| Plan: | Drouwenermond, Zuiderdiep 30 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1681.07BP0004-VG01 |
De initiatiefnemer heeft een akkerbouwbedrijf op het adres Zuiderdiep 30 te Drouwenermond. Om het bedrijf voldoende continuïteit te bieden en voor uitbreiding van de bedrijfsgebouwen aan de achterzijde van zijn agrarisch bouwperceel voor stalling van het materiaal is uitbreiding van het agrarisch bouwblok naar 1,5 ha noodzakelijk.
De locatie van het plangebied ligt in de lintbebouwing van Drouwenermond in de gemeente Borger-Odoorn. Op onderstaande afbeelding is de ligging globaal weergegeven.
Afbeelding 1: Ligging plangebied
In hoofdstuk 2 worden de huidige en de toekomstige situatie van het plangebied beschreven. Hoofdstuk 3 gaat in op het beleid van het Rijk, de provincie en de gemeente. In hoofdstuk 4 worden de uitgevoerde onderzoeken beschreven. De juridische aspecten van het plan komen in hoofdstuk 5 aan de orde. Hoofdstuk 6 behandelt de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.
In de huidige situatie staan er naast de bedrijfswoning, een schuur en een tweetal grote bedrijfsgebouwen.
Afbeelding 2: Huidige situatie
Het formeel geldend planologisch kader is bepaald in het bestemmingsplan Drouwenermond van de gemeente Borger-Odoorn. Het perceel heeft daarin de bestemming "Agrarisch", en tevens de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3" . Voor het bedrijf is een bouwblok opgenomen.
De geplande uitbreiding ligt voor een deel nog in het bestemmingsplan Buitengebied. Het ontwerp van het plan heeft tot en met 9 mei 2018 ter inzage gelegen. Aansluitend op het bestemmingsplan Drouwenermond heeft het perceel binnen het nieuwe bestemmingsplan Buitengebied de bestemming "Agrarisch" en tevens de bestemming "Waarde - Landschap en cultuurhistorie 3" binnen het plan Buitengebied.
De initiatiefnemer heeft een verzoek ingediend bij de gemeente Borger-Odoorn voor de uitbreiding van het agrarisch bouwblok tot 1,5 ha. Het college heeft in principe ingestemd met de voorgenomen uitbreiding door mee te werken aan de voorbereiding van een bestemmingsplan.
Voor de huidige bedrijfsvoering is op het perceel een bouwblok opgenomen van 1 ha groot. Het is gebleken dat de huidige agrarisch bouwblok niet volstaat. Ten opzichte van 5 jaar geleden zijn de verwerkings- en sorteerbewegingen in het bedrijf toegenomen. Activiteiten die hoofdzakelijk in de bestaande schuur plaatsvinden. Hier zijn ook de schaftruimte en de toiletten te vinden. De uitbreiding is in het bijzonder noodzakelijk in verband met toegenomen opslag. Zo gaat het om een uitbreiding van de opslag van uien van eerder 400 ton naar gemiddeld 1500 tot 2000 ton. Bij het eerste plan was nog geen sprake van tulpen. Inmiddels gaat het om de opslag van ongeveer 1400 kisten minimaal met tulpen. Eerdere vestiging ging nog uit van een bedrijf met een omvang van 180 ha. Inmiddels gaat het om 250 ha met intensieve teelt van tulpen en uien. Verder kan worden vastgesteld dat meer machines en materialen buiten worden opgeslagen. Deze daardoor meer onderhoud vragen. Door stalling zullen de machines en de materialen langer meegaan.
Kortom om het bedrijf toekomstbestendig te maken is een bouwblok van 1,5 ha noodzakelijk. De gewenste uitbreiding van het bouwblok ligt in het verlengde van het huidig bouwblok. De oppervlakte van de bedrijfswoning wordt meegerekend bij de totale oppervlakte van het agrarisch bouwblok. Op onderstaande schets is de uitbreiding in grote lijnen aangegeven.
Afbeelding 3: Toekomstige situatie
Landschappelijke inpassing
De uitbreiding van het bouwblok en het toestaan van bebouwing heeft geen invloed op de landschappelijke hoofdstructuur. De voorgenomen ontwikkeling zal landschappelijk worden ingepast en wordt getoetst aan het kwaliteitsdocument Buitengebied Borger-Odoorn. Het erfinrichtingsplan is als Bijlage 2 bij de toelichting gevoegd.
Op 13 maart 2012 is de nationale Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) van kracht geworden.
In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geeft het Rijk haar visie aan op de ruimtelijke- en mobiliteitsopgaven voor Nederland richting 2040. Dit betreft een nieuw, integraal kader dat de basis vormt voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. Voor de periode tot 2028 zijn de ambities van het Rijk in drie Rijksdoelen uitgewerkt:
Het Rijksbeleid met betrekking tot de landbouw is niet zozeer gericht op de (on)mogelijkheden met betrekking tot de bedrijfsvoering, maar meer op de landbouw in relatie tot het omringende landschap, onder meer op het gebied van natuur, milieu en waterbeheer. Het Rijk zet in op de verduurzaming van het Europees Landbouwbeleid (GLB) waarbij grondeigenaren kunnen worden gestimuleerd en beloond bij maatschappelijke prestaties op de voorgenoemde terreinen.
Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden zijn behouden, is één van de Rijksdoelen. Om flora- en faunasoorten in staat te stellen om op lange termijn te overleven en zich te ontwikkelen, is het behoud van leefgebieden en de mogelijkheid om zich te kunnen verplaatsen tussen leefgebieden essentieel. In het rijksbeleid worden de (begrensde) gebieden van de (herijkte) NNN (Natuur Netwerk Nederland, voorheen EHS) aangemerkt als onderdeel van de nationale Ruimtelijke Hoofdstructuur. Binnen de door het Rijk gestelde kaders begrenzen, beschermen en onderhouden de provincies dit natuurnetwerk met de juiste ruimtelijke, water- en milieucondities voor kenmerkende ecosystemen van (inter-)nationaal belang. Nieuwe plannen, projecten of handelingen binnen het NNN zijn slechts toegestaan als de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied niet worden aangetast.
Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling is niet strijdig met de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte.
Voor de provincie geldt de Omgevingsvisie Drenthe 2018. De Omgevingsvisie is het strategisch kader voor de ruimtelijk - economische ontwikkeling van Drenthe voor de periode tot 2030 met in sommige gevallen een doorkijk naar de periode daarna.
Het doel van de omgevingsvisie is het koesteren van kwaliteiten en het ontwikkelen van een bruisend Drenthe, passend bij die kwaliteiten. Het is een streven naar ruimtelijke kwaliteit door nieuwe ontwikkelingen en behoud van bestaande kwaliteiten. De missie is "het ontwikkelen van een bruisend Drenthe, passend bij de kernkwaliteiten die de provincie rijk is". Gestreefd wordt naar ruimtelijke kwaliteit door nieuwe ontwikkelingen en bestaande kwaliteiten in samenhang te bezien.
De belangrijkste doelstelling van het nieuwe omgevingsbeleid, is het behouden en creëren van ruimtelijke kwaliteit, die de provincie definieert als de optelsom van de gebruikswaarde, de belevingswaarde en de toekomstwaarde van omgevingen. De provincie onderscheidt een aantal kernkwaliteiten die samen voor een hoge ruimtelijke kwaliteit in Drenthe zorgen. Behoud en ontwikkeling van deze kernkwaliteiten staan centraal in het provinciale beleid. Voor een omgeving als die van de betreffende locatie zijn met name de volgende kernkwaliteiten relevant:
Naast ruimtelijke kwaliteit staan in de Omgevingsvisie zorgvuldig ruimtegebruik en het beschermen van de milieu- en leefomgevingskwaliteit centraal.
In de Omgevingsvisie zijn de provinciale belangen benoemd, waarmee gemeenten rekening dienen te houden bij het opstellen van bestemmingsplannen. De provinciale belangen zijn verdeeld in Drentse kwaliteiten en ontwikkelingen. Binnen de Drentse kwaliteiten staat het behoud en de ontwikkeling van de kernkwaliteiten, de dynamiek van bedrijvigheid, de biodiversiteit en de milieu- en leefomgevingskwaliteit centraal.
De Omgevingsvisie is gefundeerd op drie onderdelen, namelijk de kernkwaliteiten, zorgvuldig ruimtegebruik (SER-ladder) en de milieu- en leefomgevingskwaliteit. Daarnaast staat de kernwaarde bedrijvigheid centraal. Deze is gelijkwaardig aan de kernkwaliteiten. Bij een beoordeling vindt een integrale afweging plaats.
Ad 1: Kernkwaliteiten
De locatie ligt in het gebied 'Landschap van de veenkoloniën'. Van provinciaal belang is de samenhang tussen het systematische ontginningspatroon van grootschalige openheid met kenmerkende wijkenstructuur en de bebouwingslinten met daaruit opgaande percelen. Het provinciaal beleid is gericht op:
Bij de planvorming van de locatie is rekening gehouden met de cultuurhistorische waarden van het landschap van de locatie en de omgeving.
Voor de kernkwaliteit aardkundige waarden geldt voor de locatie het middel 'respecteren'. In deze gebieden wil de provincie de lokale aardkundige kenmerken voor de toekomst bewaren. Vanuit dit aspect zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.
Voor de kernkwaliteit archeologie is het beschermingsregime 'verwachting toetsen' van toepassing, waarbij geldt dat behoudenswaardige vindplaatsen niet ongezien kunnen verdwijnen. In paragraaf 4.4 is nader ingegaan op archeologie.
Voor de kernkwaliteit cultuurhistorie is het beschermingsregime 'eisen stellen' in deze gebieden wil de provincie de lokale cultuurhistorische kenmerken voor de toekomst bewaren. In paragraaf 4.4 is nader ingegaan op cultuurhistorie.
Ad 2: SER-ladder
Nieuwe ruimtevragende ontwikkelingen op het gebied van niet aan het buitengebied gebonden woon- en werklocaties zijn pas toegestaan als blijkt dat dit op basis van de SER-ladder gerechtvaardigd is. De voorgenomen ontwikkeling betreft een aan het buitengebied gebonden functie. Daarom hoeft niet nader te worden ingegaan op de SER-ladder.
Ad 3: Milieu- en leefomgevingskwaliteit
De milieubelasting in Drenthe is relatief gering en neemt, met uitzondering van ammoniak, steeds verder af. De gewenste kwaliteit wordt echter nog niet overal bereikt. Het doel is dat in Drenthe minimaal aan de wettelijke milieunormen wordt voldaan en er wordt gestreefd naar behoud en waar mogelijk verbetering van de huidige milieu- en leefomgevingskwaliteit.
De uitvoering van het milieubeleid in Drenthe wordt in sterke mate gestuurd door Europese en landelijke wet- en regelgeving. Het provinciaal milieubeleid richt zich in hoofdlijnen op het vroegtijdig aanhaken bij processen in de ruimtelijke ordening, het opnemen van eisen in omgevingsvergunningen milieu (milieuvergunningen), het saneren van situaties die niet aan de milieunorm voldoen, het concentreren en zoneren van milieuhinderlijke bedrijven en het verlenen van subsidies.
Met het voorliggende plan vindt een koppeling plaats tussen het milieubeleid en het proces van de ruimtelijke ordening. In Hoofdstuk 4 is nader ingegaan op de milieutechnische randvoorwaarden bij de voorgenomen ontwikkeling.
Robuust landbouwsysteem
De provincie stelt de Drentse agribusiness in staat haar positie op de Europese en wereldmarkt te versterken. Ook voor de landbouw wordt om die reden gestreefd naar een robuust systeem. Daarom worden onder andere gebieden aangewezen waar de landbouw de ruimte krijgt om zich te ontwikkelen, door innovatie in de landbouw te stimuleren en door minder beperkingen op te leggen.
De locatie ligt in het gebied 'Landbouwgebied plus' en 'Proefgebied Landbouw'. In deze gebieden heeft de landbouw nog verdere mogelijkheden, zoals schaalvergroting en meer geïndustrialiseerde vormen van landbouw. Ook zijn dit de voorkeursgebieden voor het verplaatsen en het inplaatsen van agrarische bedrijven. De kernkwaliteiten spelen in deze gebieden een ondergeschikte rol. Dit betekent dat bij de belangenafweging het belang van de landbouw zwaarder weegt dan dat van de kernkwaliteiten. Er vindt wel een afweging tussen beide plaats. Wanneer de gewenste ontwikkeling niet kan samengaan met de aanwezige kernkwaliteiten, moet dit worden onderbouwd. In deze gebieden is geen ruimte voor andere grootschalige functies, zoals nieuwe grootschalige verblijfsrecreatie, natuur en vestiging van landgoederen en woonmilieus.
Grondgebonden agrarische bedrijven
Agrarische bedrijven die zich verder willen ontwikkelen, hebben vaak behoefte aan uitbreiding of nieuwbouw van bedrijfsgebouwen. Uitbreiding van het bouwvlak moet ruimtelijk worden ingepast. Hierbij moeten de kernkwaliteiten (kaarten 2a t/m 2f) in acht worden genomen.
Voor de gebieden met de aanduiding ‘landbouwgebied’ (kaart 6, Robuust landbouwsysteem) zijn de gemeenten verantwoordelijk voor het vaststellen van de maximale oppervlaktemaat. Voor de multifunctionele gebieden is de maximale grootte van het bouwblok 1,5 hectare. Onder voorwaarde van ruimtelijke inpassing is een verdere vergroting mogelijk.
Wanneer aantoonbaar andere provinciale doelen worden gehaald (bijvoorbeeld uitplaatsing uit de NNN), hoeft de grootte van een agrarisch bouwvlak onze medewerking niet in de weg te staan. We streven in die gevallen samen met de betrokken partijen naar een oplossing op maat.
Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling past binnen de uitgangspunten van de Provinciale Omgevingsvisie.
De uitgangspunten uit de omgevingsvisie zijn vertaald naar regels voor ruimtelijke plannen in de Omgevingsvisie Drenthe. Het plan is in overeenstemming met de regels uit de verordening.
Conclusie
De conclusie is dat de ontwikkeling die door middel van dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, past binnen de beleidskeuzes van de provincie en dat er geen afbreuk aan de kenmerken van het gebied wordt gedaan.
De gemeente Borger-Odoorn heeft op 9 december 2010 de Structuurvisie Borger-Odoorn vastgesteld. De structuurvisie geeft een ruimtelijk overzicht van bestaande visies en plannen om zo in de toekomst op samenhangende en integrale wijze de ruimtelijke ontwikkeling van Borger-Odoorn te kunnen sturen.
De structuurvisie zegt over grootschalige (innovatieve) landbouw, dat de pioniersgeest die het veengebied heeft gevormd, vormt nu de basis voor een hoogwaardig en innovatief landbouwgebied. Borger-Odoorn biedt ruimte voor innovatie op het gebied van energie, duurzame, logistieke verbindingen en waterbeheersing ten behoeve van grootschalige landbouw in de Veenkoloniën. Verder worden in de structuurvisie de volgende voelen van de gemeente binnen thema landbouw benoemd:
Specifiek voor het veengebied waar Zuiderdiep 30 zich bevindt, wordt soepel omgesprongen met het vergroten van bouwkavels ten behoeve van de landbouw, mits er geen milieuconflicten ontstaan door de aanwezigheid van woningen nabij de agrarische bedrijven. In de gebieden die gekenmerkt worden door grootschaligheid vormt landbouw de ruimtelijke drager van het gebied.
Conclusie
Bij de voorgenomen ontwikkeling gaat het om de uitbreiding van een bestaand agrarisch bedrijf en de ontwikkeling is daarom niet strijdig met de uitgangspunten van de Structuurvisie Borger-Odoorn.
De gemeente Borger-Odoorn heeft op 29 oktober 2009 de toekomstvisie Borger-Odoorn vastgesteld. In de toekomstvisie worden de ontwikkelingen benoemd waar de gemeente Borger-Odoorn de komende jaren mee te maken krijgt en hoe de gemeente met deze ontwikkelingen om zal gaan.
In de gemeente Borger-Odoorn komt de landbouw steeds meer onder druk te staan. Vele agrarische bedrijven zijn de afgelopen jaren gestopt met hun bedrijfsvoering. Daar tegenover staat dat de bedrijven die zijn overgebleven, steeds groter zijn geworden. Deze schaalvergroting zal volgens de gemeente de komende jaren doorzetten. Aan deze ontwikkeling wordt daarom ook ruimte geboden, om de agrarische bedrijven niet op slot te zetten. De kwaliteit van leven van de plattelandsbevolking is echter ook belangrijk. Deze wordt gewaarborgd door de steeds strengere milieueisen ten aanzien van geluids- en stankoverlast.
De mogelijkheden voor schaalvergroting in de landbouw verschillen per deelgebied. Op het Veen, waar de voorgenomen ontwikkeling zich bevindt, is ruimte voor uitbreiding van de huidige agrarische bedrijven zolang dit vanwege milieuhygiënische overwegingen en ruimtelijke beperkingen mogelijk is. Als uitbreiding op de huidige locatie niet mogelijk is zal het Veengebied ruimte moeten bieden aan nieuwe en grote akkerbouw- en veeteeltbedrijven. Deze bedrijven mogen echter niet de identiteit en de rust en ruimte van het gebied verstoren. Daarom is het van belang om clustering van agrarische bedrijven te stimuleren. Langs de wegen die parallel lopen aan de lintdorpen is ruimte voor bouwblokken die landschappelijk ingepast worden en waar ruimte geboden kan worden aan duurzame gebouwen. Innovatie, (bio-)energie en nieuwe bedrijvigheid dienen te worden gestimuleerd.
Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling is niet strijdig met de uitgangspunten van de Toekomstvisie Borger-Odoorn. Op de milieuhygiënische aspecten wordt verder ingegaan in hoofdstuk 4.
Ten aanzien van de bodemkwaliteit geldt de Wet bodembescherming (Wbb) en het (bijbehorende) Besluit bodemkwaliteit. Gestreefd wordt naar een duurzaam gebruik van de bodem. Bij een ruimtelijk plan moet de bodemkwaliteit van het betreffende gebied inzichtelijk worden gemaakt.
Hierbij is van belang te weten of ter plaatse van de percelen een bodemverontreiniging in de grond aanwezig is die de functiedoelen kan frustreren en de financiële haalbaarheid van de het ruimtelijke plan in gevaar kan brengen.
Hiervoor is wettelijk verplichte informatie over de bodemkwaliteit nodig. Het uitgangspunt wat betreft de bodem in het plangebied is, dat de kwaliteit ervan zodanig dient te zijn dat er geen risico's zijn voor de volksgezondheid bij het gebruik van het plangebied voor de voorgenomen functie(s).
Conclusie
Uit de beschikbare bodeminformatie bij de gemeente en de RUD Drenthe blijkt dat het aspect 'bodem' naar verwachting niet zal leiden tot belemmeringen van de voorgenomen ontwikkeling ter plaatse van het bestemmingsplangebied. Opgemerkt wordt dat in het kader van een aanvraag omgevingsvergunning activiteit bouw een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 nodig kan zijn.
Indien grond van het eigen terrein moet worden afgevoerd, dan dient deze verwerkt te worden conform de eisen van het Besluit Bodemkwaliteit. De mogelijkheden hiertoe kunnen worden vastgesteld na overleg met de betrokken overheidsinstanties.
Tijdens de nieuwbouw van de bedrijfsgebouwen is het zorgplichtbeginsel uit artikel 13 van de Wet bodembescherming van toepassing.
Het zorgplichtbeginsel verplicht degene die handelingen verricht waardoor de bodem kan worden verontreinigd of aangetast, alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd om de bodem te saneren en de directe gevolgen te beperken en zo veel mogelijk ongedaan te maken. Indien in de grond zintuigelijk duidelijk waarneembare verontreinigingen (zoals puin, koolas, asbest, afwijkende geur, verkleuringen, afval) aanwezig zijn, moeten de werkzaamheden ter stond worden gestaakt en contact opgenomen worden met gemeente Borger-Odoorn. Door middel van een bodemonderzoek moet de milieuhygiënische kwaliteit van de grond worden bepaald, waarna eventueel te nemen vervolgstappen kunnen worden bepaald.
Conclusie
Het aspect 'bodem' leidt niet tot belemmeringen van de voorgenomen ontwikkeling.
Op basis van Bedrijven en milieuzonering geldt voor akkerbouwbedrijven een grootste afstand van 30 m. Zelfs indien wordt uitgegaan van bloembollendroog- en prepareerbedrijven. De dichtsbijzijnde woning staat op een afstand van ongeveer 60 gerekend vanaf de dichtsbijzijnde erfgrens van het bestaande agrarisch bouwblok. De uitbreiding van het agrarisch bouwblok is ook nog eens aan de achterzijde gesitueerd, zodat de ontwikkeling geen probleem vormt voor wat betreft de Bedrijven en milieuzonering.
De Wet geluidhinder (Wgh) heeft tot doel de volksgezondheid en het milieu te beschermen tegen geluidsoverlast ten gevolge van weg-, spoorweg- of industrielawaai. In deze wet is een zonering van industrieterreinen, wegen en spoorwegen geregeld. Enerzijds betekent dit dat (geluids-)eisen worden gesteld aan de milieubelastende functies, anderzijds betekent dit dat beperkingen worden opgelegd aan milieugevoelige functies.
De verplichting tot het uitvoeren van een akoestisch onderzoek in relatie tot het opstellen van een bestemmingsplan geldt indien in dat bestemmingsplan mogelijkheden worden geboden voor het realiseren van nieuwe woningen en andere geluidgevoelige objecten.
Het plan betreft de vergroting van het agrarisch bouwvlak van het perceel. Nieuwe geluidgevoelige objecten in het kader van wegverkeerslawaai, industrielawaai en spoorweglawaai worden hiermee niet mogelijk gemaakt.
In algemene zin kan worden opgemerkt dat het bedrijf zal moeten voldoen aan de geluidsvoorschriften van de vergunning, danwel de eisen op basis van het Activiteitenbesluit. Gelet op de afstand tot de naastgelegen woningen wordt verwacht dat het bedrijf hieraan kan voldoen. Er is volgens de RUD sprake van waarborgen van een goed woon- en leefklimaat.
Conclusie
Het aspect geluid levert geen beperkingen op voor het voorliggende plan.
De voorgenomen ontwikkeling maakt geen gevoelige functies mogelijk en betreft zelf geen risicovolle inrichting. Verder kan worden opgemerkt dat de locatie op tenminste 1 kilometer afstand is gelegen van de N374. In de directe omgeving zijn geen risicovolle inrichtingen gevestigd. Het aspect 'externe veiligheid' is hier dus niet aan de orde.
De RUD is gevraagd advies uit te brengen ten aanzien van het onderdeel externe veiligheid. In het advies wordt melding gemaakt van een aardgastransportleiding die op 25 meter vanaf de planlocatie is gelegen. Echter deze transportleiding is buiten gebruik gesteld in begin 2018 vanwege de sluiting van de Gaszuiveringsinstallatie in Emmen.
De leiding heeft geen consequenties meer voor het plangebied.
Op de verbeelding van het aangrenzende bestemmingsplan Buitengebied is de ligging van deze aardgastransportleiding met bijbehorende belemmeringenstrook nog wel zichtbaar. In het kader van dit bestemmingsplan hoeft hieraan verder geen aandacht te worden besteed.
Met betrekking tot luchtkwaliteit moet rekening worden gehouden met het gestelde in de Wet Milieubeheer, hoofdstuk 5, titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen en de bijbehorende bijlagen. Op basis van artikel 5.16 Wm kan, samengevat, een bestemmingsplan of ruimtelijke onderbouwing worden vastgesteld, indien:
Van een verslechtering van de luchtkwaliteit "in betekenende mate" als bedoeld onder c is sprake indien zich één van de volgende ontwikkelingen voordoet:
Het bestemmingsplan betreft slechts de uitbreiding van een agrarisch bouwblok en maakt de bouw van schuren mogelijk en daarom kan geconcludeerd worden dat door de ontwikkeling, die in het onderhavige bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, de luchtkwaliteit niet "in betekenende mate" zal verslechteren. Derhalve hoeft niet nader op het aspect luchtkwaliteit te worden ingegaan.
De geplande vergroting van het agrarisch bouwblok is gepland op agrarisch grond aansluitend aan het huidige agrarische bouwblok.
Conclusie
Het aspect 'ecologie' levert geen belemmeringen op bij de voorgenomen ontwikkeling.
Algemeen
Op grond van paragraaf 3.1, in het Besluit Ruimtelijke Ordening, moeten ruimtelijke plannen worden afgestemd met o.a. de waterschappen. Hiervoor moet bij het waterschap Hunze en Aa's het proces van de digitale watertoets worden doorlopen. Bij het watertoetsproces gaat het om het hele proces van vroegtijdig meedenken, informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Waterschap Hunze en Aa's beoordeelt wat de invloed van het plan op de waterhuishouding is en geeft een wateradvies. In maart 2018 is de digitale watertoets ingevuld ten behoeve van de ontwikkeling. Op basis van de ingevulde gegevens heeft het waterschap een reactie afgegeven, die als Bijlage 1 bij dit plan is gevoegd.
Over de wijze waarop het waterschap betrokken dient te worden bij ruimtelijke plannen is terug te vinden in Bijlage 1.
Voor wat betreft de te bepalen compensatie bij toename verharding is rekening gehouden bij het erfbeplantingsplan, dit plan is als Bijlage 2 bij deze toelichting gevoegd.
Het hemelwater wordt los gekoppeld van de riolering ter plaatse. Uitgangspunt is infiltratie in de bodem. Echter bij grote pieken biedt de bestaande sloot voldoende capaciteit om deze pieken op te vangen. De bestaande sloot zal voor zover mogelijk worden verlengd en iets worden verbreed, zodat de capaciteit toeneemt.
Verder kan worden opgemerkt dat alle agrarische bedrijven vallen onder het Activiteitenbesluit. Voor akkerbouwbedrijven gelden aanvullende voorschriften voor de toepassing van bestrijdingsmiddelen en kunstmest. In het Activiteitenbesluit is een lozingsverbod opgenomen van verontreinigd hemelwater dat rechtstreeks afstroomt van het verharde erf naar het oppervlaktewater (=erfafspoelwater). Bij de inrichting van het plan moet rekeningen worden gehouden met de voorschriften uit het Activiteitenbesluit. Voor het Activiteitenbesluit geldt een meldingsplicht bij het waterschap.
Betrokkenheid van Waterschap
Vanuit het Activiteitenbesluit zal het waterschap in ieder geval betrokken worden bij de totstandkoming van de plannen. Voor een deel zal de uitgangspuntennotitie zoals verwoord in Bijlage 1 bepalend zijn voor de vergroting van het agrarisch bouwblok en de bouw van de bedrijfshal. Deze uitgangspuntennotitie is afgestemd op uw geselecteerd plangebied. Voor alle water gerelateerde onderwerpen die van toepassing zijn, zijn adviezen opgenomen in dit document.
Bouwplan
De vergroting van het agrarisch bouwblok heeft alles te maken met het nieuw realiseren van opslagruimte. In de nieuwe bedrijfshal zullen geen voorzieningen worden gemaakt als toiletgebouwen en wasgelegenheid. Met andere woorden er is geen sprake van huishoudelijk afvalwater. De hiervoor genoemde voorzieningen zijn al aanwezig in de bestaande bedrijfshal.
Conclusie
In het kader van het Activiteitenbesluit wordt het waterschap actief betrokken bij de planvorming (vergroting agrarisch bouwblok en bouw van de bedrijfshal). Tijdens de bestemmingsplanprocedure wordt nader overleg gepleegd met het waterschap. Mits wordt voldaan aan de nog door het waterschap te stellen voorwaarden levert de ontwikkeling wat betreft het aspect water geen problemen op.
Cultuurhistorie
Als gevolg van het rijksbeleid ten aanzien van de monumentenzorg, is per 1 januari 2012 een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening van kracht. De wijziging betreft artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a, als gevolg waarvan alle cultuurhistorische waarden uitdrukkelijk dienen te worden mee gewogen bij het vaststellen van ruimtelijke plannen. Dit betekent dat in aanvulling op de archeologische aspecten nu ook de overige cultuurhistorische waarden moeten worden betrokken in het onderzoek.
Wat zijn cultuurhistorische waarden? De Memorie van Toelichting bij het Besluit ruimtelijke ordening zegt met betrekking tot artikel 3.1.6 het volgende:
Bij cultuurhistorische waarden gaat het over de positieve waardering van sporen, objecten, patronen en structuren die zichtbaar of niet zichtbaar onderdeel uitmaken van onze leefomgeving en een beeld geven van een historische situatie of ontwikkeling. In veel gevallen bepalen deze cultuurhistorische waarden de identiteit van een plek of gebied en bieden ze aanknopingspunten voor toekomstige ontwikkelingen. Deze cultuurhistorische elementen kan men niet allemaal als beschermd monument of gezicht aanwijzen, maar zijn wel onderdeel van de manier waarop we ons land beleven, inrichten en gebruiken.
Het veengebied in de gemeente Borger-Odoorn kenmerkt zich door de openheid.
Het contrast tussen het coulissenlandschap en het grootschalige open landschap is uniek. Nieuwe bebouwing vindt daarom plaats binnen de structuur van de linten. Dit geldt ook voor agrarische bebouwing. Uitzondering hierop is de mogelijkheid van clustering van agrarische bedrijven langs de 2/3e weg tussen Nieuw-Buinen en 1e Exloërmond. Door clustering wordt de openheid zoveel mogelijk behouden.
Bij de ontwikkeling van dit plan is rekening gehouden met de concentratie van bebouwing in het lint van Drouwenermond. Verder zal het plan moeten voldoen aan de algemene uitgangspunten voor erfbeplanting, zoals opgenomen in de Kwaliteitsdocument Borger-Odoorn en meer specifiek aan het landschappelijk inpassingsplan (erfinrichitngsplan), zoals dat in Bijlage 2 bij deze toelichting is opgenomen.
Archeologie
Binnen de archeologie in Nederland kan op basis van de Archeologische Monumentenkaart (AMK) en de Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IKAW) worden vastgesteld dat de locatie niet is aangemerkt als van Archeologische waarde, Hoge archeologische waarde en/of Zeer hoge archeologische waarde, beschermd.
Volgens de gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart is op deze locatie sprake van een middelhoge of lage archeologische verwachting. Het gaat hierbij om Veenkoloniale ontginnngsvlakte. Deze gronden zijn al behoorlijk verstoord door de veenkoloniale ontginning en vaak ook door latere ruilverkavelingen. Hoewel het dekzand onder het veen nog wel intact zou kunnen zijn, blijkt uit de aanwezigheid van (een winbare hoeveelheid) veen wel dat de afwatering van dergelijke locaties niet goed was. Deze omstandigheden waren dus minder geschikt voor prehistorische nederzettingen. Uitgangspunt is dat tijdens de graafwerkzaamheden een veldinspectie wordt gehouden. De inspectie houdt in dat een archeologische begeleiding achteraf plaatsvindt. Tijdens de graafwerkzaamheden is er geen archeoloog aanwezig. Bij bodemontsluitingen worden deze direct nadat ze zijn gegraven, geïnspecteerd op het voorkomen van archeologische resten. Er kan alleen in zeer uitzonderlijke gevallen voor een veldinspectie worden gekozen, bijvoorbeeld omdat er een lage archeologische verwachting voor een gebied geldt, maar er desondanks een controle dient plaats te vinden. Een veldinspectie wordt als zodanig niet genoemd in de KNA.
Wijziging archeologische beleidsadvieskaart
Op 9 oktober 2014 heeft de gemeenteraad van Borger-Odoorn een wijziging van de archeologische beleidsadvieskaart vastgesteld. De vrijstelling voor gebieden met een hoge of middelhoge verwachting (al dan niet verstoord) die een vrijstelling van archeologisch onderzoek hebben voor bodemingrepen van minder dan 500 m², wordt vergroot tot 1000 m². Deze wijziging is op 13 november 2014 van kracht geworden. Deze verruiming zal vertaald worden in de gemeentelijke bestemmingsplannen en ook als toetscriterium worden gebruikt voor ontwikkelingen waar een bodemingreep bij nodig is.
Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling past binnen het beleid op cultuurhistorie en archeologie. Er wordt toegezien op een veldinspectie achteraf.
Een bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, een verbeelding en regels. Het bestemmingsplan is opgesteld conform de nieuwe Wet ruimtelijke ordening welke op 1 juli 2008 in werking is getreden.
De voor dit plan gestelde bouw- en gebruiksregels zijn opgenomen in artikel 3: "Agrarisch". Dit artikel legt het gebruik van de gronden vast, alsmede het oppervlakte en de maatvoering van de agrarische bedrijfsbebouwing. Binnen deze bestemming is tevens een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor de erfinrichting. Dit houdt in dat de nieuw gewenste bedrijfsbebouwing pas gebouwd kan worden als invulling is gegeven aan het erfinrichtingsplan. De bouw wordt mede afhankelijk gesteld van eventuele watercompensatie.
De verbeelding is opgesteld volgens de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012).
De opzet van de regels is zodanig dat is aangesloten op nieuwe wettelijke regelingen, namelijk de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het nieuwe Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Tevens sluiten de regels aan bij de nieuwe eisen conform de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2008 (SVBP 2012).
De inleidende regels (begrippen en wijze van meten) sluiten aan bij de eisen van de nieuwe Bro. Dit geldt tevens voor de opzet van het overgangsrecht bouwwerken, het overgangsrecht gebruik en de anti-dubbeltelbepaling.
Het bestemmingsplan is overeenkomstig artikel 3.1.3 van het Besluit ruimtelijke ordening vervat in:
Het bestemmingsplan Drouwenermond, Zuiderdiep 30 wordt conform artikel 3.9a van de Wet ruimtelijke ordening voorbereid met de procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Dat betekent dat er gelegenheid wordt gegeven voor het indienen van zienswijzen.
Vooroverleg
Het voorontwerpplan is aan de provincie Drenthe opgestuurd voor advies. De provincie heeft bij brief van 16 augustus 2018 laten weten dat als het plan overeenkomstig het voorontwerp in procedure wordt gebracht, met als aandachtspunten de situering van de bebouwing, duidelijkheid over wijkstructuur en bovengenoemde aanpassing in de toelichting cultuurhistorie, er geen aanleiding is in te grijpen vanuit het provinciaal belang. De brief is als Bijlage 3 bij deze toelichting gevoegd.
In het kader van het vooroverleg is een reactie gekomen van het Waterschap Hunze en Aa's. Zij adviseren in artikel Waarde - Archeologie 3 het artikel 5.4.1. onder g te verwijderen uit de regelgeving. Aangegeven kan worden dat de bestemming 'Waarde - Archeologie 3' in zijn geheel is verwijderd. De brief van het waterschap is als Bijlage 4 bij deze toelichting gevoegd.
De RUD heeft bij advies van 25 juli 2018 een vooroverlegreactie gegeven op het plan. De verschillend genoemde aspecten/opmerkingen over bodem, externe veiligheid, geluid, luchtkwaliteit en milieu algemeen zijn in de toelichting verwerkt. Verwezen wordt naar met name hoofdstuk 4 van dit plan. Het advies is als Bijlage 5 bij deze toelichting gevoegd.
Dit project is een particulier initiatief en heeft voor de gemeente geen financiële gevolgen. Er hoeft geen exploitatieplan op grond van artikel 6.12 Wro opgesteld te worden. Voor eventuele planschade is een planschadeovereenkomst gesloten.
juli 2019