direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Hoeksekade 152
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1621.BP0162-VAST

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doel

De bedrijfswoning op het perceel Hoeksekade 152 in Bergschenhoek maakt niet langer deel uit van een bedrijf en mede daarom heeft de huidige bewoner aan de gemeente Lansingerland een verzoek gedaan voor een bestemmingsplanwijziging. De gemeente wil hieraan meewerken door middel van de onderhavige planherziening.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied van de herziening ligt ten zuidoosten van de kern Bergschenhoek aan de Hoeksekade. Ten zuidoosten van het plangebied ligt het recreatiegebied Hoge en Lage Bergse Bos. Ten noorden van het plangebied zijn enkele kassen gesitueerd. Het plangebied betreft het perceel Hoeksekade 152 en de gronden ten oosten van de bebouwing van het perceel 150. Zie figuur 1.1.

afbeelding "i_NL.IMRO.1621.BP0162-VAST_0001.png" afbeelding "i_NL.IMRO.1621.BP0162-VAST_0002.png"

Figuur 1.1 Ligging plangebied

1.3 Geldende ruimtelijke planregelingen

Het plangebied valt binnen het bestemmingsplan HoeksePark en heeft de bestemming 'Recreatie - 3'. Het perceel met de (bedrijfs)woning aan de Hoekskade 152 heeft de aanduiding 'bedrijfswoning'. Het bestemmingsplan HoeksePark is op 1 juli 2010 vastgesteld door de gemeenteraad.

1.4 Leeswijzer

In het volgende hoofdstuk is de plansituatie beschreven en in hoofdstuk 3 wordt het beleidskader toegelicht. De sectorale en milieuhygiënische onderzoeken zijn in hoofdstuk 4 opgenomen. Hoofdstuk 5 geeft een toelichting op de planregels. Hoofdstuk 6 gaat ten slotte in op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

Het woonhuis Hoeksekade 152 is een bedrijfswoning, van oorsprong behorend bij een paardenpension. De omvang van het paardenpension is te beperkt om hier een volledig inkomen uit te generen voor een gezin. Momenteel valt het paardenpension samen met het loonbedrijf (Ripping) onder het Activiteitenbesluit. De woning op Hoeksekade 152 valt dus buiten de bedrijfsactiviteiten.

De bewoners van het woonhuis Hoeksekade 152 zijn ondertussen op leeftijd en willen verhuizen naar Bergschenhoek dorp. Het woonhuis komt daardoor vrij. Door het ontbreken van bedrijfsopvolging willen de bewoners de (bedrijfs)woning verkopen. De woning is op dit moment onverkoopbaar, omdat er geen sprake is van een bestemming die bewoning door burgers toestaat.

De huidige bewoner wil graag de bestemming wijzigen en in overeenkomst brengen met het feitelijke gebruik. De bestemming wordt daarom gewijzigd in de bestemming Wonen (met deels een bestemming Tuin). Om te voorkomen dat er ten oosten van de bedrijfsbebouwing van perceel Hoeksekade 150 bedrijfsactiviteiten plaatsvinden krijgen deze gronden ook de bestemming 'Tuin' (zie paragraaf 4.2).

De wijziging betreft een planologische aanpassing. De feitelijke situatie zal niet veranderen en blijft zoals weergegeven in figuur 2.1.

afbeelding "i_NL.IMRO.1621.BP0162-VAST_0003.png"

Figuur 2.1 (vogelv)luchtfoto van het plangebied en directe omgeving.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Inleiding

In dit hoofdstuk is een samenvattend overzicht opgenomen van de beleidsdocumenten die ruimtelijk relevant zijn voor het bestemmingsplan Hoeksekade 152. Allereerst wordt een overzicht gegeven van het externe beleid, daarna volgt een overzicht van het interne beleid. Dit overzicht is niet uitputtend, maar geeft wel het kader voor het bestemmingsplan en voor eventuele nieuwe ontwikkelingen.

3.2 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012) & Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (2011, geactualiseerd 2012)

Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar & veilig. Daar streeft het Rijk naar met een aanpak die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. De verschillende beleidsnota's op het gebied van ruimte en mobiliteit zijn gedateerd door nieuwe politieke accenten en veranderende omstandigheden zoals de economische crisis, klimaatverandering en toenemende regionale verschillen onder andere omdat groei, stagnatie en krimp gelijktijdig plaatsvinden. De structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geeft een nieuw, integraal kader voor het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties.

De structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is vertaald in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de Ecologische Hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Uit de regels en kaarten behorende bij het Barro kan worden afgeleid welke aspecten relevant zijn voor het ruimtelijke besluit.

Doelen

In de structuurvisie Infrastructuur en Ruimte formuleert het Rijk drie hoofddoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar & veilig te houden voor de middellange termijn (2028):

  • het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;
  • het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
  • het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

Nationale belangen

Voorgaande (hoofd)doelstellingen zijn in de structuurvisie vertaald naar onderstaande nationale belangen. Deze zijn – direct of indirect – ook opgenomen in het Barro, waarmee zij juridisch doorwerken in bestemmingsplannen. De volgende belangen zijn relevant voor het plangebied:

  • 1. Een excellent en internationaal bereikbaar vestigingsklimaat in de stedelijke regio's met een concentratie van topsectoren. In dit kader blijft het Rijk gebiedsgerichte afspraken maken met de stedelijke regio's over de programmering van verstedelijking (woningbouw), zowel kwantitatief als kwalitatief.
  • 2. Efficiënt gebruik van de ondergrond.
  • 3. Een robuust hoofdnetwerk van weg, spoor en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio's inclusief de achterlandverbindingen.
  • 4. Verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico's.
  • 5. Zorgvuldige afwegingen en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke plannen.

Het plan houdt rekening met de bovenstaande punten en er zijn geen rijksbelangen in het geding.

3.3 Provinciaal beleid

Visie Ruimte en Mobiliteit (2014)

De provincie stuurt op (boven)regionaal niveau op de inrichting van de ruimte in Zuid-Holland. De Visie ruimte en mobiliteit (VRM), vastgesteld op 9 juli 2014, geeft op hoofdlijnen sturing aan de ruimtelijke ordening en maatregelen op het gebied van verkeer en vervoer.

Hoofddoel van de VRM is het scheppen van voorwaarden voor een economisch krachtige regio. Dat betekent: ruimte bieden om te ondernemen, het mobiliteitsnetwerk op orde en zorgen voor een aantrekkelijke leefomgeving. De VRM bevat een nieuwe sturingsfilosofie. De kern daarvan is:

  • Ruimte bieden aan ontwikkelingen.
  • Aansluiten bij de maatschappelijke vraag naar woningen, bedrijfsterreinen, kantoren, winkels en mobiliteit.
  • Allianties aangaan met maatschappelijke partners.
  • Minder toetsen op regels en meer sturen op doelen.

Bij de VRM horen: de Visie ruimte en mobiliteit, de Verordening ruimte, het Programma ruimte en het Programma mobiliteit.

4 rode draden

In de VRM zijn 4 thema's te onderscheiden:

1. beter benutten en opwaarderen van wat er is,

2. vergroten van de agglomeratiekracht,

3. verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit,

4. bevorderen van de transitie naar een water- en energie-efficiënte samenleving.

1. Beter benutten en opwaarderen

De provincie vangt de groei van de bevolking, de mobiliteit en de economische activiteit vooral op in de bestaande netwerken en bebouwde gebieden. Beter benutten en opwaarderen leidt tot een intensiever, compact ruimtegebruik.

2. Versterken stedelijk gebied (agglomeratiekracht)

Meer concentratie en specialisatie van locaties die onderling goed verbonden zijn, leidt tot de versterking van de kennis- en bedrijvencentra op het Europese en wereldtoneel. De provincie wijst in de VRM de concentratielocaties met goede ontsluiting aan. Daarnaast werkt de provincie aan een goede aantakking van de Zuid-Hollandse economie op het nationale, Europese en wereldwijde netwerken van goederen- en personenvervoer.

Detailhandel is een belangrijke drager voor levendige centra. De VRM concentreert winkels zoveel mogelijk in bestaande winkelgebieden om leegstand in de binnenstad te voorkomen.

3. Versterken ruimtelijke kwaliteit

Het provinciale landschap valt onder te verdelen in drie typen, gekenmerkt door veenweiden, rivieren en kust. Het verstedelijkingspatroon, de natuurwaarden en het agrarisch gebruik sluiten daarop aan. De provincie stelt de versterking van de kwaliteiten van gebieden centraal in het provinciaal beleid. Per nieuwe ontwikkeling zal voortaan eerst worden bekeken of het nodig is om het buiten bestaand stads – en dorpsgebied te realiseren.

De voorwaarde hierbij is dat de maatschappelijke behoefte is aangetoond en de nieuwe ontwikkeling bijdraagt aan het behoud of verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Bij ruimtelijke kwaliteit gaat het om een integrale benadering waarbij de samenhang tussen bruikbaarheid, duurzaamheid én belevingswaarde in acht wordt genomen.

4. Bevorderen van een water- en energie-efficiënte samenleving

In de VRM zet de provincie in op de transitie naar een water- en energie-efficiënte samenleving. Door ruimtelijke reserveringen te maken voor de benodigde netwerken en via haar vergunningen- en concessiebeleid, draagt de provincie hieraan bij.

Met dit bestemmingsplan wordt de omzetting van een bedrijfswoning naar een reguliere woning juridisch mogelijk gemaakt. Het bestemmingsplan maakt het feitelijke gebruik mogelijk. Dit is niet in strijd met de Visie Ruimte en Mobiliteit.

Verordening ruimte 2014

In samenhang met de structuurvisie is de Verordening ruimte opgesteld. De regels in deze verordening zijn bindend en werken door in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het plangebied is aangemerkt als recreatiegebied met beschermingscategorie 2. Het volgende is relevant voor het bestemmingsplan.

Artikel 2.2.1 Ruimtelijke kwaliteit

Lid 2 Uitzonderingen vanwege beschermingscategorieën

  • a. Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 1, kan niet voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in het eerste lid, onder b en c, tenzij het gaat om de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur of om een in het Programma ruimte uitgezonderde ruimtelijke ontwikkeling en voorts wordt voldaan aan de onder b en c gestelde voorwaarden.
  • b. Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 2, kan niet voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in het eerste lid, onder c, tenzij het gaat om de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur of om een in het Programma ruimte uitgezonderde ruimtelijke ontwikkeling en voorts wordt voldaan aan de onder c gestelde voorwaarden.

Toepassing artikel 2.2.1:

Lid 2, onder b: Het plangebied is aangeduid als 'recreatiegebied', met beschermingscategorie 2. Er is echter geen sprake van een ruimtelijke ontwikkeling maar van een planologische aanpassing. De feitelijke situatie zal niet veranderen.

3.4 Gemeentelijk beleid

Structuurvisie Lansingerland (2010)

Met de structuurvisie geeft de gemeente Lansingerland de gewenste ruimtelijke ontwikkeling tot 2025 en een doorkijk naar de lange termijn.

De ambitie voor de gemeente Lansingerland is:

  • aantrekkelijk suburbaan wonen;
  • leefbaar, zorgzaam en met eigen identiteit;
  • ontspannen groene en recreatieve gemeente;
  • een aantrekkelijk vestigingsklimaat voor bedrijven en het verder ontwikkelen van de greenport.
  • Duurzaamheid en een goede ontsluitingsstructuur zijn daarbij randvoorwaarden.

Het plangebied is op de Structuurvisiekaart aangewezen als 'Aanleg groen en recreatiegebied' (zie figuur 3.1). De omzetting van bedrijfswoning naar burgerwoning (conform feitelijk gebruik) is niet in strijd met de structuurvisie Lansingerland.

afbeelding "i_NL.IMRO.1621.BP0162-VAST_0004.png" afbeelding "i_NL.IMRO.1621.BP0162-VAST_0005.png"

Figuur 3.1 Uitsnede structuurvisie Lansingerland

Beleidsnota woningen in het buitengebied

De woning komt op grond van de Wet Plattelandswoning niet in aanmerking voor een omzetting naar een plattelandswoning omdat er op basis van het geldende bestemmingsplan geen sprake is van een agrarische bedrijfswoning. Aangezien er niet getoetst kan worden aan de Wet Plattelandswoning is ook toetsing aan de gemeentelijke beleidsnota niet aan de orde. Deze nota gaat immers in op de mogelijkheden en voorwaarden voor de omzetting van agrarische woningen in plattelandswoningen of burgerwoningen. Wel voldoet de omzetting in grote lijnen aan de beleidsnota maar aangezien er geen sprake is van een agrarische bedrijfswoning wordt hier niet specifiek aan getoetst.

Hoofdstuk 4 Milieuaspecten

4.1 Onderzoeken bestemmingsplan

Ten behoeve van de wijziging is door DCMR Milieudienst Rijnmond een planbeoordeling uitgevoerd. De planbeoordeling van DCMR Milieudienst Rijnmond is opgenomen als bijlage 1 bij deze toelichting. Uit de planbeoordeling blijkt dat aandacht geschonken moet worden aan de milieuzonering. In de volgende paragraaf wordt nader ingegaan op de milieuzonering. De overige milieuaspecten worden kort besproken.

4.2 Mileuzonering

Beleid en normstelling

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:

  • ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd;
  • rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven.

Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009).

Onderzoek en conclusies

Bedrijfswoningen zijn voor de eigen inrichting niet gevoelig. Door de omvorming van bedrijfswoning naar burgerwoning wordt de woning wel een gevoelig object voor het aanwezige bedrijf.

Het aanwezige bedrijf ten noordwesten van de woning is een paardenpension/loonbedrijf. Op basis van de VNG-uitgave Bedrijven en milieuzonering geldt voor paardenpensions en loonbedrijven een richtafstand van 50 m in verband met de aspecten geur en geluid. De afstand van de woning aan de Hoeksekade 152 tot het bedrijf is circa 60 m waardoor aan de richtafstand wordt voldaan.

Aan de overzijde van de weg, aan de Hoeksekade 113, is ook een bedrijf gevestigd. Hier is bedrijvigheid uit maximaal milieucategorie 2 uit de Staat van Bedrijfsactiviteiten mogelijk. Hiervoor geldt een richtafstad van 30 m tot een rustige woonwijk. De afstand van de woning tot het bedrijf is ruim 30 m. Ook voor dit bedrijf wordt aan de richtafstand voldaan.

Doordat wordt voldaan aan de richtafstanden zal ter plaatse van de woning sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast worden de aanwezige bedrijven door de ontwikkeling niet in hun bedrijfsvoering belemmerd. Het aspect milieuhinder staat de beoogde ontwikkeling dan ook niet in de weg.

4.3 Archeologie

Onderzoek

De gemeente Lansingerland heeft op 28 maart 2013 archeologisch beleid vastgesteld. Op de archeologische verwachtingenkaart van de gemeente Lansingerland komen binnen het plangebied middelhoge verwachtingswaarden voor. De beschreven verwachtingszones zijn op de archeologische beleidskaart vertaald naar concrete beleidslijnen. Hiervoor is gebruik gemaakt van een zogenaamd vrijstellingsregime, waarbij ruimtelijke ingrepen tot een bepaalde omvang en diepte worden ontheven van archeologisch onderzoek.

Conclusie

Het plangebied ligt in een gebied met middelhoge verwachting (zone IV). Dat betekent dat voorafgaand aan eventuele toekomstige werkzaamheden in deze delen van het plangebied archeologisch onderzoek dient te worden uitgevoerd. Voor de gebieden met een middelhoge verwachtingswaarde (zone IV) zijn dit ingrepen met een oppervlak van meer dan 500 m² en dieper dan 0,3 m.

De woning is reeds aanwezig en er worden in principe geen bodemwerkzaamheden uitgevoerd. Het gaat om het juridisch mogelijk maken van een reguliere woning die reeds als reguliere woning in gebruik is. Om de archeologische (verwachtings)waarde te behouden wordt een dubbelbestemming opgenomen.

Met behulp van (aanvullend) archeologisch onderzoek kan het gebied van deze beschermende dubbelbestemming worden gewijzigd, toegevoegd en/ of (deels) verwijderd. Eventueel aanvullend onderzoek dient voorafgaand aan de aanvraag voor een omgevingsvergunning plaats te vinden, aangezien toetsing plaats vindt bij de indiening van de omgevingsvergunning.

Eventuele vondsten gedaan tijdens bijvoorbeeld de planuitvoering vallen wel onder de meldingsplicht zoals vastgelegd in artikel 53 van de Monumentenwet 1988.

4.4 Verkeer en parkeren

Verkeersontsluiting

Het plangebied ontsluit op de Hoeksekade. Het betreft een erftoegangsweg buiten de bebouwde kom met een maximum snelheid van 60 km/h. De weg dient ter ontsluiting van de aanliggende woningen en agrarische bedrijven. Aan één zijde van de weg is een vrijligende fietsvoorziening aanwezig.

De Hoeksekade leidt in noordwestelijke richting naar de kern Bergschenhoek. Ter hoogte van deze kern wordt tevens, via een parallelvoorziening, aangesloten op de provinciale weg N209. Via deze provinciale ontsluitingsweg wordt verder ontsloten richting Bleiswijk, Zoetermeer en de Rijksweg A12. Vanaf de Hoeksekade vindt verdere ontsluiting richting Rotterdam en de Rijkswegen A20 en A16 plaats via de Rottebandreef. Ter hoogte van Terbregge/Ommoord vindt aansluiting plaats op beide Rijkswegen. De ontsluiting van de ontwikkeling is goed.

Verkeersafwikkeling en parkeren

De ontwikkeling betreft de ingebruikname van een bedrijfswoning als reguliere woning. Deze ontwikkeling zal niet leiden tot een wijziging in de verkeersgeneratie of parkeerbehoefte. Het parkeren vindt overigens plaats op eigen terrein. Hiervoor is op het perceel voldoende ruimte aanwezig.

Conclusie

Het aspect verkeer en parkeren staat de ontwikkeling niet in de weg.

4.5 Wegverkeerslawaai

Beleid en normstelling

Op grond van de Wet geluidhinder geldt rond wegen met een maximumsnelheid hoger dan 30 km/h een geluidszone. De breedte van de geluidzone hangt af van het aantal rijstroken en of de weg in stedelijk dan wel buitenstedelijk gebied ligt. Bij ontwikkelingen van nieuwe geluidsgevoelige objecten binnen deze geluidszones, moet akoestisch onderzoek worden uitgevoerd om aan te tonen dat de ontwikkeling voldoet aan de voorkeursgrenswaarden die in de wet zijn vastgelegd. Ten aanzien van woningen geldt voor wegverkeerslawaai een voorkeursgrenswaarde van 48 dB.

Indien niet aan de voorkeursgrenswaarde kan worden voldaan, kan het bevoegd gezag – in de meeste gevallen de gemeente – hogere grenswaarden vaststellen. Hiervoor geldt een maximum, de uiterste grenswaarde genoemd, van 63 dB. Bij de vaststelling van hogere grenswaarden moet worden afgewogen of bronmaatregelen of maatregelen in de overdrachtssfeer kunnen worden getroffen.

Onderzoek en conclusie

De woning is een geluidgevoelig object. Dit is echter in de huidige situatie ook het geval. Er is dus geen sprake van een nieuwe geluidgevoelige bestemming. Daarnaast verandert de ligging van de woning ten opzichte van de weg door de beoogde ontwikkeling niet. Het aspect wegverkeerslawaai staat de beoogde ontwikkeling dan ook niet in de weg.

4.6 Luchtkwaliteit

Beleid en normstelling

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit.

Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in de volgende tabel weergegeven.

Tabel 4.1 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm

stof   toetsing van   Grenswaarde   geldig  
stikstofdioxide (NO2)   jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³   vanaf 2015  
  Uurgemiddelde concentratie   Max. 18 keer p.j. meer dan 200 µg/m³    
fijn stof (PM10)   jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³   vanaf 11 juni 2011  
  24-uurgemiddelde concentratie   max. 35 keer p.j. meer dan 50 ìg / m³    
fijn stof (PM2,5)   jaargemiddelde concentratie   25 µg/m³   vanaf 1 januari 2015  

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.

NIBM

In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:

  • een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³);
  • een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen.

Onderzoek en conclusie

De ontwikkeling in het plangebied is met de omvorming van een bedrijfswoning naar een burgerwoning dusdanig klein dat dit ten opzichte van de huidige situatie niet voor een verkeersaantrekkende werking zorgt. Op het plan is daarom het besluit nibm van toepassing. Een toetsing aan de grenswaarden kan achterwege blijven.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2014 (www.nsl-monitoring.nl) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. Hieruit blijkt dat in 2013 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof direct langs de Hoeksekade (als maatgevende doorgaande weg langs het plangebied) ruimschoots onder de grenswaarden uit de Wet milieubeheer zijn gelegen. Omdat direct langs deze weg aan de grenswaarden wordt voldaan, zal dit ook ter plaatse van het plangebied het geval zijn. Concentraties luchtverontreinigende stoffen nemen immers af naarmate een locatie verder van de weg ligt. Daarom is ter plaatse van het hele plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.7 Externe veiligheid

Beleid en normstelling

Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:

  • bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid;
  • vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen.

Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.

Onderzoek en conclusie

Uit de provinciale risicokaart (www.risicokaart.nl) blijkt dat in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle oprichtingen aanwezig zijn en dat er geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt over de weg, het spoor en het water.

Op ongeveer 50 meter van het plangebied loopt wel een buisleidingstrook die conform de structuurvisie buisleidingen gereserveerd is voor toekomstige buisleidingen. Omdat er nog geen buisleidingen aanwezig zijn, vormt de buisleidingstrook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling en behoeft er geen groepsrisico te worden verantwoord. Overigens neemt het groepsrisico door de functiewijziging niet toe.

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.8 Kabels en leidingen

Afwegingskader

Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:

  • gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen;
  • aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18”;
  • defensiebrandstoffen;
  • warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18”.

Onderzoek en conclusie

Er zijn geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. Met eventueel aanwezige overige planologisch gezien niet-relevante leidingen (zoals rioolleidingen, leidingen nutsvoorzieningen, drainageleidingen) in of nabij het plangebied hoeft in het bestemmingsplan geen rekening te worden gehouden. Er wordt geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

4.9 Bodemkwaliteit

Beleid en normstelling

Op grond van het Bro dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Voor een nieuw geval van bodemverontreiniging geldt, in tegenstelling tot oude gevallen (voor 1987), dat niet functiegericht maar in beginsel volledig moet worden gesaneerd. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur te worden gerealiseerd op bodem die geschikt is voor het beoogde gebruik.

Onderzoek en conclusie

Ter plaatse van het plangebied vindt geen functiewijziging plaats waarbij rekening gehouden dient te worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De functie is en blijft wonen. Er kan er dus van uitgegaan worden dat de bodemkwaliteit ter plaatse voldoende is voor de beoogde ontwikkeling. Daarnaast vindt er geen grondverzet plaats. Het aspect bodem staat de beoogde ontwikkeling dan ook niet in de weg.

4.10 Water

Waterbeheer en watertoets

De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijke planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap Schieland en de Krimpenerwaard, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer.

Onderzoek

Huidige situatie

Het plangebied is gelegen aan de Hoeksekade 152 en deels 150 en bestaat uit een bedrijfswoning en omliggende gronden. Volgens de Bodemkaart van Nederland bestaat de bodem ter plaatse uit veengrond. Er is sprake van grondwater trap II. Dat wil zeggen dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand op minder dan 0,4 m beneden maaiveld ligt en dat de gemiddelde laagste grondwaterstand varieert tussen 0,5 en 0,8 m beneden maaiveld.

Het perceel grenst aan de oostzijde aan een hoofdwatergang. Langs deze watergang ligt een vijf meter brede beschermingszone. Het gebied is daarnaast aangesloten op een gemengd rioolstelsel.

Toekomstige situatie

De beoogde ontwikkeling bestaat slechts uit een interne functiewijziging van een bedrijfswoning naar burgerwoning. Door de beoogde ontwikkeling onstaat er dan ook geen verslechtering van de waterhuishoudkundige situatie en waterveiligheid. Binnen de beschermingszone van de watergang wordt niet gebouwd. Daarnaast vindt er geen toename in verharding plaats waar compensatie voor nodig is.

Conclusie

De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.

4.11 Ecologie

Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en het beleid van de provincie ten aanzien van de Ecologische Hoofdstructuur de uitvoering van het plan niet in de weg staan.

Onderzoek en toetsing

In de ruime omgeving van het plangebied zijn geen beschermde gebieden zoals EHS, Natura 2000 en belangrijke weidevogelgebieden aanwezig. De woning is in potentie geschikt voor vaste verblijfplaatsen van huismus en vleermuizen. In de omgeving van de woning kunnen vogels tot broeden komen en kunnen vleermuizen foerageren.

De woning in het plangebied wijzigt van bestemming. Hiervoor vinden geen veranderingen aan de woning plaats en ook het gebruik wijzigt niet. Dit betekent dat er geen verstoring of aantasting van beschermde natuurgebieden of beschermde soorten plaatsvindt. Negatieve effecten worden uitgesloten.

Conclusie

De voorgenomen bestemmingswijziging leidt niet tot negatieve effecten op beschermde natuurgebieden of beschermde soorten. Het aspect ecologie vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

4.12 Vormvrije mer-beoordeling

Beleid en Normstelling

In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:

  • de kenmerken van de projecten;
  • de plaats van de projecten;
  • de kenmerken van de potentiële effecten.

Onderzoek en conclusie

In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject mer-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). De beoogde ontwikkeling bestaat uit de omvorming van een bedrijfswoning naar een burgerwoning. De beoogde ontwikkeling blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde.

Opgemerkt dient te worden dat voor activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, toch dient te worden nagegaan of er sprake kan zijn van belangrijke gevolgen voor het milieu. Gelet op de kenmerken van het plan zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r., de plaats van het plan en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Dit blijkt ook uit de onderzoeken van de verschillende milieuaspecten zoals deze in de vorige paragrafen zijn opgenomen. Voor dit bestemmingsplan is dan ook geen mer-procedure of mer-beoordelingsprocedure noodzakelijk conform het Besluit m.e.r.

Hoofdstuk 5 Toelichting op de planregels

Dit hoofdstuk beschrijft de juridische regeling van het bestemmingsplan zoals deze luidt nadat het

bestemmingsplan in werking is getreden.

Planregels

Er is gekozen voor een planherziening, waarbij de regels uit het moederplan, voor zover relevant, van toepassing zijn. Dit betreft de bestemmingen Tuin en Wonen, de dubbelbestemming Waterstaat, de aanduiding 'vrijwaringszone - radar' en de relevante inleidende en algemene regels en de overgangsregels. Voor de uitleg van de planregels wordt verwezen naar het bestemmingsplan 'HoeksePark'.

Na vaststelling van het moederplan is nieuw archeologisch beleid vastgesteld. Om de aanwezige waarden te beschermen wordt de dubbelbestemming Waarde - Archeologie opgenomen. Zie ook paragraaf 4.3.

Hoofdstuk 6 Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.1 Economische uitvoerbaarheid

Het onderhavige bestemmingsplan betreft een planologische aanpassing en voorziet niet in de uitvoering van werken. In verband met de bestemmingswijziging is een anterieure overeenkomst gesloten tussen de initiatiefnemer en de gemeente op basis waarvan het verhalen van de gemeentelijke kosten en mogelijke planschade gewaarborgd is. Dit betekent dat het plan economisch uitvoerbaar wordt geacht.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Op grond van de 'Verordening Interactieve Beleidsvorming, Inspraak en Burgerinitiatief' kan worden afgezien van inspraak op het voorontwerp.

Overeenkomstig artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is wel gelegenheid tot overleg geboden met betrekking tot het voorontwerp bestemmingsplan “Hoeksekade 152”. In bijlage 2 (nota overlegreacties en wijzigingen) is een weergave van de overlegreacties en een gemeentelijke reactie op deze overlegreacties opgenomen, waarbij gemotiveerd wordt aangegeven op welke punten al dan niet tot aanpassing van het bestemmingsplan wordt overgegaan. De aanpassingen zijn verwerkt is het ontwerpbestemmingsplan.

Het ontwerpbestemmingsplan heeft ter inzage gelegen van 24 juni tot en met 4 augustus 2015 . Dit is bekendgemaakt in het Gemeenteblad en in de Staatscourant. Op het ontwerpbestemmingsplan zijn geen zienswijzen ontvangen.