Drentse kernkwaliteiten en het ontwikkelen van een bruisend Drenthe passend bij deze kernkwaliteiten. Deze ambitie vormt het hart van ons beleid waarmee wordt ingezet op ‘ontwikkelen met ruimtelijke kwaliteit’, mede vanuit de wetenschap dat landschapskwaliteit een belangrijke vestigingsfactor is. In de omgevingsvisie worden zes verschillende kernkwaliteiten benoemd die de Drentse ruimtelijke identiteit inhoud geven. Het gaat om landschap, cultuurhistorie, aardkundige waarden, archeologie, rust en natuur.
De vrijetijdssector is een belangrijke pijler voor de Drentse economie. De kwaliteiten van Drenthe voor de vrijetijdseconomie liggen in een combinatie van natuur, landschap, erfgoed en cultuur. De provincie zet in op het versterken van de vrijetijdseconomie door het verbinden van de verblijfsrecreatie aan de lokale economie, aan de beleving van ruimtelijke kwaliteit en aan (dag-)atrracties. Voor de binnenlandse markt liggen er kansen voor het verstevigen van de eigen marktpositie door te focussen op hogere bestedingen. Van de buitenlandse markt verwachten we de meeste groei en dan met name van de Duitse en Belgische markt in het voor- en naseizoen. Dat levert meer bezoekers, bestedingen en banen op. En daar profiteert de Drentse bevolking van, zowel wat betreft werk en leefbaarheid als ook aantrekkelijkheid van de eigen woonomgeving. De focus ligt op het vergroten van de aantrekkelijkheid van Drenthe als bestemming voor bezoek en verblijf, zowel recreatief als zakelijk. Ook wordt ingezet op het behouden en versterken van een aantrekkelijk en vitaal aanbod van dag- en verblijfsrecreatieaccommodaties en, waar nodig, een revitaliseringsslag van de verblijfsrecreatiesector, door herontwikkeling en transformatie van bestaande verblijfsrecreatieparken.
Geconstateerd wordt dat onderliggend bestemmingsplan past binnen de visie en ambitie van de provincie Drenthe.
Het meest recente gemeentelijke beleid met betrekking tot recreatie en toerisme van gemeente De Wolden is vastgelegd in het "Economisch actieplan 2018-2022". Om toerisme en recreatie te versterken, stimuleert de gemeente de ontwikkeling van een vitaal en spraakmakend aanbod (dag- en verblijfsrecreatie, routes, evenementen etcetera) en jaagt dit op onderdelen aan. Het economisch actieplan geeft aan dat de vraag naar kamperen daalt, maar de vraag naar alternatieve accommodaties als "glampingtenten"of andere verhuureenheden en campers juist toeneemt. De gemeente biedt ruimte voor initiatiefnemers om in te spelen op de trends en ontwikkelingen in de markt, onder (planologische) voorwaarden.
Geconstateerd wordt dat onderliggend bestemmingsplan past binnen de visie en ambitie van de gemeente De Wolden.
Ontwikkelingsmogelijkheden
Op camping zijn naast reguliere kampeerplaatsen, ook verschillende soorten kampeercommodaties aanwezig. Het gaat om safaritenten, lodges, chalets en dergelijke. De beheersverordening biedt op dit moment onbedoeld enkel ruimte voor stacaravans en daarmee gelijk te stellen accommodaties. De Raad van State heeft in een recente uitspraak aangegeven dat ander soortige kampeeraccommodaties niet gelijk te stellen zijn aan stacaravans en daarmee niet toegestaan zijn op grond van de geldende beheersverordening. Dit bestemmingsplan maakt dit soort accommodaties onder de noemer kampeeraccommodaties mogelijk.
Landschappelijke inpassing
Tevens is naar aanleiding van een uitspraak van de Raad van State gebleken dat ondergeschikte wegen/paden en parkeren in de buitenste 10 meter, die groen moet blijven, niet is toegestaan binnen de huidige regels. Op een aantal plaatsen zijn accommodaties, wegen of parkeerplaatsen aanwezig binnen deze 10 meter. Dit bestemmingsplan vervangt de verplichte 10 meter groen aan de buitenzijde van de recreatie-3 bestemming aan de westzijde (campingzijde) door een landschappelijk inpassingsplan op maat. Hier is voor gekozen, omdat 10 meter rondom een enorme impact heeft op de gebruiksmogelijkheden ten behoeve van recreatie. Verder werd deze 10 meter onvoldoende gespecificeerd, waardoor landschappelijk inpassing niet goed geborgd was in de beheersverordening. Een op maat gemaakt inpassingsplan neemt minder ruimte in en borgt gelijktijdig de kwaliteit van de landschappelijke inpassing. De tien meter tot de bestemmingsgrens voor het bouwen van gebouwen blijft wel in stand, met uitzondering van gebouwen die op dit moment al aanwezig zijn.
Planologisch loskoppelen twee percelen
Verder worden de west- en oostzijde van de Oude Benderseweg in de beheersverordening aan elkaar gekoppeld. Dit bestemmingsplan past alleen de bestemming Recreatie-3 aan de westzijde van de Oude Benderseweg. Dit heeft tot gevolg dat de planologische koppeling los gelaten wordt.
Voor de ruimtelijke ordening en milieuregelgeving is sprake van tweesporenbeleid welke beide hun eigen wettelijke kaders hebben, te weten de Wet ruimtelijke ordening en de Wet milieubeheer. De regelgeving in dit bestemmingsplan spits zich dan ook toe op de ruimtelijke aspecten van de milieuwetgeving. Het onderhavige bestemmingsplan betreft kleine wijzigingen binnen de bestaande bestemming mogelijk. In dit hoofdstuk worden de belangrijke omgevingsaspecten behandeld.
Op grond van het Bro dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Voor een nieuw geval van bodemverontreiniging geldt, in tegenstelling tot oude gevallen (voor 1987), dat niet functiegericht maar in beginsel volledig moet worden gesaneerd. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur te worden gerealiseerd op bodem die geschikt is voor het beoogde gebruik.
Op grond van het Bro dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. Het voorliggende bestemmingsplan legt de bestaande situatie opnieuw vast. Het is daardoor niet noodzakelijk om de bodemkwaliteit binnen het gehele plangebied vast te stellen. Het is overigens op voorhand niet uit te sluiten dat plaatselijk sanerende maatregelen noodzakelijk zijn om toekomstig gebruik mogelijk te kunnen maken. Enkel door het doen van bodemonderzoek kan inzicht verkregen worden in de actuele kwaliteit van de bodem. In geval van nieuwe ontwikkelingen zal voorafgaand aan het verlenen van omgevingsvergunningen de gemeente beoordelen of de bodemgesteldheid voldoende is onderzocht en geschikt is voor het beoogde grondgebruik.
Per 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet. Dit geldt ook voor de verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. In de wet zijn archeologische resten beschermd. Wanneer de bodem wordt verstoord moeten archeologische resten intact blijven. Als dit niet mogelijk is, is opgraving een optie. Om inzicht te krijgen in de kans op het aantreffen van archeologische resten in bepaalde gebieden zijn archeologische monumenten kaarten en gemeentelijke cultuurhistorische beleidskaarten opgesteld.
De Archeologische Monumenten Kaart (AMK) bevat een overzicht van belangrijke archeologische terreinen in Nederland. In het plangebied zijn geen archeologische monumenten aanwezig waarmee rekening gehouden dient te worden.
In de bodem kunnen ook aardkundige waarden aanwezig zijn. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Erfgoedwet die op 1 juli 2016 in werking is getreden. Deze wet verplicht de gemeente bij het vaststellen van een bestemmingsplan rekening te houden met de in de grond aanwezige monumenten. Voor het plangebied zijn vooral de provinciale en gemeentelijke archeologische en cultuurhistorische beleidskaarten van belang. Gezien het consoliderende karakter van dit bestemmingsplan kan toetsing aan de genoemde beleidskaarten achterwege blijven.
In dit bestemmingsplan worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Deze waterparagraaf is erop gericht om de actuele watersituatie en het actuele waterbeleid in beeld te brengen. Daarnaast is de waterparagraaf vooral bedoeld om een brug te slaan naar de procedures en toetsingsinstrumenten van de waterbeheerder. De gemeente De Wolden is gelegen in het beheersgebied van het waterschap Drents Overijsselse Delta, welke verantwoordelijk is voor het waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheer.
De waterschappen Drents Overijsselse Delta en Vechtstromen vormen samen met waterschap Rijn en IJssel het waterschapsgebied Rijn-Oost. De waterschappen hebben hun beleid voor stedelijk waterbeheer vastgelegd in de gezamenlijke beleidsnotitie 'Water Raakt'. Deze notitie vormt op hoofdlijnen het beleid voor de wijze waarop de waterschappen in stedelijk gebied invulling geven aan het waterbeheer. Het waterbeheer richt zich op de volgende drie beleidsthema's:
Deze drie thema's hangen zo met elkaar samen dat het niet mogelijk is ze afzonderlijk van elkaar te realiseren. Er wordt gezorgd dat het watersysteem tijdig op orde is, duurzaam is ingericht, voldoet aan de landelijke normen voor het voorkomen van wateroverlast, bijdraagt aan het bereiken van grond- en oppervlaktewaterpeilen in relatie tot de functies van die wateren en gebieden, verdroging tegengaat en rekening houdt met de eisen vanuit de KRW. Om aan deze punten te voldoen is in december 2009 de Waterwet in werking getreden. De Waterwet vervangt acht bestaande wetten voor het waterbeheer in Nederland. Deze wet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert deze wet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Hierdoor zijn waterschappen, gemeenten en provincies beter in staat wateroverlast, waterschaarste en watervervuiling tegen te gaan. Ook voorziet de Waterwet in het toekennen van functies voor het gebruik van water zoals scheepvaart, drinkwatervoorziening, natuur, landbouw, industrie en recreatie. Op basis van deze functies worden eisen gesteld aan de kwaliteit en de inrichting van het water. De instrumenten vanuit de Waterwet zijn Waterplannen (rijk en provincie), waterbeheer-plannen (waterbeheerder) en vergunningen.
Watertoetsproces
In het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is het verplicht de Watertoets uit te voeren. De Watertoets is een waarborg voor water in ruimtelijke plannen en besluiten. Het Waterschap Drents Overijsselse Delta is op 1 maart 2021 geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. Op basis daarvan wordt geconcludeerd dat er geen waterschapsbelang wordt geraakt. Het waterschap gaat akkoord met het plan.
In het kader van de Wro is het verplicht de watertoets uit te voeren. De watertoets is een waarborg voor water in ruimtelijke plannen en besluiten. Conserverende plannen die geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken hebben in beginsel geen invloed op de waterhuishouding, waarvan in dit geval ook sprake is.
Het Waterschap Drents Overijsselse Delta is op 1 maart 2021 geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De uikomst hiervan is opgenomen in Bijlage 1. Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat er geen waterschapsbelang wordt geraakt. Het waterschap gaat akkoord met het plan.
Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet heeft de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet vervangen. De bescherming van Natura 2000 gebieden, diersoorten, plantensoorten en bossen (houtopstanden) wordt nu via deze wet geregeld. De provincie is per 1 januari 2017 het bevoegde gezag voor soortenbescherming en houtopstanden. Deze bevoegdheden lagen voorheen bij het Rijk. Daarnaast is de provincie bevoegd gezag gebleven voor Natura 2000 bescherming en faunabeheer. De provincie is verantwoordelijk voor het afgeven van vergunningen en ontheffingen voor al deze gebieden. Hierop geldt alleen een uitzondering als het rijksaangelegenheden betreft.
Provinciale Staten hebben op 14 december 2016 regels gesteld en vrijstelling gegeven over de soortenbescherming, faunabeheer en houtopstanden in de Provinciale omgevingsverordening Drenthe. In deze verordening zijn de vrijstelling voor beweiden en bemesten en de soortenvrijstellingen van het rijk overgenomen. Verder zijn er regels gesteld om faunabeheer mogelijk te maken. Ten slotte zijn de spelregels voor houtopstanden (voorheen Boswet) vastgelegd. Zo is bepaald aan welke eisen een compensatieverzoek moet voldoen en is de mogelijkheid voor het aanleggen van tijdelijk bos geregeld. Daarnaast hebben Gedeputeerde Staten op 20 december 2016 de beleidsregels Wet natuurbescherming Drenthe vastgesteld. Deze beleidsregels gaan over het toedelen van ontwikkelingsruimte in relatie tot de PAS (Natura 2000), soortenbescherming en houtopstanden. De provincie Drenthe zet zich ook in voor actieve soortenbescherming.
Het is noodzakelijk om op basis van de Wet natuurbescherming vooraf te toetsen of ruimtelijke ingrepen en andere plannen en activiteiten niet conflicteren met aanwezige beschermde plant- en diersoorten en habitats. Dit bestemmingsplan bevat geen van ruimtelijke (her)ontwikkelingen, waarvoor onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming vereist is. Er worden namelijk geen nieuwe ruimtelijke ingrepen mogelijk gemaakt, anders dan ook al mogelijk is op basis van de huidige bestemming. Bij elk voornemen voor een toekomstige ruimtelijke ontwikkeling in het plangebied zal worden getoetst wat de effecten hiervan zijn op de aanwezige beschermde soorten.
De Wet geluidhinder beschermt de volgende objecten:
Deze bescherming geldt als het gebruik van deze objecten is toegestaan volgens het bestemmingsplan, de beheersverordening, omgevingsvergunning afwijken bestemmingsplan of beheersverordening. Op tijdelijk afwijken van het bestemmingsplan met een periode van maximaal 10 jaar is de Wet geluidhinder niet van toepassing.
Onder "woning" wordt verstaan (artikel 1 Wet geluidhinder): gebouw of gedeelte van een gebouw waar bewoning is toegestaan op grond van de geldende planologische status (bestemmingsplan, de beheersverordening, omgevingsvergunning afwijken bestemmingsplan of beheersverordening). De Wet geluidhinder kent het begrip bedrijfswoning niet. Een bedrijfswoning is gewoon een woning, waarvoor het mogelijk is een hogere waarde (als nodig) te verlenen. Dit geldt natuurlijk alleen voor bedrijfswoningen die zijn gelegen in een geluidzone. Hotels, recreatiewoningen en kantoren zijn niet geluidgevoelig in het kader van de Wet geluidhinder.
In het Activiteitenbesluit zijn voorschriften opgenomen die bescherming bieden tegen geluidhinder van inrichtingen die onder het Besluit vallen. Deze bescherming wordt geboden aan gevoelige objecten (gevoelige gebouwen en gevoelige terreinen (artikel 1.1)). In artikel 1.1 is in de definitie van gevoelige gebouwen aangegeven dat gebouwen die bij de inrichting horen (dienst- of bedrijfswoningen) geen geluidsgevoelig object zijn waarvoor de grenswaarden uit het besluit gelden. Dienst- of bedrijfswoningen die niet tot de inrichting behoren zijn gewoon woningen van derden waarvoor de grenswaarden wel gelden.
Op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) is rond inrichtingen die 'in belangrijke mate geluidhinder veroorzaken', wegen met een maximumsnelheid hoger dan 30 km/uur en spoorwegen een geluidzone van kracht. Bij ontwikkeling van nieuwe geluidsgevoelige objecten binnen deze geluidzones moet akoestisch onderzoek worden uitgevoerd om aan te tonen dat de ontwikkeling voldoet aan de in de wet bepaalde voorkeursgrenswaarde. Wanneer niet aan deze grenswaarde kan worden voldaan, kan het bevoegd gezag, in de meeste gevallen de gemeente, hogere grenswaarden vaststellen. Hiervoor geldt een bepaald maximum, de uiterste grenswaarde genoemd.
Deze bestemmingsplanherziening maakt geen verdere nieuwe ontwikkelingen mogelijk waarvoor akoestisch onderzoek vereist is.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:
Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Het voorliggende bestemmingsplan is consoliderend van karakter. In het plan worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Hierdoor hoeft er niet opnieuw getoetst te worden aan het aspect bedrijven en milieuzonering.
In de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage is vastgelegd dat voorafgaande aan het ruimtelijke plan dat voorziet in een grootschalig project met belangrijke nadelige milieugevolgen een milieueffectrapport opgesteld dient te worden.
De activiteiten waarvoor een MER-rapportage opgesteld moet worden is opgenomen in de bijlage van het Besluit MER. Overigens wordt onderscheid gemaakt tussen een MER-beoordeling (categorie D), waarbij het bevoegd gezag een beslissing kan nemen of een MER nodig is of een verplicht MER (categorie C).
Aangezien het om een project gaat met een oppervlakte onder de 25 hectare lijkt een milieueffectbeoordeling niet nodig is. Echter, op 7 juli 2017 is het Besluit m.e.r. gewijzigd.
Eén van de meest opmerkelijke wijzigingen is de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld.
De vormvrije m.e.r.-beoordeling moet altijd worden toegepast wanneer sprake is van een activiteit die is genoemd in onderdeel C of D van bijlage I van het Besluit m.e.r.. De vermelding dat de betreffende ondergrens niet wordt overschreden is onvoldoende als motivatie om geen m.e.r.-beoordeling uit te voeren.
Dit houdt in dat voor elk besluit, plan of activiteit dat na 16 mei 2017 is ingediend, en betrekking
heeft op activiteiten die voorkomen op de D-lijst, aandacht moet worden besteed aan m.e.r.. Op de aspecten die aan de orde komen in een m.e.r.-beoordeling wordt ingegaan in deze ruimtelijke onderbouwing. Daar komt bij dat er ook gekeken dient te worden naar alternatieven.
Omdat het hier gaat om op kleine onderdelen herzien van de regels van het bestemmingsplan van een bestaand verblijfsrecreatieterrein (waarbij geen nieuwe activiteiten worden mogelijke gemaakt), ligt het aandragen van alternatieven niet voorhanden.
Toetsing aan de C-lijst levert geen overeenkomsten op. Op de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage is met betrekking tot recreatieve overnachtingsaccommodaties alleen de ontwikkeling van vakantiedorpen en hotelcomplexen buiten stedelijke zones met bijbehorende voorzieningen opgenomen onder categorie D10. Bovendien is er pas sprake van een m.e.r-beoordelingsplichtige activiteit indien het gaat om een oppervlakte van 25 hectare of meer (of een oppervlakte van 10 hectare of meer in een gevoelig gebied).
Het gaat hier om op kleine onderdelen herzien van de regels van het huidige bestemmingsplan van een bestaand verblijfsrecreatieterrein, waarvan de oppervalkte kleiner is dan 10 hectare. Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe activiteiten mogelijk. Er is dan ook geen sprake van extra milieubelasting door het nieuwe bestemmingsplan, ten opzichte van de de huidige situatie. De huidige gebruiksmogelijkheden van het terrein worden niet vergroot of gewijzigd. Dit valt buiten (de omvang) van de onder D10 genoemde categorieën en bijbehorende drempelwaardes, waardoor kan worden aangenomen dat er geen sprake is van een m.e.r.- beoordelingsplichtige activiteit.
Voor het onderhavig plan hoeft daarmee geen m.e.r.-(beoordelings)procedure te worden doorlopen. Het plan is op dit punt uitvoerbaar.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 5.1 weergegeven.
Tabel 5.1 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm
| Stof | Toetsing van | Grenswaarde |
| stikstofdioxide (NO2) | jaargemiddelde concentratie | 40 µg/m³ |
| fijn stof (PM10) | jaargemiddelde concentratie | 40 µg/m³ |
| 24-uurgemiddelde concentratie | max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³ | |
| fijn stof (PM2,5) | jaargemiddelde concentratie | 25 µg /m³ |
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.
Besluit niet in betekenende mate
In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:
Het gaat hier om op kleine onderdelen herzien van het huidige bestemmingsplan van een bestaand verblijfsrecreatieterrein. Er is geen sprake van uitbreiding en dus ook geen sprake van toename van het aantal verkeersbewegingen door deze planherziening. Dit bestemmingsplan maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, zodat deze niet hoeven te worden onderzocht.
Het aspect Externe Veiligheid heeft te maken met de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen en de bescherming hiertegen. De veiligheidsrisico's worden uitgedrukt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) is de berekende kans per jaar dat een persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval bij een risicobron, aangenomen dat hij op die plaats permanent en onbeschermd verblijft.
Het groepsrisico (GR) is de kans dat een groep mensen overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR moet worden gezien als een maat voor maatschappelijke ontwrichting.
Verder kunnen de veiligheidsrisico's worden verdeeld in risico's veroorzaakt door bedrijvigheid (inrichtingen) en in risico's veroorzaakt vanwege het transport (weg, spoor, water, buisleidingen) van gevaarlijke stoffen. Conform het nationale veiligheidsbeleid en de Visie externe veiligheid van de gemeente Hoogeveen is onderzoek verricht naar de veiligheidssituatie rondom het plangebied.
Het gaat hier om op kleine onderdelen herzien van het huidige bestemmingsplan van een bestaand verblijfsrecreatieterrein. Er is geen sprake van uitbreiding en dus leidt deze bestemmingsplanherziening niet tot een verhoging het plaatsgebonden risico of groepsrisico, aangezien het nieuwe bestemmingsplan ter plaatse geen (nieuwe) ontwikkelingen toestaat.
Het plangebied is gelegen aan Oude Benderseweg. Deze weg sluit in het zuiden aan op de Munnekenweg en in het noorden op de Benderse. Via de Munnekenweg is Ruinen bereikbaar per auto en fiets en via Benderse het Dwingelderveld. Op het terrein zelf is voldoende ruimte voor het parkeren van auto's aanwezig.
Ten zuidwesten direct tegen het plangebied staat Korenmolen De Zaandplatte. Ter waarborging van een goede werking van de molen moet worden voorkomen, dat de omgeving van de molen wordt bebouwd en/of ingericht met hoog opgaande beplanting. Dit kan namelijk invloed hebben op de kracht van de wind, waardoor de wieken onregelmatig belast worden en eerder slijtage optreedt.
Voor het goed functioneren van de molen zijn in dit bestemmingsplan, overeenkomstig met de nu geldende beheersverordening, regels opgenomen die de bouwhoogte van gebouwen en bouwwerken reguleren en gebruiksregels voor het aanplanten van bomen of houtgewas.
Het bestemmingplan valt onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro), die op 1 juli 2008 in werking is getreden. Dit betekent dat het bestemmingsplan is opgezet volgens de nieuwste wettelijke regelgeving en volgens de nieuwste Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. Deze nieuwe standaard is per 1 juli 2013 verplicht volgens het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).
Het plan is technisch als een digitaal raadpleegbare versie uitgevoerd en voldoet aan de eisen van DURP (Digitale Uitwisseling in Ruimtelijke Processen). Deze digitale versie is bedoeld om de burger 'online' informatie te verschaffen omtrent het bestemmingsplan. Bovendien is de digitale versie bedoeld voor uitwisseling van gegevens binnen de gemeente en met andere overheidsinstanties. De digitale versie is voor (ontwerp)plannen die na 1 januari 2010 ter inzage worden gelegd verplicht op grond van de nieuwe Wro. Er zal een analoge (papieren) versie van het bestemmingsplan naast het digitale plan blijven bestaan.
De regels zijn vervat in artikelen die onderverdeeld zijn in vier delen. In de "Inleidende regels" zijn algemene artikelen opgenomen die voor het gehele plan van belang zijn. In Artikel 1 zijn omschrijvingen opgenomen van de in het plan voorkomende relevante begrippen. In Artikel 2 wordt de wijze van meten toegelicht.
Door deze vaste omschrijving van de begrippen en van de wijze van meten wordt eenduidigheid in de bedoelingen van het plan gegeven en wordt de rechtszekerheid vergroot.
In de "Bestemmingsregels" zijn de bestemmingen en de gebruiks- en/of bebouwingsmogelijkheden van de betreffende gronden aangegeven. De bestemmingen zijn op alfabetische volgorde opgenomen. Deze bestemmingsregels worden in paragraaf 7.3 nader toegelicht.
In de "Algemene regels" staan artikelen benoemd die voor alle of meerdere bestemmingen gelden. Het betreffen onder andere de voor alle bestemmingen geldende afwijkingsregels en de algemeen geldende aanduidingsregels.
De algemene afwijkingsregels zorgen voor enige verruiming ten behoeve van de flexibiliteit van het plan. Deze afwijkingen zijn niet specifiek op één bestemming gericht. Zij kunnen gebruikt worden ten aanzien van alle bestemmingen.
De algemene aanduidingsregels geven de mogelijkheid voor algemene aanduidingen, die als een extra laag over meerdere bestemmingen liggen.
In de "Overgangs- en slotregels" staan artikelen benoemd die voor alle voorgaande regels gelden. Het overgangsrecht voor bouwwerken en gebruik is hierin geregeld alsmede de slotregel.
Dit bestemmingsplan bestaat enkel uit de bestemmingen "Recreatie-3" en "Natuur" en de dubbelbestemming "Waarde- Archeologie" . De bestemmingen zijn overgenomen uit de beheersverordening "Buitengebied De Wolden", met uitzondering van de volgende aanpassingen en toevoegingen in de regels:
De huidige beheersverordening biedt bij recht geen mogelijkheden op de camping voor accommodaties anders dan tenten, tentwagens, caravans, campers, stacaravans en enig ander onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde. Accommodaties als safaritenten, tenthuisjes, lodges, trekkershutten, chalets en daar mee gelijk te stellen onderkomens zijn dan ook niet toegestaan. Zoals al eerder aangegeven neemt de vraag naar kamperen steeds verder af, maar de vraag naar andersoortige accommodaties op campings neemt toe. Om de huidige camping toekomstbestendig te maken is het van belang ook dit soort accommodaties mogelijk te maken, zeker gezien het feit dat volgens de huidige bestemming op de camping al stacaravans mogen worden geplaatst.
Aanpassingen
Hiervoor zijn de begrippen chalet, lodge, safaritent, trekkershut, tenthuisje, kampeermiddel en kampeeraccommodatie toegevoegd of aangepast in artikel 1.
een bouwwerk, bestaande uit hout of kunststof, niet zijnde een kampeermiddel of een stacaravan, dat naar de aard en de inrichting is bedoeld voor recreatief dag- en/of nachtverblijf;
een onderkomen, voertuig of gewezen voertuig of een gedeelte daarvan voor recreatieve bewoning met een lichte constructie welke middels paaltjes of geplaatst op een vlonder verbonden is met de grond, maar niet geplaatst is op een vaste fundering, in zijn geheel of enkele delen snel en eenvoudig kan worden verplaatst en niet als stacaravan, woonkeet of recreatiewoning aangemerkt kan worden; een en ander voor zover deze onderkomens of voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor verblijfsrecreatie. Hieronder worden in ieder geval verstaan safaritenten, tenthuisjes, trekkershutten, lodges en chalets.
een en ander voor zover deze onderkomens of voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn bestemd of opgericht, dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf;
een verblijf, bestaande uit een lichte constructie en lichte materialen, niet zijnde een kampeermiddel of een stacaravan, dat naar de aard en de inrichting is bedoeld voor recreatief dag- en/of nachtverblijf;
een verblijf, bestaande uit een lichte constructie en lichte materialen, waaronder in ieder geval tentdoek, niet zijnde een kampeermiddel of een stacaravan, dat naar de aard en de inrichting is bedoeld voor recreatief dag- en/of nachtverblijf;
een verblijf, bestaande uit een lichte constructie en lichte materialen, waaronder in ieder geval tentdoek, niet zijnde een kampeermiddel of een stacaravan, dat naar de aard en de inrichting is bedoeld voor recreatief dag- en/of nachtverblijf;
een in of op het terrein aangegeven, zichtbaar gemarkeerde plek, door middel van nummering, stroomvoorzieningen, erfafscheidingen of anderszins, voor het plaatsen of geplaatst houden van maximaal één kampeermiddel en/of kampeeraccomodatie en/of stacaravan ten behoeve van tijdelijk recreatief verblijf;
een verblijf, bestaande uit een lichte constructie en lichte materialen, niet zijnde een kampeermiddel of stacaravan, dat naar de aard en de inrichting is bedoeld voor is voor kortdurend recreatief (nacht)verblijf van passanten;
Gebleken is dat bij rieten daken voor de constructie standaard een behoorlijke overstek nodig is. Deze overstek is vaak groter dan 40 centimeter, waardoor deze meegerekend moet worden bij het oppervlak. Dit betekent dat gebouwen met rieten daken in principe minder gebruiksoppervlakte hebben. Omdat rieten daken wel passend zijn in onze gemeente qua uitstraling willen we de gebruiksmogelijkheden niet beperken voor gebouwen met rieten daken.
Aanpassing
De wijze van meten van gebouwen met rieten daken wordt aangepast. Voor deze gebouwen wordt een overstek pas meegerekend bij het oppervlak van het gebouw als deze groter is dan 1 meter.
2.5 de oppervlakte van een bouwwerk:
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. Overstekken van daken, dieper dan 40 cm, worden meegerekend bij de oppervlakte van bouwwerken. Behalve bij gebouwen met een rieten dak, hier worden overstekken dieper dan 100 cm meegerekend bij de oppervlakte van bouwwerken;
De bestemming Recreatie-3 is bestemd voor kampeerbedrijven en/of recreatiewoningen met of zonder een groepsaccommodatie. Zoals bij de aanleiding al is aangegeven zijn recreatieve onderkomens in vorm van kampeermiddelen en stacaravans op dit moment toegestaan. Accommodaties als safaritenten, tenthuisjes, lodges, trekkershutten, chalets en daar mee gelijk te stellen onderkomens zijn niet toegestaan binnen de huidige bestemming. Daarom wordt dit artikel aangepast zodat deze kampeeraccommodaties wel zijn toegestaan. Tevens worden er bouwregels toegevoegd voor deze kampeeraccommodaties., die vergelijkbaar zijn met de bouwregels voor stacaravans. De ontheffing voor trekkersverblijven komt tevens te vervallen, omdat deze vallen onder het nieuwe begrip kampeeraccommodaties en bij recht mogelijk worden. Allle overige bepalingen die niet van toepassing op het perceel (zoals recreatiewoningen) zullen worden weggelaten.
Aanpassing
Het plan wordt als volgt aangepast:
De gronden met de bestemming 'natuur' zijn bestemd voor het behoud, herstel en de ontwikkeling van natuurlijke en landschappelijke waarden.
Artikel 5 Waarde - Archeologie
De voor Waarde - Archeologie aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede voor het behoud en herstel van de archeologische waarden.
Het bestemmingsplan wil een sturend instrument zijn voor de ruimtelijke en functionele inrichting van het plangebied. Aan de hand van de in het bestemmingsplan opgenomen regels worden voorgenomen activiteiten (activiteiten en gebruik van gronden) getoetst. Als blijkt dat in afwijking van de regels activiteiten plaatsvinden, is handhaving in enge zin aan de orde, gericht op het ongedaan maken van een overtreding. Handhaving is belangrijk om de sturing die het bestemmingsplan beoogt tot haar recht te laten komen.
De gemeenteraad heeft de kadernota Toezicht & handhaving vastgesteld. Hiermee wordt aangesloten bij andere plannen waarop op onderdelen wordt verwezen naar handhaving. Dit zijn het Drentse veiligheidsplan en het integraal veiligheidsbeleid De Wolden.
De afgelopen jaren is er veel veranderd en de komende jaren gaat er nog veel veranderen. Er vindt een verschuiving plaats van vergunningplicht naar steeds meer algemene regels in het WABO-domein. Gevolg hiervan is dat er meer nadruk komt te liggen op de uitvoering van de handhaving.
Op basis van de kadernota Toezicht & handhaving wordt jaarlijks een handhavingsuitvoeringsprogramma opgesteld. Hierin worden op basis van een evaluatie voor het komende jaar de prioriteiten (bij)gesteld. In dit werkprogramma worden alle taken, taakonderdelen, de wettelijke of gewenste prioriteitstelling, prestatie en capaciteitstoekenning op het gebied van handhaving opgenomen. Tevens wordt de voortgang van de projecten die spelen inzichtelijk gemaakt.
Het handhavingsuitvoeringsprogramma is het uitvoeringsprogramma van de kadernota, hierin worden de uitgangspunten vertaald in concrete acties. Het handhavingsuitvoeringsprogramma wordt gemonitord en geëvalueerd (jaarverslagen). Via verschillende systemen van monitoring wordt teruggekeken op de uitvoering en een relatie gelegd met de strategische doelen.
Voorontwerp
Het bestemmingsplan doorloopt de in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) opgenomen procedure. Het voorontwerp is in het kader van het vooroverleg voorgelegd aan de wettelijke overlegpartners. Hieruit zijn geen bijzonderheden naar voren gekomen.
Tevens heeft het voorontwerpbestemmingsplan van 25 maart 2021 tot en met 21 april 2021 ter inzage gelegen voor een ieder. Hierop zijn 7 inspraakreacties kenbaar gemaakt. Deze zijn beantwoord in de bijgevoegde inspraaknota in Bijlage 2
Op basis van de inspraak is aan de begripsbepaling voor kampeeraccommodaties toegevoegd, dat deze uitgevoerd moeten zijn in natuurlijke kleuren passend in het landschap. Daarnaast is in paragraaf 1.1 aangegeven dat het om handhavingsverzoeken gaat. Het beplantingsplan, dat onderdeel uitmaakt van de landschappelijke inpassing, is conform eerder gemaakte afspraak aangepast. Bij zone E is vastgelegd dat er 30 % wintergroen komt en in zone G is aangegeven dat die beplant wordt als zone E. Verder hebben de inspraakreacties geen aanleiding gegeven tot aanpassing van het bestemmingsplan.
Zienswijze
Vervolgens is het ontwerpbestemmingsplan voor zes weken ter inzage gelegd (artikel 3.8 Wro). Tijdens deze periode zijn twee zienswijzen ingeidend. Een samenvatting van de zienswijzen en de reactie van de gemeente zijn te vinden in de reactienota zienswijzen in Bijlage 3
De zienswijzen hebben aanleiding gegeven om het besetmmingsplan en het landschappelijk inpassingsplan op onderdelen aan te passen. Daarnaast hebben nog enkele ambtshalve wijzigingen plaatsgevonden welke terug te vinden zijn in de staat van wijzigingen inBijlage 4
In het kader van de Grondexploitatiewet is de gemeente verplicht kosten die ten behoeve van het bestemmingsplan worden gemaakt, te verhalen. In de vorige paragraaf is beschreven dat de gemeente geen kosten maakt voor plannen die op grond van dit bestemmingsplan worden uitgevoerd. De initiatiefnemers zijn hiervoor verantwoordelijk. Wel maakt de gemeente plankosten, namelijk de kosten die zijn gemoeid bij het opstellen van het bestemmingsplan. Deze kosten zijn niet toe te schrijven aan een specifieke groep gebruikers. De gemeente neemt deze plankosten daarom voor haar rekening. Indien er aanvullende plankosten gemaakt worden voor het uitvoeren van het bestemmingsplan, bijvoorbeeld in de vorm van kosten voor het toepassen van een wijzigingsbevoegdheid, worden dergelijke plankosten verhaald op de initiatiefnemer. Gezien bovenstaande redenering, is het opstellen van een exploitatieplan voor dit bestemmingsplan niet aan de orde.