direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Jagersweg 9, Haelen
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1640.BP22HnJagersweg9-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Aanleiding en plangebied

Voorliggend rapport betreft het bestemmingsplan "Jagersweg 9, Haelen" van de gemeente Leudal.

1.1 Aanleiding en doel

Op de locatie aan de Jagersweg 9 te Haelen is Jozef Verhoeven metaalrecycling gevestigd. Het bedrijf is met de bestemming 'Bedrijf' opgenomen in het bestemmingsplan "Reparatie- en veegplan Buitengebied Leudal 2016". Bij de voorbereiding van dit bestemmingsplan zijn echter twee kleine locaties nabij en respectievelijk grenzend aan de bedrijfsbestemming niet correct bestemd. Meer specifiek betreft het:

  • het perceel B2094, dat al langere tijd in gebruik is als parkeer- en rangeerterrein bij het bedrijf, maar waar de bestemming 'Natuur' is opgenomen;
  • de strook grond aan de oostzijde van de vigerende bedrijfsbestemming, die sinds langere tijd onderdeel is van het bedrijfsterrein, maar waar eveneens de bestemming 'Natuur' is opgenomen.

De gemeente Leudal heeft aangegeven medewerking te willen verlenen aan een correctie van het bestemmingsplan, door middel van een herziening daarvan. Daarbij geldt de voorwaarde dat een financiële bijdrage ten behoeve van het voorzien in een landschappelijke kwaliteitsverbetering moet worden geleverd.

Voorliggende toelichting bevat de ruimtelijke onderbouwing voor de bestemmingsplanherziening.

1.2 Plangebied en begrenzingen

Onderstaande afbeelding geeft de topografische situatie weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP22HnJagersweg9-VG01_0001.jpg"

TOPOGRAFISCHE SITUATIE

Onderstaande afbeelding geeft de kadastrale situatie weer. Tevens is de plangrens van voorliggend bestemmingsplan ingetekend en is het huidige bedrijfsterrein aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP22HnJagersweg9-VG01_0002.jpg"

KADASTRALE SITUATIE

De gronden zijn kadastraal bekend gemeente Leudal, sectie B, nummers 419 (gedeeltelijk), 420 (gedeeltelijk), 624 (gedeeltelijk), 626, 1673, 2053 (gedeeltelijk), 2094 en 2407 (gedeeltelijk). De oppervlakte van het plangebied bedraagt circa 10.000 m². De gronden zijn, op perceel 624 (gedeeltelijk) na, particulier eigendom. Middels de anterieure overeenkomst is afgesloten dat ook perceel 624 (gedeeltelijk) na vaststelling van dit bestemmingsplan particulier eigendom wordt.

1.3 Overzicht geldende ruimtelijke instrumenten

Ter plaatse van het plangebied vigeert het bestemmingsplan "Reparatie- en veegplan Buitengebied Leudal 2016", vastgesteld door de gemeenteraad op 3 juli 2018. Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de vigerende verbeelding. De ligging van het plangebied is aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP22HnJagersweg9-VG01_0003.jpg"

UITSNEDE VERBEELDING VIGEREND BESTEMMINGSPLAN

De gronden behorende bij Jozef Verhoeven metaalrecycling zijn in het vigerende bestemmingsplan bestemd als 'Bedrijf' en 'Natuur'. Ter plaatse van de bestemming 'Bedrijf' zijn de gronden onder andere aangewezen voor een bedrijf en/of het uitoefenen van bedrijfsmatige activiteiten die staan vermeld in de categorieën 1 en 2 van de Lijst van Bedrijfsactiviteiten; ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - metaalrecycling' tevens voor een metaalrecyclingbedrijf'; tuinen en erven; en groenvoorzieningen.

Ter plaatse van de bestemming 'Natuur' zijn de gronden andere aangewezen voor behoud en herstel van natuurlijke en landschappelijke waarden en extensief recreatief medegebruik. Deze bestemming voorziet niet in de bedrijfsvoering, zoals uitgevoerd door het metaalrecyclingbedrijf en het parkeer- en rangeerterrein op het perceel B2094.

Ter plaatse van het oostelijke deel van het plangebied geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5'. Deze dubbelbestemming verplicht archeologisch onderzoek bij bodemingrepen van bepaalde omvang.

Ter plaatse van het plangebied gelden voorts de gebiedsaanduidingen:

  • 'geluidzone - industrie' - geen nieuwe geluidgevoelige objecten toegestaan vanwege een hoge geluidbelasting vanwege industrielawaai;
  • 'vrijwaringszone - hoogspanningsverbinding' - geen gevoelige objecten toegestaan;
  • 'milieuzone - boringsvrije zone' - verboden de grond te roeren inclusief het verrichten van grondboringen of heiwerkzaamheden dieper dan 80 meter beneden het maaiveld;
  • 'milieuzone - extensiveringsgebied intensieve veehouderij' - uitbreiding, hervestiging, nieuwvestiging en omschakeling van intensieve veehouderij niet toegestaan;
  • 'overige zone - kernrandzone'- geen uitbreiding van de bestaande intensieve veehouderij niet toegestaan. Hieronder wordt de uitbreiding van het aantal dieren verstaan.
  • 'overige zone - landschappelijke elementen' - behoud van bestaande landschappelijke elementen.

Ter plaatse van het plangebied geldt de bouwaanduiding:

  • 'specifieke bouwaanduiding - keerwanden' - ter plaatse van deze aanduiding mogen keerwanden worden geplaatst met een maximale bouwhoogte van 5 meter ter hoogte van de bestemmingsgrens en in het overige deel (ten minste 12 meter uit de bestemmingsgrens) met een bouwhoogte van maximaal 8 meter. Tussen de bestemmingsgrens en de 12 meter in het plangebied mogen de keerwanden qua bouwhoogte geleidelijk oplopen.

Conclusie
De huidige bedrijfsvoering past niet binnen de bestemming 'Natuur' behorende bij het vigerende bestemmingsplan ''Reparatie- en veegplan Buitengebied Leudal 2016''. Een herziening van het bestemmingsplan is derhalve noodzakelijk.

Hoofdstuk 2 Bestaande situatie

Dit hoofdstuk geeft een ruimtelijk-functionele analyse van het plangebied. Onderstaande afbeelding geeft de bestaande toestand van de directe omgeving en het plangebied weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP22HnJagersweg9-VG01_0004.jpg"

DIRECTE OMGEVING

2.1 Algemeen

Het plangebied ligt nabij de kruising van de Galgenbergweg en de N273 aan de Jagersweg. Binnen het plangebied is metaalrecyclingbedrijf Jozef Verhoeven Metaalrecycling gevestigd. Behorende bij dit bedrijf is het perceel B2094 in gebruik als parkeer- en rangeerterrein voor klanten en leveranciers, stalling van eigen voertuigen en aanhangwagens en voor het wisselen van container bakken.

2.2 Ruimtelijke structuur

Direct grenzend aan de noordkant van het plangebied bevindt zich Jan Verhoeven Metaalrecycling. Dit bedrijf voert dezelfde werkzaamheden uit. Onderhavig bestemmingsplan heeft echter geen gevolgen voor dit bedrijf en wordt derhalve niet meegenomen in dit bestemmingsplan.

Het plangebied wordt ontsloten door de Jagersweg, een zijstraat van de Galgenbergweg die een verbindende functie heeft tussen de dorpskern van Haelen en de N273. De verkeersintensiteit van de Jagersweg is relatief laag.

2.3 Functionele structuur

Het plangebied is in gebruik door het metaalrecyclingbedrijf en wordt op de zuidelijke en oostelijke perceelsgrens omgeven door grote groene hagen ter afscherming van het bedrijf. Hierdoor wordt bij omwonende en passerende het zicht weggenomen op het bedrijf. Naast deze groene hagen bevat het plangebied geen groenstructuren. Tevens is er binnen het plangebied geen oppervlaktewater aanwezig.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

In dit hoofdstuk wordt het plan getoetst aan het relevante vigerende beleid. Achtereenvolgens komt aan de orde het beleid op:

  • Rijksbeleid;
  • Provinciaal beleid;
  • Gemeentelijk beleid.

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) op 11 september 2020 vastgesteld. De NOVI is inmiddels in werking getreden en is hiermee de opvolger van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). In dit strategisch beleidsdocument schetst de overheid een duurzaam perspectief voor de leefomgeving. Nederland staat de komende jaren voor grote opgaven: de bouw van 1 miljoen nieuwe woningen, duurzame energie opwekken, klimaatverandering, en de overgang naar een circulaire economie vragen meer ruimte dan er beschikbaar is. Daarom moeten er keuzes worden gemaakt om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig, gezond en welvarend te houden. In dit licht zijn de NOVI de nationale belangen opnieuw gedefinieerd:

  • 1. Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving;
  • 2. Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit;
  • 3. Waarborgen en versterken van grensoverschrijdende en internationale relaties;
  • 4. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving;
  • 5. Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften;
  • 6. Waarborgen en realiseren van een veilig robuust en duurzaam mobiliteitssysteem;
  • 7. In stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit;
  • 8. Waarborgen van een goede toegankelijkheid van de leefomgeving;
  • 9. Zorg dragen voor nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten;
  • 10. Beperken van klimaatverandering;
  • 11. Realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening die in 2050 CO2-arm is en de daarbij benodigde infrastructuur;
  • 12. Waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen;
  • 13. Realiseren van een toekomstbestendige circulaire economie;
  • 14. Waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit);
  • 15. Waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoendebeschikbaarheid van zoetwater;
  • 16. Waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat;
  • 17. Realiseren en behouden van een kwalitatief hoogwaardige digitale connectiviteit;
  • 18. Ontwikkelen van een duurzame voedsel- en agroproductie;
  • 19. Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang;
  • 20. Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit;
  • 21. Ontwikkelen van een duurzame visserij.

Analyse

Het voorgenomen initiatief is in lijn met de Omgevingsvisie en geeft invulling aan het realiseren van een toekomstbestendige circulaire economie en het waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. Bij de planvorming wordt rekening gehouden met de diverse milieuaspecten, landschap, water, natuur en cultuurhistorie, geheel in lijn met de NOVI.

Conclusie
Het initiatief voldoet aan de 'Nationale Omgevingsvisie (NOVI)'.

3.1.2 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

In 2012 heeft de Minister van Infrastructuur en Milieu de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) ondertekend. De SVIR geeft een integraal kader voor het ruimtelijk beleid en mobiliteitsbeleid op rijksniveau, en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. In de SVIR worden de ambities van het Rijk tot 2040 geschetst, alsmede doelen, belangen en opgaven tot 2028. In de SVIR kiest het Rijk voor minder nationale belangen en eenvoudiger regelgeving. De reeds ingezette trend om aan de provincies en gemeenten ruimte te laten inzake de ruimtelijke ontwikkelingen wordt versterkt in de SVIR.

De SVIR bevat 13 nationale belangen die worden beschermd middels het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening. Het gaat onder meer om militaire objecten en terreinen, de grote rivieren en het Natuurnetwerk Nederland. Voor het project zijn geen van de nationale belangen aan de orde. Er hoeft derhalve ook geen toetsing aan het Barro en het Rarro plaats te vinden.

3.1.3 Besluit ruimtelijke ordening: Ladder voor Duurzame Verstedelijking

Met het doel de ruimte zorgvuldig en duurzaam te gebruiken, is de Ladder voor Duurzame Verstedelijking opgesteld. Deze is verankerd in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (versie 1 juli 2017). Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen moet worden aangetoond dat deze voorzien in een behoefte, en moet - in geval van de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied plaatsvindt - een motivering worden opgenomen waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Projecten waarbij minder dan 400 m² aan bedrijfsgebouwen wordt gerealiseerd worden op basis van jurisprudentie niet als stedelijke ontwikkeling gezien. Voorliggend initiatief betreft enkel de planologische herbegrenzing van een bestaand bedrijf (zonder bouwmogelijkheden). De bebouwing en omgeving zal conform huidige situatie worden behouden. Een nadere toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is derhalve niet nodig.

Conclusie
Het initiatief voldoet aan het Besluit ruimtelijke ordening voor wat betreft het aspect Ladder voor Duurzame Verstedelijking.

3.2 Provinciaal niveau

3.2.1 Provinciale Omgevingsvisie (POVI)

Net als het Rijk (zie paragraaf 3.1.1) werkt ook de provincie Limburg, vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet, aan een Omgevingsvisie. Deze is in december 2020 door Gedeputeerde Staten vastgesteld en zal na vaststelling door Provinciale Staten het POL vervangen. Tot die tijd dient de planvorming te worden getoetst aan de Omgevingsvisie POL2014.

In de visie geeft de provincie aan hoe ze wil inspelen op de belangrijkste hoofdopgaven voor de komende jaren:

  • a. het realiseren van een aantrekkelijke, sociale gezonde en veilige leefomgeving in zowel stedelijk/bebouwd gebied als het landelijk gebied
  • b. een toekomstbestendige innovatieve en duurzame economie en landbouwtransitie
  • c. klimaatadaptatie en energietransitie.

Daarbij hanteert de provincie een aantal Limburgse principes

  • a. streven naar een inclusieve gezonde en veilige samenleving die uitnodigt tot ontmoeten, recreëren en maatschappelijke betrokkenheid
  • b. De kenmerken en identiteit van gebieden staan centraal. Een gebiedsgerichte aanpak is de basis voor samenwerking met andere partijen en initiatiefnemers en er is dus ruimte voor maatwerk.
  • c. Meer stad, meer land. Variatie in gebieden moet gekoesterd worden. Stedelijke functies worden geconcentreerd in compacte steden en landelijke gebieden worden als tegenhanger van de drukke stedelijke gebieden ontwikkeld
  • d. Zorgvuldig omgaan met de ruimte en voorraden, zowel onder- als bovengronds. Inzetten op sociaaleconomische ontwikkeling zonder vraagstukken af te wentelen naar volgende generaties (voorzorgsbeginsel).

Analyse

Onderhavig planvoornemen betreft enkel de planologische herbegrenzing van een bestaand bedrijf (zonder bouwmogelijkheden). Dit sluit aan bij de hoofdopgave: ''het realiseren van een aantrekkelijke, sociale gezonde en veilige leefomgeving in zowel stedelijk/bebouwd gebied als het landelijk gebied'', omdat middels de planologische herbegrenzing een veilige leefomgeving wordt gewaarborgd.

Daarnaast sluit onderhavig plan aan bij de volgende provinciale principes: ''De kenmerken en identiteit van gebieden staan centraal. Een gebiedsgerichte aanpak is de basis voor samenwerking met andere partijen en initiatiefnemers en er is dus ruimte voor maatwerk'' en ''Meer stad, meer land. Variatie in gebieden moet gekoesterd worden. Stedelijke functies worden geconcentreerd in compacte steden en landelijke gebieden worden als tegenhanger van de drukke stedelijke gebieden ontwikkeld''.

Conclusie

Het initiatief is passend binnen de 'Provinciale Omgevingsvisie (POVI)'.

3.2.2 Omgevingsvisie Limburg 2021

Op 1 oktober 2021 is door de Gedeputeerde Staten de Omgevingsvisie Limburg 2021 vastgesteld en is in werking getreden. Hiermee komt de Omgevingsvisie POL2014 te vervallen.

De Omgevingswet gaat uit van het zoeken naar de balans tussen het beschermen én benutten van de fysieke leefomgeving waarin we leven, wonen, werken, leren en onze vrije tijd besteden. De Omgevingsvisie is geen blauwdruk voor de toekomst. Bij (nieuwe) ontwikkelingen kunnen we nog keuzes maken. Daarbij kiezen we voor maatwerk en houden we rekening met het karakter en mogelijkheden van een gebied en de afweging van belangen op lokale schaal. Als we afwegingen maken, doen we dat op basis van de onderstaande Limburgse principes:

  • Er wordt gestreefd naar een inclusieve, gezonde en veilige samenleving;
  • De kenmerken en identiteit van gebieden staan centraal;
  • Er wordt zowel ingezet op duurzame verstedelijking als op transitie van landelijk gebied;
  • Er wordt zorgvuldig omgegaan met onze ruimte en voorraden bovengronds én ondergronds;

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP22HnJagersweg9-VG01_0005.jpg"

UITSNEDE OMGEVINGSVISIE LIMGBURG 2021

Analyse

Het plangebied ligt in de zone 'Buitengebied'. Het buitengebied betreft de landelijke gebieden op de Zuid-Limburgse plateaus en op de hogere zandgronden in Noord- en Midden-Limburg, samen zo'n 85.000 hectaren groot. Op de hogere zandgronden van Noord- en Midden-Limburg is, rekening houdend met de droogtegevoeligheid en de kwaliteit van de grondwatervoorraden, een breed scala aan grondgebruiksvormen mogelijk, rekening houdend met de ruimteclaims vanuit de verschillende transitieopgaves.

De provincie bekijkt ontwikkelingsprojecten vanuit een brede maatschappelijke context. Dit vraagt een integrale aanpak van locaties en gebieden in de vorm van herstructurering en transformatie/herbestemming in centra, buurten, wijken, dorpen en het buitengebied. Bij deze keuzes wordt rekening gehouden met samen- hangende belangen zoals leegstand bij detailhandel, kantoren, maatschappelijk vastgoed, monumenten, etc. Daarnaast wordt de opgave altijd bezien in samenhang met veiligheid en leefbaarheid. Met het stimuleren van de verduurzamingsopgave en het levensloopbestendig maken van bestaande en nieuwe trajecten zien wij meekoppelkansen voor een klimaatbestendige en klimaatadaptieve omgeving.

Onderhavig planvoornemen betreft enkel de planologische herbegrenzing van een bestaand bedrijf (zonder bouwmogelijkheden). Hiermee wordt aangesloten bij het aspect klimaatbestendige en klimaatadaptieve omgeving.

Conclusie

Zowel de aard van de ontwikkeling sluit aan bij de 'Omgevingsvisie Limburg 2021'.

3.2.3 Omgevingsverordening Limburg 2014

De Omgevingsverordening Limburg 2014 (geconsolideerde versie december 2018) stelt regels aan de inhoud van ruimtelijke plannen voor die aspecten waar provinciale of nationale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken.
Het hoofdstuk 'Ruimte' (hoofdstuk 2) is gericht op doorwerking van het ruimtelijke beleid van de POL2014 naar gemeentelijke ruimtelijke plannen.

Analyse

Het plangebied ligt gedeeltelijk in de 'Goudgroene natuurzone'. Binnen deze zone zijn geen nieuwe activiteiten of wijzigingen van bestaande activiteiten toegestaan, die de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied aantasten (artikel 2.6.2). Dit verbod is niet van toepassing op een individuele, kleinschalige ingreep die leidt tot verbetering van de 'Goudgroene natuurzone' in het desbetreffende gebied (artikel 2.6.5), indien:

  • a. de voorgestelde ingreep slechts leidt tot een beperkte aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden en samenhang van de Goudgroene natuurzone in het desbetreffende gebied;
  • b. de voorgestelde ingreep leidt tot een kwalitatieve versterking van de Goudgroene natuurzone;
  • c. de oppervlakte natuur van de Goudgroene natuurzone ten minste gelijk blijft, en
  • d. de kwaliteitswinst niet wordt gefinancierd uit reguliere middelen voor realisatie van de Goudgroene natuurzone.

ad a.   Hoewel het plangebied in de verordening is aangeduid als 'Goudgroene natuurzone', is feitelijk al geruime tijd sprake van een bedrijfsterrein. Het planvoornemen omvat hierdoor niet het wegnemen van bestaande natuur. Bovendien ligt het niet in de lijn der verwachting dat het in de verordening beoogde gebruik daadwerkelijk zal worden gerealiseerd.  
ad b + c.   Hoewel er sprake is van een bestemmingscorrectie, is compensatie noodzakelijk. Voor het perceel B2094 heeft in het kader van de aanleg van de omleiding N273 al compensatie plaatsgevonden. Ter compensatie van het overige deel van het plangebied betaalt de initiatiefnemer aan de provincie Limburg een compensatiebijdrage. De provincie voorziet vervolgens in de aanleg van nieuw natuurgebied. Het plan inclusief compensatie leidt niet tot een afname van de oppervlakte 'Goudgroene natuurzone'. Door het aanleggen van de nieuwe natuur op een strategische locatie kan er bovendien sprake zijn van een kwalitatieve versterking.  
ad d   De kwaliteitswinst wordt behaald door de financiële bijdrage door de initiatiefnemer.  

Conclusie
Het plan voldoet aan de regels van de provinciale Omgevingsverordening Limburg 2014.

3.3 Gemeentelijk niveau

3.3.1 Structuurvisie gemeente Leudal

Door de gemeente Leudal is op 14 april 2010 de Structuurvisie ''Leudal'' vastgesteld, waarin de gemeentelijke structuren voor een periode van 10 tot 15 jaar is vastgelegd.

Het plangebied is onderdeel van de werkgebieden van de gemeente. De structuurvisie voorziet in ontwikkelingen die primair plaatsvinden op bestaande bedrijventerreinen of op nieuwe te ontwikkelen bedrijventerreinen, aansluitend op bestaande terreinen, waarbij in eerste instantie aansluiting dient te worden gezocht bij bedrijventerrein Laak en/of bedrijventerrein Ittervoort.

Het plan omvat een bestemmingscorrectie van een bestaande bedrijfsbestemming. Het plan leidt niet tot de nieuwvestiging van een bedrijf.

Conclusie

Het plan past binnen c.q. is niet in strijd met de structuurvisie ''Leudal''.

3.3.2 Beleidsnota Gebiedsgericht Geluidbeleid Gemeente Leudal

Door de gemeente Leudal is op 9 oktober 2014 de Beleidsnota 'Gebiedsgericht geluidbeleid gemeente Leudal - Actualisatie - Evaluatie 2014'' vastgesteld, waarin de gemeente het in 2011 vastgestelde geluidbeleid op enkele punten heeft aangepast.

Het doel van dit geluidbeleid is het streven naar een zodanige geluidskwaliteit dat in de directe leefomgeving slechts verwaarloosbare risico's voor de gezondheid worden gelopen en geen ernstige hinder wordt ondervonden. Hierin wordt lokaal geluidbeleid toegepast om het geluid binnen de gemeente zo goed mogelijk te beheersen en te reguleren.

Analyse

Onderhavig planvoornemen maakt geen deel uit van het gezoneerde bedrijventerrein 'Zevenellen - Windmolenbos'. Desalniettemin ligt onderhavig plangebied wel binnen de geluidcontour van dit gezoneerde bedrijventerrein. Omdat middels onderhavig bestemmingsplan geen geluidsgevoelige inrichtingen of objecten worden mogelijk gemaakt is dit aspect niet van toepassing.

Conclusie

Het plan past binnen c.q. is niet in strijd met de Beleidsnota 'Gebiedsgericht geluidbeleid gemeente Leudal - Actualisatie - Evaluatie 2014''.

3.3.3 Nota kwaliteit gemeente Leudal

Op 2 februari 2010 heeft de gemeente Leudal, gelijktijdig met de structuurvisie, de Nota kwaliteit vastgesteld. In de nota kwaliteit is het beleid van de gemeente opgenomen met betrekking tot de ruimtelijke kwaliteit. De nota vertaalt het provinciale beleid ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit, zoals is opgenomen in het Limburgs Kwaliteitsmenu 2010, in concrete beleidsuitgangspunten voor de gemeente. De gemeente Leudal heeft in de nota het beleid uit het Limburgs Kwaliteitsmenu onverkort opgenomen. Daarmee is het beleid uit het Limburgs Kwaliteitsmenu onverkort van toepassing op ontwikkelingen in de gemeente Leudal.

Bij bepaalde ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied eist het Limburgs Kwaliteitsmenu een bijdrage aan de ruimtelijke kwaliteit, zie paragraaf 4.2. Het gaat daarbij vooral om de 'niet gebiedseigen' ontwikkelingen. Via de kwaliteitsbijdrage wordt de ingreep in de ruimtelijke omgeving gecompenseerd, zodat per saldo sprake is van een kwaliteitsverbetering. De kwaliteitsbijdrage is afhankelijk van het soort ontwikkeling en het gebied waarin de ontwikkeling plaatsvindt. Als onderdeel van de afspraken tussen provincie en gemeente wordt de (minimale) drempelwaarde voor een aantal ontwikkelingen opgenomen in de gemeentelijke kwaliteitsmenu's. Deze paragraaf bevat een beschrijving van de wijze van de kwaliteitsbijdrage.

3.3.3.1 Benodigde investering

Ruimtelijke ontwikkelingen worden in de provincie Limburg ingedeeld in 13 categorieën. Voorliggend plan leidt tot de planologische uitbreiding van een solitair bedrijf in het buitengebied. De provincie eist bij deze ontwikkeling een kwaliteitsbijdrage van € 35,- per m² nieuw te bestemmen bedrijfsterrein.

Uit de berekening volgt dat de benodigde kwaliteitsbijdrage 922 m² x € 35,- = € 32.270,- bedraagt. Deze berekening is als bijlage opgenomen in de overeenkomst tussen de gemeente en initiatiefnemer, zie paragraaf 3.3.3.2. De Kwaliteitscommissie heeft hiermee ingestemd (zie bijlage 1).

3.3.3.2 Zekerstelling kwaliteitsbijdrage

De realisatie van de kwaliteitsverbetering inclusief de betaling van de financiële bijdrage is vastgelegd in een privaatrechtelijke overeenkomst. Hiermee is de kwaliteitsbijdrage verzekerd.

Hoofdstuk 4 Planbeschrijving

In dit hoofdstuk is de beschrijving van het plan opgenomen.

4.1 Doelstelling en uitgangspunten

Onderhavig bestemmingsplan betreft, zoals eerder aangegeven, uitsluitend een bestemmingsgrenscorrectie; zodat deze overeenkomt met de feitelijke situatie. Hoewel het bedrijfsterrein planologisch wordt vergroot, vindt er feitelijk geen vergroting van het bedrijf plaats. De bestaande bedrijfsvoering wordt in dezelfde omvang voortgezet. Het plangebied blijft hierin onveranderd ontsloten via de Jagersweg en de Galgenbergweg. Het aantal verkeersbewegingen neemt niet toe.

Op onderstaande afbeeldingen is de huidige situatie (met zwart omlijnd de bebouwing) en de aanwezige vloeistofdichte vloeren weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP22HnJagersweg9-VG01_0006.jpg"   afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP22HnJagersweg9-VG01_0007.jpg"  

4.2 Landschappelijke inpassing

Het bedrijfsterrein is thans voldoende landschappelijk ingepast. Er worden geen nieuwe groenstructuren of oppervlaktewater aangebracht. Echter dient het initiatief wel te voldoen aan de 'kwaliteitsverbetering van het landschap', doordat het gelegen is buiten de bebouwde kom van Haelen. Dit aspect is thans toegelicht in paragraaf 3.3.3.

4.3 Ontwikkelingen nabij plangebied

Voor zover bekend zijn er in de nabije omgeving van het plangebied geen ontwikkelingen die momenteel in voorbereiding dan wel in uitvoering zijn.

Hoofdstuk 5 Onderzoeksaspecten

In dit hoofdstuk worden de uitvoeringsaspecten beschreven. Achtereenvolgens komen aan de orde:

  • 1. milieu;
  • 2. waarden;
  • 3. waterhuishouding.

5.1 Milieu

Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet een toetsing plaatsvinden van de voorgenomen ontwikkelingen aan de relevante milieuaspecten, teneinde het toekomstige gebruik af te stemmen op de omgeving. In deze paragraaf worden de milieuaspecten afzonderlijk beschreven.

5.1.1 Bodemkwaliteit
5.1.1.1 Inleiding

Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet worden beoordeeld of de bodemkwaliteit past bij deze nieuwe functie.

5.1.1.2 Analyse

Het initiatief omvat geen uitbreiding van bebouwing en betreft geen bestemmingswijziging naar een gevoeligere functie. Het uitvoeren van een bodemonderzoek is niet noodzakelijk.

5.1.1.3 Conclusie

Het aspect bodemkwaliteit vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.2 Bedrijven en milieuzonering
5.1.2.1 Inleiding

Om te voorkomen dat als gevolg van het plan voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten optreden moet worden getoetst of:

  • de voorgenomen ontwikkeling van invloed is op omliggende milieugevoelige objecten (woningen etc.) en of de voorgenomen ontwikkeling een belemmering vormt voor de bedrijfsvoering van omliggende inrichtingen;
  • bestaande milieubelastende inrichtingen (bedrijven) van invloed zijn op de voorgenomen ontwikkeling.

Basis voor deze toetsing vormt de handreiking "Bedrijven en milieuzonering" (VNG, Den Haag, 2009), waarin richtafstanden zijn opgenomen voor diverse bedrijfstypen.

5.1.2.2 Analyse

Invloed plan op de omgeving
Een metaalrecyclingbedrijf (SBI-code 5157.2/3) betreft een categorie 3.2-bedrijf met een richtafstand van 100 meter. Binnen deze afstand, gemeten vanuit de nieuwe bedrijfsbestemming, bevinden zich geen milieugevoelige objecten.

Invloed omliggende inrichtingen op plan
Het plan omvat geen milieugevoelige objecten.

5.1.2.3 Conclusie

Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.3 Externe veiligheid
5.1.3.1 Inleiding

Bij het mogelijk maken van nieuwe gevoelige functies is het aspect externe veiligheid van belang. Dit heeft betrekking op inrichtingen, buisleidingen en transportroutes waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, met fatale gevolgen voor personen die geen directe relatie hebben tot de risicovolle activiteit.

5.1.3.2 Analyse

Met het initiatief worden geen kwetsbare objecten toegevoegd. Een nadere toetsing aan het aspect externe veiligheid is niet aan de orde.

5.1.3.3 Conclusie

Het aspect externe veiligheid vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.4 Geurhinder veehouderijen
5.1.4.1 Inleiding

Bij ruimtelijke ontwikkelingen nabij agrarische bedrijven is het aspect geurhinder van belang. Er moet worden aangetoond dat het plan geen belemmering vormt voor agrarische bedrijven en dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plan.

5.1.4.2 Analyse

Het plan omvat geen nieuwe geurgevoelige objecten. Een nadere toetsing aan het aspect geurhinder veehouderijen is niet aan de orde.

5.1.4.3 Conclusie

Het aspect geurhinder veehouderijen vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.5 Geluid
5.1.5.1 Inleiding

Ruimtelijke ontwikkelingen moeten voldoen aan de regelgeving inzake geluidhinder. In de Wet geluidhinder (Wgh) wordt onderscheid gemaakt in verkeerslawaai en industrielawaai. In de Wgh zijn normen voor maximaal toelaatbare geluidsbelasting op (de gevels van) geluidgevoelige objecten vastgelegd.

5.1.5.2 Analyse

Het plan omvat geen nieuwe geluidgevoelige objecten. Een nadere toetsing aan het aspect geluidhinder is niet aan de orde.

5.1.5.3 Conclusie

Het aspect geluid vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.6 Luchtkwaliteit
5.1.6.1 Inleiding

Om personen tegen de gevolgen van luchtverontreiniging te beschermen zijn in de Wet milieubeheer normen opgenomen voor bepaalde stoffen. Bij de beoordeling van het aspect luchtkwaliteit moet enerzijds aangetoond worden dat een ruimtelijke ontwikkeling niet leidt tot een (significante) overschrijding van de luchtkwaliteitsnormen en anderzijds dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

5.1.6.2 Analyse

Effecten plan op luchtkwaliteit
Het initiatief leidt niet tot een toename van het aantal verkeersbewegingen. Hierdoor heeft dit initiatief geen direct effect op de luchtkwaliteit.

Goed woon- en leefklimaat

Het plan ligt niet in de nabijheid van zware industrie, (een concentratie van meerdere) intensieve veehouderijen of drukke vaarwegen. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied.

5.1.6.3 Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.7 Volksgezondheid
5.1.7.1 Inleiding

Het aspect volksgezondheid heeft de laatste jaren meer aandacht gekregen bij het opstellen van bestemmingsplannen. Aangetoond moet worden dat een ruimtelijke ontwikkeling geen negatief effect heeft op de volksgezondheid.

Een beoordeling van de effecten op de volksgezondheid doet zich met name voor de ontwikkeling van of in de buurt van veehouderijen, boom- en fruitteelt en hoogspanningsverbindingen. In deze paragraaf wordt het plan aan deze aspecten getoetst.

5.1.7.2 Veehouderijen

Bij het beoordelen van de effecten van veehouderijen op de volksgezondheid wordt onderscheid gemaakt in endotoxinen en geitenhouderijen.

Endotoxinen
Endotoxinen zijn bouwstenen van bepaalde bacteriën die een toxisch effect op de mens kunnen hebben en tot gezondheidsklachten kunnen leiden. Endotoxinen komen vaak voor in fijnstof van intensieve veehouderijen. De Gezondheidsraad hanteert een advieswaarde van 30 endotoxine-eenheden per kubieke meter (EU/m³) voor de maximale blootstelling aan endotoxinen in de buitenlucht over een langere periode.
Omdat thans nog een toetsingskader wordt voorbereid, wordt voor de beoordeling de "Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingkader 1.0" gehanteerd. Daarin zijn afstandsgrafieken opgenomen voor de relevante diersoorten vleeskuikens, legkippen en vleesvarkens gerelateerd aan de fijnstofemissie. In algemene zin kan worden gesteld dat het effect van endotoxinen tot maximaal 600 meter van veehouderijen plaatsvindt.

Analyse
Het plan omvat geen nieuwe milieugevoelige objecten. Een nadere beoordeling aan het aspect endotoxinen kan achterwege blijven.

Geitenhouderijen
Uit onderzoek is gebleken dat omwonenden in een straal van 2 km rondom geitenhouderijen een verhoogde kans hebben op longontsteking. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van geitenhouderijen moet beoordeeld worden of er een effect is op de volksgezondheid.

Analyse
Het plan omvat geen nieuwe milieugevoelige objecten. Een nadere beoordeling aan het aspect geitenhouderijen kan achterwege blijven.

5.1.7.3 Boom- en fruitteelt

Bij boom- en fruitteelt worden vaak gewasbeschermingsmiddelen gebruikt. Deze middelen kunnen een gevaar opleveren voor de volksgezondheid. Als gevolg van de wind kunnen gewasbeschermingsmiddelen verwaaien. Dit wordt drift genoemd. Om te voorkomen dat derden als gevolg van drift in aanraking komen met gewasbeschermingsmiddelen wordt een spuitzone van 50 meter gehanteerd.

Analyse
Het plan leidt niet tot het toevoegen van woningen of andere functies waar personen gedurende langere tijd verblijven. Daarnaast wordt opgemerkt dat de gronden rondom het plangebied thans niet in gebruik zijn voor boom- en fruitteelt en bovendien ook niet zijn aangewezen als boomteeltontwikkelingsgebied. Geconcludeerd wordt dat er geen rekening gehouden hoeft te worden met spuitzones als gevolg van boom- en fruitteelt.

5.1.7.4 Hoogspanningsverbindingen

De magnetische velden in de buurt van hoogspanningsverbindingen kunnen invloed hebben op de gezondheid. Het beleid van de Rijksoverheid is erop gericht om zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied rondom bovengrondse hoogspanningsverbindingen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla.

Analyse
Het plan leidt niet tot het toevoegen van woningen of andere functies waar kinderen gedurende langere tijd verblijven. Er is geen nader onderzoek nodig.

5.1.7.5 Conclusie

Het aspect volksgezondheid vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.8 Milieueffectrapportage
5.1.8.1 Inleiding

Het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) is ontwikkeld om het milieubelang volwaardig in de besluitvorming te betrekken. In de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage zijn de activiteiten genoemd waarvoor een m.e.r.-plicht of een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt, of waarvoor een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig is.

5.1.8.2 Analyse

Op 7 juli 2017 is een wijziging van het Besluit m.e.r. in werking getreden. Eén van de belangrijkste gevolgen van deze wetswijziging is dat de effecten voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst door middel van een vormvrije m.e.r.-beoordeling in beeld moeten worden gebracht. Het maakt daarvoor niet uit of een activiteit onder of boven de D-drempel waarde zit.

Omdat de activiteit voorkomt in kolom 1 van de D-lijst dient een vormvrije m.e.r.- beoordeling te worden verricht. Hiertoe dient een MER-aanmeldnotitie te worden opgesteld op basis waarvan beoordeeld wordt of het noodzakelijk is een milieueffectrapportage op te stellen.

Deze MER-aanmeldnotitie is opgenomen als bijlage 2 bij de toelichting.

Het college van Burgemeester en wethouders heeft, conform bijlage 3, ingestemd met de opgestelde MER-aanmeldnotitie.

5.1.8.3 Conclusie

Het plan is niet m.e.r.(-beoordelings)plichtig. Het plan heeft geen belangrijke nadelige milieugevolgen.

5.2 Waarden

5.2.1 Archeologie
5.2.1.1 Inleiding

Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 Bro moet bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden worden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische monumenten.

5.2.1.2 Analyse

Het oostelijke deel van het plangebied kent de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5'. Het initiatief zorgt derhalve niet voor een nieuwe verstoring van de gronden. Hierdoor is een onderzoek niet noodzakelijk.

Er kan niet worden uitgesloten dat in de toekomst alsnog bodemingrepen plaatsvinden. Daarom is de vigerende archeologische dubbelbestemming in voorliggend plan overgenomen.

5.2.1.3 Conclusie

Het aspect archeologie vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.2.2 Cultuurhistorie
5.2.2.1 Inleiding

Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 Bro moet bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden worden met de aanwezige cultuurhistorische waarden.

5.2.2.2 Analyse

Binnen het plangebied zijn geen cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig. Het plan tast geen waardevolle elementen aan.

5.2.2.3 Conclusie

Het aspect cultuurhistorie vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.2.3 Natuurwaarden
5.2.3.1 Inleiding

Ten behoeve van de bescherming van natuurwaarden geldt de Wet natuurbescherming. De daarin opgenomen bescherming omvat de onderdelen:

  • gebiedsbescherming;
  • soortenbescherming;
  • bescherming van houtopstanden.

5.2.3.2 Analyse

Gebiedsbescherming
Het plangebied ligt niet binnen een beschermd gebied, zoals opgenomen in Natura 2000 en het Natuurnetwerk Limburg.

Ook bij ontwikkelingen buiten natuurgebieden moet het effect worden beoordeeld, de zogenaamde 'externe werking'. Het gaat dan met name om stikstofdepositie. Conform de Wet natuurbescherming mag de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden namelijk niet toenemen. Er geldt dan ook een grenswaarde van 0,00 mol/hectare/jaar.
Om de effecten van onderhavig plan op de omliggende Natura 2000-gebieden te bepalen is een stikstofdepositie-onderzoek uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is als bijlage 4 bijgevoegd. Uit het onderzoek volgt dat het plan niet leidt tot een toename van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Er is dan ook geen ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming nodig. Daarnaast geldt gezien de afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied dat de verstoring door licht, geluid en optische verstoringen die voortvloeien uit het plan niet voor significante gevolgen zorgen.

Soortenbescherming
Het plan omvat uitsluitend een correctie van bestemmingen voor een bestaand bedrijf. Er vinden geen ontwikkelingen plaats die de mogelijk aanwezige natuurwaarden verstoren. Aanvullend wordt opgemerkt dat de zorgplicht als genoemd in artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming te allen tijde van toepassing is.

Bescherming van houtopstanden
Het plan omvat niet het kappen van bomen buiten de bebouwde kom of in een houtopstand van meer dan 10 are, of het kappen van een bomenrij van meer dan 20 bomen. Er is derhalve geen herplantplicht conform artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming.

5.2.3.3 Conclusie

Het aspect natuurwaarden vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.3 Waterparagraaf

5.3.1 Inleiding

Het plangebied ligt binnen het beheergebied van Waterschap Limburg

De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is dat de waterbelangen evenwichtig worden meegewogen bij de totstandkoming van een plan. Deze waterparagraaf is een onderdeel van de watertoets. De waterparagraaf beschrijft zowel de huidige als toekomstige waterhuishoudkundige situatie (oppervlaktewater, grondwater, hemelwater en afvalwater).

5.3.2 Beleid

De verschillende overheidslagen hebben hun waterbeleid vastgelegd in diverse beleidsdocumenten. De algemene strekking met betrekking tot ruimtelijke ontwikkelingen betreft:

  • het scheiden van het schone hemelwater en het vuile afvalwater;
  • het verwerken van het hemelwater op het eigen terrein, of middels een gezamenlijke voorziening heeft de voorkeur boven afvoer via het oppervlaktewater.

5.3.3 Watersysteem

Het initiatief leidt uitsluitend tot een planologische bestemmingscorrectie, zodat deze overeenkomen met de feitelijke situatie. Hierin vinden geen fysieke ontwikkelingen plaats, waardoor de waterhuishoudkundige situatie ongewijzigd blijft.

Hoofdstuk 6 Juridische aspecten

6.1 Algemeen

In dit hoofdstuk wordt toegelicht op welke wijze het plan juridisch is vertaald. Deze juridische vertaling is bindend.

Het bestemmingsplan bestaat uit:

  • de toelichting;
  • de planregels;
  • de verbeelding.

De toelichting heeft geen juridisch bindende werking. De toelichting heeft wel een belangrijke functie voor de onderbouwing van het plan en ook bij de verklaring van de bestemmingen en planregels, en in het bijzonder ten aanzien van de regels inzake nadere eisen en afwijkingen.

De planregels vormen de juridische regels voor gebruik van de gronden, de toegelaten bebouwing en het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken.

De verbeelding geeft de geografische ligging van de bestemmingen en aanduidingen weer. De verbeelding vormt samen met de planregels het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan.

Het bestemmingsplan voldoet aan de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012.

6.2 Planregels

De indeling van de planregels is als volgt.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Hoofdstuk 4 Overgangsregels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Begrippen (artikel 1 )
In dit artikel zijn de begrippen die in de planregels worden gehanteerd gedefinieerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis.

Wijze van meten (artikel 2 )
In dit artikel is aangegeven hoe de hoogte en andere maten, die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Bedrijf (artikel 3)

Deze bestemming is gelegd op het oostelijke plangebied. Ter plaatse zijn niet-agrarische bedrijfsactiviteiten toegestaan in de milieucategorieën 1 en 2, alsmede een metaalrecyclingbedrijf.

Verkeer (artikel 4)

Aan het westelijke plangebied is de bestemming 'Verkeer' toegekend.

Waarde - Archeologie 5 (artikel 5)

De gebieden met een archeologische verwachtingswaarden zijn conform de gemeentelijke archeologische beleidskaart bestemd als 'Waarde - Archeologie'. Ter plaatse van het plangebied geldt waarde 5, overeenkomstig de nummering van de archeologische beleidskaart.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Anti-dubbeltelregel (artikel 6 )
In dit artikel is bepaald dat gronden, die al eens als berekeningsgrondslag voor bouwen hebben gediend, niet nogmaals als zodanig kunnen dienen.

Algemene bouwregels (artikel 7 )
Dit artikel bevat regels ten aanzien van ondergronds bouwen en ten aanzien van ondergeschikte bouwdelen en afwijkende bestaande bebouwing.

Algemene gebruiksregels (artikel 8 )
In dit artikel is nader omschreven welke vormen van gebruik in ieder geval als strijdig met het bestemmingsplan worden aangemerkt. Tevens zijn regels ten aanzien van het voorzien in voldoende parkeergelegenheid opgenomen.

Algemene aanduidingsregels (artikel 9 )
Dit artikel bevat de regels die ter plaatse van de opgenomen gebiedsaanduidingen gelden.

Algemene afwijkingsregels (artikel 10 )
In dit artikel is een aantal algemene en specifieke afwijkingsmogelijkheden opgenomen.

Algemene wijzigingsregels (artikel 11 )
Dit artikel bevat een aantal algemene wijzigingsregels.

Algemene procedureregels (artikel 12 )
In het artikel 'Algemene procedureregels' is de procedure voor zijn voorde nadere eisen verwoord.

Overige regels (artikel 13 )
Binnen het artikel 'Overige regels' is de prioritering van dubbelbestemmingen bepaald.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Overgangsrecht (artikel 14 )
Voor volgens de regels afwijkende bestaande bebouwing is voor de omvang, het onderhoud en de herbouw een overgangsregel opgenomen. Dit artikel bevat tevens een overgangsregel ten aanzien van het voortzetten van bestaand gebruik dat in strijd met het bestemmingsplan is.

Slotregel (artikel 15 )
Hier wordt vermeld onder welke naam de regels van dit bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.

Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid

7.1 Economische uitvoerbaarheid

Artikel 6.12 lid 1 Wro verplicht de gemeente een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop bepaalde bouwactiviteiten zijn voorgenomen, tenzij het kostenverhaal 'anderszins verzekerd' is (artikel 6.12 lid 2a Wro).

In artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) zijn de bouwactiviteiten genoemd waarvoor het vaststellen van een exploitatieplan verplicht is. De in voorliggend bestemmingsplan opgenomen ontwikkelingen behoren niet tot de in het Bro genoemde bouwactiviteiten. Het vaststellen van een exploitatieplan is derhalve niet verplicht.

Uit de gemeentelijke grondexploitatie volgt dat voldoende middelen aanwezig zijn om de voorgenomen ontwikkeling te kunnen realiseren. De financiële uitvoerbaarheid van het plan is hiermee aangetoond.

7.2 Maatschappelijke haalbaarheid

7.2.1 Inspraakprocedure

Het bestemmingsplan wordt niet ter inzage gelegd ten behoeve van de wettelijke inspraakprocedure.

7.2.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro

Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, waar nodig, overleg dienen te plegen met betrokken instanties.

7.2.3 Zienswijzenprocedure

Het ontwerpbestemmingsplan zal gedurende 6 weken ter inzage worden gelegd. Eventuele zienwijzen zullen ter zijner tijd worden opgenomen.

7.2.4 Omgevingsdialoog

Naar aanleiding van een door de buurman ingediend handhavingsverzoek wordt onderhavige procedure doorlopen. Gezien het feit dat de buurman de enige, in de omgeving aanwezige, omwonende/gebruiker betreft is ervoor gekozen om geen omgevingsdialoog te houden. Achterliggende reden is dat er thans een mediatontraject is afgerond (zonder succes). Het voeren van een omgevingsdialoog is derhalve niet doelmatig.

7.3 Procedure

7.3.1 Terinzagelegging ontwerp bestemmingsplan

Het ontwerp bestemmingsplan heeft ter inzage gelegen van 9 februari 2023 tot en met 22 maart 2023. In deze periode zijn er geen zienswijzen ingebracht.

7.3.2 Vaststelling gemeenteraad

De gemeenteraad heeft het bestemmingsplan op 4 juli 2023 formeel ongewijzigd vastgesteld.