direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Processieweg 7 te Kelpen-Oler
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1640.BP19KoProcessiewg7-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

De eigenaar van het glastuinbouwbedrijf aan de Processieweg 7 in Kelpen-Oler is voornemens om de bestaande kas uit te breiden. In het op 3 juli 2018 vastgestelde bestemmingsplan 'Reparatie- en veegplan Buitengebied Leudal 2016', is de bedrijfslocatie volledig bestemd tot 'Agrarisch'. Voor het bedrijf is een bouwvlak op de verbeelding opgenomen waarbinnen de bestaande bebouwing is gelegen. De beoogde uitbreiding is geprojecteerd buiten het bouwvlak. De uitbreiding kan derhalve alleen worden gerealiseerd nadat middels een bestemmingslan het bouwvlak is vergroot.

In het vigerende bestemmingsplan is binnen de bestemming 'Agrarisch' een wijzigingsbevoegdheid opgenomen, waarmee het college van burgemeester en wethouders onder voorwaarden bevoegd is het plan te wijzigen ter plaatse van de aanduiding 'glastuinbouw' voor uitbreiding en/of vormverandering van het bouwvlak eventueel in combinatie met de uitbreiding en/of vormverandering van de aanduiding 'glastuinbouw', onder andere onder de voorwaarde de uitbreiding of vormverandering er niet toe mag leiden dat het bouwvlak groter wordt dan 3 ha. Inclusief de uitbreiding zal het bouwvlak in de nieuwe situatie echter groter zijn dan 3 ha. Van de genoemde wijzigingsbevoegdheid kan derhalve geen gebruik worden gemaakt. Hiervoor dient een bestemmingsplan te worden vastgesteld. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in een juridisch-planologische regeling van de uitbreidingsplannen.

1.2 Ligging en grens van het plangebied

Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Leudal, ten zuidoosten van de kern Kelpen-Oler, aan de Processieweg - hoek Heideweg. De globale ligging van het plangebied is weergegeven op de onderstaande topografische kaart en de exacte begrenzing is weergegeven op de navolgende kadastrale kaart.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP19KoProcessiewg7-VG01_0001.png"  
Afbeelding 1.1 Topografische kaart omgeving kern Kelpen-Oler, met aanduiding globale ligging plangebied  

1.3 Vigerend juridisch-planologisch kader

Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Reparatie- en veegplan Buitengebied Leudal 2016', vastgesteld door de gemeenteraad van Leudal op 3 juli 2018. Binnen dit bestemmingsplan is het volledige plangebied bestemd tot 'Agrarisch'. Voor de bestaande bebouwing is een bouwvlak opgenomen op de verbeelding. Ten noordenoosten van het bestaande bouwvlak is een waterbassin voor het bestaande glastuinbouwbedrijf gelegen. Dit bassin dient volgens de systematiek van het geldende bestemmingsplan formeel bínnen het bouwvlak te liggen.

Binnen de bestemming 'Agrarisch' is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen ten behoeve van uitbreiding en/of vormverandering van het bouwvlak eventueel in combinatie met de uitbreiding en/of vormverandering van de aanduiding 'glastuinbouw'. Een van de voorwaarden daarbij is dat de uitbreiding of vormverandering er niet toe mag leiden dat het bouwvlak groter wordt dan 3 ha. In dit geval is na uitbreiding sprake van een grotere oppervlakte dan 3 ha.

Het plangebied is tevens voor een deel gelegen binnen de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5' en binnen de gebiedsaanduidingen 'milieuzone - boringsvrije zone' (gehele plangebied) en 'overige zone - kernrandzone'(een deel van het plangebied).

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP19KoProcessiewg7-VG01_0002.png"  
Afbeelding 1.2 Uitsnede verbeelding bestemmingsplan 'Reparatie- en veegplan Buitengebied Leudal 2016' met globale aanduiding plangebied  

Het geldende bestemmingsplan maakt de uitbreiding van het bouwvlak niet mogelijk. Het plan bevat ook geen afwijkings- of wijzigingsbevoegdheden die de uitbreiding mogelijk zouden kunnen maken. Dit betekent dat uitsluitend middels een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening medewerking kan worden verleend aan het plan. Ondanks dat de maximaal toelaatbare oppervlakte van 3 ha. bouwvlak zoals aangegeven in de voorwaarden voor de wijzigingsbevoegdheid wordt overschreden, is de gemeente Leudal toch van mening dat verlening van medewerking aan de beoogde uitbreiding aanvaardbaar is, aangezien in de Nota Kwaliteit (zie par. 2.3.3) wordt uitgegaan van 3 ha. oppervlakte glas in plaats van 3 ha. bouwkavel.

Door middel van voorliggend bestemmingsplan wordt de beoogde ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk gemaakt.

1.4 Leeswijzer

De toelichting van dit bestemmingsplan is als volgt opgebouwd:

De hoofdlijnen van beleid van het Rijk, de provincie, de regio en de gemeente zijn beschreven in hoofdstuk 2. In hoofdstuk 3 is het plangebied beschreven, onder meer aan de hand van functionele en ruimtelijke aspecten. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de milieuaspecten die van invloed zijn op het plangebied. Het juridisch kader komt naar voren in hoofdstuk 5. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de haalbaarheid van het plan. In hoofdstuk 7 is aangegeven hoe wordt gehandhaafd op dit plan. Tot slot volgt in hoofdstuk 8 een beschrijving van de gevoerde communicatie.

Hoofdstuk 2 Beleidskader

2.1 Rijks-, provinciaal en regionaal beleid

2.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Op 13 maart 2012 heeft de Rijksoverheid de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. In deze Structuurvisie staan de plannen voor ruimte en mobiliteit op nationaal niveau. Overheden, burgers en bedrijven krijgen de ruimte om deze door te vertalen en zelf oplossingen te creëren. Het Rijk richt zich met name op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de nationale belangen.

Voor wat betreft het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid zet het Rijk zich in voor een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte worden drie hoofddoelen genoemd om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):

  • Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;
  • Het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruikervoorop staat;
  • Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

Voor de drie rijksdoelen worden de onderwerpen van nationaal belang benoemd, waarmee het Rijk aangeeft waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. Relevante nationale belangen voor het plangebied zijn als volgt:

  • Verbetering van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water), bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico's;
  • Ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten;
  • Ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten.

Voor het plangebied geldt uiteraard dat voldaan dient te worden aan de voorwaarden van zorgvuldige afwegingen en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke plannen. Voor het overige wordt rekening gehouden met de genoemde relevante belangen.

2.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in bestemmingsplannen. De onderwerpen in het Barro betreffen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote Rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Nationaal Natuurnetwerk (NNN), erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, primaire waterkeringen buiten het kustfundament en het IJsselmeergebied.

Geen van de bovengenoemde belangen zijn bij de beoogde ontwikkeling in het geding. Het initiatief is kortom niet in strijd met de beleidsregels zoals deze zijn opgenomen in het Barro.

2.1.3 Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro)

De Rarro is gebaseerd op het Barro. In het Barro is bepaald dat bij ministeriële regeling verschillende militaire terreinen en objecten, hoofdwegen en EHS-gebieden worden aangewezen, waar gemeenten bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening mee moeten houden. In het Rarro wordt daar uitvoering aan gegeven.

Volgens de Rarro beslaat het radarverstoringsgebied behorende bij de radar op de militaire vliegbasis Volkel ook de gemeente Leudal. Binnen het radarverstoringsgebied gelden maximale hoogtes voor bouwwerken in het algemeen en voor windturbines in het bijzonder.

De maximale hoogte van bouwwerken in een radarverstoringsgebied wordt bepaald door elke denkbeeldige rechte lijn die wordt getrokken vanaf een punt op de top van de radarantenne, oplopend met 0,25 graden tot een punt gelegen 15 kilometer vanaf voornoemde radarantenne. Het plangebied is gelegen op circa 50 km afstand van de vliegbasis. De maximale bouwhoogte van bouwwerken vormt daarmee geen belemmering voor het onderhavige bestemmingsplan.

Onverminderd het voorgaande geldt voor de tippen van de wieken van windturbines een maximale hoogte in een radarverstoringsgebied, die wordt bepaald door elke denkbeeldige, ten opzichte van NAP horizontale rechte lijn, die wordt getrokken van het uiterste punt van de lijn, bedoeld in het eerste lid, tot een punt gelegen 60 kilometer daar vandaan. De resulterende maximale hoogte voor de tippen van de wieken van windturbines is per radarverstoringsgebied opgenomen in een bijlage bij de Rarro en bedraagt in dit geval 114 meter (zie afbeelding 2.1). Aangezien het bestemmingsplan geen windturbines hoger dan 114 meter toestaat vormt deze regel geen belemmering voor het radarverstoringsgebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP19KoProcessiewg7-VG01_0003.png"  
Afbeelding 2.1 Uitsnede uit Kaart radarstations en radarverstoringsgebieden (Bijlage 8.4 Rarro)  

De Rarro bevat verder regels over reserveringsgebieden voor de mogelijke uitbreiding van hoofdwegen en voor de mogelijke aanleg van hoofdwegen of landelijke spoorwegen. Het onderhavige plangebied is niet gelegen binnen een van deze reserveringszones.

Daarnaast worden in de Rarro voorkeurstracés aangegeven voor buisleidingen van nationaal belang voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het onderhavige plangebied is niet gelegen binnen een van deze voorkeurstrace's.

Tenslotte worden in de Rarro militaire terreinen aangewezen die geen onderdeel vormen van het natuurnetwerk Nederland. Hiervan is geen sprake in of in de nabijheid van het onderhavige plangebied.

Het initiatief is kortom niet in strijd met de regels zoals deze zijn opgenomen in de Rarro.

2.1.4 Besluit ruimtelijke ordening (Ladder voor duurzame verstedelijking)

Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame
verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een
zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De
ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk maakt.

De uitbreiding van een glastuinbouwbedrijf in het buitengebied is geen stedelijke ontwikkeling. De Ladder voor duurzame verstedelijking is dan ook niet van toepassing.

2.1.5 Wet milieubeheer

In artikel 7.2, lid 1 van de Wet milieubeheer is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten worden aangewezen:

  • a. die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu;
  • b. ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben.

In het Besluit milieueffectrapportage zijn in artikel 2, lid 1 als activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus de verplichting geldt om een milieueffectrapportage op te stellen), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit genoemde categorie.

In lid 2 van hetzelfde artikel zijn als activiteiten ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel D van de bijlage bij het besluit genoemde categorie.

In artikel 2, lid 5, aanhef onder b. van het Besluit milieueffectrapportage, is bepaald dat de m.e.r.-beoordelingsplicht ook geldt voor plannen die weliswaar vallen onder een van de in onderdeel D genoemde activiteiten maar waarbij het project valt onder de drempelwaarden zoals genoemd in onderdeel D, indien: 'op grond van selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben'.

De uitbreiding van een bestaand glastuinbouwbedrijf komt niet voor in onderdeel C of D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Voor het project is dan ook geen m.e.r.- of m.e.r.-beoordelingsprocedure noodzakelijk.

2.1.6 Wet natuurbescherming

De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Omtrent houtopstanden is de voormalige nationale Boswet eveneens in de Wet natuurbescherming opgenomen. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS).

Voor de afweging van het plan in relatie tot de te beschermen belangen volgens de Wet natuurbescherming wordt verwezen naar par. 4.3.

2.2 Provinciaal beleid

2.2.1 Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL 2014)

Op 12 december 2014 is het Provinciaal Omgevingsplan 2014 (POL2014) vastgesteld als opvolger van het POL2006. In het POL2014 is onderscheid gemaakt in zeven soorten gebieden, elk met eigen herkenbare kernkwaliteiten. Voor de verschillende zones liggen er heel verschillende opgaven en ontwikkelingsmogelijkheden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP19KoProcessiewg7-VG01_0004.png"  
Afbeelding 2.2 Uitsnede POL2014-kaart 'Zonering Limburg' met globale aanduiding ligging plangebied (rode lijn)  

Het plangebied is geheel gelegen binnen de zone buitengebied. Voor de zone Buitengebied gelden de volgende doelstellingen:

  • a. Terugdringen milieubelasting vanuit landbouw
  • b. Faciliteren landschap en cultuurhistorie
  • c. Ontwikkeling landbouw

Het plan past binnen de doelstellingen voor de zone buitengebied, aangezien ontwikkelingsmogelijkheden worden geboden aan een bestaand agrarisch bedrijf binnen een landschappelijke inpassing die recht doet aan de kwaliteiten van het landschap in de omgeving.

2.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2014

De provincie Limburg heeft op 12 december 2014 ook de 'Omgevingsverordening Limburg 2014' vastgesteld. Hierin staan de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid van POL2014 juridische binding te geven. De omgevingsverordening is in de periode 2016-2018 enkele malen op onderdelen herzien/aangevuld. Dit heeft geleid tot een geconsolideerde versie van de verordening op www.ruimtelijkeplannen.nl. Het onderhavige bestemmingsplan is dan ook getoetst aan deze geconsolideerde versie van de verordening.

Blijkens de toelichting op de verordening streeft de provincie voor de glastuinbouw een verdergaande concentratie en clustering na. Nieuwvestiging wordt alleen toegestaan in de ontwikkelingsgebieden glastuinbouw.

Buiten de ontwikkelingsgebieden glastuinbouw is doorgroei onder voorwaarden mogelijk in combinatie met sloop van bestaande kassen. Dit is beleidsmatig vastgelegd in het Limburgse Kwaliteitsmenu (LKM). Een aantal gemeentes in de regio heeft deze module in het LKM nader uitgewerkt in gemeentelijk beleid middels een glas-voor-glas regeling. De achterliggende gedachte van de regeling is het gelijktijdig verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit van Limburg en het bieden van uitbreidingsruimte aan de glastuinbouw. Per saldo zal het totaal aantal hectares glas gelegen buiten de ontwikkelingsgebieden afnemen. De resterende bedrijven in het buitengebied dragen bij aan een kwaliteitsverbetering in het buitengebied en een toekomstgerichte, duurzame en op bundeling gerichte ontwikkeling van glastuinbouw. De gemeente Leudal heeft in haar Nota Kwaliteit geen nadere regels voor ontwikkeling van glastuinbouwbedrijven of een glas-voor-glasregeling uitgewekt.

In de verordening is voor wat betreft de uitbreiding van glastuinbouwbedrijven bepaald dat een ruimtelijk plan niet mag voorzien in de vergroting van een bouwvlak van een glastuinbouwbedrijf in als Goudgroene natuurzone of Zilvergroene natuurzone aangewezen gebied. Daarvan is in dit geval geen sprake.

Het plangebied is niet gelegen binnen aandachts- of beschermingsgebieden ten behoeve van natuur en landschap en/of binnen een van de in de verordening opgenomen milieubeschermingsgebieden, behoudens de Boringsvrijezone Roerdalslenk III. Binnen deze zone is het verboden de grond te roeren, inclusief het verrichten van grondboringen of heiwerkzaamheden dieper dan 80 meter beneden het maaiveld, tenzij hiervoor door Gedeputeerde Staten een ontheffing is verleend. Ter bescherming van de belangen van de boringsvrije zone is in dit bestemmingsplan de 'milieuzone - boringsvrije zone' opgenomen (artikel 7.1 van de regels).

Vanuit de Omgevingsverordening Limburg 2014 zijn er hiermee geen belemmeringen voor het initiatief.

2.3 Gemeentelijk beleid

2.3.1 Strategische Overallvisie 2020 'Leven in Leudal'

In de Strategische Overallvisie 2020 'Leven in Leudal' geeft de gemeente aan welke ontwikkelingen op de langere termijn voor Leudal van belang zijn en waar de gemeente naar toe wil. De toekomstvisie is daarmee richtinggevend voor de beleidsontwikkeling in de komende jaren. De visie dient als denkkader en handvat voor toekomstige keuzes en ontwikkelingen. Daarbij valt te denken aan de ontwikkeling van nieuw beleid, het oppakken van nieuwe integrale projecten en keuzes rondom de profilering van de gemeente en samenwerking in de regio.

De Strategische Overallvisie 2020 'Leven in Leudal' is op 11 december 2007 door de gemeenteraad vastgesteld en in 2013 bijgesteld. De visie dient tot 2020 het kompas voor ontwikkelingen te zijn. De gemeente Leudal wil in samenspraak en in samenwerking met bewoners en bedrijven, met de regio en de provincie de kansen die zich in Leudal voordoen benutten.

De strategische overallvisie gaat in op de volgende aspecten:

  • Een weergave van de huidige situatie in Leudal wat betreft onderwerpen als werkgelegenheid, leefklimaat en arbeidspotentieel;
  • De belangrijkste maatschappelijke trends en ontwikkelingen, met relevantie voor Leudal;
  • Missie, ambities en doelen van Leudal voor de komende jaren;
  • De wijze waarop invulling wordt gegeven aan de ambities en doelen met het oppakken en faciliteren van een select aantal strategische projecten;
  • De consequenties van deze ambities voor de organisatie en uitvoering van het beleid door de gemeente.

De land- en tuinbouw zijn en blijven van groot belang voor Leudal. De visie ziet een trend tot schaalvergroting en een grote terugloop van het aantal bedrijven. Er wordt voor de komende 10 jaar een halvering van het aantal bedrijven verwacht. In Leudal en omliggende gemeenten kan op meerdere wijzen worden ingespeeld op de ontwikkelingen door innovatie gericht op het terugdringen van de milieubelasting van niet-grondgebonden bedrijven en het ondersteunen van biologische productie. Kansen liggen er voor streekproducten, combinaties met toerisme en recreatie en verwerking van mest en groenafval tot grondstoffen en energie op Zevenellen.

Het maatschappelijk debat buitengebied heeft een aanzet gegeven tot een dialoog over de kwaliteit van het buitengebied. Dit leidt tot een flexibel en gedragen bestemmingsplan buitengebied. Uitvoering van maatregelen en een duurzame samenwerking tussen partijen in het buitgebied vraagt om het voortzetten van de dialoog en gebiedsontwikkeling gericht op versterken van de kwaliteiten van het buitengebied en het benutten van kansen voor agrarische, recreatieve bedrijvigheid en zorginitiatieven.

2.3.2 Structuurvisie Leudal: Regie op de toekomst

Met de 'Structuurvisie Leudal: Regie op de toekomst' wil de gemeente regie voeren op de ontwikkelingen en processen die voor de toekomst van Leudal van belang zijn. Ontwikkelingen die het goed wonen, leven en werken ondersteunen en verbeteren, wil de gemeente kunnen faciliteren en stimuleren. Voor sommige ontwikkelingen zal ze daarbij zelfs initiatiefnemer willen zijn. Voor andere ontwikkelingen is zij ook afhankelijk van initiatieven van derden, zoals ondernemers, woningcorporaties, instellingen, en burgers. Ontwikkelingen die afbreuk doen aan de toekomst van Leudal wil de gemeente waar mogelijk voorkomen.

De structuurvisie blikt vooruit op al deze ontwikkelingen. Welke ontwikkelingen zullen naar verwachting plaatsvinden? En hoe wil de gemeente daarop inspelen? In de structuurvisie ligt de nadruk op de visie van de gemeente op de functionele ontwikkelingen van de diverse, ruimtelijk relevante onderwerpen. Waar liggen voor de gemeente plichten, wat zijn de ambities, waar ziet de gemeente kansen en bedreigingen? En onder welke criteria zijn ontwikkelingen mogelijk? Hiermee is de structuurvisie een regie-instrument voor de dagelijkse gang van zaken.

De agrarische bedrijvigheid is van oudsher een belangrijke factor binnen de gemeente. In het beleid legt de gemeente het accent op het behouden en versterken van de bestaande agrarische bedrijvigheid binnen de gemeente Leudal in combinatie met het streven naar een goed woon- en leefklimaat.

De gemeente Leudal wijst geen landbouwontwikkelingsgebieden aan, maar faciliteert agrarische bedrijfsontwikkeling via maatwerk. Daarnaast ondersteunt de gemeente de verbreding van de bedrijfsontwikkeling en bedrijfsbeëindiging.

Middels het onderhavige bestemmingsplan wordt via een maatwerkoplossing toekomstperspectief geboden aan het bestaande glastuinbouwbedrijf. de beoogde ontwikkeling past daarmee binnen de beleidsuitgangspunten van de gemeentelijke structuurvisie.

2.3.3 Nota Kwaliteit

In de 'Structuurvisie Leudal' is de 'Nota Kwaliteit' opgenomen. De laatste actualisatie van de Nota Kwaliteit dateert van 3 september 2013.

De Nota Kwaliteit bevat beleid over het kwaliteitsmenu en het groenfonds. Bij de beoordeling van ruimtelijke plannen, zoals bijvoorbeeld woningbouwplannen of uitbreiding van bedrijven komt nadat een planologische afweging is gemaakt of een bepaalde ontwikkeling aanvaardbaar is op een bepaalde locatie een kwaliteitsbijdrage in beeld. Het kwaliteitsmenu van de provincie (uitgewerkt in verschillende modules) geldt hierbij als een minimumvereiste.

Landschappelijke inpassing van de locatie van een initiatief vormt altijd een voorwaarde naast de kwaliteitsverbeterende maatregel of een bijdrage in het groenfonds.

In de 'Nota Kwaliteit' wordt ten aanzien van de uitbreiding van een glastuinbouwbedrijf verwezen naar de module uitbreiding glastuinbouwbedrijf in het Limburgs Kwaliteitsmenu (LKM). In het LKM is aangegeven dat bij de uitbreiding van glastuinbouwbedrijven buiten de concentratie- en projectvestigingsgebieden bij uitbreidingen boven de 3 hectare netto glas boven op de landschappelijke en ruimtelijke inpassing en de afkoppeling van hemelwater als gevolg van de toepassing van de module “Agrarische nieuwvestiging en uitbreiding” een extra kwaliteitsverbetering moet worden gerealiseerd. Omdat de netto oppervlakte glas in de nieuwe eindsituatie niet groter zal zijn dan 3 ha., is er volgens het LKM (en dus ook volgens de gemeentelijke Nota Kwaliteit) geen aanvullende kwaliteitsverbetering noodzakelijk, maar dus wel een landschappelijke inpassing en afkoppeling van hemelwater.

Ter voldoening aan het bepaalde in de Nota Kwaliteit is voor het onderhavige plan een landschapsinpassingsplan opgesteld1. Dit plan is als bijlagen 3 en 4 bij de regels van dit bestemmingsplan gevoegd. De landschappelijke en cultuurhistorische karakteristiek van het Kampen en Oude graslanden landschap dient als basis voor de vormgeving van de inpassing aan de Processieweg. De inpassing is gericht op de overgang van het perceel naar het omliggende landschap. Hierin is meegenomen dat de ontwikkeling van glastuinbouw zoveel mogelijk aan het zicht moet worden onttrokken.

De landschappelijke inpassing voor de ontwikkeling aan de Processieweg bestaat uit de volgende inrichtingsmaatregelen:

  • 1. Handhaven bestaande houtsingel/bomen
  • 2. Aanplant houtsingel
  • 3. Aanplant fruitbomen

Voor een nadere beschrijving van de inpassingsmaatregelen wordt verwezen naar het bij de regels gevoegde landschapsinpassingsplan.

Realisering en instandhouding van de landschappelijke inpassing is juridisch geborgd middels een voorwaardelijke bouw- en gebruiksregel (zie artikel 3.5.3 van de planregels).

Hoofdstuk 3 Gebiedsprofiel en projectprofiel

3.1 Gebiedsbeschrijving

Kelpen-Oler is een van de zestien kernen van de gemeente Leudal, gelegen aan de oostzijde van de A2 en het parallel daaraan liggend Kanaal Wessem-Nederweert.

De eerste vermelding van Kelpen en Oler komt voor in een oorkonde uit het jaar 1329, waarbij Gerard, heer van Horn, zijn vrijerfgoed Wessem met al zijn onderhorigheden in leen opdraagt aan Willem VI van Gulik. Als behorende onder Wessem worden daarbij onder meer vermeld "villarum de Kelpen et de Oirle", oftewel de gehuchten Kelpen en Oler. Enkele bodemvondsten, zoals urnen en stenen gebruiksvoorwerpen, in zowel Kelpen als Oler, wijzen er echter op dat dit gebied ook in de prehistorie reeds bewoond werd.

Kelpen en Oler, zijn twee gehuchten die tot de twintigste eeuw van elkaar werden gescheiden. Het waren heide-ontginningsdorpjes. Zij behoorden aanvankelijk tot de heerlijkheid Wessem en na 1795 bij Grathem, dat in 1991 met een aantal andere kernen bij de gemeente Heythuysen werd gevoegd. In 2007 fuseerde deze gemeente met een aantal andere gemeenten tot Leudal.

Begin 20e eeuw begonnen Kelpen en Oler geleidelijk in omvang toe te nemen. Kelpen werd gevormd door de lintbebouwing die vanaf Station Kelpen (1903-1965) zich naar het zuiden uitstrekte. In 1905 kwam er een openbare lagere school, in 1929 een katholieke lagere school en in 1935 een eigen kerk, waaromheen zich enige dorpsbebouwing ontwikkelde. Het dorp waarin de kerk zich bevond werd tot 1 januari 1999 aangeduid als Kelpen, hetgeen feitelijk onjuist was. Sinds die datum is de officiële naam: Kelpen-Oler. Het dorp heeft (2015) ongeveer 1150 inwoners.

Kelpen beschikte over een treinstation gelegen aan de IJzeren Rijn tussen Weert en Roermond. Station Kelpen werd geopend op 20 juli 1879 en heeft gediend als station voor goederen- en personenvervoer. Vanaf 15 mei 1934 stopten er geen reizigerstreinen meer in Kelpen, enkel nog goederentreinen. Het station is in 1964 volledig uit dienst genomen.

Het plangebied ligt aan de zuidoostzijde van de kern Kelpen-Oler, aan de noordoostzijde van de Processieweg en aan de zuidoostzijde van de Heideweg. Via de Heideweg en de Grathemerweg is de N280 bereikbaar en daarmee in noordwestelijke richting ook de aansluiting met de A2. In de directe omgeving van het plangebied liggen enkele agrarische bedrijven, alsmede diverse burgerwoningen. De in de nabijheid van het plangebied gelegen Grathemerweg vormt in zuidelijke richting tevens de verbinding met de kern Grathem. Aan de Grathemerweg zijn naast woningen ook diverse bedrijven gelegen (garagebedrijf, timmerbedrijf, horeca en detailhandel), alsmede de sportvelden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP19KoProcessiewg7-VG01_0005.png"  
Afbeelding 3.1 Luchtfoto plangebied (geel omcirkeld) en directe omgeving  

Landschappelijk is het plangebied gelegen in het terrassenlandschap

Geomorfologische gezien ligt het plangebied op het dalvlakteterras, een met dekzand bedekt landschap welke zwak golvend is. Deze strategische ligging in de nabijheid van beekdalen werd al vroeg bewoond en ingericht als agrarisch landschap. De ondergrond van het plangebied bestaat uit hoge zwarte enkeerdgronden welke duiden op eeuwenlange bemesting. Dit zorgde ervoor dat de bodem werd verrijkt en zo ontstonden de oude bouwlanden. Deze bouwlanden zijn nu nog als velden en kampen herkenbaar door de rijke bodem en bolle ligging.

De ruimtelijke kenmerken en kwaliteiten van het buitengebied worden enerzijds bepaald door het landschappelijk fundament (bodemopbouw, reliëf en water), en anderzijds uit de daaruit voortgekomen ingrepen door menselijk handelen (ontginning, bodemgebruik en bewoning).

Dit landschapstype dankt haar karakter aan haar ontginningsgeschiedenis en kent een lange

bewonings-/gebruikgeschiedenis met bijbehorende hoge archeologische verwachtingswaarde.

Het bestaat uit een ensemble van akkers en graslanden welke afgewisseld worden met kleinschalige landschapselementen als houtwallen met hier en daar meer opgaande begroeiing (geriefhoutbosjes) en poelen.

Hoofdzakelijk is voor het kampen- en oude graslandenlandschap de kleinschaligheid kenmerkend. De percelen werden in het verleden omgeven door houtwallen om het vee buiten de akkers, maar op de oude graslanden te houden.

Op dit moment zijn de karakteristieke ruimtelijke kenmerken niet altijd meer prominent aanwezig. Dit is het gevolg van ruilverkavelingen in de 20ste eeuw of het kappen van de aanwezige houtwallen. Daar waar de karakteristieke kleinschaligheid bewaard is gebleven, is het landschap visueel-ruimtelijk aantrekkelijk en waardevol.

In het Landschapskader Noord- en Midden Limburg worden handvatten gegeven vanuit landschappelijk perspectief hoe om te gaan met de inpassing van nieuwe ontwikkelingen in het buitengebied.

Voor het kampen en oude graslanden gebied, en daarmee ook de locatie aan de Processieweg, geldt dat er gestreefd wordt naar het verduidelijken van de kleinschaligheid. Dit kan door het versterken en toevoegen van opgaand groen in de vorm van houtsingels en/of geriefhoutbosjes. De afwisseling tussen velden en opgaand groen zorgt ervoor dat dit landschapstype naast de al aanwezige gradiëntrijke kwaliteit ook structuur krijgt. Om deze reden herbergt dergelijk gebied hoge natuurwaarden.

3.2 Beschrijving ontwikkeling

Het plan voor de uitbreiding van het glastuinbouwbedrijf bestaat uit de volgende onderdelen:

  • a. Uitbreiding van de kas (fase I) direct aansluitend aan de bestaande glasopstand;
  • b. Realisering van een inrit en parkeerplaatsen, bereikbaar vanaf de Heideweg;
  • c. Legalisering bestaande regenwateropvang aan de noordoostzijde van de bestaande kas (opnemen binnen het bouwvlak);
  • d. Realisering van een uitbreiding van de kas in fase II, alsmede een tweede regenwateropvang aan de noordoostzijde;
  • e. Handhaving van de bestaande bomenrij aan de zijde van de Heideweg als landschappelijke inpassing voor (de uitbreiding van) het bedrijf en realisering nieuwe landschappelijke inpassing aan de noordoostzijde van het bedrijf.

De verschillende onderdelen van het plan zijn weergegeven in afbeelding 3.2. Het betreft de inrichtings- en inpassingstekening, die tevens als bijlage 4 bij de regels van dit bestemmingsplan is opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP19KoProcessiewg7-VG01_0006.png"  
Afbeelding 3.2 Inpassings- en inrichtingstekening uitbreiding glastuinbouwbedrijf Processieweg 7  

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

Bij het opstellen van een bestemmingsplan dient rekening te worden gehouden met aspecten uit de omgeving die invloed uitoefenen op functies in het plangebied. Daarnaast kunnen ook functies binnen het plangebied invloed uitoefenen op de in de omgeving aanwezige waarden.

4.1 Milieu

4.1.1 Bodem

In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient beoordeeld te worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de aanwezige functies. Daartoe is door Aeres Milieu een vooronderzoek bodem uitgevoerd conform de NEN 57252. De rapportage van dit onderzoek is als bijlage 1 bij deze toelichting gevoegd.

Uit de verzamelde (historische) informatie en het uitgevoerde locatiebezoek is gebleken dat ter plaatse van de onderzoekslocatie geen potentieel bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden.

Gebaseerd op de verzamelde gegevens kan de onderzoekslocatie als “onverdacht” worden beschouwd. De aanwezigheid van asbest verdacht materiaal in de bodem wordt niet verwacht (niet verdacht).

Het aspect bodemkwaliteit vormt derhalve geen belemmering voor het plan.

4.1.2 Externe veiligheid

Achtergrond

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico's in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico's dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is.

Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1.000 personen) wordt afgezet tegen de kans op overleven. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm).

Voor het groepsrisico geldt een verplichting tot verantwoording. Dit houdt in dat over elke overschrijding van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico of toename van het groepsrisico verantwoording moet worden afgelegd (de zogeheten verantwoordingsplicht). Het betrokken bestuursorgaan moet, al dan niet in verband met de totstandkoming van een besluit, expliciet aangeven hoe de diverse factoren (waaronder zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid) zijn beoordeeld en eventuele in aanmerking komende maatregelen zijn afgewogen. Een belangrijk onderdeel van de verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer.

Toetsing

Er moet getoetst worden aan het Bevi en de richtlijnen voor vervoer gevaarlijke stoffen wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. Het voorliggende bedrijf is volgens artikel 1, lid 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) een beperkt kwetsbaar object.

In het kader van het plan moet bekeken worden of er in of in de nabijheid van het projectgebied sprake is van risicovolle activiteiten (zoals Bevi-bedrijven, BRZO-bedrijven en transportroutes) of dat risicovolle activiteiten worden toegestaan. Door de provincie Limburg is een risicokaart samengesteld waarop de meest belangrijke risicoveroorzakende bedrijven en objecten zijn aangegeven. Het gaat hierbij onder meer om risico's van opslag van patronen, stofexplosies, opslag van gasflessen, ammoniakinstallaties, LPG-tankstations enz.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP19KoProcessiewg7-VG01_0007.png"  
Afbeelding 4.1 Uitsnede risicokaart met aanduiding ligging plangebied (zwarte lijn)  

Risicovolle bedrijvigheid

Uit de risicokaart blijkt dat op korte afstand van het plangebied geen risicovolle inrichtingen zijn gelegen. De dichtstbij gelegen inrichting is gelegen op een afstand van circa 340 meter van het plangebied aan de Grathemerweg 19, waar een bovengrondse propaangastank aanwezig is met een PR 10-6 contour van 20 meter. Gezien de afstand tot het plangebied ligt het plangebied niet binnen het invloedsgebied van deze inrichting, noch van andere inrichtingen op grotere afstand van het plangebied.

Aan de Rijksweg A2, op een afstand van ca. 1,3 km ten westen van het plangebied, is een LPG-reservoir, LPG-vulpunt en LPG-afleverninstallatie gelegen met PR 10-6 risicocontouren van respectievelijk 120, 110 en 15 meter. Er geldt een verantwoordingsplicht voor het groepsrisico binnen het invloedsgebied van 150 meter vanaf het vulpunt of het reservoir. Aangezien de afstand tot deze inrichting aanzienlijk groter is, vormt dit aspect geen belemmering voor de beoogde planontwikkeling en is een verantwoording groepsrisico niet vereist.

Buisleidingen

Volgens de risicokaart, het vigerende bestemmingsplan en de kaarten van Gasunie, liggen er geen risicovolle kabels of leidingen in of in de directe nabijheid van het plangebied. De dichtstbijzijnde buisleiding (aardgasleiding Z-540-01) ligt op een afstand van circa 1 kilometer ten westen van het plangebied. Gezien deze afstand ligt het plangebied niet binnen het invloedsgebied van deze leiding.

Vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg

Op circa 1,1 kilometer ten westen van het plangebied is de A2 gelegen, waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De Rijksweg A2 heeft een plasbrandaandachtsgebied van 30 meter en een PR 10-6 risicocontour van 0 meter (vanaf Nederweert tot aan de afslag 41 Grathem).

Het plasbrandaandachtsgebied is het gebied waarin bij het realiseren van kwetsbare objecten rekening gehouden dient te worden met de effecten van een zogenaamde plasbrand. Deze plasbrand kan ontstaan door de ontsteking van uitgestroomde brandbare vloeistof uit een schip of tankwagen.

Het plangebied is niet gelegen binnen het invloedsgebied van de A2, noch binnen het plasbrandaandachtsgebied.

Op circa 1 kilometer ten noorden van het plangebied is de Rijksweg-Noord (N280) gelegen, waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Het plangebied ligt daarmee buiten het invloedsgebied van de N280.

Vervoer van gevaarlijke stoffen over het water

Over het evenwijdig aan de A2 gelegen kanaal Wessem-Nederweert vindt geen vervoer van gevaarlijks toffen plaats. Dit kanaal behoort niet tot het Basisnet en staat ook niet op de risicokaart..

Conclusie

Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat er vanuit het aspect externe veiligheid geen directe belemmeringen bestaan.

4.1.3 Geluid
4.1.3.1 Wegverkeerslawaai

Een tuinbouwkas is geen geluidsgevoelige functie volgens de Wet geluidhinder. Het uitvoeren van een akoestisch onderzoek naar de geluidsbelasting ten gevolge van wegverkeers-, railverkeers-, of industrielawaai vanuit de omgeving is daarom niet noodzakelijk. Vanuit het aspect geluid zijn er geen belemmeringen voor de voorliggende kantoorontwikkeling.

4.1.3.2 Industrielawaai

Voor wat betreft de geluidbelasting vanwege het glastuinbouwbedrijf ten opzichte van nabijgelegen milieugevoelige functies (woningen) zie par. 4.1.6

4.1.4 Geur veehouderijen

De Wet geurhinder veehouderijen (Wgv) geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning).

Op 14 februari 2017 heeft de raad van Leudal de 'Verordening geurhinder en veehouderij 2017' vastgesteld. Binnen daartoe aangewezen gebieden die zijn aangeduid op de bij de verordening behorende gebiedsvisie en kaartmateriaal is een andere waarde van toepassing dan de desbetreffende waarde genoemd in artikel 3, eerste lid van de Wet geurhinder en veehouderij. Het betreft voorzover van belang voor het onderhavige bestemmingsplan, de volgende gebieden en waarden:

  • Kernrandzone: 6 OU/m³
  • Buitengebied: 10 OU/m³

De uitbreiding van het glastuinbouwbedfrijf is grotendeels gelegen binnen de kernrandzone volgens de geurverordening. Dit betekent dat de geurbelasting op de bebouwing binnen het bouwvlak maximaal 6 OU/m³ mag bedragen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP19KoProcessiewg7-VG01_0008.png"  
Afbeelding 4.2. Uitsnede uit bijlage kaartmateriaal contouren gebiedstypen kernen, kernrandzones, industrieterreinen en buitengebied (Verordening geurhinder en veehouderij 2017)  

De dichtstbij gelegen intensieve veehouderijen zijn gelegen aan de Grathemerweg 60 ten zuiden van het plangebied en aan de Ensebroekerweg 87 ten zuidoosten van het plangebied. De 6 OU/m³ geurhindercontour reikt niet tot over het deel van het plangebied waarbinnen de uitbreiding plaatsvindt. Dit betekent dat de betreffende veehouderijen niet worden belemmerd in hun bedrijfsvoeringsmogelijkheden. Voor wat betreft de uitbreidingsmogelijkheden van deze veehouderijen is van belang dat op kortere afstand tot de uitbreiding van het glastuinbedrijf reeds andere geurgevoelige objecten zijn gelegen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP19KoProcessiewg7-VG01_0009.png"  
Afbeelding 4.3. 6 Ou-geurhindercontouren omgeving Processieweg 7 Kelpen-Oler  

Het aspect geur veehouderijen vormt derhalve geen belemmering voor realisering van de uitbreiding van het glastuinbouwbedrijf.

4.1.5 Luchtkwaliteit
4.1.5.1 Algemeen

Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid:

  • a. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • b. een plan leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • c. een plan draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging;
  • d. een plan past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL), of binnen een regionaal programma van maatregelen.

4.1.5.2 Het Besluit NIBM

Deze AMvB legt vast, wanneer een project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. De achtergrond van het beginsel 'Niet in betekende mate' is dat de gevolgen van een ontwikkeling voor de luchtkwaliteit in een aantal gevallen (beschreven in de ministeriële Regeling NIBM) worden tenietgedaan door de ontwikkeling van bijvoorbeeld schonere motoren in het gehele land.

Op 1 augustus 2009 is het nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Hierdoor dient bij plannen die de luchtkwaliteit beïnvloeden niet langer te worden uit gegaan van de normen uit de interimperiode. Nu het NSL in werking is getreden is een project NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden.

In paragraaf 4.4.1 is aangetoond dat een toename ten opzichte van de huidige situatie van de verkeersgeneratie wordt verwacht van gemiddeld 8 verkeersbewegingen per etmaal per gemiddelde weekdag . Hiervan zal circa 15% vrachtverkeer zijn.

De toename van het aantal verkeersbewegingen leidt tot een toename van de hoeveelheid stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Middels de NIBM-tool kan worden berekend of deze toename al dan niet in betekende mate van invloed is op de luchtkwaliteit. Onderstaand is deze berekening weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP19KoProcessiewg7-VG01_0010.png"  

Zoals de worst-case berekening laat zien, leidt de toename van het aantal verkeersbewegingen tot een te verwaarlozen bijdrage aan de luchtkwaliteit die derhalve niet in betekende mate van invloed is op de luchtkwaliteit. Nader onderzoek is daarom niet noodzakelijk.

4.1.5.3 Achtergrondwaarden

In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse goed genoeg is om een goed woon- en leefmilieu te kunnen waarborgen. Volgens de kaarten van het Planbureau voor de Leefomgeving bedroeg in 2015 de concentratie fijnstof PM10 ter plaatse 19.64 µg/m³ en de concentratie fijnstof PM2,5 11,86 µg/m³. De concentratie stikstofdioxide NO2 bedroeg ter plaatse 18,31 µg/m³. In de Wet milieubeheer bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde voor PM2,5 25 µg/m³ en voor PM10 40 µg/m³. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde eveneens 40 ìg/m³. Volgens de kaarten van het Planbureau voor de Leefomgeving is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende.

4.1.5.4 Conclusie luchtkwaliteit

Onderhavig initiatief voorziet in een ontwikkeling die niet in betekenende mate bijdraagt aan de heersende luchtkwaliteit. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse goed genoeg voor de functiewijziging en bovendien is er sprake van een aanvaardbaar verblijfsklimaat. Het plan is dan ook niet bezwaarlijk in het kader van de luchtkwaliteit.

4.1.6 Milieuzonering

Om een goed woon- en leefklimaat te kunnen garanderen is het noodzakelijk een zekere afstand te behouden tussen (agrarische) bedrijven en woonbebouwing. Deze afstand (zonering) wordt bepaald door enerzijds de aard van het bedrijf en anderzijds door het karakter van zijn omgeving.

Voor een glastuinbedrijf geldt volgens de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' een richtafstand tot woningen van 10 meter voor geur, stof en gevaar en van 30 meter voor geluid.

De richtafstanden in de VNG-brochure zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype, zoals rustig buitengebied. Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kleinere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype gemengd gebied, dat gezien onder andere de aanwezige functiemenging al een hogere milieubelasting kent. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd.

Omdat de bedrijfslocatie is gelegen in een gebied met naast woningen ook bedrijvigheid is sprake van een gemengd gebied, als gevolg waarvan de genoemde richtafstanden met één afstandsstap kunnen worden teruggebracht. Daarmee resteert een aan te houden richtafstand voor geluid van 10 meter en richtafstanden voor geur, stof en gevaar van 0 meter. De kleinste afstand van de uitbreiding van het bouwvlak tot de grens van de bestemming 'Wonen' op nabijgelegen woonpercelen bedraagt ca. 20 meter.

Vanuit het aspect milieuzonering bestaan er kortom geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.1.7 Lichthinder

De initiatiefnemer is voornemens om in fase 1 van de uitbreiding van de kassen assimilatiebelichting toe te passen. Voor het gebruik van de assimilatiebelichting zijn de eisen van toepassing zoals gesteld in het Activiteitenbesluit milieubeheer (§ 3.5.1. Telen of kweken van gewassen in een kas, artikel 3.56 t/m 3.59). In het Activiteitenbesluit zijn onder andere eisen opgenomen ten aanzien van de afscherming van kassen waarin assimilatiebelichting wordt toegepast, waardoor de uitstraling van licht naar de omgeving tot een minimum wordt beperkt. De initiatiefnemer dient de assimilatielichting conform de eisen uit het Activiteitenbesluit toe te passen. Hierdoor is gewaarborgd dat de omgeving geen onaanvaardbare lichthinder ondervindt.

4.2 Archeologie en cultuurhistorie

4.2.1 Archeologie

Sinds 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg in werking getreden. De wet is een raamwet die regelt hoe rijk, provincie en gemeente bij hun ruimtelijke plannen rekening moeten houden met het erfgoed in de bodem en de wet beoogt het culturele erfgoed (en vooral het archeologische erfgoed) te beschermen. Per 1 juli 2016 is daarnaast de Erfgoedwet in werking getreden.

Voor een groot deel van het plangebied geldt de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 5'. Bij bodemingrepen dieper dan 40 cm, waarbij de bodemingreep groter is dan 1.000 m², geldt dat het uitvoeren van een archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Dit onderzoek is uitgevoerd door Aeres Milieu BV3 en als bijlage 4 bij deze toelichting gevoegd.

In het rapport wordt aangegeven dat het plangebied een afgetopt bodemprofiel vertoont, een zogenaamd A-C profiel. Deze aftopping kan door menselijk handelen zijn ontstaan, maar ook als gevolg van natuurlijke erosie. Het plangebied is vermoedelijk reeds lange tijd een minder aantrekkelijke zone in de omgeving als gevolg van de arme bodems. De aanwezigheid van archeologische resten wordt dan ook niet verwacht, hetzij door verstoring, hetzij door afwezigheid.

Op basis van deze gegevens wordt verder archeologisch onderzoek niet noodzakelijk geacht. Het bevoegd gezag (de gemeente Leudal) heeft op basis van het advies in dit rapport een selectiebesluit genomen, waarbij het plangebied is vrijgegeven voor wat betreft archeologie. De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5' die in het voorheen geldende bestemmingsplan was opgenomen, is daarom in het voorliggende bestemmingsplan komen te vervallen.

4.2.2 Cultuurhistorie

Binnen het plangebied en de directe omgeving zijn blijkens de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg, geen cultuurhistorisch waardevolle of monumentale elementen en/of gebouwen aanwezig waarop als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling een negatieve invloed zal worden uitgeoefend. De Processieweg is wel aangeduid als een weg ouder dan 1806 en de Heideweg als een weg uit de periode 1806-1890. De realisering van de uitbreiding van het glastuinbouwbedrijf is echter niet van invloed op het profiel en het verloop van beide wegen.

4.2.3 Conclusie archeologie en cultuurhistorie

Vanuit het aspect cultuurhistorie bestaan dan ook geen belemmeringen voor het onderhavige plan.

4.3 Ecologie

4.3.1 Algemeen

Voor alle ruimtelijke ontwikkelingen geldt dat deze in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid moeten worden uitgevoerd. Door middel van een verkennend flora- en faunaonderzoek (quickscan) is door BRO een beoordeling4 gemaakt van de mogelijke effecten die het plan kan hebben op beschermde natuurwaarden. Hierdoor wordt duidelijk of het plan in overeenstemming is met de natuurwetgeving.

De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Omtrent houtopstanden is de voormalige nationale Boswet eveneens in de Wet natuurbescherming opgenomen. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS).

4.3.2 Gebiedsbescherming
4.3.2.1 Wettelijke gebiedsbescherming

De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig.

Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, "Sarsven & De Banen", bevindt zich op circa 5 kilometer afstand ten noorden van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als licht en geluid uitgesloten. Daar de voorgenomen ontwikkeling de uitbreiding van een kassencomplex betreft, is een toename aan stikstofuitstoot te verwachten. Om de mate van depositie op Natura 2000-gebied te kunnen bepalen is een AERIUS-berekening uitgevoerd door M-Tech Nederland BV. Hieruit blijkt er geen significant effect is en dat er dus ook geen Wnb-vergunning nodig is. De Aerius-berekening is als bijlage 3 bij deze toelichting gevoegd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP19KoProcessiewg7-VG01_0011.png"  
Afbeelding 4.4 Ligging goudgroene natuurzone (groen), zilvergroene natuurzone (blauw) en Natura 2000-gebieden (rood gearceerd) ten opzichte van het plangebied (rood omlijnd)  

4.3.2.2 Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid

Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd 'Natuurnetwerk Nederland'. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Binnen de provincie Limburg bestaat het NNN uit de Goudgroene Natuurzone. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Daarnaast bestaan binnen de provincie Limburg ook nog de zilvergroene natuurzone en bronsgroene landschapszone.

Het plangebied is niet gelegen binnen de goudgroene natuurzone (zie figuur 2.1). Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNN ligt ongeveer 1 kilometer ten noorden van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van de huidige staat van de goudgroene natuurzone niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het NNN wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Daarnaast ligt het plangebied niet binnen of in de buurt van de zilvergroene natuurzone of bronsgroene landschapszone.

4.3.3 Toetsing beschermde houtopstanden

De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud.

Aangezien de te kappen bomen geen onderdeel zijn van een houtopstand is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde.

4.3.4 Soortenbescherming

De Wet natuurbescherming heeft, voor wat betreft soortenbescherming, betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. De beschermde soorten zijn ingedeeld in drie categorieën:

  • Vogels (artikel 3.1 Wet Natuurbescherming)
  • Europees beschermde soorten (artikel 3.5 Wet Natuurbescherming)
  • Nationaal beschermde soorten (artikel 3.10 Wet Natuurbescherming)

In onderstaande tabel is samengevat of de voorgenomen ontwikkeling negatieve effecten kan hebben op beschermde soorten en/of gebieden, en wat de eventuele vervolgstappen zijn, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningtrajecten. In de tabel is tevens weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP19KoProcessiewg7-VG01_0012.png"  
4.3.5 Conclusie

Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming, onderdeel soorten, in acht te worden genomen:

  • a. Indien (extra) licht gericht of uitschijnend op het struweel niet voorkomen kan worden dient onderzoek naar de aanwezigheid van vliegroutes van vleermuizen langs dit struweel te bepalen in hoeverre deze essentieel is voor een rust- of voortplantingsplaats van een vleermuizensoort;
  • b. Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten;
  • c. Ten behoeve van (incidenteel) aanwezige algemene soorten dient de zorgplicht in acht te worden genomen.

Daarnaast is met betrekking tot het onderdeel Natura 2000, middels een enkelvoudige AERIUS-berekening, inzichtelijk gemaakt dat er geen sprake is van een significantie toename van de stikstofdepositie ter plaatse van een Natura 2000-gebied. Uit de uitgevoerde Aerius-berekening is gebleken dat er geen sprake is van een nadelig effect op Natura 2000-gebied.

Vervolgonderzoek ten behoeve van het NNN en/of toetsing aan het onderdeel houtopstanden (voormalige Boswet) is bij dit plan verder niet aan de orde.

Vanuit de Wet natuurbescherming zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.4 Verkeer en parkeren

4.4.1 Verkeer

Voor de verkeersgeneratie van een glastuinbouwbedrijf zijn geen specifieke kencijfers van het CROW beschikbaar. Kencijfers gehanteerd in diverse bronnen lopen beperkt uiteen: 7,5 - 8,5 motorvoertuigen (mvt)/etmaal verkeer per bruto hectare glastuinbouw. Voor deze planontwikkeling is uitgegaan van het hoogste kental: 8,5 mvt/etmaal. Daarbij is aangesloten bij de gekozen kencijfers voor het op 24 juni 2014 vastgestelde bestemmingsplan 'Uitbreidingsplan Nunhems Netherlands'. De uitbreiding binnen het onderhavige plangebied is eveneens bestemd voor activiteiten van Nunhems.

De bestaande kas heeft een oppervlakte van 16.133 m². De uitbreiding heeft een totale oppervlakte van 10.386 m² (3.456 m² in fase 1 en 6.930 m² in fase 2).

Uitgaande van 1 ha netto resulteert de planontwikkeling in 8,5 mvt/etmaal extra op een werkdag, hetgeen neerkomt op circa 8 mvt/etmaal per gemiddelde weekdag.

De verkeersstructuur in de omgeving van het plangebied is zodanig dat deze de genoemde extra verkeersgeneratie gemakkelijk kunnen verwerken.

4.4.2 Parkeren

In de regels van dit bestemmingsplan (artikel 11.2) is bepaald dat voldoende parkeerplaatsen voor auto's aanwezig dienen te zijn. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan als de parkeernormen zoals die zijn opgenomen in de Nota Parkeernormen 2016 worden nageleefd.

De genoemde parkeernota bevat geen parkeernorm voor een glastuinbouwbedrijf. Zoals hiervoor aangegeven, bedraagt de verkeersgeneratie 8,5 mvt/etmaal op een werkdag waarvan 85% licht verkeer is en het overige gedeelte vrachtverkeer. Dit betekent dat ongeveer 7 verkeersbewegingen worden gegenereerd door personenauto's. Elk auto genereert twee ritten. Het plangebied wordt daarom bezocht door ca. 14 auto's.

Er wordt in de toekomst niet met ploegendiensten gewerkt in de kassen. Dit betekent dat in het plangebied geen sprake is van dubbelgebruik van parkeerplaatsen en 14 parkeerplaatsen gerealiseerd moeten worden. Deze parkeerplaatsen kunnen worden gerealiseerd aan de noordwestzijde van de kas.

4.5 Waterparagraaf

4.5.1 Algemeen

Vanuit Rijks- en provinciaal beleid wordt steeds meer nadruk gelegd op duurzaam waterbeheer in de bebouwde omgeving. Vernieuwing in het provinciaal waterbeheer wordt gestalte gegeven door onder andere een (grensoverschrijdende) stroomgebiedbenadering, een brongerichte aanpak, het solidariteitsprincipe (niet afwentelen) en het vooraf betrekken van water bij ruimtelijke ontwikkelingen en afwegingen.

Vertaling van het landelijk en provinciaal beleid naar gemeentelijk beleid houdt op hoofdlijnen het volgende in: binnen nieuwe in- en uitbreidingsgebieden moet 'slimmer' en 'creatiever' met schoon hemelwater worden omgegaan. Het principe van vasthouden bergen en afvoeren van hemelwater is hierbij van groot belang.

4.5.2 Kenmerken van het watersysteem
4.5.2.1 Algemeen

De kenmerken van de watersystemen, zoals die voorkomen in het plangebied (en omgeving), kunnen het beste beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten van water die in het gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: bodem en grondwater, oppervlaktewater, ecosysteem en afval- en hemelwater.

4.5.2.2 Bodem en grondwater

Bodemopbouw

Blijkens de kaart bodemopbouw in de Atlas Leefomgeving, ligt het plangebied binnen bodemtypen sterk lemig fijn zand en sterk lemig fijn zand op (kei-)leem. Het gebied valt binnen de grondwatertrap VI. Bij grondwatertrap VI bevindt het grondwater zich op de volgende diepte:

Grondwatertrap   VI  
- Gemiddeld hoogste grondwaterstand in cm. beneden maaiveld (GHG):   > 40-80  
- Gemiddeld laagste grondwaterstand in cm. beneden maaiveld (GLG):   > 120  

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP19KoProcessiewg7-VG01_0013.png"  
Afbeelding 4.5. Uitsnede kaart bodemopbouw Atlas Leefomgeving, met aanduiding ligging plangebied (rode lijn)  

De gemiddelde maaiveldhoogte in de omgeving van de locatie bedraagt 29,2 m +NAP/ De stroming van het freatisch grondwater is globaal zuidoostelijke gerich en bevindt zich op een hoogte van circa 27 m + NAP, overteen komend met circa 2,2 m/-mv..

Uit de kaart 'Milieubeschermingsgebieden', behorende bij de Omgevingsverordening Limburg 2014, is af te lezen dat het plangebied niet is gelegen in infiltratie-, grondwater- of overige beschermingsgebieden, behoudens de 'Boringsvrije zone Roerdalslenk III'. Overeenkomstig de systematiek van het geldende bestemmingsplan buitengebied is hiervoor de gebiedsaanduiding 'milieuzone - boringsvrije zone' opgenomen in dit bestemmingsplan.

4.5.2.3 Oppervlaktewater

In het plangebied is volgens de Legger van het Waterschap Limburg geen oppervlaktewater aanwezig. Ten noordwesten op een afstand van circa 140 meter van het plangebied is de primaire waterloop Wessemerven gelegen. Ten oosten van het plangebied op een afstand van circa 125 van het plangebied, is de primaire waterloop Weibemden gelegen. De realisering van het plan is niet van invloed op de waterkwantiteit of -kwaliteit van deze waterlopen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.BP19KoProcessiewg7-VG01_0014.png"  
Afbeelding 4.6. Uitsnede Legger Waterschap Limburg  

4.5.2.4 Afvalwater

Voor wat betreft het afvalwater (DWA) zal worden aangesloten op de bestaande rioolvoorzieningen.

4.5.2.5 Hemelwater

Bij nieuwbouw is het beleid om honderd procent van het verharde oppervlak af te koppelen en het schone hemelwater te infiltreren in de bodem. De volgende stap is het bergen van water. Pas wanneer vasthouden en bergen niet meer mogelijk is, kan gekozen worden voor afvoeren. Als er goed kan worden geïnfiltreerd, heeft een infiltratievoorziening de voorkeur. Een bovengrondse infiltratievoorziening heeft de voorkeur boven een ondergrondse in verband met onderhoud en beheersbaarheid van de voorziening.

Als de infiltratiecapaciteit van de bodem slecht is of de gemiddelde hoogste grondwaterstand zich dicht bij het maaiveld bevindt, wordt aanbevolen om een opvang van het hemelwater te realiseren die langzaam leegloopt naar het oppervlaktewater.

Dit bestemmingsplan maakt mogelijk dat deels onbebouwde agrarische gronden bebouwd kunnen worden. Door de bebouwing en verharding van een groot deel van de gronden nemen de infiltratiemogelijkheden op de gronden af. Bij de oprichting van nieuwe bebouwing worden dan ook voorzieningen getroffen om een goede afkoppeling van het hemelwater mogelijk te maken, zodat (vrijwel) geen hemelwater terecht komt in de riolering.

In een infiltratievoorziening zonder een overloop op het oppervlaktewater moet boven de infiltratievoorziening een dynamische buffer worden gerealiseerd die geschikt is om een bui van die éénmaal in de tien jaar voorkomt, een bui van 50 mm (T=10), te kunnen bergen. Boven de dynamische buffer dient een waakhoogte van 0,50 meter aanwezig te zijn. Bij een bui van 84 mm (T=100) mag de voorziening tot aan de rand gevuld zijn. Bij de berekening van de inhoud van de infiltratievoorziening mag geen rekening worden gehouden met de infiltratiecapaciteit van de bodem en voornoemde afvoercapaciteit.

De uitbreiding van de kas in fase 1 bedraagt 3.456 m². Dit betekent dat een infiltratievoorziening is vereist met een capaciteit van 3.456 x 0,05 = 172,8 m³ met daarboven een waakhoogte van 0,5 meter. Uitgaande van een bui van 84 mm dient de inhoud van de infiltratievoorzieningneen capaciteit te hebben van 3.456 x 0,084 = 290 m³.

De uitbreiding van de kas in fase 2 bedraagt 6.930 m². Dit betekent dat een infiltratievoorziening is vereist met een capaciteit van 6.930 x 0.05 = 346,5 m³ met daarboven een waakhoogte van 0,5 meter. Uitgaande van een bui van 84 mm dient de inhoud van de infiltratievoorziening een capaciteit te hebben van 6.930 x 0.084 = 346,5 m³.

Bij nieuwbouwontwikkelingen dient voor wat betreft het afkoppelen van hemelwater voldaan te worden aan de voorwaarden die gesteld zijn door het Waterschap Limburg. Op de planlocatie zijn reeds twee hemelwateropvangvoorzieningen (waterbassins) aanwezig, waarvan er een komt te vervallen. Het bestaande bassin aan de noordzijde van de bestaande kas heeft een inhoud van 1.840 m³. Dit is voldoende inhoud voor de opvang van hemelwater van de bestaande bebouwing en verharding en van het extra hemelwater als gevolg van de realisering van fase 1 (uitbreiding met 3.456 m² kas). Voor de uitbreiding in fase 2 zal naast de bestaande hemelwateropvangvoorziening aan de noordoostzijde van de bestaande kas, een tweede bassin worden gerealiseerd met eveneens een inhoud van 1.840 m³. Daarmee is ruim voldoende opvangcapaciteit voorzien om te kunnen voldoen aan de voorwaarden van het Waterschap Limburg. Geconcludeerd kan worden dat voor wat betreft het wateraspect voldaan wordt aan de hiervoor gestelde eisen.

Om bodemverontreiniging te voorkomen wordt het gebruik van uitlogende bouwmaterialen voorkomen. Uitlogende bouwmaterialen zijn koper, zink, bitumen en lood. Alternatieven zijn ruimschoots voorhanden.

4.5.3 Overleg waterbeheerder

Een belangrijk instrument bij de uitvoering van het waterbeleid is de Watertoets. Het toepassen van de Watertoets bij ruimtelijke ingrepen is verplicht en heeft als uitgangspunt dat de situatie voor het watersysteem door de ruimtelijke ingreep niet mag verslechteren (stand-still-beginsel). Bovendien wordt er bij de toepassing van de Watertoets naar gestreefd de kansen om bestaande ongewenste situaties te verbeteren, zoveel mogelijk te benutten.

Het ontwerp-bestemmingsplan is in het kader van het vooroverleg aan het Waterschap Limburg voorgelegd. Het waterschap heeft aangegeven te kunnen instemmen met de uitwerking van het voorliggende bestemmingsplan inzake de ontwikkeling aan de Processieweg 7. 

Hoofdstuk 5 Juridische aspecten

5.1 Planonderdelen

Het bestemmingsplan voor het plangebied aan de Processieweg 7 is vervat in planregels, een verbeelding en een toelichting.

De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en / of op te richten bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Per hoofdstuk worden de diverse regels artikelsgewijs besproken.

De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij de harde randvoorwaarden. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende deel van het bestemmingsplan. De analoge verbeelding is als bijlage 5 bij deze toelichting opgenomen.

De toelichting heeft géén bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels.

Het voorliggende bestemmingsplan is opgesteld conform het gemeentelijk Handboek, de landelijke richtlijn voor bestemmingsplannen (SVBP 2012), alsmede de Wet ruimtelijke ordening (Wro), Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Wat betreft de regels is zoveel mogelijk aangesloten bij het vigerende bestemmingsplan 'Reparatie- en veegplan Buitengebied Leudal 2016'.

5.2 Opzet planregels

5.2.1 Inleidende regels

Begrippen (artikel 1)

In dit artikel zijn bepalingen (begrippen) opgenomen welke in het algemeen spraakgebruik onvoldoende vastliggen en waarbij verschillen in interpretatie bij toepassing van de planregels mogelijk zijn. Voor het gemak zijn enkele begrippen uit de Woningwet/ Bouwverordening overgenomen.

Wijze van meten (artikel 2)

Hierin wordt aangegeven op welke manier hoogte, lengte, breedte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken / percelen gemeten moeten worden.

5.2.2 Bestemmingsregels

De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd:

  • Bestemmingsomschrijving;
  • Bouwregels;
  • Nadere eisen;
  • Afwijken van de bouwregels;
  • Specifieke gebruiksregels;
  • Afwijken van de gebruiksregels;
  • Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen gebouw zijnde, of van werkzaamheden;
  • Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk;
  • Wijzigingsbevoegdheid.

Duidelijk zal zijn dat een bestemmingsregel niet alle elementen hoeft te bevatten. Dit kan per bestemming verschillen.

Onderstaand worden de regels van de opgenomen bestemmingen nader toegelicht.

Bestemming Agrarisch (artikel 3)

De bestemming 'Agrarisch' is opgenomen voor het gehele plangebied. Binnen het bouwvlak zijn zowel de bestaande kas, de bestaande hemelwaterbassins, alsmede de nieuwe kas en het nieuwe hemelwaterbassin opgenomen.

Binnen de bestemming zijn de functieaanduidingen 'glastuinbouw', 'specifieke vorm van agrarisch - landschappelijke inpassing', 'specifieke vorm van agrarisch - bedrijfsgebouwen uitgesloten' en 'specifieke vorm van water - waterbassin' opgenomen.

5.2.3 Algemene regels

In de Anti-dubbeltelregel (artikel 4) wordt bepaald dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning waarin uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, deze bij de beoordeling van latere plannen buiten beschouwing blijft. Het nog overgebleven terrein mag dus niet nog eens meegenomen worden bij het toestaan van een ander bouwwerk.

In de Algemene bouwregels (artikel 5) zijn regels opgenomen met betrekking tot ondergronds bouwen, over ondergeschikte bouwdelen en over bestaande maten.

In de Algemene gebruiksregels (artikel 6) zijn nadere regels opgenomen met betrekking het gebruik van de gronden. Aangegeven wordt wat in ieder geval onder strijdig gebruik wordt verstaan, behoudens voor zover in de specifieke bestemmingsregels anders geregeld en in welke gevallen daarvan kan worden afgeweken. Daarnaast zijn specifieke gebruiksregels opgenomen voor het innemen van standplaatsen.

In de Algemene aanduidingsregels (artikel 7) zijn regels opgenomen waarin aanvullend op de regels van de afzonderlijke bestemmingen, bijzondere regels gelden die met een aanduiding in de geometrische plaatsbepaling zijn weergegeven. Het betreffen de volgende gebiedsaanduidingen:

  • a. milieuzone - boringsvrije zone (artikel 7.1). Deze gebiedsaanduiding heeft een signaleringsfunctie. Ter plaatse geldt primair het bepaalde in de Omgevingsverordening Limburg.
  • b. overige zone - kernrandzone (artikel 7.2). Rond de kernen geldt een kernrandzone van 200 m. Deze zone is geïntroduceerd om een scheiding aan te brengen tussen mens- en dierconcentraties. Binnen deze aanduiding mag geen uitbreiding plaatsvinden van de bestaande intensieve veehouderij. Uitbreiding van het aantal dieren is niet toegestaan. Deze aanduiding heeft voor het onderhavige bestemmingsplan geen betekenis, aangezien er geen sprake is van een veehouderij. De aanduiding is echter toch opgenomen in het belang van een eenduidige plansystematiek voor het buitengebied in vergelijking met het geldende bestemmingsplan 'Reparatie- en veegplan Buitengebied Leudal 2016'.

De Algemene afwijkingsregels (artikel 8) verschaffen het bevoegd gezag c.q. burgemeester en wethouders de gewenste beleidsruimte om bij de uitvoering van het plan te kunnen inspelen op gegevens of situaties die vooraf niet bekend kunnen zijn. In dit bestemmingsplan zijn algemene afwijkingsregels opgenomen voor geringe afwijkingen/overschrijdingen van maatvoeringen, voor antenne-installaties, voor een grotere bouwhoogte van erfafscheidingen in het voorerfgebied, voor kortlopende evenementen, alsmede voor kamerbewoning/huisvesting van arbeidsmigranten.

Daarnaast is in deze regels bepaald dat een omgevingsvergunning, vrijstelling, ontheffing of afwijking die ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan is verleend voor een bouw- en/of gebruiksactiviteit waarvoor ingevolge de regels van dit bestemmingsplan een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan is vereist, gelijk wordt gesteld met een dergelijke omgevingsvergunning.

In de Algemene wijzigingsregels (artikel 9) zijn burgemeester en wethouders bevoegd verklaard om het bestemmingsplan te wijzigen voor afwijking van bestemmingsgrenzen e.d., ten behoeve van woningsplitsing, alsmede voor het wijzigen van de als bijlage bij de regels gevoegde Nota Kwaliteit indien na het tijdstip van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan een actuelere versie is vastgesteld.

In artikel 10 zijn de Algemene procedureregels opgenomen. Hierin is bepaald welke procedure moet worden gevolgd indien burgemeestere en wethouders voornemens zijn om nadere eisen te stellen als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder d. van de Wet ruimtelijke ordening. De procedures voor omgevingsvergunningen voor afwijking van het bestemmingsplan en voor uitvoering van werken en werkzaamheden zijn opgenomen in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De procedure voor een wijzigings- of uitwerkingsplan is vastgelegd in de Wet ruimtelijke ordening (artikel 3.9a). Hiervoor hoeft het bestemmingsplan geen procedureregels te bevatten.

Tot slot hebben de Overige regels (artikel 11) betrekking op parkeren, op de verhouding tussen bestemmingen en dubbelbestemmingen, alsmede op het verbeteren van de omgevingskwaliteit.

5.2.4 Overgangs- en slotregels

In het Overgangsrecht (artikel 12) is geregeld in hoeverre en onder welke voorwaarden bestaande gebouwen en het bestaand gebruik van gronden en bouwwerken mogen afwijken van het plan.

In de Slotregel (artikel 13) is aangegeven op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.

Hoofdstuk 6 Haalbaarheid

6.1 Financiële uitvoerbaarheid

Op 1 juli 2008 is als onderdeel van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de Grondexploitatiewet (Grexwet) in werking getreden. In de Grexwet is bepaald dat de gemeente verplicht is om bij het vaststellen van een ontwikkelingsgericht bestemmingsplan, maatregelen te hebben genomen die verzekeren dat alle kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Dit betekent dat er voor de gemeente een verplichting bestaat om haar kosten, die gepaard gaan met een bouwplan, te verhalen op de exploitant.

Volgens artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is in de volgende situaties sprake van een bouwplan:

  • a. De bouw van een of meer woningen;
  • b. De bouw van een of meer andere hoofdgebouwen;
  • c. De uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte of met een of meer woningen;
  • d. De verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd;
  • e. De verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m² bruto-vloeroppervlakte bedraagt;
  • f. De bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte.

In het voorliggende geval is sprake van de verbouwing van een bestaand gebouw, waarbij meer dan 1.000 m2 bvo tuinbouwkas wordt gerealiseerd. Dit is een bouwplan zoals bedoeld in artikel 6.2.1 van het Bro. Hierdoor is er sprake van een verplichting tot kostenverhaal. Met de initiatiefnemer zal een anterieure overeenkomst kostenverhaal worden gesloten, waarin tevens afspraken worden gemaakt over afwenteling op de initiatiefnemer van eventueel toe te kennen tegemoetkomingen in planschade door de gemeente.

6.2 Vooroverleg

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan moeten burgemeester en wethouders op basis van artikel 3.1.1 van het Bro overleg plegen met het waterschap, met andere gemeenten van wie de belangen bij het plan betrokken zijn, en met de betrokken rijks- en provinciale diensten. Van het vooroverleg kan worden afgezien indien de betrokken diensten aangeven dat overleg niet noodzakelijk is.

Het concept bestemmingsplan is ter voldoening aan het bepaalde in artikel 3.1.1 Bro toegezonden aan de provincie Limburg, het waterschap Limburg en TenneT.

De provincie Limburg heeft het plan beoordeeld op de adequate doorwerking van de provinciale belangen. De beoordeling van het plan geeft geen aanleiding tot het maken van opmerkingen. Indien dit plan op deze wijze wordt voortgezet, zal er geen aanleiding zijn voor de provincie om in de verdere procedure van het plan een zienswijze in te dienen.

Het waterschap Limburg heeft eveneens aangegeven te kunnen instemmen met de uitwerking van het voorliggende bestemmingsplan inzake de ontwikkeling aan de Processieweg 7. 

TenneT heeft aangegeven dat bij het bestemmingsplan Processieweg 7 te Kelpen-Oler geen TenneT assets aanwezig zijn. In dit gebied zijn noch 110kV-/150kV-/220kV- of 380kV-ondergrondse hoogspanningskabels, noch 110kV-/150kV-/220kV- of 380kV-bovengrondse hoogspanningslijnen in het beheer van TenneT aanwezig.

6.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Voor het voorliggende bestemmingsplan wordt geen inspraakprocedure doorlopen. Het bestemmingsplan zal direct als ontwerp ter inzage worden gelegd. De te volgen procedure is omschreven in paragraaf 6.4.

6.4 Procedure

De wettelijke procedure volgens de Wet ruimtelijke ordening (Wro) start met het moment van ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan.

De procedure ziet er als volgt uit:

  • Openbare kennisgeving van het ontwerp bestemmingsplan volgens artikel 3.8 Wro;
  • Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken en toezending aan gedeputeerde staten en de betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten;
  • Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht;
  • Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad na 12 weken;
  • Algemene bekendmaking van het vastgestelde bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien gedeputeerde staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, 6 weken na vaststelling;
  • Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden;
  • Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Hoofdstuk 7 Handhaving

Een bestemmingsplan is voor de gemeente een belangrijk instrument om haar ruimtelijk beleid vorm te geven. Door middel van een combinatie van positieve bestemmingen en het uitsluiten van bepaalde activiteiten en functies kan een sturing plaatsvinden van gewenste en ongewenste ontwikkelingen. Een belangrijk aspect hierbij is de handhaving en het toezicht op de naleving van het bestemmingsplan. Deze handhaving is van cruciaal belang om de in het plan opgenomen ruimtelijke kwaliteiten ook op langere termijn daadwerkelijk te kunnen vasthouden. Daarnaast is de handhaving van belang uit een oogpunt van rechtszekerheid: alle bewoners en gebruikers dienen door de gemeente op een zelfde wijze daadwerkelijk aan het plan worden gehouden. Er zijn twee vormen handhaving te onderscheiden: preventieve en repressieve handhaving.

Preventieve handhaving bestaat uit actief toezicht door of namens de gemeente door bijvoorbeeld regelmatige controles op de uitvoering van vergunningen en regelmatige gebiedscontroles. Vervolgens worden in het kader van preventieve handhaving duidelijke en maatschappelijk geaccepteerde regels opgesteld en aandacht besteed aan communicatie en voorlichting.

Repressieve handhaving bestaat uit de aanwending van publiekrechtelijke middelen bij geconstateerde overtredingen, zoals het opleggen van een dwangsom of het uitoefenen van bestuursdwang. Daarnaast is het mogelijk strafrechtelijke middelen toe te passen en privaatrechtelijk actie te ondernemen bij inbreuk op het eigendomsrecht van de gemeente. Repressieve handhaving heeft als primaire doel een einde te maken aan een specifieke overtreding van de Wro of de Woningwet.

De handhaafbaarheid van een bestemmingsplan is met name afhankelijk van het draagvlak van de regels onder de burgers en van de duidelijkheid van de regels. Om die reden is in dit bestemmingsplan aangesloten bij de plansystematiek van het geldende bestemmingsplan 'Reparatie- en veegplan buitengebied Leudal 2016'.

Hoofdstuk 8 Communicatie

De communicatie met betrekking tot het bestemmingsplan vindt via de geijkte kanalen plaats. Publicatie vindt plaats in de Staatscourant, het Gemeenteblad Leudal, op de gemeentelijke website en via www.ruimtelijkeplannen.nl.

Daarnaast zijn de plannen reeds in een vroeg stadium met de omgeving besproken. Hierbij zijn de omwonenden geïnformeerd over de voorgenomen plannen en hebben zij gelegenheid gekregen om vragen te stellen en hun mening kenbaar te maken. Uit het overleg met de omwonenden zijn geen aandachtspunten naar voren gekomen die hebben geleid tot aanpassingen van het plan.

Op basis van het overleg met de buurt wordt verwacht dat in de omgeving voldoende draagvlak bestaat voor het initiatief.