Artikel 1 Begrippen
In deze regels wordt verstaan onder:
1.1 het plan:
het bestemmingsplan ‘Bestemmingsplan Nieuwe weg 3 Nieuwerkerk', met identificatienummer NL.IMRO.1676.00372BphNK961034-VA01 van de gemeente Schouwen-Duiveland.
1.2 bestemmingsplan:
de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen.
1.3 aanduiding:
Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.
1.4 aan- en uitbouw:
een aan een hoofdgebouw gebouwd gebouw dat in bouwkundig opzicht te onderscheiden is van het hoofdgebouw.
1.5 aan-huis-gebonden beroep:
een dienstverlenend beroep, dat in een woning door de bewoner wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is.
1.6 agrarisch bedrijf:
een bedrijf, gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren, nader te onderscheiden in:
- grondgebonden agrarisch bedrijf:
- akker- en vollegrondstuinbouw: de teelt van gewassen op open grond, daaronder niet begrepen sier-, fruit- en bollenteelt;
- bollenteelt: de teelt van bloembollen al dan niet in samenhang met de teelt van bolbloemen;
- fruitteelt: de teelt van fruit op open grond;
- grondgebonden veehouderij: het houden van melk- en ander vee (nagenoeg) geheel op open grond waarvoor in de bedrijfsvoering de weidegang essentieel is;
- paardenfokkerij: het fokken van paarden en het houden van paarden ten behoeve van de vlees- en / of melkproductie;
- sierteelt: de teelt van siergewassen op open grond al dan niet gecombineerd met de handel in boom- kwekerijgewassen en vaste planten;
- aquacultuur: de teelt van (zout)watergebonden organismen waaronder begrepen zagers, schelpdieren en vissen;
- overige teelten van gewassen of dieren al dan niet in gebouwen.
1.7 agrarisch deskundige:
de agrarische adviescommissie van de Vereniging van Zeeuwse Gemeenten dan wel een andere door burgemeester en wethouders aan te wijzen onafhankelijke deskundige of onafhankelijke commissie van deskundigen op het gebied van land- en tuinbouw.
1.8 antennedrager:
antennemast of andere constructie bedoeld voor de bevestiging van een antenne.
1.9 antenne-installatie:
installatie bestaande uit een antenne, een antennedrager, de bedrading en de al dan niet in een techniekkast opgenomen apparatuur, met de daarbij behorende bevestigingsconstructie.
1.10 archeologisch deskundige:
een door burgemeester en wethouders aan te wijzen onafhankelijke en als zodanig geregistreerde deskundige op het gebied van archeologisch onderzoek, in het bezit van een opgravingsbevoegdheid.
1.11 archeologisch onderzoek:
onderzoek naar de aanwezigheid van archeologische waarden verricht door of namens een dienst of instelling die over een opgravingsvergunning beschikt.
1.12 archeologische waarden:
de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende overblijfselen uit oude tijden.
1.13 bebouwing:
één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.
1.14 bedrijf:
een onderneming gericht op het vervaardigen, bewerken, herstellen, installeren of inzamelen van goederen.
1.15 bedrijfsmatige exploitatie van verblijfsrecreatie:
het via een bedrijf, stichting of andere rechtspersoon exploiteren en beheren van een verblijfsrecreatief complex, gericht op het als onderneming jaarlijks aanbieden van recreatief verblijf aan meerdere, steeds wisselende personen.
1.16 bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen:
afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen, die op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan tot stand zijn gekomen of tot stand kunnen komen met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet.
1.17 bestemmingsvlak:
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.
1.18 Bevi-inrichtingen:
bedrijven zoals bedoeld in artikel 2 lid 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen.
1.19 bijgebouw:
een met het hoofdgebouw verbonden of daarvan vrijstaand gebouw dat ten dienste staat van het hoofdgebouw en door zijn ligging, constructie of afmetingen ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.
1.20 boerderij- en streekproducten:
al dan niet bewerkte agrarische producten, afkomstig van het eigen agrarische bedrijf of van andere agrarische bedrijven uit de streek (Schouwen-Duiveland).
1.21 boog- en gaaskassen:
al dan niet verplaatsbare gebouwen, overtrokken met en omsloten door lichtdoorlatend materiaal anders dan glas, ten behoeve van de teelt van gewassen.
1.22 bouwen:
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk.
1.23 bouwmarkt:
een al dan niet overdekt detailhandelsbedrijf, waarin een assortiment aan bouwmaterialen en doe-het-zelfproducten uit voorraad wordt aangeboden.
1.24 bouwperceel:
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.
1.25 bouwvlak:
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten.
1.26 bouwwerk:
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.
1.27 containerveld:
een specifieke vorm van een permanente teeltondersteunende voorziening waarbij grond is voorzien van een afdeklaag van plastic, antiworteldoek, beton en/of andere materialen, ten behoeve van de teelt van gewassen. De gewassen worden op deze afdeklaag los van de ondergrond geteeld in potten. De maximale hoogte bedraagt 1,5 meter.
1.28 cultuurhistorische waarde:
de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde in verband met ouderdom en gaafheid.
1.29 dakkapel:
een constructie ter vergroting van een gebouw, die zich tussen de dakgoot en de nok van een dakvlak bevindt, waarbij deze constructie onder de noklijn is gelegen en de onderzijde van de constructie in het dakvlak is geplaatst.
1.30 detailhandel:
het bedrijfsmatig, of in een omvang als ware zij bedrijfsmatig, te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ten verkoop), verkopen en leveren van goederen aan personen die de goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.
1.31 evenementen:
gebeurtenissen, gericht op een groot publiek, op het gebied van kunst, sport, ontspanning en cultuur.
1.32 extensieve dagrecreatie:
kleinschalige extensieve recreatieve activiteiten gericht op de beleving van het buitengebied, zoals wandelen, fietsen, skaten, paardrijden, kanoën, vissen, zwemmen en natuurobservatie.
1.33 gastenverblijf:
een aan- of uitbouw of vrijstaand bijgebouw welke ten dienste staat van een woning en welke uitsluitend gebruikt wordt om logies te bieden aan personen die elders hun hoofdverblijf hebben.
1.34 gebouw:
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
1.35 geluidgevoelige objecten:
woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen, zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder, alsmede verblijfsrecreatieve voorzieningen, minicampings uitgezonderd.
1.36 hoofdgebouw:
een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn aard, functie, constructie of afmetingen dan wel gelet op de bestemming als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken.
1.37 kampeermiddel:
tenten, vouwwagens, kampeerauto's, caravans of hiermee gelijk te stellen onderkomens, die bestemd zijn voor recreatief verblijf en waarbij de gebruikers hun hoofdverblijf elders hebben.
1.38 kassen:
gebouwen van glas of ander lichtdoorlatend materiaal (ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering) met een hoogte van 1,5 meter of meer.
1.39 Kwaliteitsteam Buitengebied:
de door burgemeester en wethouders aan te wijzen onafhankelijke commissie van deskundigen inzake de toetsing van de landschappelijke inpassing en de ruimtelijke kwaliteitswinst van nieuwe ontwikkelingen in het buitengebied van Schouwen-Duiveland.
1.40 Landschappelijk Raamwerk:
het Landschappelijk Raamwerk zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 27 september 2007 inhoudende de analyse, waardering en beschrijving van de ontwikkelingsruimte van het landschap van Schouwen-Duiveland.
1.41 landschaps- en natuurbeschermingsdeskundige:
een door burgemeester en wethouders aan te wijzen onafhankelijke deskundige of commissie van deskundigen inzake aanwezige landschaps- en / of natuurwaarden die zijn beschreven in het Landschappelijk Raamwerk.
1.42 ligplaats:
de ruimte in de haven die door een schip wordt ingenomen.
1.43 mantelzorg:
alle vormen van langdurige zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, door personen uit diens directe omgeving, waarbij de zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt. Bij de mogelijk hiervoor benodigde extra woonruimte dient er sprake te zijn van bewoning door één huishouden.
1.44 mestbassins:
voorzieningen niet zijnde bouwwerken ten behoeve van de opslag van mest, zoals mestzakken, foliebassins en daarmee vergelijkbare vormen van mestopslag.
1.45 mestopslagruimten:
bouwwerken ten behoeve van de opslag van mest.
1.46 milieudeskundige:
een door burgemeester en wethouders aan te wijzen onafhankelijke deskundige of commissie van deskundigen inzake milieuhygiëne.
1.47 natuurwaarde:
de aan een gebied toegekende waarden in verband met de aanwezige flora en fauna.
1.48 NED:
nieuwe economische drager: een niet-agrarische nevenactiviteit bij een agrarisch bedrijf, of een vervolgfunctie bij een voormalig agrarisch bedrijf.
1.49 NEN:
door de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut uitgegeven norm, zoals deze luidde op het moment van vaststelling van het plan.
1.50 nevenactiviteit:
niet-agrarische activiteiten die in ruimtelijk opzicht ondergeschikt zijn aan de hoofdfunctie op een (voormalig) agrarisch bouwvlak.
1.51 neventak:
een agrarische bedrijfstak op een agrarisch bedrijf die wat productieomvang betreft ondergeschikt is aan de hoofdtak en waarvan de productieomvang minder bedraagt dan 70% van de minimale omvang van een zelfstandig volwaardig agrarisch bedrijf in de productierichting van de neventak.
1.52 niet-permanente standplaats:
standplaats waarbij het kampeermiddel niet zijnde een stacaravan voor een aaneengesloten periode van ten hoogste het zomerseizoen aanwezig mag zijn.
1.53 nutsvoorzieningen:
voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie.
1.54 overkapping:
een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een gesloten dak.
1.55 peil:
- voor gebouwen die onmiddellijk aan de weg grenzen: de hoogte van die weg;
- bij ligging in het water: het Normaal Amsterdams Peil (NAP);
- in andere gevallen en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld.
1.56 pension:
bedrijfsmatig aanbieden van ten minste 6 en ten hoogste 25 slaapplaatsen ten behoeve van logies, al dan niet met het daaraan ondergeschikt verstrekken van maaltijden en / of danken aan logerende gasten.
1.57 permanente standplaats:
standplaats waar gedurende het gehele jaar een kampeermiddel mag worden geplaatst.
1.58 permanente teeltondersteunende voorzieningen:
Containervelden, boog- en gaaskassen, overkappingsconstructies en stellingen als teeltondersteunende voorzieningen.
1.59 plattelandswinkel:
detailhandel in levensmiddelen als ondergeschikte nevenactiviteit bij een agrarisch bedrijf.
1.60 productiegerichte paardenhouderij:
paardenhouderij waar uitsluitend of in hoofdzaak handelingen aan en / of met paarden worden verricht die primair gericht zijn op het voortbrengen, africhten, trainen en verhandelen van paarden, inclusief bijbehorende pensionstalling of sportstallen.
1.61 ruimtelijke kwaliteitswinst:
ruimtelijke meerwaarde die bestaat uit de inrichting van het erf, landschaps- en / of natuurontwikkeling, herstel of herkenbaar maken van cultuurhistorische waarden of het vergroten van de toegankelijkheid van het agrarisch gebied ten behoeve van extensieve dagrecreatie.
1.62 seksinrichting:
een voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte, waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting wordt in ieder elk geval verstaan: een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar.
1.63 standplaats:
een gedeelte van een terrein bestemd voor de plaatsing van een kampeermiddel, inclusief bij dat kampeermiddel behorende ondergeschikte onderkomens, zoals bijzettenten.
1.64 teeltondersteunende voorzieningen:
bouwwerken, ten behoeve van de bescherming van teeltgewassen en / of de voorkweek van ten behoeve van het eigen bedrijf benodigd plantmateriaal en / of de voorkoming van de verspreiding van gewasbeschermingsmiddelen, ten behoeve van grondgebonden agrarische teelten.
1.65 volwaardig agrarisch bedrijf:
een agrarisch bedrijf, dat duurzaam werkgelegenheid biedt aan ten minste één volledige arbeidskracht die een hoofdberoep, hoofdbestaan en volledige dagtaak in het bedrijf vindt (afhankelijk van het aantal en soort dieren, aard van de gewassen, de hoeveelheid grond en inrichting van het bedrijf), waarbij de continuïteit op langere termijn gewaarborgd is.
1.66 voorgevel:
de gevel van het hoofdgebouw die door zijn aard, functie, constructie of uitstraling als belangrijkste gevel kan worden aangemerkt.
1.67 waterbassins:
voorzieningen, niet zijnde bouwwerken, ten behoeve van de opslag van water, zoals foliebassins en daarmee vergelijkbare vormen van wateropslag.
1.68 wateropslagruimten:
bouwwerken, ten behoeve van de opslag van water, zoals wateropslagtanks en daarmee vergelijkbare vormen van wateropslag.
1.69 weidegang:
gedurende een substantieel gedeelte van het jaar, nagenoeg dagelijks buiten laten lopen van dieren, op een substantiële oppervlakte landbouwgrond, waarbij een deel van de voerbehoefte door de dieren buiten verzameld wordt.
1.70 windturbine:
een bouwwerk ter opwekking van energie door benutting van windkracht, met uitzondering van bemalingsinstallaties ten behoeve van de waterhuishouding.
1.71 winterseizoen:
de periode van 16 november tot 1 maart.
1.72 zomerseizoen:
de periode van 1 maart tot en met 15 november.
Artikel 2 Wijze van meten
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:
2.1 afstanden:
afstanden tussen bouwwerken onderling alsmede afstanden van bouwwerken tot perceelsgrenzen worden daar gemeten waar deze afstanden het kleinst zijn.
2.2 bouwhoogte van een antenne-installatie:
tussen de voet van de (schotel)antenne-installatie en het hoogste punt van de (schotel)antenne-installatie.
2.3 bouwhoogte van een bouwwerk, geen antenne-installatie zijnde:
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een bouwwerk, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antenne-installaties en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
2.4 breedte, lengte en diepte van een bouwwerk:
tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels en het hart van de scheidsmuren.
2.5 vloeroppervlakte:
de gebruiksvloeroppervlakte volgens NEN 2580.
2.6 dakhelling:
langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.
2.7 goothoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot / de druiplijn, het boeibord of een ander, daarmee gelijk te stellen constructiedeel; indien een bouwwerk met betrekking tot deze constructiedelen over verschillende hoogten beschikt, wordt als volgt gemeten:
- indien zich aan de voorgevelzijde een goot / druiplijn, boeibord of een ander, daarmee gelijk te stellen constructiedeel bevindt, wordt uitgegaan van de hoogte aan de voorgevelzijde;
- indien zich – in geval van een lessenaarsdak – aan de voorgevelzijde van het gebouw geen goot / druiplijn, boeibord of een ander, daarmee gelijk te stellen constructiedeel bevindt, wordt uitgegaan van de laagste hoogte.
2.8 hoogte van een windturbine:
vanaf het peil tot aan de (wieken)as van de windturbine.
2.9 inhoud van een bouwwerk:
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
2.10 oppervlakte van een bouwwerk:
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en / of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
3.1 Bestemmingsomschrijving
De op de plankaart voor Agrarisch aangewezen gronden zijn bestemd voor:
- grondgebonden agrarische bedrijven;
- en tevens voor:
- ter plaatse van de aanduiding 'containerveld' (cv): een containerveld buiten het bouwvlak;
- ter plaatse van de aanduiding 'nieuwe economische drager' (sa-ned): een nieuwe economische drager als neventak, zoals aangegeven in bijlage 1, in de kolom activiteit, met dien verstande dat het oppervlak niet meer bedraagt dan in bijlage 1, in de kolom oppervlakte, is aangegeven;
- aan de bestemming ondergeschikte extensieve dagrecreatie met bijbehorende recreatieve fiets- en wandel-paden en voorzieningen;
- bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, natuurvriendelijke oevers, water, laad- en losvoorzieningen, nutsvoorzieningen en parkeervoorzieningen;
- alsmede voor de landschappelijke karakteristiek zoals beschreven in het Landschappelijk Raamwerk.
3.2 Bouwregels
Voor het bouwen gelden de volgende regels.
3.2.1 Bouwregels voor bouwvlakken
- ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' mogen gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd;
- tenzij anders is aangeduid op de plankaart, is per bouwvlak ten hoogste één bedrijfswoning met aan- en uitbouwen en bijgebouwen toegestaan, en tuin;
- permanente teeltondersteunende voorzieningen;
- indien gebouwen en overkappingen niet aaneen worden gebouwd, bedraagt de onderlinge afstand ten minste 3 meter;
3.2.2 Bouwregels voor gronden buiten bouwvlakken
Buiten een bouwvlak mogen slechts worden gebouwd:
- kuilvoerplaten en sleufsilo's, direct aansluitend op bouwvlakken;
- terreinafscheidingen;
3.2.3 Bouwhoogte, oppervlakte en inhoud
De bouwhoogte, de oppervlakte en/of de inhoud van een gebouw of bouwwerk, geen gebouw zijnde, bedragen ten hoogste:
| | | | | |
1 | bedrijfswoning | | | |
2 | bijgebouwen bij een woning, inclusief overkappingen | | | |
3 | overige agrarische bedrijfsgebouwen en overkappingen binnen een bouwvlak | | | |
4 | mestopslagruimten als zelfstandige bouwwerken | | | |
5 | | | | |
6 | voedersilo | | | |
7 | wateropslagruimte | | | |
8 | windturbine | | | |
9 | kunstobject | | | |
10 | vlaggenmast | | | |
11 | overige bouwwerken of overkappingen, geen gebouwen zijnde | | | |
12 | permanente teeltondersteunende voorzieningen (m.u.v. containervelden) | | | |
3.3 Afwijken van de bouwregels
3.3.1 Afwijking vergroting gebouwen buiten
Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bepaalde in
artikel 3 lid 2.2 voor het bouwen van een gebouw of overkapping, buiten een bouwvlak, met in achtneming van het volgende:
- het oppervlak bedraagt ten hoogste 100 m²;
- de goothoogte bedraagt ten hoogste 4 meter, de bouwhoogte bedraagt ten hoogste 8 meter;
- afwijking wordt verleend indien is aangetoond dat:
- afwijken noodzakelijk is voor een doelmatige bedrijfsvoering van het grondgebonden agrarisch bedrijf;
- plaatsing op het bouwvlak niet mogelijk of doelmatig is;
alvorens de afwijking te verlenen vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies van de agrarisch deskundige;
- voorzien wordt in een afschermende landschappelijke inpassing die bestaat uit een beplantingsstrook met een afschermende struik- en boomlaag van voornamelijk streekeigen soorten, met een breedte van ten minste 5 meter;
- afwijking leidt niet tot onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen.
- afwijking is noodzakelijk voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering;
- afwijking wordt slechts verleend als een privaatrechtelijke overeenkomst is gesloten over de aanleg, het beheer en het onderhoud van de landschappelijke inpassing.
3.3.2 Afwijking voor overkappingconstructies als teeltondersteunende voorziening
Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bepaalde in
artikel 3 lid 2 voor het bouwen van overkappingconstructies als teeltondersteunende voorziening buiten een bouwvlak, met in achtneming van het volgende:
- de bouwhoogte bedraagt ten hoogste 5 meter;
- afwijking wordt slechts verleend als daardoor de landschappelijke karakteristiek zoals benoemd in het Landschappelijk Raamwerk niet onevenredig wordt aangetast; alvorens de ontheffing te verlenen vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies van de landschaps- en natuurbeschermings-deskundige;
- de teeltondersteunende voorziening staat ten dienste aan het grondgebonden agrarisch bedrijf;
- voorzien wordt in een afschermende landschappelijke inpassing die bestaat uit een beplantingsstrook met een afschermende struik- en boomlaag van voornamelijk streekeigen soorten, met een breedte van gemiddeld 10 meter;
- afwijking wordt slechts verleend ten behoeve van een reëel of volwaardig agrarisch bedrijf; alvorens de ontheffing te verlenen vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies van de agrarisch deskundige;
- afwijking leidt niet tot onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen;
- afwijking wordt slechts verleend als een privaatrechtelijke overeenkomst is gesloten over de aanleg, het beheer en het onderhoud van de landschappelijke inpassing.
3.3.3 Afwijking grotere mestopslagruimte
Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bepaalde in
artikel 3 lid 2 voor het bouwen van een mestopslagruimte als zelfstandig bouwwerk, ter plaatse van een bouwvlak, met in achtneming van het volgende:
- de totale inhoud van mestopslagruimten en mestbassins op het betreffende erf bedraagt:
- ten hoogste 5.000 m³ bij grondgebonden agrarische bedrijven en agrarische bedrijven met intensieve veehouderij als hoofdtak met een bedrijfsvloeroppervlak intensieve veehouderij van ten hoogste 5.000 m²;
- ten hoogste 8.000 m³ bij agrarische bedrijven met intensieve veehouderij als hoofdtak met een bedrijfsvloeroppervlak intensieve veehouderij groter dan 5.000 m²;
- het gebruik van de mestopslagruimten ten behoeve van handelsdoeleinden is niet toegestaan;
- afwijking wordt slechts verleend ten behoeve van een reëel of volwaardig agrarisch bedrijf; alvorens de afwijking te verlenen vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies van de agrarisch deskundige;
- afwijking is noodzakelijk voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering; alvorens de afwijking te verlenen vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies van de agrarisch deskundige;
- voorzien wordt in een afschermende landschappelijke inpassing die bestaat uit een beplantingsstrook met een afschermende struik- en boomlaag van voornamelijk streekeigen soorten, met een breedte van gemiddeld 10 meter;
- afwijking leidt niet tot onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen;
- afwijking leidt niet tot onevenredige gevolgen voor het waterbeheer; indien het verhard oppervlak toeneemt of kan toenemen met 1.000 m² of meer, vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies van de waterbeheerder alvorens de afwijking te verlenen;
- afwijking wordt slechts verleend als een privaatrechtelijke overeenkomst is gesloten over de aanleg, het beheer en het onderhoud van de landschappelijke inpassing.
3.3.4 Afwijking voor mestopslagruimten aansluitend aan het bouwvlak
Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bepaalde in
artikel 3 lid 2 voor het bouwen van een mestopslagruimte als zelfstandig bouwwerk, op gronden zonder de aanduiding 'bouwvlak' met in achtneming van het volgende:
- afwijking wordt slechts verleend als de mestopslagruimten aansluitend aan het bouwvlak worden gerealiseerd;
- de totale inhoud van mestopslagruimten en mestbassins behorende tot het betreffende agrarische bedrijf bedraagt ten hoogste 5.000 m³;
- de bouwhoogte bedraagt ten hoogste 6 meter;
- het gebruik van de mestopslagruimten ten behoeve van handelsdoeleinden is niet toegestaan;
- afwijking wordt niet verleend indien op de bij het agrarisch bedrijf behorende bouwvlak voldoende ruimte aanwezig is om de mestopslagruimte te realiseren;
- voorzien wordt in een afschermende landschappelijke inpassing die bestaat uit een beplantingsstrook met een afschermende struik- en boomlaag van voornamelijk streekeigen soorten, met een breedte van gemiddeld 10 meter;
- afwijking wordt slechts verleend ten behoeve van een reëel of volwaardig agrarisch bedrijf; alvorens de afwijking te verlenen vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies van de agrarisch deskundige;
- afwijking is noodzakelijk voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering; alvorens de ontheffing te verlenen vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies van de agrarisch deskundige;
- afwijking leidt niet tot onevenredige gevolgen voor het waterbeheer; indien het verhard oppervlak toeneemt of kan toenemen met 1.000 m² of meer, vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies van de waterbeheerder alvorens de afwijking te verlenen;
- afwijking leidt niet tot onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen;
- afwijking wordt slechts verleend als een privaatrechtelijke overeenkomst is gesloten over de aanleg, het beheer en het onderhoud van de landschappelijke inpassing.
3.3.5 Afwijking voor wateropslagruimten
Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bepaalde in
artikel 3 lid 2 voor het bouwen van een wateropslagruimte als zelfstandig bouwwerk, buiten een bouwvlak met in achtneming van het volgende:
- wateropslagruimten worden aansluitend aan een bouwvlak gerealiseerd;
- de bouwhoogte bedraagt ten hoogste 2 meter;
- voorzien wordt in een afschermende landschappelijke inpassing die bestaat uit een beplantingsstrook met een afschermende struik- en boomlaag van voornamelijk streekeigen soorten, met een breedte van gemiddeld 10 meter;
- afwijking wordt niet verleend indien op de bij het agrarisch bedrijf behorende bouwvlak voldoende ruimte aanwezig is om de wateropslagruimte te realiseren;
- afwijking wordt slechts verleend ten behoeve van een reëel of volwaardig agrarisch bedrijf; alvorens de afwijking te verlenen vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies van de agrarisch deskundige;
- afwijking is noodzakelijk voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering; alvorens de afwijking te verlenen vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies van de agrarisch deskundige;
- afwijking leidt niet tot onevenredige gevolgen voor het waterbeheer; indien het verhard oppervlak toeneemt of kan toenemen met 1.000 m² of meer, vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies van de waterbeheerder alvorens de afwijking te verlenen;
- afwijking leidt niet tot onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen;
- afwijking wordt slechts verleend als een privaatrechtelijke overeenkomst is gesloten over de aanleg, het beheer en het onderhoud van de landschappelijke inpassing.
3.3.6 Afwijking niet-grondgebonden neventakken
Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bepaalde in
artikel 3 lid 2 voor het realiseren van een niet-grondgebonden neventak ter plaatse van een bouwvlak, met in achtneming van het volgende:
- het totale oppervlak aan kassen bedraagt ten hoogste 2.000 m² per bedrijf;
- een nieuwe neventak intensieve veehouderij is niet toegestaan ter plaatse van een bouwvlak met de aanduiding 'geen veehouderij toegestaan', 'grond gebonden', 'intensieve veehouderij', 'neventak intensieve veehouderij', 'glastuinbouw';
- voorzien wordt in een afschermende landschappelijke inpassing die bestaat uit een beplantingsstrook met een afschermende struik- en boomlaag van voornamelijk streekeigen soorten, met een breedte van gemiddeld 10 meter;
- het gebruik van groeibevorderende of conditionerende belichting, zoals assimilatiebelichting of cyclische belichting in kassen is niet toegestaan, tenzij de kassen (gevel en dak) aan de binnenzijde volledig zijn afgeschermd tegen horizontale en verticale lichtuitstraling;
- afwijking leidt niet tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelmogelijkheden van omliggende bestemmingen en functies;
- afwijking wordt slechts verleend ten behoeve van een reëel of volwaardig agrarisch bedrijf; alvorens de afwijking te verlenen vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies van de agrarisch deskundige;
- afwijking is noodzakelijk voor de continuïteit van het agrarisch bedrijf; alvorens de afwijking te verlenen vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies aan de agrarisch deskundige;
- afwijking wordt slechts verleend als een privaatrechtelijke overeenkomst is gesloten over de aanleg, het beheer en het onderhoud van de landschappelijke inpassing.
3.3.7 Afwijking (vervangende) nieuwbouw NED
Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bepaalde in
artikel 3 lid 2 voor het nieuw bouwen of vervangend nieuw bouwen van een gebouw ten behoeve van een NED ter plaatse van een bouwvlak met inachtneming van het volgende:
- afwijking wordt verleend voor het bouwen van een gebouw ten behoeve van een NED waarbij de oppervlakte van het gebouw ten hoogste de in bijlage 2 genoemde omvang bedraagt;
- de afwijking wordt slechts verleend indien ook toepassing is of wordt gegeven aan de wijzigingsbevoegdheid in artikel 3 lid 6.2;
- afwijking voor nieuwbouw zonder dat andere gebouwen behorende tot het bouwvlak worden gesloopt, wordt slechts verleend indien sprake is van een kwalitatieve verbetering van de inrichting van het erf;
- voorzien wordt in een afschermende landschappelijke inpassing van het erf die bestaat uit een beplantingsstrook met een afschermende struik- en boomlaag van voornamelijk streekeigen soorten, met een breedte van gemiddeld 10 meter;
- afwijking wordt slechts verleend als een privaatrechtelijke overeenkomst is gesloten over de aanleg, het beheer en het onderhoud van de landschappelijke inpassing.
3.3.8 Afwijking overschrijding grenzen bouwvlak
Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bepaalde in
artikel 3 lid 2 voor het overschrijden van de grenzen van een bouwvlak met gebouwen, overkappingen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met inachtneming van het volgende:
- afwijking wordt verleend indien de uitbreiding van het bouwvlak ten hoogste 15% van de oppervlakte van het op de kaart aangegeven bouwvlak bedraagt, en de overschrijding van de bouwvakgrenzen ten hoogste 15 meter bedraagt;
- voorzien wordt in een afschermende landschappelijke inpassing die bestaat uit een beplantingsstrook met een afschermende struik- en boomlaag van voornamelijk streekeigen soorten, met een breedte van gemiddeld 10 meter;
- afwijking wordt slechts verleend ten behoeve van een reëel of volwaardig agrarisch bedrijf; alvorens de ontheffing te verlenen vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies aan de agrarisch deskundige;
- afwijking is noodzakelijk voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering; alvorens de ontheffing te verlenen vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies aan de agrarisch deskundige;
- afwijking leidt niet tot onevenredige gevolgen voor het waterbeheer; indien het verhard oppervlak toeneemt of kan toenemen met 1.000 m² of meer, vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies van de waterbeheerder alvorens de afwijking te verlenen;
- afwijking wordt slechts verleend als een privaatrechtelijke overeenkomst is gesloten over de aanleg, het beheer en het onderhoud van de landschappelijke inpassing.
3.3.9 Afwijking bouwen windturbine
Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bepaalde in
artikel 3 lid 2 voor het bouwen van een windturbine ter plaatse van een bouwvlak, met inachtneming van het volgende:
- de hoogte van een windturbine bedraagt ten hoogste 15 meter;
- de afstand van de windturbine tot de weg bedraagt ten minste 20 meter;
- de afstand van de windturbine tot gebouwen bedraagt ten minste 10 meter;
- afwijking wordt niet verleend:
- binnen een afstand van 100 meter van gronden met de bestemming Natuur, of gronden met de bestemming Water en de aanduiding 'deltawater';
- ter plaatse van de aanduiding 'natuurwaarden';
- ter plaatse van de aanduiding 'uitbreiding natuur';
- ter plaatse van de aanduiding 'randzone';
- per bouwvlak is ten hoogste 1 windturbine toegestaan;
- afwijking wordt slechts verleend als daardoor de landschappelijke karakteristiek zoals benoemd in het Landschappelijk Raamwerk niet onevenredig wordt aangetast; alvorens de afwijking te verlenen vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies van de landschaps- en natuurbeschermingsdeskundige;
- afwijking leidt niet tot onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen.
3.3.10 Afwijking hogere bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Burgemeester en wethouders kunnen afwijkenvan het bepaalde in
artikel 3 lid 2 voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde hoger dan 1 meter, met in achtneming van het volgende:
- de bouwhoogte van het bouwwerk, geen gebouw zijnde, bedraagt ten hoogste 2,0 meter;
- afwijking is noodzakelijk in verband met de aard en omvang van de agrarische bedrijfsvoering; alvorens afwijking te verlenen vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies van de agrarisch deskundige;
- afwijking leidt niet tot onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen.
3.4 Specifieke gebruiksregels
Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken gelden de volgende regels:
- de opslag van goederen, anders dan agrarische producten afkomstig van het eigen agrarisch bedrijf, buiten een bouwvlak, is niet toegestaan;
- het huisvesten van seizoensarbeiders, anders dan in een niet-permanent kampeermiddel op een minicamping of anders dan als NED, is niet toegestaan;
- de opslag van dierlijke mest, anders dan in een mestopslagruimte, in hoeveelheden groter dan 600 m³, is niet toegestaan;
- de opslag van dierlijke mest ten behoeve van handelsdoeleinden, is niet toegestaan;
- het gebruik van kuilvoerplaten en sleufsilo's ten behoeve van de opslag van producten die niet afkomstig zijn van, of worden gebruikt op, het eigen agrarisch bedrijf, is niet toegestaan;
- het gebruik van mestbassins buiten het bouwvlak is niet toegestaan;
- containervelden zijn buiten een bouwvlak niet toegestaan behalve ter plaatse van de aanduiding ‘containerveld’;
- het gebruik van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen voor een aaneengesloten periode van langer dan 10 weken is niet toegestaan;
- het aanbieden van kampeerfaciliteiten op een landschapscamping of minicamping anders dan door middel van een bedrijfsmatige exploitatie van verblijfsrecreatie is niet toegestaan;
- het gebruiken van meer standplaatsen voor kampeermiddelen op een minicamping dan is aangegeven in bijlage 9 van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’, is niet toegestaan;
- met uitzondering van permanente standplaatsen zoals genoemd in bijlage 9 van het bestemmingsplan‘Buitengebied’ in de kolom permanent zijn ter plaatse van de gronden met de aanduiding 'minicamping' of met de aanduiding 'landschapscamping' geen stacaravans toegestaan;
- een minicamping is uitsluitend toegestaan op of aansluitend aan een bouwvlak met de aanduiding 'minicamping' (mic) of aansluitend aan het bij de betreffende minicamping behorende bouwperceel met de bestemming Wonen en de aanduiding 'minicamping' (mic);
- het stallen van kampeermiddelen ter plaatse van een minicamping in het winterseizoen, met uitzondering van de minicampings zoals aangegeven in bijlage 9 van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’, is niet toegestaan;
- het plaatsen van een stacaravan op een niet permanente standplaats is niet toegestaan ter plaatse van een minicamping of landschapscamping;
- paardenbakken zijn niet toegestaan;
- bij een paardenbak is het gebruik maken van een geluidsinstallatie, of verlichting door middel van lichtmasten niet toegestaan;
- het gebruik van (een deel van) de gebouwen als seksinrichting is niet toegestaan;
- detailhandel, anders dan een plattelandswinkel met een oppervlak van ten hoogste 150 m² of het verkopen van boerderij- of streekproducten met een oppervlak van ten hoogste 150 m² per bouwvlak is niet toegestaan;
- het uitoefenen van een aan-huis-gebonden beroep met een oppervlak meer dan 50 m² per agrarische bedrijfswoning is niet toegestaan;
- het aanbieden van meer dan 5 slaapplaatsen ten behoeve van logies met ontbijt per agrarische bedrijfswoning is niet toegestaan;
- het gebruiken van een aan- of uitbouw of vrijstaand bijgebouw ten behoeve van het ontvangen of verlenen van mantelzorg, of als gastenverblijf is niet toegestaan;
- fruitteelt ter plaatse van gronden die zijn gelegen binnen een afstand van 50 meter van woningen van derden, of terreinen bestemd voor verblijfsrecreatie (minicampings daaronder inbegrepen) is niet toegestaan;
- het gebruik van groeibevorderende of conditionerende belichting, zoals assimilatiebelichting of cyclische belichting in kassen is niet toegestaan, tenzij de kassen (gevel en dak) aan de binnenzijde volledig zijn afgeschermd tegen horizontale en verticale lichtuitstraling;
- het gebruik van groeibevorderende of conditionerende belichting, zoals assimilatiebelichting of cyclische belichting in boog- en gaaskassen is niet toegestaan;
- ter plaatse van de aanduiding 'geen veehouderij toegestaan' is een veehouderij niet toegestaan.
3.4.1 Voorwaardelijke verplichting
Het gebruiken van gronden en bouwwerken conform de bestemmingsomschrijving is alleen toegestaan als:
- Binnen 2 jaar na vaststelling van het bestemmingsplan, moet de landschappelijke inpassing gerealiseerd zijn, zoals is aangegeven in bijlage 3. Tevens dient deze landschappelijke inpassing in stand te worden gehouden;
- Overtollige bebouwing, zijnde de 7 sheds ten behoeve van de nertsenhouderij (zie bijlage 4), 12 maanden na het onherroepelijk worden van dit plan, is gesloopt;
- De intensieve veehouderij op deze locatie is beëindigd, beëindigd blijft, en de beëindiging van de intensieve veehouderij gemeld is.
3.5 Afwijken van de gebruiksregels
3.5.1 Afwijking paardenbak
Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bepaalde in
artikel 3 lid 4 sub o, ten behoeve van een paardenbak, met in achtneming van het volgende:
- het oppervlak van de paardenbak bedraagt ten hoogste 1.200 m²;
- afwijking wordt niet verleend binnen een afstand van 50 meter ten opzichte van de meest nabij gelegen woning van derden;
- de paardenbak grenst direct aan een bouwvlak of een bestemmingsvlak waarbinnen een woning is toegestaan;
- afwijking leidt niet tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelmogelijkheden van omliggende bestemmingen en functies;
- voorzien wordt in een afschermende landschappelijke inpassing die bestaat uit een beplantingsstrook met een afschermende struik- en boomlaag van voornamelijk streekeigen soorten, met een breedte van ten minste 5 m;
- afwijking wordt slechts verleend als een privaatrechtelijke overeenkomst is gesloten over de aanleg, het beheer en het onderhoud van de landschappelijke inpassing.
3.5.2 Afwijking gastenverblijf
Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bepaalde in
artikel 3 lid 4 sub u voor het inrichten en gebruiken van een aan- of uitbouw of een bijgebouw als gastenverblijf bij de woning, met in achtneming van het volgende:
- afwijking wordt slechts verleend ter plaatse een bouwperceel waarop krachtens het plan een woning is toegestaan en ook feitelijk aanwezig is en als de woning permanent wordt bewoond;
- afwijking wordt slechts verleend als de aanvrager eigenaar en / of bewoner is van de onder a bedoelde woning;
- afwijking wordt slechts verleend indien sprake is van een goed woon- en verblijfsklimaat;
- afwijking wordt slechts verleend als op eigen terrein voorzien wordt in parkeerruimte voor ten minste één auto;
- afwijking wordt slechts verleend als het gastenverblijf uitsluitend voor niet-permanente bewoning wordt gebruikt;
- per bedrijf is slechts 1 aan- of uitbouw of bijgebouw als gastenverblijf toegestaan;
- het gastenverblijf uitsluitend niet-commercieel wordt gebruikt;
- afwijking leidt niet tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen.
3.5.3 Afwijking containervelden
Burgemeester en wethouders kunnenafwijken van het bepaalde in
artikel 3 lid 4 sub g voor het gebruik van gronden als containervelden, met in achtneming van het volgende:
- het containerveld heeft een oppervlakte van ten hoogste 1 ha;
- het containerveld is gelegen aansluitend op een bouwvlak;
- de afwijking leidt niet tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelmogelijkheden van naastgelegen percelen;
- voorzien wordt in een afschermende landschappelijke inpassing die bestaat uit een beplantingsstrook met een afschermende struik- en boomlaag van voornamelijk streekeigen soorten, met een breedte van ten minste 5 m;
- afwijking wordt slechts verleend als een privaatrechtelijke overeenkomst is gesloten over de aanleg, het beheer en het onderhoud van de landschappelijke inpassing.
3.6 Wijzigingsbevoegdheid
3.6.1 Wijziging vergroten bouwvlak
Burgemeester en wethouders kunnen de bouwmogelijkheid van een bouwvlak vergroten met inachtneming van het volgende:
- de oppervlakte van het bouwvlak bedraagt ten hoogste 2 ha;
- wijziging is noodzakelijk voor een doelmatige bedrijfsvoering; alvorens de wijziging toe te passen vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies aan de agrarisch deskundige;
- wijziging wordt slechts toegepast voor een volwaardig agrarisch bedrijf; alvorens wijziging toe te passen vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies van de agrarisch deskundige;
- wijziging wordt slechts toegepast als voorzien wordt in een afschermende landschappelijke inpassing die bestaat uit een beplantingsstrook met een afschermende struik- en boomlaag van voornamelijk streekeigen soorten, met een breedte van gemiddeld 10 meter;
- wijziging wordt slechts verleend als daardoor de landschappelijke karakteristiek zoals benoemd in het Landschappelijk Raamwerk niet onevenredig wordt aangetast; alvorens het plan te wijzigen vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies van de landschaps- en natuurbeschermings-deskundige;
- wijziging leidt niet tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen;
- wijziging leidt niet tot onevenredige gevolgen voor het waterbeheer; indien het verhard oppervlak toeneemt of kan toenemen met 1.000 m² of meer, vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies van de waterbeheerder alvorens de wijziging toe te passen;
- wijziging vindt slechts plaats als een privaatrechtelijke overeenkomst is gesloten over de aanleg, het beheer en het onderhoud van de landschappelijke inpassing.
3.6.2 Wijziging Nieuwe Economische Dragers (NED's)
Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming wijzigen ten behoeve van het vestigen van een NED door het opnemen of vergroten van de aanduiding 'NED' op de plankaart en het opnemen van de activiteit en de oppervlakte in de tabel in bijlage 2, met in achtneming van het volgende:
- wijziging kan worden toegepast voor:
- een NED die voorkomt in de positieve lijst Nieuwe Economische Dragers zoals opgenomen in bijlage 2;
- overige bedrijfsactiviteiten, die naar aard en omvang gelijk te stellen zijn met de NED's zoals vermeld in bijlage 2;
- de oppervlakte van een NED bedraagt ten hoogste de in bijlage 2 genoemde omvang;
- tenzij toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 3 lid 3.5 vindt de NED plaats in bestaande gebouwen op een bouwvlak;
- de NED, of alle NED's tezamen, behorende bij een agrarisch bedrijf, wordt of worden uitgeoefend in een kleinschalige omvang, hetgeen blijkt uit:
- de arbeidsbehoefte;
- de ruimtelijke uitstraling;
- de verkeersaantrekkende werking, waarbij de ontheffing niet tot een onevenredige toename leidt van de automobiliteit;
- de categorie uit de Staat van Bedrijfsactiviteiten waartoe de activiteit behoort, waarbij geldt dat:
- de bedrijfsactiviteit ten hoogste tot categorie 2 uit de Staat van Bedrijfsactiviteiten behoort;
- de bedrijfsactiviteit ten hoogste tot categorie 3 uit de Staat van Bedrijfsactiviteiten behoort, mits is aangetoond dat daardoor geen milieuhinder voor aangrenzende percelen ontstaat; alvorens de ontheffing te verlenen vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies van de milieudeskundige;
- de wegcapaciteit, wegconstructie en verkeersveiligheid worden niet negatief beïnvloed, alvorens wijziging toe te passen winnen burgemeester en wethouders hieromtrent schriftelijk advies in bij de wegbeheerder;
- wijziging wordt toegepast met inachtneming van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB ingevolge de Wet geluidhinder ten aanzien van wegverkeerslawaai;
- opslag van goederen ten behoeve van de NED buiten gebouwen is niet toegestaan;
- nieuwe bouwwerken, geen gebouwen zijnde, lichtmasten en lichtbakken voor reclamedoeleinden daaronder begrepen zijn niet toegestaan;
- voorzien wordt in een afschermende landschappelijke inpassing van het erf die bestaat uit een beplantingsstrook met een afschermende struik- en boomlaag van voornamelijk streekeigen soorten, met een breedte van gemiddeld 10 meter;
- wijziging leidt niet tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen;
- wijziging wordt niet toegepast alvorens zorg wordt gedragen voor ruimtelijke kwaliteitswinst;
- wijziging wordt niet toegepast alvorens een privaatrechtelijke overeenkomst is gesloten over de aanleg, het beheer en het onderhoud van de landschappelijke inpassing en de ruimtelijke kwaliteitswinst.
3.6.3 Wijziging na bedrijfsbeëindiging
Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming ter plaatse van de aanduiding bouwvlak wijzigen in de bestemming Wonen met de aanduiding 'voormalig agrarisch bedrijf' en/of in de bestemming Wonen met de aanduiding 'zonder gebouwen' en/of in de bestemming Wonen met de aanduiding NED en/of in de bestemming Agrarisch zonder aanduiding, met in achtneming van het volgende:
- het agrarisch bedrijf is beëindigd;
- het gebruik van een bestaande NED mag worden voortgezet;
- wijziging leidt niet tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen; alvorens de wijziging toe te passen vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies van de milieudeskundige.
3.6.4 Wijziging nieuwe minicamping
Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming wijzigen ten behoeve van het vestigen van een nieuwe minicamping door het opnemen van de aanduiding 'minicamping' op de plankaart en het opnemen van de minicamping in bijlage 9 van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’, met in achtneming van het volgende:
- het aantal minicampings ten noorden van de Delingsdijk bedraagt ten hoogste 60, het aantal minicampings ten zuiden van de Delingsdijk bedraagt ten hoogste 70;
- het aantal standplaatsen per minicamping bedraagt ten hoogste 25;
- de wijziging wordt slechts toegepast als buiten het bouwvlak een terrein van ten minste 1 ha in eigendom of pacht is;
- de wijziging wordt slechts toegepast als een (dienst)woning op het bouwvlak krachtens het plan is toegestaan en ook feitelijk aanwezig is en deze woning permanent wordt bewoond door de aanvrager en exploitant van de minicamping;
- de minicamping ligt op of aansluitend aan het bij de minicamping behorende bouwvlak;
- de wegcapaciteit, wegconstructie en verkeersveiligheid worden niet negatief beïnvloed, alvorens wijziging toe te passen winnen burgemeester en wethouders hieromtrent schriftelijk advies in bij de wegbeheerder;
- voorzien wordt in voldoende parkeerplaatsen ten behoeve van de minicamping op het eigen terrein, waarbij geldt dat het aantal parkeerplaatsen ten minste 110% van het aantal standplaatsen bedraagt;
- de afstand tussen de minicamping en de meest nabij gelegen woning van derden bedraagt ten minste 50 meter;
- de afstand tussen de minicamping en de meest nabij gelegen gronden met de bestemming Natuur of de bestemming Water met de aanduiding 'deltawater' bedraagt ten minste 100 meter; gronden met de bestemming Natuur en de aanduiding 'landschapscamping' blijven hierbij buiten beschouwing;
- wijziging wordt niet toegepast als de afstand van de minicamping tot de as van de weg per wegvak zoals aangegeven op plankaart 17 van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ minder bedraagt dan de in artikel 28.6.1 in de kolom minicampings aangegeven afstand (zie bestemmingsplan ‘Buitengebied’);
- voorzien wordt in een afschermende landschappelijke inpassing van de minicamping die bestaat uit een beplantingsstrook met een afschermende struik- en boomlaag van voornamelijk streekeigen soorten, met een breedte van gemiddeld 5 meter;
- wijziging leidt niet tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen;
- wijziging wordt slechts verleend als daardoor de landschappelijke karakteristiek zoals benoemd in het Landschappelijk Raamwerk niet onevenredig wordt aangetast; alvorens de wijziging te verlenen vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies van de landschaps- en natuurbeschermings-deskundige;
- wijziging wordt slechts toegepast als zorg wordt gedragen voor ruimtelijke kwaliteitswinst;
- wijziging wordt slechts toegepast indien een privaatrechtelijke overeenkomst is gesloten over de aanleg, het beheer en het onderhoud van de landschappelijke inpassing en de ruimtelijke kwaliteitswinst.
3.6.5 Wijziging installatie opwekken duurzame energie
Burgemeester en wethouders kunnen de plankaart wijzigen ten behoeve van het realiseren van een installatie voor het opwekken van duurzame energie ten behoeve van het eigen bedrijf, of meerdere samenwerkende agrarische bedrijven, met in achtneming van het volgende:
- de bouwhoogte bedraagt ten hoogste 12 meter;
- de installatie wordt gesitueerd op of aansluitend aan het bouwvlak;
- de installatie past qua aard, schaal en omvang bij de reeds aanwezige bebouwing op het bouwvlak;
- in geval de installatie voor meerdere samenwerkende bedrijven wordt benut, dienen deze bedrijven ten hoogste op 1.000 meter afstand van elkaar te zijn gelegen;
- wijziging leidt niet tot een onevenredige toename van de automobiliteit;
- voor de omvang van de opslagcapaciteit van mest gelden de elders in dit artikel opgenomen regels;
- de verkeersveiligheid wordt niet negatief beïnvloed;
- de te vergisten producten zijn overwegend afkomstig van het eigen bedrijf of van de samenwerkende bedrijven;
- de reststof (het digestaat) is een meststof die overwegend wordt verwerkt op het eigen bedrijf of op de samenwerkende bedrijven;
- wijziging wordt slechts verleend als daardoor de landschappelijke karakteristiek zoals benoemd in het Landschappelijk Raamwerk niet onevenredig wordt aangetast; alvorens het plan te wijzigen vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies van de landschaps- en natuurbeschermings-deskundige;
- wijziging wordt slechts toegepast als voorzien wordt in een afschermende landschappelijke inpassing die bestaat uit een beplantingsstrook met een afschermende struik- en boomlaag van voornamelijk streekeigen soorten, met een breedte van gemiddeld 10 meter;
- wijziging leidt niet tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen;
- wijziging vindt slechts plaats als zorg wordt gedragen voor ruimtelijke kwaliteitswinst;
- wijziging vindt slechts plaats als een privaatrechtelijke overeenkomst is gesloten over de aanleg, het beheer en het onderhoud van de ruimtelijke kwaliteitswinst.
3.6.6 Wijziging stellingen als teeltondersteunende voorziening
Burgemeester en wethouders kunnen de plankaart wijzigen door het toekennen van bouwvlakken ten behoeve van de bouw van stellingen als teeltondersteunende voorziening, met inachtneming van het volgende:
- het bouwvlak grenst aan een agrarisch bouwvlak;
- het oppervlak van de stellingen bedraagt ten hoogste 1 ha;
- de bouwhoogte bedraagt ten hoogste 1,5 meter;
- de teeltondersteunende voorziening staat ten dienste aan en is bedrijfseconomisch ondergeschikt aan het grondgebonden agrarisch bedrijf;
- voorzien wordt in een afschermende landschappelijke inpassing die bestaat uit een beplantingsstrook met een afschermende struik- en boomlaag van voornamelijk streekeigen soorten, met een breedte van gemiddeld 10 meter;
- wijziging wordt slechts verleend als daardoor de landschappelijke karakteristiek zoals benoemd in het Landschappelijk Raamwerk niet onevenredig wordt aangetast; alvorens het plan te wijzigen vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies van de landschaps- en natuurbeschermings-deskundige;
- wijziging leidt niet tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen;
- wijziging is noodzakelijk ten behoeve van een volwaardig agrarisch bedrijf; alvorens de wijziging toe te passen vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies aan de agrarisch deskundige;
- wijziging wordt niet toegepast alvorens een privaatrechtelijke overeenkomst is gesloten over de aanleg, het beheer en het onderhoud van de landschappelijke inpassing.
3.6.7 Wijziging boog- en gaaskassen buiten het bouwvlak
Burgemeester en wethouders kunnen de plankaart wijzigen door het toekennen van bouwvlakken ten behoeve van de bouw van boog- en gaaskassen als teeltondersteunende voorziening, met inachtneming van het volgende:
- het bouwvlak grenst aan een agrarisch bouwvlak;
- het oppervlak van de boog- en gaaskassen bedraagt ten hoogste 1 ha;
- de bouwhoogte bedraagt ten hoogste 3,5 meter;
- boog- en gaaskassen staan ten dienste aan en zijn bedrijfseconomisch ondergeschikt aan het grondgebonden agrarisch bedrijf;
- het gebruik van groeibevorderende of conditionerende belichting, zoals assimilatiebelichting of cyclische belichting in boog- en gaaskassen is niet toegestaan.
- voorzien wordt in een afschermende landschappelijke inpassing die bestaat uit een beplantingsstrook met een afschermende struik- en boomlaag van voornamelijk streekeigen soorten, met een breedte van gemiddeld 10 meter;
- wijziging wordt slechts verleend als daardoor de landschappelijke karakteristiek zoals benoemd in het Landschappelijk Raamwerk niet onevenredig wordt aangetast; alvorens het plan te wijzigen vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies van de landschaps- en natuurbeschermings-deskundige;
- wijziging leidt niet tot onevenredige gevolgen voor het waterbeheer; indien het verhard oppervlak toeneemt of kan toenemen met 1.000 m² of meer, vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies van de waterbeheerder alvorens de wijziging toe te passen;
- wijziging leidt niet tot onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen;
- wijziging wordt slechts verleend ten behoeve van volwaardig agrarisch bedrijf; alvorens de ontheffing te verlenen vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies van de agrarisch deskundige;
- wijziging wordt niet toegepast alvorens een privaatrechtelijke overeenkomst is gesloten over de aanleg, het beheer en het onderhoud van de landschappelijke inpassing.
3.6.8 Wijziging voor bassins ten behoeve van aquacultuur
Burgemeester en wethouders kunnen de plankaart wijzigen door het toekennen van bouwvlakken op de plankaart uitsluitend ten behoeve van de bouw van bassins voor aquacultuur inclusief afschermende netconstructies, met inachtneming van het volgende:
- het oppervlak van de bassins bedraagt per bedrijf van ten hoogste 3 ha;
- de hoogte van de bassins inclusief afschermende netconstructies bedraagt ten hoogste 0,5 meter;
- wijziging wordt slechts toegepast ten behoeve van bassins die aansluiten op een bouwvlak;
- voorzien wordt in een afschermende landschappelijke inpassing die bestaat uit een met gras begroeide omwalling direct rondom de bassins, met een hoogte die ten minste gelijk is aan de hoogte van de bassins;
- in afwijking van het bepaalde onder b mag de hoogte van afschermende netconstructies ten hoogste 3 meter bedragen, mits wordt voorzien in een afschermende landschappelijke inpassing die bestaat uit een beplantingsstrook met een afschermende struik- en boomlaag van voornamelijk streekeigen soorten, met een breedte van ten minste 5 meter;
- wijziging wordt slechts verleend als daardoor de landschappelijke karakteristiek zoals benoemd in het Landschappelijk Raamwerk niet onevenredig wordt aangetast; alvorens het plan te wijzigen vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies van de landschaps- en natuurbeschermings-deskundige;
- wijziging wordt slechts toegepast ten behoeve van een reëel of volwaardig agrarisch bedrijf; alvorens de ontheffing te verlenen vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies van de agrarisch deskundige;
- wijziging leidt niet tot onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen.
3.6.9 Wijziging productiegerichte paardenhouderij
Burgemeester en wethouders kunnen de plankaart wijzigen door het toekennen van de aanduiding 'paardenhouderij' op de plankaart aan een bouwvlak ten behoeve van de vestiging van een productiegerichte paardenhouderij, met inachtneming van het volgende:
- gebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden opgericht;
- bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals een paardenbak, stapmolen of longeerinstallatie, dienen op of aansluitend aan het bouwvlak te worden gesitueerd;
- de oppervlakte van een paardenbak bedraagt ten hoogste 1.200 m²;
- bij een paardenbak is het gebruik maken van een geluidsinstallatie, of verlichting door middel van lichtmasten niet toegestaan;
- voorzien wordt in een afschermende landschappelijke inpassing die bestaat uit een beplantingsstrook met een afschermende struik- en boomlaag van voornamelijk streekeigen soorten, met een breedte van gemiddeld 10 meter;
- wijziging leidt niet tot onevenredige gevolgen voor het waterbeheer; indien het verhard oppervlak toeneemt of kan toenemen met 1.000 m² of meer, vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies van de waterbeheerder alvorens de wijziging toe te passen;
- wijziging vindt slechts plaats als zorg wordt gedragen voor ruimtelijke kwaliteitswinst;
- wijziging vindt slechts plaats als een privaatrechtelijke overeenkomst is gesloten over de aanleg, het beheer en het onderhoud van de landschappelijke inpassing en de ruimtelijke kwaliteitswinst.
- wijziging leidt niet tot onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen.
Artikel 4 Waarde – Archeologisch Onderzoeksgebied A
4.1 Bestemmingsomschrijving
De op de plankaart voor Waarden - Archeologisch Onderzoeksgebied A aangewezen gronden zijn - bij wijze van dubbelbestemming - bestemd voor bescherming en veiligstelling van archeologische waarden.
4.2 Bouwregels
Voor het bouwen gelden de volgende regels:
- ten behoeve van andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag - met inachtneming van de voor de betrokken bestemming geldende (bouw)voorschiften - slechts worden gebouwd, indien de bij de betrokken bestemming behorende bouwregels in acht worden genomen en:
- de aanvrager van de bouwvergunning een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld;
- de betrokken archeologische waarden, gelet op het rapport zoals onder 1 bedoeld, door de Bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de bouwvergunning regels te verbinden, gericht op:
- het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
- het doen van opgravingen;
- het begeleiden van de bodemverstorende ingrepen door een archeologisch deskundige.
- het bepaalde onder a, is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op een of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken:
- indien het bouwplan betrekking heeft op het vervangen, vernieuwen of het veranderen van bestaande bouwwerken en waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering;
- een bouwwerk met een oppervlakte van ten hoogste 2.500 m² waarbij geen grond- of graaf-werkzaamheden dieper dan 50 centimeter beneden het maaiveld plaatsvinden.
4.3 Afwijken van de bouwregels
4.3.1 Afwijking archeologisch onderzoek
Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bepaalde in
artikel 4 lid 2 sub a, ten behoeve van het bouwen, indien de aanvrager van de bouwvergunning een rapport heeft overlegd waarin wordt aangetoond dat de archeologische waarden van het terrein naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate worden veiliggesteld.
4.3.2 Advisering over de afwijking
Alvorens de in
artikel 4 lid 3.1 genoemde afwijking te verlenen, vragen burgemeester en wethouders aan de archeologische deskundige om advies omtrent het criterium als bedoeld in
artikel 4 lid 3.1. Bij een negatief advies verzoeken burgemeester en wethouders de archeologische deskundige de verder te nemen stappen aan te geven.
4.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
4.4.1 Aanlegverbod zonder vergunning
Het is verboden op of in de gronden met deze dubbelbestemming zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
- het uitvoeren van grondbewerkingen op een oppervlakte van meer dan 2.500 m² met een diepte van meer dan 50 centimeter beneden maaiveld, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
- het ophogen van de bodem;
- het aanleggen, vergraven, verruimen en dempen van sloten, vijvers en andere waterpartijen;
- het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, paden, banen of parkeergelegenheden en het aanbrengen van oppervlakteverhardingen;
- het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of ander wijze indrijven van voorwerpen;
- het verlagen of verhogen van het waterpeil;
- het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
- het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
- het omzetten van grasland in bouwland.
4.4.2 Uitzondering op het aanlegverbod
Het verbod van
artikel 4 lid 4.1 is niet van toepassing, indien de werken en werkzaamheden:
- noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij het bepaalde in artikel 4 lid 2 sub a, in acht is genomen;
- een oppervlakte beslaan van ten hoogste 2.500 m² en de grondlagen dieper dan 50 cm beneden het maaiveld niet verstoren;
- reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan;
- mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende aanlegvergunning of een ontgrondingsvergunning;
- ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd.
4.4.3 Voorwaarde voor aanlegvergunningverlening
Aanlegvergunning wordt verleend, indien:
- de aanvrager van de aanlegvergunning aan de hand van nader archeologisch onderzoek kan aantonen dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn;
- de aanvrager van de aanlegvergunning een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld;
- de betrokken archeologische waarden, gelet op het rapport zoals onder b bedoeld, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de aanlegvergunning regels te verbinden, gericht op:
- het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
- het doen van opgravingen;
- het begeleiden van de bodemverstorende ingrepen door een archeologisch deskundige.
4.4.4 Advisering over de aanlevergunning
Alvorens de gevraagde aanlegvergunning te verlenen, vragen burgemeester en wethouders aan de archeologisch deskundige om advies omtrent de criteria als bedoeld in lid
artikel 4 lid 4.3. Bij een negatief advies verzoeken burgemeester en wethouders de archeologisch deskundige de verder te nemen stappen aan te geven.
4.5 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk
4.5.1 Sloopverbod zonder vergunning
Het is verboden bouwwerken die zich op gronden met deze dubbelbestemming bevinden zonder, of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (sloopvergunning) te slopen.
4.5.2 Uitzonderingen sloopvergunning
Het verbod als bedoeld in
artikel 4 lid 5.1 is niet van toepassing indien de sloopwerkzaamheden:
- noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij het bepaalde in artikel 4 lid 2 sub b in acht is genomen;
- een oppervlakte hebben van minder dan 2.500 m² en de grondlagen dieper dan 50 cm beneden het maaiveld niet verstoren;
- reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.
4.5.3 Voorwaarde voor aanlegvergunningverlening
Sloopvergunning wordt slechts verleend onder de voorwaarden dat:
- de sloopwerkzaamheden vanaf 30 cm boven het maaiveld en dieper worden begeleid door een archeologische deskundige;
- indien tijdens de begeleiding van de sloopwerkzaamheden archeologische vondsten van hoge waarde worden aangetroffen, hiervan terstond melding wordt gemaakt bij burgermeester en wethouders;
- indien zich een omstandigheid voordoet als bedoeld onder b, kunnen burgemeester en wethouders nadere eisen stellen omtrent het verdere verloop van de sloopwerkzaamheden om de aanwezige archeologische waarden veilig te stellen.
Artikel 5 Waarde – Archeologisch Onderzoeksgebied B
5.1 Bestemmingsomschrijving
De op de plankaart voor Waarden - Archeologisch Onderzoeksgebied B aangewezen gronden zijn - bij wijze van dubbelbestemming - bestemd voor bescherming en veiligstelling van archeologische waarden.
5.2 Bouwregels
Voor het bouwen gelden de volgende regels:
- ten behoeve van andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag - met inachtneming van de voor de betrokken bestemming geldende (bouw)voorschiften - slechts worden gebouwd, indien de bij de betrokken bestemming behorende bouwregels in acht worden genomen en:
- de aanvrager van de bouwvergunning een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld;
- de betrokken archeologische waarden, gelet op het rapport zoals onder 1 bedoeld, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de bouwvergunning regels te verbinden, gericht op:
- het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
- het doen van opgravingen;
- het begeleiden van de bodemverstorende ingrepen door een archeologisch deskundige.
- het bepaalde onder a, is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op een of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken:
- indien het bouwplan betrekking heeft op het vervangen, vernieuwen of het veranderen van bestaande bouwwerken en waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering;
- een bouwwerk met een oppervlakte van ten hoogste 5.000 m² waarbij geen grond- of graaf-werkzaamheden dieper dan 50 centimeter beneden het maaiveld plaatsvinden.
5.3 Afwijken van de bouwregels
Burgemeester en wethouders kunnen een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in
artikel 5 lid 2 voor het bouwen overeenkomstig de andere bestemmingen, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het waterbergend vermogen van de gronden. Voor de verlening van deze omgevingsvergunning wordt advies ingewonnen bij Waterschap De Dommel. Indien sprake is van ondergronds bouwen dient voor het verlenen van deze omgevingsvergunning van het Waterschap De Dommel een positief advies te zijn verkregen.
5.3.1 Afwijking archeologisch onderzoek
Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bepaalde in
artikel 5 lid 2 sub a, ten behoeve van het bouwen, indien de aanvrager van de bouwvergunning een rapport heeft overlegd waarin wordt aangetoond dat de archeologische waarden van het terrein naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate worden veiliggesteld.
5.3.2 Advisering over de afwijking
Alvorens de in
artikel 5 lid 3.1 genoemde afwijking, vragen burgemeester en wethouders aan de archeologische deskundige om advies omtrent het criterium als bedoeld in
artikel 5 lid 3.1. Bij een negatief advies verzoeken burgemeester en wethouders de archeologische deskundige de verder te nemen stappen aan te geven.
5.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
5.4.1 Aanlegverbod zonder vergunning
Het is verboden op of in de gronden met deze dubbelbestemming zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
- het uitvoeren van grondbewerkingen op een oppervlakte van meer dan 5.000 m² met een diepte van meer dan 50 centimeter beneden maaiveld, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
- het ophogen van de bodem;
- het aanleggen, vergraven, verruimen en dempen van sloten, vijvers en andere waterpartijen;
- het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, paden, banen of parkeergelegenheden en het aanbrengen van oppervlakteverhardingen;
- het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of ander wijze indrijven van voorwerpen;
- het verlagen of verhogen van het waterpeil;
- het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
- het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
- het omzetten van grasland in bouwland.
5.4.2 Uitzondering op het aanlegverbod
Het verbod van
artikel 5 lid 4.1 5.4.1 is niet van toepassing, indien de werken en werkzaamheden:
- noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij het bepaalde in artikel 5 lid 2 sub a, in acht is genomen;
- een oppervlakte beslaan van ten hoogste 5.000 m² en de grondlagen dieper dan 50 cm beneden het maaiveld niet verstoren;
- reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan;
- mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende aanlegvergunning of een ontgrondingsvergunning;
- ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd.
5.4.3 Voorwaarde voor aanlegvergunningverlening
Aanlegvergunning wordt verleend, indien:
- de aanvrager van de aanlegvergunning aan de hand van nader archeologisch onderzoek kan aantonen dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn;
- de aanvrager van de aanlegvergunning een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld;
- de betrokken archeologische waarden, gelet op het rapport zoals onder b bedoeld, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de aanlegvergunning regels te verbinden, gericht op:
- het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
- het doen van opgravingen;
- het begeleiden van de bodemverstorende ingrepen door een archeologisch deskundige.
5.4.4 Advisering over de aanlevergunning
Alvorens de gevraagde aanlegvergunning te verlenen, vragen burgemeester en wethouders aan de archeologisch deskundige om advies omtrent de criteria als bedoeld in
artikel 5 lid 4.3. Bij een negatief advies verzoeken burgemeester en wethouders de archeologisch deskundige de verder te nemen stappen aan te geven.
5.5 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk
5.5.1 Sloopverbod zonder vergunning
Het is verboden bouwwerken die zich op gronden met deze dubbelbestemming bevinden zonder, of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (sloopvergunning) te slopen.
5.5.2 Uitzonderingen sloopvergunning
Het verbod als bedoeld in
artikel 5 lid 5.1 is niet van toepassing indien de sloopwerkzaamheden:
- noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij het bepaalde in artikel 5 lid 2 sub b in acht is genomen;
- een oppervlakte hebben van minder dan 5.000 m² en de grondlagen dieper dan 50 cm beneden het maaiveld niet verstoren;
- reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.
5.5.3 Voorwaarde voor aanlegvergunningverlening
Sloopvergunning wordt slechts verleend onder de voorwaarden dat:
- de sloopwerkzaamheden vanaf 30 cm boven het maaiveld en dieper worden begeleid door een archeologische deskundige;
- indien tijdens de begeleiding van de sloopwerkzaamheden archeologische vondsten van hoge waarde worden aangetroffen, hiervan terstond melding wordt gemaakt bij burgermeester en wethouders;
- indien zich een omstandigheid voordoet als bedoeld onder b, kunnen burgemeester en wethouders nadere eisen stellen omtrent het verdere verloop van de sloopwerkzaamheden om de aanwezige archeologische waarden veilig te stellen.
Artikel 6 Anti-dubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 7 Algemene bouwregels
7.1 Bestaande maten
- De op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen die meer bedragen dan in hoofdstuk II is voorgeschreven, mogen als ten hoogste toelaatbaar worden aangehouden.
- De op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen die minder bedragen dan in hoofdstuk II is voorgeschreven, mogen als ten minste toelaatbaar worden aangehouden.
- In geval van herbouw is het bepaalde onder a en b slechts van toepassing, indien de herbouw op dezelfde plaats plaatsvindt.
- In geval dat toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikelen 3.3.7 is dit artikel niet van toepassing.
7.2 Overschrijding bouwgrenzen
De bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, mogen in afwijking van de plankaart en Hoofdstuk II slechts worden overschreden door:
- tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, trappen(huizen), galerijen, hellingbanen, funderingen, balkons, entreeportalen, veranda's en afdaken, mits de overschrijding niet meer dan 2,5 meter bedraagt;
- tot gebouwen behorende erkers en serres, mits de overschrijding niet meer dan 2 meter bedraagt;
- andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen, mits de overschrijding niet meer dan 1,5 meter bedraagt.
7.3 Afstand geluidsgevoelige objecten tot wegen
7.3.1 Nieuwe geluidsgevoelige objecten
In geval van nieuwe geluidsgevoelige objecten ingevolge rechtstreeks bouwrecht, ontheffing of planwijziging mag de afstand van een geluidsgevoelig object (inclusief aan- en uitbouwen) tot de as van de weg per wegvak zoals aangegeven op plankaart 17 van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ - ter beperking van de geluidshinder niet minder bedragen dan de hieronder in de kolom 48 dB geluidscontour / maximale zonebreedte aangegeven afstand.
7.3.2 Bestaande geluidsgevoelige objecten
Bestaande geluidsgevoelige objecten mogen worden herbouwd, waarbij – indien de afstand tot de as van de weg per wegvak zoals aangegeven op plankaart 17 minder bedraagt dan de hiervoor in de kolom 48 dB geluidscontour / maximale zonebreedte aangegeven afstand – de afstand van het geluidgevoelig object tot de weg niet kleiner mag worden dan de bestaande afstand.
7.3.3 Afwijkingsbevoegdheid
Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van de afstandseisen genoemd in
artikel 7 lid 3.1 indien uit akoestisch onderzoek blijkt dat de geluidsbelasting ter plaatse van een nieuw geluidsgevoelig object ten hoogste 48 dB bedraagt.
Artikel 8 Algemene gebruiksregels
- Het is verboden gronden te gebruiken of te laten gebruiken als uitstallings- of opslagplaats, of als stand-, of ligplaats voor kampeermiddelen, met uitzondering van de gronden die in hoofdstuk II daartoe zijn bestemd.
- Het is verboden gronden en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de aan de grond gegeven bestemming, de bestemmingsomschrijving en de overige regels.
- Burgemeester en wethouders verlenen ontheffing van het bepaalde onder a of b, indien strikte toepassing van het verbod leidt tot beperkingen in het meest doelmatige gebruik die niet door dringende redenen worden gerechtvaardigd.
Artikel 9 Algemene afwijkingsregels
- burgemeester en wethouders kunnen – tenzij op grond van hoofdstuk II reeds afwijking kan worden verleend – ontheffing verlenen van de regels in het plan voor:
- afwijkingen van maten (waaronder percentages) met ten hoogste 10%;
- overschrijding van bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein; de overschrijdingen mogen echter niet meer dan 3 meter bedragen en het bouwvlak mag met niet meer dan 10% worden vergroot;
- afwijking wordt niet verleend, indien daardoor onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.
Artikel 10 Algemene wijzigingsregels
Overschrijding bestemmingsgrenzen
Burgemeester en wethouders kunnen de in het plan opgenomen bestemmingen wijzigen ten behoeve van overschrijding van bestemmingsgrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein. De overschrijdingen mogen echter niet meer dan 3 meter bedragen en het bestemmingsvlak mag met niet meer dan 10% worden vergroot.
Artikel 11 Werking wettelijke regelingen
De wettelijke regelingen, waarnaar in de regels van dit plan wordt verwezen, gelden zoals deze luidden op het moment van vaststelling van het plan.
4 Overgangs- en slotregels
Artikel 12 Overgangsrecht
Artikel 13 Slotregel
Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan ‘Nieuwe weg 3 Nieuwerkerk’.