direct naar inhoud van Toelichting
Plan: 'Haps, Aalsvoorten'
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1684.02BPAalsvoorten-VA01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doel

JAVO INVEST B.V. gevestigd aan de Bonkelaar 14 te Ottersum (hierna ook te noemen: de initiatiefnemer) heeft het voornemen om 13 woningen te realiseren ter plaatse van De Aalsvoorten in Haps (gemeente Cuijk). Het beoogde plangebied is een binnenstedelijke locatie. Het (voorlopige) programma bestaat uit 6 tweekappers, 7 aaneengesloten woningen, 30 parkeerplaatsen, overige verhardingen (woonstraat, trottoirs), openbare nutsvoorzieningen,kabels, leidingen, groen- en watervoorzieningen (hierna ook te noemen: het project).

Het te ontwikkelen gebied ligt binnen het bestemmingsplan 'Haps' van de gemeente Cuijk. Dit plan is op 31 oktober 2011 vastgesteld door de raad van Cuijk. Er gelden de enkelbestemmingen 'Agrarisch' en 'Bedrijf'. De bouw- en gebruiksregels staan de bouw van grondgebonden woningen en gebruik van de gronden voor het wonen niet toe. Het plan zelf kent verder geen afwijkings-of wijzigingsbevoegdheden om tot de beoogde woningbouw te komen.

De gemeente Cuijk acht deze ruimtelijke ontwikkeling echter wenselijk en heeft op 10 november 2015 besloten medewerking te verlenen aan dit project door de vaststelling van een nieuwe planologisch-juridische regeling in de vorm van een bestemmingsplan waarmee deze woningbouwontwikkeling gerealiseerd kan worden.

Het voorliggende bestemmingsplan 'Aalsvoorten Haps' voorziet in een adequate planologisch-juridische regeling voor het project . Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en planregels, en gaat vergezeld van een plantoelichting. Op de verbeelding zijn de bestemmingen door middel van kleuren en aanduidingen weergegeven en nader gedifferentieerd. De planregels en de verbeelding regelen de wijze waarop de gronden binnen de bestemmingen gebruikt en bebouwd mogen worden. De plantoelichting geeft onder andere informatie over:

  • de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding;
  • de wijze waarop rekening is gehouden met de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten;
  • de wijze waarop de vastgestelde milieukwaliteitseisen uit hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer zijn betrokken;
  • de wijze waarop rekening is gehouden met de overige waarden van de gronden en de verhouding daarvan tot het aangrenzende gebied;
  • de inzichten over de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan;
  • de uitkomsten van de verrichte onderzoeken;
  • de jurdische verantwoording van de gekozen bestemmingen;
  • de uitkomsten van het bestuurlijk (voor)overleg;
  • de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties zijn betrokken bij de voorbereiding van het bestemmingsplan.

Naast de digitale versie is er tevens een versie op papier van het bestemmingsplan beschikbaar.

1.2 Het plangebied

Haps is een kleine kern, gelegen in het landelijk gebied van noordoost Noord-Brabant, ten zuidwesten van de stad Cuijk, westelijk van de A73. Het plangebied is gelegen binnen de bebouwde kom van Haps, aan de zuidkant van het centrum en is dus een binnenstedelijke herontwikkelingslocatie.

Het plangebied is kadastraal bekend als gemeente Cuijk, sectie L, nrs 3466-2835-1385 en 3386 en plaatselijk bekend als De Aalsvoorten (ong) en St. Hubertseweg 4 te Haps. De totale oppervlakte van het plangebied bedraagt 5260 m2.

afbeelding "i_NL.IMRO.1684.02BPAalsvoorten-VA01_0001.jpg"

plangebied (rood omcirkeld) binnen Haps (bron: Google Maps)

afbeelding "i_NL.IMRO.1684.02BPAalsvoorten-VA01_0002.jpg"

begrenzing plangebied

1.3 Geldend bestemmingsplan

Voor het plangebied vigeert op dit moment het volgende bestemmingsplan 'Haps'. Dit plan is op 31 oktober 2011 vastgesteld door de raad van Cuijk. Er gelden de volgende bestemmingen en aanduidingen:

  • (enkel)bestemming 'Agrarisch';
  • (enkel)bestemming 'Bedrijf';
  • (dubbel)bestemming 'Waarde-Archeologie 5';
  • Leiding-Riool;
  • gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone-radar'.

Zowel binnen de bestemmingen 'Agrarisch' en 'Bedrijf' staan de bouw- en gebruiksregels niet toe dat de gronden gebruikt mogen worden ten behoeve van woningbouw. Binnen de bestemming 'Bedrijf' is weliswaar een wijzigingsbevoegdheid naar 'Wonen' opgenomen (artikel 5.7 onder b), maar deze bevoegdheid geldt alleen ter plaatse van de aanduiding 'wro-zone-wijzigingsgebied 1'. Deze aanduiding ligt echter niet over het hier aan de orde zijnd plangebied. Bovendien wordt in de genoemde wijzigingsbevoegdheid het maximaal aantal te realiseren woningen beperkt tot 10 terwijl in casu voorzien wordt in een programma van 13 woningen. Het plan zelf kent verder geen andere afwijkings-of wijzigingsbevoegdheden om tot woningbouw te komen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1684.02BPAalsvoorten-VA01_0003.jpg"

uitsnede verbeelding BP 'Haps' (plangebied rood omkaderd)

1.4 Leeswijzer

Deze toelichting bestaat uit de volgende delen. Na deze inleiding volgt hoofdstuk 2 met een uitgebreide analyse van (de waarden van) het plangebied. Hoofdstuk 3 bevat een beschrijving van de ruimtelijke ontwikkeling zelf. In hoofdstuk 4 wordt het plan getoetst aan het geldende ruimtelijke beleid. Hoofdstuk 5 geeft inzicht in de milieu-planologische aspecten. Hoofdstuk 6 bevat de waterparagraaf. De juridische vormgeving van het bestemmingsplan is neergelegd in hoofdstuk 7. In hoofdstuk 8 wordt aandacht besteed aan de handhaving van het bestemmingsplan. De economische uitvoerbaarheid is neergelegd in hoofdstuk 9. Hoofdstuk 10 gaat ten slotte in op de gevolgde procedure inclusief de maatschappelijke uitvoerbaarheid .

Hoofdstuk 2 Analyse van het plangebied

2.1 Beschrijving plangebied e.o.

Het plangebied bestaat uit het woonperceel aan de St. Hubertseweg 4 met daarop een vrijstaande woning en een bijbehorend bouwwerk (voormalige bedrijfsruimte). Dit deel van het plangebied is nagenoeg gehaal verhard en bebouwd. Het grootste deel van het plangebied echter bestaat uit de tuinen achter de woningen aan de St. Hubertseweg 2a en 4. Deze gronden zijn nagenoeg geheel onverhard en bestaan uit gras, bomen, bosschages en hagen. Tevens zijn een drietal bouwwerken aanwezig in de vorm van een schuurtje, een tuinhuisje en een kas. Deze gebouwen zijn in een slechte tot matige bouwkundige staat.

Onderstaand diverse afbeeldingen van de feitelijke staat van het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1684.02BPAalsvoorten-VA01_0004.jpg"

afbeelding "i_NL.IMRO.1684.02BPAalsvoorten-VA01_0005.jpg"

afbeelding "i_NL.IMRO.1684.02BPAalsvoorten-VA01_0006.jpg"

afbeelding "i_NL.IMRO.1684.02BPAalsvoorten-VA01_0007.jpg"

afbeelding "i_NL.IMRO.1684.02BPAalsvoorten-VA01_0008.jpg"

2.2 Historisch perspectief en ruimtelijke structuren

Haps is een kleine kern in het zuiden van de gemeente Cuijk. De ruimtelijke structuur van Haps wordt bepaald door het historische wegenpatroon en de lintbebouwing langs de Kerkstraat en de Beerseweg. De kerk met aangrenzend het kerkhof bevindt zich in het middengedeelte als een herkenbaar punt en markeert het centrum van Haps. Mede door de structurerende werking van de bebouwingslinten heeft Haps een herkenbare stedenbouwkundige structuur. Uitbreiding heeft vooral in westelijke richting plaatsgevonden, tussen de verschillende historische wegen. In het zuiden zijn in de structuur nog restanten van de oude spoorlijn -het zogenaamde Duits Lijntje - te vinden.

In Haps is op meerdere plekken cultuurhistorisch waardevolle architectuur te vinden. De stedenbouwkundige opbouw van de historische linten heeft een cultuurhistorische waarde.

In Haps zijn enkele wijken te onderscheiden, namelijk het oude dorp (het centrum van de kern), de Schans, Aalsvoorten en de Bloemenwijk. Grenzen tussen de kern en het buitengebied worden gevormd door de Kalkhofseweg, de Wildsestraat en De Schans.

De hoofdinfrastructuur bestaat uit een doorgaande interlokale verbindingsweg in de noord-zuidrichting (Kerkstraat - St-Hubertseweg). Andere belangrijke wegen in de kern zijn de Kampsestraat, de Beerseweg (beiden west-oost), de Burgemeester Moorenstraat (langs oostzijde kern) en de voormalige spoordijk (Bogaertsstraat - Parallelstraat, aan de zuidzijde). Door het gehele Land van Cuijk lopen fiets- en wandelroutes. Deze maken tevens gebruik van de hoofdontsluitingswegen. Belangrijke knooppunten in de kern zijn het Raadhuisplein centraal in de kern, de hoek tussen Kampsestraat-Kerkstraat-Parallelstraat in het zuiden van de kern, en de hoek Kerkstraat-Oeffeltseweg-Cuijksedijk-Kalkhofseweg helemaal in het noorden van de kern.

2.3 Functies in het plangebied e.o.

Er is ter plaatse een inventarisatie gemaakt van de functies binnen Haps in zijn algemeenheid en binnen het plangebied in het bijzonder. Per functie wordt een korte beschrijving gegeven van de bijzonderheden:

Agrarisch

Aan de randen van de kern zijn nog agrarische gronden gelegen. Aan de oostzijde van de kern hebben deze agrarische gronden landschappelijke waarden. Aan de westzijde liggen twee intensieve agrarische bedrijven vlak buiten het plangebied. De gemeente is actief bezig om beide bedrijven te helpen verplaatsen naar een andere locatie.

Bedrijf en bedrijventerrein

Bedrijvigheid in Haps is met name gesitueerd aan de randen langs de uitvalswegen van de kern. Aan de Kerkstraat is een drukkerij gelegen. Deze bedrijven zijn allemaal van een lage milieucategorie en veroorzaken geen onevenredige hinder voor hun omgeving. In Haps is geen bedrijventerrein gelegen.

Gemengd

Ter plaatse van Kerkstraat 3 is een schoonheidssalon, winkel, restaurant, therapeutische praktijkruimte en een woning aanwezig. Het hoofdgebruik is momentaal de schoonheidssalon.

Detailhandel

In Haps zijn enkele detailhandelsvestigingen gelegen. Deze bevinden zich met name centraal in de kern, aan of nabij het Raadhuisplein. Het betreft lokale voorzieningen, zoals een supermarkt. Er is geen groothandel of volumineuze detailhandelsvestiging aanwezig in de kern.

Dienstverlening

In Haps is aan de Kerkstraat een bank gevestigd met een (beperkte) baliefunctie en pinautomaat.

Groen

Haps is een groen dorp met veel speelgelegenheid voor kinderen. Voor de kern geldt een beleid met betrekking tot speelvelden, dat is doorvertaald in voorliggend bestemmingsplan. Ook zijn in de kern diverse monumentale bomen gelegen, die in voorliggend bestemmingsplan middels een aanduiding beschermd worden. In het zuiden van Haps is op verschillende plekken nog het traject van het Duits Lijntje terug te zien in de vorm van openbaar groen en speelplekken.

Horeca

Haps kent diverse horecagelegenheden. De meeste horecalocaties liggen aan de Kerkstraat. Hieronder valt ook de molen met bijbehorende horecagelegenheid.

Maatschappelijk

In Haps zijn diverse maatschappelijke instellingen te vinden, waaronder een basisschool, een kerk en een sporthal.

Sport

De kom Haps heeft twee overdekte sportlocaties, maar geen sportvelden. Eén van de overdekte sportlocaties wordt particulier geëxploiteerd. De andere maakt onderdeel uit van het dorpshuis en heeft een gemeenschapsfunctie. De sportvelden liggen nabij de kern in het buitengebied.

Verkeer

De hoofdinfrastructuur bestaat uit een doorgaande interlokale verbindingsweg in de noord-zuidrichting (Kerkstraat - St-Hubertseweg). Andere belangrijke wegen in de kern zijn de Kampsestraat, de Beerseweg (beiden west-oost), de Burgemeester Moorenstraat (langs oostzijde kern) en de voormalige spoordijk (Bogaersstraat - Parallelstraat, aan de zuidzijde). Voor wat betreft openbaar vervoer loopt er een buslijn van Uden naar het treinstation in Cuijk door Haps. Vanuit Uden en Cuijk vertrekken vervolgens verschillende busdiensten.

Water

In het plangebied van voorliggend bestemmingsplan is geen structureel water gelegen. Buiten het plangebied, aan de oostzijde van de kern, loopt een A-watergang, de Laarakkersche Waterleiding. Vanaf het rioolgemaal aan de Oeffeltseweg ligt een riooltransportleiding langs de A-watergang. De riooltransportleiding takt aan op de doorgaande leiding gelegen in het voormalige spoortracé van het Duits Lijntje.

Wonen

Haps is overwegend een woonkern. Het woningbestand van Haps bestaat voornamelijk uit vrijstaande en halfvrijstaande woningen. Daarnaast komen er enkele cultuurhistorische waardevolle woningen voor.

Hoofdstuk 3 Ruimtelijke ontwikkeling

3.1 Herontwikkeling en woningbouwprogramma

Het plan voorziet in de herontwikkeling van een binnenstedelijke locatie ((achter)tuinen) tot een hoogwaardig woongebied met maximaal 13 (koop)woningen. Het (voorlopige) programma bestaat uit 6 tweekappers en7 aaneengesloten woningen op kavels van 217 m2 tot 308 m2 voor de tweekappers en voor de aaneengesloten woningen van 122 m2 tot 304 m2 (voor de beide hoekwoningen).

afbeelding "i_NL.IMRO.1684.02BPAalsvoorten-VA01_0009.jpg" verkaveling

Er wordt via de planregels echter bewust voorzien in een flexibele regeling om de woningtypologie en het aantal woningen per woningtype aan te kunnen passen aan de meest actuele marktomstandigheden. Deze flexibiliteit is echter niet onbegrensd. De volgende aspecten van het beoogde woningbouwplan liggen vast en zijn ook als zodanig verankerd in de planregels van dit bestemmingsplan:

maximaal aantal woningen   13  
woningtypen : toegestaan   aaneengebouwd-halfvrijstaand-vrijstaand  
woningtypen : niet toegestaan   gestapeld  
afdekking   kap  
maximale goothoogte   6 meter  
maximale bouwhoogte   11 meter  
inhoud woningen   min. 250 m3 en max. 650 m3  
afstand tot de langs de openbare weg gelegen bouwgrens   min. 0 meter en maximaal 5 meter  
   
 
maximale oppervlakte bijbehorende bouwwerken (mits zij-en achterf > 120 m2)   90 m2  
maximale goothoogte   3 meter  
maximale bouwhoogte   5 meter  
afdekking   kap of plat  
minimale afstand tot hoofdgebouw   3 meter  
minimale afstand tot voorgevelrooilijn   3 meter  
minimale afstand tot zijdelingse - en achterperceelsgrens   0 meter  

bouwkundige maatvoering

Verder wordt in dit plan ook het perceel Sint Hubertseweg 4 - dat nu nog een bedrijfsbestemming heeft maar waar al jaren geen bedrijf meer wordt geëxploiteerd - voorzien van een woonbestemming. Door middel van deze bestemming wordt er een planologisch-juridisch regime op het perceel gelegd dat past bij het actuele gebruik en verder wordt hiermee naar de toekomst toe definitief uitgesloten dat zich op dit perceel nog een bedrijf kan vestigen dat milieuhinder zou kunnen opleveren - en daarmee een aantasting van het woon-en leefklimaat - ter plaatse van het nieuw te realiseren woongebied.

3.2 Ruimtelijke en functionele inpassing

3.2.1 Stedenbouwkundig ontwerp

De Sint Hubertusweg is recent stevig gewijzigd wat betreft sfeer en inrichting. De groene ruimte bij de entree van Haps heeft een belangrijke plek gekregen. Verderop het dorp in wordt deze weg begeleid door bomen. Het gekozen stedenbouwkundige concept moest aansluiten bij deze sfeer en structuur. De ambitie is om een groene brink in dit deel van Haps te creëren.

Omdat de verkeersintensiteit van de weg steeds meer wijzigt kan de inrichting van het woongebied ook dorpser worden. Een aansluiting op de Aalsvoorten is dan ook een goede optie. In ieder geval voor langzaamverkeer. Zonder nieuwe aansluiting zou het woongebied te introvert zijn en te zeer verstopt liggen. Een kwaliteit waar het plan verder op aanhaakt is het relict van het Duits Lijntje en het speelveld dat ten noorden van het woongebied ligt. Het stedenbouwkundige concept legt een relatie met dit veld. Het zou mooi zijn als op termijn de lijn van het Duits Lijntje weer verbonden zou worden met het veld aan de oostzijde van de Sint Hubertusweg.

Haps kent meerdere straten en hofjes met een besloten karakter wat bijdraagt aan een dorpse sfeer. De keuze voor het creëren van een hofje gaat voort op dit thema en past ook bij de labyrintische structuur van de bestaande naastgelegen woonwijk. Het creëren van een hofje biedt niet alleen een rustiek wooncomfort, maar geeft ook een extra impuls voor maatschappelijke samenwerking en sociale controle. Het gevoel van veiligheid wordt versterkt wat bijdraagt aan een aantrekkelijk woonklimaat.

Wat betreft de woningtypologie wordt aangesloten bij de bestaande wijk Aalsvoorten en de Sint Hubertusweg. Er is sprake van alleen grondgebonden woningen (geen gestapelde woningen), met een mix – afhankelijk van de behoeften – van aaneengebouwde woningen, tweekappers en vrijstaande woningen. Binnen het nieuwe woongebied zal overwegend vrijstaand en wat ruimer gebouwd wordt. De verkaveling is bewust losjes en onregelmatig. De realisatie van het woningbouwprogramma van 13 woningen is de eerste fase van een mogelijk grotere gebiedsontwikkeling. Voor de eerste fase is op basis van het concept een concreet verkavelingsplan gemaakt.

Uitgangspunten van het stedenbouwkundig concept

Hoofdkeuze: hoven maken

Uitwerking: Haps kent meerdere straten/hofjes met een besloten karakter dit draagt bij aan een dorpse sfeer. De keuze voor hofjes gaat voort op dit thema en past ook bij (labyrintische) structuur van Aalstvoorten.

De 2 hofjes kennen een centrale ruimte voor openbaar groen en parkeren. De hofjes hebben beide een ander type bebouwing en daardoor ook hun eigen sfeer.

Om een verschil te maken tussen de hofjes is voor het noordelijke hof gekozen voor grondgebonden woningen met een kap in aansluiting op de bestaande omgeving. Voor het zuidelijke hof lijkt het ons aardig een nieuw type te introduceren bestaande uit patio’s. Dit roept een geheel eigen, meer besloten sfeer op.

Langs de Sint Hubertusweg komen vrijstaande woningen die de entree voor het dorp zijn.

Uitganspunten voor fase 1

  • Grondgebonden woningen
  • Langskappen geeft samenhang
  • Zowel straatparkeren als op eigen terrein

Het onderstaande model laat een impressie zien van een doorgroei naar een mogelijk eindbeeld.

afbeelding "i_NL.IMRO.1684.02BPAalsvoorten-VA01_0010.jpg"

impressie mogelijke eindsituatie woonontwikkeling 'Aalsvoorten'

3.2.2 Beeldkwaliteit en architectuur

In het Beeldkwaliteitsplan (BKP) 'Aalvoorten' Haps is de stedenbouwkundige visie voor het plangebied opgenomen en worden er keuze gemaakt met betrekking tot woningtypologie, entreeposities, architectuur en materialisatie van woningen en inrichting van de openbare ruimte. Om dit inbreidingsplan in Haps op alle fronten een toplocatie te laten zijn is een samenhang nodig van het stedenbouwkundig plan, de openbare ruimte en de architectonische uitstraling van de woningen. Onderhavig beeldkwaliteitsplan bevat hiervoor richtlijnen en randvoorwaarden. Deze dienen als toetsingskader en basis voor de architect om de woningen te ontwerpen en verder uit te werken.

Dit BKP is overigens geen keurslijf, maar een hulpmiddel om met elkaar te streven naar een gemeenschappelijk doel te verwezenlijken, namelijk het vergroten van de ruimtelijke kwaliteit van de kern Haps. Het is altijd mogelijk om af te wijken van de beschreven kenmerken, mits goed onderbouwd en passend in de omgeving. Individuele wensen van woningbezitters blijven tot op zekere hoogte mogelijk, met dien verstande dat de woningen ten allen tijde 'esthetisch familiair' van elkaar dienen te zijn.

Situering

De woningen worden gerealiseerd in een eigentijdse architectuur, passend in het dorpse, bakstenen karakter van Haps met accenten van de 'jaren '30-stijl'. De hoofdgebouwen zijn gelegen op circa 3 meter vanaf de kavelgrens en bevinden zich aan de linker- of rechterzijde van de kavel. De garages zullen aan de woning worden gebouwd en niet los staan op de kavel. Indien er gekozen wordt voor vrijstaande woningen in plaats van tweekappers, zullen hiervoor andere regels gelden. Deze woningen mogen wel centraler op de kavel worden gebouwd, zodat deze ook daadwerkelijk 'vrij' staan. Indien het qua maatvoering past zullen de garages van de tweekappers onderling wel los staan van elkaar, zodat hierdoor een 'achterom' ontstaat. Dit biedt de woningbezitter meer comfort om de achtertuin te bereiken.

Kapvorm

Voor de kapvorm is gekozen om aan te sluiten bij de naastliggende huidige bebouwingen. Alle woningen zullen worden voorzien van een zadeldak met topgevel (m.u.v. de tussenwoningen). Een uitzondering hierop is de eventuele vrijstaande woning. Deze kan worden gebouwd met een afgetopt zadeldak (vierzijdig). Dakkapellen worden optioneel aangeboden evenals zonnepanelen.

Materialisatie

In een in het BKP opgenomen matrix is weergegeven welke materialen er (moeten) worden toegepast.

Voor het volledig BKP wordt verwezen naar de rapportage die als bijlage 1 integraal deel uitmaakt van deze plantoelichting.

3.2.3 Openbare ruimte, groen- en waterhuishoudkundige voorzieningen

Woonstraat

Het nieuwe woongebied wordt ontsloten door een woonstraat. Deze woonstraat heeft een Y-vorm en sluit op één punt aan op de Rozenhof. Het profiel bestaat uit een rijbaan van 5,00 meter breed en langsparkeerplaatsen van 2,00 meter breed. Dit wegprofiel is breed genoeg is voor de afwikkeling van het beperkte bestemmingsverkeer van bewoners en bezoekers aan dit woongebied. Via de gekozen wegstructuur wordt ook een eventuele verlenging van deze woonstraat in zuidelijke richting mogelijk gemaakt. Dit is van belang in verband met een mogelijke doorontwikkeling van dit woongebied in zuidelijke richting.

De materialisatie komt overeen met de aangesloten woonwijk teneinde een vloeiende overgang te creëren en esthetische aansluiting te vinden. Er zal gewerkt worden met betonstraatstenen voor de openbare weg en parkeren. Voor paden zullen betontegels en betonbanden worden toegepast. In verband met de 30km zone 'woonwijk' is ervoor gekozen om geen volledige trottoirs te maken, maar trottoirbanden aan te brengen.

Groen en water

De groene zone in het midden van het plangebied vormt het hart van de woonwijk. Deze zone zal aansluiting vinden bij het speelveld en zal een karakter krijgen van groene lage beplantingen van plukweidemengsel of gazon, welke dient als wadi voor regenwater. Deze groene zone is niet bedoeld voor spelen, maar voor het creëren van een rustgevend karakter voorzien van bijvoorbeeld een zitbankje.

De wadi heeft een maximale diepte van 1,00 meter (inclusief een waakhoogte van 0,30 meter) en heeft een capaciteit van 123 m3 hemelwater dat geborgen kan worden. Boven de waakhoogte heeft de wadi nog een extra capaciteit van 75 m3.

Stedelijk groen

De erfafscheidingen tussen en achter de woningen zullen door de bewoners in onderling overleg zelf worden aangebracht. De voorkeur geniet om zoveel mogelijk te kiezen voor een groene haag, bijvoorbeeld groen gaashekwerk met hedera beplanting.

Aan de noordzijde van het plan is reeds een groene haag aanwezig . Deze wordt gedeeltelijk gehandhaafd zodat aan de entree van het plan een groene zone is gewaarborgd. Ter plaatse van de inritten van de noordelijke woningen worden lage beukenhagen aangebracht van 60cm hoog, zodat de entree van het woongebied overzichtelijk blijft. De erfafscheidingen aan voorzijde van de woningen is het meest beeldbepalend. De woningen aan de oostzijde kunnen zelf kiezen voor een erfafscheiding waarbij deze uitdrukkelijk niet hoger mag worden dan 60cm. De woningen aan de westzijde zullen standaard worden voorzien van een lage beukenhaag van 60cm aan de voorzijde. Aan de zuidzijde van het plan zal een gaashekwerk met hedera worden aangebracht en zal een reflecterend afzethek worden geplaatst. Ter plaatste van de inritten van de twee zuidelijke woningen worden ook lagen beukenhagen aangebracht.

Voor het volledige ontwerp en materialisatie van de openbare ruimte, groenstructuur en waterhuishoudkundige voorzieningen wordt verwezen naar het BKP en de inrichtingstekening die als bijlagen 1 en 2 integraal deel uitmaken van deze plantoelichting.

3.3 Ontsluiting en parkeren

Het plangebied wordt ontsloten via de Rozenhof. Via de Rozenhof-Kampstraat komt het verkeer op de N264 (Kerkstraat-Sint Hubertseweg). Deze weg is dé centrale weg door Haps. Hiermee zijn alle centrale voorzieningen in Haps binnen enkele minuten bereikbaar voor de toekomstige bewoners van de wijk. Bovendien verbindt de N264 het dorp - o.m. door de aantakking op de A-73 - met de rest van de regio. Langs de Kerkstraat bevinden zich verder op een afstand van slechts ca. 220 meter twee Arriva-bushaltes (lijn 91 en 92) waarmee het plangebied voor bewoners en bezoekers ook via het openbaar (bus)vervoer bereikbaar is.

Door middel van een nieuw aan te leggen woonstraat worden alle woningen bereikbaar voor auto-en fietsverkeer, maar ook voor de hulpdiensten en vuilnisophaaldienst. Via een cul-de-sac kan het verkeer - indien nodig - ter plaatse draaien. Verder wordt een afzonderlijk trottoir gerealiseerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1684.02BPAalsvoorten-VA01_0011.jpg"

inrichtingstekening met verkeer-en groenstructuur en aantal parkeerplaatsen

De verkeersaantrekkende werking van het plan bestaat uit bewoners -en bezoekersverkeer van en naar de 13 woningen. De nieuwe woonstraat krijgt een verkeerskundige functie als erftoegangsweg. Het te realiseren wegprofiel en de maximale snelheid van 30 km/u passen bij deze beperkte verkeerskundige functie.

Het plan zal ertoe leiden dat het aantal verkeersbewegingen (auto-fietsers) op de Rozenhof van en naar het plangebied zal toenemen. Echter het plan is met 13 woningen zodanig kleinschalig dat de toename van het aantal verkeersbewegingen beperkt zal zijn, mede in relatie tot het huidige verkeersaanbod op de Rozenhof en De Aalsvoorten. Verkeerskundig gezien is de ontsluiting van het plangebied via de Rozenhof – waarbij het ene rustige woongebied ruimtelijk (w.o. verkeerskundig) gaat aanhaken bij een ander rustig woongebied – een veiligere oplossing dan een directe ontsluiting van het plangebied op de veel drukkere Sint Hubertseweg (een weg met een totaal andere verkeersfunctie). De verkeersfunctie en het wegprofiel van zowel de nieuwe ontsluitingsweg binnen het plangebied als de Rozenhof zijn vergelijkbaar. Het wegprofiel van beide wegen is geschikt om het nieuwe verkeersaanbod veilig af te wikkelen. Op dit moment zijn de Rozenhof en De Aalsvoorten doodlopende wegen. Het doortrekken van deze wegen ter ontsluiting van de inbreidingslocatie 'Aalsvoorten' is verkeerskundig gezien de meest logische en veilige oplossing.

Naar aanleiding van inspraakreacties is een verkeersonderzoek uitgevoerd door Goudappel Coffeng (kenmerk BJ0005/Rqr/00001.04 d.d. 28 augustus 2017). Onderzocht zijn de effecten van het bouwplan op de Rozenhof en de veiligheid van het speeltuintje. Ook zijn er verschillende alternatieven voor de ontsluiting van het plan onderzocht. Geconcludeerd wordt dat in de eindsituatie de huidige wegenstructuur volstaat. De Rozenhof kan het aantal extra verkeersbewegingen goed verwerken. De intensiteiten en snelheden zijn laag. Automobilisten zullen incidenteel op elkaar moeten wachten bij het passeren. Omdat intensiteiten en snelheden laag zijn, vormt dit geen knelpunt. Om te voorkomen dat kinderen de straat oprennen wordt aanbevolen een toegangshek te plaatsen bij de in- en uitgangen van het speeltuintje. Voor de tijdelijke situatie wordt geadviseerd om een extra ontsluiting te realiseren op de St. Hubertseweg, die uitsluitend door bouwverkeer gebruikt mag worden.

De aanbevelingen uit het rapport worden overgenomen. Ter waarborging van de aanbevelingen uit het rapport (tweede tijdelijke ontsluiting voor het bouwverkeer over de St. Hubertseweg en een hek bij de in-uitgang van het speeltuintje wordt een aanvullende overeenkomst afgesloten met ontwikkelaar. Deze maatregelen worden tevens als voorwaardelijke verplichting opgenomen in het bestemmingsplan.

De ontwikkeling moet op gronde van de parkeernorm voorzien in een aantal van 30 parkeerplaatsen. Hierbij is rekening gehouden met parkeerplaatsen voor bezoekers. Door Goudappel wordt dit aantal voldoende geacht.

Bij ontsluiting over de Rozenhof is het niet nodig een verbinding te maken tussen de Rozenhof en de Aalsvoorten . Het wegvak voor de woningen nr. 19 en 21 blijft ongewijzigd.

Toezegging 

Op 21 september 1992 heeft de voormalige gemeente Haps het bestemmingsplan “Aalsvoorten “ vastgesteld voor de huidige wijk 'de Aalsvoorten' tussen de Bogaertstraa, Zoetendaalsestraat en St. Hubertseweg. Het gebied is thans onderdeel van bestemmingsplan 'Haps'. Mede naar aanleiding van inspraak van de bewoners van de Rozenhof is destijds besloten om het gebied Aalsvoorten niet over de Rozenhof te ontsluiten. Tussen de Rozenhof en de Aalsvoorten is een verbinding voor langzaamverkeer. Deze besluitvorming heeft plaatsgehad in het kader van de toenmalige bestemmingsplanprocedure.

Aan een bestemmingsplan kunnen geen blijvende rechten worden ontleend. Het gebied ten oosten van de huidige woningen aan de Aalsvoorten, het huidige plangebied, is niet eerder tot ontwikkeling gebracht vanwege de hindercirkel van het agrarisch bedrijf aan de St. Hubertseweg 4. Thans ligt er een bouwplan voor een beperkt aantal van 13 woningen voor in het noordelijk deel van het gebied tussen de huidige Aalsvoorten en de St. Hubertseweg. De zuidelijke percelen, waarop de ontsluiting oorspronkelijk was voorzien, heeft ontwikkelaar niet kunnen verwerven. Eigenaren zijn niet voornemens deze te ontwikkelen of te verkopen. Door deze gewijzigde omstandigheden is een ontsluiting over de zuidelijke percelen niet mogelijk. Ook zou (zonder ontwikkeling van de zuidelijke percelen) sprake zijn van aanzienlijke meerkosten, waardoor de het bouwen voor de doelgroep (goedkope(re) woningbouw voor kleine(re) huishoudens) onder druk komt te staan.

Uit het verkeersonderzoek van Goudappel Coffeng blijkt dat de ontsluiting over de Rozenhof voor deze (beperkte) ontwikkeling vanuit het oogpunt van verkeersveiligheid acceptabel is. Geadviseerd wordt voor het bouwverkeer een aparte tijdelijke ontsluiting aan te leggen naar de St. Hubertseweg en de ingangen van het speeltuintje te voorzien van een toegangshek. Ter waarborging van de aanbevelingen uit het rapport (tweede tijdelijke ontsluiting voor het bouwverkeer over de St. Hubertseweg en een toegangshek bij de in-uitgang van het speeltuintje wordt een aanvullende overeenkomst afgesloten met ontwikkelaar. Deze maatregelen worden tevens als voorwaardelijke verplichting opgenomen in het bestemmingsplan.

Bij de planuitwerking van het noordelijke deel is rekening gehouden met de toekomstige ontwikkeling van het zuidelijke deel, zodat dit daarop kan aansluiten. Bij de ontwikkeling van het zuidelijke deel kan ontsluiting rechtstreeks op de Zoetendaalseweg/Aalsvoorten plaatsvinden. Dat betekent in de toekomst een mogelijke verlichting van het verkeer via de Rozenhof.

afbeelding "i_NL.IMRO.1684.02BPAalsvoorten-VA01_0012.jpg"

toekomstige ontsluiting gebied

Voor het volledig onderzoek wordt verwezen naar de rapportage die als bijlage 3 integraal deel uitmaakt van deze plantoelichting.

Het benodigd aantal parkeerplaatsen wordt berekend aan de hand van de 'Parkeernota Cuijk 2016-2023, bijlage 4 Nota Parkeernormen auto en fiets'. In deze beleidsnota zijn de parkeerkencijfers van het CROW vertaald naar parkeernormen voor de Gemeente Cuijk.

De ligging van een gebied bepaalt mede de parkeernorm. Cuijk is daarom ingedeeld in vier deelgebieden:

  • 1. Centrum;
  • 2. Schil/overloopgebied;
  • 3. Rest bebouwde kom;
  • 4. Buitengebied.

Binnen de kern Cuijk bevindt zich het centrumgebied en het zogenaamde schil/overloopgebied. De overige wijken van Cuijk en de bebouwde kom van de overige kernen (waaronder die van Haps) behoren tot de rest bebouwde kom. De overige gebieden behoren dan tot het buitengebied.

De woningbouwlocatie valt onder het deelgebied 'rest bebouwde kom'. De 'Parkeernota Cuijk 2016-2023, bijlage 4 Nota Parkeernormen auto en fiets' kent voor koopwoningen in dit gebied van de types: vrijstaand-halfvrijstaand-aaneengesloten' parkeernormen van respectievelijk 2,3-2,2-2,0 parkeerplaatsen (pp) per woning. In algemene zin gelden de volgende twee uitgangspunten:

  • 1. toepassen van de parkeernorm en aanleg van parkeerplaatsen zo veel mogelijk op eigen terrein;
  • 2. het bezoekersaandeel van de aan te leggen parkeerplaatsen dient openbaar toegankelijk te zijn.

afbeelding "i_NL.IMRO.1684.02BPAalsvoorten-VA01_0013.jpg"

parkeernormen voor koopwoningen

Binnen het plangebied dienen volgens de Parkeernota Cuijk minimaal 26 en maximaal 30 parkeerplaatsen aangelegd te worden. Het plan voorziet in de aanleg van 30 parkeerplaatsen. Waar dat qua ruimtebeslag mogelijk is, worden er zoveel mogelijk parkeerplaatsen op eigen terrein aangelegd (17 pp). De overige 13 pp worden in de openbare ruimte gerealiseerd.

3.4 Duurzaam bouwen en brandveiligheid

In de gemeente Cuijk wordt gestreefd naar duurzame nieuwbouw, waarbij het energieverbruik zoveel mogelijk wordt teruggedrongen. De te realiseren woningbouw dient minimaal te voldoen aan de eisen op grond van het Bouwbesluit, Bouwverordening en aan alle verplichte maatregelen van de basislijst Duurzaam Bouwen-woningbouw. Kopers hebben verder de minder-of meerwerkmogelijkheid om meer duurzame energievoorzieningen (zoals volledig gasvrij, zonnepanelen of aardwarmte) te realiseren.

3.5 Privacy, bezonning en sociale veiligheid

Voor een onaanvaardbare aantasting van privacy bij belendende percelen alsmede een onaanvaardbare vermindering van zonlicht dan wel optredende schaduwwerking, hoeft niet gevreesd te worden. De beoogde woningen aan de westkant van het woongebied zijn op ca. 25-35 m1 afstand gelegen van de bestaande woningen aan De Aalsvoorten. De beoogde woningen aan de oostkant liggen op minimaal ca. 50 meter afstand van de bestaande woningen aan de Sint Hubertusweg. Deze afstanden tussen woningen in woonwijken komen in Nederland veelvuldig voor en zijn maatschappelijk volledig geaccepteerd.

Het stedenbouwkundige ontwerp zorgt verder voor een zodanige situering van de nieuwe woningen ten opzichte van de bestaande woningen dat er altijd een 'achtergevel-achtergevel -of zijgevel-zijgevel-situatie' ontstaat. In het ontwerp van de nieuwe woningen is zorggedragen dat de hoofdverblijfsruimten (woonkamer-grootste slaapkamers) aan de voorzijde (straatzijde) van de nieuwe woningen zijn gesitueerd. Aan de achterzijde zijn functies als (bij)keuken,badkamer, garage-berging gepland. Hierdoor is er geen sprake van directe en voortdurende inkijk in elkaars hoofdverblijfsruimten.

Ook zorgt het stedenbouwkundig ontwerp ervoor dat de woningen met hun voorgevels op het westen danwel het oosten georiënteerd zijn. Dat geldt -andersom - derhalve dus ook voor de achtergevels/tuinen. Verder sluit de bouwhoogte van de nieuwe bebouwing aan bij de bestaande bouwhoogte van de woningen in de omgeving van het plangebied. Door de situering van de nieuwe woningen, de bouwhoogte en de afstanden tot nabijgelegen bestaande woningen, blijft de schaduw binnen het plangebied c.q. binnen de nieuwe woonpercelen vallen. Het plan heeft dus geen consequenties voor de bezonning ter plaatse van naburige woonpercelen.

De gemeente Cuijk bevordert verder veiligheid in en om de woning. Hiermee wordt getracht de kleine criminaliteit terug te dringen en de sociale veiligheid in de (semi)openbare ruimten en de directe woonomgeving te verbeteren. Sociale veiligheid om de woningen wordt verder gegarandeerd doordat de ontsluiting van de nieuwbouwwoningen plaatsvindt via een openbare weg. Binnen het plangebied zal voldoende openbare straatverlichting gerealiseerd worden.

Hoofdstuk 4 Beleidskader

4.1 Rijksbeleid

4.1.1 Structuurvisie infrastructuur en ruimte

Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. De SVIR is het kader dat de (nieuwe) ruimtelijke en mobiliteitsopgaven voor Nederland richting 2040 benoemt. Een van de kernbegrippen in de Structuurvisie is decentralisatie. Dit kabinet wil beslissingen over ruimtelijke ontwikkelingen dichter bij burgers en bedrijven brengen en provincies en gemeenten letterlijk de ruimte geven om maatwerk te leveren voor regionale opgaven.

Overheden, burgers en bedrijven krijgen de ruimte om oplossingen te creëren. Het Rijk gaat zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten zitten en richt zich op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de belangen voor Nederland als geheel, zoals de hoofdnetwerken voor personen- en goederenvervoer (waaronder buisleidingen), energie en natuur, alsook ondergrond en ruimte voor militaire activiteiten. Ook waterveiligheid en milieukwaliteit (lucht, geluid, bodem, water en externe veiligheid) horen daarbij, evenals de bescherming van ons werelderfgoed (zoals de Waddenzee en de Nieuwe Hollandse Waterlinie). Verstedelijkings-, landschaps- en bedrijventerreinenbeleid laat het Rijk over aan de provincies en gemeenten.

Planspecifiek

Het onderhavige plangebied ligt binnen het radarverstoringsgebied van de militaire vliegbasis Volkel. Het beperken van de bouwhoogten in dit plan om het militaire vliegverkeer ongestoord te laten plaatsvinden is een rijksbelang (defensie). Via de planregels in dit plan wordt de bouwhoogten van bouwwerken zodanig beperkt gehouden dat het ongestoord functioneren van de radarinstallatie op Volkel niet in gevaar komt. Voor het overige zijn er geen nationale belangen aan de orde in verband met dit plan.

4.1.2 Ladder voor Duurzame Verstedelijking

De 'ladder voor duurzame verstedelijking' is in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geïntroduceerd. De ladder voor duurzame verstedelijking is verankerd in de artikelen 1.1.1 en 3.1.6 leden 2 en 3 Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het doel is een goede ruimtelijke ordening te bereiken door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden en daarnaast ondersteunt het gemeenten en provincies in de vraaggerichte programmering van hun grondgebied. De ladder voor duurzame verstedelijking kent drie treden die achter elkaar doorlopen moeten worden in het geval dat een bestemmingsplan in een nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet:

1. Is er een actuele regionale behoefte aan het beoogde ruimtelijk-functionele programma ?

2. Is (een deel van) die regionale behoefte op te vangen binnen bestaand stedelijk gebied binnen de regio?

3. Voor zover de actuele regionale behoefte niet opgevangen kan worden binnen bestaand stedelijk gebied, zijn er andere multimodaal ontsloten locaties - of kunnen die gerealiseerd worden- buiten het bestaand stedelijk gebied ?

Planspecifiek

Het plan heeft betrekking op een ontwikkeling waarbij er binnen bestaande stedelijk gebied maximaal 13 extra woningen worden gerealiseerd. Bovendien is er hier sprake van een situatie dat de ontwikkeling grotendeels plaatsvindt op gronden waarop planologisch-juridisch gezien geen stedelijke bebouwing en stedelijke functies zijn toegelaten. Er is derhalve sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in de artikelen 1.1.1 en 3.1.6 leden 2 en 3 Bro. De Ladder moet derhalve doorlopen worden.

Trede 1

Het woningbouwplan 'Aalsvoorten' bestaat uit maximaal dertien grondgebonden woningen, waarvan zeven in het lage / middeldure starterssegment en zes waarvan het definitieve woningtype nog niet is bepaald. Middels onderliggend flexibel bestemmingsplan kan er naar behoefte worden gebouwd. In Haps is de afgelopen jaren weinig tot geen nieuwbouw gerealiseerd waardoor de vraag daarnaar groeiende is. Het is van belang om in eerste instantie te focussen op de kandidaat-koper uit Haps en omgeving. Van de verhuizingen die plaats vinden in en naar Haps is 70% van de verhuizers afkomstig uit Haps zelf en 30% is afkomstig buiten Haps. Mede vanwege de realisatie van nieuwe bedrijfspanden en werkgelegenheid op bedrijventerrein Laarakker is het mogelijk dat het aantal verhuizers positief stijgt. De groep niet afkomstig uit Haps kan hierdoor groeien en wellicht nog extra groeien door 'spijtoptanten', welke in het verleden voor nieuwbouw in Cuijk hebben gekozen en wellicht willen terugkeren naar Haps. Door de makelaar wordt opgemerkt dat een dorpsmentaliteit en sfeer steeds meer mensen aanspreekt, waardoor een kleinschalig rustig gelegen nieuwbouwplan nabij voorzieningen erg in trek is. Een differentiatie van woningtypen en woningprijzen in plan Aalsvoorten kan daarnaast een grotere groep woningzoekende aanspreken waardoor, mede gezien het relatief geringe aantal woningen, wordt verwacht dat dit de verkoop ten goede komt. Het is verder van belang dat het dorpse karakter ook in de architectuur naar voren komt en dat individuele koperswensen mogelijk zijn. Deze zorgen ervoor dat kandidaat-kopers een bepaalde invloed en medezeggenschap hebben bij het kopen van een woning. Als laatste wordt verondersteld dat de ligging, de bereikbaarheid en het verenigingsleven van Haps ten goede komt aan de jeugdige woningzoeker.

Trede 2

De beoogde woningbouw vindt plaats op een inbreidingslocatie binnen bestaande stedelijk gebied in Haps.

Trede 3

N.v.t.

4.1.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening ((Barro) voorheen ook genoemd: AMvB Ruimte) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het besluit is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012 zijn enkele wijzigingen in werking getreden.

Het Barro bevat alle ruimtelijke rijksbelangen uit de eerder uitgebrachte planologische kernbeslissingen (PKB's) en geeft middels regels en plankaarten (juridisch) de mogelijkheid om de rijksbelangen veel directer door te laten werken in de ruimtelijke plannen van andere overheden. De onderwerpen in het Barro betreffen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote Rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Ecologische Hoofdstructuur (EHS), nationale landschappen, erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, primaire waterkeringen buiten het kustfundament en het IJsselmeergebied.

Planspecifiek

Het onderhavige plangebied ligt binnen het radarverstoringsgebied van de militaire vliegbasis Volkel. Het beperken van de bouwhoogten in dit plan om het militaire vliegverkeer ongestoord te laten plaatsvinden is een rijksbelang (defensie). Via de planregels in dit plan wordt de bouwhoogten van bouwwerken zodanig beperkt gehouden dat het ongestoord functioneren van de radarinstallatie op Volkel niet in gevaar komt

4.2 Provinciaal beleid

4.2.1 Structuurvisie ruimtelijke ordening 2014

De Wet ruimtelijke ordening vraagt van overheden om in een Structuurvisie hun belangen helder te definiëren en aan te geven hoe zij deze willen realiseren. In de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening geeft de provincie aan hoe zij omgaat met de ruimtelijke opgave voor de periode tot 2025, met een doorkijk naar 2040. De Structuurvisie Ruimtelijke Ordening is op 1 oktober 2010 vastgesteld door Provin-ciale Staten en op 1 januari 2011 in werking getreden. De partiële herziening is in maart 2014 vastgesteld.

Het plangebied is in de structuurvisie aangeduid als ‘Kern in het landelijk gebied’. In de kernen moet de lokale behoefte voor verstedelijking worden opgevangen (wonen, werken en voorzieningen). De provincie vraagt gemeenten om in regionaal verband afspraken te maken over de verdeling van het programma voor wonen en werken. De nieuwe ontwikkelingen binnen het plangebied moeten het eigen karakter van de kernen en de relatie met het landschap versterken. De stedelijke ontwikkelingen moeten qua maat en schaal passen bij de kern. Tevens moet er gelet worden op de historisch gegroeide identiteit van de kern en met de fase van de verstedelijking van de kern (suburbaan, dorps of plattelandskern).

afbeelding "i_NL.IMRO.1684.02BPAalsvoorten-VA01_0014.jpg" afbeelding "i_NL.IMRO.1684.02BPAalsvoorten-VA01_0015.jpg"

uitsnede en renvooi structuurkaart (plangebied rood omcirkeld)

Planspecifiek

Binnen het plangebied wordt het braakliggende terrein bebouwd met maximaal 13 grondgebonden woningen ten behoeve van de huisvesting van diverse doelgroepen. De woningen worden gebouwd om te voorzien in de lokale woningbouwbehoefte. Daarnaast worden de woningen op een zodanige wijze stedenbouwkundig ingepast dat sprake is van een versterking van het eigen karakter van de kern. De stedelijke ontwikkeling past qua maat en schaal bij de kern Haps. Hierdoor is de voorgenomen ontwikkeling in lijn met het beleid, zoals opgenomen in de Structuurvisie 2010 - partiële herziening 2014.

4.2.2 Verordening ruimte 2014

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is vastgelegd hoe de bevoegdheden op het gebied van ruimtelijke ordening zijn verdeeld tussen rijk, provincies en gemeenten. De provincie kan door middel van een planologische verordening regels formuleren waarmee gemeenten bij het opstellen van ruimtelijke plannen rekening moeten houden. De provincie Noord-Brabant heeft hiertoe de Verordening Ruimte opgesteld.

Het plangebied ligt op basis van de Verordening Ruimte in het bestaand stedelijk gebied. Volgens de verordening kunnen stedelijke ontwikkelingen in bestemmingsplannen opgenomen worden, indien deze bestemmingsplannen bestaande stedelijke gebieden betreffen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1684.02BPAalsvoorten-VA01_0016.jpg"

afbeelding "i_NL.IMRO.1684.02BPAalsvoorten-VA01_0017.jpg"

kaart Verordening Ruimte (plangebied rood omcirkeld)

In de Verordening ruimte zijn r regels opgenomen met betrekking tot stedelijke ontwikkeling (onder andere op het gebied van wonen en werken), natuur en landschap (waaronder de ecologische hoofdstructuur), water, cultuurhistorie, agrarische ontwikkeling en windturbines.

De regels van de Verordening ruimte zijn er, in lijn met het beleid van de Structuurvisie ruimtelijke ordening, op gericht om het leeuwendeel van de stedelijke ontwikkelingen plaats te laten vinden in de stedelijke regio’s, in het bestaand stedelijk gebied en in de zoekgebieden voor verstedelijking. De begrenzingen van de stedelijke en landelijke regio’s zijn vastgelegd in de kaarten behorende bij de Verordening ruimte. In de verordening zijn ook het bestaand stedelijk gebied, de zoekgebieden voor verstedelijking en de ecologische hoofdstructuur begrensd.

In artikel 4.3 ‘Nieuwbouw van woningen’ is het volgende opgenomen:

  • 1. De toelichting bij een bestemmingsplan gelegen in bestaand stedelijk gebied dat voorziet in nieuwbouw van woningen bevat een verantwoording over de wijze waarop:
  • a. de afspraken die daarover zijn gemaakt in het regionaal ruimtelijk overleg worden nagekomen;
  • b. de beoogde nieuwbouw zich verhoudt tot de afspraken bedoeld onder a, en tot de beschikbare harde plancapaciteit voor woningbouw.
  • 2. Onder harde plancapaciteit voor woningbouw als bedoeld in het eerste lid, onder b, wordt verstaan de capaciteit voor nieuw te bouwen woningen waarover een gemeente beschikt, die:
  • a. wordt uitgedrukt in aantallen woningen;
  • b. is opgenomen in een vastgesteld bestemmingsplan waarvan de bestemming nog niet is verwezenlijkt.

Planspecifiek

Het plangebied ligt in de kern Haps, dit is volgens de verordening ‘bestaand stedelijk gebied’. Het beoogde woningbouwprogramma past binnen de regionale woningbouwafspraken (zie paragraaf 4.3). Het plan voldoet aan het gestelde in de Verordening ruimte Noord-Brabant 2014.

4.3 Regionaal beleid

4.3.1 Regionale woningbouwafspraken 2015-2025

In december 2015 heeft het Regionaal ruimtelijk overleg (RRO) Noordoost-Brabant besloten om, voor de betreffende gemeenten, de (kwantitatieve) regionale woningbouwafspraken voor de komende 10 jaren geactualiseerd vast te stellen op basis van de uitkomsten van de provinciale Bevolkings- en woningbehoefteprognose 2014. Nieuwe afspraken zijn gemaakt en die zijn neergelegd in de Regionale Agenda Wonen 2015 - Deel A.

Planspecifiek

Gelet op de aantallen woningen volgens de provinciale prognose(s), respectievelijk de gemaakte afspraken, is het onderhavige bestemmingsplan, i.c. de geplande nieuwbouw van 13 woningen in overeenstemming met bedoelde afspraken. Tevens is het zo dat de toegestane harde plancapaciteit voor woningbouw niet wordt overschreden.

4.3.2 Regionale woningmarktstrategie Land van Cuijk

Op 18 maart 2013 is de Regionale woningmarktstrategie Land van Cuijk vastgesteld. De regionale woningmarktstrategie is een gemeenschappelijk product van de samenwerkende gemeenten in het Land van Cuijk en de in de regio werkzame woningcorporaties Mooiland en Wonen Vierlingsbeek. Daarnaast is zorginstelling Pantein betrokken bij het project.

De regionale woningmarktstrategie kent twee belangrijke opgaven:

  • a. activiteiten op de woningmarkt stimuleren en (zodoende) de woningmarkt vlottrekken;
  • b. faciliteren van de duurzame vraag; zorgdragen voor voldoende woningen in aantallen

en in kwaliteit.

Planspecifiek

De geplande woningbouw in Haps past binnen die opgaven.

4.4 Gemeentelijk beleid

4.4.1 Strategische visie Cuijk 2030

De raad van de gemeente Cuijk heeft op 16 juni 2012 de Strategische Visie Cuijk 2030 vastgesteld. De Strategische Visie is opgesteld vanuit het besef dat er om ons heen ontwikkelingen plaatsvinden die niet alleen grote consequenties voor de gemeente kunnen hebben, maar ook om een andere houding en rol vragen bij de inrichting en het gebruik van de ruimte. Denk daarbij bijvoorbeeld aan de vergrijzing en ontgroening, competitiever worden van nationale en internationale economieën, de druk op (maatschappelijke) voorzieningen en de toenemende mobiliteit (zowel fysiek als virtueel) van burgers.

De strategische visie 2030 geeft aan hoe de gemeente Cuijk met de hierboven genoemde tendensen om kan gaan en op deze wijze sturing geeft aan haar toekomst. Per thema worden er ontwikkelingsdoelen beschreven. De navolgende thema’s komen aan de orde: regionale samenwerking, economie, onderwijs, wonen & leefbaarheid , zorg & welzijn & maatschappelijk deelname, diversiteit & integratie, cultuur & sport.

Wonen en Leefbaarheid

In de landelijke kernen is vanaf 2010 via dorpsontwikkelingsplannen stevig geïnvesteerd in woonkwaliteit, veiligheid, inrichting van de openbare ruimte en sociale cohesie. Het rendement van de investering is nu zichtbaar in de vele mooie en levendige dorpskernen. Als voorbeeld geldt dat na realisatie van de Randweg er in Haps een samenhangend dorpshart is ontstaan.

De gemeente blijft de volgende activiteiten op het thema wonen en leefbaarheid ontplooien:

  • wijkgerichte aanpak voor in stand houden leefbaarheid;
  • continuering uitvoering dorpsontwikkelingsplannen;
  • projecten verbetering woonkwaliteit/vermindering hinder.

4.4.2 Structuurvisie Cuijk: De koers van Cuijk

De Structuurvisie geeft de hoofdlijnen aan van de ruimtelijke ontwikkeling en inrichting van de gemeente Cuijk tot 2030. Deze structuurvisie vormt de ruimtelijke doorvertaling van de analyses en ambities uit de Strategische Visie Cuijk 2030. De Structuurvisie geeft ambitie, richting en koers aan de mogelijke ruimtelijke inrichting van de gemeente voor de nabije toekomst. Deze ambities, richtingen en koers zijn gebaseerd op demografische, sociale en economische
trends en ontwikkelingen. De Structuurvisie benoemt tevens de wijze waarop de gemeente invulling denkt te geven aan de verwezenlijking van de ambitie en beleidskoers. In die context wordt aan de Structuurvisie een uitvoeringsprogramma gekoppeld van projecten die gedurende de looptijd gerealiseerd kunnen worden.

Concreet heeft de Structuurvisie de navolgende doelen:

  • 1. Voldoen aan de Wet ruimtelijke ordening;
  • 2. Toetsingskader ten behoeve van ruimtelijke ontwikkelingen welke niet passen binnen de
    geldende bestemmingsplannen;
  • 3. Uitwerken van de thema’s van de Strategische Visie Cuijk 2030;
  • 4. Een wettelijke verplichting is dat de Structuurvisie wordt voorzien van een uitvoeringsparagraaf

De uitvoeringsparagraaf wordt gebruikt als wettelijke basis voor het kostenverhaal. Op grond van de Structuurvisie kunnen financiële bijdragen worden gevraagd ten behoeve van kwaliteitsverbeterende ruimtelijke maatregelen (voorzieningen zoals wegen, fietspaden, waterberging en de aanleg van groen). Daarbij kan het zowel gaan om bovenwijkse voorzieningen als bijdragen aan ruimtelijke ontwikkelingen.

De structuurvisie bevat zowel gebiedsgerichte als themagerichte beleidsuitspraken.

Gebiedsgerichte ambities en beleid

Cuijk wordt in de Structuurvisie in tweeën gedeeld. Er is het gebied ‘Dynamisch Cuijk’ en ‘Vitaal landelijk Cuijk’. Dynamisch Cuijk ziet vooral op de stedelijke gebieden, bedrijventerreinen en recreatiegebieden. 'Vitaal landelijk Cuijk' is de contramal van ‘Dynamisch Cuijk’. Hierin ligt vooral het agrarisch gebied, de natuurgebieden en de kernen Haps, Vianen en Sint Agatha.

afbeelding "i_NL.IMRO.1684.02BPAalsvoorten-VA01_0018.jpg"
gebiedsindeling Structuurvisie Cuijk  


De contouren van dit gebied tonen veel overeenkomsten met die van het bestemmingsplan Buitengebied 2010. Ook de ambitie voor ‘Vitaal landelijk Cuijk” verschilt niet wezenlijk van de doelstelling van het bestemmingsplan Buitengebied 2010: ‘behoud waar mogelijk versterking van de ruimtelijke kwaliteit, met name voor aan het buitengebied gebonden functies, mede in relatie tot de dynamiek ervan’.

Voor de toekomst blijft het doel om bestaande kwaliteiten van het landelijk gebied te behouden én om deze verder te ontwikkelen. Daarvoor is het ook nodig om de veranderingen die zich thans in het landelijk gebied voordoen, zodanig te sturen dat bedreigingen worden omgezet in kansen. Dat kan door ruimere mogelijkheden te bieden aan ontwikkelingen en die dáár te situeren waar ze qua aard, schaal en karakter het beste passen. Maar in voorkomende gevallen kan het juist ook heel functioneel zijn om ongewenste bebouwing te slopen. Belangrijk is in ieder geval dat niet alleen een bijdrage wordt geleverd aan een gezonde sociaal-economische
structuur, maar ook aan de leefbaarheid en de ruimtelijke kwaliteit van Vitaal landelijk Cuijk.


Themagerichte ambities en beleid: Wonen en Leefbaarheid

De gemeente Cuijk wil blijven werken aan een aantrekkelijke, veilige en duurzame woon- en leefomgeving. Hier is het prettig wonen in gevarieerde woonmilieus; van stedelijk in de kern Cuijk tot zeer landelijk in de kleinere dorpskernen. De kwaliteit van het wonen kan aantrekkelijker worden gemaakt door ontwikkelingen te stimuleren en daarbij de leidende principes te hanteren. In de kern Cuijk moeten daartoe de woon- en centrumfuncties versterkt
worden, onder meer door meer diversiteit in aanbod. In de andere dorpskernen ligt het accent op ruimte creëren en ‘vergroenen’. Verder is toevoeging van toekomstbestendige woningen nodig: betaalbaar, duurzaam, levensloopgeschikt en kwalitatief hoogwaardig. De versterking van bestaande woongebieden staat hierbij voorop.

afbeelding "i_NL.IMRO.1684.02BPAalsvoorten-VA01_0019.jpg" afbeelding "i_NL.IMRO.1684.02BPAalsvoorten-VA01_0020.jpg"

uitsnede structuurkaart

Ruimtelijk-functioneel wensbeeld kernen

In zijn algemeenheid wordt voor alle overige kernen ingestoken op het creëren van ruimte, inbreiden,‘vergroenen’ en het realiseren van toekomstbestendige woningen. De integrale dorpontwikkelingsplannen vormen daarbij een dankbaar instrument. Hierin hebben bewoners aangegeven welke woonontwikkelingen eventueel een bijdrage zouden kunnen leveren aan de instandhouding van de leefbaarheid. De uit deze plannen voortvloeiende wens om vooral voor jongeren en ouderen te bouwen, daarbij nieuwe woonconcepten toe te passen en doorstroming te bevorderen, sluiten aan op de koers die de gemeente op dit gebied wil varen.

4.4.3 Meerjarenwoningbouwprogramma gemeente Cuijk 2012-2027

Het momenteel geldende, actuele meerjarenwoningbouwprogramma van de gemeente Cuijk voor de periode 2012-2027, is door de gemeenteraad vastgesteld op 19 december 2011. De voor genoemde periode geplande woningbouw is vastgesteld als het basiswoningbouwprogramma. In dit programma is op hoofdlijnen weergegeven hoeveel woningen, wanneer en in welk gebied gebouwd zouden mogen/moeten worden. In de bijlagen van het woningbouwprogramma is de woningbehoefteprognose per kern van de gemeente opgenomen. Voor Haps zijn in het woningbouwprogramma 99 woningen opgenomen voor de programmaperiode. 38 Woningen zijn al aan concrete projecten toebedeeld. Resteren 61 te realiseren woningen die nog “onbenoemd” zijn c.q. waar een planmatige invulling voor kan komen.

Planspecifiek

Burgemeester en wethouders van de gemeente Cuijk hebben principe-medewerking aan het woningbouwproject van 13 woningen in het plan 'Aalsvoorten' toegezegd. Die 13 woningen vallen onder de “restcategorie”, en daarmee valt het plan ' Aalsvoorten' binnen het woningbouwprogramma. Ook kwalitatief gezien valt de geplande woningbouw binnen de doelen volgens het meerjarenwoningbouwprogramma. Vooral waar het gaat om goedkope(re) woningbouw voor kleine(re) huishoudens, waaronder voor starters op de woningmarkt.

Afweging woningbouwlocatie

Het onderhavige gebied ligt binnen het stedelijk gebied van Haps. Het blijft (ook) buiten het landschappelijk raamwerk. Dit raamwerk wordt derhalve niet aangetast. Deze locatie is te beschouwen als een inbreidingslocatie. Hierdoor kan op deze intieme locatie een “dorps” karakter ontstaan dat als passend wordt gezien voor de kern Haps. Vanuit planologisch en landschappelijk oogpunt is er geen verzet tegen, respectievelijk is er de mogelijkheid tot inbreiding van de woonbebouwing van Haps tot een groene brink.

4.4.4 (Oplegnotitie) Welstandsnota Cuijk 2013

De Welstandsnota is vastgesteld in september 2013 en voorziet in een differentiëring van welstandstoetsen in verschillende gebieden, namelijk:

  • Beheergebieden: grootste deel van het grondgebied gemeente Cuijk, met name bestaande woonwijken en delen van het buitengebied. In dit deelgebied wordt een basiskwaliteit nagestreefd;
  • Aandachtsgebieden : het betreft specifieke (cultuurhistorisch) waardevolle gebieden, actief welstandsbeleid;
  • Ontwikkelingsgebieden: gebieden die (her)ontwikkeld worden, en waarvoor nieuw of aangepast bestemmingsplan noodzakelijk is.


Het college is voornemens de welstandstoetsing in de beheergebieden te schrappen en de inwoners van de gemeente meer vrijheid te bieden bij het realiseren van hun bouwplannen. Dit voornemen is uitgewerkt in het “concept oplegnotitie op Welstandsnota Cuijk 2013”.

Na vaststelling en inwerkingtreding van deze nota zal in de beheergebieden binnen de gemeente Cuijk geen preventief welstandstoezicht meer worden uitgevoerd. In de beheergebieden blijft wel de zgn. excessenregeling van toepassing. Dat is een regeling die bedoeld is om bij evidente buitensporigheden in het uiterlijk van bouwwerken, die in zeer hoge mate afbreuk doen aan de ruimtelijke kwaliteit van een omgeving, repressief (achteraf) nog handhavend te kunnen optreden.

De Welstandsnota kent de volgende criteria die bij de welstandstoetsing in acht genomen moeten worden:

  • 1. Redelijkheid

Welstandseisen wegen zwaarder naarmate de invloed van de bouwactiviteit op de omgeving groter is. De welstandscommissie houdt bij de welstandstoets rekening met die invloed.

2. Afstemming op het gebiedskarakter

Wanneer een gebouw of bouwwerk wordt gerealiseerd in een gebied met een specifiek karakter wordt verwacht dat de nieuwe toevoeging past in dit gebied. Het gebiedskarakter is beschreven in de gebiedsuitwerking en de bebouwingstypen of in een beeldkwaliteitplan.

3. Afstemming op de belendingen

Wanneer een gebouw of bouwwerk wordt gerealiseerd in een omgeving met een sterke samenhang in verschijningsvorm wordt verwacht dat de nieuwe toevoeging de samenhang geen geweld aan doet.

4. Afstemming op het eigen karakter

Bij verbouwingen, uitbreidingen en wijzigingen aan bestaande objecten wordt rekening gehouden met het karakter van het bestaande object.

5. Relatie tussen vorm, gebruik en constructie

Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat de
verschijningsvorm een begrijpelijke relatie heeft met het gebruik van het bouwwerk en de wijze waarop het gemaakt is.

6. Betekenissen van vormen in de sociaal-culturele context (Stijl, type, tijdsbeeld)

Stijlelementen en typologische eigenschappen worden op een zinvolle, begrijpelijke en samenhangende wijze gebruikt.

7. Evenwicht tussen helderheid en complexiteit

Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat er structuur is aangebracht in het beeld, zonder dat de aantrekkingskracht door simpelheid verloren gaat.

8. Schaal en maatverhoudingen

Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat het een samenhangend stelsel van maatverhoudingen heeft dat beheerst wordt toegepast in ruimtes, volumes en vlakverdelingen.

9. Materiaal, textuur, kleur

Materiaal- en kleurkeuze dienen logisch te zijn binnen het gekozen architectonische concept, de gekozen stijl of het tijdsbeeld van het bouwwerk en zijn omgeving.

10. Detaillering

Detaillering van randen en overgangen dient logisch te zijn binnen het gekozen architectonische concept, de gekozen stijl of het tijdsbeeld van het bouwwerk en zijn omgeving.


Planspecifiek

Het plangebied is te kwalificeren als een 'ontwikkelingsgebied'. De te realiseren 13 woningen zullen derhalve getoetst worden c.q. moeten volddoen aan bovengenoemde redelijke eisen van welstand en aan de eisen uit het Beeldkwaliteitsplan 'Aalsvoorten'. Verwezen wordt hier naar de motivering in paragraaf 3.2.2 van deze plantoelichting.

4.4.5 Integraal Dorpsontwikkelingsplan (IDOP) Haps

De Dorpsraad Haps werkt actief samen met de gemeente Cuijk aan de leefbaarheid van het dorp. In oktober 2011 is een - door de Dorpsraad opgesteld - integraal Dorpsontwikkelingsplan (IDOP) voor Haps vastgesteld. In dit dorpsontwikkelingsplan wordt een integraal toekomstbeeld van het dorp geschetst, waar lopende projecten en nieuwe projecten inpassen. Het bevat een praktische agenda waarin voor de middellange termijn is aangegeven hoe de visie volgens de bewoners kan worden uitgevoerd.

In het IDOP Haps worden een aantal wensbeelden geschetst. Een van die wensbeelden is:

'Een dorp om te blijven wonen, jong zijn en oud kunnen worden'

In hoofdlijn wensen de bewoners een evenwichtige bevolkingsopbouw voor de lange termijn. Wel worden er enkele duidelijke accenten gelegd. Het is namelijk de wens van de inwoners dat Haps volop ruimte biedt aan de jeugd van Haps om hier te kunnen blijven wonen. De jeugd geeft toekomst aan het dorp. Zij hebben een sleutelfunctie als het gaat om het behoud van voorzieningen voor het dorp zoals de basisschool, het verenigingsleven en de toekomstige (moderne) mantelzorg.

Ten aanzien van ouderen is de wens dat Haps zijn ouderen blijvend kan huisvesten. Het wonen kan verlengd worden door levensloop bestendig te bouwen. Ook bestaat de wens ouderen met een sterke zorgbehoefte blijvend te kunnen huisvesten binnen de gemeenschap.

Tevens is de wens van de meerderheid dat in Haps wat extra gebouwd zal worden. Velen vinden dat door een continue bouw verjonging plaats kan vinden en het voorzieningenniveau ondersteund wordt.

Verder wordt in het IDOP een visie geformuleerd voor diverse thema's. Het IDOP kent een visie op wonen in Haps. Een belangrijke opgave voor Haps is voldoende te bouwen in de toekomst. Het gaat hierbij niet zozeer om grote aantallen maar juist om een geleidelijke bouw en de bouw van woningen voor de juiste doelgroepen. Haps wil haar inwonertal vasthouden omdat dit inwonertal van groot belang is voor het instandhouden van uiteenlopende voorzieningen.

Ten eerste moeten er überhaupt woningen gebouwd worden, of de mogelijkheid geboden worden tot het zelfbouwen van een woning, die qua omvang aansluit bij de wensen van jongeren. Ten tweede moet ervoor gezorgd worden dat woningen betaalbaar zijn en betaalbaar blijven.

In ruimtelijk opzicht zijn er in Haps enkele gebieden kansrijk om woningen toe te voegen.
Deze staan ook op de visiekaart. Het gaat dan om:

  • Afronding van de Schans;
  • Afronding locatie Aalstvoorten;
  • Herontwikkeling Vivelli;
  • Herontwikkeling locatie Beerseweg (oude gemeentewerf);
  • Ruimte voor Ruimte.

afbeelding "i_NL.IMRO.1684.02BPAalsvoorten-VA01_0021.jpg"

afbeelding "i_NL.IMRO.1684.02BPAalsvoorten-VA01_0022.jpg"

visiekaart IDOP Haps

Planspecifiek

Het plan wordt gerealiseerd ter plaatse van het in het IDOP als woningbouwlocatie opgenomen gebied 'De Aalsvoorten'. Woningbouw op deze locatie rond de bestaande woonwijk 'De Aalsvoorten' af.

Verder is het beoogde woningbouwprogramma van het plan zowel qua mogelijke woningtypen (vrijstaand, halfvrijstaand en aaneengesloten) als qua prijsklassen bewust divers van opzet zodat de te realiseren woningen verschillende doelgroepen kunnen aanspreken. De aaneengesloten woningen zijn qua prijs, kavelgrootte en bouwkundige mogelijkheden met name interessant voor (alleenstaande) starters, maar ook voor (alleenstaande) senioren, terwijl de ruimere en duurdere (half)vrijstaande woningen ideaal zijn voor (met name) gezinnen die een volgende stap in hun wooncarrière willen zetten. Hiermee levert dit plan een bijdrage aan de vergroting van het aanbod aan betaalbare woningen in Haps voor verschillende doelgroepen, zodat mensen in het dorp zelf een wooncarrière kunnen maken.

4.4.6 Speelruimtebeleid en speelplekkenplan

Het openbaar groen in kernen wordt geregeld ingericht als (in)formele speelruimte. In het Speelruimtebeleid en Speelplekkenplan wordt meer sturing en diepte gegeven aan de inrichting en spreiding van speelplekken. De betrokken werkgroep stelt in het eindrapport voor om de tot nu toe gebruikte (summiere) richtlijnen voor plaatsing van speeltoestellen, te vervangen door een breder ‘Integraal speelruimtebeleid’ met de volgende doelen:

  • 1. ontmoetingsplaatsen creëren in de wijken, waar ouders en kinderen elkaar kunnen ontmoeten;
  • 2. ontwikkelingsmogelijkheden creëren voor kinderen;
  • 3. een leefomgeving bieden waarin kinderen fysiek en sociaal gezond kunnen opgroeien.

Planspecifiek

In Haps is voldoende informele speelruimte beschikbaar. De kinderen hebben tien speelplekken tot hun beschikking en de jeugd zeven. Het aantal speelplekken ligt ruim boven de norm, maar de spreiding is niet optimaal. Met het aanmerken van centrale duurzame speelplekken is de spreiding en de kwantiteit van de speelplekken in Haps op peil. Ten noorden van het plangebied ligt een speelterrein aan de Rozenhof. Deze zal ter plaatse gehandhaafd blijven en naar verwachting ook gebruikt worden door de kinderen vanuit het nieuw te realiseren woongebied. Hierdoor is geen extra speelruimte nodig in het plan 'Aalsvoorten'.

4.4.7 Landschapsontwikkelingsplan Cuijk 2011-2021

Om de kwaliteit van de omgeving te behouden of te versterken is het Landschapsontwikkelingsplan Cuijk 2011-2021 (hierna: LOP) opgesteld. Het LOP is een goed afwegingskader voor ontwikkelingen in het landschap en maakt kwaliteit 'toetsbaar'. Het is niet dwingend, maar geeft wel duidelijk een richting voor het versterken of verbeteren van de kwaliteit van de omgeving.

In het LOP worden vier landschappen benoemd die kenmerkend zijn voor de gemeente Cuijk. Om de kern Haps liggen vooral het broeklandschap (Broekgebied Haps) en oude rivierenlandschap. Aandachtspunten zijn:

  • Behoud grote open ruimten met groen raamwerk (akkers, weilanden en wegen met lanen).
  • Versterken ecologische verbinding Duits Lijntje.
  • Rondweg Haps: landschappelijke inpassing (evt. combi met EVZ bypass) en volgen landschapsstructuur.

Planspecifiek

In het kader van dit plan speelt vooral de ecologische versterking van het ten noorden van het plangebied gelegen tracé van het Duits Lijntje een rol.

Hoofdstuk 5 Onderzoeksaspecten

5.1 Geluidhinder

De Wet geluidhinder (Wgh) is van toepassing op woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen (onder meer onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen en andere gezondheidszorggebouwen) en geluidsgevoelige terreinen (onder meer woonwagenstandplaatsen) (artikel 1nWgh). Het beschermen van dit soort geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld, zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai.

Econsultancy BV te Boxmeer heeft een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai voor de bestemmingsplanwijziging van het perceel aan de De Aalsvoorten te Haps uitgevoerd1 . Bij de projectie van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen binnen de zone van een weg is een
akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai noodzakelijk. De geluidgevoelige bestemmingen zijn gelegen in de geluidszone van de Sint Hubertseweg, de Kerkstraat en de Kampsestraat. In het kader van een goede ruimtelijke ordening worden tevens de nabijgelegen 30 km/uur wegen (Rozenhof, De Aalsvoorten) in het onderzoek betrokken. In het onderzoek wordt de geluidbelasting op de geluidgevoelige bestemmingen inzichtelijk gemaakt en getoetst aan het toetsingskader.

De geluidbelasting ten gevolge van de onderzochte wegen is niet hoger dan de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB. Uitgaande van een standaard geluidwering van 20 dB kan de binnenwaarde van maximaal 33 dB worden gerealiseerd. Een goed woon- en leefklimaat voor de woningen is hierdoor gegarandeerd. Derhalve kan geconcludeerd worden dat er geen belemmeringen zijn geconstateerd voor de realisatie van het plan.

Voor het volledig onderzoek wordt verwezen naar de rapportage die als bijlage 4 integraal deel uitmaakt van deze plantoelichting.

5.2 Bodem- en grondwaterkwaliteit

In het kader van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden vastgesteld of de voorgenomen vorm van bodemgebruik - zowel vanuit milieuhygiënisch oogpunt als vanuit de eis van een goede ruimtelijke ordening - ter plaatse mogelijk is en welke vervolgacties eventueel noodzakelijk zijn om dit mogelijk te maken. Hiertoe dient inzicht te worden verschaft in de milieuhygiënisch bodemkwaliteit van het plangebied.

Econsultancy BV uit Boxmeer heeft voor het plangebied een verkennend bodemonderzoek (NVN 5740) uitgevoerd2 . Het bodemonderzoek is uitgevoerd in het kader van de nieuwbouw op de onderzoekslocatie, alsmede de bestemmingsplanwijziging. Het verkennend bodemonderzoek (NEN 5740) heeft tot doel met een relatief geringe onderzoeksinspanning
vast te stellen of op de onderzoekslocatie een grond- en/of grondwaterverontreiniging aanwezig is, teneinde te bepalen of er milieuhygiënische belemmeringen zijn voor de nieuwbouw op de
onderzoekslocatie, alsmede de bestemmingsplanwijziging.

Op basis van het vooronderzoek is geconcludeerd dat de onderzoekslocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie "onverdacht" (ONV). Bij onverdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem niet verontreinigd is.

De bovengrond bestaat voornamelijk uit zwak humeus, matig siltig, zeer tot matig grof zand. De bovengrond is plaatselijk zwak grindig. De ondergrond bestaat uit zwak humeus, matig siltig, zwak grindig, zeer tot matig grof zand. De ondergrond is plaatselijk zwak roesthoudend. Op de locatie is zeer plaatselijk zwak baksteenhoudend, zwak betonhoudend en sterk asfalthoudende bijmengingen aangetroffen. Verder zijn er zintuiglijk geen verontreinigingen waargenomen.

Er zijn op basis van het vooronderzoek, tijdens de terreininspectie en bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden geen aanwijzingen gevonden, die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de locatie te verwachten.

De bovengrond is licht verontreinigd met cadmium, koper, kwik, lood, zink, PAK, lood, minerale olie, PCB en drins (som). De lichte metaalverontreinigingen houden mogelijk verband met de bijmengingen die in de bovengrond aangetroffen zijn. In de ondergrond zijn geen verontreinigingen geconstateerd. Het grondwater is licht verontreinigd met barium. Deze metaalverontreinigingen zijn hoogstwaarschijnlijk te relateren aan regionaal verhoogde achtergrondconcentraties van metalen in het grondwater.

Gelet op de aard en mate van verontreiniging, bestaat er géén reden voor een nader onderzoek en bestaan er met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem géén belemmeringen voor de nieuwbouw op de onderzoekslocatie.

Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. De regels van het Besluit bodemkwaliteit zijn hierop mogelijk van toepassing.

Voor het volledig onderzoek wordt verwezen naar de rapportage die als bijlage 5 integraal deel uitmaakt van deze plantoelichting.

5.3 Luchtkwaliteit

Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) heeft tot doel het beschermen van mensen tegen de negatieve gevolgen van luchtverontreiniging op de gezondheid. Hierbij is het van belang een onderscheid te maken tussen het:

  • realiseren van een bron (bijvoorbeeld inrichting of weg);
  • realiseren van een nieuwe gevoelige functie.

Bij het realiseren van een nieuwe bron moet in beeld gebracht worden of deze ontwikkeling leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit, tenzij de ontwikkeling NIBM (Niet In Betekende Mate) is of onder het NSL valt.


Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)

Dit is een Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 31 oktober 2007, nr. DJZ2007004707, houdende regels omtrent de aanwijzing van categorieën van gevallen die in ieder geval niet in betekenende mate bijdragen als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, onder c, van de Wet milieubeheer (Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)).

Voor woningbouw geldt dat woningbouwprojecten van netto niet meer dan 1500 woningen (in geval van één ontsluitingsweg) niet in betekende mate bedragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit (art. 4 lid 1 Besluit NIBM jo. art. 4 lid 2, bijlage 3B.2 Regeling NIBM). Het onderhavige plan is met 13 woningen zo kleinschalig dat dit zonder meer valt onder de Regeling NIBM. Dit plan draagt derhalve niet in betekende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit.

5.4 Externe veiligheid

5.4.1 Inleiding

Het wettelijk kader voor risicovolle bedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), voor het transport van gevaarlijke stoffen is het vastgelegd in de gewijzigde Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en voor buisleidingen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

Het Nederlandse externe veiligheidsbeleid is gebaseerd op twee elementen: een harde norm in de vorm van het plaatsgebonden risico (PR) en een oriënterende waarde in de vorm van het groepsrisico (GR). De norm voor het plaatsgebonden risico bedraagt één op de miljoen (10-6) per jaar, ofwel 1 op de miljoen blootgestelde personen. Het hanteren van een norm voor het plaatsgebonden risico biedt een basisveiligheidsniveau voor de individuele burger in de omgeving van een risicovolle activiteit. Voor nieuwe situaties geldt deze norm als grenswaarde. Dat wil zeggen dat nieuwe kwetsbare bestemmingen buiten de 10-6 contour moeten zijn gelegen. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de plaatsgebonden risico-contour ook, maar daar geldt de contour als richtwaarde.

Het groepsrisico gaat over de impact van een calamiteit met veel dodelijke slachtoffers tegelijk. Rondom een risicobron wordt een invloedsgebied (1 % letaliteitgrens) gedefinieerd, waarbinnen grenzen worden gesteld aan het maximaal aanvaardbare aantal personen, de oriënterende waarde. Dit is een richtwaarde waarvan het bevoegd gezag, voldoende gemotiveerd, kan afwijken.

5.4.2 Risicovolle bedrijven of activiteiten

Op de Risicokaart van de provincie Noord-Brabant staan de meest belangrijke
risicoveroorzakende bedrijven en objecten aangegeven. Het gaat hierbij -onder meer - om risico's van opslag van patronen, stofexplosies, opslag van gasflessen, ammoniakinstallaties, LPG-tankstations enz.

Uit deze Risicokaart blijkt dat er zich binnen het plangebied zelf en binnen een straal van meer dan 1 km om het plangebied geen risicovolle inrichtingen bevinden.

5.4.3 Transport gevaarlijke stoffen

Eén van de aandachtspunten bij het ontwikkelen van een plan waar mensen verblijven, zoals de voorgenomen ontwikkeling, zijn de externe veiligheidsrisico's vanwege het transport van gevaarlijke stoffen over de weg. Bepaald dient te worden of het vervoer van gevaarlijke stoffen consequenties kan hebben voor de gewenste ontwikkeling.

De regelgeving rond de risico's van het transport van gevaarlijke stoffen volgt per 1 april 2015 uit de gewijzigde Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs). In de Wvgs en het besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) worden normwaarden gegeven voor twee verschillende typen risico's, het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. In de bijlagen van de Regeling Basisnet is opgenomen voor welke transportroutes de externe veiligheidsrisico's bepaald moeten worden. In de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART, versie 1.2, d.d. 11 januari 2017) is vastgelegd hoe de risico's van transport van gevaarlijke stoffen berekend en geanalyseerd moeten worden.

Overeenkomstig het Bevt (artikel 8, lid 1) en de HART hoeven geen beperkingen aan het ruimtegebruik van een plan te worden gesteld in het gebied dat op meer dan 200 meter van een route of tracé ligt. Indien de risicobron op meer dan 200 meter afstand van het plangebied is gelegen, hoeft geen berekening plaats te vinden van de ligging van de plaatsgebonden risicocontouren of de (toename van) de hoogte van het groepsrisico.

Een (beperkte) verantwoordingsplicht voor de hoogte van het groepsrisico is aan de orde indien een plangebied zich bevindt binnen het invloedsgebied van een risicobron. Het invloedsgebied wordt bepaald door de 1% letaliteitsafstand van de stofcategorieën die getransporteerd worden. In de HART zijn per stofcategorie en per modaliteit vaste afstanden opgenomen voor de begrenzing van het invloedsgebied.

Door Windmill Milieu en Management te Cadier en Keer is het aspect externe veiligheid wegen beschouwd ten behoeve van het plan Aalvoorten te Haps. Het plangebied is gelegen binnen een afstand van 200 meter van de N264. Het plangebied ligt niet binnen de PR10-6-risicocontour van de N264. Op basis van de vuistregels uit de HART is aangetoond dat zowel in de huidige als in de toekomstige situatie de hoogte van het groepsrisico minder is dan 10% van de oriëntatiewaarde. Voor de risico's als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen over de N264 dient een beperkte verantwoording van het groepsrisico te worden uitgevoerd. Echter in 2017 wordt de zuidoostelijke randweg Haps gerealiseerd, waardoor de transporten met gevaarlijke stoffen door de kom van Haps komen te vervallen. Nu de risico's als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door de kom Haps komen te vervallen, wordt het niet noodzakelijk geacht voor onderhavig plan een beperkte verantwoording uit te voeren.

Geconcludeerd kan worden dat op basis van de uitgevoerde risicobeoordeling gericht op het transport van gevaarlijke stoffen over de N264, vanuit externe veiligheidsoverwegingen geen belemmeringen bestaan voor het realiseren van 13 woningen binnen het plangebied.

Voor het volledig onderzoek wordt verwezen naar de rapportage die als bijlage 6 integraal deel uitmaakt van deze plantoelichting.

5.4.4 Ondergrondse buisleidingen

Een buisleiding die wordt gebruikt voor transport van gevaarlijke stoffen, vormt een risico voor de veiligheid. Als de leiding gaat lekken, kunnen de gevaarlijke stoffen vrijkomen en ontstaat er een kans op een explosie, vergiftiging van mensen of dieren of verontreiniging van het milieu. In het Besluit externe veiligheid buisleidingen zoals dit per 1 januari 2011 geldt, staan veiligheidseisen voor de exploitant en de gemeente. Exploitanten hebben een zorgplicht en moeten ervoor zorgen dat hun buisleidingen veilig zijn. Gemeenten moeten buisleidingen in hun bestemmingsplannen opnemen en bij nieuwbouw zorgen voor genoeg afstand tot de buisleidingen.

Op basis van de Risicokaart van de provincie Noord-Brabant blijkt dat er binnen het plangebied en in de omgeving van het plangebied geen ondergrondse olie- of gasbuisleidingen zijn gelegen die van invloed zijn op het plan.

Wel is ten noorden van het plangebied een rioolpersleiding gelegen. Dit is geen leiding waardoor gevaarlijke stoffen vervoerd worden. Conform het beleid van het Waterschap Aa en Maas (leidingbeheerder) en de gemeente Cuijk wordt deze leiding - inclusief een bijbehorende beschermingszone aan weerszijde van de leiding van 3,50 meter vanuit het hart van de leiding - wel opgenomen in de planregels en op de verbeelding. De woon- en andere bebouwing zal niet binnen deze beschermingszone kunnen (en worden) opgericht.

5.4.5 Hoogspanningslijnen

Zonering rond het bovengrondse hoogspanningsnet in Nederland is vastgelegd in de Netkaart van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). De Netkaart bevat o.a. gegevens over de netbeheerder en de breedte van de indicatieve zones. Op basis van de informatie van o.a. de Netkaart blijkt dat er geen hoogspanningslijnen in de directe nabijheid van het plangebied liggen die van invloed zijn op het project.

5.5 Geur

5.5.1 Juridisch kader

Voor de geurbeoordeling van agrarische bedrijven in het kader van de Wet geurhinder en veehouderij geldt een specifiek toetsingsregime. Dit toetsingsregime dient andersom ook te worden toegepast bij de RO-beoordeling van mogelijke nieuwe projectlocaties volgens het principe van de omgekeerde werking.

Wet geurhinder en veehouderij

Vanaf 1 januari 2007 vormt de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: Wgv) het toetsingskader als het gaat om geurhinder afkomstig van dierenverblijven van veehouderijen. De geuremissie is afhankelijk van het aantal en soort dieren dat binnen de inrichting aanwezig is. In de aan de Wgv gekoppelde Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) is per diercategorie een geuremissiefactor vastgesteld, uitgedrukt in Europese odour units per tijdseenheid per dier (ouE/s/dier). De totale geuremissie van een veehouderij is de som van alle geuremissies van de verschillende diercategorieën die binnen de inrichting aanwezig zijn. Voor diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, gelden minimaal aan te houden afstanden. Daarnaast zijn minimale afstanden opgenomen vanaf een veehouderij tot een geurgevoelig object behorende bij een (voormalige) veehouderij en vanaf de buitenzijde van een dierenverblijf tot de buitenzijde van een geurgevoelig object.

De gemeente Cuijk is gelegen in een concentratiegebied, zoals geregeld in de Meststoffenwet. Dit betekent dat de geurnormen voor de geurgevoelige objecten in het buitengebied, waar de te realiseren woningen is gelegen, ingevolge artikel 3, lid 1b van de Wgv 14,0 odour units per kubieke meter lucht (ouE/m3) bedragen.

Geurverordening 2013 gemeente Cuijk

In de Wgv is in artikel 6.1 opgenomen dat gemeenten in een concentratiegebied bij gemeentelijke verordening binnen een bandbreedte van 0,1 tot 14,0 ouE/m3 lucht binnen de bebouwde kom en 3,0 tot 35,0 ouE/m3 lucht buiten de bebouwde kom kunnen afwijken van de wettelijke standaardnorm. Ter voorbereiding van een dergelijke verordening kunnen gemeenten een aanhoudingsbesluit nemen om vergunningaanvragen aan te houden tot de verordening in werking treedt. Dit tot maximaal een jaar na het in werking treden van het aanhoudingsbesluit.

De gemeente Cuijk heeft in de gemeentelijke geurverordening (vastgesteld 16 december 2013) het plangebied aangewezen als 'woonkern' waarvoor een andere dan wettelijke maximale waarde voor de voorgrondgeurbelasting van een veehouderij geldt. Derhalve dient voor de voorgrondbelasting te worden aangesloten bij de vastgestelde maximale waarde van 0,5 ouE/m3 voor geurgevoelige objecten in dit gebied.

Verordening Ruimte 2014 provincie Noord-Brabant

Blijkens artikel 34, eerste lid, onder a IV van de Verordening Ruimte 2014 van de provincie Noord-Brabant geldt de voorwaardelijke bepaling dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) vanuit veehouderijen op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger dient te zijn dan 12% geurgehinderden en in het buitengebied niet dan 20% geurgehinderden. Volgens tabel A uit de “Handreiking bij Wet geurhinder en veehouderij Aanvulling: Bijlagen 6 en 7” komt in een concentratiegebied een percentage van 12% overeen met een achtergrondbelasting van 10 ouE/m3 en een percentage van 20% met een achtergrondbelasting van 20 ouE/m3.

Geurgebiedsvisie 2013 gemeente Cuijk

De gemeente Cuijk heeft in de gemeentelijke Gebiedsvisie 2013 vastgelegd wat voor wat betreft de achtergrondbelasting op basis van geurhinderpercentages een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is. Dit is in navolgende tabel opgenomen:

afbeelding "i_NL.IMRO.1684.02BPAalsvoorten-VA01_0023.jpg"

Om qua achtergrondgeurbelasting te voldoen aan de norm uit de Verordening Ruimte 2014 voor de bebouwde kom dient de achtergrondgeurbelasting 'optimaal +', 'optimaal' of 'aanvaardbaar' te zijn.

5.5.2 Geurbelasting binnen plangebied

In het kader van een bestemmingsplanwijziging voor het realiseren van de 13 woningen is een cumulatief geuronderzoek uitgevoerd. G&O Consult BV in Sint Anthonis is verzocht inzichtelijk te maken waar de geurcontouren van de meest bepalende omliggende veehouderijen liggen. Aan de hand van deze geurcontouren en de berekende geurbelasting op de te realiseren woningen binnen het plan 'Aalsvoorten' te Haps is de volgende belangenafweging gemaakt: Is ter plaatse van het onderhavige plangebied een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd ? (belang geurgevoelige objecten).

Met het verspreidingsmodel V-Stacks gebied is berekend wat de achtergrondbelasting op een vijftal toetspunten aan de rand van de te realiseren woningen binnen het plan 'Aalsvoorten' is op basis van het vergunde veebestand op 25 november 2016. Hiertoe zijn 47 veebedrijven binnen een straal van 2 kilometer om de te realiseren woningen ingevoerd.

Uit het geuronderzoek van G&O Consult BV kan de volgende conclusie worden getrokken: De geursituatie binnen het plangebied kan als 'optimaal+ ' worden aangemerkt (d.w.z achtergrondgeurbelasting van minder dan 3 ouE/m3) . Het aspect cumulatieve geurhinder behoeft de bestemmingsplanwijziging derhalve niet in de weg te staan.

Voor het volledig onderzoek wordt verwezen naar de rapportage die als bijlage 7 integraal deel uitmaakt van deze plantoelichting.

5.6 Ecologie

Per 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming (Wn) ingegaan. Deze vervangt drie wetten; de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora en Faunawet. Doel van de Wet natuurbescherming is drieledig: 1. bescherming van de biodiversiteit in Nederland, 2. decentralisatie van verantwoordelijkheden en 3. vereenvoudiging van regels. Vanaf 1 januari bepalen de provincies voor hun gebied wat wel en niet mag in de natuur. De provincie is primair verantwoordelijk voor de vergunningen en ontheffingen.

5.6.1 Gebiedsbescherming

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. In het Natuurnetwerk Nederland liggen alle bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken. Verder gebieden waar nieuwe natuur wordt aangelegd, landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer, meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee en tenslotte alle 164 aangewezen Natura 2000-gebieden. Het NNN is de opvolger van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS).

Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden.

In de nieuwe Wet natuurbescherming blijft de bescherming van Natura 2000-gebieden vrijwel hetzelfde. De bescherming van Beschermde Natuurmonumenten komt wel te vervallen. Provincies kunnen ervoor kiezen om deze gebieden alsnog te beschermen via het provinciale beleid. De provincie voegt dan gebieden toe aan het NNN of wijst ze aan als bijzonder provinciaal natuurgebied of – landschap.

afbeelding "i_NL.IMRO.1684.02BPAalsvoorten-VA01_0024.png"

Tabel 1:Wijzigingen in gebiedsbescherming met de nieuwe Wet natuurbescherming t.o.v. Natuurbeschermingswet 1998.

5.6.2 Soortenbescherming

Zowel in de oude Flora- en faunawet als in de nieuwe Wet natuurbescherming staan verbodsbepalingen: activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantsoorten zijn verboden. Verboden activiteiten wijzigen nauwelijks. Wel zijn enkele definities aangepast. Zo is onopzettelijk verstoren niet meer strafbaar en is opzettelijk verstoren van vogels in sommige situaties toegestaan. Maar verstoren zonder dat tevoren goed onderzoek naar beschermde soorten is uitgevoerd, blijft strafbaar.

Met de nieuwe wet wijzigt wel de lijst van beschermde soorten. Waar de Flora- en faunawet uitgaat van drie beschermingsniveaus, verdeelt de Wet natuurbescherming beschermde soorten in twee groepen: Strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn. In de tweede categorie staan andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst. De bescherming van vaatplanten uit tabel 1 en tabel 2 is vervallen. Onder de Wet natuurbescherming worden nog 75 soorten vaatplanten beschermd, waaronder soorten die niet eerder werden beschermd. De bescherming van mieren vervalt. Vrijwel alle zoogdieren blijven beschermd. Meer soorten libellen en vlinders worden beschermd.

Bij een ontheffingsaanvraag onder de nieuwe wet wordt nog steeds getoetst aan drie criteria :

  • Is er een 'andere bevredigende oplossing' mogelijk?
  • Is er sprake van bepaalde, in de wet genoemde belangen?
  • Doet de ontheffing afbreuk aan de gunstige staat van instandhouding van de soort ?

Daarmee verandert er weinig in vergelijking met de huidige toetsingspraktijk.

afbeelding "i_NL.IMRO.1684.02BPAalsvoorten-VA01_0025.png"

Tabel 2:Wijzigingen in de soortenbescherming met de nieuwe Wet natuurbescherming t.o.v. Flora-en faunawet.

5.6.3 Ecologische voortoets

Gebiedsbescherming

Getoetst is of de voorgenomen ontwikkeling invloed kan hebben op natuurgebieden of landschapselementen die beschermd zijn op grond van de Natuurbeschermingswet, Boswet, Algemene Plaatselijke Verordening, Wet ammoniak en veehouderij en bestemmingsplan. Bij een negatieve invloed kan een meldings-, herplant-, compensatie- en/of omgevingsvergunningplicht gelden.

Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen of binnen de invloedsfeer van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied of Beschermd Natuurmonument. Het Natura 2000-gebied ‘Oeffeltse Raam’ is gelegen op circa 5,6 kilometer ten noordoosten van het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1684.02BPAalsvoorten-VA01_0026.png"

Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van Natura 2000-gebieden en Beschermde Natuurmonumenten. De pijl geeft het plangebied aan en de gele en oranje vakken geven de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden aan (bron: Econsultancy)

Het plan voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling die - zowel gelet op haar aard en omvang alsmede gelet op de afstand tot het Natura 2000-gebied - redelijkerwijs niet tot een verstoring van dit beschermde natuurgebied zal leiden dan wel een negatieve invloed zal hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van dit gebied.

Het plangebied maakt verder geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Het is wel in de invloedsfeer van het Natuurnetwerk Nederland gelegen. Binnen 500 meter van het plangebied ligt het bos -en natuurgebied rond de Kampse Plas en ecologische verbindingzone (EVZ) van het zogenaamde 'Duits Lijntje'. Beide gebieden behoren tot het Natuurnetwerk Nederland. De provinciale en gemeentelijke structuurvisies richten zich op het realiseren van een ecologische verbindingszone (EVZ) op of langs het traject van het 'Duits Lijntje' tussen (vooralsnog) Boxtel en de provinciegrens met Limburg.

Het beleid is dat het Duits Lijntje bewaard wordt in het groen en dat ook de zichtlijnen ter plaatse bewaard zullen worden. In het stedenbouwkundig ontwerp wordt hier rekening mee gehouden door de groenvoorzieningen aan de noordkant van het plangebied vrij te houden van alle bebouwing.

afbeelding "i_NL.IMRO.1684.02BPAalsvoorten-VA01_0027.png"

Ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van Natuurnetwerk Nederland. De pijl geeft de onderzoekslocatie aan en de lichtgroene vlakken geven het natuurnetwerk aan (bron: Econsultancy).

Soortenbescherming

Econsultancy BV te Boxmeer heeft een quickscan flora & fauna uitgevoerd in het kader van dit bestemmingsplan met als doel om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn die volgens de Flora- en faunawet een beschermde status hebben en die mogelijk verstoring kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep.

De initiatiefnemer is voornemens het plangebied te ontwikkelen voor woningbouw. Al het huidige groen en kleinschalige bebouwing zal verwijderd worden. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in onderstaande tabel. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningtrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Flora- en faunawet voor bepaalde soortgroepen te voorkomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1684.02BPAalsvoorten-VA01_0028.png"

Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen (bron: Econsultancy)

Gelet op de gevonden en te verwachten ecologische waarden en de beoogde planontwikkeling is de verwachting dat de wijziging van het bestemmingsplan uitvoerbaar is. Voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden dient echter wel het bepaalde in de wet in acht te worden genomen.

Met betrekking tot de sloop van de schuur dient middels aanvullend onderzoek duidelijk te worden of er sprake is van overtreding ten aanzien van vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen. Overtredingen ten aanzien van broedvogels kunnen worden voorkomen door rekening te houden met het broedseizoen. Daarnaast dient te allen tijde de zorgplicht in acht te worden genomen.

Bij de voorgenomen plannen is geen sprake van het indienen van een vergunningsaanvraag voor overtredingen van verbodsbepalingen in de Natuurbeschermingswet 1998 en Wet Natuurbescherming of noodzaak tot vervolgonderzoek in het kader van het Natuurnetwerk Nederland.

Voor het volledig onderzoek wordt verwezen naar de rapportage die als bijlage 8 integraal deel uitmaakt van deze plantoelichting.

5.7 Cultuurhistorie en archeologie

Cultuurhistorische waarden in een stedelijk gebied kunnen betrekking hebben op:

  • 1. bebouwde en landschappelijke cultuurhistorie;
  • 2. archeologische waarden;
  • 3. molenbiotoop.

Ad 1 en 3.

Binnen het plangebied zelf en de directe omgeving hiervan zijn geen rijks- en/of gemeentelijke monumenten dan wel beeldbepalende panden of windmolens (biotopen) aanwezig.

Het tracé van het zogenaamde 'Duits lijntje' loopt door Haps (onder meer ten noorden van het plangebied). Het Duits Lijntje is een in 1873 door de Noord-Brabantsch-Duitse Spoorweg Maatschappij (NBDS) geopende spoorlijn die tot doel had een rechtstreekse korte verbinding tot stand te brengen tussen de zeehavens Vlissingen, Antwerpen en Rotterdam en het Duitse achterland. De provinciale en gemeentelijke structuurvisies richten zich op het realiseren van een ecologische verbindingszone (EVZ) op of langs het traject van het 'Duits Lijntje' tussen (vooralsnog) Boxtel en de provinciegrens met Limburg. Het 'Duits Lijntje' is deels aangewezen als Ecologische Hoofdstructuur (EHS).

Het beleid is dat het Duits Lijntje bewaard wordt in het groen en dat ook de zichtlijnen ter plaatse bewaard zullen worden. Behoud en ontwikkeling van cultuurhistorie en recreatieve ontwikkeling worden ook nagestreefd op en rond het 'Duits Lijntje'.

Ad 2.

Ten aanzien van archeologie is het uitgangspunt dat het archeologisch erfgoed moet worden beschermd op de plaats waar het wordt aangetroffen. Dit vloeit voort uit het Europese Verdrag van Valetta (1992) inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed en de Wet op de archeologische monumentenzorg die de Monumentenwet 1988 deels heeft aangepast. Gezien dit uitgangspunt mogen bekende archeologische monumenten niet aangetast worden en moet in geval van voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen in gebieden met een hoge of middelhoge archeologische verwachtingswaarde, in principe een inventariserend en waarderend vooronderzoek plaatsvinden. Eventueel aangetroffen waarden dienen primair ter plekke (in situ) beschermd te worden dan wel - indien dat redelijkerwijs niet mogelijk is- door een opgraving (ex situ) te worden veilig gesteld. In gebieden met een lage indicatieve archeologische waarde is er een geringe kans op het aantreffen van archeologische waarden. Deze gebieden hoeven echter niet 'leeg' te zijn. Het is zeer wel mogelijk dat juist in deze gebieden grafvelden, heiligdommen of depotvondsten aangetroffen kunnen worden, die op grond van een analyse van de bodem moeilijk of zelfs niet voorspelbaar zijn.

De gemeente Cuijk heeft een Archeologisch Beleidsplan Cuijk (2009) vastgesteld. Bij het beleidsplan hoort een archeologische beleidskaart. In het beleidsplan is aangegeven hoe in bestemmingsplannen omgegaan dient te worden met archeologie en in de bijlage van het plan zijn voorbeeldregels opgenomen. De voorbeeldregels zijn gekoppeld aan de gebieden van de archeologische beleidskaart.

afbeelding "i_NL.IMRO.1684.02BPAalsvoorten-VA01_0029.jpg"

Archeologische beleidskaart Cuijk (2009)

Volgens het Archeologisch Beleidsplan Cuijk behoort het plangebied tot de - in alle bestemmingsplannen te verankeren - dubbelbestemming 'Waarde-Archeologie 5' . Het betreft hier gebieden waarvoor een gematigde archeologische verwachtingswaarde geldt. Voor deze gronden geldt dat voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 2.500 m² en dieper dan 0,50 meter bij de aanvraag om een omgevingsvergunning een rapport dient te worden overlegd waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van B&W voldoende zijn vastgesteld. Tevens geldt voor bepaalde werkzaamheden een omgevingsvergunningsplicht.

Het plangebied is in totaal 4220 m2. De kavels zijn totaal 2725 m2 en de woningen 850 m2. De tuinen worden niet ontgraven onder de 50 cm zodat daar geen bodemverstoring plaatsvindt. Totale m2 plangebied minus tuinen is 2345 m2 en blijft dus onder de norm van 2500 m2.

Er kan geconcludeerd kan worden dat er voor het aspect archeologie geen onderzoeksplicht bestaat. Wel zal de dubbelbestemming 'Waarde-Archeologie 5' worden opgenomen in de planregels en op de verbeelding.

5.8 Obstakelbeheer-, radarverstoringsgebieden en straalpaden

In het plangebied liggen geen defensieterreinen. Wel heeft een groot deel van de gemeente Cuijk te maken met het radarverstoringsgebied en de funnel van de militaire vliegbasis Volkel. Voor het veilig afwikkelen van vliegverkeer gelden in een bepaald gebied rond een luchtvaartterrein maximaal toelaatbare hoogtes voor objecten, zoals woon- en kantoorgebouwen, antennemasten, windmolens en bomen. Hiermee wordt voorkomen dat radarsignalen worden verstoord en vliegtuigen met objecten in botsing kunnen komen. De maximaal toelaatbare hoogtes en de ligging en omvang van het gebied worden bepaald door de ligging van de start- en landingsbanen en berusten op internationale vastgelegde afspraken.

Het plangebied valt buiten het obstakelgebied/ aanvlieggebied (funnel) van de vliegbasis maar wel binnen het radarverstoringsgebied. In de regels en op de verbeelding wordt de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - radar' opgenomen voor het radarverstoringsgebied. Bouwwerken hoger dan 65 meter + NAP vormen een belemmering voor het radarverstoringsgebied.

Het peil in het plangebied is gemiddeld 11,5 meter + NAP. In het bestemmingsplan is een maximale bouwhoogte van 11 meter + NAP toegestaan. Het plan vormt derhalve geen enkele belemmering voor het functioneren van de vliegbasis Volkel.

Over het plangebied is geen straalpad van telecomaanbieders gelegen.

5.9 Waterhuishouding

Ruimte maken voor water in plaats van ruimte onttrekken aan water; dat is derhalve de kern van het waterbeleid voor de 21e eeuw. Water en ruimtelijke ordening hebben veel met elkaar te maken. Aan de ene kant is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik. Aan de andere kant kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding.

Een van de instrumenten om het nieuwe waterbeleid voor de 21e eeuw vorm te geven is het watertoetsproces. Het watertoetsproces moet ervoor zorgen dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle ruimtelijke plannen en besluiten die relevant zijn voor de waterhuishouding.

Vanuit de gemeente Cuijk wordt afvoer van schoon hemelwater van nieuwe verhardingen naar het rioolstelsel niet meer toegestaan. Wanneer voor bouwplannen een bestemmingsplanwijziging nodig is wordt daarin een watertoets verricht.

Econsultancy BV te Boxmeer heeft een watertoets voor de planontwikkeling aan de De Aalsvoorten uitgevoerd. Het plangebied is momenteel in gebruik als weiland en tuin behorende bij Sint Hubertseweg 2A en 4. Buiten een stal en een schuurtje is het gebied onbebouwd. De initiatiefnemer is voornemens 13 woningen op de planlocatie te realiseren. Het (voorlopige) programma bestaat uit 6 tweekappers, 7 aaneengesloten woningen en 30 parkeerplaatsen.

Het plangebied is gelegen binnen het beheersgebied van waterschap Aa en Maas en de gemeente Cuijk. In de toekomstige situatie zal het schone hemelwater (zogenaamde hemelwaterafvoer; HWA) niet direct op het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) worden aangesloten maar separaat binnen het plangebied worden verwerkt conform de uitgangspunten van de waterbeheerder.

Dit betekent dat bij de verdere planuitwerking water expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing wordt genomen en dat hemelwater op een duurzame wijze moet worden verwerkt. De ontwikkeling zal daarmee hydrologisch neutraal zijn. De wateropgave ten aanzien van het plan bedraagt 124 m³. Het infiltratieonderzoek van december 2016 geeft bij een drietal boringen een een K-waarde die varieert van 0,4-6,6. Voor de dimensionering van de infiltratievoorziening wordt een rekenwaarde van maximaal 1,4 m/dag geadviseerd. De GHG (gemiddeld hoogste grondwaterstand) is vastgesteld op 0,90 m minus maaiveld. De locatie is derhalve alleen geschikt voor een bovengrondse bergingsvoorziening.

Ten aanzien van de omgang met hemelwater is derhalve uitgegaan van een bovengrondse bergingsvoorziening in het openbare groen. Centraal in het plangebied, ter plaatse van de groenvoorziening, is ruimte beschikbaar om een wadi te realiseren. Conform eisen van de gemeente Cuyk is een berekening gemaakt ter bepaling van de vereiste capaciteit van de opvang van het regenwater van de daken en verhardingen in het plan.

Voor het nieuwe plan geldt een bergingseis van 60 mm voor het totaal verhard oppervlak (verhardingen en daken)

Nieuwe situatie:

1. Totaal dakoppervlak woningen en bergingen en inritten: 1231 m2

2. Totaal oppervlak rijweg en parkeren: 849 m2

Totaal :2080 m2

Totaal te bergen: 2080 m2 x 0,06 m= 124 m3

De berging wordt gerealiseerd in het middengebied. De daken wateren via een goot in de voortuin en via de rijweg oppervlakkig af naar de wadi. De rijweg en parkeerplaatsen liggen op “ een oor” en wateren eveneens af naar de wadi. De wadi heeft beneden de waking van 0,30 m een capaciteit van 124 m3. Boven de waking resteert een capaciteit van ca. 75 m3, alvorens de wadi overstroomt. Een noodoverlaat wordt in de vorm van een uitstroomkolk in de buffer aangebracht en aangesloten op het regenwaterriool in het voetpad Aalsvoorten nabij huisnr 19.

Afvalwater

Het plan voorziet in de realisatie van 13 woningen (norm 3 bewoners /woning = totaal 39 bewoners). Conform de richtlijnen wordt uitgegaan van een waterverbruik van 150 liter per persoon per dag. Dit levert een totale droogweerafvoer op van 5,85 m3 per dag. Het afvalwater wordt via een afvoerleiding met een diameter van 250 mm (minimale maat gem. Cuijk) aangesloten op het bestaande rioolstelsel in de Aalsvoorten nabij huisnr. 10. Aansluiting op het dichterbij gelegen riool nabij Aalsvoorten huisnr. 19 is gezien de hoogteligging van de bob en de vereiste dekking van het nieuwe riool geen optie.

Voor de volledige watertoets wordt verwezen naar de rapportage die als bijlage 9 integraal deel uitmaakt van deze plantoelichting.

5.10 Niet gesprongen explosieven (NGE)

Op vele locaties in Nederland bevinden zich nog conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in de ondergrond, zoals niet ontplofte vliegtuigbommen (blindgangers), granaten, mijnen en (handwapen)munitie. Ook in Cuijk hebben delen van het gemeentelijke grondgebied in de Tweede Wereldoorlog onder vuur gelegen. Bij eventuele grondwerkzaamheden in het plangebied ter plaatse van gronden die sinds de Tweede Wereldoorlog niet geroerd zijn, dient uit oogpunt van veiligheid en zorgvuldigheid, onderzoek verricht te worden naar NGE. Explosievenonderzoek brengt de aanwezigheid en risico's van explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in kaart. Indien noodzakelijk worden deze explosieven vervolgens verwijderd en onschadelijk gemaakt.

Explosive Clearance Group (ECG) BV heeft een vooronderzoek naar het risico op het aantreffen van Conventionele Explosieven binnen het plangebied verricht3 . Het doel van dit onderzoek is het verkrijgen van een, door middel van het verzamelen en verwerken van relevant historisch feitenmateriaal, gefundeerd antwoord op de volgende drie kernvragen:

  • 1. Is het onderzoeksgebied of delen hiervan betrokken geweest bij oorlogshandelingen (indicaties) en is er daardoor sprake van een verhoogd risico op het aantreffen van Conventionele Explosieven oftewel van VERDACHT gebied?
  • 2. Zijn er gebeurtenissen (contra-indicaties) die een aanwijzing vormen dat een (mogelijk VERDACHT) gebied als ONVERDACHT kan worden aangemerkt?
  • 3. Indien er sprake is van VERDACHT gebied wat is dan de (sub)soort, hoeveelheid, verschijningsvorm van de vermoede Conventionele Explosieven?

Ad 1

Op basis van het geraadpleegde bronmateriaal zijn geen feitelijke indicaties voor de aanwezigheid van conventionele explosieven binnen dit specifieke onderzoeksgebied. Het opstellen van een CEbodembelastingkaart is derhalve niet relevant. Hierbij komt wel de kanttekening dat zowel ten noorden, ten oosten als ten westen grenzend aan het onderzoeksgebied Geallieerde munitiedumpingen plaats hebben gevonden. Aangezien het onderzoeksgebied zelf nauwelijks naoorlogs geroerd is, is een dergelijke munitiedumping niet onmogelijk. Conform de regelgeving zoals beschreven in het WSCS-OCE dient het onderzoeksgebied als onverdacht betiteld te worden.

Ad 2

Er zijn aanwijzingen achterhaald dat er naoorlogs grondroerende werkzaamheden plaats hebben gevonden rondom het onderzoeksgebied. Het onderzoeksgebied zelf lijkt echter nauwelijks naoorlogs geroerd. Daarom zijn er geen contra-indicaties die het gebied onverdacht verklaren.

Ad 3

Gezien het voorgaande is het beantwoorden van deze onderzoeksvraag niet relevant.

ECG adviseert om het opsporingsproces te beëindigen en de geplande werkzaamheden regulier uit te laten voeren. Voor het volledig onderzoek wordt verwezen naar de rapportage die als bijlage 10 integraal deel uitmaakt van deze plantoelichting.

Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid, kostenverhaal en planschade

De realisatie van het project geschiedt voor rekening van de initiatiefnemer. De gemeentelijke financiën zijn hierbij niet in het geding. Verder zijn de gronden eigendom van de initiatiefnemer. Deze gronden zijn niet belast met beperkt zakelijke rechten van derden.

Kostenverhaal is geregeld in een tussen de gemeente Cuijk en de initiatiefnemer gesloten exploitatieovereenkomst. Door de vaststelling van deze exploitatieovereenkomst is het verhaal van de gemeentelijke kosten van de grondexploitatie over de in dit plan begrepen gronden afdoende verzekerd. Hierdoor behoeft een exploitatieplan door de gemeenteraad niet vastgesteld te worden (artikel 6.12 leden 1 en 2, onder a Wro). Hierdoor is dit plan economisch uitvoerbaar.

Tenslotte is in deze overeenkomst ook een planschadeverhaalsbeding zoals bedoeld in art. 6.4a Wro opgenomen. Hiermee wordt gewaarborgd dat eventueel te vergoeden planschade niet voor rekening van de gemeente Cuijk komt maar voor rekening van de initiatiefnemer.

Hoofdstuk 7 Juridische verantwoording

7.1 Algemeen

Het bestemmingsplan heeft als doel het planologisch-juridisch kader te geven voor de ontwikkeling van het beschreven plan. De nadere juridische invulling is gedetailleerd geregeld. Dit bestemmingsplan bestaat uit de volgende onderdelen:

  • plantoelichting
  • planregels;
  • verbeelding.

Bij het opstellen van het onderhavige bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Waar dat noodzakelijk was , is afgeweken van de standaard en is het plan specifiek toegesneden op de feitelijke situatie in het onderhavige plangebied.

Verder voldoet dit bestemmingsplan aan de (digitale eisen) uit de 'Bijlage opstellen ruimtelijke plannen in de gemeente Cuijk (versie 1 -januari 2013)' en aan de volgende RO-standaarden 2012:

  • Informatiemodel Ruimtelijke Ordening (IMRO2012)
  • Informatiemodel Ruimtelijke Ordening Planteksten (IMROPT2012)
  • Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP) 2012
  • SVBP2012 Functielijst (Bijlage)
  • PraktijkRichtlijn BestemmingsPlannen (PRBP) 2012;
  • Praktijkrichtlijn Analoge Bestemmingsplankaart (PRABPK2012)
  • Praktijkrichtlijn Planteksten (PRPT2012)
  • Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten (STRI) 2012
  • Praktijkrichtlijn Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten (PRTRI2012)

7.2 Plansystematiek

Er is, volgens de Wro, gekozen voor een analoge en digitale verbeelding van het plan. Aan de bestemmingen zijn bouw- en gebruiksregels gekoppeld die direct inzichtelijk maken welke ontwikkelingen zijn toegestaan. Verbeelding en regels bieden een directe juridische titel voor bebouwing en gebruik.

Het bestemmingsplan 'Aalsvoorten Haps' heeft betrekking op een beperkt inbreidinggebied binnen de kern Haps. Voor de gehele kern Haps geldt het bestemmingsplan 'Haps'. Dit plan is op 31 oktober 2011 vastgesteld door de raad van Cuijk. Het onderhavige bestemmingsplan 'Aalsvoorten Haps' vormt in feite een kleine juridische enclave binnen het plangebied van het grotere bestemmingsplan 'Haps'. Omdat het uit oogpunt van rechtszekerheid, rechtsgelijkheid en duidelijkheid wensenlijk is om binnen de kern Haps zoveel mogelijk uniformiteit te hebben in de bestemmingsplanregelingen, is er voor gekozen om voor de inhoud en systematiek van de planregels en de verbeelding van het bestemmingsplan 'Aalvoorten Haps' zoveel mogelijk aan te sluiten bij het bestemmingsplan 'Haps'.

7.3 Toelichting op de verbeelding

In de analoge en digitale verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis ingevolge het voorliggende plan, indien en voor zover deze in de regels daaraan wordt gegeven. Als een aanduiding juridisch gezien geen enkele betekenis heeft, is deze niet opgenomen op de verbeelding. Ten behoeve van de leesbaarheid is het plan wel op een kadastrale ondergrond gelegd. De bestemmingen en de aanduidingen zijn ingedeeld in de hoofdgroepen volgens de SVBP2012 en zijn bij de verbeelding opgenomen in een renvooi. De verbeelding is opgezet volgens de schaal 1:1000.

Opgemerkt wordt nog dat de analoge en digitale verbeelding qua verschijning van elkaar verschillen, immers de wijze van raadplegen is ook verschillend. Inhoudelijk zijn er echter geen verschillen te vinden.

7.4 Toelichting op de regels

De planregels geven inhoud aan de op de plankaart aangegeven bestemmingen en aanduidingen. Ze geven aan waarvoor de gronden en opstallen al dan niet gebruikt mogen worden, en hoe en wat er gebouwd kan, of mag worden. Bij de opzet van de planregels is getracht het aantal regels zo beperkt mogelijk te houden en slechts datgene te regelen, wat werkelijk noodzakelijk is.

De planregels zijn altijd onderverdeeld in vier hoofdstukken, te weten:

  • 1. inleidende regels;
  • 2. bestemmingsregels;
  • 3. algemene regels;
  • 4. overgangs- en slotregels.
7.4.1 Inleidende regels

De inleidende regels omvatten de gebruikte begripsomschrijvingen en afkortingen (artikel 1) en de wijze van meten (artikel 2). Voor zover van toepassing zijn de regels uit de SVBP2008 overgenomen. Ter versterking van de uniformiteit wordt in de begripsomschrijvingen zoveel mogelijk aangesloten bij andere regelgeving.

7.4.2 Bestemmingsregels

In de bestemmingsregels zijn de regels voor de verschillende bestemmingen omschreven. Elke bestemming is, overeenkomstig de SVBP2012 in beginsel opgebouwd uit:

  • bestemmingsomschrijving;
  • bouwregels;
  • nadere eisen;
  • afwijking van de bouwregels;
  • specifieke gebruiksregels;
  • afwijking van de gebruiksregels;
  • omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden;
  • omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk;
  • wijzigingsbevoegdheid.


Het komt vaak voor dat niet alle onderdelen zijn gebruikt in een bestemming. In onderstaand overzicht zijn de gebruikte enkel- en dubbelbestemmingen in voorliggend bestemmingsplan opgenomen.


Enkelbestemmingen

Groen

De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen, plantsoenen en groenstroken, bermen en beplanting, fiets- en voetpaden, parkeervoorzieningen, speelvoorzieningen, waterlopen en waterpartijen met daaraan ondergeschikte verhardingen en met de daarbij behorende bouwwerken, geen gebouw zijnde.

De bestemming 'Groen' kan onder voorwaarden geheel of gedeeltelijk worden gewijzigd naar de bestemming 'Wonen' of 'Verkeer'. In het eerste geval kan openbaar groen dat verkocht is aan derden als tuin bij een woning, ook daadwerkelijk een woonbestemming gegeven worden. In het tweede geval wordt mogelijk gemaakt dat de verkeersfunctie voorrang krijgt boven de openbaar groenfunctie.

Verkeer

De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor verhardingen, woonstraten, paden, parkeervoorzieningen en groenvoorzieningen.

Wonen

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen in vrijstaande, twee-aaneengebouwde en aaneengebouwde woningen. De typen woningen zijn afzonderlijk aangeduid als 'vrijstaand [vrij]', 'twee-aaneen [tae]', 'aaneengebouwd [aeg]'.Ter plaatse van de aanduiding ‘maximum aantal wooneenheden [x]’ mogen maximaal het aangegeven aantal woningen worden gebouwd.

Dubbelbestemmingen

Leiding - Riool

De voor 'Leiding - Riool' aangewezen gronden zijn, behalve bestemd voor het bepaalde in de ter plaatse geldende bestemmingen, ook bestemd voor de aanleg, instandhouding en/of bescherming van ondergrondse rioolwatertransportleiding(en) met bijbehorende belemmeringenzone met een breedte van 3,50 meter aan weerzijde, gemeten vanuit het hart van de leiding. Deze bestemming is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende bestemmingen.

Voor werken en werkzaamheden die het functioneren van de leiding in gevaar kunnen brengen is een aanlegvergunningstelsel opgenomen. Zonder omgevingsvergunning zijn deze activiteiten verboden.Het bestemmingsplan kan gewijzigd worden door de dubbelbestemming 'Leiding - Riool' geheel of gedeeltelijk te laten vervallen, of door aan gronden alsnog de dubbelbestemming toe te kennen. Op deze wijze is het mogelijk aanpassingen, zoals verleggen, door te voeren.

Waarde - Archeologie 5

De voor 'Waarde - Archeologie 5' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archologische waarden van de gronden. Onder andere dient voor het bouwen de aanvrager van een omgevingsvergunning, voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 2.500 m² en dieper dan 0,50 m, een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld.

Het bestemmingsplan kan gewijzigd worden door de dubbelbestemming 'Waarde -Archeologie 5' geheel of gedeeltelijk te laten vervallen, of door aan gronden alsnog de dubbelbestemming toe te kennen. Op deze wijze is het mogelijk nieuwe inzichten planologisch vast te leggen.

7.4.3 Algemene regels

De algemene regels bevatten verplicht de anti-dubbeltelbepaling en kunnen algemene bouwregels, gebruiksregels, aanduidingsregels, afwijkingsregels, wijzigingsregels, procedureregels en overige regels bevatten. De algemene regels worden hier nader toegelicht.

Anti-dubbeltelbepaling

In het Bro is een standaard opgenomen voor de anti-dubbeltelregel. Met deze regel wordt voorkomen dat er in feite meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogd. In het verleden werd nog wel eens een extra (bouw)perceel of gedeelte daarvan verworven om meer bouwmogelijkheden te krijgen. Bijvoorbeeld bij een regel dat een groter bouwperceel recht geeft op een groter oppervlakte aan bijgebouwen. Na het verkrijgen van de omgevingsvergunning werd de grond weer afgestoten. Gevolg: meer bouwwerken op een perceel dan feitelijk bedoeld was.

De anti-dubbeltelregel voorkomt dit door te verbieden dat nieuw verworven (bouw)percelen in de berekening worden meegenomen als deze al eerder bij een omgevingsvergunning zijn betrokken.

Algemene bouwregels

De algemene bouwregels zijn een aanvulling op de specifieke bouwregels van de diverse bestemmingen. Het gaat bijvoorbeeld om de omgang met bestaande maten, het toestaan van ondergeschikte bouwdelen en ondergronds bouwen.


Algemene gebruiksregels

In de Wro is in artikel 7.10 lid 1 een algemeen gebruiksverbod opgenomen. Deze gaat uit van de gedachte dat het gebruik uitsluitend mag plaatsvinden in overeenstemming met de bestemming. In beginsel is de bestemmingsomschrijving van de betreffende bestemming bepalend. In de algemene gebruiksregels worden vaak algemene verboden opgenomen. Er zijn ook regels opgenomen die voor meerdere bestemmingen gelden, zoals mantelzorg en aan-huis-verbonden-beroepen of -bedrijven.

In bijlage 1 bij de regels is de 'Staat van Bedrijfsactiviteiten - woning' opgenomen. Deze bestaat uit een overzicht van acceptabele beroepen en bedrijfsactiviteiten die onder voorwaarden in een woning uitgeoefend mogen worden.

Algemene aanduidingsregels

In dit artikel kunnen regels worden opgenomen die algemeen van toepassing zijn op de gebruikte aanduidingen in het bestemmingsplan. Het gaat om gebieds-, functie-, bouwvlak-, bouw- en maatvoeringsaanduidingen en figuren zoals beschreven in de SVBP2012. Deze regels worden vooral gebruikt voor een aanduiding die in meerdere bestemmingen ligt. In de regels en op de verbeelding wordt de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - radar' opgenomen voor het radarverstoringsgebied van de vliegbasis Volkel.

Algemene afwijkingsregels

Met algemene afwijkingsregels wordt aan het bestemmingsplan flexibiliteit meegegeven. De algemene afwijkingsregels kunnen, voor zover van toepassing, voor elke bestemming worden gebruikt. Het gaat meestal om kleine afwijkingen van de regels. Een veel voorkomende afwijking maakt het mogelijk maximaal 10% af te wijken van de voorgeschreven bouwregels.

De algemene afwijkingsregels mogen alleen gebruikt worden indien er geen afwijking in de bestemmingsregels is opgenomen. Dit betekent dat niet tweemaal mag worden afgeweken van dezelfde bestemmingsregel. De specifieke en algemene afwijkingen mogen niet cumulatief worden gebruikt voor hetzelfde onderdeel.

Algemene wijzigingsregels

Met algemene wijzigingsregels wordt aan het bestemmingsplan flexibiliteit meegegeven. Net als bij de algemene afwijkingsregels zijn de algemene wijzigingen in meerdere bestemmingen toepasbaar. Met een wijziging kan een deel van het bestemmingsplan worden vervangen. Het kan bijvoorbeeld gaan om een kleine aanpassing van bestemmingsgrenzen of het vernieuwen van de lijst van bedrijfsactiviteiten.

Algemene procedureregels

In dit artikel is opgenomen, voor zover van toepassing, de procedure voor het opleggen van nadere eisen. De nadere eisen maken geen onderdeel uit van de omgevingsvergunning en kennen een eigen, vrij in te vullen, procedure op basis van de Wet ruimtelijke ordening. De opgenomen procedure biedt de mogelijkheid om binnen de termijn van een reguliere omgevingsvergunning een besluit over de nadere eisen te nemen.

 Overige regels

In dit artikel worden regels geplaatst die niet onder een andere regel zijn te vatten. Het gaat hier om de toepassing van wettelijke bepalingen in de planregels en over de voorrangsregels bij enkel-en dubbelbestemmingen.

7.4.4 Overgangs-en slotregels

In hoofdstuk 4 is het wettelijk voorgeschreven overgangsrecht opgenomen en de slotregel. In het Bro zijn standaardregels opgenomen voor het overgangsrecht van bouwwerken en voor gebruik. De teksten uit het Bro zijn in het bestemmingsplan letterlijk overgenomen. In vrijwel alle bestemmingsplannen worden zoveel mogelijk gronden en bouwwerken positief bestemd, dus volgens het feitelijke gebruik. Het overgangsrecht is slechts in enkele gevallen aan de orde.

Legale bouwwerken (met omgevingsvergunning) die bestaan op het moment van tervisielegging van het ontwerpbestemmingsplan, mogen gedeeltelijk of geheel worden vernieuwd of veranderd. Ook mogen bouwwerken na een calamiteit worden herbouwd, op voorwaarde dat een omgevingsvergunning wordt aangevraagd binnen twee jaar na de calamiteit. Een calamiteit wordt uitgelegd als een (natuur)ramp of een niet-verwachte gebeurtenis die in korte tijd ernstige schade kan veroorzaken.

Het overgangsrecht geldt dus voor bouwwerken die legaal zijn opgericht, maar in het ontwerpbestemmingsplan een nieuwe, afwijkende bestemming hebben gekregen. Als een dergelijk bouwwerk wordt gesloopt, dan vervallen alle bouwrechten van dat bouwwerk (calamiteit uitgezonderd). Alleen de bouwregels van de nieuwe bestemming gelden dan nog. Dit is een zogenaamde ‘uitsterfconstructie’ voor ongewenste bouwwerken. Een illegaal bouwwerk (zonder omgevingsvergunning) valt niet onder het overgangsrecht.


Legaal gebruik (oude bestemmingsplan) van gronden en het gebruik van zich op die gronden bevindende bouwwerken ten tijde van de inwerkingtreding van voorliggend bestemmingsplan mag worden voortgezet. Het kan zijn dat een nieuwe, afwijkende bestemming is toegekend aan een perceel. In dat geval mag het daar aanwezige gebruik worden voortgezet, mits dit volgens het oude bestemmingsplan was toegestaan. In uitzonderlijke gevallen wordt het oude gebruik gekoppeld aan een persoon: stopt de persoon met het gebruik, dan vervalt het gebruik.


Het gebruik mag niet gewijzigd worden, tenzij het meer in overeenstemming wordt gebracht met de nieuwe bestemming. Als het gebruik vallend onder het overgangsrecht geruime tijd wordt gestaakt, dan vervallen de rechten op dit overgangsrecht. Er wordt dan geredeneerd dat het gebruik niet langer nodig is, ook als het eerdere gebruik na een tijd weer wordt opgepakt. Illegaal gebruik (strijd met oude bestemmingsplan) valt niet onder het overgangsrecht.


In de slotregel wordt aangegeven op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald in een omgevingsvergunning.De slotregel is voorgeschreven in het SVBP2012.


Hoofdstuk 8 Handhaving

8.1 Algemeen

Een belangrijk aspect in de uitvoering van het bestemmingsplan is van juridische aard. Het betreft hier handhaving en toezicht op de naleving van de voorschriften in het bestemmingsplan. Handhaving is van cruciaal belang om de in het plan opgenomen ruimtelijke kwaliteiten ook op langere termijn daadwerkelijk te kunnen vasthouden. Handhaving is bovendien van belang uit een oogpunt van rechtszekerheid: alle grondeigenaren en gebruikers dienen door de gemeente op een zelfde wijze daadwerkelijk aan het plan te worden gehouden. Een goede handhaving begint al bij de totstandkoming van het bestemmingsplan. Indien bij het maken van het bestemmingsplan met een aantal factoren rekening wordt gehouden, kan de handhaving van het plan na inwerkingtreding worden vereenvoudigd. Het betreft hier de volgende factoren:

  • Voldoende kenbaarheid van het plan.
  • Voldoende maatschappelijk draagvlak.
  • Een inzichtelijke en realistische regeling.
  • Actief handhavingsbeleid.

Het sluitstuk van een goed handhavingsbeleid is voldoende controle van de feitelijke situatie in het plangebied. Daarnaast moeten adequate maatregelen worden getroffen indien de voorschriften worden overtreden. Indien deze maatregelen achterwege blijven, ontstaat een grote mate van rechtsonzekerheid. Uiteraard draagt het gemeentebestuur de verantwoordelijkheid om toe te zien op de naleving van de opgenomen regels in het bestemmingsplan. Temeer waar deze regels uitsluitend betrekking hebben op hoofdzaken, zal op de naleving van het bestemmingsplan met stiptheid worden toegezien.

8.2 Visie handhaving plangebied

Handhaving kan preventief en repressief gebeuren. De gemeente staat een actief handhavingsbeleid voor, waarbij net principe “handhaven, tenzij” leidend is. Illegale situaties worden niet gedoogd. Handhaving van de gewenste situatie staat voorop. Onder “tenzij” wordt verstaan dat er bestuurlijk verantwoording wordt genomen voor een expliciet genomen afwijkend gedoogbesluit. Dit afwijkende besluit moet en zal als zodanig ook naar buiten kenbaar worden gemaakt, zodat hierover democratisch verantwoording kan worden afgelegd. Uitgangspunt in de actieve handhaving is: 'Niet alles hoeft en kan tegelijkertijd en in dezelfde mate worden gehandhaafd'. Er zullen jaarlijks keuzes moeten worden gemaakt omtrent prioritering in norm en tijdsvolgorde. Hieruit volgt de volgende werkwijze: stellen van prioriteiten, actief onderzoeken en controleren, en snel ten uitvoer leggen van handhavingsbesluiten.

8.3 Middelen

Voor het actieve handhaven heeft de gemeente de volgende middelen tot haar beschikking:

  • voorlichting;
  • treffen van (fysieke) maatregelen die gewenst gedrag bevorderen;
  • toezicht;
  • sanctionering;
  • tenuitvoerlegging sancties.

Hoofdstuk 9 Procedure

9.1 Inspraak

Het voorontwerpbestemminqsplan 'Haps, Aalsvoorten' heeft op grond van de 'Inspraakverordening ‘Cuijk 2005' met ingang van 7 juni 2017 tot en met dinsdag 5 juli 2017 gedurende vier weken ter inzage gelegen, De stukken waren gedurende die termijn ook digitaal raadpleegbaar op www.ruimtelijkeplannen.nl. Gedurende de termijn van terinzagelegging heeft iedereen mondeling of schriftelijk zijn inspraakreactie kenbaar kunnen maken. De kennisgeving van de terinzagelegging is gepubliceerd op de website van 'Officiële bekendmakingen' en is aangekondigd in de 'Maasdriehoek'.

Informatiebijeenkomst

Op 27 juni 2017 is een informatiebijeenkomst georganiseerd in De Posthoorn te Haps. Tijdens de bijeenkomst is door de initiatiefnemer een toelichting gegeven op het plan en konden vragen worden gesteld. De avond is bezocht door een dertigtal mensen.

Ingekomen inspraakreacties voorontwerpbestemmingsplan

Naar aanleiding van de terinzagelegging van het voorontwerpbestemmingsplan is één inspraakreacties ingediend namens 23 tal omwonenden:

  • Op 19 juni 2017 door bewoners van de Rozenhof 1,2,3,4.5.6,7.8,9.10,12,13,14,15,16, 17, 18,20,21 te 5443 CA Haps; Aalsvoorten 9, 19 en 21 te 5443 CD Haps; Kampsestraat 2a te 5443 AK Haps.

In de bijgevoegde Nota van Inspraak en wettelijk vooroverleg, heeft de gemeente Cuijk deze inspraakreactie inhoudelijk behandeld. De inspraakreactie heeft aanleiding gegeven zowel de plantoelichting, de planregels als de verbeelding aan te passen.

Voor de inhoud van de inspraakreactie, de reactie hierop van de gemeente Cuijk en de doorgevoerde aanpassingen in het plan, wordt verwezen naar de Nota van Inspraak en wettelijk vooroverleg die als bijlage 11 integraal deel uitmaakt van deze plantoelichting.

9.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro

In het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het voorontwerpbestemmingsplan digitaal toegezonden aan:

  • 1. Waterschap Aa en Maas;
  • 2. Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant;
  • 3. Regionale Brandweer Brabant-Noord;
  • 4. Rijkswaterstaat;
  • 5. Ministerie van Defensie.

Gedurende de termijn van terinzagelegging is in het kader van het wettelijk vooroverleg een reactie ingediend door:

  • 1. Waterschap Aa en Maas;
  • 2. Regionale Brandweer Brabant-Noord;
  • 3. Provincie Noord-Brabant.

In de bijgevoegde Nota van Inspraak en wettelijk vooroverleg, heeft de gemeente Cuijk deze reacties inhoudelijk behandeld. De reacties hebben aanleiding gegeven zowel de plantoelichting als de verbeelding aan te passen.

Voor de inhoud van de reacties, de reactie hierop van de gemeente Cuijk en de doorgevoerde aanpassingen in het plan, wordt verwezen naar de Nota van Inspraak en wettelijk vooroverleg die als bijlage 11 integraal deel uitmaakt van deze plantoelichting.

9.3 Procedure ontwerpbestemmingsplan

Overeenkomstig artikel 3.8 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening heeft het ontwerpbestemmingsplan vanaf woensdag 8 november 2017 tot en met dinsdag 19 december 2017 ter inzage gelegen bij de publieksbalie in het gemeentehuis en op www.ruimtelijkeplannen.nl, onder ID-nummer: NL.IMRO.1684.02BPAalsvoorten-ON01.

Bekendgemaakt is dat eenieder gedurende deze termijn zowel schriftelijk als mondeling zijn zienswijze omtrent het ontwerpplan kenbaar kon maken bij de gemeenteraad. Naar aanleiding van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan zijn er zienswijzen ingediend.

Voor de inhoud van de reacties en de reactie hierop van de gemeente Cuijk wordt verwezen naar de Nota van Zienswijzen die als bijlage 12 integraal deel uitmaakt van deze plantoelichting.