direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d De Bulders deelgebied 4 te Heeze-Leende
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1658.22dBuldersDG4-vs01

Regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels (paragraaf 22d.1)

Preambule
Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van een gebiedsontwikkeling binnen de gemeente 'Heeze -Leende'. Het betreft een gebied bekend als 'De Bulders deelgebied 4'. Dit TAM- omgevingsplan is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22a) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Heeze-Leende. Dit hoofdstuk is bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22d van het omgevingsplan van de gemeente Heeze-Leende. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22d' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22d' gelezen worden.  

Artikel 1 Toepassingsbereik

1.1 Omgevingsplan Heeze-Leende

Dit plan wijzigt het omgevingsplan Heeze-Leende in die zin dat na hoofdstuk 22 van het omgevingsplan Heeze-Leende een hoofdstuk 22d wordt toegevoegd, bestaande uit de regels van dit plan. De hoofdstukken in dit plan moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22d van het omgevingsplan Heeze-Leende. In de artikelkop van de artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer 22d gelezen worden. In de kop van de bijlagen moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage 22d gelezen worden.

1.2 Niet van toepassing tijdelijk omgevingsplan

De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in 1.4.

1.3 Niet van toepassing tijdelijk omgevingsplan - bruidsschat afdeling 22.2

De regels in afdeling 22.2 met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.

1.4 Verwijzing naar de verbeelding

De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie 'De Bulders deelgebied 4' waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1658.22dBuldersDG4-vs01, zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.

Artikel 2 Begripsbepalingen

2.1 Van toepassing verklaring

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I bij de Omgevingswet, bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit plan.

2.2 Aanvullende begripsbepalingen

In aanvulling op het bepaalde in 2.1 worden voor de toepassing van de regels in dit hoofdstuk de begrippen als bedoeld in 2.3 tot en met 2.28 gehanteerd:

2.3 omgevingsplan

het omgevingsplan van de gemeente Heeze-Leende;

2.4 TAM-Omgevingsplan

het TAM-Omgevingsplan 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d De Bulders deelgebied 4 te Heeze-Leende' van de gemeente Heeze-Leende;

2.5 locatievlak

een geometrisch bepaald vlak dat is aangewezen voor een gebruiksdoel;

2.6 verbeelding

de analoge en digitale voorstelling van de in het TAM-omgevingsplan opgenomen digitale ruimtelijke informatie;

2.7 aanduiding

een geometrisch bepaald vlak waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of bebouwen van deze gronden;

2.8 aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

2.9 aanduidingsvlak

een op de verbeelding aangegeven vlak met eenzelfde aanduiding, begrensd door een aanduidingsgrens;

2.10 aaneengebouwde woning

een woning die onderdeel uitmaakt van een blok van meer dan twee aaneengebouwde woningen, niet zijnde gestapelde woningen;

2.11 aan-huis-verbonden-bedrijf

een bedrijf of het bedrijfsmatig uitoefenen van bedrijvigheid gericht op consumentenverzorging, geheel of gedeeltelijk door middel van handwerk, dat door zijn beperkte omvang in een woning en daarbij behorende gebouwen, met behoud van woonfunctie, kan worden uitgeoefend;

2.12 aan-huis-verbonden-beroep

een dienstverlenend beroep, niet gericht op consumentenverzorging, dat in of bij een woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is. Gastouder als bedoeld in de Wet Kinderopvang en Kwaliteitseisen Peuterspeelzalen (WKKP) is hieronder begrepen;

2.13 bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

2.14 bijgebouw

een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch en functioneel opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw;

2.15 bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats;

2.16 bouwgrens

de grens van een bouwvlak;

2.17 bouwvlak

het vlak dat begrensd wordt door de voorgevellijn, de achterste bouwgrens en de zijdelingse perceelsgrenzen;

2.18 bouwwerk

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

2.19 detailhandel

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;

2.20 gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

2.21 gestapelde woning

een woning in een complex waarin meerdere zich boven en naast elkaar bevindende zelfstandige woningen aanwezig zijn;

2.22 overkapping

een bouwwerk dat bestaat uit een dakconstructie met maximaal 2 wanden;

2.23 peil
  • a. bij nieuw te bouwen hoofdgebouwen en daarbij behorende aan- of uitbouwen:
    het straatpeil ter plaatse van de perceelsgrens vermeerderd met 3 centimeter per meter afstand tussen de hoofdtoegang van het gebouw en die perceelsgrens met een maximum van 30 centimeter;
  • b. bij bijgebouwen:
    de gemiddelde maaiveldhoogte van het aansluitend afgewerkte terrein;
  • c. bij bestaande gebouwen:
    een denkbeeldig vlak op 5 centimeter onder het niveau van de afgewerkte begane grondvloer;

2.24 twee-aaneen gebouwde woning

Een woning die onderdeel uitmaakt van een blok van twee aaneengebouwde woningen;

2.25 voorgevel

de gevel van een gebouw, die is gekeerd naar de weg of het openbaar gebied waarop het bouwperceel overwegend georiënteerd is (bij een hoekgevel is er slechts sprake van één voorgevel);

2.26 vrijstaande woning

een woning die hoogstens door middel van de bijgebouwen met een andere woning verbonden is en waarvan geen van beide zijgevels in de zijdelingse perceelgrens staan;

2.27 water- en waterhuishoudkundige voorzieningen

al het oppervlaktewater zoals sloten, greppels, (infiltratie)vijvers, kanalen, beken en andere waterlopen, ook als deze incidenteel of structureel droogvallen. Alsmede voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer en waterberging, hemelwaterinfiltratie en waterkwaliteit. Hierbij kan worden gedacht aan duikers, helofytenfilters, stuwen, infiltratievoorzieningen, gemalen, inlaten et cetera;

2.28 woning

een complex van ruimten, dat uitsluitend bedoeld is voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.

2.29 zorgwoning

een gebouw of een zelfstandig gedeelte van een gebouw, bedoeld voor de huisvesting van personen die niet zelfstandig kunnen wonen, gericht op het verlenen van zorg;

Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

3.1 afstand tot de weg

de afstand tussen de bebouwing en de as van de weg;

3.2 afstand tot de zijdelingse- en achterste perceelsgrens

de kortste afstand van het verticale vlak in de zijdelingse en achterste perceelsgrens tot enig punt van het op dat bouwperceel voorkomende bouwwerk;

3.3 bebouwd oppervlak van een bouwperceel

de oppervlakte van alle op een bouwperceel aanwezige bouwwerken tezamen;

3.4 bebouwingspercentage

het oppervlak dat met bouwwerken is bebouwd, uitgedrukt in procenten van de oppervlakte van het bouwperceel, voor zover dat is gelegen binnen de bestemming, of binnen een in de regels nader aan te duiden gedeelte van die bestemming;

3.5 bouwhoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

3.6 breedte, diepte, c.q. lengte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse hoofdgevelvlakken en/of de harten van gemeenschappelijke scheidingsmuren;

3.7 dakhelling

langs het dakvlak gemeten ten opzichte van het horizontale vlak;

3.8 goothoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan de bovenkant goot, c.q. de druiplijn, het boeibord of daarmee gelijk te stellen constructiedeel;

3.9 inhoud van een bouwwerk

tussen de onderzijde van de begane-grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de gemeenschappelijke scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

3.10 oppervlakte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;

3.11 peil

a. voor een bouwwerk op een bouwperceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst, de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;

b. in andere gevallen en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld;

3.12 ondergeschikte bouwdelen

Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen zoals plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding niet meer bedraagt dan 1,5 m in de diepte en 3,0 m in de hoogte.

Als ondergeschikte bouwdelen gelden ook een dakkapellen en dakopbouwen, waarvan de breedte in totaal maximaal 40% van de breedte van het dakvlak betreft, met een maximum van 3 meter gemeten tussen de woningscheidende muren of eindgevels en gemeten aan de bovenzijde van de dakkapel.

Artikel 4 Algemeen gebruiksverbod

  • a. Het is verboden zonder omgevingsvergunning gronden of bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies en activiteiten.
  • b. Onder strijdig gebruik als bedoeld onder a wordt in ieder geval verstaan:
  • c. het gebruik van gronden, gebouwen, bouwwerken en onderkomens ten behoeve van een seksinrichting en/of escortbedrijf, raamprostitutie en straatprostitutie.

Artikel 5 Normadressaat

Aan de regels in Hoofdstuk 22a wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij anders is bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Hoofdstuk 2 Functies en activiteiten (paragraaf 22d.2)

Artikel 6 Groen

6.1 Toepassingsbereik

De regels in deze paragraaf zijn van toepassing op de locatie Groen, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1658.22dBuldersDG4-vs01, (hierna: verbeelding) zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.

6.2 functieomschrijving groen
6.2.1 algemene functieomschrijving

De voor Groen aangewezen locatie mag gebruikt worden voor de volgende functies en activiteiten:

  • a. groenvoorzieningen;
  • b. bermen;
  • c. verkeer- en parkeervoorzieningen evenals inritten;
  • d. speelvoorzieningen ter plaatse van de aanduiding 'speelvoorziening';
  • e. extensief recreatief medegebruik;
  • f. kunstobjecten;
  • g. paden;

met de daarbij behorende water en waterhuishoudkundige voorzieningen, waaronder waterbergende en -afvoerende voorzieningen.

6.3 Bouwactiviteit
6.3.1 Algemeen
  • a. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen, uit te breiden of te veranderen.
  • b. Het verbod onder a is niet van toepassing indien:
    • 1. het gaat over een bouwwerk dat staat beschreven in artikel 2.29 Besluit bouwwerken leefomgeving;
    • 2. het gestelde in paragraaf 22.2.7.2 en paragraaf 22.2.7.3 van dit plan op de bouwactiviteit van toepassing is;
  • c. Artikel 22.23 van het plan is van toepassing op het gestelde in deze bepaling.

6.3.2 Het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde

Het in 6.3.1 genoemde verbod geldt niet voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde indien is voldaan aan het volgende:

  • a. het te bouwen bouwwerk een bouwwerk geen gebouw zijnde betreft;
  • b. de bouwhoogte van licht- en vlaggenmasten mag niet meer bedragen dan 6 meter;
  • c. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 meter.
6.4 Specifieke functieregels
6.4.1 strijdig gebruik

Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken, wordt in elk geval gerekend het zonder omgevingsvergunning gebruiken van gronden ten behoeve van:

  • a. parkeren.

6.5 Specifieke beoordelingsregels

Het bevoegd gezag verleent de in 6.4.1 bedoelde omgevingsvergunning indien is voldaan aan het volgende:

  • a. de noodzaak voor de parkeerplaatsen aangetoond is;
  • b. er geen onevenredige aantasting van het groen plaatsvindt.

Artikel 7 Verkeer

7.1 Toepassingsbereik

De regels in deze paragraaf zijn van toepassing op de locatie Verkeer, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1658.22dBuldersDG4-vs01, (hierna: verbeelding) zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.

7.2 Functieomschrijving
7.2.1 Algemene functieomschrijving

De voor Verkeer aangewezen locatie mag gebruikt worden voor de volgende functies en activiteiten:

  • a. wegen met maximaal 2 rijbanen, welke ingericht worden overeenkomstig één van de profielen als aangegeven onder profiel 1 van bijlage 1;
  • b. straten en paden;
  • c. verkeer- en parkeervoorzieningen;
  • d. kunstobjecten;

met de daarbij behorende:

  • e. groenvoorzieningen;
  • f. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.
7.3 Bouwactiviteit
7.3.1 Algemeen
  • a. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen, uit te breiden of te veranderen.
  • b. Het verbod onder a is niet van toepassing indien:
    • 1. het gaat over een bouwwerk dat staat beschreven in artikel 2.29 Besluit bouwwerken leefomgeving;
    • 2. het gestelde in paragraaf 22.2.7.2 en paragraaf 22.2.7.3 van dit plan op de bouwactiviteit van toepassing is;
  • c. Artikel 22.23 van het plan is van toepassing op het gestelde in deze bepaling.

7.3.2 Het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde

Het in 7.3.1 genoemde verbod geldt niet voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde indien is voldaan aan het volgende:

  • a. het te bouwen bouwwerk een bouwwerk geen gebouw zijnde betreft;
  • b. de bouwhoogte van licht- en vlaggenmasten mag niet meer bedragen dan 6 meter;
  • c. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 meter.

Artikel 8 Wonen

8.1 Toepassingsbereik

De regels in deze paragraaf zijn van toepassing op de locatie Wonen, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1658.22dBuldersDG4-vs01, (hierna: verbeelding) zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.

8.2 Functieomschrijving
8.2.1 Algemene functieomschrijving

De voor Wonen aangewezen locatie mag gebruikt worden voor de volgende functies en activiteiten:

  • a. woningen, al dan niet met aan huis-verbonden-beroep;
    • 1. Hierbij geldt dat het aantal woningen op een locatie niet meer mag bedragen dan aangegeven onder 'aantal woningen';
    • 2. ter plaatse van de aanduiding 'zorgwoningen' enkel woningen in de vorm van zorgwoningen zijn toegestaan;
    • 3. waarbij de doelgroepenverordening, zoals opgenomen in Bijlage 2 van de regels, van toepassing wordt verklaard voor de desbetreffende locaties.
  • b. wegen ten behoeve van de ontsluiting van woningen;

Met de hierbij behorende:

  • c. tuinen, erven en terreinen;
  • d. verkeer- en parkeervoorzieningen, met dien verstande dat per straat voldaan dient te worden aan de parkeernormen als genoemd in 8.4.2;
  • e. fiets- en voetpaden;
  • f. groenvoorzieningen;
  • g. water en waterhuishoudkundige voorzieningen, waaronder waterbergende en -afvoerende voorzieningen;
  • h. nutsvoorzieningen;
  • i. voorzieningen ten behoeve van de duurzaamheid, waaronder in ieder geval warmte-koudeopslag en zonnepanelen;

Met de daarbij behorende bouwwerken.

8.3 Bouwactiviteit
8.3.1 Verbod
  • a. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen, uit te breiden of te veranderen.
  • b. Het verbod onder a is niet van toepassing indien:
    • 1. het gaat over een bouwwerk dat staat beschreven in artikel 2.29 Besluit bouwwerken leefomgeving;
    • 2. het gestelde in paragraaf 22.2.7.2 en paragraaf 22.2.7.3 van dit plan op de bouwactiviteit van toepassing is;
  • c. Artikel 22.23 van het plan is van toepassing op het gestelde in deze bepaling.
8.3.2 Het bouwen van hoofdgebouwen

Het bevoegd gezag verleend de onder 8.3.1 bedoelde omgevingsvergunning voor het bouwen van een hoofdgebouw indien is voldaan aan het volgende:

  • a. het te bouwen hoofdgebouw qua typologie aansluit bij hetgeen is toegestaan volgens de op de verbeelding gestelde omgevingswaarde met betrekking tot de toegestane bebouwingstypologie. Te weten:
    • 1. een hoofdgebouw in de vorm van aaneengebouwde woningen ter plaatse van de aanduding 'aaneengebouwd';
    • 2. een hoofdgebouw in de vorm van gestapelde woningen ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld';
    • 3. een hoofdgebouw in de vorm van twee-aaneengebouwde woningen ter plaatse van de aanduiding 'twee-aaneengebouwd';
    • 4. een hoofdgebouw in de vorm van een vrijstaande woning ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand';
  • b. het hoofdgebouw dient te worden gebouwd binnen het op de verbeelding aangegeven 'bouwvlak';
  • c. de bouwhoogte van het hoofdgebouw bedraagt niet meer dan is aangegeven onder 'maximum bouwhoogte';
  • d. de goothoogte van het hoofdgebouw bedraagt niet meer dan is aangegeven onder 'maximum goothoogte';
  • e. indien op de verbeelding 'maximum aantal bouwlagen' staat aangegeven dan mag het aantal bouwlagen niet meer bedragen dan staat aangegeven onder deze omgevingswaarde;
  • f. de voorgevel van het hoofdgebouw wordt gebouwd in de naar de weg toegekeerde bouwgrens;
  • g. de maximale bouwdiepte, gerekend van voorgevel tot achtergevel, bedraagt maximaal:
    • 1. 15 m bij vrijstaande woningen en twee-aaneen gebouwde woningen;
    • 2. 12,5 m bij aaneengebouwde woningen;
  • h. voor de in Bijlage 1 Akoestisch onderzoek bedoelde woningen met een cumulatieve geluidbelasting op de gevel boven de 53 dB dient aangetoond te worden dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gewaarborgd doordat de geluidbelasting in geluidgevoelige ruimten niet meer bedraagt dan 33 dB.

8.3.3 Aanbouwen/uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen

Het bevoegd gezag verleend de onder 8.3.1 bedoelde omgevingsvergunning voor het bouwen van aanbouwen/uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen indien is voldaan aan het volgende:

  • a. aanbouwen/uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen zijn enkel toegestaan binnen de aanduiding 'overige zone-bijgebouwen, aanbouwen/uitbouwen en overkappingen' en binnen het bouwvlak;
  • b. in afwijking van het bepaalde onder a geldt voor overkappingen dat deze maximaal 1,5 m voor de voorgevellijn gerealiseerd mogen worden, mits dit deel geen wanden heeft;
  • c. de totale oppervlakte van de aanbouwen, bijgebouwen en overkappingen buiten het bouwvlak als bedoeld onder a, mag per woning niet meer bedragen dan:
    • 1. 75 m²: bij een perceelsgrootte tot 500 m²;
    • 2. 100 m²: bij een perceelsgrootte vanaf 500 m² tot 2.000 m²;
    • 3. 120 m²: bij een perceelsgrootte vanaf 2.000 m²;
  • d. de goothoogte bedraagt maximaal 3,50 meter;
  • e. de bouwhoogte bedraagt maximaal 5 meter.
  • f. voor de voorgevel van het hoofdgebouw mogen erkers, entreeportalen, balkons, luifels, overkappingen en vergelijkbare bouwwerken worden gebouwd, mits:
    • 1. de diepte gemeten vanuit de voorgevel van het hoofdgebouw niet meer bedraagt dan 1,5 meter;
    • 2. de hoogte (met uitzondering van balkons) niet meer bedraagt dan de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw, met een maximum van 3,25 meter;
    • 3. de hoogte van de onderdoorgang onder een balkon niet minder bedraagt dan 2,60 meter;
    • 4. de hoogte van de wand van een balkon maximaal 1,50 meter hoog is;
    • 5. de gezamenlijke breedte van een erker, entreeportaal of vergelijkbaar bouwwerk niet meer bedraagt dan 70% van de breedte van de voorgevel van het hoofdgebouw indien de breedte minder bedraagt dan 6 meter en niet meer dan 50% indien de breedte van de voorgevel van het hoofdgebouw meer bedraagt dan 6 meter;
    • 6. de afstand van de erker, entreeportaal, balkon, luifel of vergelijkbaar bouwwerk tot de voorste perceelsgrens minimaal 3 meter bedraagt.
8.3.4 Bouwwerken geen gebouwen zijnde

Het bevoegd gezag verleend de onder 8.3.1 bedoelde omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde indien is voldaan aan het volgende:

  • a. de bouwhoogte van erfafscheidingen gesitueerd achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw is maximaal 2 meter;
  • b. de bouwhoogte van erfafscheidingen gesitueerd vóór de voorgevellijn van het hoofdgebouw is maximaal 1 meter;
  • c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is maximaal 3 meter;
  • d. de bouw van antennes is toegestaan achter de achtergevel van het hoofdgebouw, mits de hoogte maximaal 15 meter bedraagt.

8.3.5 Ondergrondse bouwwerken

Het bevoegd gezag verleend de onder 8.3.1 bedoelde omgevingsvergunning voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken indien is voldaan aan het volgende:

  • a. ondergrondse bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan onder de bebouwing;
  • b. de ondergrondse bouwdiepte van ondergrondse bouwwerken bedraagt maximaal 4 meter onder peil.

8.4 Specifieke functieregels
8.4.1 Strijdig gebruik

Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend:

  • a. het gebruik van bijgebouwen als zelfstandige woning;
  • b. het splitsen van woningen in meerdere woningen;
  • c. het gebruik van panden voor kamerverhuur;
  • d. het gebruik van de woning als recreatiewoning;
  • e. het zonder omgevingsvergunning drijven van een aan huis verbonden bedrijf.

8.4.2 Regels met betrekking tot parkeren

Het gebruik van bouwwerken voor de functie 'Wonen' is uitsluitend toegestaan indien er in het plan per straat minimaal voorzien wordt in de onderstaande parkeernormen en deze parkeerplaatsen in stand worden gelaten:

afbeelding "i_NL.IMRO.1658.22dBuldersDG4-vs01_0033.png"

8.4.3 Aan huis verbonden beroep

Aan-huis-verbonden beroepen, zoals bedoeld in 8.2.1 onder a zijn toegestaan als ondergeschikte nevenactiviteit bij de woonfunctie, waarbij de volgende regels van toepassing zijn:

  • a. de omvang van de activiteit mag niet meer bedragen dan 45 m²;
  • b. detailhandel mag alleen plaatsvinden ondergeschikt aan en in direct verband met het aan-huis-verbonden beroep;
  • c. de activiteit wordt uitgeoefend door de bewoner.

8.5 Specifieke beoordelingsregels
8.5.1 Aan huis verbonden bedrijf

Het bevoegd gezag verleend de onder 8.4.1 onder a bedoelde omgevingsvergunning voor een aan huis verbonden bedrijf indien is voldaan aan het volgende:

  • a. de omvang van de activiteit niet meer bedraagt dan 45 m²;
  • b. de woonfunctie de hoofdfunctie blijft;
  • c. het gebruik geen onevenredige invloed heeft op de normale afwikkeling van het verkeer en geen onevenredige toename van de parkeerbehoefte veroorzaakt;
  • d. detailhandel alleen plaatsvindt ondergeschikt aan en in direct verband met de lichte bedrijvigheid;
  • e. de activiteit wordt uitgeoefend door de bewoner.

Hoofdstuk 3 Algemene regels over functies en activiteiten (paragraaf 22d.3)

Artikel 9 Toepassingsbereik

De regels in deze paragraaf zijn van toepassing binnen het plangebied zoals vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1658.22dBuldersDG4-vs01, (hierna: verbeelding) zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.

Artikel 10 Aanvraagvereisten

  • 1. De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit plan. In het bijzonder geldt dat:
    • a. het bepaalde in artikel 22.284 van toepassing is op een aanvraag om omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit in dit plan; en
    • b. het bepaalde in 22.286 van toepassing is op een aanvraag om omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit in dit plan.
  • 2. In aanvulling op het bepaalde onder 1 worden bij de aanvraag om omgevingsvergunning die gegevens en bescheiden overlegd die naar het oordeel van het bevoegde gezag noodzakelijk zijn voor een toets aan de beoordelingsregels.

Artikel 11 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 12 Algemene regels met betrekking tot gebruik

12.1 Voorwaardelijke verplichting waterberging

Het gebruik conform de functie Wonen, is alleen toegestaan indien voldoende waterberging vooraf wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden in overeenstemming met de uitgangspunten voor hydrologisch neutraal ontwikkelen volgens de keur van Waterschap de Dommel.

Artikel 13 Algemene binnenplanse omgevingsplanactiviteiten

13.1 Bevoegdheden

Het bevoegd gezag verleend een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 22.26, in afwijking van het bepaalde in 'Hoofdstuk 2 Functies en activiteiten (paragraaf 22d.2)' met betrekking tot:

  • a. de bestemmingsbepalingen en toestaan dat bouwgrenzen worden overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft;
  • b. het oprichten van liftschachten en trappenhuizen als onderdeel van de hoofdbouw tot maximaal 3 meter boven de toegelaten goothoogte voor de hoofdbouw;
  • c. het oprichten van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ter wering van geluidhinder of luchtverontreiniging, brand- en explosiegevaar, mits de hoogte ten hoogste 5 meter is;
  • d. het oprichten van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor reclamedoeleinden direct nabij de openbare weg, mits de hoogte ten hoogste 2,5 meter is.

13.2 Beoordelingsregels

De in 13.1 bedoelde omgevingsvergunning wordt slechts verleend indien:

  • a. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
  • b. het straat- en bebouwingsbeeld en de verkeersveiligheidsbelangen niet onevenredig worden geschaad;
  • c. De omgevingsvergunning wordt alleen verleend wanneer wordt voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Hoofdstuk 4 Regels ter bescherming van waarden en objecten (paragraaf 22d.4)

Artikel 14 Vrijwaringszone - molenbiotoop

14.2 Toepassingsbereik

De regels in deze paragraaf zijn van toepassing op de locatie Vrijwaringszone - molenbiotoop, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1658.22dBuldersDG4-vs01, (hierna: verbeelding) zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.

14.3 Omschrijving

Ter plaatse van de aanduiding 'Vrijwaringszone - molenbiotoop' gelden nadere regels voor het beschermen van de functie van de in dit gebied voorkomende molen als werktuig en van zijn waarde als landschapsbepalend element.

14.4 Aanvullende regels bouwactiviteit
  • a. Bij de bouw van bouwwerken op de onder 14.2 bedoelde gronden mag de hoogte niet meer bedragen dan 1/50 van de afstand, gemeten tussen het bouwwerk en de voet van de buiten het plangebied gelegen molen, vermeerderd met de hoogte van de belt, zijnde 6,75 meter;
  • b. het onder a. bepaalde geldt niet voor bouwwerken waarvan de hoogte lager is dan het niveau van de belt van de molen, zijnde 6,75 meter.
14.5 Uitvoeren van werken, geen gebouwen zijnde of van werkzaamheden
14.5.1 Verbod

Het is verboden zonder omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden op de in 14.2 bedoelde gronden de volgende andere werken uit te voeren:

  • a. het aanbrengen van hoogopgaande bomen en beplanting.

14.5.2 Uitzondering

Het verbod als bedoeld in 14.5.1 is niet van toepassing op andere werken die:

  • a. het normale onderhoud, gebruik en beheer ten dienste van een in Hoofdstuk 2 Functies en activiteiten (paragraaf 22d.2) toegewezen functie betreffen;
  • b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;
  • c. reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.

14.5.3 Toelaatbaarheid

De andere werken als bedoeld in 14.5.2 zijn slechts toelaatbaar voor zover geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het huidige en/of toekomstige functioneren van de molen als werktuig of de molen als landschapsbepalend element.

Artikel 15 Waarde - beschermingszone archeologie

15.2 Toepassingsbereik

De regels in deze paragraaf zijn van toepassing op de locatie Waarde - beschermingszone archeologie, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1658.22dBuldersDG4-vs01, (hierna: verbeelding) zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.

15.3 Beoordelingsregel archeologie
  • 1. Ter plaatse van de locatie 'Waarde - beschermingszone archeologie' wordt een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk als bedoeld in artikel 22.26 alleen verleend als de daar te verwachten archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast.
  • 2. Van een onevenredige aantasting van de te verwachten archeologische waarden als bedoeld in het eerste lid is geen sprake als:
    • a. de oppervlakte van de bodemverstoring als gevolg van de te bouwen bouwwerken in vierkante meters niet meer is dan de ter plaatse van de omgevingsnorm 'maximum oppervlakte bodemverstoring (m2)' bepaalde waarde;
    • b. de diepte van de bodemverstoring als gevolg van de te bouwen bouwwerken in meters onder maaiveld niet meer is dan de ter plaatse van de omgevingsnorm 'maximum diepte bodemverstoring (m)' bepaalde waarde.
  • 3. In afwijking van het tweede lid, onder a, mag de oppervlakte van de bodemverstoring als gevolg van de te bouwen bouwwerken meer bedragen als:
    • a. de bouwwerken worden gebouwd ter vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte van de bestaande bouwwerken niet wordt vergroot en de fundering van de bestaande bouwwerken wordt benut;
    • b. de bouwwerken worden gebouwd binnen een afstand van maximaal 4 meter uit de fundering van een bestaand bouwwerk;
  • 4. Van een onevenredige aantasting van de te verwachten archeologische waarden als bedoeld in het eerste lid is tevens geen sprake als:
    • a. een archeologisch onderzoek op basis van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie is uitgevoerd en in het rapport de archeologische waarde van de te verstoren bodem in voldoende mate is vastgesteld;
    • b. uit het archeologisch rapport blijkt dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn dan wel de aanwezige archeologische waarden door de bodemverstoring niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast.
15.4 Vergunningsvoorschriften
  • 1. Als het bouwen van een bouwwerk kan leiden tot een onevenredige aantasting van de aanwezige archeologische waarden, kan bij vergunningvoorschrift worden bepaald dat:
    • a. technische maatregelen moeten worden getroffen, waardoor de archeologische waarden kunnen worden behouden;
    • b. opgravingen moeten worden gedaan;
    • c. bij het bouwen van het bouwwerk begeleiding plaatsvindt door een archeologisch deskundige.
  • 2. Als uit een archeologisch onderzoek is gebleken dat beschermingswaardige archeologische waarden aanwezig zijn, kunnen ten behoeve hiervan bij vergunningvoorschrift nadere eisen worden gesteld aan de afmetingen en situering van de te bouwen bouwwerken.

15.5 Advies deskundige archeologie

Voordat een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk als bedoeld in artikel 22.26, met toepassing van 15.3, vierde lid, wordt verleend, wordt schriftelijk advies ingewonnen bij de gemeentelijk deskundige archeologie.

Artikel 16 Leiding

16.2 Toepassingsbereik

De regels in deze paragraaf zijn van toepassing op de locatie Leiding, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1658.22dBuldersDG4-vs01, (hierna: verbeelding) zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.

16.3 Omschrijving

De voor 'Leiding' aangewezen gronden zijn, naast de andere voor die gronden aangewezen functies, tevens bestemd voor:

  • a. groenvoorzieningen;
  • b. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

16.4 Aanvullende regels bouwactiviteit

In afwijking van hetgeen elders in deze regels is bepaald ten aanzien van het bouwen krachtens de overige bestemmingen van deze gronden, mogen op of in de in deze bestemming begrepen gronden uitsluitend worden gebouwd:

  • a. hoogspanningsmasten tot een maximale bouwhoogte van 35 meter ten behoeve van bovengrondse hoogspanningsverbindingen;
  • b. uitbreidingen van hoofdgebouwen of aanbouwen, bijgebouwen of overkappingen bij hoofdgebouwen bij bestaande, positief bestemde woningen.
16.5 Uitvoeren van werken, geen gebouwen zijnde of van werkzaamheden
16.5.1 Verbod

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

  • a. het aanleggen van wegen of paden of andere oppervlakteverhardingen;
  • b. het uitvoeren van graafwerkzaamheden;
  • c. het uitvoeren van heiwerken of het anderszins indrijven van voorwerpen in de bodem;
  • d. het aanbrengen van diepwortelende beplanting of bomen;
  • e. het aanbrengen van hoogopgaande bomen en beplanting (alleen bij bovengrondse hoogspanningsverbindingen);
  • f. het ophogen, verlagen, afgraven of egaliseren van de bodem, of anderszins wijzigen in maaiveld- of weghoogte.
16.5.2 Uitzondering

Het verbod als bedoeld in lid 16.5.1 is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:

  • a. het normale onderhoud betreffen overeenkomstig de overige bestemmingen van deze gronden, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn of voortvloeien uit het normale onderhoud of gebruik overeenkomstig de bestemming;
  • b. krachtens een verleende vergunning reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.
16.5.3 Toelaatbaarheid

De andere werken als bedoeld in lid 16.5.1 zijn slechts toelaatbaar voor zover geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud van een veilige ligging en de continuïteit van de energievoorziening.

Hoofdstuk 5 Overgangs- en slotregels (paragraaf 22d.5)

Artikel 17 Toepassingsbereik

De regels in deze paragraaf zijn van toepassing binnen het plangebied zoals vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1658.22dBuldersDG4-vs01, (hierna: verbeelding) zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.

Artikel 18 Overgangsrecht

18.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • 1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van deze planwijziging aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning, en afwijkt van hetgeen is toegestaan in deze wijziging, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan;
  • 2. het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

18.2 Overgangsrecht gebruik
  • 1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van deze planwijziging en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • 2. Het is verboden het met het omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • 3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van de planwijziging voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met de voorheen geldende planversie, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

18.3 Hardheidsclausule

Voor zover toepassing van het overgangsrecht gebruik leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard voor een of meer natuurlijke personen, die op het tijdstip van inwerkingtreding van de planwijziging grond en opstallen gebruiken in strijd met de voorheen geldende planversie kan het bevoegd gezag ten behoeve van die persoon of personen van dat overgangsrecht afwijken.