| Plan: | Herziening Buitengebied, Sonseweg 13, Lieshout |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1659.BPBGSonseweg13-VG01 |
Op de locatie Sonseweg 13 te Lieshout exploiteert initiatiefnemer een melkveehouderij. Initiatiefnemer is voornemens om een nieuwe ligboxenstal en loods te realiseren. Door de nieuwbouw wordt bedrijfsontwikkeling gekoppeld aan een verdere verduurzaming, verhoging van het dierenwelzijn en de toekomstbestendigheid van het melkveebedrijf.
De voorgenomen ontwikkeling past niet binnen de mogelijkheden cq. grenzen van het bestemmingsvlak Agrarisch - Agrarisch bedrijf. Om de nieuwe ligboxenstal en loods te kunnen realiseren is een aanpassing (vormverandering) van het bestaande bestemmingsvlak noodzakelijk en daarbij het toevoegen van een differentiatievlak voor ruwvoeropslag.
Het voornemen van initiatiefnemer is door de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen beoordeeld. De Adviescommissie is van oordeel dat binnen de contouren van het huidige bestemmingsvlak onvoldoende ruimte beschikbaar is voor de opslag van het ruwvoer dat benodigd is voor de bedrijfsvoering. Mede gelet op de voorgenomen uitbreiding van de bedrijfsbebouwing door de bouw van een loods en de bouw van een ligboxenstal is de Adviescommissie van oordeel dat toekenning van een bouwvlak van 1,50 hectare in combinatie met de toekenning van een differentiatievlak van 0,50 ha voor de opslag van ruwvoer passend is. Het advies van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen is als Bijlage 1 aan deze toelichting toegevoegd.
Gelet op het advies van de commissie heeft het college van B&W besloten om medewerking te verlenen aan het plan. Omdat het huidige bestemmingsplan niet voorziet in een regeling die deze ontwikkeling mogelijk maakt is deze herziening van het bestemmingsplan opgesteld. De voorliggende herziening van het bestemmingsplan voorziet in een actueel juridisch planologisch kader waarin de uitvoerbaarheid van het plan getoetst aan het relevantie beleid en de milieu- en omgevingsaspecten.
Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Laarbeek aan de Sonseweg 13 te Lieshout. Het plangebied ligt ten westen van de kern van Lieshout en te noorden van het Wilhelminakanaal. Het linker plaatje van afbeelding 1 geeft een impressie van de ligging van het plangebied in relatie tot de omgeving weer. Het rechter plaatje is een luchtfoto van de locatie waarop indicatief de begrenzing van het plangebied is aangegeven.
Afbeelding 1: Locatie Sonseweg 13 te Lieshout
Het plangebied heeft een oppervlakte van 2 hectare. Hierbinnen wordt de nieuwbouw opgericht en liggen de voorzieningen (ruwvoeropslagen, mestzakken en erfverharding). Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar het bijbehorende verbeelding.
Binnen het plangebied zijn de volgende bestemmingingsplannen vigerend:
De locatie heeft de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' (art. 4). De omvang van het bestemmingsvlak 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf is circa 1,5 hectare. Zie ook afbeelding 2.
De naast het bestemmingsvlak 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' gelegen gronden hebben de bestemmingsaanduiding ‘Agrarisch met waarden – Landschappelijke en Natuurwaarden 1'.
Afbeelding 2: Uitsnede verbeelding bestemmingsplan Buitengebied (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
Het plangebied heeft de volgende archeologische dubbelbestemmingen:
Binnen deze dubbelbestemmingen gelden verschillende beschermingsregimes voor mogelijk aanwezige archeologische waarden.
De maatvoeringsaanduiding geeft aan dat er twee bedrijfswoning zijn toegestaan. Tot slot zijn de gebiedsaanduidingen 'Reconstructiewetzone - verwevingsgebied' van kracht op het plangebied en aan de noordoostzijde van het plangebied de gebiedsaanduiding 'veiligheidszone - leiding gas'.
Op 7 juni 2018 is het paraplubestemmingsplan 'Parkeernormen Laarbeek' vastgesteld. Dit bestemmingsplan is opgesteld om éénduidig parkeerbeleid vast te stellen met ruime en praktische kaders. Aanleiding van deze parapluherziening was het vervallen van de bouwverordening per 1 juli 2018, op grond waarvan de gemeente tot dan bij vergunningverlening kon toetsen aan de gemeentelijke parkeernormen.
In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de bestaande situatie en de beoogde ontwikkeling. Hoofdstuk 3 gaat in op het relevante beleid van het Rijk, de provincie en de gemeente. In hoofdstuk 4 zijn de resultaten van de relevante milieuonderzoeken opgenomen. In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de economische en de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.
Initiatiefnemer exploiteert aan de Sonseweg 13 in Lieshout een grondgebonden melkrundveebedrijf. De locatie ligt op circa 200 meter uit de openbare weg en wordt ontsloten door een eigen toegangsweg.
Op het bedrijf worden circa 320 melkkoeien en een 180-tal stuks jongvee gehouden. Bij het bedrijf is ruim 160 ha grond in gebruik, waarvan 142 ha eigendom. Van deze eigendomsgrond is bijna 136 ha in de redelijk directe nabijheid van de bedrijfslocatie gelegen.
Een afbeelding van het erf met de gebouwen en voorzieningen is onderstaand weergegeven.
Afbeelding 3: bestaand erf aan de Sonseweg 13 in Lieshout
In de bestaande situatie zijn op het erf twee aan elkaar gebouwde ligboxenstallen met een gezamenlijke afmeting van circa 52 x 80 meter aanwezig (zie no. 1 van afbeelding 3). Verder zijn twee loodsen aanwezig, te weten een loods van 20 x 32 meter waarin ook een kalverenstal is ondergebracht (no. 2) en een loods van 13 x 35 meter voor het stallen van machines en materialen (no. 3). Voor de opslag van rundveemest beschikt het bedrijf over een tweetal mestbassins. Deze bassins zijn gelegen aan de achterzijde van het bedrijf (no. 4). De ruwvoeropslagen zijn geconcentreerd aan de oostzijde van het bedrijf (no. 5). Aan de voorzijde van het erf zijn de twee bedrijfswoning aanwezig (no. 6).
In het kader van de verduurzaming heeft initiatiefnemer nagenoeg alle daken van bedrijfsgebouwen voorzien van zonnepanelen. Verder wordt alle overtollige mest afgezet naar een verwerker (Groenewoud Gas), waar door middel van vergisting groen gas wordt geproduceerd. Het restproduct is vaste mest voor export en vloeibare kunstmest voor teruglevering. Met de mestverwerker is door initiatiefnemer een contract gesloten voor de huidige situatie, inmiddels is meer mest welkom voor de productie van meer groen gas.
Voor de exploitatie van de huidige activiteiten is een milieuvergunning verleend. Daarnaast is een natuurvergunning verleend voor de stikstofdepositie van deze activiteiten.
Voor een verdere verduurzaming van de bedrijfsvoering, het verhogen van het dierenwelzijn en de toekomstbestendigheid van het melkveebedrijf wil initiatiefnemer investeren in de bouw van een melkveestal en een nieuwe loods. De gewenste bedrijfsgebouwen zijn weergegeven op de onderstaande afbeelding.
Afbeelding 4: gewenste situatie met melkveestal en loods
In de huidige situatie is er sprake van een beperkte stallingsruimte voor machines en materialen. De uitbreiding van de loods zorgt voor een efficiëntere bedrijfsvoering doordat machines en materialen beter gestald kunnen worden. De nieuwbouwloods is gesitueerd naast de bestaande loods van 13 x 35 meter.
De nieuwe melkveestal betreft een drierijïge ligboxenstal voor maximaal 158 melkkoeien. De stal wordt aan de westzijde van de eigen toegangsweg gebouwd. Deze situering heeft als voordeel dat beweiding van de koeien mogelijk is omdat het grasland aansluitend aan deze nieuwe stal ligt. De koeien hoeven de toegangsweg dan niet te kruisen. Bovendien kan de huidige toegangsweg met alle leidingen en kabels behouden blijven.
De uitbreiding van de stalcapaciteit past qua stikstofemissie binnen het plafond van de aanwezige vergunning voor de Wet natuurbescherming. Dat wordt gerealiseerd door het verduurzaming van de huidige veestallen. In de voorliggende gewenste situatie is derhalve geen sprake van een toename van de stikstof,- of ammoniakdepositie en kan de wijziging dus plaatsvinden op basis van intern salderen.
De Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen constateerde dat het bedrijf van initiatiefnemer binnen de contouren van het bestemmingsplan 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' onvoldoende ruimte beschikbaar heeft voor de opslag van het ruwvoer dat benodigd is voor de bedrijfsvoering.
Een deel van de bestaande voorziening ligt daarom al deels buiten het bestemmingsvlak 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf'. In afbeelding 5 is dit groen gemarkeerd aangegeven.
Het groene vlak voor de kalverstal, aangegeven met no. 1, is overigens alleen erfverharding waarop de iglo's van de nuchtere klaveren staan.
De ruwvoeropslag aan de noordwestzijde (no. 2) wil initiatiefnemer verbreden naar 12 meter.
Afbeelding 5: voorzieningen buiten het bestemmingsvlak 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf'.
Op grond van de Interim Omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant kan een bouwvlak / bestemmingsvlak met maximaal 0,50 hectare worden vergroot van 1,50 tot maximaal 2,0 hectare indien de veehouderij vanwege de bedrijfsvoering in overwegende mate is aangewezen op de opslag van ruwvoer en die ruimte binnen het bouwperceel niet aanwezig is (artikel 3.53.lid 3 IOV). Deze vergroting betreft het zogenaamde differentiatievlak. Een tekening van het bouwvlak van 1,5 ha en het differentiatievlak van 0,5 ha is als Bijlage 2 toegevoegd (zie afbeelding 6).
Het betreft hier een grondgebonden melkveehouderij die in overwegende mate is aangewezen op de opslag van ruwvoer (gras en maïs) dat op de eigen gronden wordt geteeld. Binnen het bestaande bouwperceel (bouwvlak) is hier onvoldoende ruimte voor. Een deel van de opslag vindt buiten het bouwperceel plaats. Vanwege de gewenste bedrijfsontwikkeling is er bovendien extra ruimte voor opslag nodig.
Omdat het provinciaal beleid een maximale oppervlakte van 2 hectare hanteert voor de omvang van het bestemmingsvlak met differentiatievlak, zal de nieuwe ontwikkeling binnen deze oppervlakte gerealiseerd moeten worden.
De verbeelding is op dit uitgangspunt afgestemd door aan het differentiatievlak de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - ruwvoeropslag' toe te kennen. Binnen deze aanduiding mogen alleen ruwvoeropslagen worden gerealiseerd. Dit is geborgd in de regels van dit plan. Het bestemmingsvlak 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' verandert alleen qua vorm. Tezamen bedraagt de oppervlakte 2 hectare.
Afbeelding 6: beoogde situatie met differentiatievlak
Landschappelijke waarden
De gemeente Laarbeek heeft in 2003 een landschapsontwikkelingsplan opgesteld. In het plan worden de kenmerken van het Laarbeekse landschap benoemd en wordt de gewenste ontwikkelingsrichting omschreven. Het gaat dan met name om de ontwikkelingen in het buitengebied. In het landschapsontwikkelingsplan wordt onder meer een visie verwoord op het gebied van natuur, cultuurhistorie en landschap. In het plan is ook aandacht besteed aan herstel, behoud en ontwikkeling op deze vlakken met hieraan gekoppeld uitvoeringsinstrumenten en een budget.
Vormgeving van het landschap, het benutten en uitbreiden van bestaande kwaliteiten en waar nodig het toevoegen van nieuwe elementen worden als belangrijke thema’s benoemd.
Als kernkwaliteiten voor het buitengebied van Laarbeek worden de verscheidenheid aan landschapstypen, de diversiteit in groenelementen, zowel waardevol voor natuur als voor de recreant, en de op sommige plekken duidelijk waar te nemen cultuurhistorische waarden genoemd.
Een positieve bijdrage aan het buitengebied van de gemeente kan worden geleverd door onder andere het zichtbaar maken van de beken, het versterken van het gebiedseigen karakter door de juiste beplantingskeuze en het benutten van zandpaden als recreatief medegebruik en als ecologische linten.
Omdat er sprake is van een vergroting van de agrarische bedrijfsbestemming is de landschapsinvesteringsregeling de gemeente van toepassing. Met deze regeling wordt bewerkstelligd dat bij iedere planologische ontwikkeling in het buitengebied ook een kwaliteitsverbetering voor het buitengebied wordt gerealiseerd. De mate van omvang van deze kwaliteitsverbetering is daarbij afhankelijk van de soort ontwikkeling.
Op basis van die regeling is er sprake van een categorie 3-ontwikkeling (bestemmingswijziging agrarische gronden naar agrarische bedrijfsdoeleinden). Dit betekent dat aan de hand van een berekende meerwaarde van de gronden een bijdrage van 20% van die meerwaarde aan kwaliteitsverbetering moet worden gedaan. Daarnaast dient de locatie landschappelijk te worden ingepast.
Uitgaande van een vergroting van het bestemmings-/bouwvlak met 5.000 m2 en het gegeven dat deze 5.000 m2 uitsluitend gebruikt wordt voor de opslag van ruwvoer (dus geen bouwmogelijkheid) is de bijdrage die gedaan moet worden aan kwaliteitsverbetering € 5.000.
Om de kwaliteitsverbetering te realiseren is door Bogers Hoveniers een beplantingsplan opgesteld. Voor de landschappelijke inpassing van de nieuwbouw wordt aan de westzijde van het vergrote bestemmingsvlak een groenstrook aangeplant bestaande uit 8 bomen (Alnus xspaethii ‘Spaeth’) met aan de voet van de bodem een bloemenmengsel. Aan de voorzijde van deze rij bomen wordt een zwaluwtil aangeplant. De oostzijde van het erf wordt landschappelijk ingepast met een struweel mix. Ten aanzien van de investering in de landschappelijke aankleding van het erf is rekening gehouden met het minimale investeringsbedrag. De kosten voor aanleg van de landschappelijke inpassing zijn begroot op € 14.243,75.
De tekening van de landschappelijke inpassing is onderstaand weergegeven. Het complete beplantingsplan en de begroting zijn als Bijlage 3 aan deze toelichting toegevoegd.
Afbeelding 7: Beplantingsplan
In het kader van de invoering van de Omgevingswet, die nu gepland staat voor 1 januari 2022, heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. Op die manier wordt invulling gegeven aan de verplichting tot het opstellen van zo'n visie zoals die is vastgelegd in art. 3.1 lid 3 Ow. Tot de invoering van de Omgevingswet heeft dit document de status van structuurvisie in de zin van art. 2.3 Wro.
Inhoudelijk gezien bevat de NOVI een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw.
Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak.
Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI, valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten:
De nationale overheid richt zich in de NOVI op 21 verschillende nationale belangen.
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van ruimtelijke plannen, voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over ruimtelijke plannen moeten de regels van het Barro worden gerespecteerd.
De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen, en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen die nationale belangen.
Toesting
In de NOVI is geen concreet beleid op nationaal niveau geformuleerd dat van belang is voor het voorliggend plan. Het planvoornemen is op nationale schaal dermate kleinschalig dat er geen strijdigheid kan bestaan met de uitgangspunten uit de NOVI opgenomen. Voor deze ontwikkeling vindt de afweging dat wordt voldaan aan de principes van een goede ruimtelijke ordening décentraal plaats.
Op 1 oktober 2012 is aan het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), waarin rijksregels ten aanzien van de ruimtelijke inrichting van Nederland zijn verzameld, een aantal onderwerpen toegevoegd. Het gaat onder andere om de Ecologische hoofdstructuur, elektriciteitsvoorziening, toekomstige uitbreiding hoofd(spoor)wegennet, veiligheid rond rijksvaarwegen.
De regels van het Barro moeten in acht worden genomen bij het opstellen van provinciale ruimtelijke verordeningen en bestemmingsplannen, zodat ze doorwerken tot het niveau van de lokale besluitvorming.
Toetsing
Het betreft een kleinschalig en lokaal initiatief die niet binnen de reikwijdte van de Barro ligt. De Barro bevatten geen relevante regels die invloed uitoefenen op het onderhavige plan.
Relevante wet- en regelgeving
Per 1 oktober 2012 is in artikel 3.1.6 Bro een motiveringsplicht opgenomen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. De zogenaamde 'Ladder voor Duurzame Verstedelijking' is bedoeld om te komen tot een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke besluiten, waardoor de ruimte in stedelijke gebieden optimaal benut wordt. Per 1 juli 2017 is het aantal treden van de ladder gewijzigd van drie naar in beginsel één trede. In artikel 3.1.6. van het Besluit ruimtelijke ordening is het volgende opgenomen:
De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
De Ladder is alleen van toepassing op plannen en projecten die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken. Op basis van de overzichtsuitspraak die is gedaan door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 28 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1724) geldt dat bij woningbouwlocaties vanaf 12 woningen in beginsel sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Is dit het geval, dan is een Laddertoets vereist en is daarmee een beschrijving van de behoefte nodig. Naast kwantitatieve aspecten, kunnen ook kwalitatieve aspecten een rol spelen bij de beschrijving van de behoefte. Denk hierbij aan specifieke woningtypen, wooncategorieën en woonmilieus.
Voor ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied is een uitgebreidere motivering vereist waarbij tevens dient te worden ingegaan op de vraag, waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien. Of het plan is gelegen binnen het bestaand stedelijk gebied moet worden bepaald aan de hand van de bepalingen in het Bro, artikel 1.1.1,: 'Bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.
Toetsing
Het voorliggende plan voorziet niet in een stedelijke ontwikkeling zoals gedefinieerd in artikel 3.1.6 Bro. Een verdere toets aan de Ladder kan achterwege blijven.
Vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet in 2022, hebben Provinciale Staten op 14 december 2018 de Brabantse Omgevingsvisie vastgesteld. Met deze Omgevingsvisie geeft de provincie richting aan wat zij voor Brabant wil bereiken en biedt daarmee handvatten voor haar handelen in de praktijk.
De Omgevingsvisie bevat de belangrijkste provinciale ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Conform de Omgevingswet staan de waarden veiligheid, gezondheid en duurzame omgevingskwaliteit centraal. De Brabantse Omgevingsvisie voegt daar ambities aan toe voor vier hoofdopgaven: de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. De visie geeft daarbij richting aan deze opgaven vanwege de ingrijpende veranderingen waarmee zij gepaard gaan. Daarnaast geeft de Omgevingsvisie ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. De visie zal komende jaren nader worden uitgewerkt in diverse programma's. Inmiddels is er ook een Interim omgevingsverordening vastgesteld, waarop hierna wordt ingegaan.
Toets
Het planvoornemen met betrekking tot een bestaand agrarisch is niet direct toe te schrijven aan een specifieke hoofdopgave en ambities van de omgevingsvisie. Wél zorgt de verdere ontwikkeling van het bedrijf voor een duurzaam concurrerend bedrijf binnen de agrarische sector van Brabant.
Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben op 25 oktober 2019 de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld. Wijzigingen nadien zijn opgenomen in de geconsolideerde versie die dateert van 1 augustus 2023.
De Interim omgevingsverordening is een eerste stap op weg naar de definitieve omgevingsverordening voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Hierin worden de bestaande verordeningen over de fysieke leefomgeving samengevoegd tot één Interim omgevingsverordening. De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Enkele inhoudelijke wijzigingen zijn echter wel aangebracht. Op hoofdlijnen gaat het om:
Zo wordt onderscheid gemaakt tussen rechtstreeks werkende regels voor burgers en bedrijven en instructieregels voor gemeenten. De instructieregels voor gemeenten hebben tot doel dat de gemeenteraad de, in de omgevingsverordening opgenomen, voorwaarden betrekt bij de vaststelling van een bestemmingsplan. Vooruitlopend op de Omgevingswet richten de instructieregels zich op een evenwichtige toedeling van functies (in plaats van het bestemmen van ontwikkelingen). Dit betekent dat de regels ook vanuit functies (van gebieden) zijn opgebouwd. Daarnaast richten de regels zich op een goede omgevingskwaliteit, inclusief een veilige en gezonde leefomgeving (in plaats van een goede ruimtelijke kwaliteit).
De provincie wil de omgevingskwaliteit van Brabant bevorderen, in combinatie met een veilige en gezonde leefomgeving. Bij omgevingskwaliteit gaat het om de kwaliteit van een plek of gebied, die wordt bepaald door een goed samenspel van herkomstwaarde, belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde.
Planspecifiek
In deze paragraaf wordt ingegaan op de diverse onderdelen uit de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant die relevant zijn voor het plangebied. In afbeelding 8 is te zien dat er meerdere (relevante) werkingsgebieden gelden voor het plangebied, te weten:
Afbeelding 8: van toepassing zijnde werkingsgebieden uit de IOV Noord-Brabant. O.a. rechtstreeks werkende regels: Landbouw
Het planvoornemen betreft het aanpassen van het bestemmingsvlak en toevoegen van een (denkbeeldig) differentiatievlak om het bouwen van een nieuwe stal en ruwvoeder- en mestopslagen mogelijk te maken bij een bestaande grondgebonden veehouderij.
Deze ontwikkeling dient in overeenstemming te zijn met de artikelen 3.49 en 3.50 en 3.53, lid 3 van de verordening in combinatie met de evenwichtige toedeling van functies.
Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies (3.1.2)
In de verordening is de zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit opgenomen om een bijdrage te leveren aan de juiste balans tussen beschermen en benutten. De zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit omvat een aantal basisprincipes afkomstig uit de Brabantse omgevingsvisie:
Uitwerking van deze onderwerpen is opgenomen in de artikelen 3.6 t/m 3.8 van de Iov. Voor ontwikkelingen in het landelijk gebied is artikel 3.9 kwaliteitsverbetering aan de orde.
Zorgvuldig ruimtegebruik
In artikel 3.6 worden de regels voor zorgvuldig ruimtegebruik weergegeven. Het principe van zorgvuldig ruimtegebruik is al geruime tijd in het provinciaal beleid verankerd en omvat diverse aspecten. Doel is om bestaand bebouwd gebied zo goed mogelijk te benutten. Het optimaal benutten van de bestaande bebouwde omgeving draagt bij aan het behoud van de openheid en kwaliteit van het buitengebied en aan hergebruik van leegkomende of bebouwingslocaties in zowel stedelijk als landelijk gebied. Het voorkomen van onnodig nieuw ruimtebeslag in het landelijk gebied door nieuwvestiging is hierbij een belangrijk uitgangspunt.
Het voorkomen van onnodig nieuw ruimtebeslag krijgt ook vorm door eerst de mogelijkheden binnen bestaande bebouwde omgeving optimaal te benutten. Dat betekent niet dat alle fysieke ruimte benut moet worden voordat nieuw ruimtebeslag mogelijk is. Binnen stedelijk gebied is vanuit kwaliteitsoverwegingen bijvoorbeeld ook ruimte nodig voor groenvoorzieningen en voldoende opvang van water. Een verbijzondering voor stedelijke ontwikkeling is dat er toepassing gegeven moet zijn aan de ladder voor duurzame verstedelijking, zoals opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening.
Toets
De ontwikkelingen die met het voorliggende plan worden beoogd vinden plaats binnen het besluitvlak van 2 hectare, waarvan de bebouwing binnen een (denkbeeldige) oppervlakte ligt van 1,5 hectare en de voorzieningen voor opslag van ruwvoer binnen een oppervlakte van 0,5 hectare.
De nieuwbouw worden opgericht direct ten oosten van de bestaande bebouwing binnen dit besluitvlak. Er blijft sprake van een compacte concentratie aan bebouwing.
De omvang van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling past in de omgeving gelet op de bestaande en toekomstige functies in de omgeving en de effecten die de ontwikkeling op die functies heeft.
Er is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, waardoor verdere toetsing aan de Ladder voor stedelijke ontwikkeling niet noodzakelijk is.
De beoogde ontwikkeling zal van een zorgvuldige landschappelijke inpassing worden voorzien. Er wordt bovendien toepassing gegeven aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik.
Toepassing van de lagenbenadering
In artikel 3.7 worden regels gesteld ten aanzien van toepassing van de lagenbenadering. De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd. Dit betekent dat het effect van de beoogde ontwikkeling op de ondergrond, de netwerklaag en de bovenste laag beschouwd moet worden. Met het effect op de ondergrond worden onder andere de aspecten bodem, grondwater en archeologische waarden bedoeld. De netwerklaag omvat aspecten zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. In de beschouwing van de bovenste laag dienen aspecten zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu aan bod te komen. Door hierin actief de factor tijd te benutten wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde, vanuit het verleden, de (on)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid.
Toets
In hoofdstuk 4 van deze onderbouwing komen de relevante milieu- en omgevingsaspecten aan bod. In deze toetsing komen bovenstaande aspecten uit de lagenbenadering uitgebreid aan bod. In het perspectief van de tijd zal het bedrijf zich kunnen ontwikkelen tot een toekomstbestendig melkveehouderijbedrijf. Hierbij zal het duurzaam worden ingepast in het landschap.
Meerwaardecreatie
In artikel 3.8 worden regels gesteld ten aanzien van meerwaardecreatie. Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken. Het biedt de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren, waardoor er meerwaarde ontstaat. Daarnaast ontstaat een bijdrage aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit zoals bedoeld in zoals hierboven beschreven kan onder andere bestaan uit een landschappelijke inpassing, behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen, wegnemen van verharding of het slopen van bebouwing.
Toets
Met dit planvoornemen wordt meerwaarde gecreëerd door de verruiming van de ontwikkelingsmogelijkheden binnen 2 hectare te combineren met een zorgvuldige landschappelijke inpassing, waarbij met de gemeente een landschapsinvesteringsovereenkomst wordt gesloten. Zie ook onder het kopje 'Kwaliteitsverbetering van het landschap'. Hierdoor wordt een belangrijke kwaliteitsslag geleverd ten aanzien van de inpassing van het bedrijf in het omliggende landschap.
Kwaliteitsverbetering van het landschap
In artikel 3.9 worden regels gesteld over het verbeteren van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.
Daarnaast moet worden aangetoond hoe deze fysieke verbetering financieel, juridisch en feitelijk wordt verzekerd. Een verbetering kan o.a. bestaan uit een landschappelijke inpassing, behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen, het slopen van bebouwing of aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden. Deze vormen van kwaliteitsverbetering moeten worden geborgd in het bestemmingsplan.
Over de exacte invulling van de kwaliteitsverbetering zijn in het regionaal ruimtelijk overleg tussen gemeenten en provincie afspraken gemaakt.
Toets
In de gemeente Laarbeek is hiertoe de landschapsinvesteringsregeling van toepassing. De mate van omvang van deze kwaliteitsverbetering is afhankelijk van de soort ontwikkeling.
Op basis van die regeling is bij voorliggend plan sprake van een categorie 3-ontwikkeling (bestemmingswijziging agrarische gronden naar agrarische bedrijfsdoeleinden). Dit betekent dat aan de hand van een berekende meerwaarde van de gronden een bijdrage van 20% van die meerwaarde aan kwaliteitsverbetering moet worden gedaan. Daarnaast dient de locatie landschappelijk te worden ingepast.
In de huidige situatie heeft het bedrijf van initiatiefnemer een bestemmingsvlak van 1,5 hectare waarbinnen de bebouwing en de voorzieningen gerealiseerd moeten worden. In de nieuwe situatie blijft de oppervlakte voor het realiseren van de bebouwing ongewijzigd. De bestaande bebouwing en de nieuwbouw en mestopslag valt binnen een (denkbeeldig) bestemmingsvlak van 1,5 hectare. De voorzieningen ten behoeve van opslag van ruwvoer, zoals de sleufsilo's, liggen binnen een vlak met een oppervlakte van 5.000 m2. Feitelijk is dit het differentiatievlak. Vanwege het gegeven dat deze 5.000 m2 uitsluitend mag worden gebruikt voor de opslag van ruwvoer (dus geen bouwmogelijkheid) is een bijdrage berekend die gedaan moet worden aan kwaliteitsverbetering. Deze bijdrage zal door initiatiefnemer worden geïnvesteerd in de aanleg van groenelementen om de bestaande en nieuwe bebouwing landschappelijk in te passen en daarmee de bestaande landschapsstructuur te versterken en te behouden conform het opgestelde landschappelijk inpassingsplan.
De kwaliteitsverbetering van het landschap wordt juridisch vastgelegd door middel van een ontwikkelingsovereenkomst tussen de initiatiefnemer en de gemeente. Daarnaast is in de regels bij dit bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting voor de realisatie en instandhouding van de landschappelijke inpassing opgenomen als planologische borging.
Artikel 3.49 veehouderij in landelijk gebied
Artikel 3.49 (Afdeling 3.6, paragraaf 3.6.1) gaat in op de veehouderij in het landelijk gebied. Uitsluitend een 'zorgvuldige veehouderij' is toegestaan en dit moet worden geborgd in het bestemmingsplan.
In beginsel is een bouwperceel ten hoogste 1,5 hectare groot (afwijking is mogelijk op grond van artikel 3.53, zie hierna). Een bestemmingsplan kan voorzien in de ontwikkeling van een veehouderij als de ontwikkeling vanuit een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving inpasbaar is in de omgeving. De landschappelijke inpassing moet tenminste 10% van de omvang van het bouwperceel omvatten en er moet een zorgvuldige dialoog zijn gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving in de planontwikkeling.
Toets
In de regels is geborgd dat uitsluitend een 'zorgvuldige veehouderij' is toegestaan. Onder zorgvuldig wordt verstaan dat veehouderijen hun bedrijfsvoering zo inrichten dat zij daarmee goed passen in hun omgeving. De BZV gaat uit van de gedachte dat ontwikkelruimte verdiend moet worden en niet onbegrensd is. Deze denklijn is vastgesteld in de Interim Omgevingsverordening. Veehouders kunnen pas een vergunning aanvragen voor een uitbreiding na overleg met hun omgeving en nadat uit een objectieve toetsing (BZV) de score 'zorgvuldig' is gekomen. BZV toetst op de thema's: (dier)gezondheid, dierenwelzijn, brandpreventie, energie, fosfaatefficiëntie, geur, fijn stof, mineralenkringlopen en verbinding met de omgeving.
Initiatiefnemer heeft met een BZV-toets aangetoond dat kan worden voldaan aan de Nadere regels zorgvuldige veehouderij die door Gedeputeerde Staten zijn vastgesteld.
Het bestemmingsvlak van het grondgebonden veehouderijbedrijf van initiatiefnemer heeft een omvang van 1,5 hectare. Het bestemmingsvlak zal van vorm veranderen en dezelfde omvang behouden. In de nieuwe situatie wordt een (denkbeelding) differentiatievlak toegevoegd van 0,5 hectare voor de ruwvoeropslag.
Zoals nader aangetoond in het hoofdstuk "Milieu- en milieuaspecten" (zie hoofdstuk 4) blijkt dat er met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van een onevenredige aantasting van de in de omgeving voorkomende waarden en dat er geen sprake zal zijn van onevenredige belemmeringen op het gebied van milieu en ruimte.
Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Luchtkwaliteit" (paragraaf 4.8) is de voorgenomen ontwikkeling aan te merken als een ontwikkeling die niet in betekenende mate bijdraagt aan de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee niet leiden tot een onevenredige toename van de achtergrondconcentratie aan fijnstof en stikstofoxiden.
Zoals nader omschreven in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.3) zal ter plaatse sprake zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing. Ten behoeve daarvan is door een landschapsdeskundige een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld, waarin de landschappelijke inpassing nader is uitgewerkt en is onderbouwd.
Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een zorgvuldige dialoog met de omgeving gevoerd. Daarbij zijn omwonenden in de gelegenheid gesteld om op de plannen te reageren en eventuele bezwaren of verbeterpunten kenbaar te maken.
Van de gehouden dialoog met de omgeving is een verslag gemaakt. De aanwezigen hebben naar zeggen een duidelijke uitleg gekregen, waarbij geen vragen zijn gesteld. Het voornemen wordt als positief ervaren. Het verslag van de omgevingsdialoog met de presentielijst, is als Bijlage 4 aan deze toelichting toegevoegd.
Artikel 3.50 aanvullende regels nieuw dierenverblijf
In artikel 3.50 van de interim omgevingsverordening is bepaald dat een bestemmingsplan in het landelijk gebied een verbod op toename van de oppervlakte dierenverblijf is opgenomen tenzij wordt voldaan aan de volgende bepalingen:
Toets
De voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de voorwaarden voor een zorgvuldige veehouderij. Hiervoor is het initiatief aan de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij (BZV) getoetst. Uitkomst van deze toets is dat er wordt voldaan aan de eisen van BZV (zie Bijlage 5).
Zoals in de vorige paragraaf al is omschreven wordt eveneens voldaan aan de omgevingskwaliteit, cumulatieve geurhinder en omgevingsdialoog. In hoofdstuk 4 worden de relevante omgevings- en milieuaspecten uitgebreid beschreven en getoetst.
Omdat het hier een melkveehouderij betreft is in de planregels is geborgd dat dieren alleen op de begane grond kunnen worden gehouden.
De ontwikkeling betreft geen gebruikswijziging van een bestaand gebouw.
Artikel 3.53 afwijkende omvang veehouderij
In artikel 3.53, lid 3 is bepaald dat een bestemmingsplan, van toepassing op Landelijk gebied, kan bepalen dat de omvang van het bouwperceel met ten hoogste 0,5 hectare wordt vergroot, waardoor het bouwperceel ten hoogste 2 hectare bedraagt, indien:
Toets
Het betreft hier een grondgebonden melkrundveehouderij waar het ruwvoer (maïs en gras) op de bij het bedrijf behorende gronden wordt geteeld. Het bedrijf is in overwegende mate aangewezen op de opslag van ruwvoer. Het ruwvoer moet binnen het bouwperceel worden opgeslagen, maar die ruimte is binnen het huidige bouwperceel niet aanwezig. Een deel van het ruwvoer wordt nu al buiten het bouwperceel opgeslagen. Voor een duurzame bedrijfsontwikkeling is nog enige uitbreiding van de opslagcapaciteit nodig
De Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen heeft beoordeeld of het planvoornemen van initiatiefnemer aan deze bepalingen voldoet. Zij constateren dat binnen de contouren van het bestemmingsvlak onvoldoende ruimte beschikbaar is voor de opslag van het ruwvoer dat benodigd is voor de bedrijfsvoering. Mede gelet op de voorgenomen uitbreiding van de bedrijfsbebouwing voor de bouw van een loods en de bouw van een ligboxenstal is de Adviescommissie van oordeel dat toekenning van een bestemmingsvlak van 1,50 hectare in combinatie met de toekenning van een differentiatievlak van 0,5 ha voor de opslag van ruwvoer passend is. Het advies van de commissie is als Bijlage 1 aan deze toelichting toegevoegd.
Op het (denkbeeldige) differentiatievlak van 0,5 ha is de specifieke aanduiding 'ruwvoeropslag' van toepassing. Binnen deze aanduiding is alleen het oprichten van sleufsilo's mogelijk en het gebruik ten behoeven van de opslag van ruwvoer. Dit is geborgd in de bouw- en gebruiksregels.
Het planvoornemen is in overeenstemming met provinciaal beleid.
De gemeentelijke ‘Structuurvisie 2010-2020 ‘Groei in Balans’ vervangt de ‘Structuurvisie+ Laarbeek’ uit 2003. In de ‘Structuurvisie 2010-2020’ staan de hoofdlijnen van de voorgenomen ontwikkeling van het hele grondgebied van Laarbeek en de hoofdzaken van het gemeentelijk beleid tot het jaar 2020. De structuurvisie is op 16 september 2010 vastgesteld.
In de structuurvisie wordt ten aanzien van het buitengebied aangegeven dat dit onder druk staat. Door de verreikende transformatie die in de landbouw plaatsvindt, is er een nieuwe positiebepaling gaande waarbij de verschillende belangen om voorrang vechten zoals landbouw, toerisme, bedrijvigheid, infrastructuur, wonen, natuur en water.
Toetsing
Het planvoornemen ziet toe op een verruiming van de ontwikkelingsmogelijkheden van een grondgebonden agrarisch bedrijf. De nieuwbouw vindt plaats binnen een (denkbeeldig) bestemmingsvlak van 1,5 ha, terwijl de voorzieningen binnen een (denkbeeldig) differentiatievlak van 0,5 ha vallen.
Deze beschreven ontwikkelingen zijn passend in het buitengebied en daarmee in overeenstemming met het beleid zoals verwoord in de structuurvisie.
Conclusie
Het initiatief past binnen de kaders van de structuurvisie van de gemeente Laarbeek.
Door gemeenteraad is op 9 december 2021 de omgevingsvisie Buitengebied Laarbeek, getiteld "Zonder ruimte geen beweging" vastgesteld.
De Omgevingsvisie is een langetermijnvisie die laat zien waar de gemeente voor staat en waar we de gemeente naar toe wil in de toekomst. De visie gaat alleen over het buitengebied van Laarbeek. Dit buitengebied kent veel uitdagingen, zoals de afname van agrarische bedrijven en een toename van vrijkomende agrarische gebouwen.
Toekomstbestendige agrarische ontwikkelgebieden
In de landbouw zijn twee tegenstrijdige bewegingen gaande: Schaalvergroting én schaalverkleining.
Om beide bewegingen te kunnen faciliteren, zijn in Laarbeek twee zogenaamd toekomstbestendige agrarische ontwikkelgebieden aangewezen. Het betreft het pionierslandschap rondom Mariahout en het Aa-landschap aan de noordoostzijde van Beek en Donk. In deze gebieden is grootschalige landbouw toegestaan (met inachtneming van de volksgezondheid en een aanvaardbaar woon- en leefklimaat). In het overige deel van het buitengebied van Laarbeek ligt de nadruk op schaalverkleining, multifunctionele landbouw, natuur-inclusieve landbouw en kringlooplandbouw.
Het plangebied ligt buiten de twee genoemde ontwikkelingsgebieden. Hier zal met name worden ingezet op natuur-inclusieve landbouw en kringlooplandbouw.
Op het plangebied is het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ van de gemeente Laarbeek van toepassing (vastgesteld op 6 juli 2010, onherroepelijk op 28 juni 2012). De locatie heeft de bestemming ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf’. De omvang van dit bestemmingsvlak is circa 1,5 hectare.
De gronden aansluitend op de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' hebben de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschaps- en Natuurwaarden 1'. Burgemeester en wethouders mogen deze bestemmingen wijzigen ten behoeve vormverandering van het bestemmingsvlak. De vormverandering dient noodzakelijk te zijn voor een doelmatige bedrijfsvoering en/of bedrijfsontwikkeling. De totale oppervlakte mag niet worden vergroot.
De aangrenzende gronden hebben de Functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - struweelvogels'. Het plangebied ligt in de Gebiedsaanduiding 'reconstructiezone - verwevingsgebied'.
Conclusie
Omdat de oppervlakte van het bestemmingsvlak bedrijf wordt vergroot kan de wijzigingsbevoegdheid in dit geval niet worden toegepast. De bedrijfsontwikkeling wordt mogelijk gemaakt via een partiële herziening van het bestemmingsplan Buitengebied. Hierbij wordt het bestemmingsvalk vergroot tot 2 hectare, waarvan 0,5 hectare uitsluitend gebruikt mag worden voor de opslag van ruwvoer.
Het plan tast de natuurwaarden, in het bijzonder het leefgebied van struweelvogels, niet aan. Door het toevoegen van groenelementen als onderdeel van de landschappelijke inpassing, wordt de kwaliteit van het leefgebied verbeterd.
In dit hoofdstuk worden de van toepassing zijnde milieu- en omgevingsaspecten beoordeeld voor dit plan. Uit deze beoordeling blijkt dat het plan geen significant negatieve gevolgen heeft voor de het milieu en de omgeving van de locatie.
Zoals uit artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) voortvloeit, dient in de toelichting bij het bestemmingsplan gemotiveerd te worden in welke mate rekening is gehouden met diverse ruimtelijke belangen. In artikel 3.1.6, lid 5 van het Bro wordt verwezen naar enkele milieuaspecten die in de toelichting terug dienen te komen. Daarbij wordt eveneens verwezen naar de milieueffectrapportage (m.e.r.). Dit is een wettelijk instrument dat als doel heeft milieuaspecten volwaardig te betrekken in de ruimtelijke afweging die gemaakt wordt ten behoeve ruimtelijke plannen en besluiten. Er zijn in beginsel drie afzonderlijke situaties die kunnen leiden tot een m.e.r.-plicht bij een bestemmingsplan:
Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst D valt, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een gevoelig natuurgebied ligt. Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst en die beneden de drempelwaarden vallen, moet dan ook een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd.
Toets
Voor het bedrijf is op 24 mei 2016 een omgevingsvergunning verleend waar een verklaring van geen bedenkingen (VVGB) voor de Natura 2000-activiteit onderdeel van uitmaakt. De vergunde dieraantallen en bijbehorende huisvestingssystemen zijn opgenomen in onderstaande tabel. De omgevingsvergunning is toegevoegd als Bijlage 6.
De ammoniakemissie die op grond van deze gecombineerde milieu- en natuurvergunning mag worden veroorzaakt is 4.234,2 kg NH3 per jaar
Op 21 januari 2019 is een omgevingsvergunning verleend voor een milieuneutrale wijziging. Dit betreft een aanpassing van stalsystemen en verschuiving van dieren. De totale aantallen dieren per diercategorie zijn niet gewijzigd en ook is de ammoniakemissie uit de dierenverblijven niet gewijzigd. Wel is als voorschrift opgenomen dat de melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar ten minste 720 uur per kalenderjaar worden beweid.
Alle dierplaatsen zijn gerealiseerd en de inrichting is in gebruik overeenkomstig de geldende omgevingsvergunning. De geldende vergunning komt overeen met de huidige feitelijke en planologisch toegestane bedrijfssituatie.
In de gebruiksregels van dit plan is geborgd dat de stikstofemissie niet hoger mag zijn dat de emissie die op grond van de omgevingsvergunning van 24 mei 2016 (zaaknummer 364-2015) is toegestaan.
Uitvoerbaarheid
Over de uitvoerbaarheid van het voornemen wordt het volgende opgemerkt. In de uitgangspunten van dit plan is beschreven dat in de nieuw te bouwen stal een emissiearme stalsysteem wordt toegepast. Door ook in de bestaande stallen een emissiearm(er) systeem toe te passen kan het aantal dieren worden uitgebreid zonder dat de totale ammoniakemissie uit de stallen toeneemt. Aanpassing van bestaande stallen naar een emissiearm(er) systeem is ook een verplichting op grond van de IOV.
In het licht van recente uitspraken van de Raad van State met betrekking tot onzekerheid van de emissiefactoren van emissiearme stalsystemen die in de Regeling ammoniak en veehouderij (RAV) zijn opgenomen, kan op dit moment bij een aantal emissiearme systemen niet met zekerheid gesteld worden dat die emissiefactor in de praktijk wordt behaald.
Het is mogelijk om een stalsysteem toe te passen waarvan de emissiefactor wél met zekerheid lager is. Initiatiefnemer kan het huisvestingssysteem met RAV-code A 1.39 toepassen. Dit is de zogenaamde Lely Sphere en dit systeem heeft volgens de RAV een emissiefactor van 3 kg NH3 per dierplaats per jaar. De volgende beschrijving van het systeem is opgenomen in de RAV.
Natuurlijk geventileerde ligboxenstal met een roostervloer voorzien van inlays met urineafvoergaatjes in de roosterspleten, frequent bevochtigen en schoonzuigen van de vloer door een mestverzamelrobot en een mechanische kelderluchtafzuiging met een chemisch luchtwassysteem (95% emissiereductie) (BWL 2021.08.V1).
De nieuw te bouwen stal wordt voorzien van een mestkelder met daarbovenop een aan te passen en/of te plaatsen roostervloer. Er is voldoende ruimte om mechanische kelderafzuiging te plaatsen aan de zijkant van de stal. Ook voor opslag van zuur en spuiwater is voldoende ruimte aanwezig op het perceel, waardoor dit systeem kan worden toegepast. De uitvoerbaarheid van dit stalsysteem is in deze situatie verzekerd.
Onderstaande tabel geeft een beeld van de ammoniakemissie na uitvoering van het planvoornemen met toepassing van de Lely Sphere in de nieuw te bouwen stal. Hieruit volgt dat de ammoniakemissie in dat geval ruim lager is dan het emissieplafond.
Door toepassing van Lely Sphere kan de vereiste emissiereductie worden behaald. Een AERIUS berekening met dit stalsysteem is bijgevoegd als Bijlage 7. Daarmee is de uitbreiding van de veehouderij die het plan mogelijk maakt uitvoerbaar. Dit betreft een mogelijke en realistische invulling van het voornemen. Mogelijk komen er in de toekomst nog andere stalsystemen die toepasbaar zijn.
Passende beoordeling
In de planregels is opgenomen dat het gebruik geen toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden mag veroorzaken ten opzichte van de geldende natuurvergunning. Ook is voldoende verzekerd dat het project geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft als een emissiearm huisvestingsysteem wordt toegepast.
In dit geval is geen passende beoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming nodig. Doordat een toename van stikstofdepositie is verboden zal bij een toename van het aantal dieren op het bedrijf de ammoniakdepositie op Natura 2000-gebieden op zijn minst gelijk blijven. Significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden zijn daardoor uitgesloten.
Uit de toets van de overige relevante milieu- en omgevingsaspecten in dit hoofdstuk volgt dat er geen sprake is van andere belangrijke milieueffecten die tot een m.e.r.-plicht leiden.
Conclusie
Voor dit plan behoeft geen milieueffectrapport opgesteld hoeft te worden.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient tussen kwetsbare of gevoelige objecten, zoals een woning, en bepaalde functies en bedrijven voldoende afstand te worden gehouden. Deze afstand is enerzijds nodig om het woon- en leefklimaat ter plaatse van het gevoelige object niet aan te tasten, anderzijds is deze afstand nodig om het bedrijf of de functie niet te beperken in de betreffende (bedrijfs)activiteiten. Als uitgangspunt worden de richtafstanden uit publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) genomen. In de VNG-publicatie is voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar een richtafstand gegeven, waarbij de grootste richtafstand leidend is.
De VNG maakt onderscheid tussen de omgevingstypen 'Rustige woonwijk / rustig buitengebied' en 'Gemengd gebied'. Bij het eerste type is duidelijk sprake van functiescheiding. Bij het tweede is sprake van functiemenging en komen direct naast woningen ook andere functies voor zoals winkels, horeca en (kleine) bedrijven. Volgens de VNG-publicatie behoren gebieden, die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, eveneens tot omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de hogere milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.
In de VNG-publicatie is aangegeven dat wanneer er sprake is van een 'gemengd gebied', de richtafstand met één afstandsstap mag worden verminderd. Dat wil zeggen dat een oorspronkelijke richtafstand van 30 meter wordt verminderd naar 10 meter en een oorspronkelijke richtafstand van 10 meter wordt verminderd naar 0 meter.
Toets
Het melkveebedrijf wordt in de bedrijvenlijst van de VNG publicatie omschreven als het 'Fokken en houden van rundvee'. Dit is een categorie 3.2 bedrijf waarbij de grootste afstand geldt van 100 meter voor het aspect geur. Het plangebied is gelegen in het omgevingstype 'Rustige woonwijk / rustig buitengebied'.
In de huidige situatie is het dichtstbijgelegen gevoelig object gelegen aan de Sonseweg 11 in Lieshout. Deze woonbestemming ligt in de huidige situatie op circa 156 meter van het bouwvlak. In de gewenste situatie komt het bouwvlak niet dichter bij en zal de uitbreiding van de stal moeten voldoen aan de vaste afstanden die volgen uit de Wgv. Zie hiervoor de beoordeling in paragraaf 'Geur'.
Binnen het plangebied worden geen nieuwe geurgevoelige objecten mogelijk gemaakt. Hierdoor worden bedrijven in de omgeving niet gehinderd in hun ontwikkelmogelijkheden.
Conslusie
Het aspect bedrijven en milieuzonering staat de uitvoering van het planvoornemen niet in de weg.
Het landelijk beleid gaat uit van het principe dat de bodem geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. Met andere woorden, de bodemkwaliteit mag geen onaanvaardbaar risico opleveren voor de gebruikers van de bodem. De gewenste functie bepaalt als het ware de gewenste bodemkwaliteit. Voor alle bestemmingen waar een functiewijziging of herinrichting wordt voorzien, dient de bodemkwaliteit door middel van een bodemonderzoek in beeld te worden gebracht.
In artikel 8 van de Woningwet is aangegeven dat een gemeente in de gemeentelijke bouwverordening regels moet opnemen om het bouwen op verontreinigde grond tegen te gaan. De gemeente heeft de taak om alleen een omgevingsvergunning (aspect bouwen) te verlenen als de kwaliteit van de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik. Hiertoe toetst de gemeente de informatie omtrent de bodemkwaliteit aan de Circulaire bodemsanering. Als de bouwlocatie daaraan niet voldoet, dan kan de gemeente een aanvraag voor een omgevingsvergunning weigeren, of nadere eisen in de vergunning opnemen.
Toets
In de huidige situatie is binnen het plangebied een grondgebonden veehouderijbedrijf gevestigd. Het plan voorziet in de bouw van een nieuwe ligboxenstal en opslagloods. Deze bebouwing wordt opgericht op de plek waar zich momenteel landbouwgronden bevinden. Er zijn geen aanwijzingen dat zich hier in het verleden bodemverontreinigende activiteiten hebben voorgedaan of dat hier in het verleden bebouwing heeft gestaan. De gronden ter plaatse kunnen derhalve als ‘schoon’ worden geclassificeerd.
Vanuit artikel 8 van de Woningwet wordt een bodemonderzoek geëist als sprake is van het oprichten van een inrichting waarin meer dan 2 uur per dag mensen aanwezig zullen zijn.
De nieuw te bouwen stal wordt niet uitgevoerd met een melkinstallatie. De koeien die in deze stal worden gehuisvest zullen in de bestaande melkstal worden gemolken. Om die reden is het aannemelijk dat de verblijftijd van mensen in de stal kleiner is dan 2 uur per dag. Dat geldt ook voor de loods waarin opslag plaatsvindt van machines en werktuigen.
Ter plaatse van het (denkbeeldige) differentiatievlak mag geen nieuwe bebouwing worden opgericht. Hier zijn alleen opslagvoorzieningen toegestaan. Verder bodemonderzoek kan daardoor achterwege blijven.
Conclusie
De nieuwbouw wordt gerealiseerd op gronden die in gebruik zijn als landbouwgrond. Op deze grond hebben geen bodembedreigende activiteiten plaatsgevonden. Omdat in de nieuwbouw gemiddeld niet langer dan 2 uur per dag wordt verbleven, is nader bodemonderzoek niet nodig. Het aspect bodemkwaliteit staat de uitvoering van het planvoornemen niet in de weg.
Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidgevoelig object moet worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In de Wet geluidhinder is bepaald hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen.
In de Wet geluidhinder (Wgh) is geregeld dat bepaalde wegen, spoorwegen en bedrijven(terreinen) een zone hebben. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidgevoelige objecten binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen.
Toets
Wegverkeerslawaai
Volgens de Wet geluidhinder (Wgh) heeft elke weg een geluidszone, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Het betreft in dit geval een bestaand agrarisch bedrijf met 2 bestaande bedrijfswoningen. Er wordt met het planvoornemen geen geluid gevoelig object toegevoegd. Er is in dit geval geen akoestisch onderzoek noodzakelijk.
Industrielawaai
De toekomstige uitbreiding van het bedrijf vindt plaats op relatief grote afstand van de woningen van de buren (meer dan 160 meter) . Met de vormverandering van het bestemmingsvlak komt deze deels op een grotere afstand te liggen van de omliggende woningen van derden. De geluidbelasting van het bedrijf van initiatiefnemer op gevoelige objecten in de omgeving zal door de wijziging van de vorm van het bestemmingsvlak niet toenemen.
Spoorweglawaai
Op korte afstand uit het plangebied is geen spoorlijn aanwezig. Het aspect railverkeerslawaai is dan ook niet van toepassing op het onderhavig plan.
Luchtvaartlawaai
Het plangebied ligt op hemelsbreed circa 14 km van de luchthaven Eindhoven. Dit is een militair vliegveld met medegebruik door de burgerluchtvaart (Eindhoven Airport). Vanaf 1 november 2009 geldt de Wet luchtvaart. Deze wet omvat een nieuw stelsel van besluitvorming en normen voor alle luchthavens, met uitzondering van Schiphol. Conform de systematiek van deze wet is voor luchthaven Eindhoven één luchthavenbesluit vastgesteld met een militaire geluidsruimte voor militair vliegverkeer en een burgergeluidsruimte voor het commercieel burgermedegebruik. Het luchthavenbesluit is op 26 september 2014 vastgesteld. Met dit besluit is de 35Ke-geluidszone rond de luchthaven vastgelegd als grens van de geluidsbelasting van het gezamenlijke militaire en civiele vliegverkeer. Het plangebied ligt niet binnen deze vastgestelde geluidszone (35Ke-contouren). Deze geluidszone werkt daarom niet belemmerend voor onderhavig plangebied.
Conclusie
De aspecten industrie-, spoorweg- en luchtvaartlawaai vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. De uitvoering van het planvoornemen worden door deze aspecten niet belemmerd.
Geur uit dierenverblijven
De Wet geurhinder en veehouderij betreft een wet waarmee de nationale regels inzake geurhinder te opzichte van de tot de veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld zijn. De Wet geurhinder en veehouderij heeft tot doel het beschermen van verblijfsgebouwen voor mensen tegen de negatieve effecten van de geurbelasting, als gevolg van emissies uit dierenverblijven. Met de in de Wet geurhinder en veehouderij opgenomen grenswaarden moet rekening gehouden worden bij vergunningen aan veehouderijen. Nieuwe knelpunten moeten worden voorkomen.
In de Wet geurhinder een veehouderij zijn grenswaarden opgenomen voor de geurbelasting die een veehouderijbedrijf op en geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning) mag veroorzaken. Tevens gelden volgens de wet minimale afstanden tot woningen van derden. De grenswaarden worden weergegeven in odour units per vierkante meter lucht (ouE/m3). Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen de ligging van een veehouderijbedrijf binnen of buiten de concentratiegebieden en de ligging van de veehouderijbedrijven binnen of buiten de bebouwde kom.
Toets
Binnen het bestemmingsplan is een veehouderij mogelijk waar dieren (melkvee) worden gehouden waar een vaste afstand voor is vastgesteld. Voor geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom is dit 100 meter en buiten de bebouwde kom is dit 50 meter.
Binnen de genoemde afstanden zijn geen woningen van derden gelegen, gemeten uit de ligging van het bestemmingsvlak in de nieuwe situatie.
Opslag en bewerken van mest en kuilvoer
Overige activiteiten, zoals de opslag van mest en veevoer, kunnen lokaal geurhinder veroorzaken. Geurhinder kan worden voorkomen door voldoende afstand te houden tussen de geurbron en een geurgevoelige locatie. Hiervoor kan worden aangesloten bij de afstanden die worden genoemd in het Activiteitenbesluit milieubeheer.
Binnen het (denkbeeldig) differentiatievlak is het mogelijk om voorzieningen te realiseren voor de opslag van mest en veevoer. De kortste afstand van het differentiatievlak tot woningen van derden is circa 165 meter. Er wordt hiermee ruim voldaan aan de minimale afstand uit het Activiteitenbesluit milieubeheer.
Conclusie
Het plan leidt niet tot geurhinder bij omliggende woningen. Geur is geen beperkende factor voor dit plan.
Bij externe veiligheid gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de productie, het behandelen of het vervoer van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico’s moeten aanvaardbaar blijven. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op het beschermen van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven.
Bij ruimtelijke plannen dient rekening te worden gehouden met dit aspect. Daartoe moeten de risico’s voor de bevolking, die verbonden zijn aan gevaar veroorzakende activiteiten, in beeld worden gebracht.
Voor de normstelling van risicovolle bedrijven moet worden aangesloten bij het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Het toetsingskader is meer gedetailleerd uitgewerkt in de Regeling externe veiligheid voor inrichtingen (Revi).
De eisen ten aanzien van vervoer van gevaarlijke stoffen en de daarmee samenhangende risico’s zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt).
Voor buisleidingen die risicovolle stoffen transporteren geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Dit besluit regelt de taken en verantwoordelijkheden van de leidingexploitant en de gemeenten en geeft de eisen en veiligheidsafstanden voor buisleidingen die worden gebruikt voor het transport van gevaarlijke stoffen ten opzichte van kwetsbare objecten.
Toets
Buisleidingen
De meest nabijgelegen risicovolle bron betreft twee gastransportleidingen van Gasunie, gelegen direct ten noordoosten en ten zuidwesten van het plangebied. Zie ook de navolgende afbeelding.
Afbeelding 9: Aargasleidingen in de omgeving van het gebied
In het bestemmingsplan zijn veiligheidszones opgenomen, circa 70 meter aan weerszijden van de gasleiding. De veiligheidszone van gasleiding A-521 ligt voor een deel binnen het plangebied. Ter bescherming van de gasleiding geldt een verbod op het bouwen van nieuwe gebouwen binnen de veiligheidszone. Hiervan kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken mits vooraf advies is ingewonnen bij de leidingbeheerder.
Het plangebied ligt geheel in een 100% letaalzone van de gasleidingen. Aangezien het project niet voorziet in nieuwe ontwikkelingen ten aanzien van het aantal personen in het plangebied (het groepsrisico zal niet toenemen) en het feit dat er door de lage bevolkingsdichtheid (binnen het plangebied en de directe omgeving) waarschijnlijk sprake zal zijn van een laag groepsrisico, kan een nadere verantwoording van het groepsrisico in dit geval achterwege blijven.
Aangezien het project niet voorziet in nieuwe ontwikkelingen, die van invloed kunnen zijn op het groepsrisico, is een verantwoording niet aan de orde.
Inrichtingen
In de directe omgeving van de locatie bevinden zich geen Bevi-bedrijven. Ook vanuit het Activiteitenbesluit, het Vuurwerkbesluit, het Besluit ruimte en de Circulaire ontplofbare stoffen voor civiel gebruik krijgt deze locatie niet te maken met veiligheidsafstanden.
Besluit en Regeling externe veiligheid transportrisico’s
In de omgeving van het plangebied zijn geen transportroute's aanwezig waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd.
Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling vindt plaats op voldoende afstand van:
De risicocontouren van opslag, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen vormen geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
Het plangebied ligt in een risicocontour van gasleidingen. Omdat het plan geen invloed heeft op het aantal mensen in het gebied en de bevolkingsdichtheid laag is, vormen deze leidingen geen belemmering voor het plan. Het voorgenomen initiatief voorziet ook niet in nieuwe gebouwen in de veiligheidszone.
Onderhavig plan voorziet verder niet in het vestigen of oprichten van een risicovolle inrichting.
Hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer bevat de regelgeving op het gebied van luchtkwaliteit. Daarin zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor diverse verontreinigende stoffen, waaronder stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). In artikel 5.16 van de Wet milieubeheer is vastgelegd in welke gevallen de luchtkwaliteitseisen geen belemmering vormen voor een nieuwe ontwikkeling. Dit is het geval wanneer:
De uitwerking van het begrip 'niet in betekende mate' staat in het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' en de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)'. In de Regeling zijn categorieën van gevallen benoemd die in ieder geval als 'niet in betekenende mate' worden aangemerkt en waarvoor toetsing aan de grenswaarden dus zonder meer achterwege kan blijven. Er is volgens deze regeling geen onderzoek nodig voor 'woningbouwlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeerverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen omvat'.
Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)
Het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) is gericht op mensen die verhoogd gevoelig zijn voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2). In het besluit is geregeld dat wanneer een gevoelige bestemming binnen een onderzoekszone van een rijks- of provinciale weg wordt gevestigd of uitgebreid, een luchtkwaliteitsonderzoek nodig is. Gevoelige bestemmingen zijn functies waarbinnen kinderen, ouderen en zieken verblijven, zoals scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Een woning of ziekenhuis is geen gevoelige bestemming conform het besluit. De onderzoekszone van een rijksweg betreft 300 meter aan beide zijden van de weg, gemeten vanaf de rand van de weg. Voor een provinciale weg geldt hetzelfde, maar dan een zone van 50 meter.
Goede ruimtelijke ordening
Naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' dient altijd te worden onderzocht of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het principe van een 'goede ruimtelijke ordening' blijft naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' onverkort gelden. De Wet ruimtelijke ordening (Wro), art. 3.1, schrijft voor dat een bestemmingsplan moet voldoen aan de criteria voor goede ruimtelijke ordening. Die verplichting heeft in dit verband betrekking op situaties waarop het Besluit gevoelige bestemmingen niet ziet, maar die vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening onwenselijk zijn, bijvoorbeeld de bouw van woningen langs een snelweg, of de bouw van een school langs een drukke binnenstedelijke weg.
Toets
Uit de toelichting bij het “Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)” blijkt dat woninglocaties tot 1.500 woningen netto bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit.
Er wordt met dit plan geen nieuwe gevoelige bestemming conform het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteit) mogelijk gemaakt. Daarnaast valt het plan onder de ondergrens van de categorie “niet in betekenende mate” bijdragend.
De Atlas Leefomgeving maakt duidelijk dat de concentraties luchtvervuilende stoffen nabij het plangebied ver onder de grenswaarden liggen die op Europees niveau zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu tegen schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. De NO2 concentratie bedraagt 16 microgram/m3 (2019) en fijnstofconcentratie bedraagt 18 microgram/m3 (2019).
De luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied voldoet ruimschoots aan de wettelijke grenswaarden. De ontwikkelingen die als gevolg van het plan mogelijk worden gemaakt, zoals de bouw van de nieuwe stal en de opslagloods, zullen resulteren in een (kleine) toename van het aantal vervoersbewegingen van en naar het bedrijf. Deze toename zal echter “niet in betekenende mate” bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied.
Een (kleine) toename van het aantal vervoersbewegingen zal beneden NIBM grens van 1,2 microgram/m3 blijven waardoor ook de norm van de provincie niet overschreden zal worden.
Met een toename van het aantal dieren zal ook de emissie van fijnstof uit de stallen toenemen. De huidige bedrijfsomvang is 309 melkkoeien, 278 stuks jongvee en 2 fokstieren. De emissie van fijnstof is 47,4 kg PM10 per jaar. De nieuwe ligboxenstal biedt ruimte voor 158 melkkoeien. Bij maximale benutting van de stalcapaciteit is de toename 18,6 kg PM10 per jaar, zodat de totale emissie 66 kg PM10 per jaar is. Volgens de Handreiking NIBM (zie: infomil.nl) draagt een toename van 324 kg PM10/jr op 70 meter van de inrichting (worst case) niet in betekenende mate bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit. De uitbreiding die dit plan mogelijk maakt leidt tot een veel lagere toename en ook de totale emissie is veel lager dan 324 kg/jaar. Ook liggen verblijfslocaties voor mensen op veel grotere afstand.
Op grond van de Wet luchtkwaliteit bestaat geen aanleiding voor een nader onderzoek naar luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het planvoornemen.
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit staat de uitvoering van het plan niet in de weg
Watertoets
Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante plannen en besluiten. Een watertoets maakt de mogelijke negatieve invloeden van het initiatief binnen het plangebied inzichtelijk. Tevens geeft de watertoets de oplossingsrichtingen aan waarmee mogelijke optredende negatieve invloeden beperkt of ongedaan kunnen worden gemaakt.
Waterbeleid
Met betrekking tot de waterhuishouding zijn diverse beleidsstukken relevant. Genoemd kunnen worden: Nationaal Waterplan 2016-2021, Provinciaal Milieu- en Waterplan van de provincie Noord-Brabant, Waterbeheerplan Waterschap Aa en Maas 2016-2021, Keur Waterschap Aa en Maas, Vierde Nota Waterhuishouding, Nationaal bestuursakkoord water en Beleidsbrief regenwater en riolering.
Centraal in het waterbeleid is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. De waterhuishouding legt daarmee een ruimteclaim waaraan voldaan moet worden. Daarbij zijn de volgende strategieën leidend:
Waterbeheerplan Waterschap Aa en Maas 20122 - 2027
Op 19 november 2021 is het nieuwe waterbeheerplan van waterschap Aa en Maas vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het plan geldt van 22 december 2021 tot en met 21 december 2027.
Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma's:
Het programma 'Waterveiligheid' draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem.
Het programma 'Klimaatbestendig en gezond watersysteem' draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch).
In het programma 'Schoon Water' speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol.
Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd. In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin:
Deze programma's zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen.
Keur
De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt in beleids- en algemene regels.
Legger
De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven.
Beleidsregel hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater
De drie Brabantse Waterschappen hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. De Keur is in 2021 geactualiseerd.
Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 500 m2, toename van een verhard oppervlak tussen 500 m2 en 10.000 m2 en projecten met een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m2.
Plannen met een verhardingstoename tot 500 m2 zijn onder de nieuwe keur vrijgesteld van compensatie. Voor plannen met een verhardingstoename tussen 500 m2 en 10.000 m2 hanteert het waterschap een algemene (reken) regel (benodigde compensatie (in m3) = Toename verhard oppervlak (m2) * gevoeligheidsfactor * 0,06 (in m)).
De gevoeligheidsfactor houdt de nominale waarde in die de hydrologische gevoeligheid en infiltratiepotentie van de locatie uitdrukt. De waarde 0,06 is de waterschijf van 60 mm die overeenkomt met de vastgestelde bovengrens voor de compensatiecapaciteit van 600 m3/ha.
Oppervlaktewater
De volgende afbeelding toont de ligging van de leggerwatergangen in de omgeving van het plangebied, die in beheer zijn bij het waterschap Aa en Maas.
Afbeelding 10: Ligging leggerwatergangen (https://maps.aaenmaas.nl/portaal/legger_oppervlaktewater/)
Uit de legger blijkt dat in de directe omgeving van het plangebied geen watergangen aanwezig zijn die onder de Keur van het waterschap vallen.
Grondwater
Uit de Bodematlas van de provincie Noord-Brabant blijkt dat de gemiddelde hoogste waterstand zich rond 40-60 centimeter beneden maaiveld bevindt en de gemiddelde laagste grondwaterstand 120-140 centimeter beneden maaiveld. Naar het oosten toe zit het grondwater dieper. Zie ook de navolgende afbeelding.
Afbeelding 11: Gemiddelde Hoogste Grondwatertrap (bron: Bodematlas Noord-Brabant)
Waterwingebied
Het plangebied ligt in een waterwingebied, tevens grondwaterbeschermingsgebied en boringsvrije zone. Er geldt een zorgplicht voor de duurzame veiligstelling van de drinkwatervoorziening. Daarom zijn in de IOV direct werkende regels en instructieregels opgenomen ter bescherming van het grondwater. De provincie stimuleert het verminderen van het gebruik van bestrijdingsmiddelen en bevordert een gezonde bodem door middel van informatieverschaffing aan en kennisuitwisseling met de landbouwsector, gemeenten, het bedrijfsleven en bewoners. Het beleid is erop gericht om per 2027 aan de verplichtingen uit de Kaderrichtlijn Water te voldoen. In de IOV zijn verschillende werkingsgebieden onderscheiden, namelijk het waterwingebied, het grondwaterbeschermingsgebied en de boringsvrije zone. In het waterwingebied geldt de meest strikte vorm van bescherming. In dit gebied wordt water gewonnen dat gebruikt wordt voor de openbare watervoorziening, zoals (drink)waterproductiebedrijven (pompstations). Rondom een waterwingebied ligt een grondwaterbeschermingsgebied. Om de kwaliteit van het grondwater hier te waarborgen, moeten ook deze gebieden beschermd worden. Binnen deze gebieden gelden regels om bij eventuele ruimtelijke ontwikkelingen een zorgvuldige afweging te maken. In de boringsvrije zone geldt de minst strikte vorm van bescherming. Deze beschermingsstatus geldt voor winningen waarvan het watervoerende pakket waaruit gewonnen wordt zijn afgesloten door goed ontwikkelde afsluitende kleilagen. De diepte tot waar geboord mag worden is aan regels gebonden. Het bestemmingsplan moet hier mede zorgen voor behoud van de beschermende kleilaag in de bodem. Hieraan kan bijvoorbeeld invulling gegeven worden door middel van een aanlegvergunningenstelsel voor activiteiten in de bodem die de beschermende kleilaag kunnen doorboren.
In dit bestemmingsplan zijn ter uitvoering van de instructieregels uit de IOV (artikelen 3.10, 3.11 en 3.12), regels opgenomen ter bescherming van het grondwater. Hiervoor is gebruik gemaakt van de 'Handreiking drinkwaterbescherming Noord-Brabant'. Voor een toelichting op de regels wordt verwezen naar de Handreiking. Deze planregels gelden voor nieuwe activiteiten. Bestaand gebruik mag worden voortgezet zolang de afwijking van de regels niet wordt vergroot.
Afvoer hemelwater
In de Keur is bepaald dat voor het afvoeren van hemelwater door afkoppelen van verhard oppervlak bij een toename van verhard oppervlak tussen 500 m2 en 10.000 m2 compenserende maatregelen dienen te worden getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan.
Het voorliggende plan voorziet in een uitbreiding van de verharding met een oppervlakte van 1.981 m2 (287 m2 loods + 1.594 m2 stal + 100 m2 verharding).
Dat betekent dat de aanleg van een infiltratievoorziening ten behoeve van de afvoer van het hemelwater noodzakelijk is. Uit de kaart 'Gevoeligheidsfactor' van de Keur blijkt dat de gevoeligheidsfactor ter plaatse van het plangebied 0,5 bedraagt. De benodigde compensatie (in m3) van de bergingsvoorziening bedraagt 1.981 * 0,5 * 0,06 = 59,4 m³.
De benodigde watercompensatie wordt gerealiseerd door twee zaksloten aangrenzend aan het bouwvlak over een lengte van circa 60 meter te verbreden. De verbreding moet per meter circa 0,5 m3 (extra) kunnen bergen, dus 1 meter breder met een diepte van 0,5 meter. Deze zaksloten zijn geen watervoerende watergangen maar dienen voor opvang en infiltratie van hemelwaterwater en worden voorzien van een overstort (stuw) naar de watergang ten noordwesten.
Afbeelding 12: Infiltratievoorziening hemelwater
Op 6 januari 2022 is de digitale watertoets uitgevoerd. Uit de beantwoording van de vragen blijkt dat de normale procedure van toepassing is. Voor het realiseren van de compensatiemaatregelen is een watervergunning van het waterschap noodzakelijk. De resultaten van de watertoets zijn als Bijlage 8 aan deze toelichting toegevoegd.
Gebruik niet-uitlogende materialen
Het gebruik van niet uitlogende materialen is conform het advies van de Dubo-richtlijn (Duurzaam Bouwen). In het Activiteitenbesluit staat dat niet verontreinigd hemelwater in principe in de bodem geïnfiltreerd kan worden of afgevoerd kan worden naar het oppervlaktewater, ook als dat in contact is geweest met oppervlakken als daken. Bij de nieuwbouw zal geen gebruik worden gemaakt van onbehandelde uitlogende materialen zoals koper, zink en lood, teerhoudende dakbedekking (PAK’s) en van met verontreinigde stoffen verduurzaamd hout. Doordat het hemelwater niet vervuild is, is het geen probleem om het hemelwater te laten infiltreren.
Huishoudelijk afvalwater
Het huishoudelijk afvalwater (geen bedrijfsafvalwater) afkomstig van de nieuwe bebouwing wordt afgevoerd middels de gemeentelijke riolering
Conclusie
Initiatiefnemer zal ten minste 59,4 m3 aan watercompensatie realiseren door het verbreden van twee zaksloten waar schoon hemelwater kan infiltreren. Hiermee wordt versnelde afvoer van hemelwater tegen gegaan en voldoet het plan aan de voorwaarden van de Keur.
De bescherming van de natuur in Nederland vindt plaats door Europese en nationale wetgeving. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen soortbescherming en gebiedsbescherming. Deze staan los van elkaar en hebben ieder hun eigen werking.
De Wet natuurbescherming (Wnb), die per 1 januari 2017 is ingegaan, vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en Faunawet en de Boswet. De Natuurbeschermingswet 1998 zorgde voor de bescherming van (natuur)gebieden en de Flora- en faunawet regelde de bescherming van alle in het wild levende planten- en diersoorten, dus ook buiten de beschermde gebieden. Bij werkzaamheden met betrekking tot ruimtelijke ingrepen, moest worden nagegaan of deze negatieve gevolgen zouden kunnen hebben voor beschermde soorten en/of beschermde gebieden.
Toets
Door Exlan is een natuurwaardenonderzoek uitgevoerd, waarmee de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming in beeld zijn gebracht. Het plangebied is onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied, zoals Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. De integrale rapportage van het onderzoek is als Bijlage 9 aan deze toelichting toegevoegd. Een samenvatting van de bevindingen is in deze paragraaf opgenomen.
Gebiedsbescherming
Natuurnetwerk Nederland
Het plangebied ligt op minimaal 350 meter afstand van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties, omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent in Noord-Brabant.
Natura 2000
Het meest dichtbijgelegen Natura 2000-gebied is het Natura 2000-gebied “Strabrechtse Heide & Beuven" op ruim 10 kilometer ten zuiden van het projectgebied. Zie ook de navolgende afbeelding.
Afbeelding 13: Natura 2000-gebieden in de omgeving van het projectgebied
Gezien de afstand tot de Natura 2000-gebieden kan op voorhand worden uitgesloten dat er, naast de invloed door stikstofdepositie, nog andere schadelijke effecten kunnen optreden, bijvoorbeeld verstoring door geluid of licht.
Beoordeling stikstof
Gebruiksfase
De toename van het aantal koeien zal door het toepassen van emissiearme staltechnieken niet leiden tot een toename van de stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden. Dit is beschreven in paragraaf 4.2.
In de planregels is via een 'emisseplafond' geborgd dat het gebruik geen toename van stikstofdepositie in Natura 2000 mag veroorzaken. Ook is voldoende aangetoond dat het project geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft als een emissiearm huisvestingsysteem wordt toegepast waarvan de werking voldoende zeker is. In hoofdstuk 4.2 is al beschreven dat die stalsystemen beschikbaar zijn, bijvoorbeeld de Lely Sphere. Door mest versneld af te voeren uit de stal en op te slaan in een afgesloten opslagvoorziening kan een belangrijke emissiereductie worden bereikt. Het plan is daardoor uitvoerbaar binnen het emissieplafond.
De uitbreiding van het bedrijf zal een toename van het aantal vervoersbewegingen veroorzaken. Zie ook paragraaf 4.12. Verwacht wordt dat de toename jaarlijks 500 vervoersbewegingen betreft waarvan 400 bewegingen met zwaar verkeer (incl. trekkers) en 100 bewegingen met licht verkeer.
Aanlegfase
Tijdens de bouw van gebouwen en bouwwerken kan extra stikstofemissie optreden door het gebruik van machines en extra verkeersbewegingen. De tijdens de aanlegfase extra optredende stikstofdepositie is berekend met AERIUS (zie Bijlage 10). Uit deze berekening volgt dat er in de aanlegfase geen significante (extra) stikstofdepositie (<0,005 mol/ha/jr) optreedt in Natura 2000-gebieden.
Soortenbescherming
Flora algemeen
Bij de planlocatie zijn geen bijzondere beplantingen aangetroffen. Er is tevens gelet op de aanwezigheid van (beschermde) muurvegetatie. Er is beplanting aanwezig in de siertuin, de voorzijde en de oprijlaan.
Grondgebonden zoogdieren
Specifiek is bekeken of binnen de betreffende inrichting verwacht kan worden of er streng beschermde zoogdieren; steenmarter, bunzing, hermelijn, wezel, eekhoorn, bever en das kunnen worden aangetroffen.
Het plangebied vormt geen geschikte habitat voor de steenmarter, de hermelijn, wezel, bunzing, eekhoorn, bever en das.
Vleermuizen
Het plangebied is zeer nauwkeurig beoordeeld op de mogelijke waarde voor vleermuizen. Hierbij is gelet op de geschiktheid van de aanwezige bebouwing als verblijfplaats voor deze dieren: aanwezigheid van spouwgaten en andere openingen in muren en daken, vetstrepen, uitwerpselen en prooiresten bij gevelopeningen.
Foerageerhabitat
De onderzoekslocatie zal, gelet op de aanwezige habitat, gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen om te foerageren. De plannen zullen echter geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen. In de directe omgeving is meer geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig in de vorm van bomenrijen en bosranden.
Vliegroutes
Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen zoals houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfsplaatsen en foerageergebieden. Doordat dergelijke lijnvormige elementen ontbreken op de onderzoekslocatie, worden er geen potentiële vliegroutes verstoord.
Vogels
Tijdens het bezoek is met name gelet op de aanwezigheid van nesten en rustplaatsen voor vogels.
Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. Binnen het agrarische (buiten)gebied kunnen dit zijn: boomvalk, buizerd, havik, sperwer, wespendief, huismus, steenuil en de kerkuil.
Boomvalk
De boomvalk is een soort die geen eigen nest maakt, maar broedt in gebruikte kraaien- en/of eksternesten in verschillende typen bos(randen) of in solitaire bomen, populierensingels, of op erven. De soort komt vooral voor in open en halfopen landschappen zoals boerenland en dorpen, alsook in buitenwijken van steden. De bomen op- en nabij de planlocatie zijn gecontroleerd op dergelijke nesten, deze zijn niet aangetroffen. Evenmin worden er met de beoogde werkzaamheden bomen verwijderd. Negatieve effecten op de boomvalk als gevolg van de werkzaamheden zijn derhalve niet aan de orde.
Buizerd en havik
De buizerd en havik broeden op grote nesten van ongeveer een meter in doorsnede en 60 centimeter diep. Dergelijke nesten zijn tijdens het veldbezoek niet waargenomen. Een broedgeval van de buizerd en havik is daarom uit te sluiten. Eveneens worden er met de beoogde werkzaamheden geen bomen gekapt, zodat het wegnemen van een jaarrond beschermd nest kan worden uitgesloten.
Wespendief en sperwer
De wespendief is doorgaans gebonden aan grotere bosgebieden van zowel loof- als naaldbomen. Bij voorkeur is er afwisseling binnen het bosgebied aanwezig in de vorm van open plekken. De sperwer broedt bij voorkeur meer verborgen in naaldbomen. Beide situaties zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig. Gezien de ligging van de onderzoekslocatie binnen agrarisch gebied en de afwezigheid van voldoende dekking is een nestplaats van de sperwer of wespendief niet te verwachten. Eveneens zijn er tijdens het veldbezoek geen nesten aangetroffen. Een broedgeval van zowel de wespendief als de sperwer zijn uitgesloten.
Steenuil en kerkuil
De kerkuil en steenuil hebben een voorkeur voor cultuurlandschappen met allerlei landschapselementen die voor afwisseling zorgen. Beide soorten broeden in gebouwen en gebruiken ook graag speciale nestkasten. Daarnaast worden door de steenuil ook wel boomholten gebruikt, mits er zich grote holten in bevinden. De locatie zijn in zijn geheel gecontroleerd op de aanwezigheid van steen- en kerkuilen en is vooral gelet op de aanwezigheid van sporen; braakballen, veren en uitwerpselen. Er zijn geen (sporen van) steen- en kerkuilen waargenomen. Er is geen sprake van een afname van belangrijk foerageergebied. Er blijft er voldoende foerageergebied aanwezig in de omgeving.
Huismus
Ook voor de huismus, die veel te vinden is in agrarisch gebied en vooral gebonden aan gebouwen is, is het nest jaarrond beschermd. Er zijn op deze locatie relatief veel huismussen aangetroffen die alle broeden onder de dakpannen van de woningen aan de voorzijde van het perceel.
Overige broedvogels
De beplanting op de onderzoekslocatie kan nestgelegenheid bieden aan broedvogelsoorten zoals de merel en winterkoning. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn.
Er broeden aan de achterzijde van de woning op nummer 13a circa 20 paar huiszwaluwen. Daarnaast is er in samenwerking met de gemeente en IVN een huiszwaluwenpaal geplaatst. Deze wordt door huiszwaluwen gebruikt en er is tenminste één zelfgebouwd nest. Deze paal wordt voor de bouw van de nieuwe rundveestal tijdig verplaatst tussen september en april en komt naast de nieuwe stal te staan. Ook broeden er boerenzwaluwen in de schuur achter in het voorste woonhuis. Hier broeden circa 5 paar.
Reptielen, amfibieën en vissen
Er zijn tijdens het terreinbezoek geen reptielen, amfibieën en/of vissen waargenomen.
Overige
Van de overige soortgroepen, zoals dagvlinders, insecten en libellen, kan worden aangenomen dat deze soorten gedurende het jaar in het plangebied aanwezig kunnen zijn of dit gebied in de migratieroute hebben liggen.
Afhankelijk van het seizoen zijn mogelijk algemene soorten te vinden op/of binnen de planlocatie. Specifieke beschermende soorten zijn voornamelijk afhankelijk van specifieke terreinkenmerken met specifieke biotopen. Binnen het plangebied is een dergelijk biotoop niet aanwezig.
Conclusie
Het voornemen zal naar verwachting geen negatief effect hebben op de staat van instandhouding van beschermde soorten. Binnen het plangebied zijn geen (verblijfplaatsen van) strikt beschermde soorten aangetroffen die door de werkzaamheden worden beïnvloed.
Uit de effectenbeschrijving blijkt dat er geen onevenredige directe of indirecte gevolgen zijn van de voorgenomen activiteiten op de voortplanting en instandhouding van beschermde dier- en/of plantsoorten. Lokaal zullen mogelijk algemene soorten uit het plangebied trekken op zoek naar een vervangende biotoop.
Voor aanvang van de werkzaamheden is het uitvoeren van aanvullend onderzoek niet vereist. Een ontheffing met betrekking tot aantasting van beschermde soorten is niet nodig. De werkzaamheden kunnen leiden tot een beschadiging of vernietiging van mogelijke verblijfplaatsen en/of verstoring van eventueel aanwezige algemene soorten. Een algehele vrijstelling op basis van de Verordening natuurbescherming is hierop van toepassing. De algemene zorgplicht blijft onverminderd van toepassing.
Het planvoornemen is voor het aspect ecologie uitvoerbaar.
Cultuurhistorie
Cultuurhistorie neemt een belangrijke plaats in de ruimtelijke ordening. Met cultuurhistorische waarden dient bij het opstellen van ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden in de vorm van bescherming en behoud van deze karakteristieke gebiedswaarden.
Toets
Volgens de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant is het plangebied gelegen binnen de cultuurhistorisch waardevolle regio ‘Meierij’ en de 'Helmondse akkers' (zie volgende figuur).
Afbeelding 14: Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart provincie Noord-Brabant
Meierij
De bewoningsgeschiedenis en de inrichting van het gebied zijn in hoge mate bepaald door de natuurlijke terreingesteldheid. De indeling in agrarische gebruikseenheden (akkers, graslanden en woeste gronden) is op veel plaatsen nog goed herkenbaar. In combinatie met de dorpen en buurtschappen en de plaatselijk aanwezige kleinschaligheid verleent dit het gebied een grote landschappelijke en cultuurhistorische waarde. Twee andere aspecten die het landschap van de Meierij kenmerken zijn de landgoederen en buitenplaatsen en de populierenteelt.
Door de achteruitgang van de populierenteelt en de introductie van het prikkeldraad, waardoor de perceelrandbegroeiing zijn functie als veekering verloor, is de kleinschaligheid van de beekdalen op veel plaatsen verloren gegaan. Dit proces werd versterkt door de uitvoering van ruilverkavelingen in de tweede helft van de twintigste eeuw. Hierdoor zijn de markante verschillen tussen de hoge zandgronden, de oude cultuurgebieden en de beekdalen voor een deel verloren gegaan.
Helmondse akkers
Dit gebied ligt in de nabijheid van Helmond en omvat het sterk gevarieerde landschap tussen het Dommeldal in het westen en de Peelhorst in het oosten. Het gebied wordt van zuid naar noord doorsneden door de Aa en de Goorloop en hun zijbeken. Hierdoor is een mozaïek van kleinere en grotere dekzandgebieden ontstaan die veelal zijn bedekt met oude akkercomplexen en woeste gronden heide, bos). Met name in het westen komen zones met stuifduinen voor.
De Helmondse akkers zijn opgenomen in de cultuurhistorische waardenkaart vanwege de hoge dichtheid aan bekende archeologische vindplaatsen, hetgeen blijkt uit het hoge aantal waarnemingen per km2 en het relatief grote aandeel AMK-terreinen. Gebaseerd op de Archis-waarnemingen lijkt de bewoning te beginnen in het paleolithicum en door te lopen tot in de late middeleeuwen.
De vormverandering van het bestemmingsvlak heeft geen directe gevolgen voor de cultuurhistorische waarden van het gebied. De indeling in agrarische gebruikseenheden wordt door het plan niet aangetast.
Afbeelding 15 toont de Erfgoedkaart van de gemeente Laarbeek. Het plangebied is hierin rood omcirkeld.
Het gebied aan de oostzijde van de planlocatie is aangemerkt als een cultuurhistorisch waardevol vlak (categorie 3).
Afbeelding 15: Uitsnede Erfgoedkaart gemeente Laarbeek
Gebieden die aangewezen zijn als cultuurhistorisch waardevol kunnen gezien worden als belangrijke elementen van de lokale identiteit. Deze cultuurhistorische waarden verdienen het om behouden te worden, maar vooral ook om als inspiratiebron te worden gebruikt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.
De toegangsweg naar de bedrijfslocatie is aangewezen als categorie 2. Elementen in deze categorie verdienen het om behouden te blijven.
De gewenste ontwikkeling van het bedrijf vindt grotendeels aan de westzijde van het erf plaats, waar geen cultuurhistorische betekenis aan toe is gekend op basis van de Erfgoedkaart. Aan de oostzijde liggen de voeropslagen voor een klein gedeelte binnen het vlak dat aangewezen is als cultuurhistorisch waardevol.
Onderdeel van het plan is de landschappelijke inpassing van het bedrijf in de nieuwe situatie. Bij de uitwerking van deze inpassing is ook rekening gehouden met de identiteit van het gebied en de cultuurhistorische waarden.
De toegangsweg blijft onaangetast en als belangrijk element voor de cultuurhistorie van het gebied behouden.
Het aspect cultuurhistorie staat het plan niet in de weg.
Archeologie
Bij de opstelling en uitvoering van ruimtelijke plannen moet rekening gehouden worden met bekende archeologische waarden en de te verwachten archeologische waarden.
Paraplubestemmingsplan Archeologie
In dit geval is in het 'Parapluplan Archeologie en monumenten gemeente Laarbeek' van toepassing op het plangebied. Dit parapluplan is een vertaling van de vastgestelde archeologische beleidskaart. Doel van dit paraplubestemmingsplan is de archeologische waarden en verwachtingsgebieden in Laarbeek te beschermen. De archeologische dubbelbestemmingen die volgen uit die parapluplan zijn één op één overgenomen en maken integraal onderdeel uit van voorliggend plan. De volgende archeologische dubbelbestemmingen zijn van toepassing op het plangebied:
Archeologische beleidskaart
Volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente Laarbeek is het plangebied gelegen binnen verschillende regimes wat betreft de archeologische verwachting. Het oostelijk deel van het plangebied heeft een (hoge) archeologische verwachting terwijl het westelijk deel een lage verwachting heeft. Zie ook de volgende afbeelding.
Afbeelding 16: Uitsnede ‘Archeologische beleidskaart’ gemeente Laarbeek (plangebied is indicatief aangegeven met een zwarte cirkel)
Aan de westzijde van het erf, waar de nieuwbouw is voorzien, is een zone aanwezig waarvoor een lage archeologische verwachting geldt (Waarde - Archeologie 7). Binnen deze zones kunnen wel archeologische waarden aangetroffen worden. Echter, op basis van de geomorfologie en de bodemkundige kenmerken van het terrein (beekdal, veldpodzol, vlakvaaggronden, e.d.) of vanwege het verwachte incidentele en extensieve gebruik van de zones (depositielocaties, veeweiden, grondstofwinning e.d.) zijn dergelijke arealen moeilijk archeologisch te onderzoeken. Recente inzichten wijzen er ook op dat vooral beekdalen in een zeer dunne spreiding bijzondere vondsten kunnen bevatten, welke echter wegens hun geringe aantal meestal alleen bij grootschalige werkzaamheden aangetroffen zullen worden.
Toets
De nieuwbouw is gepland in de zone met een lage archeologische verwachting (Waarde - Archeologie 7). Omdat de nieuwbouw beneden de vrijstellingsgrens voor het uitvoeren van archeologisch onderzoek blijft, is verder archeologisch onderzoek niet aan de orde.
In dit bestemmingsplan worden ook de voeropslagen meegenomen die (deels) buiten het bestaande bestemmingsvlak liggen. Deze opslagen liggen in een zone met een hoge verwachting (Waarde - Archeologie 3). Echter gaat het hier om reeds bestaande opslagen.
Conclusie
Vanuit het oogpunt van zowel archeologie als cultuurhistorie is het planvoornemen uitvoerbaar.
Ontsluiting
In de huidige situatie wordt het bedrijf ontsloten via een eigen toegangsweg op de Sonseweg. Deze ontsluiting blijft in de nieuwe situatie gehandhaafd. Er wordt geen extra ontsluiting gerealiseerd.
Verkeer
De verkeergeneratie als gevolg van het plan is beperkt. Met de nieuwe stal wordt de capaciteit voor het houden van rundvee vergroot. Dit zal tot gevolg hebben dat het aantal vervoersbewegingen iets zal toenemen. Ten opzichte van de vervoersbewegingen in de huidige situatie zal dit beperkt zijn. Verwacht wordt dat de toename jaarlijks 500 extra vervoersbewegingen betreft waarvan 400 bewegingen met zwaar verkeer (incl. trekkers) en 100 bewegingen met licht verkeer.
De bestaande infrastructuur kan deze bescheiden toename van het aantal verkeersbewegingen prima verwerken.
Parkeren
Het uitgangspunt van het parkeerbeleid van de gemeente Laarbeek is dat een nieuw bouwinitiatief geen parkeerproblemen in de omgeving mag veroorzaken en dat elke initiatiefnemer van bouwplannen zorg draagt voor zijn eigen parkeeroplossing. Door de ontwikkeling neemt de parkeerbehoefte niet toe. Op het terrein is voldoende parkeergelegenheid aanwezig voor de bezoekers.
De aanwezigheid van kabels en/of leidingen in een gebied kunnen de realisatie van eventuele bouwplannen in de weg staan. Buiten de normale huis- en bedrijfsaansluitingen is aan de noordoostzijde binnen het plangebied een beschermingszone van de aardgasleiding aanwezig. Op de verbeelding van het bestemmingsplan heeft deze beschermingszone de gebiedsaanduiding 'veiligheidszone - leiding gas'. De onbebouwde zone van de gasleiding betreft 4 m aan weerszijden van het midden van de leiding. Het bestemmingsvlak 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' ligt buiten deze onbebouwde zone.
Bij de vaststelling van plannen voor veehouderijen is in toenemende mate aandacht voor de risico's voor de volksgezondheid. Dit geldt met name voor intensieve veehouderijen, zoals varkens - en pluimveehouderijen, en geitenhouderijen. Bij deze bedrijven zijn aanwijzingen dat de verspreiding van zoönosen en endotoxinen een risico kunnen vormen voor omwonenden. Zijn de emissies van fijnstof en geur bij intensieve veehouderij doorgaans groot.
Voor melkveehouderijen zijn geen zoönosen bekend die een risico vormen voor mensen die in de omgeving van de veehouderij wonen. Ook is de uitstoot van endotoxinen en fijnstof relatief laag. Zoals eer der in dit hoofdstuk is beschreven zullen de emissies van geur, ammoniak, fijnstof en geluid niet leiden tot hinder of een verslechtering van de luchtkwaliteit.
De Wro bepaalt dat ruimtelijke plannen digitaal en analoog beschikbaar moeten zijn. Dit brengt met zich mee dat bestemmingsplannen digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moeten worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan digitale en analoge plannen moeten voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi. Op de verbeelding zijn alle functies zodanig bestemd dat het mogelijk is om met behulp van het renvooi direct te zien welke bestemmingen aan de gronden binnen het plangebied zijn gegeven en welke regels daarbij horen. Uitgangspunt daarbij is dat de verbeelding zoveel mogelijk informatie geeft over de in acht te nemen maten en volumes. De regels geven duidelijkheid over de bestemmingsomschrijving, de bouwregels en de specifieke gebruiksregels. In de regels zijn eventuele aanlegregels, uitwerkingsregels, nadere eisen, ontheffing- en wijzigingsbevoegdheden opgenomen.
In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012. Voor de inhoudelijke systematiek is aangesloten bij het bestemmingsplan 'Buitengebied' van de gemeente Laarbeek.
Hieronder wordt de opbouw en dergelijke kort toegelicht.
Conform SVBP bevatten de inleidende regels artikelen met de begripsbepalingen en de wijze van meten.
In het hoofdstuk bestemmingsregels zijn in de planregels alle bestemmingen opgenomen met de daarbij behorende bestemmingsomschrijving. Hieronder worden de gehanteerde bestemmingen kort toegelicht.
Bestemmingsplan buitengebied
De bestemmingsregels in dit plan sluiten zoveel mogelijk aan bij de wijze van bestemmen in het bestemmingsplan “Buitengebied” van de gemeente Laarbeek. In het plangebied komen twee bestemmingen voor, namelijk ‘Agrarisch - Agrarisch bedrijf’ en ‘Agrarisch – Agrarisch met waarden - Landschaps- en Natuurwaarden 1’.
Artikel 3 - Agrarisch - Agrarisch bedrijf
In artikel 3 is de bestemming ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf’ opgenomen, met de bijbehorende bouwen gebruiksregels. Binnen dit bestemmingsvlak kunnen de gebouwen ten behoeven van het agrarisch bedrijf worden gerealiseerd. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - ruwvoeropslag' zijn alleen ruwvoeropslagen mogelijk.
Artikel 4 - Agrarisch met waarden - Landschaps- en Natuurwaarden -1
Het deel van het plangebied waar de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' vervalt krijgen de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschaps- en Natuurwaarden 1'. Met name de bescherming van struweelvogels is in dit gebied van belang. Deze aanduiding is tevens opgenomen overeenkomstig de omliggende gronden.
Artikelen 5 t/m 8 - Waarde Archeologie 3, 5.1, 5.2 en 7
Overeenkomstig het paraplubestemmingsplan Archeologie zijn de van toepassing zijnde dubbelbestemmingen Waarde - Archeologie opgenomen in het plangebied ter bescherming van de mogelijk aanwezige archeologische waarden.
Bij de bestemming aanvullende regels opgenomen met betrekking tot bouwen. Daarnaast bevat dit hoofdstuk algemene gebruiksregels en afwijkingsregels.
In artikel 3.2.1 Bro zijn standaardregels opgenomen met betrekking tot het overgangsrecht voor bouwwerken en gebruik. Deze maken onderdeel uit van dit bestemmingsplan.
Algemeen
Wettelijk bestaat de verplichting om inzicht te geven in de uitvoerbaarheid van een ruimtelijk plan. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in de maatschappelijke en de economische uitvoerbaarheid. Daarnaast wordt er in dit hoofdstuk ingegaan op grondexploitatie.
Overleg
Op grond van artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening is een voorontwerp van het bestemmingsplan in het kader van het vooroverleg voorgelegd aan diverse overlegpartners van de gemeente. Van de provincie Noord-Brabant, waterschap Aa en Maas en de Omgevingsdienst Zuid-Oost Brabant is een reactie ontvangen. In een reactienota (zie Bijlage 11) is aangegeven hoe de reacties zijn verwerkt in het plan. Gezien het beleid van het Rijk in deze, is vooroverleg met deze partij niet noodzakelijk.
Zienswijze
Het ontwerpbestemmingsplan met bijbehorende stukken heeft van 22 december 2023 tot en met donderdag 1 februari 2024 ter inzage gelegen. Er zijn geen zienswijzen ingediend.
Participatie
Initiatiefnemer heeft het planvoornemen besproken met de buren. Van deze gesprekken is een verslag gemaakt welke als Bijlage 4 aan deze toelichting zijn toegevoegd. De buren hebben aangegeven geen bezwaren te hebben tegen de voorgenomen plannen.
Ambtshalve wijzigingen
In het ontwerpbestemmingsplan was ten onrechte vermeld dat initiatiefnemer plannen heeft om op termijn alle mest op de eigen locatie te gaan vergisten. Het vergisten van mest is weldegelijk een onderdeel van de verduurzaming, maar vindt niet op de eigen locatie plaats. Dit gebeurt nu al extern en dit blijft extern. Bovendien is binnen het bouwvlak geen ruimte voor een vergistingsinstallatie.
Artikel 3.4.1 'Mestbewerking' van de specifieke gebruiksregels is daarom uit de bestemmingsplanregels geschrapt.
Bij de voorbereiding van een initiatief dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het voornemen. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen.
Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
De gewenste bouwplannen, inclusief de kosten die samenhangen met de procedure, komen voor rekening van aanvrager. Met initiatiefnemer wordt een anterieure overeenkomst gesloten voordat het plan ter inzage wordt gelegd.
Voor de gemeente zijn er verder geen kosten te verhalen. Hiermee kan afgezien worden van het vaststellen van een exploitatieplan. De economische uitvoerbaarheid van dit initiatief is met het afsluiten van de anterieure overeenkomst aangetoond.
Eventueel uit te keren planschade komt voor rekening van de initiatiefnemer. Hierover zijn afspraken gemaakt in de anterieure overeenkomst. Op basis van deze
gegevens kan geconcludeerd worden dat het plan economisch uitvoerbaar is.