direct naar inhoud van Ruimtelijke motivering
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d De Bulders deelgebied 4 te Heeze-Leende
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1658.22dBuldersDG4-vs01

Ruimtelijke motivering

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doel

Ter plekke van de uitbreidingswijk De Bulders is op 5 maart 2018 het bestemmingsplan 'De Bulders' onherroepelijk vastgesteld. Op basis van artikel 6.1 sub a van dit bestemmingsplan worden maximaal 350 nieuwe woningen binnen de uitbreidingswijk mogelijk gemaakt. Bij de realisatie van de toegestane 350 woningen zijn, vanwege de woningvraag vanuit de markt en contractaanpassingen met aannemers, de kavel-groottes verkleind. Hierdoor is als het ware een 'restgebied' c.q. deelgebied 4 ontstaan, waar geen woningen gerealiseerd zijn en waar op basis van het bestemmingsplan ook geen woningen gerealiseerd kunnen worden. De Bulders deelgebied 4 betreft voor dit TAM-Omgevingsplan het 'plangebied'.

De aanleiding voor het wijzigen van het (tijdelijk) omgevingsplan van rechtswege (hierna omgevingsplan) van gemeente Heeze-Leende betreft de realisatie van 123 woningen, bestaande uit 42 grondgebonden koopwoningen (CPO), 33 sociale huurwoningen (WoCom) en 48 appartementen (Kempenhaeghe). Het plangebied maakt onderdeel uit van het bestaande woongebied Bulders. Het woningbouwplan wijkt echter af van het maximaal aantal woningen voor woninggebied Bulders en tevens wijkt het voorziene gebouw met zorgappartementen af van de bouwregels.

Om het bouwplan planologisch mogelijk te maken, is een wijziging van het omgevingsplan benodigd. Aan de hand van onderhavige tijdelijke alternatieve maatregel (TAM), wordt een wijzigingsbesluit verzocht bij het bevoegd gezag via de IMRO-standaard. Op een later moment kan het TAM-IMRO besluit in het geconsolideerde omgevingsplan worden opgenomen door een nieuw wijzigingsbesluit te nemen conform de Standaard officiële publicaties (STOP) met bijbehorende toepassingsprofielen (TPOD).

Het college van burgemeesters en wethouders van de gemeente Heeze-Leende heeft te kennen gegeven principemedewerking te verlenen aan het voornemen om de realisatie van circa 100 woningen mogelijk te maken. Navolgend hierop is een wijzigingsbesluit opgesteld, onderhavige motivering vormt de motivering van het wijzigingsbesluit om de ontwikkeling mogelijk te maken.

1.2 Plangebied

Het plangebied, deelgebied 4, is gelegen in de zuidrand van de kern Heeze (zie onderstaande afbeelding). Het woongebied 'De Bulders' wordt ingesloten door de nieuwe Randweg, de bestaande kern Heeze en de nieuwe woningbouw van Bulders. Deelgebied 4 heeft betrekking op delen van de percelen gemeente Heeze, sectie C met de nummers 4836 en 4838, met een gezamenlijk oppervlak van circa 28.545 m².

afbeelding "i_NL.IMRO.1658.22dBuldersDG4-vs01_0001.png"

Figuur: Uitsnede plangebied i.r.t. omliggende omgeving

Het plangebied maakt onderdeel uit van woongebied Bulders, waarvoor op 5 maart 2018 het bestemmingsplan 'De Bulders' onherroepelijk is vastgesteld. Bij de realisatie van de toegestane 350 woningen in Bulders zijn, vanwege marktomstandigheden de kavels verkleind. Door het maximale aantal woningen zijn derhalve op een deel van woonwijk Bulders geen woningen gerealiseerd. Dit deel vormt nu het plangebied voor Bulders deelgebied 4.

1.3 (Tijdelijk) omgevingsplan van rechtswege

Zoals bekend is per 1 januari 2024 de nieuwe Omgevingswet van kracht. Met inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn alle bestemmingsplannen binnen de gemeente Heeze-Leende van rechtswege omgezet naar één omgevingsplan. Deze bestemmingsplannen maken onderdeel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan Heeze-Leende. In het nieuwe deel van het omgevingsplan zijn nog geen regels voor onderhavig plangebied opgenomen. Daarom geldt voor het plangebied bestemmingsplan 'De Bulders' dat onherroepelijk is vastgesteld (05-03-2018). Het plangebied is hierin bestemd als 'Wonen' (geel gekleurd) met de dubbelbestemmingen 'Waarde – Archeologie 2' (noordelijk gedeelte en het zuidelijk puntje), 'Waarde – Archeologie 3' (strook in het zuiden van het plangebied) en 'Leidingen' (meest westelijk hoek). Het oostelijk deel van het plangebied heeft de gebiedsaanduiding 'vrijwaringzone – molenbiotoop' (groen lijn met driehoekjes). Het stedenbouwkundig plan is zo opgezet dat voldaan wordt aan de regels volgend uit de molenbiotoop.

afbeelding "i_NL.IMRO.1658.22dBuldersDG4-vs01_0002.png"

Figuur: Uitsnede plangebied (rood omlijnd) met geldende functies

1.4 Herziening (tijdelijk) omgevingsplan van rechtswege

Het tijdelijk deel van het Omgevingsplan (bestemmingsplan 'De Bulders') maakt de ontwikkeling van 123 woningen waarvan tevens een woongebouw met een aantal appartementen binnen het plangebied De Bulders deelgebied 4 niet direct mogelijk. Het planvoornemen wijkt af van :

  • het maximaal aantal van 350 woningen binnen het woongebied van De Bulders, zoals opgenomen in artikel 6.1 sub a van het tijdelijk deel van het Omgevingsplan;
  • De bouwregels op basis waarvan vrijstaande, twee-onder-een-kap woningen en aaneengesloten woningen zijn toegestaan. De realisatie van het zorgcomplex (WoCom) en het appartementencomplex (CPO Heeze) is op basis van artikel 6.2.1 qua bouwvorm niet toegestaan.

Om het planvoornemen (planologisch-juridisch) mogelijk te maken dient een wijziging van het omgevingsplan te worden te doorgevoerd.

Om de realisatie van 123 woningen binnen deelgebied 4 mogelijk te maken is een wijziging van het omgevingsplan nodig. In deze motivering van het TAM-omgevingsplan wordt de wijziging van het omgevingsplan nader onderbouwd c.q. verantwoord en worden de mogelijkheden die het gewijzigde omgevingsplan biedt, beiden afgewogen.

Deze wijziging van het omgevingplan is opgezet conform de eisen die de Omgevingswet en de gemeente Heeze-Leende daaraan stellen. De regels zijn opgesteld conform de standaardregels SVBP2012 in combinatie met werkafspraken TAM-omgevingsplan, bijsluiter TAM-omgevingsplan en transpondertabel regels TAM-omgevingsplan . De verbeelding voldoet aan de meest actuele digitaliseringseisen conform IMRO2012.

1.5 Leeswijzer

Na dit inleidende hoofdstuk wordt in Hoofdstuk 2 de huidige en nieuwe situatie op locatie omschreven. In Hoofdstuk 3 vindt de toetsing aan het geldende Rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid plaats. In Hoofdstuk 4 vindt de toetsing aan alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving plaats. In Hoofdstuk 5 en Hoofdstuk 6 wordt respectievelijk de juridische planbeschrijving en de uitvoerbaarheid van het voornemen gemotiveerd. In Hoofdstuk 7 wordt de te doorlopen procedure toegelicht.

Hoofdstuk 2 Plan

2.1 Huidige situatie

Het plangebied ligt in de zuidrand van de kern Heeze (zie figuur 1.1) binnen het woongebied Bulders. Het plangebied wordt ingesloten door de Randweg met een aantal woonpercelen in het zuiden, bestaand woongebied aan de oostzijde, en de woningbouwontwikkeling van Bulders aan de noordzijde.

Het plangebied ligt ingeklemd tussen hoofdzakelijk percelen met een woonfunctie. In de huidige situatie is sprake van voornamelijk grasland aan de zuidzijde en tijdelijke situatie van braakliggend perceel aan de noordzijde in verband met de bouwactiviteiten cq. realisatie van woningen binnen Bulders op de percelen aansluitend aan het plangebied. Behoudens dit gebruik zijn er langs de randen van het plangebied enkele woningen gelegen. Verder zijn er binnen het plangebied enkele waterlopen te vinden. Het plangebied wordt aan de zuid en oostzijde op natuurlijke wijze afgebakend door bomen en opgaand groen van bestaande tuinen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1658.22dBuldersDG4-vs01_0003.png"

Figuur: Huidige situatie, noordelijk bovenaanzicht

2.2 Toekomstige situatie

Voor de ontwikkeling is een stedenbouwkundig plan opgesteld. Een gedetailleerde weergave van het stedenbouwkundig plan is opgenomen als Bijlage 1 bij deze motivering.

De Bulders Woningbouw BV, een samenwerking tussen de gemeente Heeze-Leende en BNG Gebiedsontwikkeling, zijn voornemens te komen tot de realisatie van de woonwijk De Bulders. De Bulders is typisch Brabants kleinschalig, zowel in structuur als in de verschijningsvorm van de woonomgeving. De Bulders is op dit moment in realisatie: deelgebied 1 en 3 zijn nagenoeg gereed en deelgebied 2 is in aanbouw. Deelgebied 4 is de volgende en laatste deelfase van De Bulders. Voor deze fase hebben zich drie partijen gemeld, die het volledige beschikbare oppervlak van deze fase kunnen vullen. Het gaat om een CPO-initiatief, woningbouwvereniging WoCom en medische kliniek Kempenhaeghe.

Het plan voorziet concreet in het realiseren van 123 woningen, bestaande uit 42 koopwoningen (CPO), 33 sociale huurwoningen (WoCom) en 48 appartementen (Kempenhaeghe). Binnen de appartementen van de Kempenhaeghe is nadrukkelijk géén sprake van 24-uurs zorg. Het CPO-programma bestaat uit 20 starterswoningen 14 sociale koop, 2 groot, 4 XL), 10 tweekappers (waarvan 4 levensloopbestendig), 2 vrijstaande woningen en 10 appartementen.

Binnen de woonwijk zijn groene ruimten van bescheiden formaat voorzien, in aansluiting op de woningbouw Bulders ten noorden van het plangebied. Ook de woonstraten worden groen ingericht.

Er zal sprake zijn van een afwisseling van kaveloppervlakte. De meeste woningen zijn voorzien van een voortuin (met haag). Door het gebruik van verschillende kapvormen in de vorm van langskappen en dwarskappen, speciale kappen op belangrijke plekken en een afwisselend beeld in goothoogten wordt dit beeld bekrachtigd. Het kleurgebruik zal vergelijkbaar zijn met bestaande woningen in kern Heeze, met toepassing van gekeimde gevels.

afbeelding "i_NL.IMRO.1658.22dBuldersDG4-vs01_0004.png" Figuur: Uitsnede schetsontwerp deelgebied 4 De Bulders

Molenbiotoop

Ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop' gelden nadere regels voor het beschermen van de functie van de in dit gebied voorkomende molen als werktuig en van zijn waarde als landschapsbepalend element. Bij de bouw van bouwwerken binnen deze gebiedsaanduiding dient de volgende regel in acht genomen te worden:

  • a. de hoogte mag niet meer bedragen dan 1/50 van de afstand, gemeten tussen het bouwwerk en de voet van de op de verbeelding aangeduide molen, vermeerderd met de hoogte van de belt, zijnde 6,75 meter;
  • b. het onder a. bepaalde geldt niet voor bouwwerken waarvan de hoogte lager is dan het niveau van de belt van de molen, zijnde 6,75 m.

afbeelding "i_NL.IMRO.1658.22dBuldersDG4-vs01_0005.png" Figuur: Indicatieve uitsnede verbeelding met maximale bouwhoogtes binnen een bouwvlak weergegeven

De vrijstaande woningen en twee-onder-een-kappers liggen op een afstand van minimaal 150 meter van de molen. Op basis van de molenbiotoop mogen deze woningen een maximale hoogte hebben van ((150*1/50)+6,75) 9,75 meter hebben. Op de verbeelding zijn de maximale bouwhoogtes (lager dan 9,75 meter) opgenomen. Bij de aanvraag voor de omgevingsvergunning voor de bouw van de woningen moet aan deze maximale bouwhoogtes (en dus de molenbiotoop) worden voldaan.

Het complex voor zorgwoningen ligt op een afstand van 200 meter van de molen. Op basis van de molenbiotoop mag het complex voor zorgwoningen een maximale hoogte hebben van ((200*1/50)+6,75) 10,75 meter. Het complex voor zorgwoningen bestaat uit 3 woonlagen, waarvoor een maximale bouwhoogte van 10,5 meter is opgenomen. Bij de aanvraag voor de omgevingsvergunning voor de bouw van de appartementen moet aan deze maximale bouwhoogte (en dus de molenbiotoop) worden voldaan.

Het appartementenblok van de CPO ligt op een afstand van 210 meter van de molen. Op basis van de molenbiotoop mag het complex voor zorgwoningen een maximale hoogte hebben van ((210*1/50)+6,75) 10,95 meter. Het complex voor zorgwoningen bestaat uit 3 woonlagen, waarvoor een maximale bouwhoogte van 10,8 meter is opgenomen. Bij de aanvraag voor de omgevingsvergunning voor de bouw van de appartementen moet aan deze maximale bouwhoogte (en dus de molenbiotoop) worden voldaan.

De overige woningen hebben een lagere bouwhoogte dan genoemde appartementencomplexen én liggen op een grotere afstand van de molen. De overige woningen voldoen aan de molenbiotoop.

2.3 Verkeer en parkeren

Het woongebied wordt voor gemotoriseerd verkeer ontsloten via de Randweg. Daarnaast is voorzien in verbindingen bedoeld voor het langzaam verkeer waarmee dagelijkse verplaatsingen richting het centrum of naar school etc. mogelijk worden.

Verkeersgeneratie

De toekomstige verkeersgeneratie zal toenemen met 564 lichte verkeersbewegingen per 24 uur. In paragraaf 4.5.7 is aangetoond dat het planvoornemen NIBM is.

afbeelding "i_NL.IMRO.1658.22dBuldersDG4-vs01_0006.png" Figuur: Toename van verkeersgeneratie op basis van de CROW 2018

Parkeren

Conform de uitgangspunten voor de Bulders is uitgegaan van de opnamecapaciteit van parkeren in de openbare ruimte als bepalend voor de omvang (en typologie) van de aan de straat gelegen woningbouw. Er is voor De Bulders een 'basisprofiel' ontwikkeld dat per straat geldt. Dit basisprofiel heeft aan beide zijden langsparkeervakken gecombineerd met groene bermen. Binnen het plangebied is gekozen voor een woningbouwprogramma met veelal rijwoningen en een aantal zorgappartementen. Voor het parkeren is gekozen om dit veelal te regelen met een aantal parkeerkoffers, waardoor het stenige karakter enigszins wordt beperkt.

afbeelding "i_NL.IMRO.1658.22dBuldersDG4-vs01_0007.png" Tabel: Parkeerbalans

De beoogde woningbouwontwikkeling leidt tot een parkeervraag van afgerond 137 parkeerplaatsen. Met het schetsontwerp wordt voorzien in 157 parkeerplaatsen, waarmee ruimschoots aan de parkeervraag wordt voldaan.

2.4 Duurzaamheid

De Bulders deelgebied 4 is een wijk waarin volop ruimte is voor meerdere vormen van duurzaamheid. Er wordt gestreefd naar technische duurzaamheid van de woningen, maar bijvoorbeeld ook de levensloopbestendigheid van de woning. Ook bij het stedenbouwkundig ontwerp wordt gestreefd naar duurzaamheid. Daarbij kan dan worden gedacht aan gunstige zonoriëntatie (kaprichting) van de woningen. Andere mogelijke vormen van duurzaamheid zijn het toepassen van toepassing van warmtepompen en de verwarming van huizen met gebruik van de bodemtemperatuur. Ook wordt bij de inrichting van de openbare ruimte van De Bulders gestreefd naar een duurzame inrichting, waardoor De Bulders integrale duurzaamheid uitstraalt. Hierbij kan gedacht worden aan slimme (led-)verlichting, natuurlijke en/of herbruikbare materialen en de natuurlijke inrichting van bijvoorbeeld speelplekken die bijdragen bij een overtuigend totaalbeeld van de wijk. Het definitieve duurzaamheidsprogramma zal samen met de ontwikkelende partijen en potentiële bewoners nader worden vormgegeven en worden meegenomen bij de verdere ontwikkeling.

Hoofdstuk 3 Beleid

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Het Rijk heeft de Nationale Omgevingsvisie opgesteld voor de fysieke leefomgeving. De fysieke leefomgeving is een gedeelde verantwoordelijkheid van gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale politiek-bestuurlijke aandacht. De nationale belangen zijn in veel gevallen sectoraal. De opgaven die voortkomen uit de nationale belangen van het Rijk zijn vertaald in vier integrale prioriteiten. Deze vier integrale prioriteiten betreffen:

  • Klimaat & Energie; ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  • Duurzame economie; duurzaam economisch groeipotentieel;
  • Stad & Regio; sterke en gezonde steden en regio's;
  • Landelijk gebied; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

In deze vier prioriteiten komen complexe, omvangrijke en dringende opgaven samen, die voortkomen uit of samenhangen met grote transities. Politieke en maatschappelijke keuzes zijn vooral daar nodig, om op deze prioriteiten voortgang te boeken op een manier die draagvlak heeft en bijdraagt aan de kwaliteit van de leefomgeving. Centraal in te maken afwegingen tussen belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving in zijn volledige omvang (boven- en ondergrond). Het belangrijkste spanningsveld in die afwegingen is dat tussen beschermen en ontwikkelen. Om aan dit afwegingsproces richting te geven worden drie afwegingsprincipes gehanteerd. Deze zijn:

  • 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies;
  • 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal;
  • 3. Afwentelen wordt voorkomen.

Met de NOVI wordt gebouwd aan sterke, aantrekkelijke en gezonde steden, waarbij wordt gestreefd naar de verdere ontwikkeling van het Stedelijk Netwerk Nederland. De wens is om daar naar toe te groeien en een goed bereikbaar netwerk van steden en regio's te realiseren. De grote actuele woningbehoefte vraagt tegelijkertijd om oplossingen op korte termijn. Het kabinet heeft voor de korte termijn daarom een pakket aan maatregelen voorgesteld om de woningbouw een nieuwe, stevige impuls te geven. De locaties bevinden zich in het Stedelijk Netwerk Nederland. De ontwikkeling vindt plaats in lijn met de ambities van de integrale verstedelijkingsstrategie, zo veel mogelijk in bestaand stedelijk gebied, klimaatbestendig en natuurinclusief. Grote open ruimten tussen de steden houden hun groene karakter. Het aanbod en de kwaliteit van het groen in de stad worden versterkt en de aansluiting op het groene gebied buiten de stad wordt verbeterd.

De opgave is daarbij om de veiligheid en gezondheid van onze leefomgeving zodanig te verbeteren dat in 2050 negatieve omgevingseffecten op onze gezondheid naar een verwaarloosbaar laag niveau zijn gebracht. Daarnaast streeft het kabinet ernaar om in 2030 te voldoen aan de huidige WHO-advieswaarden. Ook het tot een verwaarloosbaar niveau terugbrengen van omgevingsrisico's als gevolg van industriële activiteiten en transport (omgevingsveiligheid) is onderdeel van de opgave'.

Het plangebied is gelegen in het zuidelijk deel van de kern Heeze. Met voorliggend plan wordt een woningbouwontwikkeling van 123 woningen mogelijk gemaakt. Hiermee worden er verschillende woningtypologieën in zowel de sociale huur als koopsector gerealiseerd zoals: rij- en hoekwoningen, (zorg)appartementen, twee-onder-een-kap woningen en vrijstaande woningen. In de NOVI wordt prioriteit gegeven aan sterke en gezonde regio's. Dit houdt in dat er in een sterke regio voorzien wordt in voldoende woonruimte. De ontwikkeling voorziet in de realisatie van woningen die voldoen aan de geldende eisen voor nieuwbouw. Deze eisen zorgen ervoor dat een woning een duurzame gebruikersfase heeft, door bijvoorbeeld gas-loze installaties, energieopwekkende voorzieningen en hernieuwbare materialen. Hiermee is er met de ontwikkeling een bijdrage aan klimaatadaptatie en wordt er bijgedragen aan de energietransitie.

Gelet op bovenstaande is het planvoornemen in lijn met de NOVI.

3.1.2 Instructieregels Rijk (AMvB's)

De Omgevingswet werkt door in vier algemene maatregelen van bestuur: het Omgevingsbesluit, het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit bouwwerken leefomgeving. In deze AMvB's staan regels voor het praktisch uitvoeren van de wet.

Omgevingsbesluit

Het Omgevingsbesluit richt zich tot alle partijen die in de fysieke leefomgeving actief zijn: burgers, bedrijven en de overheid. Het Omgevingsbesluit regelt in aanvulling op de wet onder meer welk bestuursorgaan het bevoegd gezag is om een omgevingsvergunning te verlenen en welke procedures gelden. Ook regelt dit besluit wat de betrokkenheid is van andere bestuursorganen bij de besluitvorming en een aantal op zichzelf staande onderwerpen, zoals de milieueffectrapportage en financiële bepalingen.

Besluit activiteiten leefomgeving

Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bevat, samen met het Besluit bouwwerken leefomgeving, de algemene regels waaraan burgers, bedrijven en overheden zich moeten houden als ze bepaalde activiteiten uitvoeren in de fysieke leefomgeving. Ook bepaalt het besluit voor welke van deze activiteiten een omgevingsvergunning nodig is. Dit besluit bevat regels om het milieu, waterstaatwerken, wegen en spoorwegen, zwemmers en cultureel erfgoed te beschermen. De regels ter bescherming van het spoor en de zwemmers worden met het Invoeringsbesluit Omgevingswet ingevoegd.

Besluit bouwwerken leefomgeving

Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) bevat, samen met het Besluit activiteiten leefomgeving, de algemene regels waaraan burgers en bedrijven zich moeten houden als ze bepaalde activiteiten uitvoeren in de fysieke leefomgeving. Dit besluit bevat regels over veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid bij het (ver)bouwen van een bouwwerk, de staat van het bouwwerk, het gebruik van het bouwwerk en het uitvoeren van bouw- en sloopwerkzaamheden.

Besluit kwaliteit leefomgeving

Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat regels ter bescherming van de nationale belangen aan de hand van instructieregels, waaronder :

  • 1. waarborgen van veiligheid (paragraaf 5.1.2)
  • 2. beschermen van waterbelangen (paragraaf 5.1.3)
  • 3. beschermen van gezondheid en milieu (paragraaf 5.1.4), waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit;
  • 4. beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5), waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking;
  • 5. het behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6) voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden;
  • 6. het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7), waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën;

De instructieregels van het Rijk werken door in het provinciale en gemeentelijk beleid. Deze instructieregels maken tevens onderdeel uit van het kader waaraan de aspecten van de leefomgeving getoetst moeten worden (Hoofdstuk 4). Concrete toetsing aan de vier AMvB's vindt hierom niet in voorliggende paragraaf plaats, maar in het vervolg van deze motivering in Hoofdstuk 4. Hieruit blijkt dat het planvoornemen in lijn is met de instructieregels vanuit het Rijk.

3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking

De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor plannen die worden aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Op grond van Artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) heeft de Ladder voor duurzame verstedelijking betrekking op een stedelijke ontwikkeling die voldoende substantieel is. De aard en omvang van het woningbouwplan in relatie met de omgeving bepaalt of het plan voldoende substantieel is. Hierbij wordt rekening gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling en, indien de ontwikkeling buiten het stedelijk gebied is voorzien, de mogelijkheden om binnen het stedelijk gebied in die behoefte te kunnen voorzien.

De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de Ladder is vereist. Dit regelt artikel 8.0b Bkl. Deze instructieregel geldt niet voor de omgevingsvisie. Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan voor een stedelijke ontwikkeling. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet (ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921). Bij woningbouw is vanaf 12 woningen (ABRvS 25 maart 2015; ECLI:NL:RVS:2015:953) sprake van een stedelijke ontwikkeling.

Het voornemen bestaat om aan de hand van voorliggend wijzigingsbesluit het plangebied te voorzien van een woningbouwontwikkeling van 123 woningen. De woningbouwontwikkeling voorziet in verschillende woningtypologieën, zoals: rij- en hoekwoningen, (zorg)appartementen, twee-onder-een-kap woningen en vrijstaande woningen voor zowel de sociale huur als de koopsector. Hiermee is sprake van een stedelijke ontwikkeling en is een nadere toetsting en motivering aan de ladder voor duurzame verstedelijking benodigd.

De nadere toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is als Bijlage 2 van deze motivering toegevoegd. Hierover volgt een beschrijving van de conclusies uit de toets.

Woningbouwlocatie De Bulders deelgebied 4 is binnen bestaand stedelijk gebied gelegen. Woningbouwplan De Bulders deelgebied 4 is opgenomen in de zachte plancapaciteit van de gemeente. Het woningbouwplan De Bulders deelgebied 4 voorziet (gedeeltelijk) in de woningvraag binnen gemeente Heeze-Leende en sluit aan op de kwalitatieve behoeften zoals opgenomen in de Woondeal. Alternatieven binnen bestaand stedelijk gebied kunnen (ondanks schaarste geschikte woningbouwlocaties) – ook na het onherroepelijk worden van TAM-Omgevingsplan De Bulders deelgebied 4 – nog worden ontwikkeld. Woningbouw op de beoogde locatie leidt niet tot onaanvaardbare ruimtelijke effecten.

3.1.4 Algehele conclusie rijksbeleid

Op basis van voorgaande paragrafen kan geconcludeerd worden dat er vanuit het rijksbeleid geen belemmeringen zijn met betrekking tot het planvoornemen in de vorm van het mogelijk maken van een woningbouwontwikkeling van 123 woningen.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant

Met de omgevingsvisie geeft de provincie richting aan wat zij voor Brabant wil bereiken en biedt daarmee handvatten voor haar handelen in de praktijk.

De omgevingsvisie bevat de belangrijkste provinciale ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Conform de Omgevingswet staan de waarden veiligheid, gezondheid en duurzame omgevingskwaliteit centraal. De Brabantse omgevingsvisie voegt daar ambities aan toe voor vier hoofdopgaven:

  • de energietransitie;
  • een klimaatproof Brabant;
  • Brabant als slimme netwerkstad;
  • een concurrerende, duurzame economie.

De visie geeft daarbij richting aan deze opgaven vanwege de ingrijpende veranderingen waarmee zij gepaard gaan. Daarnaast geeft de Omgevingsvisie ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. De visie zal komende jaren nader worden uitgewerkt in diverse programma's.

Met voorliggend planvoornemen wordt er ter plaatse van het plangebied een woningbouwontwikkeling mogelijk gemaakt bestaande uit 123 woningen. De woningen worden gasloos gerealiseerd, waarmee wordt bijgedragen aan de energieopgave in Noord-Brabant. De nieuwe woningen voldoen tevens aan de geldende normen voor woningbouw, waardoor de woningen moeten voldoen aan bepaalde isolatienormen en bijdragen aan het verminderen van energieverbruik. Daarnaast wordt het planvoornemen door te voldoen aan de waterbergingsopgave klimaatadaptief ingericht. Hiermee wordt tevens een stukje bijgedragen aan een meer klimaatproof Brabant. Met het plan wordt invulling gegeven naan beleidsdoelen op het gebied van ruimtelijke kwaliteit, leefbaarheid en duurzaamheid.

Gelet op bovenstaande wordt het onderhavige plan passend geacht binnen de in de omgevingsvisie Noord-Brabant gestelde doelen.

3.2.2 Omgevingsverordening Noord-Brabant

In aansluiting op de werkwijze van de omgevingsvisie en de Omgevingswet is ervoor gekozen om de verschillende provinciale verordeningen voor de fysieke leefomgeving samen te voegen tot één Omgevingsverordening. De provinciale omgevingsverordening bevat direct werkende algemene regels en instructieregels voor het buitengebied. Soms bevatten de instructieregels afwegingscriteria en soms concrete voorwaarden. De instructieregels voor het omgevingsplan in hoofdstuk 5 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant hebben tot doel dat de gemeenteraad (of in een voorkomend geval het college van burgemeester en wethouders) de inhoud van de regels betrekt bij de vaststelling van een (wijziging van het) omgevingsplan.

De instructieregels richten zich op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Daarnaast richten de regels zich op een goede omgevingskwaliteit, inclusief een veilige en gezonde leefomgeving. De provincie wil de omgevingskwaliteit van Brabant bevorderen, in combinatie met een veilige en gezonde leefomgeving.

afbeelding "i_NL.IMRO.1658.22dBuldersDG4-vs01_0008.png"

Figuur: Uitsnede Basiskaart Stedelijk gebied, Landelijk gebied, Natuur Netwerk Brabant met ligging plangebied gemarkeerd

Op basis van de Basiskaart Stedelijk gebied, Landelijk gebied, Natuur Netwerk Brabant is het plangebied gelegen binnen de zonering 'Stedelijk gebied'.

Voor voorliggend plan is getoetst aan onderstaande artikelen van de Omgevingsverordening Noord-Brabant. Er wordt hierbij gebruik gemaakt van de mogelijkheden die Artikel 5.55 biedt.

Artikel 5.55 Ontwikkeling van stedelijke functies en mobiliteit

Lid 1

Een omgevingsplan dat een stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt voor wonen, werken of voorzieningen, wijst daarvoor een locatie aan binnen Stedelijk gebied en bevat een onderbouwing dat:

Lid 2

Er is sprake van een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen als:

  • a. een goede omgevingskwaliteit wordt bevorderd, met een veilige en gezonde leefomgeving ;
  • b. toepassing wordt gegeven aan zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden;
  • c. optimaal invulling wordt gegeven aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie;
  • d. rekening wordt gehouden met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water;
  • e. de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit worden benut; en
  • f. wordt bijgedragen aan een duurzame, concurrerende economie.

Het plangebied is gelegen binnen Stedelijk gebied in het zuiden van de kern Heeze. Als gevolg van het verkleinen van de kavels in voorgaande fase van woongebied Bulders is het mogelijk om binnen het Stedelijk gebied Heeze de huidige woningbouwontwikkeling te realiseren. De ontwikkeling is afgestemd met de regio.

De Bulders deelgebied 4 is een wijk waarin volop ruimte is voor meerdere vormen van duurzaamheid. Er wordt gestreefd naar technische duurzaamheid van de woningen. Ook bij het uitwerken van de bouwvergunningen wordt gestreefd naar duurzaamheid. Daarbij kan dan worden gedacht aan gunstige zonoriëntatie (kaprichting) van de woningen. Andere mogelijke vormen van duurzaamheid zijn het toepassen van toepassing van warmtepompen en de verwarming van huizen met gebruik van de bodemtemperatuur.

Voor de inrichting van de openbare ruimte van De Bulders wordt gestreefd naar een duurzame inrichting. Maatregelen die worden genomen zijn voldoende waterberging voor hemelwater, toepassen van bomen in de openbare ruimte (opgaand groen voor beleving en schaduwwerking), slimme (led-)verlichting, natuurlijke en/of herbruikbare materialen en de natuurlijke inrichting van speelplekken. Het definitieve duurzaamheidsprogramma zal samen met de ontwikkelende partijen en potentiële bewoners nader worden vormgegeven en worden meegenomen bij de verdere ontwikkeling.

De wijk wordt voor auto's ontsloten via de Randweg. Rechtstreekse verbindingen met het centrum worden gerealiseerd voor langzaam verkeer. Daarmee wordt een duurzame mobiliteit in de wijk en het centrum bevorderd.

Het plan past binnen de regionale afspraken en er is sprake van een duurzame stedelijke ontwikkeling binnen Stedelijk gebied.

Gelet op bovenstaande is het planvoornemen in lijn met de Omgevingsverordening Noord-Brabant.

3.3 Regionaal beleid

3.3.1 Regionale woondeal

Op 9 maart 2023 is de Regionale woondeal tussen Rijk, provincie, woningcorporaties en de 21 gemeenten in Zuidoost-Brabant ondertekend. Met deze Woondeal wordt aangesloten bij de Nationale Bouw en Woonagenda die in maart 2022 door minister De Jonge is gepresenteerd.

Het Rijk wil vaart maken met de woningbouw en meer regie nemen. Dit moet leiden tot een betere beschikbaarheid, betaalbaarheid en kwaliteit van het woningaanbod in Nederland. In de Woondeal zijn een groot aantal afspraken opgenomen over onderwerpen zoals o.a. de woningbouwopgave, woningbouwlocaties, betaalbaarheid, woningbouw voor ouderen en de uitvoering en monitoring. Heel veel van deze afspraken moeten in de komende tijd nog nader worden uitgewerkt.

De belangrijkste afspraken in de Woondeal voor Heeze-Leende zijn:

  • De minimale woningbouwopgave tot 2030 bedraagt in totaal 315 woningen.
  • 2/3 van de nieuwbouwwoningen moet betaalbaar zijn, Dit betekent dat nieuwe woningbouwprojecten uit minimaal 30% sociale huur, minimaal 16% middenhuur en minimaal 20% betaalbare koopwoningen moeten bestaan. Hieronder wordt op het moment van sluiten van de Woondeal (2023) verstaan:
    • 1. Sociale huurwoningen: huurprijs van maximaal € 808,06
    • 2. Middenhuur: huurprijs van maximaal € 1.000
    • 3. Betaalbare koopwoningen: koopprijs van maximaal € 355.000

Het minimum van 30% sociale huur en twee derde betaalbaar in de nieuwbouwopgave geldt voor elke gemeente, de verdeling tussen middenhuur en betaalbare koop kan per gemeente anders worden ingevuld. Deze woondeal gaat dus over nieuwe woningbouwprojecten en niet over plannen waar al afspraken over zijn gemaakt. Ook betreft het hier maximum huur- en koopprijzen. Het staat de gemeente dus vrij om eventueel ook lagere prijsgrenzen te hanteren.

Met voorliggend plan wordt invulling gegeven aan de afspraken die gemaakt zijn in de Regionale Woondeal. Het planvoornemen is hiermee in lijn met de Regionale Woondeal.

3.4 Gemeentelijk beleid

3.4.1 Omgevingsvisie Heeze-Leende 2040

De gemeenteraad van Heeze-Leende heeft de ‘Omgevingsvisie Heeze-Leende 2040’ op 26 juni 2023 vastgesteld. In de omgevingsvisie is omschreven wat voor een gemeente Heeze-Leende in 2040 wil zijn. De visie kent grote doelen voor op de lange termijn en kleinere acties voor op de kortere termijn.

De uitgangspunten voor toekomstbestendig wonen zijn onder andere dat efficiënt gebruik dient te worden gemaakt van bestaande bebouwing en ruimte binnen de dorpen. Daarom biedt de gemeente de mogelijkheid tot transformatie en inbreiding.

Op basis van de Omgevingsvisiekaart Heeze-Leende Kaartbeeld 5.1 is het plangebied gelegen binnen de zonering 'Dorpskernen'.

afbeelding "i_NL.IMRO.1658.22dBuldersDG4-vs01_0009.png"

Figuur: Uitsnede Omgevingsvisiekaart Heeze-Leende Kaartbeeld 5.1 t.o.v. plangebied

Het aantal toe te voegen woningen is door de gemeente reeds (sub)regionaal afgestemd. Hierbij is rekening gehouden met een trendmatig vestigingsoverschot. De kaders tot 2030 zijn uitgewerkt in de Woondeal.

In 2023 sloten de Brabantse gemeentes, provincie, corporaties en de minister deze Woondeal waarin afgesproken is hoe invulling gegeven wordt aan de kwalitatieve en kwantitatieve huisvestingsopgave van deze tijd, zie ook paragraaf 3.3.1 van deze motivering. De gemeente stuurt op transformatie en inbreiding binnen bestaande kernen om invulling te geven aan de huisvestingsopgave. Als de woningvraag in de toekomst toeneemt en binnenstedelijke mogelijkheden ontoereikend blijken, dan gaat de gemeente mogelijke uitbreidingslocaties onderzoeken aan de randen van de bestaande dorpskernen. De Bulders bij Heeze is met de vaststelling van bestemmingsplan 'De Bulders' omgezet naar stedelijk gebied en maakt planologisch onderdeel uit van de dorpskern van Heeze. Deelgebied 4 is dan ook een kansrijke binnenstedelijke locatie voor de bouw van woningen. Hier wordt met onderhavig plan invulling aan gegeven.

Gelet op bovenstaande is het planvoornemen in lijn met de Omgevingsvisie Heeze-Leende 2040.

3.4.2 Structuurvisie Heeze-Leende 2013-2030

De Structuurvisie Heeze-Leende 2013-2030 is vastgesteld op 15 april 2013. Op basis van navolgende figuur: plankaart van de Structuurvisie Heeze-Leende 2013-2030 is het plangebied gelegen binnen de zonering 'ontwikkeling woongebied'. Hoewel deze visie al verouderd is, geeft dit aan dat de ambitie om de gronden ten zuiden van de kern Heeze, nabij De Bulders te ontwikkelen naar een woningbouwlocatie al langer aan de orde is. De structuurvisie Heeze-Leende 2013-2030 is inmiddels vervangen door de Omgevingsvisie Heeze-Leende 2040.

afbeelding "i_NL.IMRO.1658.22dBuldersDG4-vs01_0010.png"

Figuur: Uitsnede plankaart Structuurvisie Heeze-Leende 2013-2030 t.o.v. plangebied

3.4.3 Woonvisie Heeze-Leende

Op 10 februari 2020 heeft de gemeenteraad de Woonvisie Heeze-Leende vastgesteld. Deze woonvisie bevat een lange termijn perspectief met een visie en ambities voor een toekomstbestendig Heeze-Leende. In de woonvisie zijn de navolgende doelstellingen opgenomen:

  • 1. zorgen voor voldoende woningaanbod voor starters en jongeren;
  • 2. zorgen voor kansen voor huishoudens die willen doorstromen of zich willen vestigen;
  • 3. zorgen voor voldoende geschikte huisvesting voor ouderen en mensen met een zorgvraag;
  • 4. zorgen bij aantoonbare behoefte voor passende huisvesting voor arbeidsmigranten
  • 5. geen nieuwe woonwagenstandplaatsen toestaan tenzij blijkt dat er een aantoonbare behoefte is;
  • 6. huisvesten van specifieke doelgroepen in overleg met de corporaties;
  • 7. verwezenlijken van de ambities uit het gemeentelijke duurzaamheidsbeleid door uitvoering te geven het uitvoeringsplan ‘Energietransitie’;
  • 8. verbeteren van de leefbaarheid in de dorpen;
  • 9. streven naar veilige en leefbare wijken en buurten waarin inwoners van Heeze-Leende zich prettig en veilig voelen, elkaar kennen, betrokken zijn bij elkaar en zich verantwoordelijk voelen voor elkaar;
  • 10. aantal toe te voegen woningen afstemmen op de provinciale woningbehoefteberekening voor onze gemeente en we houden rekening met een trendmatig vestigingsoverschot;
  • 11. toevoegen van die woningen waaraan op lange termijn behoefte bestaat en die onvoldoende beschikbaar komt door doorstroming en/of woningen waardoor de doorstroming wordt bevorderd;
  • 12. monitoren van de ontwikkelingen op de woningmarkt en jaarlijks rapporteren aan de raad.

De gemeente wil in Heeze-Leende voldoende en het juiste type woningen van de juiste kwaliteit op de juiste plek realiseren. De periodieke provinciale bevolkings- en woningbehoefteprognose is richtinggevend voor de regionale afstemming en het maken van afspraken over de bouwplannen en de programmering met de zogenaamde A2-gemeenten (Heeze-Leende, Cranendonck en Valkenswaard). Hierbij worden de ruimte voor ruimtewoningen en de woningen in Kloostervelden niet meegeteld. Uitgangspunt van de provinciale prognose is bouwen voor de natuurlijke bevolkingsgroei (migratiesaldo=nul) met de mogelijkheid ook te kunnen inspelen op actuele trendmatige migratieontwikkelingen. De prognose van het CBS lijkt beter aan te sluiten bij de werkelijkheid. Het CBS verwacht een groei met 400 huishoudens tot 2025 en van nog eens 200 huishoudens in de jaren 2025 tot 2030.

Met voorliggend plan worden 123 woningen gerealiseerd. Dit betreffen verschillende woningtypologieën, zoals: rij- en hoekwoningen, (zorg)appartementen, twee-onder-een-kap woningen en vrijstaande woningen in zowel de sociale huur als koopsector

Hiermee worden voor starters en ouderen betaalbare huur- en koopwoningen gerealiseerd. Tevens wordt voor de ouderen voorzien in de wens om gelijkvloerse appartementen aan te leggen. Hiermee wordt het juiste type woningen van de juiste kwaliteit op de juiste plek gerealiseerd.

3.4.4 Groenstructuurplan

Op 24 januari 2022 heeft de gemeenteraad het groenstructuurplan vastgesteld. Het groenstructuurplan is een plan waarin we de uitgangspunten voor de groenvoorziening, dus beplanting binnen de bebouwde kom, vastleggen voor de komende jaren. Het groenstructuurplan zet deze afspraken in grote lijnen uiteen. Er staat dus niet in detail genoemd waar bijvoorbeeld een bepaalde boom of struik geplant wordt. In het groenstructuurplan zijn verschillende acties opgenomen welke de gemeente de komende jaren wil uitvoeren om Heeze-Leende doelgericht te vergroenen. Denk hierbij aan het aanbrengen van diversiteit in plantsoorten, het ecologisch beheren van bermen maar ook bijvoorbeeld een vervolgonderzoek naar de inrichting van dorpsentrees.

Het plan vertelt in de eerste plaats waar de gemeente wil inzetten op het behoud van bestaande structuren en waar zij ontwikkelingen in het groen een plek wil geven. Het groenstructuurplan is tevens een beleidsvisie waarin de uitgangspunten voor het groen uiteen zijn gezet. Het plan is geen uitvoeringsplan. Dit betekent dat de ambities zoals omschreven in dit plan nog niet concreet zijn vertaald naar uitvoering en kosten.

Om het groen in Heeze-Leende optimaal te benutten moet geïnvesteerd worden in ‘de groene gemeente’. De gemeente gaat ontwikkelen naar een duurzaam en gevarieerd straatbeeld met een groene uitstraling die aansluit op de omgeving en past bij het gebruik van de plek. De verdere ontwikkeling van het groen sturen we aan de hand van vier speerpunten:

  • Identiteit en uitstraling
  • Ecologie en biodiversiteit
  • Klimaatbestendigheid
  • Bruikbaar groen

De identiteit en uitstraling van het gebied wordt versterkt door de doorgaande wegen binnen het plangebied te omgeven met een grote hoeveelheid aan bomen en groenvoorzieningen. Door de grote hoeveelheid groen binnen het plangebied kan de biodiversiteit toenemen. Het plangebied wordt klimaatadaptatief ingericht waardoor er wordt voldaan aan de hemelwaterbergingsopgave. Met de realisatie van de speelvoorziening in het groen wordt bruikbaar groen gerealiseerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1658.22dBuldersDG4-vs01_0011.png"

Figuur: Uitsnede groenstructuurkaart met globale ligging plangebied rood omlijnd

De hoofdgroenstructuur bestaat uit groenobjecten van grotere omvang met een grote meerwaarde voor het dorp. Deze meerwaarde wordt veroorzaakt doordat de vlakken op dorpsniveau belangrijk zijn voor één of meerdere van de vier thema’s: ecologie, uitstraling, gebruik en klimaatbestendigheid. De groenobjecten die onderdeel uitmaken van de hoofdgroenstructuur:

  • Worden gezien als dorps- en wijkvoorzieningen.
  • Worden ingericht en onderhouden met het oog op langdurig behoud en ontwikkeling van de locatie.
  • Hebben als doel een zo hoog mogelijke meerwaarde te bieden voor de dorpen.

Onderhavig plangebied is gelegen grenzend aan de hoofdgroenstructuur. Met het plan wordt hier invulling aan gegeven. De randen van het plangebied zijn aan de zuidzijde gereserveerd voor een groenfunctie. Verder wordt deze groenfunctie doorgetrokken tot centraal in het plangebied. Tevens wordt een speelvoorziening aangelegd om te voorzien in groen én om de toekomstige bewoners uit te nodigen om te bewegen.

Daarnaast zijn de doorgaande wegen binnen het plangebied omgeven door een grote hoeveelheid van bomen en groenvoorzieningen. Dit draagt bij aan de groene uitstraling van het plangebied. Het plangebied wordt klimaatadaptatief ingericht waardoor er wordt voldaan aan de hemelwaterbergingsopgave.

Gelet op bovenstaande is het planvoornemen in lijn met het groenstructuurplan.

3.4.5 Bomenvisie 2017-2030

''De juiste boom op de juiste plaats'' is een kreet die de gemeente, maar ook de gemeenschap van Heeze-Leende vastlegt. De boomstructuren dragen bij aan de leefbaarheid van de gemeente. Het zuiveren van lucht, zorgen voor verkoeling, zorgen voor ontmoeting tussen bewoners, het verbeteren van de lichamelijke en psychische gezondheid, uitnodigen tot recreatie en zelfs de prijsstijging van de bebouwing dichtbij bomen zijn allemaal waarden die een boom kan vervullen. Voor de inrichting van de openbare ruimte gelden de volgende uitgangspunten:

  • Plantafstand en plantplaats worden ingericht op basis van het gewenste eindbeeld (inclusief ondergronds)
  • Het landelijk effect wordt op diverse locaties versterkt door een afwisseling in plantafstanden
  • Boomsoort wordt aangepast op de omgeving zodat deze gewenste functie kan vervullen (ook herplant)
  • Buiten de bebouwde kom worden inheemse (liefst autochtone) soorten gebruikt
  • Buiten- en binnen de bebouwde kom variatie in boomsoorten (monocultuur doorbreken)
  • Inrichting afstemmen met belanghebbenden
  • Bij de herplant van bomen wordt uitgegaan van een duurzame groeiplaats

Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom. In het verkavelingsplan zijn langs de doorgaande wegen in grote aantallen bomen opgenomen. De afstand tussen deze bomen varieert. Met het verkavelingsplan wordt een groene uitstraling van het plangebied gewaarborgd. Bij de nadere uitwerking van het plan wordt bepaalt welke boomsoorten geplant worden. Er zal gestuurd worden op variantie in de boomsoorten om monocultuur te voorkomen.

Gelet op bovenstaande is het planvoornemen in lijn met de Bomenvisie 2017-2030.

3.4.6 Uitwerkingsplan Bomen 2018-2030

Het Uitwerkingsplan Bomen 2018-2030 is op 28 juni 2018 vastgesteld. In het ‘Uitwerkingsplan Bomen 2018-2030’ is onderzocht hoe de strategische kaders uit bomenvisie ‘De Toekomstboom’ vertaald kunnen worden naar tactisch en operationeel niveau. Daarnaast is onderzocht hoe het tactische en operationele niveau vorm krijgt binnen de beheerorganisatie van gemeente Heeze-Leende.

In het woongebied is vooral de esthetische- en ecologische waarde van belang. Onder bomen met een ecologische waarde worden bomen verstaan die waard- of drachtplant zijn. Verder zal de samenstelling in het woongebied bestaan uit bomen van de 1e, 2e en 3e grootte. De keuze tussen deze verschillende grootten zal gemaakt worden op basis van de beschikbare ruimte per locatie, hierbij wordt gekeken naar gevelafstand.

Het Uitwerkingsplan Bomen 2018-2030 zal bij de verdere planuitwerking in acht worden genomen.

3.4.7 Duurzaamheidsbeleid

Duurzaamheid vormt een integraal onderdeel van ons streven naar een fijne, prettige en gezonde leefomgeving. Het duurzaamheidsbeleid is gericht op korte termijn acties binnen zes kernthema’s: voedseltransitie, mobiliteit, circulaire economie, klimaatadaptatie, biodiversiteit en energietransitie. Deze acties zorgen voor directe verbeteringen, terwijl er ook lange termijnstrategieën worden ontwikkeld voor duurzame ontwikkeling voor toekomstige generaties.

Met het planvoornemen worden er 123 woningen gerealiseerd, een deel van deze woningen zal bestaan uit prefab-woningen. Prefab-woningen, oftewel geprefabriceerde woningen, bieden aanzienlijke voordelen op het gebied van duurzaamheid. Prefab-woningen worden in een fabriek gebouwd waardoor de precisie en efficiëntie bij het gebruik van bouwmaterialen worden verhoogd. Dit leidt tot minder verspilling vergeleken met traditionele bouwmethoden. In de prefab industrie worden vaak gerecyclede en duurzame materialen gebruikt, wat bijdraagt aan het verminderen van de milieu-impact. Prefab-woningen kunnen in veel kortere tijd worden gebouwd dan traditionele huizen, wat leidt tot minder verstoring van de bouwplaats en de omgeving. Omdat een groot deel van het bouwproces off-site plaatsvindt, zijn er minder transportbewegingen en minder uitstoot van zware machines op de bouwplaats.

Met onderhavig plan worden de doorgaande wegen omgeven door bomen. Daarnaast wordt een speelvoorziening gerealiseerd waarbij genoeg ruimte is ingericht voor bomen en groen. Natuur in woonbuurten vergroot leefgebieden van dieren, versterkt de biodiversiteit en maakt buurten beter bestand tegen klimaatverandering (denk aan hittestress, droogte, wateroverlast). Bomen en planten maken bovendien de lucht schoon, geven verkoeling in de zomer en bufferen regenwater. Het plangebied wordt klimaatadaptatief ingericht waardoor voldaan wordt aan de hemelwaterbergingsopgave. Bovendien worden de woningen gasloos gerealiseerd, waardoor bijgedragen wordt aan de energietransitie.

Gelet op bovenstaande is het planvoornemen in lijn met het Duurzaamheidsbeleid.

Hoofdstuk 4 Aspecten van de fysieke leefomgeving

4.1 Inleiding

Ter plekke van de uitbreidingswijk De Bulders is op 5 maart 2018 bestemmingsplan 'De Bulders' onherroepelijk vastgesteld. Op basis van artikel 6.1 sub a van dit bestemmingsplan worden maximaal 350 woningen binnen deze uitbreidingswijk mogelijk gemaakt. Bij de realisatie van de toegestane 350 woningen zijn vanwege de woningvraag vanuit de markt en de contractaanpassingen met aannemers, de kavel-groottes verkleind. Hierdoor is als het ware een 'restgebied' ofwel deelgebied 4 ontstaan, waar geen woningen gerealiseerd zijn en waar op basis van het bestemmingsplan ook geen woningen gerealiseerd kunnen worden.

Het plangebied heeft zoals gezegd wel een woonfunctie. Met voorliggend plan wordt uitsluitend afgeweken van het maximaal aantal woningen dat binnen het plangebied gerealiseerd mag worden én het woningtype om aanvullend op vrijstaande, twee-onder-een-kap woningen en aaneengesloten woningen ook nog de bouw van appartementen mogelijk te maken. Bij beoordeling van de aspecten van de fysieke leefomgeving is uitsluitend aan de orde of met de beoogde woningaantallen en woningtypen sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.2 Bedrijven- en milieuzonering

Zowel in het kader van een goede ruimtelijke ordening als vanuit milieuwet- en regelgeving wordt gestreefd naar het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten, met als doel het handhaven en waar mogelijk bevorderen van een goede kwaliteit van het leefmilieu. Dit gebeurt onder andere door het fysiek scheiden van milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) door het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding daartussen. Deze ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand, hetgeen ook wel wordt aangeduid als milieuzonering in de vorm van een richtafstand. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast.

Milieuzonering heeft twee doelen:

  • 1. Het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
  • 2. Het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt in de praktijk gebruik gemaakt van VNG-uitgave "Bedrijven en milieuzonering, editie 2009" (verder: VNG-uitgave). De VNG-uitgave geeft op systematische wijze informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze uitgave bevat een lijst waarin voor veelvoorkomende milieubelastende activiteiten indicatieve richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies, uitgaande van een gemiddeld modern bedrijf. De handreiking is oorspronkelijk bedoeld als hulpmiddel bij de ruimtelijke planvorming. Uit de rechtspraak van de Afdeling vloeit voort dat de handreiking als hulpmiddel is erkend. Afwijken van de richtafstanden is mogelijk, mits wordt onderbouwd dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

De indicatieve richtafstanden uit de VNG-brochure gaan uit van de afstand die dient te worden gehouden van het gebiedstype 'rustige woonwijk'. Indien sprake is van een 'gemengd gebied' mogen de richtafstanden met één afstandsstap worden verkleind (uitzondering is de richtafstand voor gevaar). Een gemengd gebied is een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied.

4.2.1 Toetsing

De richtafstanden gelden tussen enerzijds de grens van de functie(s) die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het omgevingsplan of via vergunningsvrij bouwen mogelijk is. De gegeven richtafstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. Ze moeten daarom gemotiveerd worden toegepast. Dit betekent dat geringe afwijkingen in de lokale situatie mogelijk zijn. Het is aan te bevelen deze afwijkingen te benoemen en te motiveren.

De Randweg

Een weg is geen milieubelastende functie zoals bedoeld in de VNG brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’. Voor wat betreft de ruimtelijk relevante milieuaspecten wordt verwezen naar de verschillende onderzoeksparagrafen in dit hoofdstuk.

De Bulders 

Een woongebied is een gevoelige functie. Daarom moet worden beoordeeld of er in de nabijheid van deze woningen milieubelastende functies liggen en of wordt voldaan aan de bijbehorende richtafstanden. Binnen het plangebied van De Bulders worden geen milieubelastende functies mogeliljk gemaakt. Er zijn wel een aantal milieubelastende functies aanwezig buiten het plangebied. In het kader van Bedrijven en milieuzonering wordt beoordeeld of deze bedrijven een belemmering vormen voor de woningen in De Bulders. Ook wordt beoordeeld of de nieuwe woningen de bedrijfsvoering van de bedrijven niet hinderen. Dit betreffen de volgende:

  • Agrarisch bedrijf (melkrundveehouderij), Oudenmolen 3, dit bedrijf valt in milieucategorie 3.2 met een richtafstand van 100 meter. Deze afstand wordt ruimschoots gerespecteerd
  • Agrarisch bedrijf (paardenhouderij), Oudenmolen 4a. Op 20 december 2014 is voor dit bedrijf een revisievergunning verleend voor het houden van paarden. De inrichting valt inmiddels van rechtswege onder het Activiteitenbesluit. Uit de dierbezetting blijkt dat slechts dieren worden gehouden waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld. De inrichting heeft geen geuremissie, waardoor een vaste afstand van 100 meter aangehouden moet worden. Deze afstand wordt ruimschoots gerespecteerd.
  • Agrarisch bedrijf (melkrundveehouderij), Hazenhurk 1, dit bedrijf valt in milieucategorie 3.2 met een richtafstand van 100 meter. Deze afstand wordt ruimschoots gerespecteerd.
  • Agrarisch bedrijf (melkrundveehouderij), Hazenhurk 3, dit bedrijf valt in milieucategorie 3.2 met een richtafstand van 100 meter. Deze afstand wordt ruimschoots gerespecteerd.
  • Garagebedrijf, Oude Stationsstraat 23, dit bedrijf valt in milieucategorie 2 en heeft een richtafstand van 30 meter. Deze afstand wordt ruimschoots gerespecteerd.
  • Garagebedrijf, Nieuwendijk 58, dit bedrijf valt in milieucategorie 2 en heeft een richtafstand van 30 meter. Deze afstand wordt ruimschoots gerespecteerd.
  • Garagebedrijf, Oudenmolen 11, dit bedrijf valt in milieucategorie 2 en heeft een richtafstand van 30 meter. Deze afstand wordt ruimschoots gerespecteerd.

Omdat voor de omliggende bedrijven aan de richtafstanden wordt voldaan, vormen deze bedrijven geen belemmering voor de ontwikkeling van de woningen en zullen ook deze bedrijven door de nieuwe woningen niet worden belemmerd in hun bedrijfsvoering.

4.2.2 Conclusie bedrijven- en milieuzonering

Gelet op de bovenstaande toetsing vormt het aspect bedrijven- en milieuzonering geen belemmering voor het planvoornemen en is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.3 Geluid

Als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de regels over geluid uit het Activiteitenbesluit milieubeheer komen te vervallen. Deze regels zijn tijdelijk verhuisd naar het tijdelijke deel van het Omgevingsplan van de gemeente ('de bruidsschat'). De bruidsschat vormt samen met de regels van dit wijzigingsbesluit (na vaststelling) de regels van het omgevingsplan. Gemeenten zijn aan zet om gedurende de overgangsperiode (tot 1 januari 2032) eigen regels over geluid op te nemen in het omgevingsplan, mits daarbij wordt voldaan aan de bepalingen uit het Bkl. Voor niet-lokale infrastructuur stelt het Rijk of de provincie regels in een projectbesluit.

Beoordeeld dient te worden of sprake is van het realiseren van een geluidgevoelig gebouw (3.21 Bkl) of geluidgevoelige ruimte (3.22 Bkl). Indien hiervan sprake is, dient tevens te worden beoordeeld of sprake is van de ligging in een geluidaandachtsgebied (3.20 Bkl).

4.3.1 Toetsing

Voorliggend plan voorziet in de realisatie van 123 woningen. Een woning betreft een geluidgevoelig gebouw. De woningen zijn gelegen op korte afstand van de Randweg ten zuiden van het plangebied. Daarom is een akoestisch onderzoek (Aelmans, rapportnummer ROM240029.003.001.R1/JME, d.d. 19 november 2024, Bijlage 3) uitgevoerd om te bepalen of sprake is van een goed woon- en leefklimaat. De resultaten hiervan worden hieronder toegelicht.

Uit de toets in het kader van de gevelbelasting blijkt:

afbeelding "i_NL.IMRO.1658.22dBuldersDG4-vs01_0012.png"

Tabel: Conclusie gevelbelasting

Ter hoogte van de geluidgevoelige objecten wordt niet voldaan aan de standaardwaarden. Het aanleggen van een geluidwal of geluidscherm (overdrachtsmaatregelen) of het toepassen van stiller wegdek (bronmaatregel) om de geluidbelasting terug te brengen tot de standaardwaarde ontmoet overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke, civieltechnische, verkeerskundige en financiële aard. Derhalve wordt onderbouwd verzocht om de overschrijding van de standaardwaarde te accepteren. De grenswaarde wordt namelijk niet overschreden bij de geluidsgevoelige objecten. Ook wordt voldaan aan aanvullende eisen uit het gemeentelijk beleid.

afbeelding "i_NL.IMRO.1658.22dBuldersDG4-vs01_0013.png"

Tabel: Conclusies karakteristieke geluidwering van de gevel

Omdat het gezamenlijk geluid hoger is dan 53 dB dient er een nader onderzoek te worden uitgevoerd ter bepaling van de geluidwering van de gevel. Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen (conform dat nader onderzoek) is een binnenniveau van 33 dB en daarmee een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd.

Op basis van de resultaten van het akoestisch onderzoek dient een nader onderzoek uitgevoerd te worden ter bepaling van de geluidwering van de gevel. In de regels van voorliggend plan is opgenomen dat voor de verlening van de omgevingsvergunning voor de bouw van de woningen, een akoestisch onderzoek uitgevoerd moet zijn op basis waarvan een binnenniveau van 33 dB gegarandeerd kan worden.

4.3.2 Conclusie geluid

Gelet op bovenstaande vormt het aspect geluid geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend TAM-Omgevingsplan.

4.4 Geur

4.4.1 Wettelijk kader

Geur kan hinder veroorzaken en de gezondheid schaden, echter ook geur veroorzakende activiteiten (bedrijven) hebben een plek in de leefomgeving nodig. Eén van de belangrijkste uitgangspunten van de Omgevingswet is een goede balans tussen het benutten en beschermen van de fysieke leefomgeving (artikel 1.3 Ow: 'zorg voor de fysieke leefomgeving').

In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn in hoofdstuk 3 regels gesteld over milieubelastende activiteiten, waarbij deze activiteiten per bedrijfstak zijn gegroepeerd. Deze regels zijn gesteld ter voorkoming of beperking van onder andere geurhinder. Vervolgens zijn in hoofdstuk 4 van het Bal inhoudelijke regels gesteld aan milieubelastende activiteiten.

In paragraaf 5.1.4.6 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de instructieregels opgenomen ten aanzien van het aspect geur. In artikel 5.92, tweede lid Bkl, is voorgeschreven dat de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw 'aanvaardbaar' moet zijn. Daarbij dient tevens rekening te worden gehouden met cumulatie. Gemeenten hebben de mogelijkheid om in hun omgevingsplan eigen geurregels te formuleren. Weliswaar dienen de instructieregels uit het Bkl (artikel 5.90 tot en met 5.127 Bkl) wel te worden gevolgd.

In het omgevingsplan wordt onderscheid gemaakt tussen de waarden voor geur die van toepassing zijn binnen en buiten de bebouwingscontour. Deze contour wordt op termijn geometrisch begrensd in het omgevingsplan.

4.4.2 Toetsing

Met het planvoornemen worden 123 woningen binnen De Bulders deelgebied 4 mogelijk gemaakt. Het plangebied heeft reeds een woonfunctie. Een woning betreft op basis van Artikel 5.91 van het Bkl een geurgevoelig gebouw. Een woonfunctie betreft géén geur veroorzakend gebouw.

Op basis van de kaart achtergrondbelasting geur is het plangebied gelegen binnen het Concentratiegebied Brabant. De achtergrondbelasting betreft op locatie minder dan 3 Ou. Hiermee is de kwaliteit van de leefomgeving binnen het plangebied zeer goed. Eventuele geurhinder is op locatie niet aan de orde.

afbeelding "i_NL.IMRO.1658.22dBuldersDG4-vs01_0014.png"

Figuur: Uitsnede kaart achtergrondbelasting geur juni 2023 (Bron: atlas.odzob.nl) met ligging plangebied oranje omlijnd

4.4.3 Conclusie geur

Gelet op de bovenstaande toetsing vormt het aspect geur geen belemmering voor het planvoornemen en is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.5 Gezondheid

4.5.1 Inleiding

Als onderdeel van de afweging in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet in een Omgevingsplan ook rekening worden gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, vierde lid, Omgevingswet). Het belang van gezondheidsbescherming speelt een belangrijke rol bij een wijzigingsbesluit en moet zorgvuldig worden afgewogen tegen andere onderdelen en aspecten van de fysieke leefomgeving en de rechtstreeks daarbij betrokken belangen.

Het bevoegd gezag moet een afweging maken of vanwege (onzekere) gezondheidsrisico's uit voorzorgsmaatregelen nodig zijn. Voorbeelden om voorzorgsmaatregelen te nemen zijn de gezondheidseffecten van geitenhouderijen, omdat er effecten zijn gevonden. Onduidelijk is nog waar deze effecten precies vandaan komen. In navolgende paragrafen worden de belangrijkste gezondheidsaspecten benoemd. In deze paragraaf wordt het aspect gezondheid uiteengezet in relatie tot de aspecten endotoxinen, hoogspanningsverbindingen, geitenhouderijen, gewasbeschermingsmiddelen, positieve gezondheid en luchtkwaliteit.

4.5.2 Endotoxinen
4.5.2.1 Wettelijk kader

De intensieve veehouderijen dragen bij aan de emissies van fijnstof (PM10) in Nederland. Dit geëmitteerde fijnstof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Er zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico's lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de 'Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0' opgesteld. In april 2018 is tevens de 'Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 uitgebracht. Hierbij wordt een advieswaarde van 30 EU/m³ aangehouden als advieswaarde voor de maximale blootstelling aan endotoxine. Bij deze advieswaarde kan ervan uitgegaan worden dat de gezondheid van omwonenden van veehouderijen wordt beschermd tegen een overmaat aan endotoxine. Het uitgangspunt in de fysieke leefomgeving is dat sprake moet zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden.

4.5.2.2 Toetsing

In de directe omgeving van het plangebied is geen pluimvee- of varkenshouderij gelegen. Het plangebied is niet gelegen binnen een endotoxinencontour. Hiermee vormt endotoxinen geen belemmering voor het planvoornemen en is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.5.3 Hoogspanningsverbindingen
4.5.3.1 Wettelijk kader

Als onderdeel van de afweging in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet in een omgevingsplan ook rekening worden gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, vierde lid, Omgevingswet). Het belang van gezondheidsbescherming speelt dus een belangrijke rol bij een wijzigingsbesluit en moet zorgvuldig worden afgewogen tegen andere onderdelen en aspecten van de fysieke leefomgeving en de rechtstreeks daarbij betrokken belangen.

Hoogspanningsverbindingen kunnen van negatieve invloed zijn op de gezondheid van de omgeving, maar dragen tegelijkertijd ook bij aan de Nederlandse infrastructuur en zijn van essentieel belang voor het functioneren van het energienetwerk. Hoogspanningsverbindingen leveren dus zowel een positieve als negatieve bijdrage aan de fysieke leefomgeving.

Een negatieve invloed op de gezondheid van de omgeving, kan worden veroorzaakt door magneetvelden en geluid van de hoogspanningsverbindingen. Voor het eerste gezondheidsaspect 'magneetvelden' geldt op basis van advies van het Rijk dat zoveel als redelijkerwijs mogelijk is vermeden dient te worden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen (tot 15 jaar) langdurig verblijven in een gebied rond bovengrondse hoogspanningslijnen, waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla. Ten aanzien van het gezondheidsaspect 'geluid' geldt dat rekening moet worden gehouden met geluid in de vorm van windfluiten en knetterend geluid door elektrische ontladingen (coronageluid) veroorzaakt door hoogspanningsverbindingen.

Ten behoeve van deze wijziging van het omgevingsplan is in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties rekening gehouden met de gezondheidsaspecten (magneetveld en geluid) die hoogspanningsverbindingen kunnen veroorzaken. De toepassing van deze gezondheidsaspecten op onderhavige wijziging van het omgevingsplan is hierna beschreven.

4.5.3.2 Toepassing

Met onderhavige wijziging van het omgevingsplan wordt voorzien in de realisatie van een woningbouwontwikkeling van 123 woningen. De meest dichtbijgelegen hoogspanningsverbinding bevindt zich op een afstand van circa 200 meter tot spanning 150kV (blauw) tot aan het plangebied. Op navolgende kaart wordt de meest dichtbijgelegen hoogspanningsverbinding tot het plangebied afgebeeld.

afbeelding "i_NL.IMRO.1658.22dBuldersDG4-vs01_0015.png"

Figuur: Uitsnede kaart hoogspanningslijnen t.o.v. plangebied (Atlas Leefomgeving)

Magneetvelden  

Onderzoek in de nabijheid van hoogspanningsverbindingen wijst erop dat magnetische velden in de buurt van bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse hoogspanningskabels mogelijk kunnen leiden tot een verhoogd risico op leukemie bij kinderen.

Om uit te sluiten dat de hoogspanningslijnen het planvoornemen kunnen belemmeren is bekeken of de hoogspanningslijnen in het bovenstaande figuur op genoeg afstand liggen van het plangebied. In 2013 is door SRE Milieudienst voor de ontwikkeling van De Bulders de magneetveldzone specifiek berekend. Uit deze berekening volgt dat de magneetveldzone op deze locatie 70 meter bedraagt aan beide zijden van hoogspanningslijn. De dichtstbijzijnde hoogspanningslijn ten opzichte van het plangebied ligt op respectievelijk 65 meter. Het plangebied is hiermee met een kleine strook binnen de rekenafstand van de hoogspanningslijn gelegen. Deze strook is met de dubbelbestemming 'leiding' opgenomen op de plankaart van het TAM-Omgevingsplan. Er zijn geen woningen binnen de magneetveldzone van de hoogspanningslijn voorzien.

Gelet op de bovenstaande toetsing vormen magneetvelden geen belemmering voor het planvoornemen.

Geluid

De bovengrondse delen van de verbinden kunnen geluidseffecten veroorzaken. Er kan sprake zijn van windfluiten en met name bij vochtige weersomstandigheden kan een knetterend geluid optreden door elektrische ontladingen, ook wel coronageluid genoemd.

Het planvoornemen ligt op 200 meter tot de dichtsbijzijnde hoogspanningslijn. Veel woningen liggen dichterbij dan het planvoornemen en de minimale afstand om een nieuwbouwwoning te realiseren ten opzichte van een hoogspanningslijn is 55 meter volgens de richtlijnen van het RIVM. Doordat het planvoornemen op een aanzienlijk grotere afstand ligt dan de richtlijnen die het RIVM stelt, wordt niet geacht dat geluidseffecten hoorbaar zijn op de locatie van het planvoornemen.

4.5.4 Geitenhouderijen
4.5.4.1 Wettelijk kader

Uit onderzoek blijkt dat mensen die wonen in de nabijheid van een geitenhouderij, meer kans hebben op een longontsteking. Totdat er meer duidelijkheid is over de oorzaak van de longontsteking en een integrale aanpak voor handen is, adviseert de GGD het voorzorgsbeginsel toe te passen en terughoudend te zijn met uitbreiding of nieuwvestiging van geitenhouderijen in de buurt van gevoelige functies. Andersom geldt ook dat geadviseerd wordt om terughoudend te zijn met het plaatsen van gevoelige bestemmingen in de buurt van bestaande geitenhouderijen. Dat betekent dat gemeenten wordt geadviseerd om in hun besluitvorming de risico's op longontsteking mee te wegen. Op basis van onderzoeksresultaten is het risico op longontsteking groter naarmate de afstand tot een geitenbedrijf kleiner is. De GGD-richtlijn hanteert daarom een richtafstand van 2 kilometer tussen geitenhouderijen en gevoelige functies.

4.5.4.2 Toetsing

Uit de VGO-onderzoeken volgt dat in de nabijheid van een geitenhouderij (afstand variërend van 1,5 km tot 2 km) sprake is van een verhoogd risico op longontsteking, dat groter wordt naarmate de afstand tot de geitenhouderij kleiner wordt. Waarom iemand longontsteking krijgt is van veel factoren afhankelijk en er is nog te weinig bekend over de rol van geitenhouderijen om uitspraken te kunnen doen over wat de nabijheid van geitenhouderij bij woningen precies betekent. Er zijn voor longontsteking een aantal medische oorzaken en risicofactoren bekend die los staan van de nabijheid van geitenhouderijen. De oorzaken zijn de diverse ziekteverwekkers (virussen en bacteriën) en de risicofactoren zijn onder meer eerdere infecties zoals een verkoudheid, onderliggende ziektes zoals diabetes of hartfalen, roken en het gebruik van alcohol, chronisch zuurstofgebrek en het gebruik van medicijnen die de weerstand onderdrukken. Onderzoekers van het RIVM geven aan dat het onwaarschijnlijk is dat de extra longontstekingen worden veroorzaakt door Q-koorts.

Het onderzoek VGO III geeft risicofactoren voor de afstand in stappen van 500 meter. Deze risicofactoren zijn via drie analysemethoden berekend. De drie groepen risicofactoren kunnen worden gemiddeld, omdat het onderzoek benadrukt dat er geen rangorde tussen de drie analysemethoden zit. De methodes vullen elkaar aan. Zichtbaar is dat er buiten de afstand van 500 meter een sterke daling van het risico optreedt die afvlakt op grotere afstand van een geitenhouderij, zie onderstaande tabel. Dit betekent dat na 500 meter van een geitenhouderij al aanzienlijk minder extra risico bestaat dan daarbinnen. Het is verder niet zo dat er na 2 km geen risico meer bestaat, echter dit is de grootste onderzochte afstand. Windrichting is geen factor in het risico.

afbeelding "i_NL.IMRO.1658.22dBuldersDG4-vs01_0016.png"

Tabel: Gemiddelde regressie van de odds ratio in relatie tot afstand tot een geitenhouderij

Bovenstaande tabel gaat over het gemiddeld risico bij een bepaalde afstand. 1.50 betekent 50% meer risico. 1 betekent geen extra risico op longontsteking.

Omdat uit de onderzoeken blijkt dat tot een afstand variërend van 1,5 tot 2,0 km rond geitenhouderijen een verhoogde kans op longontsteking bestaat hebben Provinciale Staten van Noord-Brabant besloten tot een moratorium op de geitenhouderij, om uitbreiden van dierenverblijven en omschakelen naar geitenhouderij tegen te gaan (zogenaamde 'geitenstop'). Het moratorium is een voorzorgmaatregel en is verwerkt in de Omgevingsverordening Noord-Brabant. De provincie is voornemens dit moratorium te verlengen tot de deelonderzoeken van VGOIII afgerond zijn (eind 2024). Het doel van het geitenmoratorium is te voorkomen dat rond geitenhouderijen de gezondheidslast toeneemt en (nieuwe) knelpunten ontstaan.

Bij ruimtelijke besluiten – moet altijd worden afgewogen of er sprake is van een 'goede ruimtelijke ordening'. Eén van de leidende principes van een goede ruimtelijke ordening is dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat geborgd moet zijn. Gezondheid is hier een belangrijk onderdeel van. Het is uit voorzorg niet gewenst om nieuwe woningen te bouwen binnen 2 km rond geitenhouderijen met meer dan 50 geiten, uit voorzorg om gezondheidsrisico's voor toekomstige bewoners te voorkomen. Dit is de insteek die wordt verwoord in de memo “Verordening ruimte Noord-Brabant en geitenhouderijen”, opgesteld door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid in opdracht van het BPO speerpunt Veehouderij (gepubliceerd op 17 oktober 2017). De memo geeft echter ook aan dat het aan het gemeentebestuur is om bij de besluitvorming over ruimtelijke plannen een belangenafweging te maken.

Het instellen van een bouwstop voor de geitenbedrijf is een proportionele maatregel. Maar een verbod op nieuwbouw van woningen binnen 1,0 tot 2,0 km van een geitenbedrijf kan als niet-proportioneel worden aangemerkt. Als uit nieuwe (deel)onderzoeken zou blijken dat de gezondheidsrisico's groter zijn dan bekend is, zal een sanering van het geitenbedrijf eerder een proportionele maatregel zijn dan de sanering van (bestaande) woningen in de omgeving van het geitenbedrijf zoals woningen in het buitengebied en woningen in de bebouwde kom van Heeze.

Op basis van gegevens van het KRD Noord Brabant is er binnen gemeente Heeze-Leende slechts 1 geitenhouderij aanwezig. Deze geitenhouderij Somerenseweg 39A ligt ten oosten van de kern Heeze aan de rand van bestaand stedelijk gebied, op een afstand van 1,2 km van het plangebied. De geitenhouderij heeft een omgevingsvergunning voor in totaal 1.685 geiten. Verder zijn er geen geitenhouderijen binnen een afstand van 2,0 km van het plangebied gelegen.

Het is niet mogelijk één veilige afstand tot deze geitenhouderij aan te geven. De Gezondheidsraad geeft aan dat hiervoor geen wetenschappelijke onderbouwing is. Zodra de onderzoeken duidelijkheid geven over de oorzaak van de extra gezondheidsrisico's bij geitenhouderijen kunnen specifieke maatregelen worden ingezet om het risico voor omwonenden te doen verminderen. Naar verwachting zijn de onderzoeken pas eind 2024 afgerond.

Q-koorts is een infectieziekte die kan worden overgedragen van dieren op mensen. Q-koorts wordt veroorzaakt door de Coxiella burnetii, verder aangeduid als Q-koorts bacterie. Besmetting ontstaat meestal door inademen van lucht waar de bacterie in zit. Q-koorts is in principe niet overdraagbaar van mens op mens. Op dit moment is het onwaarschijnlijk dat een omwonende Q-koorts vanuit een geitenbedrijf oploopt. Alle geiten op bedrijven met meer dan 50 dieren worden verplicht gevaccineerd tegen Q-koorts en er mogen geen ongevaccineerde dieren worden aangevoerd. Om de aanwezigheid van de Q-koorts bacterie op een bedrijf te monitoren wordt de tankmelk door de Gezondheidsdienst voor Dieren gecontroleerd. Sinds juli 2016 is de Q-koorts bacterie op geen enkel bedrijf in de melk aangetroffen. De Q-koorts bacterie is nog wel in het milieu aanwezig. Herkauwers zijn de belangrijkste gastheren van de Q-koorts bacterie, maar ook andere diersoorten kunnen besmet raken en de bacterie verspreiden. Daardoor kunnen incidentele besmettingen nog wel voorkomen. Dit gegeven staat echter los van geitenhouderijen. Een infectie kan op geitenhouderijen alleen nog uit de omgeving komen en zal in dat geval slechts een of enkele gevaccineerde geiten betreffen. Daarom is het onwaarschijnlijk dat een omwonende vandaag de dag Q-koorts krijgt vanuit een geitenbedrijf.

Het is ook onwaarschijnlijk dat omwonenden door opslag of afvoer van geitenmest worden besmet. Mest uit geitenstallen moet of direct in een afgedekte vrachtwagen naar een erkend composteerbedrijf worden afgevoerd of minstens 30 dagen afgedekt worden opgeslagen. Afdekken zorgt voor een composteringsproces waardoor de temperatuur van de mest zo ver stijgt dat Q-koorts bacteriën die eventueel in de mest zouden zitten het niet overleven.

Besmetting met Q-koorts vanuit een geitenbedrijf is door verplicht vaccineren en andere wettelijke verplichtingen binnen de geitenhouderij onwaarschijnlijk geworden. Geconcludeerd wordt dat het aspect Q-koorts geen (verhoogd) gezondheidsrisico vormt.

Het gemeentebestuur dient de aanvaardbaarheid te beoordelen en een belangenafweging te maken. Door extra woningen toe te staan op 1,2 km van een geitenhouderij neemt het aantal blootgestelden en daarmee het risico op longontstekingen minimaal toe. Verder zijn er geen andere verhoogde gezondheidsrisico's door veehouderijen.

Gelet op de ligging en omvang van plangebied is de verhoging van het risico op longontsteking door de toename van het aantal mensen dat blootgesteld ten gevolge van het woningbouwplan heel klein. Zeker in verhouding met de omvang van de reeds bestaande woonkern Heeze. Er is gezien de ligging van het plangebied en de bestaande woonkern t.o.v. deze geitenhouderij dan ook geen sprake van een omgekeerde werking.

Gelet op bovenstaande vormt het aspect geitenhouderij geen belemmering voor het planvoornemen.

4.5.5 Gewasbeschermingsmiddelen
4.5.5.1 Wettelijk kader

In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bij het mogelijk maken van een nieuwe gevoelige functie in de nabijheid van agrarische functies aandacht gevraagd voor spuitzones in verband met het risico's voor de volksgezondheid vanwege eventuele blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen via drift. Met de term drift wordt de hoeveelheid gewasbeschermingsmiddel bedoeld die bij het spuiten buiten het agrarisch perceel op de grond terecht kan komen en/of op hoogte door de lucht passeert. Vooral bij middelen met een hoge toxiciteit en/of voor kwetsbare groepen, zoals jonge kinderen of ouderen, kan drift risico's voor de gezondheid inhouden.

4.5.5.2 Toetsing

De zuidelijke zijde van het plangebied is op dit moment op basis van het overgangsrecht nog in gebruik als grasland. Dit gebruik wordt ten behoeve van het planvoornemen volledig beëindigd. Ten zuiden van het plangebied zijn op een afstand van meer dan 30 meter eveneens graslanden gelegen, aan de hand van BRP gewaspercelen is inzichtelijk gemaakt wat hier verbouwd wordt. Navolgende figuur laat zien dat de gewaspercelen worden gebruikt voor de productie van maïs.

Er is een mogelijkheid dat deze bouwlanden besproeid worden met gewasbeschermingsmiddelen. In de huidige situatie ligt er al bestaande bebouwing met een woonfunctie ten zuiden van het plangebied, die dichterbij de gewaspercelen staan dan de beoogde woningen. Hier moet in de huidige situatie reeds rekening gehouden worden indien de gewaspercelen bespoten worden. Tevens heeft het plangebied reeds een woonfunctie. Met onderhavig plan wordt uitsluitend invulling gegeven aan de mogelijkheden die de woonfunctie biedt. Hiermee worden geen aanvullende beperkingen aan het mogelijke gebruik van gewasbeschermingsmiddelen opgelegd.

De gewasbeschermingsmiddelen vormen geen belemmering voor het planvoornemen en is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

afbeelding "i_NL.IMRO.1658.22dBuldersDG4-vs01_0017.png"

Figuur: Plangebied t.o.v. bouwland (BRP gewaspercelen)

4.5.6 Positieve gezondheid
4.5.6.1 Wettelijk kader

Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met het belang van het bevorderen van de gezondheid. Gezondheidsbevordering wordt veelal geassocieerd met het verminderen van de druk van de leefomgeving op de gezondheid, bijvoorbeeld door geluid en luchtverontreiniging te beperken.

Bij positieve gezondheid staat een brede kijk op gezondheid centraal: een fysieke leefomgeving die uitnodigt tot gezond gedrag en mensen stimuleert tot meer bewegen, gezonder eten en elkaar ontmoeten, wordt als een leefomgeving met positieve gezondheidseffecten beschouwd.

Een concreet wettelijk kader waarin wordt geduid waaraan een leefomgeving met positieve gezondheidseffecten minimaal aan dient te voldoen ontbreekt. Wel wordt gestimuleerd om de leefomgeving zo in te richten dat positieve gezondheidseffecten worden bevorderd.

De GGD GHOR Nederland heeft in samenwerking met het RIVM-kernwaarden opgesteld die de basis vormen voor de uitwerking en borging van het thema positieve gezondheid in het omgevingsplan. De kernwaarden zijn onderverdeeld in drie categorieën, namelijk: woonomgeving, mobiliteit en gebouwen. Deze zijn nader uitgewerkt in de regels van het omgevingsplan.

Ten behoeve van deze wijziging van het omgevingsplan zijn de relevante bijdragen aan positieve gezondheid geïnventariseerd en is de aanvaardbaarheid van deze wijziging van het omgevingsplan beoordeeld.

4.5.6.2 Toetsing

Met voorliggend plan wordt op verschillende manieren bijgedragen aan positieve gezondheid. Positieve gezondheid richt zich op de veerkracht, het welzijn en de kwaliteit van het leven van mensen.

Met het planvoornemen wordt een woningbouwontwikkeling van 123 woningen gerealiseerd. Hierbij wordt er een inpassing gemaakt in de fysieke (leef)omgeving, waar bijgedragen gaat worden aan:

  • Groene ruimtes: Integratie van parken, tuinen en andere groene ruimtes kan stress verminderen, de luchtkwaliteit verbeteren en mogelijkheden bieden voor fysieke activiteit.
  • Veilige wandel- en fietspaden: De Bulders deelgebied 4 wordt uitsluitend voor ongemotoriseerd verkeer ontsloten op de kern Heeze. Dit moedigt bewoners aan om te wandelen en te fietsen, wat fysieke activiteit bevordert.
  • Speel- en recreatievoorzieningen: Voorzieningen zoals speeltuinen en sportvelden stimuleren fysieke activiteit bij kinderen en volwassenen.

De woningen zullen gerealiseerd worden met duurzame materialen en energie-efficiëntie. Hiermee wordt bedoelt dat er gebruikt wordt gemaakt van milieuvriendelijke bouwmaterialen (zoals hernieuwbare) en energie-efficiënte oplossingen die bijdragen aan een gezondere leefomgeving en duurzaamheid. De openbare ruimte zal door de indeling uitnodigen tot bewegen en ontmoeten. Het plan draagt bij aan een positieve gezondheid.

4.5.7 Luchtkwaliteit
4.5.7.1 Wettelijk kader

In het besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is aangegeven in welke gevallen een beoordeling van de luchtkwaliteit noodzakelijk is (paragraaf 5.1.4). Of een beoordeling nodig is hangt af van de activiteit, de locatie en het effect van de activiteit en de mate van het effect. Voor de toetsing van het omgevingsplan moet daarom inzichtelijk worden gemaakt welke ontwikkelingen en activiteiten met het planvoornemen worden gefaciliteerd. Daarna kan worden bepaald of een beoordeling vereist is.

Aandachtsgebieden 

In het Bkl staan aandachtsgebieden voor stikstofdioxide en fijnstof vermeld (paragraaf 5.1.4, artikel 5.51 in het Bkl). Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Wanneer de activiteiten binnen deze gebieden voor een verhoging van de concentratie veroorzaken, geldt een beoordelingsplicht. Het kan ook voorkomen dat de activiteit zich niet in het aandachtsgebied bevindt, maar daar wel voor een verhoogde concentratie zorgt. De beoordelingsplicht is alleen van toepassing als het gaat om milieubelastende activiteiten waarover in het Besluit activiteiten leefomgeving regels zijn gesteld met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht of wanneer het de aanleg of wijzigingen van wegen, spoorwegen of vaarwegen betreft.

Beoordeling 

Aandachtsgebieden NO2 en PM10

De aandachtsgebieden (voor zowel NO2 als PM10) zijn de volgende agglomeraties en gemeenten:

  • Amsterdam/Haarlem (15 gemeenten: Aalsmeer, Amstelveen, Amsterdam, Beverwijk, Bloemendaal, Diemen, Haarlem, Haarlemmermeer, Heemskerk, Heemstede, Ouder-Amstel, Uithoorn, Velsen, Zaanstad en Zandvoort)
  • Den Haag/Leiden (12 gemeenten: Delft, Den Haag, Katwijk, Leiden, Leiderdorp, Leidschendam-Voorburg, Midden-Delfland, Oegstgeest, Rijswijk, Voorschoten, Wassenaar en Westland)
  • Rotterdam/Dordrecht (15 gemeenten: Albrandswaard, Barendrecht, Capelle aan de IJssel, Dordrecht, Hendrik-Ido-Ambacht, Maassluis, Nissewaard, Papendrecht, Ridderkerk, Rotterdam, Schiedam, Sliedrecht, Vlaardingen, Zuidplas en Zwijndrecht)
  • Utrecht (4 gemeenten: Houten, Nieuwegein, Utrecht en IJsselstein)
  • Eindhoven (6 gemeenten: Best, Eindhoven, Geldrop-Mierlo, Helmond, Nuenen, Gerwen en Nederwetten en Veldhoven)
  • Gemeente Arnhem
  • Gemeente Etten-Leur

Dit staat in artikel 5.51, lid 2 van het Bkl. De gemeenten die onder deze agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 van de Omgevingsregeling. De agglomeratie Heerlen/Kerkrade staat wel in artikel 2.38, maar is geen aandachtsgebied voor zowel NO2 als PM10.

Aandachtsgebieden uitsluitend voor PM10

In een aantal gemeenten is de fijnstofconcentraties relatief hoog door veehouderijen. Dit zijn volgens het Bkl de aandachtsgebieden fijnstof (artikel 5.51, lid 3). Het zijn de volgende 8 gemeenten:

  • Asten
  • Barneveld
  • Bernheze
  • Ede
  • Leudal
  • Nederweert
  • Scherpenzeel
  • Venray

De aandachtsgebieden PM10 worden elke drie jaar geëvalueerd en zo nodig aangepast naar de actuele inzichten over de luchtkwaliteit. Het plangebied is niet gelegen binnen een aandachtsgebied.

Voor enkele activiteiten moet de overheid de luchtkwaliteit altijd beoordelen (artikel 5.50 Bkl). Dus binnen én buiten de aandachtsgebieden. Het gaat om de volgende situaties:

  • bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit.
  • bij het toelaten in omgevingsplan:
    • 1. de aanleg van een wegtunnel langer dan 100 meter
    • 2. een wijziging van een wegtunnel daarbij de lengte met minimaal 100 meter toeneemt
    • 3. de aanleg van een autoweg of een autosnelweg

Voorliggende wijziging van het Omgevingsplan maakt geen van deze activiteiten mogelijk.

Niet in betekende mate (NIBM)

Tenslotte is de mate van de verhoogde concentratie van belang. Toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit (stikstofdioxide en PM10) is niet nodig als een project of activiteit maar weinig bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Dit wordt ook 'niet in betekende mate' (NIBM) genoemd. Er is sprake van NIBM wanneer de concentratie stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentratie. Of een activiteit zorgt voor een concentratieverhoging van NIBM wordt bepaald met de NIBM-toets.

Daarnaast zijn er een aantal categorieën bepaalt voor standaardgevallen waarbij NIBM kan worden aangenomen. Deze standaardgevallen betreffen onder andere kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Deze zijn terug te vinden in artikel 5.54 van het Bkl.

Woonwijken zijn NIBM als het gaat om maximaal:

  • 1.500 woningen bij 1 ontsluitingsweg
  • 3.000 woningen bij 2 of meer ontsluitingswegen

De NIBM-regeling geldt niet voor veehouderijen gelegen in de gemeenten Asten, Barneveld, Deurne, Ede, Nederweert, Renswoude en Scherpenzeel die jaarlijks meer dan 800 kg PM10 uitstoten. In deze gebieden is de fijnstofconcentratie (PM10) hoog, waardoor uitbreiding van de veehouderijen kan leiden tot een overschrijding van de rijksomgevingswaarde. Bij onderhavig plan is dat niet aan de orde en is de NIBM-regeling wel van toepassing.

Voorliggend plan voorziet in de bouw van maximaal 123 woningen. Het plan is in te delen in de categorie maximaal 1.500 woningen bij 1 ontsluitingsweg en is hierdoor aan te merken als NIBM.

4.5.7.2 Toetsing t.a.v. veehouderijen

In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is ter volledigheid gekeken naar de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (zowel PM10 als PM2,5) ter plaatse van de voorgenomen ontwikkeling. Om een goed beeld te krijgen van deze concentraties is gebruik gemaakt van de resultaten uit kaarten van de Atlas Leefomgeving, een initiatief van de Rijksoverheid. De Atlas Leefomgeving biedt informatie over de kwaliteit van de Nederlandse leefomgeving. Om de huidige stikstofdioxide en fijnstof concentraties in beeld te brengen zijn luchtkwaliteitskaarten beschikbaar die in de navolgende figuren weergeven zijn.

afbeelding "i_NL.IMRO.1658.22dBuldersDG4-vs01_0018.png"

Figuur: Uitsnede kaart actuele stikstofdioxide concentratie (Atlas Leefomgeving)

afbeelding "i_NL.IMRO.1658.22dBuldersDG4-vs01_0019.png"

Figuur: Uitsnede kaart actuele fijnstof PM10 concentratie (Atlas Leefomgeving)

afbeelding "i_NL.IMRO.1658.22dBuldersDG4-vs01_0020.png"

Figuur: Uitsnede kaart actuele fijnstof PM2,5 concentratie (Atlas Leefomgeving)

Uit bovenstaande kaarten blijkt dat de jaargemiddelde grenswaarden voor NO2, PM10 en PM2,5 ter plaatse van de locatie overschreden worden.

Voor stikstof (NO2) geldt dat de concentratie met (12-14) boven de WHO advieswaarde ligt, maar dat deze nog steeds ruim aan de gestelde Europese-norm van maximaal 40 µg/m³ NO2 voldoet en hierom geen belemmering vormt voor het planvoornemen.

Voor fijnstof PM10 geldt dat de concentratie met (15-16) boven de WHO advieswaarde ligt, maar dat deze nog steeds ruim aan de gestelde Europese-norm van maximaal 40 µg/m³ PM10 voldoet en hierom geen belemmering vormt voor het planvoornemen.

Voor fijnstof PM2,5 geldt dat de concentratie met (9-10) boven de WHO advieswaarde ligt, maar dat deze nog steeds ruim aan de gestelde Europese-norm van maximaal 25 µg/m³ PM2,5 voldoet en hierom geen belemmering vormt voor het planvoornemen.

4.5.8 Conclusie

Gelet op de bovenstaande toetsing vormt de luchtkwaliteit geen negatieve gevolgen voor het planvoornemen en is er een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.5.9 Conclusie gezondheid

Met het planvoornemen zijn geen belemmeringen volgend uit endotoxinen, hoogspanningsverbindingen, geitenhouderijen, gewasbeschermingsmiddelen en luchtkwaliteit te verwachten. Het planvoornemen voorziet hiermee in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en draagt hierdoor bij aan een positieve ontwikkeling van de fysieke leefomgeving.

4.6 Bodemkwaliteit

4.6.1 Wettelijk kader

Het aspect bodem(kwaliteit) maakt integraal onderdeel uit van de fysieke leefomgeving. Steeds dient te worden gezocht naar de juiste balans tussen enerzijds het beschermen van de gezondheid en het milieu en anderzijds het benutten van de bodem ten behoeve van maatschappelijke activiteiten. Bij het wijzigen van het omgevingsplan dient te worden aangetoond dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2, eerste lid, Omgevingswet) en uitvoering is gegeven aan de instructieregels vanuit het Rijk (paragraaf 5.1.4.5 Bkl) en de provincie.

Als uitgangspunt geldt dat onaanvaardbare risico's voor de gezondheid van de mens vanwege het gebruik van de bodem dienen te worden voorkomen (artikel 2.28, lid 1 Omgevingswet). In dit kader is het van belang om na te gaan wat de kwaliteit van de bodem binnen het plangebied is en of dit nog aanvaardbaar c.q. toelaatbaar wordt geacht voor de beoogde functietoedeling. Bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie moet de kwaliteit van de bodem ten minste voldoen aan daarvoor gestelde interventiewaarden (bijlage IIA Bal). De gemeente kan echter in haar omgevingsplan ook afwijkende lokale waarden vastleggen, voor zover de maximale grenswaarden als bedoeld in artikel 5.89j, tweede lid, van het Bkl niet worden overschreden.

Voorliggend plan voorziet in de realisatie van 123 woningen. Een woning betreft een bodemgevoelig gebouw (Artikel 5.89 lid h Bkl). Om aan te tonen dat met het planvoornemen sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is een verkennend bodemonderzoek (Aelmans, rapportnummer AMA240097.004/WGE, d.d. 18 juni 2024, Bijlage 4) uitgevoerd. De resultaten hiervan worden hieronder toegelicht.

4.6.2 Verkennend bodemonderzoek
4.6.2.1 Grond en grondwater (incl. PFAS)

Op basis van het vooronderzoek kan de hypothese worden gesteld dat de bovengrond van de onderzoekslocatie diffuus belast is met cadmium (verhoogde achtergrondwaarde). De ondergrond is niet verontreinigd met één van de componenten uit het standaardpakket. Bekend is dat in het grondwater regionaal verhoogde gehalten aan zware metalen (met namelijk cadmium, zink en nikkel) aanwezig kunnen zijn, welke de signaleringsparameters (gelijk aan voormalige interventiewaarde) kunnen overschrijden.

Derhalve kan de onderzoekslocatie als niet verdacht met betrekking tot de aanwezigheid van bodemverontreiniging worden beschouwd. Aangezien in 2015 nog is vastgesteld dat de bovengrond maximaal diffuus belast is, er in de ondergrond en het grondwater geen sprake was van significante verhogingen en sinds het voorgaand onderzoek het bodemgebruik ongewijzigd is is beoordeeld dat volstaan kan worden met een actualisatie van de kwaliteit van de bovengrond. Op basis van de historische informatie is er geen sprake van een bronlocatie of calamiteiten en is er vooralsnog geen aanleiding om een overschrijding van de normen voor PFAS te verwachten.

4.6.2.2 Asbest

Op basis van de bekende gegevens wordt geconcludeerd dat de locatie als onverdacht op asbest kan worden beschouwd.

4.6.2.3 Bovengrond

De bovengrond is licht verontreinigd met zink en/of cadmium. Deze verhogingen komen overeen met de resultaten van voorgaande onderzoeken en kunnen worden beschouwd als diffuus verhoogde gehaltes.

Resumerend kan het volgende gesteld worden:

  • Ons inziens behoeven er op basis van onderzoeksresultaten geen restricties gesteld te worden geplande herontwikkeling van de onderzochte locatie.
  • Over het algemeen is de bovengrond diffuus verontreinigd met zink en/of cadmium.
  • Eerder is al vastgesteld dat de ondergrond niet verontreinigd is en dat in het grondwater sprake is van diffuus verhoogde gehaltes aan zware metalen, welke de huidige signaleringsparameters (normen) niet overschrijden.

Dit bodemonderzoek is gebaseerd op een steekproefregime. Eventueel aanwezige andere dan voornoemde bronnen van verontreiniging kunnen derhalve niet worden uitgesloten.

4.6.3 Conclusie bodemkwaliteit

Gelet op de bovenstaande vormt de bodemkwaliteit geen belemmering voor het planvoornemen en is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.7 Water

Voor voorliggend plan is een waterplan (Pouderoyen Tonnaer, rapportnummer POU240029.002.004.R1/ASA, d.d. 11 november 2024, Bijlage 5) opgesteld. De bevindingen hiervan zijn hieronder weergegeven.

In de Omgevingswet (in werking getreden op 1 januari 2024) is opgenomen dat een bestuursorgaan (gemeente, provincie en/of Rijk) bevoegd is besluiten te nemen omtrent een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Daarmee gemoeid zijn onder andere ook het waarborgen van de veiligheid en specifieke taken in het kader van water, waaronder het veiligstellen van drinkwatervoorziening, het beheer van watersystemen. In de Omgevingswet is opgenomen dat bij een plan een weging van het waterbelang moet plaatsvinden. Het begrip 'weging van het waterbelang' houdt voor de relatie tussen water en ruimte in dat de gemeente bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening moet houden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. De gemeente moet daarom de opvattingen van de waterbeheerder betrekken bij het inschatten van de gevolgen voor het watersysteem. De gemeente is verplicht om deze waterbelangen mee te nemen in de regels die zij in het omgevingsplan voor de fysieke leefomgeving opneemt. Dit is een instructieregel van het Rijk en is opgenomen in artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).

4.7.1 Beleid

Omgevingswet en Weging van het waterbelang

In de Omgevingswet (in werking getreden op 1 januari 2024) is opgenomen dat een bestuursorgaan (gemeente, provincie en/of Rijk) bevoegd is besluiten te nemen omtrent een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Daarmee gemoeid zijn onder andere ook het waarborgen van de veiligheid en specifieke taken in het kader van water, waaronder het veiligstellen van drinkwatervoorziening, het beheer van watersystemen.

In de Omgevingswet is opgenomen dat bij een plan een weging van het waterbelang moet plaatsvinden. Het begrip 'weging van het waterbelang' houdt voor de relatie tussen water en ruimte in dat de gemeente bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening moet houden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. De gemeente moet daarom de opvattingen van de waterbeheerder betrekken bij het inschatten van de gevolgen voor het watersysteem. De gemeente is verplicht om deze waterbelangen mee te nemen in de regels die zij in het omgevingsplan voor de fysieke leefomgeving opneemt. Dit is een instructieregel van het Rijk en is opgenomen in artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).

Voor een aantal specifieke rijksbelangen (bescherming van primaire waterkeringen; behoud waterveiligheid kust; behoud waterveiligheid grote rivieren; IJsselmeergebied) stelt het Bkl aanvullende instructieregels. Deze zijn echter niet aan de orde voor voorliggend project. De gemeente moet de opvattingen van de waterbeheerder betrekken bij het omgevingsplan. Dit geldt in het algemeen voor alle waterbelangen. Voorbeelden zijn watercompensatie in verband met toenemende verharding en/of bebouwing niet wenselijk in verband met waterwinning. Er gelden geen regels voor hoe de gemeente de waterbeheerder hierbij betrekt. De gemeente is vrij om hier zelf invulling aan te geven.

Waterschapsverordening Waterschap De Dommel 2024

De 'Waterschapsverordening Waterschap De Dommel 2024' is vastgesteld op 29 november 2023 en in werking getreden op 1 januari 2024. In de waterschapsverordening staan de regels voor bewoners en bedrijven die activiteiten doen bij beken, sloten en gemalen. De waterschapsverordening vervangt de Keur.

In de waterschapsverordening wordt met algemene regels gewerkt. Voorheen werden de vergunningplichten, meldplichten etc. geheel in de keur geregeld. Naast de keur golden alleen nog aparte algemene voorschriften voor grondwateronttrekkingen krachtens de keur, en beleidsregels voor de vergunningverlening. In de nieuwe situatie stelt de waterschapsverordening alleen nog het meest noodzakelijke vergunningplichtig. De algemene voorschriften zijn al een tijdje vervallen omdat ondertussen landelijke regelgeving daarvoor in de plaats gekomen is. Het doel van het werken met algemene regels is om de regels voor burgers en bedrijven te vereenvoudigen. Voor een aantal activiteiten waar voorheen nog een vergunning nodig was, geldt daarom nu een algemene regel waarin de meest noodzakelijke voorwaarden opgenomen zijn.

Op basis van de Waterschapsverordening ligt de locatie binnen de aanduidingen 'attentiegebied, invloedsgebied Natura 2000 of beperkt invloedsgebied Natura 2000' en 'buiten beschermd gebied, attentiegebied en beekdal'. Op basis van deze aanduidingen zijn eisen gesteld aan het beregenen van grasland. Daarvan is in voorliggend project geen sprake.

Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater

De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn geformuleerd in de 'Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen'.

Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 500 m², toename van een verhard oppervlak tussen de 500 m² en 10.000 m² en projecten met een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m². Bij een toename van verhardingen dient het plan te voorzien in compenserende maatregelen. Het plan moet voorzien in een minimale compensatie conform de rekenregel:

Benodigde compensatie (in m³) = Toename verhard oppervlak (in m²) * Gevoeligheidsfactor * 0,06 (in m)

Wanneer sprake is van een verhardingstoename van meer dan 10.000 m², is schriftelijke toestemming van het waterschap noodzakelijk.

Plan Stedelijk Water 2023-2027

De gemeenteraad heeft het Plan Stedelijk Water 2023-2027 op 6 februari 2023 vastgesteld. Het plan geeft invulling aan de verplichting vanuit de Wet Milieubeheer (artikel 4.22) om riool- en watertaken vast te leggen. Het Plan Stedelijk Water (PSW) is een beleidsplan/uitvoeringsplan dat op hoofdlijnen de invulling van de gemeentelijke watertaken/zorgplichten weergeeft.

De gemeente heeft drie zorgplichten t.a.v. stedelijk waterbeheer:

  • Inzamelen en transporteren van stedelijk afvalwater naar een zuiveringstechnisch werk (Wm art. 10.33);
  • Doelmatige inzameling en verwerking van hemelwater dat perceelseigenaren redelijkerwijs niet zelf kunnen verwerken. Eventueel kan de gemeente hiervoor maatwerkvoorschriften of een gebiedsverordening instellen (Ww art. 3.5);
  • Treffen van maatregelen om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Voorwaarde hierbij is dat de maatregelen doelmatig zijn en niet tot de zorg van het waterschap/provincie behoren. De gemeente dient het loket te zijn voor grondwatervraagstukken binnen haar beheersgebied (Ww art. 3.6).

Gemeente, waterschap en perceeleigenaar hebben een gedeelde verantwoordelijkheid voor het hemelwater. Bij de verwerking van hemelwater volgt de gemeente de trits 'vasthouden-bergen-afvoeren'. Het heeft de voorkeur om water vast te houden in het gebied waar het is gevallen, en daar te infiltreren naar het grondwater. Daar waar dit niet kan, wordt regenwater bij voorkeur in waterpartijen of bovengronds geborgen.

Het uitgangspunt is dat de wateropgave binnen het plangebied wordt gerealiseerd. De berging/retentievoorziening moet aan de volgende eisen voldoen:

  • a. De bodem van de voorziening ligt boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG);
  • b. De afvoer uit de voorziening vindt plaats via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het hemelwaterriool of oppervlaktewater. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van 4 cm te hebben;
  • c. Er moet altijd een overloopconstructie zijn voor de afvoer van het overtollige hemelwater.

Bij een toename van het verharde oppervlak van meer dan 10.000 m² dient de wijze van hemelwaterverwerking dient in een waterhuishoudkundig plan te worden onderbouwd. De richtlijnen voor dit plan zijn omschreven in de Hydrologische uitgangspunten van het waterschap (zie paragraaf 3.3.3). Voor de eventuele afvoer naar oppervlaktewater is een Watervergunning vereist.

Bij grote gebiedsontwikkelingen bekijken gemeente en waterschap samen met de initiatiefnemer of er kansen zijn om gelijktijdig met de invulling van de wateropgave de kwaliteit en/of belevingswaarde van de leefomgeving te vergroten. Bijvoorbeeld door vergroening, verdrogingsbestrijding en recreatie. Afspraken over de invulling van de wateropgave bij nieuwe ontwikkelingen worden vastgelegd in de waterparagraaf of omgevingsvergunning.

4.7.2 Huidige waterhuishoudkundige situatie

Gegevens over het maaiveld zijn raadpleegbaar via het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN). Uit deze gegevens blijkt dat het maaiveld varieert van 22,9 m +NAP in het westen van het plangebied tot 22,0 m +NAP in het oosten. Het maaiveld is daarmee redelijk vlak en loopt lichtjes af richting de aldaar gelegen sloot.

Het dorp Heeze is ontstaan nabij de beek Groote Aa. Deze beek stroomt ongeveer 300 meter oostelijk van het plangebied. Op basis van de geomorfologische kaart ligt het plangebied grotendeels op een glooiing van een beekdalzijde en zijn een aantal dalvormige laagtes te herkennen. Via deze laagtes zijn van nature smalle watergangen die afwateren op de Groote Aa.

In het document 'Variantenstudie ontwikkeling De Bulders, Heeze (opgesteld door Aeres Milieu, d.d. 19 oktober 2015) wordt een eerste indicatie aangegeven over de grondwaterstanden in onderhavig deelgebied. In het document wordt geconcludeerd dat de grondwaterstand binnen het plangebied sterk varieert. De huidige ontwateringsdiepte (verschil tussen maaiveldhoogte en GHG) is 0,2 – 1,0 meter. Concluderend wordt voor de gemiddelde hoogste grondwaterstand 22,2 m +NAP aangehouden.

Ten behoeve van de 'Integrale notitie waterhuishouding en rioleringsontwerp 'De Bulders' Deelgebied 2' (opgesteld door Sweco, d.d. 23 juli 2021), zijn aanvullende metingen verricht om de GHG te bepalen. In deze notitie werd de GHG vastgesteld op +22,35 m (0,50 m -mv) aan de westzijde en NAP +22,20 m (0,10 m -mv) aan de oostzijde van het deelgebied.

In en om het plangebied liggen een aantal watergangen die een beschermde status hebben vanuit het waterschap. Uit de raadpleging van de legger blijkt dat het plangebied ligt aan een A-watergang, parallel aan de Randweg/Buldersweg. De huidige kavelsloten binnen het plangebied hebben op basis van de legger géén beschermde status.

Ten behoeve van de eerder uitgevoerde infiltratieonderzoeken is binnen voorliggend deelgebied de waterdoorlatendheid gemeten. Op basis van de proeven in meerdere boorpunten is een doorlatendheid gemeten tussen de 0,3 tot 0,5 m/dag. Echter, door de aanwezige leem- en veenlagen in de bodem is sprake van een hoge grondwaterstand. Het aanleggen van ondergrondse infiltratievoorzieningen wordt daarom niet geadviseerd.

4.7.3 Opzet toekomstige waterhuishouding

Op basis van het principe van hydrologisch neutraal ontwikkelen dient te worden voorkomen dat door bebouwing en verharding een versnelde waterafvoer plaatsvindt. Gemeente, waterschap en perceeleigenaar hebben een gedeelde verantwoordelijkheid voor het hemelwater. Bij de verwerking van hemelwater volgt de gemeente de trits 'vasthouden-bergen-afvoeren'. Het heeft de voorkeur om water vast te houden in het gebied waar het is gevallen, en daar te infiltreren naar het grondwater. In het kader van vasthouden van regenwater op de plek waar het is gevallen, worden platte daken vergroend, waardoor regenwater vertraagt wordt afgevoerd. Daar waar dit niet kan, wordt regenwater bij voorkeur in waterpartijen of bovengronds geborgen.

Benodigde watercompensatie

Al het regenwater dat valt op nieuwe verhardingen dient te worden opgevangen en geïnfiltreerd of vertraagd te worden afgevoerd.

Door het realiseren van woningen, toegangswegen en overige verhardingen neemt het oppervlak verhard toe. Op basis van het inrichtingsplan is de oppervlakte van de verhardingen bepaald. Gezien het type woningen en de verdichting van de woningen, is uitgegaan dat 85% van het perceel wordt verhard door de hoofdbouw, aanbouwen, oprit en overige (tuin)verhardingen.

Verder wordt in de regels van het TAM-omgevingsplan de verplichting opgenomen dat platte daken worden vergroend (bijvoorbeeld sedum) met een minimale waterberging van 30 mm per m². Dit zorgt voor een positief effect op de benodigde watercompensatie.

Conform de rekenregel uit de Beleidsregel dient de toename aan verharding gecompenseerd te worden door 600 m³ waterberging per hectare verharding. Dit komt overeen met 60 mm neerslag. De benodigde berging voor de compensatie is berekend in de navolgende tabel.

afbeelding "i_NL.IMRO.1658.22dBuldersDG4-vs01_0021.png"

Tabel: Functies en verhard oppervlak i.r.t. benodigde hemelwaterberging (op basis van het stedenbouwkundig plan)

De totale wateropgave binnen het plangebied van het omgevingsplan 'De Bulders Deelgebied 4' is te berekenen via onderstaande formule:

Benodigde compensatie (in m3) = Toename verhard oppervlak (in m2) * 0,06 (in m)

Benodigde compensatie (in m3) = 21.525 m2 * 0,06 (in m) = 1.292 m³

Binnen het plangebied moet in totaal 1.292 m³ aan hemelwater worden geborgen.

Realisatie waterbergingsvoorzieningen

Het hemelwater van de nieuw te realiseren bebouwing en verhardingen wordt binnen het plangebied gebufferd, alwaar het kan infiltreren in de bodem of vertraagd wordt afgevoerd op het oppervlaktewater. Uit de berekening volgt dat de hemelwaterberging een capaciteit dient te hebben van 1.292 m3. Het plangebied maakt onderdeel uit van het bestaande woongebied Bulders. Het woningbouwplan wijkt echter af van het maximaal aantal woningen voor woninggebied Bulders en tevens wijkt het voorziene gebouw met zorgappartementen af van de bouwregels. Binnen het woongebied 'De Bulders' zijn oorspronkelijk 350 woningen gepland. Op basis van de plannen met 350 woningen is de 'Integrale notitie waterhuishouding en rioleringsontwerp 'De Bulders' Deelgebied 2' de wateropgave berekend. In totaal was in dit plan op basis van de verharding een totale berging benodigd van 4.332 m³. Voor het gehele gebied was in dit plan sprake van voldoende capaciteit. De totale capaciteit van de voorzieningen in dit plan was 4.523 m³, waardoor een 'overcapaciteit' van 191 m³ is ontstaan.

In de nieuwe plannen is het totaal aantal woningen toegenomen tot 467. Door de gestegen bouwkosten is besloten om meer woningen op kleinere kavels te realiseren, waardoor in totaal het uitgeefbare oppervlakte aan woonkavels afneemt. De afname bedraagt 1.407 m² (van 16.810 m² naar 15.403 m²).

Geadviseerd wordt om bij de uitgeefbare kavels een verhardingspercentage van 85% aan te houden, waardoor de verwachte verharding afneemt met 1.196 m² (85% van 1.407 m²). Deze locaties zijn deels ingevuld met parkeerplaatsen en groen. Wel is de verharding van de openbare ruimte toegenomen met 935 m².

Concreet is daarmee sprake van een afname van 261 m² aan verharding ten opzichte van het eerder vastgestelde bestemmingsplan 'De Bulders'.

afbeelding "i_NL.IMRO.1658.22dBuldersDG4-vs01_0022.png"

Tabel: Verschil in verhard oppervlak oud en nieuw stedenbouwkundig plan binnen deelgebied 4

Op basis van bovengenoemde gegevens neemt de wateropgave binnen het plangebied af. Doordat sprake was van een overcapaciteit 191 m³ in de bestaande plannen, kan het hemelwater vallend binnen het deelgebied 4 worden geborgen binnen de bestaande voorzieningen.

Hemelwater vallend binnen het deelgebied 4 wordt afgekoppeld op een hemelwaterstelsel en afgevoerd naar de bergingsvoorziening aan de westzijde van het plangebied. Deze berging heeft een capaciteit van 3.301 m³. De bodemhoogte van deze berging is gelijk met de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) op 21,40 m +NAP. De overstorthoogte ligt op 22,65 m +NAP. Bij de knijpstuw bij de Bulderseweg wordt de afvoer geknepen. Deze stuw heeft een overstorthoogte van NAP +22,25 m. De vertraagde afvoer vindt plaats met 2 l/sec/ha, met een b.o.b. van NAP + 21,40 m.

Op basis van bovenstaande gegevens wordt aangetoond dat in de bestaande voorzieningen voldoende capaciteit beschikbaar.

Waterkwaliteit hemelwater

De gemeente streeft naar een goede waterkwaliteit, die voldoet aan de gestelde eisen. Van belang is dat zo min mogelijk vervuilende stoffen worden toegevoegd aan het grond- en oppervlaktewatersysteem. Alleen schoon hemelwater wordt afgevoerd naar de waterbergingsvoorziening(en). Om de kwaliteit van het hemelwater te garanderen, dienen onderdelen welke met regenwater in aanraking kunnen komen, te worden vervaardigd of te bestaan uit niet-uitloogbare bouwmaterialen zoals kunststoffen, gecoat staal of aluminium (in plaats van zink, lood of asfalt et cetera). Door het gebruik van niet-uitlogende materialen komen geen verhoogde concentraties verontreinigende stoffen (DuBo-maatregelen) voor in het te infiltreren water. Infiltratie van afgekoppelde verhardingen zoals opritten, parkeerplaatsen en terrassen mag niet verontreinigd zijn met chemische bestrijdingsmiddelen, olie, agressieve reinigingsmiddelen of andere verontreinigende stoffen.

Vuil water

Transport van schoon hemelwater via de riolering moet worden vermeden. Het vuilwater wordt gescheiden afgevoerd via het vuilwaterrioolsysteem binnen onderhavig plangebied.

Het TAM-IMRO-plan voorziet in het mogelijk maken van de nieuwe woningen. Bij de concrete uitwerking van de plannen op basis van de aanleg en de daarbij behorende aanvraag omgevingsvergunning, wordt een civieltechnische uitwerking gemaakt van de aan te leggen DWA-riolering en de aansluiting op het bestaande DWA-riool.

Oppervlaktewater

Ten behoeve van de eerdere procedures is een watervergunning verleend voor het deels dempen en verleggen van de A-watergang ter plekke (kenmerk 053929158, verleend op 25 februari 2022). In voorliggend plan worden geen wijzigingen doorgevoerd in deze plannen, waardoor geen sprake is van het aanpassen van de (vergunde) watergangen.

Grondwater

Voor het opstellen van de plannen en het bepalen van het bouwpeil en het wegpeil zijn in eerdere onderzoeken grondwaterstandswaarnemingen uitgevoerd.

Uitgangspunt voor bepaling van het minimaal vereiste wegpeil is de bovenvermelde ontwateringsnorm: GHG tenminste 0,70 m beneden de kruin van de weg. Voor de inschatting van de GHG en (op basis daarvan) de bepaling van het toekomstige wegpeil is gebruik gemaakt van de beschikbare grondwaterstandswaarnemingen tot eind januari 2018.

Uit de beschikbare reeksen grondwaterstandswaarnemingen is een GHG-niveau geschat van NAP +22,10 m in het oosten van het plangebied, oplopend naar NAP+22,35 m in het westen van het plangebied. Op basis van deze geschatte GHG's wordt voorgesteld om 2 een wegpeil (kruin weg) aan te houden van NAP +22,80 m in het oosten van het plangebied, oplopend naar NAP +23,05 m in het westen van het plangebied. Met dit wegpeil wordt voldaan aan de minimaal vereiste ontwateringsdiepte (ten opzichte van de bestaande GHG) van 70 cm. Bovendien sluit dit wegpeil goed aan bij de peilen van de omliggende wegen waarop moet worden aangesloten.

4.7.4 Conclusie water

Het aspect water vormt geen belemmering voor het voorgenomen initiatief tot realisatie van de nieuwe woonwijk De Bulders Deelgebied 4.

4.8 Omgevingsveiligheid

4.8.1 Wettelijk kader

Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met risico's van branden, rampen en crises (paragraaf 5.1.2 Bkl). We willen in Nederland gezond en veilig leven, maar ook ruimte voor economische groei behouden. Net als geluid, bodemkwaliteit, geur en tal van andere aspecten speelt daarbij ook omgevingsveiligheid een rol. Bij omgevingsveiligheid gaat het om de risico's van het gebruik en transport van gevaarlijke stoffen over weg, spoor, water of via buisleidingen, de veiligheid van bedrijven en de veiligheid van nieuwe, zich snel ontwikkelende technologieën. Daarbij gaat het om de “feitelijke” risico's (met soms grote onzekerheden), maar ook om hoe risico's worden ervaren.

Ten behoeve van deze wijziging van het omgevingsplan zijn de relevante risico's geïnventariseerd en is de aanvaardbaarheid van deze wijziging van het omgevingsplan beoordeeld. De resultaten daarvan worden hierna beschreven. Daarbij wordt ook aangegeven op welke wijze rekening is gehouden met het voorkomen en bestrijden van branden, rampen en crisis, het beperken en vertragen van de gevolgen van incidenten, de mogelijkheden van personen om zich in veiligheid te brengen in geval van een incident en de gevolgen voor de (continuïteit) van de geneeskundige hulpverlening.

Plaatsgebonden risicocontour

Het plaatsgebonden risico betreft de kans per jaar dat iemand, die continu en onbeschermd op een plek verblijft, overlijdt als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen. Daarvoor geldt (nog steeds) een grenswaarde van 10-6, ofwel een kans van maximaal 1 op één miljoen. Deze grenswaarde dient volgens het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) in het omgevingsplan in acht te worden genomen voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties. Voor beperkt kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare locaties geldt dat slechts rekening moet worden gehouden met de grenswaarde.

Brand-, gifwolk- en explosieaandachtsgebied: Groepsrisico

Binnen deze aandachtsgebieden moet rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied. Dit staat in het eerste lid van artikel 5.15 van het Bkl. De contour van een gifwolkaandachtsgebied bedraagt ten hoogste 1,5 kilometer conform artikel 5.12, lid 4 van het Bkl.

4.8.2 Toetsing

Het planvoornemen voorziet in het mogelijk maken van 123 woningen binnen het plangebied.

Bij risicovolle activiteiten uit het Bal wijst het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) aandachtsgebieden aan. Gemeente moet in die gebieden rekening houden met risico van brand, explosies of gifwolken. Op basis van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is een woonfunctie een kwetsbaar gebouw. Binnen het plangebied wordt tevens een zorgcomplex mogelijk gemaakt. Hierbij is geen sprake van 24-uurs zorg. Het zorgcomplex betreft een kwetsbaar gebouw.

Op een afstand van circa 300 meter ten noordoosten van het plangebied ligt een treinspoor waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaats vindt. De planlocatie is buiten het bijbehorende brand- en explosieaandachtsgebied gelegen. Het plangebied is tevens buiten de PR 10-7 en PR 10-8 van het treinspoor gelegen.

De Rijksweg A2 ligt op een afstand van circa 2,9 km ten westen van het plangebied. Hiermee ligt het plangebied buiten het gifwolkaandachtsgebied van de Rijksweg A2.

In de directe omgeving van het plangebied vindt geen overig vervoer van gevaarlijke stoffen via wateren, spoorwegen of buisleidingen plaats.

In de omgeving van het plangebied zijn nog een aantal MBA's (opslagtanks propaan/propeen) met bijbehorend brand- en explosieaandachtsgebied gelegen. Gezien de afstand tot het plangebied vormen deze inrichtingen geen belemmering voor het planvoornemen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1658.22dBuldersDG4-vs01_0023.png" Figuur: Uitsnede kaart "veilige leefomgeving" met ligging plangebied

4.8.3 Conclusie externe veiligheid

Gelet op bovenstaande vormt het aspect omgevingsveiligheid geen belemmering voor het planvoornemen en is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.9 Plan-m.e.r.-beoordeling

4.9.1 Wettelijk kader

Projecten en de daarvoor benodigde besluiten waarvoor een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt, staan in het Omgevingsbesluit bijlage V. Er wordt onderscheid gemaakt tussen een m.e.r.-beoordeling (kolom 3), waarbij het bevoegd gezag een beslissing kan nemen of een m.e.r. nodig is, en een verplicht m.e.r. (kolom 2). Om te bepalen in welke categorie een besluit of plan valt is er per categorie een lijst met projecten opgenomen in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Hierin zijn ook de drempelwaardes in opgenomen, die aangeven welke procedure er doorlopen moet worden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1658.22dBuldersDG4-vs01_0024.png"

Figuur: Beoordelingskader plan-mer-beoordeling

Het planvoornemen valt onder de categorie J11 zoals opgenomen in Bijlage V van het Omgevingsbesluit. Voor deze ontwikkeling geldt geen mer-plicht. Voor de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject geldt in het kader van het omgevingsplan een mer-beoordelingsplicht. Als een plan kaderstellend is voor de projecten uit bijlage V van het Omgevingsbesluit, maar niet boven de drempelwaarde van kolom 2 uitkomt, moet een plan-mer-beoordeling worden uitgevoerd. Een plan-mer-beoordeling vindt alleen plaats als:

  • Het plan een kleine wijziging van een plan of programma is.
  • Het plan gaat over een klein gebied op lokaal niveau én als voor dat plan of programma een bestuursorgaan van de gemeente het bevoegd gezag is.

Lokaal niveau
Lokaal niveau staat voor gemeentelijk niveau. Europese jurisprudentie geeft een eerste inkleuring van het begrip 'klein gebied'. Het Hof concludeerde dat de grootte van het betrokken gebied, vergeleken met die van het grondgebied, klein moet zijn. (omgevingsbesluit, artikel 11.11)

In een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36, lid 3 en 4 Omgevingswet) toetst het bevoegd gezag of er bij het plan of programma aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden. Er zijn twee mogelijke uitkomsten:

  • Het is uitgesloten dat er aanzienlijke milieueffecten voor het milieu optreden; er is geen plan-mer nodig en er wordt geen milieueffectrapport (MER) gemaakt. Dat aanzienlijke milieueffecten zijn uitgesloten moet in het besluit worden gemotiveerd.
  • Aanzienlijke milieueffecten zijn niet uitgesloten; in dit geval moet er een plan-mer worden doorlopen en een milieueffectrapport (MER) worden gemaakt.

De plan-mer-beoordeling moet worden opgesteld met in achtneming van de criteria uit Bijlage II van de smb-richtlijn (Afdeling 16.4, artikel 16.36, lid 5 Ow). Bij de beoordeling moet rekening worden gehouden met:

  • De kenmerken van het plan, waaronder de ligging, aard, omvang en gebruiksvoorwaarden.
  • De kenmerken van de effecten van de gebieden die kunnen worden beïnvloed. Hierbij wordt onder andere gelet op de waarschijnlijkheid, duur, frequentie en omkeerbaarheid van effecten. Risico's voor de menselijke gezondheid en het milieu worden meegenomen. Daarnaast wordt ook de cumulatie van effecten beoordeeld.
4.9.2 Toetsing

De kenmerken van onderhavig plan zijn in hoofdstuk 1, 2 en 3 van voorliggende ruimtelijke motivering uitgebreid omschreven. Er is hierbij geen sprake van cumulatie met andere projecten. De risico's voor de menselijke gezondheid en het risico van zware ongevallen en/of rampen zijn in hoofdstuk 4 in overweging genomen en vormen geen belemmering voor het planvoornemen.

De locatie is op dit moment reeds bestemd voor een woonfunctie. Het plangebied is niet gelegen binnen een gebied dat beschermd wordt op basis van de natuurwaarde of landschappelijke waarde. Zoals in paragraaf 2.2 is gemotiveerd wordt de molenbiotoop met het plan gerespecteerd. Er wordt geen afbreuk gedaan aan cultuurhistorische waarden. De locatie betreft tevens geen waterwingebied.

Voor soortenbescherming geldt dat er nader onderzoek naar de alpenwatersalamander, rugstreeppad en teunisbloempijlstaart verricht moet worden. Uit het vervolgonderzoek kan blijken 1) dat er op voorhand geen negatieve effecten bestaan op de beschermde soorten of 2) dat er mitigerende maatregelen moeten worden genomen om negatieve effecten op de beschermde soorten te voorkomen. Negatieve milieueffecten zijn hiermee uitgesloten.

In hoofdstuk 4 van deze ruimtelijke motivering zijn alle relevante milieuaspecten afgewogen. Daaruit is gebleken dat voor de aspecten bedrijven- en milieuzonering, geluid, geur, gezondheid (endotoxinen, hoogspanningsverbindingen, geitenhouderijen, gewasbeschermingsmiddelen, positieve gezondheid en luchtkwaliteit), bodem, water, omgevingsveiligheid, archeologie en cultuurhistorie, natuur, duurzaamheid en klimaat en trillingen geldt dat significante milieueffecten uit te sluiten zijn. De locatie, aard en omvang van het planvoornemen leidt niet tot dusdanige omstandigheden of milieueffecten, op basis waarvan alsnog een nadere plan-mer noodzakelijk is.

Aanvullend geldt dat bij elke activiteit die leidt tot een toename van stikstofdepositie, dient te worden getoetst of er sprake is van significant negatieve effecten op omliggende Natura 2000-gebieden. De dichtstbijzijnde Natura-2000 gebieden op 2,0 km (tot Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux) en 2,3 km (tot Strabrechtse Heide & Beuven) liggen op voldoende afstand om negatieve effecten ten gevolge van licht, geluid, trillingen en mechanische effecten op deze gebieden op voorhand uit te kunnen sluiten. Ten aanzien van het planvoornemen zijn negatieve effecten op omliggende Natura 2000-gebieden op voorhand uit te sluiten. Het opstellen van een passende beoordeling is niet aan de orde.

Gelet op de kenmerken van het plan, de plaats van het plan en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden.

4.9.3 Conclusie M.E.R.-beoordeling

Gelet op het bovenstaande vormt het aspect plan-m.e.r.-beoordeling geen belemmering voor het planvoornemen en is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.10 Cultureel erfgoed

4.10.1 Wettelijk kader

Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met cultureel erfgoed.

In de Omgevingswet wordt cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving als volgt afgebakend: 'monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet'. Onder 'ander cultureel erfgoed' gaat het zowel om roerend erfgoed ('cultuurgoederen') als om immaterieel cultureel erfgoed voor zover dat aan een specifieke plek gebonden is.

De gemeente moet voor cultureel erfgoed dat voor bescherming in aanmerking komt een toereikend beschermingsregime opnemen in het omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving staan hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze regels gaan over:

  • ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten
  • verplaatsing van beschermde monumenten
  • gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand
  • aantasting van de omgeving van een beschermd monument
  • aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen
  • conserveren en in stand houden van archeologische monumenten
4.10.2 Toetsing archeologie

Op basis van het bestemmingsplan 'De Bulders' heeft het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3'. In dit geval prevaleert de 'strengste' eis ofwel in dit geval dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2'. Voor een bouwplan met een oppervlak van groter dan 500 m2 en een verstoringsdiepte van 0,3 meter (bij esdekken 0,5 meter) - maaiveld geldt dat een archeologisch onderzoek uitgevoerd moet worden om aan te kunnen tonen dat er met het bouwplan geen archeologische waarden in het geding zijn. Voor de vaststelling van het bestemmingsplan 'De Bulders' is reeds een archeologisch onderzoek (Bijlage 6) uitgevoerd op basis waarvan geconcludeerd wordt dat voor de gebieden met een middelhoge en hoge verwachting bij graafwerkzaamheden karterend onderzoek wordt aanbevolen.

In 2008, 2010 en 2011 hebben meerdere archeologische vooronderzoeken plaatsgevonden in plangebied De Bulders, waarbij (diverse delen van) het plangebied nader zijn onderzocht. In 2011 werd op basis van deze onderzoeken een gedetailleerde archeologische verwachtingenkaart opgesteld; zie kaartje hieronder:

afbeelding "i_NL.IMRO.1658.22dBuldersDG4-vs01_0025.png"

Figuur: Gespecificeerde archeologische verwachtingen- en waardenkaart van De Bulders van BAAC uit 2011

In 2015 is vervolgens opnieuw een aanvullend verkennend onderzoek uitgevoerd naar de bodemopbouw en de paleolandschappelijke ligging van het plangebied, om op basis hiervan een meer gerichte inschatting te kunnen maken van de archeologische potentie.2 Op basis van de resultaten van het veldonderzoek is een nieuwe archeologishe verwachtingenkaart opgesteld waarin een viertal verwachtingszones zijn gedefinieerd:

  • Gebieden met een hoge verwachting (9,7 ha);
  • Gebieden met een hoge verwachting op steentijdvindplaatsen (3,5 ha);
  • Gebieden met een archeologische verwachting – historisch erf: dit gebied omvat een zone rondom het huis aan de Oudemolen 8A;
  • Gebieden met een middelhoge verwachting op specifieke archeologische resten (off-site archeologie) (circa 1,0 ha);
  • Gebieden met een lage verwachting (12,4 ha).

afbeelding "i_NL.IMRO.1658.22dBuldersDG4-vs01_0026.png"

Figuur: Gespecificeerde archeologische verwachtingen- en waardenkaart van De Bulders van Transect uit 2015

In 2016 en 2017 zijn de eerste proefsleuvenonderzoeken en opgravingen uitgevoerd in plangebied De Bulders. Het proefsleuvenonderzoek uit 2016 heeft drie vindplaatsen opgeleverd. In zone B zijn twee vindplaatsen aanwezig, een urnenveld uit de Late Bronstijd - Vroege IJzertijd (vindplaats 1) en nederzettingssporen uit de Late Prehistorie - Romeinse tijd (vindplaats 2). Vindplaats 3 - alle zones - bestaat uit perceleringsgreppels uit de Nieuwe en Nieuwste Tijd en een pad uit de Nieuwste Tijd. Hierbij is geconcludeerd dat vindplaatsen 1 en 2 behoudenswaardig zijn en - indien behoud in situ niet mogelijk is - opgegraven dienen te worden. Vindplaats 3 was niet behoudenswaardig. Vindplaatsen 1 en 2 maken geen onderdeel uit van het plangebied, de gronden binnen het plangebied binnen deelgebied 3 zijn niet behoudenswaardig.

afbeelding "i_NL.IMRO.1658.22dBuldersDG4-vs01_0027.png"

Figuur: Proefsleueven en opgraving ter plekke van De Bulders

Gelet op bovenstaande kan worden geconcludeerd dat er binnen het plangebied geen archeologische waarden aanwezig zijn. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

4.10.3 Toetsing cultuurhistorische waarde

Bij de opstelling en uitvoering van ruimtelijke plannen moet ook met de cultuurhistorische (landschaps)waarden van bovenlokaal belang rekening worden gehouden. De provincie heeft hiertoe in haar Omgevingserordening cultuurhistorisch waardevolle gebieden aangeduid. Deze gebieden verdienen specifieke aandacht vanwege de onvervangbaarheid van de aanwezige waarden. Gemeenten dienen de cultuurhistorische waarden en kenmerken van deze gebieden te behouden, herstellen en/of duurzaam te ontwikkelen. Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen hier enkel worden toegestaan, indien zij de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied niet aantasten.

afbeelding "i_NL.IMRO.1658.22dBuldersDG4-vs01_0028.png" Figuur: Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart gemeente Heeze-Leende met globale ligging plangebied rood omlijnd

Op basis van de cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Heeze-Leende ligt het plangebied binnen de molenbiotoop van beltmolen Sint Victor. In paragraaf 2.2 vindt de toetsing aan de molenbiotoop plaats en is geconcludeerd dat het onderhavig planvoornemen geen afbreuk aan de molenbiotoop gedaan wordt. De bouwhoogtes van de voorgenomen bebouwing voldoet aan de maximale bouwhoogte die volgt uit de molenbiotoop. De beltmolen Sint Victor wordt niet beperkt door onderhavig plan. Er bevinden zich op locatie verder geen waardevolle cultuurhistorische elementen die mogelijk 'aangetast' zouden kunnen worden met het voorgenomen initiatief.

4.10.4 Conclusie cultureel erfgoed

Gelet op bovenstaande vormt het aspect cultureel erfgoed geen belemmering voor het planvoornemen.

4.11 Natuur

Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden.

Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).

4.11.1 Soortenbescherming

Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming.

De Omgevingswet definieert wat een flora- en fauna-activiteit is. In de bijlage van de Omgevingswet staat de volgende definitie van een flora- en fauna-activiteit: 'activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten'. Door deze brede formulering van een flora- en fauna-activiteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren:

  • Óf er soorten aanwezig zijn;
  • En indien aanwezig, welke soorten dat zijn.

Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27, Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten.

Het bestemmingsplan 'De Bulders' heeft een woonfunctie binnen het plangebied mogelijk gemaakt en is reeds in 2018 vastgesteld. De gronden binnen het plangebied zijn (zoals toegestaan onder het overgangsrecht) nog in gebruik ten behoeve van grasland. Ten behoeve van het planvoornemen wordt een quickscan flora en fauna noodzakelijk geacht. Deze is bijgevoegd als Bijlage 7 en wordt hieronder kort toegelicht.

Quickscan flora en fauna

De quickscan heeft tot doel vast te stellen of de beoogde ingrepen van invloed kunnen zijn op beschermde soorten en beschermde gebieden. In de quickscan wordt de (mogelijke) aanwezigheid beschreven van artikel 11.37, 11.46 en 11.54 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) gespecificeerde soorten.

Op basis van de resultaten van de uitgevoerde quickscan kan niet worden uitgesloten dat de beoogde activiteiten een negatieve invloed zullen hebben op beschermde soorten vanuit Omgevingswet en het Bal. Om vast te stellen of de beoogde activiteit voor de alpenwatersalamander, rugstreeppad en teunisbloempijlstaart een negatief effect heeft dient een nader en soort specifiek onderzoek te worden uitgevoerd. Ook dienen de werkzaamheden buiten het broedseizoen van de oeverzwaluw (mei t/m begin september) uitgevoerd te worden in verband met de aanwezige nesten van de soort in de meest westelijke hoop grond.

afbeelding "i_NL.IMRO.1658.22dBuldersDG4-vs01_0029.png"

Tabel: Toetsing van de effecten van de werkzaamheden op (potentiële) aanwezige soorten conform Ow

afbeelding "i_NL.IMRO.1658.22dBuldersDG4-vs01_0030.png"

Voor de geplande ingreep moeten alle aanwezige bomen en struiken worden gerooid. Bomen kunnen tijdens het broedseizoen niet jaarrond beschermde nesten bevatten. Door de geplande ingreep kunnen deze nesten verstoord worden. Derhalve dienen de werkzaamheden buiten het broedseizoen (15 maart - 1 augustus) uitgevoerd te worden.

In de bomen zijn geen gaten of holen aanwezig en zijn voor vleermuizen derhalve ongeschikt als verblijfplaats. De bomen maken geen onderdeel uit van een lijnvormig element.

Onder artikelen 11.6, 11.27 en 11.116 van het Bal zijn specifieke zorgplichten opgesteld. De zorgplicht geldt voor ieder die een activiteit uitvoert waarbij redelijkerwijs vermoed kan worden dat deze nadelige gevolgen kan hebben op in het wild levende dieren, planten en bomen maar ook natuurgebieden. Volgens de zorgplicht dient men redelijkerwijs de nadelige gevolgen te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken en indien de gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt achterwegen te laten. Voornamelijk voor de minder streng beschermde soorten geldt in praktijk dat onnodig doden, verwonden of beschadigen vermeden dient te worden.

Op basis van de resultaten van de quickscan flora en fauna is een vervolgonderzoek naar de alpenwatersalamander, rugstreeppad en teunisbloempijlstaart noodzakelijk. De resultaten van dit vervolgonderzoek worden hieronder weergegeven.

Resultaten vervolgonderzoek alpenwatersalamander, rugstreeppad en teunisbloempijlstaart

In de periode 15 maart t/m 15 augustus 2025 zijn in totaal 11 veldbezoeken uitgevoerd ten behoeve van bovengenoemde soorten. De veldbezoeken zijn afgerond en het laatste veldbezoek heeft plaatsgevonden op 5 augustus 2025. Tijdens deze bezoeken zijn geen (sporen van) de alpenwatersalamander, rugstreeppad en teunisbloempijlstaart waargenomen. Hierdoor is een vergunning voor een flora en fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet voor de alpenwatersalamander, rugstreeppad en teunisbloempijlstaart niet noodzakelijk. De resultaten van het onderzoek zijn bijgevoegd als Bijlage 8.

4.11.2 Gebiedsbescherming

Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met de ligging van beschermde natuurgebieden. (paragraaf 5.1.2 Bkl). Nederland kent een groot aantal beschermde natuurgebieden. Deze natuurgebieden kunnen beschermd zijn door Europese aanwijzingen of deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. De provincies zijn in eerste instantie verantwoordelijk voor het Natuurnetwerk Nederland op het land.

4.11.2.1 Natura 2000-gebieden

Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In deze gebieden worden flora, fauna en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden worden aangewezen onder twee Europese richtlijnen: de Vogelrichtlijn (1979) en de Habitatrichtlijn (1992). Nederland kent een netwerk van 162 Natura 2000-gebieden.

Negatieve effecten op Natura 2000-gebieden kunnen zowel direct als indirect van aard zijn. Directe effecten zijn bijvoorbeeld verstoringen door licht, geluid of trillingen. Een belangrijk negatief indirect effect op Natura 2000-gebieden is een verhoogde stikstofdepositie. Een activiteit die niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar wel significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, wordt een 'Natura 2000-activiteit' genoemd binnen de definitie van de Omgevingswet. Een Natura 2000-activiteit dient te voldoen aan rijksregels zoals de specifieke zorgplicht (artikel 11.6, Besluit activiteiten leefomgeving). Daarnaast dient het bevoegd gezag geïnformeerd te worden bij een eventueel ongewoon voorval (artikel 11.13, Besluit activiteiten leefomgeving).

Het plangebied is niet gelegen binnen een Natura-2000, waardoor uitsluitend sprake is van een externe werking. Het planvoornemen betreft een woningbouwontikkeling van 123 woningen. De dichtstbijzijnde Natura-2000 gebieden op 2,0 km (tot Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux) en 2,3 km (tot Strabrechtse Heide & Beuven) liggen op voldoende afstand om negatieve effecten ten gevolge van licht, geluid, trillingen en mechanische effecten op deze gebieden op voorhand uit te kunnen sluiten.

afbeelding "i_NL.IMRO.1658.22dBuldersDG4-vs01_0031.png"

Figuur: Ligging plangebied t.o.v. omliggende Natura 2000-gebieden

4.11.2.2 Natuurnetwerk Nederland

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk heeft als doel om natuurgebieden beter te verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het NNN bestaat over het algemeen uit kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en verbindingszones.

In beginsel zijn de provincies verantwoordelijk voor de instandhouding en ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland. Instructieregels met betrekking tot de bescherming van Natuurnetwerk Nederland zijn dan ook opgenomen in de omgevingsverordening van de provincie.

Het plangebied is niet gelegen binnen het NNN, waardoor er uitsluitend sprake is van externe werking. Ten westen van het plangebied is op een afstand van 150 meter NNN gelegen. Gezien de afstand tot het NNN en de afschermende werking van tussenliggende bebouwing zijn hierop ook geen effecten te verwachten.

afbeelding "i_NL.IMRO.1658.22dBuldersDG4-vs01_0032.png"

Figuur: Ligging plangebied t.o.v. omliggende NNN

4.11.2.3 Stikstof

Voor voorliggend plan is om mogelijke effecten als gevolg van stikstofdepositie in beeld te brengen een stikstofnotitie opgesteld, de uitwerking hiervan is toegevoegd als Bijlage 9. Uit de notitie blijkt dat er in de realisatie- en gebruiksfase geen toename van de stikstofdepositie op nabijgelegen Natura 2000-gebieden groter dan 0,00 mol/ha/jaar plaatsvindt. Hiermee kunnen significant negatieve effecten op omliggende Natura 2000-gebieden ten gevolge van de realisatie- en gebruiksfase op voorhand uitgesloten worden. Er is geen sprake van een Natura 2000-activiteit waarvoor een passende beoordeling aan de orde is.

4.11.2.4 Houtopstanden

Houtopstanden worden op basis van nationaal beleid beschermd door in het Bal opgenomen rijksregels. In het Omgevingsplan wordt door de gemeenteraad een bebouwingscontour houtkap vastgesteld. Hierbinnen gelden de regels voor het vellen van houtopstanden niet die in het Bal staan. Deze regels worden gesteld met het oog op natuurbescherming, de instandhouding van het bosareaal in Nederland, of het beschermen van landschappelijke waarden. Voorheen waren deze regels gesteld in hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming. De kern van het beschermingsregime uit het Bal wordt gevormd door een meldingsplicht voor degene die voornemens is om buiten de bebouwingscontour een houtopstand te vellen, en een verplichting om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan op dezelfde grond te herbeplanten. Daarbij geldt als kwaliteitseis dat de herbeplanting geschiedt op 'bosbouwkundig verantwoorde wijze'. De provincie kan daar bij omgevingsverordening maatwerkregels of maatwerkvoorschriften over vaststellen (zie Stb. 2021, nr. 22, p. 157 en 158).

Een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, die een oppervlakte grond beslaat van 10 ha of meer, of een rijbeplanting die meer dan 20 bomen omvat zijn aanwezig in het plangebied. Binnen het plangebied zijn bomen aanwezig die met het planvoornemen gekapt zullen worden. Het plangebied onderdeel uit bestaand stedelijk gebied en is van houtopstanden in het kader van het beschermingsregime uit het Bal geen sprake. De bomenkap wordt niet geregeld op basis van voorliggend TAM-Omgevingsplan. Voor de bomenkap zal na vaststelling van het TAM-Omgevingsplan voldaan moeten worden aan de eisen van het bevoegd gezag en een (kap)vergunning aangevraagd moeten worden.

4.12 Duurzaamheid en klimaat

4.12.1 Duurzaamheid
4.12.1.1 Wettelijk kader

Uit de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet vloeit voort dat deze onder meer is gericht op een duurzame ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. Dit houdt in, dat de wet voorziet in een ontwikkeling van de fysieke leefomgeving die tegemoet komt aan de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen. Duurzame ontwikkeling is een breed begrip waar een veelheid aan onderwerpen onder kan vallen, zoals energietransitie en klimaatadaptatie. In de NOVI is daarom 'ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie' als prioriteit opgenomen. Daarnaast vallen onder het begrip duurzaamheid ook onderwerpen als mobiliteit, duurzaam bouwen en biodiversiteit.

Het beleid ten aanzien van energietransitie en klimaatadaptatie vloeit voort uit nationale programma's die vervolgens regionaal zijn uitgewerkt (Regionale Energiestrategie, Nationale Klimaatadaptatiestrategie). De doelstellingen die hieruit voortvloeien zijn vervolgens integraal opgenomen in het gemeentelijk beleid, met name de Omgevingsvisie. Deze is weer uitgewerkt in programma's.

In het omgevingsplan zijn de beleidsdoelstellingen voorzover noodzakelijk vanuit het oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties uitgewerkt in juridisch bindende regels.

4.12.1.2 Toepassing

Met het planvoornemen wordt de realisatie van 123 woningen mogelijk gemaakt. Tijdens de ontwikkeling wordt het aspect 'duurzaam' geïntegreerd door verschillende strategieën en technieken toe te passen tijdens de planning, het ontwerp, de bouw en het onderhoud van woningen.

Met het planvoornemen worden er 123 woningen gerealiseerd, een deel van deze woningen zal bestaan uit prefab-woningen. Prefab-woningen, oftewel geprefabriceerde woningen, bieden aanzienlijke voordelen op het gebied van duurzaamheid. Prefab-woningen worden in een fabriek gebouwd waardoor de precisie en efficiëntie bij het gebruik van bouwmaterialen worden verhoogd. Dit leidt tot minder verspilling vergeleken met traditionele bouwmethoden. In de prefab industrie worden vaak gerecyclede en duurzame materialen gebruikt, wat bijdraagt aan het verminderen van de milieu-impact. Prefab-woningen kunnen in veel kortere tijd worden gebouwd dan traditionele huizen, wat leidt tot minder verstoring van de bouwplaats en de omgeving. Omdat een groot deel van het bouwproces off-site plaatsvindt, zijn er minder transportbewegingen en minder uitstoot van zware machines op de bouwplaats.

Met het toepassen van deze bouwtechniek kan het aspect 'duurzaamheid' in elke fase van de woningbouwontwikkeling worden geïntegreerd, wat resulteert in milieuvriendelijke, gezonde en toekomstbestendige woonomgevingen.

De overig woningen in het plangebied zullen worden gebouwd in de vorm van een collectieve projectontwikkeling, dit wil zeggen dat de toekomstige bewoners zelf aan de slag aan met hun toekomstige woningen. Bij het bouwen van nieuwe woningen moet worden rekening gehouden met de effecten op het milieu. In het Bbl zijn eisen ten aanzien van Bijna energieneutrale gebouwen (BENG) opgenomen, dit is dan ook de minimale eis waaraan een nieuwbouw woning moet voldoen. Deze woningen zijn goed geïsoleerd en worden gasloos gerealiseerd. Hiermee is sprake van een duurzame woningbouwontwikkeling voor zowel de prefab-woningen als de collectieve projectonwikkeling (CPO). Bij de vergunningaanvraag voor de bouw van de woningen wordt dit aspect nader uitgewerkt.

4.12.2 Klimaat
4.12.2.1 Wettelijk kader

Om invulling te geven aan de in de NOVI beschreven prioriteit 'Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie' dient bij de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten rekening te worden gehouden met maatregelen ten aanzien van klimaatadaptatie. Onder klimaatadaptatie wordt verstaan: het tijdig en effectief aanpassen aan het actuele of verwachte klimaat. Daardoor kan schade door klimaatverandering beperkt worden.

Voor klimaatadaptatie is het belangrijk om integraal te werken en meekoppelkansen met andere ruimtelijke ontwikkelingen te benutten. Er zijn veel mogelijkheden om de aanpak en maatregelen uit de verschillende transities te combineren. Hierbij kan gedacht worden aan waterberging in natuurgebieden, groen in de stad en vermindering van hitte in de bebouwde omgeving. Ten behoeve van deze wijziging van het omgevingsplan zijn mogelijke meekoppelkansen geïnventariseerd en is de aanvaardbaarheid van deze wijziging van het omgevingsplan ten aanzien van het aspect 'klimaatadaptatie' beoordeeld.

4.12.2.2 Toepassing

Er zijn verschillende manieren om de omgeving aan te passen aan de klimaatverandering. Door het extreme klimaat zoals: extreme regenbuien, hitte en droogte is het belangrijk om te zorgen dat de leefomgeving bestand is tegen deze klimaatveranderingen. Het planvoornemen betreft een woningbouwontwikkeling van 123 woningen. Hieronder worden de effecten van klimaatverandering behandeld.

  • 1. wateroverlast;
  • 2. droogte;
  • 3. hittestress.

Er zijn verschillende manieren om invulling te geven aan de bevordering van klimaatadaptie, voor elk van deze aspecten gelden andere mogelijke maatregelen die hieronder worden toegelicht.

Wateroverlast

Door klimaatverandering valt er steeds meer neerslag en neemt de intensiteit van de buien toe. Dit vergroot het risico op wateroverlast. Wateroverlast ontstaat als er zoveel regen valt, dat het oppervlaktewater de afvoer van het regenwater niet meer kunnen verwerken. Het is daarom belangrijk dat wanneer er verharding wordt toegevoegd, er gecompenseerd moet worden met waterbergingen. Hiervoor zijn verschillende opties mogelijk:

  • groen mosdak;
  • een verlaging in het maaiveld (wadi)
  • een natuurlijke vijver;
  • grindkoffers;
  • combinaties hiervan zijn uiteraard ook mogelijk.

Tevens wordt met het plan voldaan aan de meest recente waterbergingseisen van Waterschap de Dommel waarmee wateroverlast wordt voorkomen. Voor onderhavig plan is reeds een grote wadi gerealiseerd aan de westelijke zijde van het plangebied. De openbare ruimte wordt zoveel als mogelijk groen (onverhard) ingericht om wateroverlast te voorkomen.

Droogte

Door klimaatverandering komen langere droogteperiodes voor. Hierdoor, en ook door bijvoorbeeld ontwatering en waterwinning neemt verdroging van de bodem toe. Droogte en verdroging zijn nadelig voor de biodiversiteit, natuur, drinkwaterproductie, industrie en landbouw.

Het probleem van wateroverlast, kan tegelijkertijd de oplossing voor droogte zijn. Zoals eerder toegelicht in de vorige paragraaf geven de drie Brabantse waterschappen een voorkeursvolgorde aan, hoe om te gaan met hemelwater.

De meest wenselijke mogelijkheid: water bergen en vasthouden voor hergebruik. Hiermee kan in tijden van veel neerslag het water worden opgevangen en in droge periodes het opgeslagen water worden gebruikt om droogte te bestrijden.

Hemelwater kan simpelweg worden opgevangen door een regenton, die onder een regenpijp staat. Hiermee komt het water direct in de regenton terecht en kan het water worden opgeslagen tot dat het nodig is om te gebruiken in droge periodes.

Concreet wordt hemelwater binnen het plangebied opgevangen en geïnfiltreerd in de ondergrond. Zodoende wordt droogte op locatie zoveel als mogelijk tegengegaan.

Hittestress

Klimaatverandering leidt tot meer zomerse en tropische dagen. Extreme hitte heeft een groot aantal gevolgen, bijvoorbeeld voor de gezondheid van mensen, voor de buitenruimte en de leefbaarheid in de stad. Hitte heeft ook gevolgen voor andere aspecten van de leefomgeving, waaronder infrastructuur, drinkwater en oppervlaktewater.

Om een woning zo klimaatbestendig te maken zijn er verschillende manieren om in de zomer de hitte zo veel mogelijk te beperken. Zoals eerder toegelicht zijn er meerdere manieren mogelijk om warmte en wateroverlast tegen te gaan:

  • groen mosdak;
  • een verlaging in het maaiveld (wadi)
  • combinaties hiervan zijn uiteraard ook mogelijk.

Een groen dak heeft vele voordelen zoals biodiversiteit en het opnemen van fijnstof en CO2 het neemt tot maar liefst 5 graden minder warmte op. Bovendien houdt het groene dak water langer vast en geeft dat door verdamping geleidelijk af.

Wadi's worden steeds meer toegepast om water op te nemen in tijden van veel regenbuien. Het draagt niet alleen bij tegen wateroverlast maar verbetert de biodiversiteit en draagt bij aan het reduceren van de hittestress. Onderhavig plan maakt gebruik van de wadi aan de westelijke zijde van het plangebied die ten behoeve van de woningbouwontwikkeling De Bulders is gerealiseerd. Daarnaast wordt met de groene inrichting van de openbare ruimte bijgedragen aan het verminderen van hittestress.

4.13 Trillingen

Ten zuiden van het plangebied ligt de Randweg. Ten behoeve van het bestemmingsplan 'De Bulders'is door DPA Cauberg-Huygen een trillingsonderzoek uitgevoerd. Hierbij is een prognose opgesteld van de trillingssterkte in de bestaande woningen aan de Buldersweg als gevolg van het zware verkeer over de nieuwe randweg. Ten behoeve van het onderzoek zijn trillingsmetingen uitgevoerd en is een prognose opgesteld voor de bestaande woningen langs de Buldersweg door middel van een berekening. De berekende trillingssterkte is getoetst aan de streefwaarden uit SBR richtlijn B. Het trillingsonderzoek leidt tot de volgende conclusies:

  • 1. De woning Buldersweg 16 is maatgevend voor de beoordeling van de trillingssterkte door de ligging en de opbouw van de woning.
  • 2. De berekende trillingssterkte Vmax als gevolg van het vrachtverkeer over de nieuwe randweg bedraagt 0,24.
  • 3. Deze trillingssterkte voldoet niet aan de streefwaarde A2 (0,2) uit de SBR richtlijn B in de nachtperiode.
  • 4. Door de fundering van de rijstrook gelegen op kortste afstand van de woningen te verzwaren, neemt Vmax af tot onder de waarde 0,2.
  • 5. De gemiddelde trillingssterkte Vper voldoet met deze maatregel ook aan de streefwaarde A3.

Door de fundering van de randweg ter plaatse van de woning aan Buldersweg 16 te verzwaren voldoet de trillingssterkte in de woningen aan de Buldersweg aan de streefwaarden uit SBR richtlijn B.

Op een afstand van circa 240 meter ten oosten van het plangebied is de spoorlijn Eindhoven-Roermond gelegen. Tussen de spoorlijn en het plangebied zijn woningen binnen de kern Heeze gelegen. Naar verwachting zal dit geen problemen opleveren voor het planvoornemen.

Voorbeeld bestemmingsplan 'Geldropseweg 8-10 Heeze'

Voor bijvoorbeeld het bestemmingsplan 'Geldropseweg 8-10 Heeze' is een onderzoek naar te verwachten trillingsniveaus als gevolg van railverkeer uitgevoerd. Het bestemmingsplan maakt twee woningen mogelijk op een afstand van circa 70 meter van de spoorlijn Eindhoven-Roermond. Ondanks dat er niet wordt voldaan aan de streefwaarde, wordt de situatie beoordeeld als 'zeer wel technisch oplosbaar'. Er wordt gesteld dat exacte maatregelen pas in een later stadium kunnen worden gedimensioneerd.

Gelet op de resultaten van dit onderzoek kan er worden gesteld dat trillingen voor onderhavig plan geen onoverkomelijke belemmering zullen vormen.

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving

5.1 Een omgevingsplan

Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 beschikt iedere gemeente over één tijdelijk omgevingsplan. Dat tijdelijke omgevingsplan bestond op die datum uit alle op dat moment geldende ruimtelijke plannen, zoals bestemmingsplannen, wijzigings- en uitwerkingsplannen en beheersverordeningen, samen met een set regels die met de invoering van de Omgevingswet door het Rijk zijn overgedragen aan de gemeente. Deze set overgedragen regels wordt de 'bruidsschat' genoemd, die is opgenomen in hoofdstuk 22 van het omgevingsplan.

Vanaf 1 januari 2024 worden geen nieuwe ruimtelijke plannen zoals bestemmingsplannen meer in procedure gebracht, maar wordt waar nodig het omgevingsplan gewijzigd. Via het Omgevingsloket (regels op de kaart) is op termijn daarom nog maar één, geconsolideerd omgevingsplan te vinden, waarin alle wijzigingen integraal zijn verwerkt. Uiterlijk 2032 moet het gebiedsdekken omgevingsplan 'nieuwe stijl' gereed zijn.

Tijdelijke Alternatieve Maatregel (TAM)

Publicatie van een wijziging van het omgevingsplan moet plaatsvinden volgens de standaard STOP en de wijziging dient om raadpleegbaar te zijn via het Omgevingsloket te voldoen aan het Toepassingsprofiel Omgevingsplan (TPOD-omgevingsplan). Indien een gemeente technisch nog niet in staat is het omgevingsplan te wijzigen volgens STOP/TPOD kan gebruik worden gemaakt van een Tijdelijke Alternatieve Maatregel (TAM) die kort gezegd inhoudt dat bij de wijziging van het omgevingsplan gebruik mag worden gemaakt van de IMRO-standaard, die voorheen werd gebruikt voor het opstellen en publiceren van bestemmingsplannen. Deze TAM wordt in de praktijk kortweg aangeduid als TAM-IMRO. Een gemeente mag er overigens ook om andere redenen dan technische redenen voor kiezen om TAM-IMRO toe te passen, bijvoorbeeld in verband met een urgente gebiedsontwikkeling. Deze wijziging van het Omgevingsplan van de gemeente Heeze-leende is opgesteld op basis van TAM-IMRO.

5.2 Opzet planwijziging

Ook al lijkt het juridisch deel van deze wijziging van het omgevingsplan op een bestemmingsplan, het karakter is anders. Inhoudelijk dient deze wijziging namelijk te voldoen aan de eisen die de Omgevingswet aan een wijziging van het omgevingsplan stelt, met uitzondering van de wijze van digitale vormgeving en publicatie. Anders dan een bestemmingsplan maakt deze wijziging van het omgevingsplan géén onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan, maar maakt deze onderdeel uit van het nieuwe deel. In juridisch opzicht worden de in dit TAM-omgevingsplan opgenomen regels en locaties dus fictief toegevoegd aan het initieel omgevingsplan zoals dat per 1 januari 2024 is te raadplegen via het Omgevingsloket. Daarmee vormt het ook één geheel met de bruidsschat die al is opgenomen in hoofdstuk 22 van dat plan, de begripsbepalingen die zijn opgenomen in hoofdstuk 1 van dat plan en de slotbepaling die is opgenomen in hoofdstuk 23 van dat plan.

Dit TAM-omgevingsplan is gebaseerd op de Werkafspraak TAM-Omgevingsplan van Geonovum, de bijbehorende technische handreiking en de Bijsluiter TAM-IMRO omgevingsplan van de VNG. Dat houdt in het kort het volgende in:

  • Met dit TAM-omgevingsplan wordt één hoofdstuk toegevoegd aan het Omgevingsplan, tussen hoofdstuk 22 en hoofdstuk 23, in dit geval hoofdstuk 22d.
  • Aangezien het omgevingsplan zoals dat raadpleegbaar is via het Omgevingsloket technisch alleen inhoudelijk kan worden gewijzigd volgens STOP/TPOD, vindt die toevoeging fictief plaats door een TAM-omgevingsplan op te stellen volgens de IMRO-standaard (plantype bestemmingsplan) en dat als zodanig te publiceren via ruimtelijkeplannen.nl, waarna het plan via de zogenoemde overbruggingsfunctie alsnog in het Omgevingsloket zichtbaar wordt. De plannaam maakt duidelijk dat sprake is van een TAM-omgevingsplan, waarbij ook het beoogde hoofdstuknummer in de plannaam terugkomt. In dit geval is dat 22d.
  • De regels binnen een hoofdstuk van een omgevingsplan kunnen worden ondergebracht in paragrafen en subparagrafen. IMRO kent geen paragrafen en subparagrafen binnen een hoofdstuk en de nummering van hoofdstukken begint binnen IMRO altijd bij 1. Gelet op het voorgaande is daarom een zogenoemde preambule nodig die onder meer toelicht dat het gehele IMRO-plan moet worden gezien als hoofdstuk 22d van het omgevingsplan en dat de daarin opgenomen hoofdstukken daarom moeten worden gelezen als paragrafen. Dit wordt in paragraaf 5.3 nader toegelicht.
  • Voor de aanduiding van locaties in de regels c.q. het koppelen van regels aan een locatie wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheden die IMRO biedt en de beperkingen die daaruit voortvloeien. Denk aan het gebruik van hoofdgroepen van bestemmingen, dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen, functieaanduidingen en maatvoeringsaanduidingen,
  • Een TAM-omgevingsplan kan niet worden voorzien van annotaties.
  • Voor deze motivering wordt conform de eerder genoemde werkafspraak gebruik gemaakt van het objecttype 'toelichting' en is daarom onder dat kopje terug te vinden in het omgevingsloket.
  • De zogenoemde 'pons' die er kortgezegd voor zorgt dat (delen van) bestemmingsplannen die inmiddels zijn 'overschreven' door een nieuw deel van het omgevingsplan niet meer worden getoond in het omgevingsloket werkt niet voor TAM-omgevingsplanen. Daarom is het noodzakelijk door middel van voorrangsregels duidelijk vast te leggen of, en zo ja welke delen van een bestemmingsplan (als onderdeel van het tijdelijke deel van het omgevingsplan) komen te vervallen bij de inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan.

5.3 Artikelsgewijze toelichting

Hoofdstuk 1 van de planregels bevat de inleidende regels welke van toepassing zijn op het TAM-IMRO plan als geheel. Het betreft het toepassingsbereik, begripsbepalingen, meet- en rekenmethoden en de normadressaat voor de regels. Tevens is in dit hoofdstuk een algemeen gebruiksverbod opgenomen. Met dit verbod wordt beoogd dat het niet is toegestaan om binnen het plangebied gronden of bouwwerken op een andere wijze te gebruiken dan is toegestaan op grond van een in deze planwijziging toebedeelde functie.

In hoofdstuk 2 worden regels gesteld aan de in dit plan toegewezen functies. Het betreft hier de functies groen, verkeer en wonen. Binnen groen worden de groen- en speelvoorzieningen gerealiseerd. Binnen verkeer zijn de verkeers- en verblijfsfuncties waaronder parkeren toebedeeld. Binnen wonen is het mogelijk gemaakt om binnen de gestelde regels woningen te realiseren. Binnen deze laatste functie is tevens geborgd dat aan de parkeerregels voldaan dient te zijn. De hier voorgeschreven parkeervoorzieningen hoeven niet binnen deze functie te worden gerealiseerd. Binnen de verkeersfunctie is ruimte gereserveerd voor het realiseren van de benodigde parkeervoorzieningen.

In hoofdstuk 3 worden de algmene regels van deze planwijziging gesteld. In het bijzonder wordt hier een voorwaardelijke verplichting geformuleerd voor het realiseren van voldoende waterbergingscapaciteit. Voor een deel zal deze capaciteit buiten dit plangebied worden gerealiseerd. Deze capaciteit is onderdeel van het grotere plan 'De Bulders'.

In hoofdstuk 4 worden de beschermingsregels geformuleerd. Binnen het plangebied bevinden zich een molenbiotoop en archeologische waarden. Aan de hand van omgevingsnormen wordt de beschermende werking van de archeologische beschermingszone verder ingekleed.

In hoofdstuk 5 wordt het overgangsrecht geformuleerd. Er is voor gekozen om aan te sluiten bij het voor 1 januari 2024 gebruikelijke overgangsrecht. Daar waar dit nodig bleek is de terminologie aangepast om aan te sluiten bij de Omgevingswet.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Participatie en omgevingsdialoog

Onder de Omgevingswet heeft participatie een prominente rol. De Omgevingswet zorgt ervoor dat het bevoegd gezag of initiatiefnemers, burgers, belanghebbenden of omwonenden in een vroeg stadium worden betrokken bij een planvoornemen/project. Als overheden instrumenten van de Omgevingswet vaststellen, moeten ze aangeven hoe belanghebbenden betrokken zijn bij de totstandkoming van deze instrumenten en welke resultaten dat heeft opgeleverd. Gemeenten, provincies en waterschappen moeten daarbij ook aangeven hoe ze hun eigen participatiebeleid hebben ingevuld.

Het participatieproces bij het opstellen of wijzigen van een Omgevingsplan kent onder de Omgevingswet een kennisgeving(plicht) en een motiveringsplicht. Bij de kennisgeving dient tevens aan te worden gegeven hoe een initiatiefnemer burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden gaat betrekken. Vervolgens moet het bevoegd gezag in het kader van de motiveringsplicht aangeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden betrokken zijn en wat er met de resultaten is gedaan.

Bij voorliggende planontwikkeling is sprake van een wijziging van het Omgevingsplan. Daarbij is de gemeenteljke Beleidsnota Participatie Omgevingswet Heeze-Leende 2023 gehanteerd. Bij de start van het proces om te komen tot vaststelling van een omgevingsplan of een nieuw deel daarvan dient een zogenaamd participatieplan te worden opgesteld. De impact van het initiatief bepaalt de vorm van het participatieproces en wie worden betrokken.

Voor de omwonenden hebben enkele bijeenkomsten plaatsgevonden. Er zijn 3 bewonersbijeenkomsten georganiseerd en daarnaast zijn met enkele direct omwonenden keukentafelgesprekken gevoerd voor de detailuitwerking van de plannen in de directe omgeving van hun perceel.

Op de eerste bijeenkomst is een toelichting gegeven op de stedenbouwkundige opzet van het deelgebied en de aansluiting op de omgeving. Voor omwonenden in deelgebied 2 is op verzoek van enkele bewoners een onderzoek uitgevoerd naar de mogelijke effecten van de nieuwbouw op de opbrengst van de zonnepanelen van de betreffende omwonenden.

Met de omwonenden in de zuid-oosthoek van het plangebied (Pastoor Van de Voortlaan, Mulkhoek, Leenderweg en Buldersweg) zijn 2 bijeenkomsten gehouden waar met name aandacht is gegeven op de waterhuishouding direct achter de bestaande percelen. Tijdens de eerste bijeenkomst is een algemene toelichting op de verkaveling gegeven. Vanuit enkele omwonenden zijn vragen gesteld over de voorgestelde oplossing voor de opvang van oppervlakte en grondwater bij de erfscheiding tussen de bestaande woningen en het te ontwikkelen plangebied. Op de eerste bijeenkomst is gebleken dat de door De Bulders voorgestelde oplossing voor de opvang van het oppervlakte- en grondwater niet op instemming van de aanwonenden kon rekenen. Met name de voorgestelde constructie voor eigendom beheer kon niet op instemming rekenen.

In reactie hierop heeft De Bulders woningbouw een aangepast voorstel gedaan waarbij de gemeente eigenaar van de opvangconstructie wordt en ook beheerder. Om deze oplossing mogelijk te maken is in samenspraak met CPO Heeze door de stedenbouwkundige een aanpassing in het ontwerp gedaan. Hierdoor is een ruimere strook beschikbaar gekomen om een wadi te realiseren waarbij het oppervlaktewater en het grondwaterpeil kan worden beheerd.

Met de direct aanwonenden aan de nieuwe opvangconstructie zijn aanvullend 'keukentafel' gesprekken gevoerd waarin nog kavel specifieke afspraken zijn gemaakt.

De gesprekken met participanten en omwonenden heeft geleid tot aanpassingen in het stedenbouwkundig plan en heeft het plan verbeterd. De Bulders Woningbouw CV dankt alle betrokkenen voor hun gewaardeerde inbreng.

6.2 Financiële uitvoerbaarheid

In tegenstelling tot de Wet (en het Besluit) ruimtelijke ordening geldt onder de Omgevingswet dat een gemeenteraad bij het toekennen van functies aan locaties niet meer aannemelijk hoeft te maken dat die ontwikkeling (financieel) uitvoerbaar is. Enkel behoeft te worden gemotiveerd dat een ontwikkeling in beginsel mogelijk is ('niet evident onuitvoerbaar'). Pas als zich een concreet initiatief aandient dat past binnen de in het Omgevingsplan toebedeelde functie, moet worden onderzocht hoe dat op een aanvaardbare wijze kan worden gerealiseerd.

Op grond van Omgevingswet (afdeling 13.6 Ow) zijn overheden verplicht om de kosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen naar evenredigheid te verhalen op de initiatiefnemers die profijt hebben van de aan te leggen openbare voorzieningen. Indien sprake is van een ontwikkeling op eigendomsgronden van de overheid zelf, is het kostenverhaal verzekerd en zijn daartoe geen overeenkomst of kostenverhaalsregeling aan de orde.

Voor onderhavige wijziging van het Omgevingsplan geldt dat de uitbreiding op gronden van de gemeente Heeze-Leende plaatsvindt. De gemeente Heeze-Leende is zelf initiatiefnemer van de woningbouwontwikkeling De Bulders deelgebied 4. Het sluiten van een anterieure overeenkomst is hierdoor overbodig. De financiële uitvoerbaarheid van het plan is gegarandeerd.

Hoofdstuk 7 Procedure

Op de voorbereiding van een besluit tot wijziging van (een tijdelijk deel van) een omgevingsplan is ingevolge artikel 16.30 Omgevingswet de uniforme openbare voorbereidingsprocedure als bedoeld in afdeling 3.4 Awb van toepassing. De te doorlopen procedure ziet er grofweg als volgt uit

  • 1. Voorbereiding: de gemeente geeft op de daartoe voorgeschreven wijze kennis van het voornemen om het Omgevingsplan te wijzigen en geeft aan hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding worden betrokken.
  • 2. Ontwerp: de gemeente geeft op de daartoe voorgeschreven wijze kennis van de terinzagelegging van het ontwerp-Omgevingsplan, zodat iedereen gedurende een termijn van 6 weken dat het ontwerp-Omgevingsplan ter inzage ligt een zienswijze (schriftelijk of mondeling) kan indienen.
  • 3. Vaststelling: de gemeente stelt het (gewijzigde) Omgevingsplan vast en geeft daarbij aan hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken, wat de resultaten daarvan zijn en hoe invulling is gegeven aan het geldende participatiebeleid. Het besluit tot vaststelling van het gewijzigde Omgevingsplan wordt op de daartoe voorschreven wijze bekendgemaakt, en tegelijkertijd wordt kennisgegeven van de terinzagelegging dit besluit.
  • 4. Inwerkingtreding: het gewijzigde Omgevingsplan treedt in werking op de dag waarop 4 weken zijn verstreken sinds de dag waarop de gemeente het besluit op de daartoe voorgeschreven wijze bekend heeft gemaakt.
  • 5. Beroep: tegen het besluit tot wijzigen van het Omgevingsplan staat beroep open bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Het ontwerp TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d De Bulders deelgebied 4 te Heeze- Leende heeft met ingang van 5 september 2025 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Op het ontwerp-plan zijn vier zienswijzen ontvangen. Ter beantwoording van deze zienswijzen is een Nota van Zienswijzen (zie Bijlage 10) opgesteld. De wijzigingen volgend uit de zienswijzen worden hieronder kort toegelicht.

Het stedenbouwkundig plan is geactualiseerd en bijgevoegd bij deze ruimtelijke motivering.

Artikel 2.29 is opgenomen in de begripsbepaling om de definitie van een zorgwoning vast te leggen.

De verbeelding is aangepast aan de meest recente verkaveling. Het plangebied van het ontwerpplan is, net als de drie woningen die in een zienswijze worden genoemd, gelegen aan de zuidzijde van de Hendric Everslaan. Het parkeerterrein is voorzien ten westen van de Hendric Everslaan 33. Vanaf deze weg loopt, langs de huisnummers 21 t/m 27, een toegangsweg naar dit parkeerterrein. Na nadere bestudering is besloten om een voetpad direct achter de betreffende kavels aan te brengen. De rijbaan zal worden opgeschoven zodat de verkeersstromen naast elkaar worden afgewikkeld. Het bouwblok dat bedoeld is voor de woningen van WoCom (socialer verhuur) zal worden verplaatst in zuidelijke richting. De verschuiving van het bouwblok leidt tot een aanpassing van de verbeelding.

In samenspraak met de initiatiefnemers van de nieuw te bouwen woningen en De Bulders Woningbouw is besloten om de verkaveling ter plaatse van een aantal woningen aan te passen. De groenstrook tussen de betreffende bouwblokken en de parkeerkoffer zal niet worden aangebracht maar worden toegevoegd aan de bouwkavels. De bouwblokken zullen 2,5 meter zuidwaarts worden opgeschoven waardoor meer afstand wordt gecreëerd tussen de woning van reclamant en de nieuw te bouwen woningen. De wijziging leidt tot een aanpassing van de verbeelding.