| Plan: | Bestemmingsplan "Rottebandreef 2" |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1621.BP0142-VAST |
Voorliggend plan betreft een postzegelbestemmingsplan voor een locatie gelegen in het recreatiegebied "Hoekse Park" van gemeente Lansingerland ten behoeve van het verhogen van het maximaal toegestane bebouwingspercentage binnen het agrarisch bouwvlak ter plaatse om de bouw van een nieuwe ligboxenstal mogelijk te maken.
In hoofdstuk 2 wordt het initiatief verder toegelicht en daar is ook een situatietekening van de nieuwe situatie opgenomen.
De voorgenomen ontwikkeling is noodzakelijk om een aantal redenen. De ontwikkelingen in de melkveehouderij volgen elkaar in hoog tempo op. Hiermee is het voor ondernemers zonder uitbreiding van het bedrijf moeilijk een duurzaam en volwaardig bedrijf te blijven exploiteren. Om, ook in de toekomst, te kunnen blijven bestaan als volwaardig en duurzaam bedrijf met een gezonde concurrentiepositie in de markt is uitbreiding noodzakelijk. De initiatiefnemer is voornemens een nieuwe ligboxenstal op te richten om deze noodzakelijke uitbreiding mogelijk te maken. Echter is op het bouwvlak van de initiatiefnemer een maximaal bebouwingspercentage opgenomen, wat in de huidige situatie vrijwel geheel is benut. Een nieuwe ligboxenstal past niet meer binnen het huidige bebouwingspercentage. Om de bouw van de stal mogelijk te maken dient het maximale bebouwingspercentage te worden verhoogd. Hiervoor is, in overleg met de gemeente, besloten een postzegelbestemmingsplan op te stellen.
De voorgenomen ontwikkeling is strijdig met de regels uit het vigerende bestemmingsplan. Echter, omdat het initiatief past op de locatie en gewenst is, wordt door de gemeente in principe medewerking verleend. Middels voorliggend document wordt gemotiveerd waarom medewerking kan worden verleend op basis van onderzoeken en waarom dat kan in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro).
De planlocatie is gelegen aan de zuidoost kant van Bergschenhoek en wordt begrensd door de Rottebandreef en het Ridderzwampad. De betreffende locatie is kadastraal bekend onder gemeente Bergschenhoek, sectie A, nummer 3110. In de volgende figuur is de topografische ligging van de planlocatie weergegeven.
Topografische kaart.
Bron: Topografische Dienst Kadaster.
Op de planlocatie is het beleid uit het bestemmingsplan "Hoekse Park" van gemeente Lansingerland, vastgesteld door de gemeenteraad op 01 juli 2010, onverkort van toepassing.
Om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken is het noodzakelijk een postzegelbestemmingsplan op te stellen. Deze toelichting dient ter verantwoording van de te doorlopen bestemmingsplanprocedure conform artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro).
Dit bestemmingsplan is als volgt opgebouwd:
In dit hoofdstuk komt het initiatief aan bod. Daartoe wordt eerst inzicht gegeven in de huidige functie(s) en bebouwing in het plangebied. Daarbij wordt mede de relatie met de omgeving betrokken. Daarna wordt het voorgenomen initiatief behandeld.
De planlocatie is gelegen aan de Rottebandreef 2 te Bergschenhoek en is gelegen in het recreatiegebied "Hoekse Park" van gemeente Lansingerland.
Gemeente Lansingerland, bestaande uit de kernen Bergschenhoek, Berkel en Rodenrijs, Bleiswijk, De Rotte en Kruisweg, is op 1 januari 2007 ontstaan uit een samenvoeging van de gemeenten Berkel en Rodenrijs, Bleiswijk en Bergschenhoek en maakt deel uit van het samenwerkingsverband Stadsregio Rotterdam en de Metropoolregio Rotterdam-Den Haag. De gemeentenaam is afgeleid van de waterstaatkundige landscheiding, Lansingh, welke tussen Delfland en Schieland is gelegen en welke tussen de dorpen in de gemeente doorloopt.
In 1811 maakte Bergschenhoek zich los van Hillegersberg en heeft sindsdien een eigen bestuur. Vóór die tijd behoorde Bergschenhoek tot het in Schieland gelegen Ambacht Hillegondsberg en Rotteban, waarin de dorpen Hillegondsberg en Bergschenhoek en buurtschap Terbregge gelegen waren.
Op 24 juli 1816 kreeg het zelfstandige Bergschenhoek van de Hoge Raad van Adel officieel toestemming voor een eigen gemeentewapen, dat nog steeds gebruikt wordt. Sinds 14 januari 1969 had Bergschenhoek een officiële gemeentevlag (met geel, rood en wit).
De planlocatie is van oudsher agrarisch in gebruik en bestaat uit grasland, gescheiden door verschillende watergangen, omringd door natuur en industrie. De planlocatie is nog steeds agrarisch in gebruik ten behoeve van de melkveehouderij.
De omgeving van de planlocatie bestaat voornamelijk uit graslanden behorende bij agrarische bedrijven, watergangen en natuur. Nabij de planlocatie zijn een agrarisch bedrijf, enkele burgerwoningen, wateren en recreatiegebieden gelegen. De dichtstbijzijnde burgerwoning is gelegen op een afstand van ongeveer 100 meter (gemeten van bouwvlak tot bouwvlak). Het dichtstbijzijnd (agrarisch) bedrijf is gelegen op een afstand van ongeveer 95 meter (gemeten van bouwvlak tot bouwvlak).
De planlocatie bestaat in de huidige situatie uit een agrarisch melkveebedrijf, waarop 60 melkkoeien, 45 stuks jongvee, 50 schapen en 8 fokvarkens (inclusief biggen) worden gehouden (vigerende vergunning 1982). Deze dieren worden gehouden in een ligboxenstal en een stal bij een machineberging. Daarnaast zijn op het bedrijf een woning, een opslagloods en voorzieningen ten behoeve van de voeropslag aanwezig.
Het verhard oppervlak ter plaatse bestaat in de huidige situatie uit:
Bebouwing
---------------------------------------------
Bedrijfswoning: 165 m2
Ligboxenstal: 550 m2
Stal/machineberging: 460 m2
Opslagloods/berging: 160 m2
Voeropslag: 900 m2
---------------------------------------------
Erfverharding: 1.600 m2
---------------------------------------------
Totaal: 3.835 m2
Het huidige bouwvlak ter plaatse is ongeveer 1,5 hectare groot. In de volgende figuur is de huidige situatie in een luchtfoto weergegeven.
Luchtfoto huidige situatie.
Bron: Bing Maps (Microsoft).
De initiatiefnemer is voornemens op de planlocatie het bestaande melkveebedrijf uit te breiden met een nieuwe stal. Hierbij is de wens van de initiatiefnemer om door te groeien naar een omvang van 74 melkkoeien, 1 stier, 67 stuks jongvee en 50 schapen.
De totale toename van de veestapel zal dus 14 melkkoeien, 1 stier en 22 stuks jongvee bedragen. Daarnaast zal de veestapel afnemen met 8 fokvarkens (inclusief biggen).
In de gewenste situatie zal het volgende aan bebouwing en/of verharding worden opgericht:
Bebouwing
-------------------------------------
Nieuwe stal: 1.055 m2
-------------------------------------
Erfverharding: 400 m2
-------------------------------------
Totaal: 1.455 m2
De toename in verhard oppervlak bedraagt dus ongeveer 1.455 m2.
In de volgende figuur is de gewenste situatie in een situatietekening weergegeven.
Gewenste situatie.
Bron: DLV Bouw, Milieu en Techniek B.V.
De nieuwe stal past binnen het huidige bouwvlak zoals in het bestemmingsplan "Hoekse Park" van gemeente Lansingerland is opgenomen. Echter is op het bouwvlak een bebouwingspercentage opgenomen dat met de nieuwe stal zal worden overschreden. Op dit punt is het voorliggende plan in strijd met de bepalingen uit het bestemmingsplan "Hoekse Park" van gemeente Lansingerland.
De gemeente Lansingerland heeft als antwoord op het eerder ingediende principeverzoek ten behoeve van dit plan aangegeven in principe medewerking te willen verlenen aan de plannen van de initiatiefnemer, mits de ontwikkeling geen nadelige gevolgen heeft op de ruimtelijke, milieutechnische en landschappelijke aspecten. In dit plan wordt verder aangetoond of sprake is van eventuele nadelige gevolgen op de genoemde aspecten.
Zoals te zien in de volgende figuur is de planlocatie aan de Rottebandreef 2 te Bergschenhoek gelegen in een gebied met de bestemming 'Agrarisch'. Tevens zijn op de planlocatie de aanduidingen 'maatvoering - maximaal bebouwingspercentage 9%', 'maatvoering - maximale bouwhoogte 10 m', 'maatvoering - maximale goothoogte 7 m', 'bouwvlak', 'functieaanduiding - bedrijfswoning' en 'vrijwaringszone - radar' van toepassing.
Uitsnede verbeelding vigerend bestemmingsplan.
Bron: Gemeente Lansingerland; Ruimtelijkeplannen.nl.
In onderhavige situatie is sprake van de bouw van een nieuwe ligboxenstal. De voorgenomen ontwikkeling is in strijd met de regels zoals gesteld in het bestemmingsplan "Hoekse Park". Hieronder is nader uitgelegd op welke punten het voorgenomen plan strijdig is met het geldend bestemmingsplan.
Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de bouw van een nieuwe ligboxenstal ten behoeve van de uitbreiding van een agrarisch melkveehouderijbedrijf. De nieuwe stal zal worden gebouwd binnen een agrarisch bouwperceel. Het bouwperceel is groot genoeg om de bouw van de stal mogelijk te maken. Echter is voor het bouwperceel een maximaal bebouwingspercentage van 9% opgenomen. Dit is onvoldoende om de stal te kunnen bouwen.
De planlocatie is gelegen in een gebied met de bestemming "Agrarisch". Deze bestemming maakt uitvoering van een agrarisch grondgebonden bedrijf mogelijk. Hierbij mogen gebouwen en bouwwerken ten dienste van het agrarisch bedrijf worden gebouwd, mits deze worden gebouwd binnen het bouwvlak.
Op de planlocatie zijn tevens een aantal aanduidingen van toepassing die maximaal een bebouwingspercentage van 9%, een maximale goothoogte van 7 meter, een maximale bouwhoogte van 10 meter en een bedrijfswoning mogelijk maken. Over het plangebied is een vrijwaringszone voor de radar van het nabijgelegen vliegveld gelegen. Deze beperkt de bouwhoogten van bebouwing ter plaatse. Gezien reeds een maximale bouwhoogte is afgekaderd zorgt dit niet voor extra belemmeringen.
Buiten de aanduidingen die een aangepaste goot- en bouwhoogte mogelijk maken geldt een maximale goothoogte van 4 meter en een maximale bouwhoogte van 6 meter.
De nieuwe stal krijgt een goothoogte van ongeveer 4,5 meter. Hiervoor zal op de verbeelding een aangepaste maatvoering van 4,5 meter worden opgenomen.
De nieuwe stal krijgt een bouwhoogte van ongeveer 9,2 meter. Hiervoor zal eveneens op de verbeelding een aangepaste maatvoering van maximaal 9,5 meter worden opgenomen.
Ter compensatie van de aangepaste nokhoogte van de nieuwe stal zal de nokhoogte van de bestaande bedrijfsgebouwen in dit plan worden teruggebracht van 10 meter naar 7,5 meter.
De afstand van de nieuwe stal tot de zijdelingse perceelsgrens zal ongeveer 9,5 meter bedragen. De afstand tot de zijdelingse perceelsgrens dient vanuit het vigerend bestemmingsplan minimaal 5 meter te bedragen. Met een afstand van ongeveer 9,5 meter wordt hieraan voldaan.
Om te voorkomen dat bedrijfsgebouwen op ongewenste plaatsen worden gebouwd binnen het bouwperceel zal voor de bedrijfsgebouwen een aanduiding worden opgenomen. In de regels wordt opgenomen dat bedrijfsgebouwen uitsluitend ter plaatse van de betreffende aanduiding zijn toegestaan. Hiermee wordt zeker gesteld dat bedrijfsgebouwen alleen op de aangegeven locaties zullen worden gebouwd.
Op het bouwperceel is een maximaal bebouwingspercentage van 9% van toepassing. De nieuwe stal en de bestaande voeropslag passen niet binnen dit bebouwingspercentage. Om de bouw van de nieuwe stal mogelijk te maken zal dit bebouwingspercentage door middel van een postzegelplan worden aangepast naar 21,8%. Met verhoging naar de gestelde 21,8% past ook de bestaande voeropslag, welke in de huidige situatie niet is meegenomen, binnen het maximale bebouwingspercentage. Hiermee biedt het bouwvlak voldoende ruimte voor de voorgenomen ontwikkeling.
Op 13 maart 2012 heeft het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M) de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. In de SVIR geeft de Rijksoverheid haar visie op de ruimtelijke en mobiliteitsopgaven voor Nederland richting 2040 en op de manier waarop zij hiermee om zal gaan. Daarmee biedt het een kader voor beslissingen die de Rijksoverheid in de periode tot 2028 wil nemen, om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden. In de SVIR maakt het Rijk helder welke nationale belangen zij heeft in het ruimtelijk en mobiliteitsdomein en welke instrumenten voor deze belangen door de Rijksoverheid worden ingezet.
Overheden, burgers en bedrijven krijgen de ruimte om oplossingen te creëren. Het Rijk gaat zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten zitten en richt zich op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de nationale belangen. De Rijksoverheid brengt het aantal procedures en regels stevig terug en brengt eenheid in het stelsel van regels voor infrastructuur, water, wonen, milieu, natuur en monumenten. Het Rijk wil de beperkte beschikbare middelen niet versnipperen. Het investeert dáár waar de nationale economie er het meest bij gebaat is, in de stedelijke regio’s rond de main-, brain- en greenports inclusief de achterlandverbindingen. Om nieuwe projecten van de grond te krijgen zoekt het Rijk samenwerking met marktpartijen en andere overheden.
Zo lang er geen sprake is van een nationaal belang zal het rijk de beoordeling en uitvoering van ontwikkelingen dus aan de provincies en gemeenten overlaten. De uitgangspunten uit de SVIR zijn juridisch verankerd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). In het Barro is aangegeven welke gebieden, of projecten, van nationaal belang zijn en aanvullende toetsing behoeven. Om te bepalen of sprake is van strijdigheid met de belangen uit de SVIR dient daarom verder getoetst te worden aan het Barro. Verdere toetsing aan ruimtelijke en milieutechnische belangen vindt plaats aan het provinciaal beleid.
Op 17 december 2011 is de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte gedeeltelijk in werking getreden. Deze nieuwe AMvB Ruimte heeft de eerdere ontwerp AMvB Ruimte 2009 vervangen. Juridisch wordt de AMvB Ruimte aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro is op 1 oktober 2012 geactualiseerd en is vanaf die datum geheel in werking getreden. Met de inwerkingtreding van het Barro naast het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), is de juridische verankering van de uitgangspunten uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte compleet.
In het Barro zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Barro is deels opgebouwd uit hoofdstukken afkomstig van de ontwerp AMvB Ruimte die eind 2009 is aangeboden en deels uit nieuwe onderwerpen.
In het Barro wordt een aantal projecten die van nationaal belang zijn genoemd en met behulp van digitale kaartbestanden exact ingekaderd. Per project worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen.
Het besluit bepaalt tevens:
"Voor zover dit besluit strekt tot aanpassing van een bestemmingsplan dat van kracht is, stelt de gemeenteraad uiterlijk binnen drie jaar na het tijdstip van inwerking van dit besluit een bestemmingsplan vast met inachtneming van dit besluit."
Volgens de toelichting bij dit artikel geldt als hoofdregel, dat de regels van het Barro alleen van toepassing zijn wanneer na inwerkingtreding van het Barro een nieuw bestemmingsplan voor het eerst nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt binnen de aangegeven projectgebieden. Alleen wanneer het Barro expliciet een aanpassing van bestemmingsplannen vergt, omdat een reeds bestaand bestemmingsplan binnen de een of meerdere van projectgebieden is gelegen, dan moet dat binnen drie jaar gebeuren.
In het Barro zijn dertien projecten van nationaal belang beschreven:
Een ander belangrijk, nog niet geheel uitgewerkt, onderwerp van het Barro betreft “duurzame verstedelijking”. Hiervoor zullen mogelijk in de toekomst nog aanvullende regels volgen.
Het Barro draagt bij aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang en “vermindering van de bestuurlijke drukte”. De bedoeling is duidelijk: belemmeringen die de realisatie van de genoemde projecten zouden kunnen frustreren of vertragen worden door het Barro op voorhand onmogelijk gemaakt. Dat zal inderdaad wellicht leiden tot een versnelde uitvoering van de in het Barro opgenomen projecten.
Daar staat tegenover dat de regelgeving voor lagere overheden weer wat ingewikkelder is geworden. Gemeenten die een bestemmingsplan opstellen dat raakvlakken heeft met een of meerdere belangen van de projecten in het Barro, zullen nauwkeurig de regelgeving van het Barro moeten controleren.
Het Barro vormt daarmee een nieuwe, dwingende checklist bij de opstelling van bestemmingsplannen.
Bij het Barro zijn kaarten opgenomen welke de genoemde projecten in beeld brengen. De planlocatie is niet in een van de aangewezen projectgebieden gelegen. Hiermee zijn de bepalingen uit het Barro niet van toepassing op de planlocatie en is geen sprake van strijdigheid met de nationale belangen.
Vanuit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte worden beleidsuitgangspunten gesteld ten aanzien van gebieden van nationaal belang. Dit is verder juridisch vertaald in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Verdere toetsing vindt daarom plaats aan het Barro. Toetsing aan de ruimtelijke en milieutechnische aspecten wordt in handen gegeven van de provincie en gemeente.
Vanuit het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn projecten van nationaal belang in kaart gebracht. Binnen deze projectgebieden worden aan bestemmingsplannen van gemeenten bindende voorschriften opgelegd. Bij nieuwe ontwikkelingen dient aan deze bindende voorschriften te worden voldaan. De planlocatie is niet gelegen in een van de projectgebieden uit het Barro. Hiermee is geen sprake van strijdigheid met de nationale belangen.
De provincie Zuid-Holland heeft, in het kader van de invoering van de Wet ruimtelijke ordening in 2008, waarin elke provincie en gemeente verplicht wordt een structuurvisie op te stellen, besloten om voor het gehele grondgebied een structuurvisie op te stellen. Deze structuurvisie is vastgesteld door de Provinciale Staten van Zuid-Holland op 2 juli 2010 en bevat de ambities van provinciaal belang voor de periode tot 2020 met een doorkijk tot 2040. Het accent daarbij ligt op sturing vooraf en sturing op kwaliteit. Deze structuurvisie vervangt de vier Streekplannen en de Nota Regels voor Ruimte.
Het grondgebied van provincie Zuid-Holland is opgedeeld in verschillende soorten gebieden, waarvoor elk eigen beleidsuitgangspunten van toepassing zijn. Volgens de functiekaart en kwaliteitskaart van provincie Zuid-Holland, zoals te zien in de volgende figuren, is de planlocatie gelegen in een gebied dat is aangemerkt als 'provinciaal landschap - Bentwoud-Rottemeren', 'recreatiegebied', 'droogmakerij als herkenbare eenheid' en 'gevarieerd en verbindend vrijetijdslandschap'.
Functiekaart provincie Zuid-Holland.
Bron: Provincie Zuid-Holland.
Kwaliteitskaart provincie Zuid-Holland.
Bron: Provincie Zuid-Holland.
Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een uitbreiding van een bestaand agrarisch bedrijf. De landbouw krijgt in de provinciale landschappen ruimte om op een duurzame wijze door te ontwikkeling, mits dit de waarden van het gebied niet zal aantasten. De waarden van het gebied betreffen vooral cultuurhistorische en recreatieve functies. De voorgenomen ontwikkeling zal de versterking van de waarden niet in de weg staan.
De planlocatie is gelegen in een provinciaal landschap (gebiedscategorie). Hiervoor geldt dat dit regio-overschrijdende en begrensde landschappen in de stedelijke invloedssfeer zijn, welke liggen tussen stedelijke agglomeraties. Ze hebben een unieke landschappelijke identiteit en ze zijn multifunctioneel van karakter (verbrede landbouw, recreatie, natuur, water, cultuurhistorie, dorpen).
Uitbreiding van een agrarisch bedrijf staat de ambities en doelstellingen van de betreffende gebieden niet in de weg en zorgt niet voor aantasting van de landschappelijke identiteit van het gebied. Het betreft immers een bestaand agrarisch bedrijf op een agrarische locatie. Daarnaast draagt de melkveehouderij, gezien sprake is van beweiding van de dieren, bij aan de beleving van het landschap.
Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van uitbreiding van een agrarisch bedrijf. Hierbij zal de verkaveling niet worden aangepast. Er is sprake van ontwikkeling van een bedrijf binnen een bestaand bouwvlak. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal sprake zijn van een duurzame waterhuishouding. Dit zal plaatsvinden in overleg met het waterschap. Dit is verder uitgewerkt in de paragraaf "Wateraspecten" (paragraaf 4.5).
Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van uitbreiding van een agrarisch bedrijf. De voorgenomen ontwikkeling staat ontwikkeling en versterking van recreatieve netwerken niet in de weg. Daarnaast is geen sprake van verbreding van kavels en/of wegen. Melkveehouderijen dragen bij, door beweiding van dieren, aan de beleving van het landschap.
Hiermee kan gesteld worden dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de beleidskaders zoals gesteld in de Provinciale Structuurvisie "Visie op Zuid-Holland" van provincie Zuid-Holland.
In samenhang met de structuurvisie is ook de Verordening Ruimte "Visie op Zuid-Holland", Verordening Ruimte vastgesteld. De regels in deze verordening zijn bindend en werken door in gemeentelijke bestemmingsplannen. In de verordening zijn beleidsregels opgenomen betreffende ruimtelijke ontwikkelingen binnen het grondgebied van de provincie.
Zoals te zien in de volgende figuur is de planlocatie gelegen in een gebied dat is aangemerkt als gebied gelegen buiten de bebouwingscontouren.
Kaart Verordening Ruimte.
Bron: Provincie Zuid-Holland.
Ten aanzien van deze gebieden is in de verordening het volgende gesteld:
"Bestemmingsplannen voor gronden buiten de bebouwingscontouren sluiten bestemmingen uit die
nieuwvestiging of uitbreiding van stedelijke functies mogelijk maken."
Hier zijn enkele uitzonderingen op die bepaalde ontwikkelingen onder voorwaarden mogelijk maken. Bij de voorgenomen ontwikkeling is echter geen sprake van nieuwvestiging of uitbreiding van stedelijke functies en geen sprake van de opgenomen uitzonderingen. Er is eveneens geen sprake van ontwikkelingen voor zover in de bepalingen ten aanzien van gebieden buiten de bebouwingscontouren zijn opgenomen.
Voor agrarische bedrijven zijn in de verordening specifieke regels opgenomen. Niet al deze regels zijn op de planlocatie van toepassing. Voor de voorgenomen ontwikkeling zijn de volgende regels van toepassing:
Ad. 1:
Alle bebouwing wordt geconcentreerd binnen een agrarisch bouwvlak. Dit bouwvlak is ongeveer 1,5 hectare groot, waarmee de maximale omvang van 2 hectare niet wordt overschreden.
Ad. 2:
Er is sprake van nieuwe bebouwing, maar deze is noodzakelijk voor een doelmatige bedrijfsvoering.
Ad. 3:
Er is geen sprake van meer dan één bedrijfswoning.
Ad. 4:
Er is geen geen sprake van nieuwe intensieve veehouderij, boom- en/of sierteelt of glastuinbouw.
Hiermee kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de beleidskaders zoals zijn gesteld in de verordening "Visie op Zuid-Holland", Verordening Ruimte van provincie Zuid-Holland.
Binnen de Provinciale Structuurvisie "Visie op Zuid-Holland" van provincie Zuid-Holland is de planlocatie gelegen in een gebied dat is aangemerkt als 'provinciaal landschap Bentwoud-Rottemeren', 'recreatiegebied', 'droogmakerij als herkenbare eenheid' en 'gevarieerd en verbindend vrijetijdslandschap'. Ten aanzien van deze gebieden zijn in de structuurvisie uitgangspunten opgenomen. De voorgenomen ontwikkeling staat deze uitgangspunten niet in de weg. Hiermee kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen strijdigheid ontstaat met de beleidsuitgangspunten zoals zijn opgenomen in de Provinciale Structuurvisie "Visie op Zuid-Holland" van provincie Zuid-Holland.
De uitgangspunten uit de provinciale structuurvisie zijn verder juridisch uitgewerkt in de verordening "Visie op Zuid-Holland, Verordening Ruimte" van provincie Zuid-Holland. Hierin zijn regels betreffende gebieden buiten de bebouwingscontouren en regels betreffende agrarische bedrijven opgenomen. Bij de voorgenomen ontwikkeling kan aan de gestelde regels worden voldaan, waarmee geen sprake is van strijdigheid met de bepalingen uit de verordening "Visie op Zuid-Holland, Verordening Ruimte" van provincie Zuid-Holland.
De planlocatie is gelegen in de metropoolregio Rotterdam-Den Haag.
De Metropoolregio Rotterdam-Den Haag is een samenwerkingsverband met de Wet gemeenschappelijke regelingen als juridische basis. Ze kan per 1 januari 2014 ontstaan door het samenvoegen van de Stadsregio Rotterdam en het Stadsgewest Haaglanden in de Nederlandse provincie Zuid-Holland. De 24 gemeenten in beide regio's, waaronder gemeente Lansingerland, werken met bedrijven en maatschappelijke organisaties in 2012 samen aan de ontwikkeling van de Metropoolregio Rotterdam Den Haag.
De doelstelling van de Metropoolregio Rotterdam Den Haag is de economische concurrentiepositie en het vestigingsklimaat van het gebied te verbeteren. Daarbij moet het een wel een regio blijven waar mensen willen wonen en waar voldoende ruimte is voor buitenrecreatie en natuurbeleving.
De missie van de Metropoolregio Rotterdam Den Haag luidt:
“Wij werken aan een duurzame internationale Metropoolregio, waarin bewoners en bedrijven zich
optimaal kunnen ontplooien en (internationale) bezoekers zich welkom voelen. Dit doen we door een
betere positionering van ons internationaal concurrerende vestigingsklimaat en het uitvoeren van
concrete projecten die de bestaande kracht van beide stedelijke regio’s bundelen. Daarbij dragen wij bij
aan een positie van de Randstad als topregio in Europa.”
Er is nog geen concreet beleid voor de metropoolregio Rotterdam-Den Haag. De gestelde doelen dienen echter wel onverhinderd tot uitvoer te kunnen worden gebracht. De voorgenomen ontwikkeling betreft een kleinschalige ontwikkeling, waarbij een agrarisch bedrijf wordt uitgebreid. Dit staat de gestelde doelen voor de ontwikkeling van de metropoolregio niet in de weg.
De planlocatie is gelegen in de metropoolregio Rotterdam-Den Haag. Hiervoor is echter (nog) geen concreet beleid vastgesteld. Wel zijn voor de metropoolregio doelstellingen opgesteld. De voorgenomen ontwikkeling zal de uitgewerkte doelstellingen niet in de weg staan. Hiermee kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling de ontwikkeling van de metropoolregio Rotterdam-Den Haag niet in de weg zal staan.
Op 18 februari 2010 heeft gemeente Lansingerland de gemeentelijke Structuurvisie Lansingerland vastgesteld.
Lansingerland is een gemeente met een forse groeiopgave. Lansingerland is een gemeente die midden in de Randstad ligt, daar deel van uitmaakt, maar door haar ligging een eigen identiteit heeft, met veel groen in de nabije omgeving, veel glas en een grote woningbouwopgave. Het is voor de gemeente een uitdaging de bestaande karakteristieke waarden te versterken en nieuwe kansen te benutten. De invulling van deze uitdaging leidt ertoe dat de identiteit van de gemeente Lansingerland zichtbaar wordt.
De gemeente wil 'aantrekkelijk wonen, werken, recreëren en leven' sturen met een eigen visie. Binnen de gemeente staat een groot aantal ontwikkelingen op stapel wat betreft woningbouw, bedrijventerreinen en maatschappelijke voorzieningen. Om deze en andere ruimtelijke ontwikkelingen en ruimtelijk beleid te verankeren, heeft de gemeente een structuurvisie opgesteld, op basis van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). De gemeente voldoet hiermee aan de verplichting uit de Wro om voor haar grondgebied een structuurvisie op te stellen.
Zoals te zien in de volgende figuur is de planlocatie gelegen in een gebied dat is aangemerkt als 'aanleg groen en recreatiegebied'.
Kaart gemeentelijke Structuurvisie Lansingerland.
Bron: Gemeente Lansingerland.
Ten aanzien van dergelijke gebieden is in de structuurvisie het volgende gesteld:
" 3.3.2 Aanleg groen- en recreatiegebieden
Lansingerland bezit vier typologieën groen- en recreatiegebieden.
Uitgangspunt is behoud van de onderscheidende karakteristieken."
De planlocatie is gelegen in het regiopark Rottemeren. Hierover is het volgende nader omschreven:
"
Regiopark Rottemeren:
Het Regiopark Rottemeren heeft een regionale aantrekkingskracht met veel recreatievoorzieningen en
routes. Er is sprake van een hoge recreatieve opvangcapaciteit. Het Regiopark faciliteert diverse
doelgroepen en is een dynamisch en actief vrijetijdslandschap. Als zodanig moet het Regiopark verder
ontwikkeld worden. Het park wordt uitgebreid met het Hoekse Park.
De locatie Bleiswijkse Zoom Noord ligt centraal in het glastuinbouwgebied en is uitermate geschikt om
de ambitie en identiteit van de greenport op een aansprekende wijze te verbeelden, in combinatie met
waterrecreatie aan de Rotte. Uitgangspunt is behoud van het doorzicht naar de Rotte.
Op hoofdlijnen richt de planvorming zich op goede doorgaande wandel- en fietsroutes en een
ecologische verbinding tussen Polder Schieveen en het Regiopark Rottemeren. Hierdoor wordt de
barrièrewerking van de grootschalige infrastructuur verminderd. De inrichting en het beheer zijn zeer
extensief. Dit biedt kansen voor natuurontwikkeling."
De voorgenomen ontwikkeling, wat een kleinschalige uitbreiding van een agrarisch bedrijf binnen een bestaand bouwperceel betreft, zal de uitgangspunten uit de structuurvisie betreffende het regiopark niet in de weg staan. Hiermee kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling niet zal zorgen voor strijdigheid met de bepalingen uit de gemeentelijke Structuurvisie Lansingerland.
De Nota Cultuurhistorie Plus van gemeente Lansingerland, vastgesteld door de gemeente op 26 april 2012, vormt de basis voor een doelstelling voor een uitgesproken ruimtelijk kwaliteitsbeleid.
De Nota Cultuurhistorie Plus geeft het voor het ruimtelijk kwaliteitsbeleid onmisbare onderliggende 'verhaal' over de ruimtelijke geschiedenis van het gebied. Wie die geschiedenis van het landschap en de nederzettingen kent, zal de voorwaarden bij nieuwe ingrepen beter begrijpen. Ook de samenhang tussen de verschillende disciplines van het ruimtelijk kwaliteitsbeleid, zoals ruimtelijk beleid en stedenbouw, beleid ten aanzien van het landschap, welstandsbeleid, monumentenbeleid en het beleid met betrekking tot de openbare ruimte, wordt dan duidelijker.
Cultuurhistorie sluit vooral aan op de belevingswaarde en ook op de toekomstwaarde, vooral voorzover het gaat om duurzaamheid, de factor tijd en de sturende werking. De nota gaat echter verder dan een gebruikelijke cultuurhistorische analyse, we spreken daarom van cultuurhistorie 'plus'.
De plus zit allereerst in de uitbreiding van wat normaal gesproken onder cultuurhistorie valt (ontwikkelingsgeschiedenis van landschap en nederzettingen tot circa vijftig jaar geleden) met de recente ontwikkelingen en veranderingen. Deze jongste laag van de geschiedenis is voor een gemeente met grote recente woningbouwontwikkelingen en moderne infrastuctuur, een onmisbare schakel in het ruimtelijke kwaliteitsbeleid. De Nota Cultuurhistorie Plus bevat dus gebiedsbeschrijvingen en analyses van de min of meer historische gebiedstypen, maar ook van de 'latere' gebiedstypen zoals bedrijventerreinen, vinex-locaties en glastuinbouw.
In de nota wordt onderscheid gemaakt in verschillende gebiedstypen. Zoals te zien in de volgende figuur is de planlocatie gelegen in een gebied dat is aangemerkt als 'Agrarisch gebied' en 'Transformatiegebied'.
Kaart gebiedstypen Nota Cultuurhistorie Plus.
Bron: Gemeente Lansingerland.
Ten aanzien van agrarische gebieden zijn in de nota de volgende ordenende principes vastgelegd:
" Ordenende principes en dragende kwaliteiten:
"De waarde van het gebied ligt in de leesbaarheid van het landschap: de historische ontwikkeling is op een aantal plaatsen aan het landschap af te lezen. Met name de hoogteverschillen droogmakerij – bovenland zijn daarvoor van belang, evenals het contrast tussen de bebouwde linten en de droogmakerijgebieden.
Het agrarisch gebied is echter op veel plaasten ingrijpend veranderd en staat onder zware druk van
economische en stedelijke processen. Feitelijk gezien blijft er weinig 'puur' landelijk gebied over na
ontwikkeling van alle lopende en toekomstige projecten. Daarbij zullen huidige agrarische gebieden
transformeren tot groen-, recreatie- en natuurgebieden."
Gezien de ligging in een transformatiegebied, zoals in de omschrijving is bedoeld voor omschakeling naar groen-, recreatie- en/of natuurgebied, zal het agrarisch gebied langzaam veranderen in een gebied meer bestemd voor recreatieve en/of natuurlijke doeleinden. Dit is eveneens opgenomen in het provinciaal beleid. De voorgenomen ontwikkeling betreft een kleinschalige uitbreiding van een reeds bestaand agrarisch bedrijf, waarbij de bouwkavelgrootte niet zal toenemen. Daarnaast zal de voorgenomen ontwikkeling de ontwikkeling en versterking van recreatieve mogelijkheden niet in de weg staan. Ten slotte draagt de melkveehouderij, door beweiding van dieren, bij aan de beleving van het landschap.
Hiermee kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling niet in strijd is met de bepalingen uit de Nota Cultuurhistorie Plus van gemeente Lansingerland.
Ten behoeve van behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit binnen de gemeente heeft de gemeente Lansingerland in april 2012 de welstandsnota vastgesteld. Deze nieuwe welstandsnota vervangt de oude welstandsnota, welke na fusie van de verschillende gemeenten tot de gemeente Lansingerland verouderd was.
Het welstandstoezicht richt zich vooral op de belevingswaarde van bouwwerken. De Wabo (artikel 2.10, eerste lid, onder d) schrijft voor dat een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit moet worden geweigerd indien het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria die door de gemeenteraad zijn vastgesteld in de welstandsnota (tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend).
Elk bouwplan moet dus - zowel op zichzelf, als in relatie tot zijn omgeving - voldoen aan redelijke eisen van welstand, volgens criteria die zijn vastgesteld in de gemeentelijke welstandsnota. Bovendien mogen bestaande bouwwerken niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, ook weer volgens de criteria in de welstandsnota.
Alleen als de gemeenteraad een gebied of een object als 'welstandsvrij' aanwijst, vervalt de preventieve welstandsbepaling. In Lansingerland wil de gemeente echter bij een deel van de vrije gebieden een vangnet behouden in de vorm van een paar summiere criteria om excessen te voorkomen. Gesproken wordt daarom van 'vrij met excessenregeling'.
In de gemeente Lansingerland kunnen op grond van de ontstaansgeschiedenis, het huidig ruimtelijk karakter en de verschijningsvorm de volgende gebiedstytpen worden onderscheiden:
De afzonderlijke gebiedstypen zijn beschreven in de Nota Cultuurhistorie Plus.
In de welstandsnota worden de welstandscriteria voor de gebiedstypen gegeven, op basis van de ordenende principes en dragende kwaliteiten (die steeds zijn overgenomen uit de Nota Cultuurhistorie Plus).
Zoals te zien in de volgende figuur is de planlocatie gelegen in een gebied dat is aangemerkt als 'vrij met excessenregeling' en 'transformatiegebied'.
Kaart welstandsniveaus.
Bron: Gemeente Lansingerland.
Ten aanzien van gebieden met welstandsniveau 'vrij met excessenregeling' is het volgende gesteld:
"Bij dit welstandsniveau zijn enkele minimale welstandscriteria van toepassing.
In tegenstelling tot de geheel vrije gebieden acht de gemeente het in deze gebieden van belang om minimaal toezicht uit te oefenen, gericht op het voorkomen van uitwassen. In de praktijk zal de aanvrager van een omgevingsvergunning nauwelijks iets merken van deze welstandsbeoordeling.
Dit welstandsniveau is toegekend aan enkele historische polderlinten, een aantal bedrijventerreinen,
een deel van het agrarisch gebied, de recreatie- en sportgebieden en twee woonbuurten."
Daarnaast dient gekeken te worden naar de gebiedsspecifieke criteria. De gebiedsindeling is overgenomen uit de Nota Cultuurhistorie Plus. Zoals eerder is opgenomen in de paragraaf "Nota Cultuurhistorie Plus" (paragraaf 3.4.2), is de planlocatie gelegen in een gebied dat is aangemerkt als 'Agrarisch gebied' en 'Transformatiegebied'.
De welstandscriteria voor agrarische gebieden met het welstandsniveau 'vrij met excessenregeling' luiden als volgt:
" Gebiedscriteria: vrij met excessenregeling:
Met de voorgenomen ontwikkeling zal aan de gestelde criteria worden voldaan. Hiermee zal geen sprake zijn van strijdigheid met de criteria uit de gemeentelijke welstandsnota.
In het vigerend bestemmingsplan "Hoekse Park" heeft de planlocatie een agrarische bestemming. Op het bouwvlak is echter een maximaal bebouwingspercentage opgenomen wat met de bouw van de stal zal worden overschreden. Om deze reden is de voorgenomen ontwikkeling in strijd met de bepalingen uit het bestemmingsplan. Om de voorgenomen ontwikkeling alsnog mogelijk te maken is, zoals is bepaald in overleg met de gemeente, een partiële herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. Voorliggend document dient als verantwoording voor de te doorlopen procedure conform artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro).
Ten behoeve van de ontwikkeling van de ambities en doelstellingen van de gemeente heeft de gemeente Lansingerland de gemeentelijke Structuurvisie Lansingerland vastgesteld. Hierin zijn de doelstellingen van de gemeente voor de korte en lange termijn verwoord. Vanuit de gemeentelijke structuurvisie is de planlocatie gelegen in een gebied dat is aangemerkt als 'aanleg groen en recreatiegebied'. Ten behoeve van dergelijke gebieden zijn in de structuurvisie uitgangspunten opgenomen. De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met de in de structuurvisie opgenomen uitgangspunten, waarmee gesteld kan worden dat de voorgenomen ontwikkeling niet zal zorgen voor strijdigheid met de doelstellingen uit de Structuurvisie Lansingerland van gemeente Lansingerland.
Ten behoeve van behoud en ontwikkeling van een uitgesproken ruimtelijk kwaliteitsbeeld heeft de gemeente Lansingerland de Nota Cultuurhistorie Plus vastgesteld. Vanuit deze nota is de planlocatie in een agrarisch gebied en transformatiegebied gelegen. De voorgenomen ontwikkeling past binnen de doelstellingen van dergelijke gebieden, mits deze de ontwikkeling van recreatieve functies niet in de weg zal staan. De voorgenomen ontwikkeling staat de ontwikkeling van recreatieve functies niet in de weg en draagt, door beweiding van dieren, bij aan de beleving van het landschap. Hiermee kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de uitgangspunten uit de Nota Cultuurhistorie Plus van gemeente Lansingerland.
Ten behoeve van behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit en belevingswaarde van bouwwerken heeft de gemeente Lansingerland de welstandsnota opgesteld, waarin welstandscriteria zijn opgenomen ten aanzien van nieuwe bebouwing. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in gebiedstypen en welstandsniveaus. De planlocatie is gelegen in een agrarisch gebied en transformatiegebied waarvoor het welstandsniveau 'vrij met excessenregeling' van toepassing is. Hiervoor zijn specifieke, vrij algemene, welstandscriteria opgenomen. Met de voorgenomen ontwikkeling zal aan deze criteria worden voldaan, waarmee geen sprake zal zijn van strijdigheid met de bepalingen uit de welstandsnota van gemeente Lansingerland.
Hiermee kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen het gemeentelijke beleid.
De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet ingevolge de Wet ruimtelijke ordening (Wro) aangetoond worden (artikel 3.1.6 lid 1 van het Bro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, ect.) maar ook de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan. Van de ruimtelijke- en milieuaspecten wordt in dit hoofdstuk verslag gedaan. De economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid worden in het volgende hoofdstuk behandeld. De toets aan het beleid is in het vorige hoofdstuk al aan de orde gekomen.
De bodemkwaliteit is in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van belang indien er sprake is van functieveranderingen en/of een ander gebruik van de gronden. De bodem moet geschikt zijn voor de functie. Mocht er een verontreiniging te verwachten zijn dan wel mocht deze feitelijk aanwezig zijn, dan dient voor vaststelling van het plan inzichtelijk gemaakt te worden of de bodemverontreiniging de voorgenomen bestemmings- en/of functiewijziging in het kader van gezondheid en/of financieel gezien in de weg staat.
Hierbij dient eerst inzichtelijk gemaakt te worden of sprake is van een te verwachten of feitelijke verontreiniging. De gronden waarop de voorgenomen ontwikkeling plaatsvindt is in gebruik als grasland behorende bij een agrarisch melkveebedrijf. Uit ervaring blijkt dat deze gronden nagenoeg altijd schoon zijn, mits geen boomgaarden aanwezig zijn geweest en geen sloten zijn gedempt. In onderhavig geval is geen sprake van gedempte sloten en/of aanwezige boomgaarden, ook niet in het verleden. Tevens zijn op de locatie, zowel in de huidige situatie als in het verleden, geen bodemverontreinigende activiteiten bekend.
Daarnaast heeft de gemeente Lansingerland een eigen bodemkwaliteitskaart. Hierop zijn zoneringen opgenomen van eventueel verwachtte of waargenomen bodemverontreiniging. Vanuit de bodemkwaliteitskaart van de gemeente is de locatie gelegen in een gebied dat is aangemerkt als 'G1: schoon (P80 zone < SW1) (nummer 6, weiland/glastuinbouw vanaf 1970/recreatie)'. Ten aanzien van deze gebieden is in het beleidsdocument het volgende gesteld:
"Deze zone wordt zowel voor de boven- als ondergrond gekarakteriseerd als gebiedstype 1.2. Ook is het varibiliteitspercentage voor de boven- en ondergrond weinig verschillend. Zowel de boven- als ondergrond is laag variabel.
Zoals verwacht is de bodemkwaliteit van zone 6 (weilanden en glastuinbouw vanaf 1970) schoner dan de bodemkwaliteit van glastuinbouw van vóór 1970 (zone'5). Dit komt vooral tot uitdrukking in de kwaliteit van de bovengrond.
De meeste zones zijn, conform de Handreiking Basisniveau Bodemkwaliteitskaarten, te karakteriseren
als type B. Dit zijn licht belaste zones, met een lage tot hoge variabiliteit waarvan over het algemeen
gesteld kan worden dat de kwaliteit schoon tot licht verontreinigd is. Uitzonderingen is de zones
Lintbebouwing vóór 1930 en Glastuinbouw voor 1970 (Nieuwe bebouwing)."
De planlocatie is niet in een van de uitgezonderde zones gelegen. Hiermee kan worden aangenomen dat de locatie waarschijnlijk schoon is, waarmee geen sprake is van een verwachtte verontreiniging.
Om aan te tonen of sprake is van een feitelijke verontreiniging dient bij ontwikkelingen een bodemonderzoek uitgevoerd te worden conform de wettelijke norm NEN 5740. Een dergelijk onderzoek moet aantonen of de bodemkwaliteit ter plaatse van de ontwikkeling gevolgen heeft op de gewenste activiteiten ter plaatse.
Dit is echter vooral van belang bij bestemmings- en/of functiewijzigingen die inrichtingen mogelijk maken waarbij gedurende een groot deel van de dag mensen aanwezig zullen zijn. In dergelijke gevallen dient middels een bodemonderzoek te worden aangetoond of de bodem ter plaatse dusdanig verontreinigd is dat dit risico's voor de gezondheid met zich meebrengt en daarmee dus de voorgenomen bestemmings- en/of functiewijziging in de weg staat.
In onderhavig geval is geen sprake van een bestemmings- en/of functiewijziging die een inrichting mogelijk maakt waarin gedurende een groot deel van de dag mensen aanwezig zullen zijn. Hiermee zijn geen risico's te verwachten voor de gezondheid en staat de bodemgesteldheid de voorgenomen ontwikkeling niet in de weg.
De Wet geurhinder veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. Het tijdstip van inwerkingtreding van de wet is vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 12 december 2006. Op 18 december 2006 is de Wet geurhinder en veehouderij gepubliceerd.
De Wet geurhinder en veehouderij geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning. Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Wet geurhinder en veehouderij.
Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. Hiervoor dienen de minimale afstanden van 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom, en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom te worden aangehouden.
Voor melkvee en jongvee zijn geen geuremissiefactoren opgenomen. Hiervoor gelden de vaste afstanden van 50 en 100 meter. De dichtstbijzijnde burgerwoning (welke is gelegen buiten de bebouwde kom) is gelegen op een afstand van ongeveer 100 meter van de planlocatie (gemeten van bouwvlak tot bouwvlak). Hiermee wordt aan de gestelde afstand voldaan. Op een afstand van ongeveer 95 meter van de planlocatie (gemeten van bouwvlak tot bouwvlak) is een agrarisch bedrijf gelegen. Hierbij is een agrarische bedrijfswoning aanwezig. Hiervoor geldt eveneens de vaste afstand van 50 meter. Gezien deze op ruim 95 meter van de planlocatie is gelegen wordt aan deze afstand voldaan.
Voor schapen zijn echter wel geuremissiefactoren vastgelegd. Er is geen feitelijke uitbreiding van het aantal schapen. Echter, als in de huidige situatie sprake is van een overbelaste situatie, dan kan in zijn geheel niet worden uitgebreid. Om aan te tonen of sprake is van een overbelaste situatie is een V-stacks berekening gemaakt, waarvoor wordt verwezen naar bijlage 2 van dit plan. Hieruit blijkt dat bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake is van een overbelaste situatie.
Geconcludeerd kan dus worden dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van een onevenredige toename van de geuremissie aan de omgeving. Hiermee levert dit aspect geen belemmeringen op.
De Eerste Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de Wet milieubeheer goedgekeurd (Stb. 2007, 414) en vervolgens is de wijziging op 15 november 2007 in werking getreden. De wet vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005. Met name paragraaf 5.2 uit genoemde wet is veranderd. Omdat 5.2 handelt over luchtkwaliteit staat de nieuwe 5.2 bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).
De Eerste Kamer is op 9 oktober 2007 akkoord gegaan met het wetsvoorstel over luchtkwaliteitseisen. Projecten die 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) aan de luchtverontreiniging, hoeven volgens het wetsvoorstel niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Het Besluit NIBM omschrijft het begrip nader: een project dat minder dan 3% van de grenswaarden bijdraagt is NIBM. Dit komt overeen met 1,2 microgram per m3 (µg/m3) voor fijn stof en stikstofoxiden (NO2).
Projecten die wel 'in betekenende mate' bijdragen, zijn vaak al opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is erop gericht om overal de Europese grenswaarden te halen. Daarom is ook een pakket aan maatregelen opgenomen: zowel (generieke) rijksmaatregelen als locatiespecifieke maatregelen van gemeenten en provincies. Dit pakket aan maatregelen zorgt ervoor dat alle negatieve effecten van de geplande ruimtelijke ontwikkelingen ruim worden gecompenseerd. Bovendien worden alle huidige overschrijdingen tijdig opgelost. In het NSL worden de effecten van alle NIBM-projecten verdisconteerd in de autonome ontwikkeling. Het NSL omvat dus alle cumulatieve effecten van (ruimtelijke) activiteiten op de luchtkwaliteit.
In augustus 2009 heeft InfoMil de “Handreiking bij beoordelen fijn stof bij veehouderijen” gepubliceerd. In mei 2010 is deze vastgesteld en definitief gemaakt. Deze handleiding is bedoeld als ondersteuning voor de gemeente als bevoegd gezag, bij het beoordelen van vergunningaanvragen voor nieuwe vestigingen en uitbreidingen, die van invloed kunnen zijn op de luchtkwaliteit. De handreiking geeft op basis van rekenvoorbeelden aan wanneer een project als NIBM beschouwd kan worden.
In het onderhavige project is er een toename van de veestapel van 14 melkkoeien (RAV-nummer A1.100.1), 22 stuks jongvee (RAV-nummer A3) en 1 stier (RAV-nummer A7). Volgens de lijst Emissiefactoren fijn stof voor veehouderij, versie 2013, bedraagt de toename van de fijn stofemissie:
14 x 118 g/dier/jaar = 1.652 g/jaar;
22 x 38 g/dier/jaar = 836 g/jaar;
1 x 170 g/dier/jaar = 170 g/jaar;
Totaal: 1.652 + 836 + 170 = 2.658 g/jaar.
Daarnaast is er een afname van de veestapel van 8 fokvarkens (RAV-nummer D3.100.1). Volgens de lijst Emissiefactoren fijn stof voor veehouderij, versie 2013, bedraagt de afname van de fijn stofemissie:
8 x 153 g/dier/jaar = 1.224 g/jaar.
De totale toename bedraagt dus 2.658 - 1.224 = 1.434 g/jaar.
De handreiking bij beoordelen fijn stof bij veehouderijen geeft grenswaarden ten aanzien van de totale emissie bij afstanden oplopend van 70 – 160 meter. Bij 70 meter is de NIBM-vuistregelgrens 324.000 g/jaar oplopend tot 1.376.000 g/jaar bij 160 meter. Dit betekent concreet dat op 70 meter elk plan met een emissie minder dan 324.000 g/jaar oplopend tot op 160 meter elk plan met een emissie minder dan 1.376.000 g/jaar als NIBM is aan te merken. In de volgende tabel zijn de vuistregels weergegeven bij verschillende afstanden.
De dichtstbijzijnde woning van derden is gelegen op een afstand van ongeveer 100 meter van de planlocatie. Hiervoor geldt een NIBM-vuistregelgrens van 581.000 g/jaar. In onderhavig geval is sprake van een emissie van 1.434 g/jaar. Dit is beduidend minder dan de NIBM-vuistregelgrens, waarmee de voorgenomen uitbreiding als NIBM is aan te merken.
Naast uitbreiding in dieraantallen moet ook de uitbreiding van het aantal verkeersbewegingen meegenomen worden. In onderhavig geval zal het aantal verkeersbewegingen niet in onevenredige mate toenemen. Hiermee is de uitstoot van de toename in het aantal verkeersbewegingen verwaarloosbaar en valt onder de noemer NIBM, waarmee verder onderzoek achterwege kan blijven.
Naast effecten op de omgeving moet ook onderzocht worden of ter plaatse van de voorgenomen ontwikkeling een goed woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. Hierbij is het van belang te kijken naar de feitelijke luchtkwaliteit ter plaatse. Dit is echter alleen van belang als gevoelige objecten in het kader van de luchtkwaliteit worden opgericht. In onderhavig geval is geen sprake van het oprichten van een gevoelig object in het kader van de luchtkwaliteit. Hiermee kan verdere toetsing achterwege blijven.
Hiermee zijn ten aanzien van luchtkwaliteit geen belemmeringen te verwachten.
De mate waarin het geluid, bijvoorbeeld veroorzaakt door het wegverkeer, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder (Wgh en Bgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige bestemmingen, worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorweg en industrie. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige bestemmingen:
Het beschermen van bijvoorbeeld het woonmilieu gebeurd aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen.
Het aantal verkeersbewegingen zal bij de voorgenomen ontwikkeling niet in onevenredige mate toenemen. Tevens is een goede ontsluiting aan de Rottebandreef gerealiseerd, waarbij op eigen terrein voldoende gelegenheid is om te keren en parkeren. Hiermee zal de geluidbelasting die wordt veroorzaakt door vrachtverkeer niet verder toenemen.
Bij de voorgenomen ontwikkeling worden geen geluidoverlast veroorzakende inrichtingen opgericht. Hiermee is geen sprake van een toename van het eventueel veroorzaakte industrielawaai van de planlocatie aan de omgeving.
Bij de voorgenomen ontwikkeling worden geen geluidgevoelige objecten opgericht. Hiermee kan verdere toetsing achterwege blijven.
Externe veiligheid gaat over de beheersing van activiteiten met gevaarlijke stoffen. Die activiteiten kunnen bestaan uit het opslaan, verwerken of transporteren van gevaarlijke stoffen. Deze activiteiten kunnen een risico veroorzaken voor de leefomgeving. Daarnaast worden de risico's van het opstijgen en landen op vliegvelden ook onder het thema externe veiligheid gevangen. De risico's worden uitgedrukt in twee risicomaten; het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.
Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of dit plan is gelegen binnen het invloedsgebied van een inrichting die valt onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Daarnaast wordt gekeken of het plan ligt binnen het invloedsgebied van de transportroute (weg, spoor, water of buisleiding) waarover gevaarlijke stoffen (o.a. LPG en benzine) worden vervoerd.
Het Bevi is gericht aan het bevoegd gezag inzake de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) zijn standaard afstanden opgenomen waarbij wordt voldaan aan de grenswaarden van het plaatsgebonden risico. Het Bevi is van toepassing op vergunningplichtige risicovolle bedrijven en nabij gelegen, al dan niet geprojecteerde, (beperkt) kwetsbare objecten. In artikel 2 lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven. Voor toepassing van het Bevi wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie.
Voor ruimtelijke plannen zijn spoorwegen, vaarwegen en autowegen risicorelevant als er binnen een zone van 200 meter vanaf de transportas een ontwikkeling gepland wordt. Beoordeling van de risico's veroorzaakt door het doorgaand verkeer dient plaats te vinden aan de hand van de circulaire “Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (ministeries van VROM, BZK en VenW)” uit 2004 en de wijziging daarop van 1 augustus 2008, waarin grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico en richtlijnen voor de toepassing van de rekenmethodiek en de verantwoording van het groepsrisico zijn opgenomen.
Daarnaast kent de circulaire de verantwoordingsplicht van het groepsrisico. Indien binnen het invloedsgebied (binnen 200 meter vanaf de as van de transportroute) nieuwe ontwikkelingen zijn voorzien en er een overschrijding van de oriënterende waarde van het groepsrisico of een significante stijging van het groepsrisico optreedt, dient bij de vaststelling van het RO-besluit, het groepsrisico te worden verantwoord.
Nabij de planlocatie (binnen een afstand van 200 meter) zijn geen transportroutes waarover mogelijk transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt gelegen.
Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) met de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden aangehouden moeten worden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. De normstelling is hierbij in lijn met het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi).
In het 'Handboek buisleidingen in bestemmingsplannen' (VROM, 19 maart 2010 geactualiseerd) staan in bijlage 6 inventarisatieafstanden genoemd. Voor de inventarisatie van de bebouwing is een bepaalde afstand waarbinnen een inventarisatie noodzakelijk wordt geacht. De inventarisatieafstand loopt uiteen van 45 meter bij een leidingdiameter van 4 inch en een druk van 40 bar tot 580 meter bij een leidingdiameter van 42 inch en een druk van 80 bar. Deze afstanden gelden aan weerszijden van de betreffende leiding.
Nabij de planlocatie is een buisleiding voor transport van gas gelegen. Volgens gegevens van het Inter Provinciaal Overleg (IPO) zijn voor de betreffende leiding geen risicoafstanden opgenomen. De leiding zelf dient, evenals een beschermingszone van 5 meter aan weerszijden van de leiding, bebouwingsvrij te blijven. De betreffende leiding is gelegen op een afstand van ongeveer 120 meter van het bouwvlak gelegen, waarmee geen sprake is van bebouwing op en/of nabij de betreffende leiding. Tevens is geen sprake van een toename van het groepsrisico, waarmee de betreffende leiding geen nadelige gevolgen zal hebben op de voorgenomen ontwikkeling.
In onderhavige situatie is sprake van uitbreiding van een melkveehouderij. Een melkveehouderij veroorzaakt zelf vaak geen risico's voor de woon- en leefomgeving in het kader van externe veiligheid en is daarom vaak geen Bevi inrichting, mits geen risicovolle elementen worden opgericht als propaantanks, koelinstallaties of vergistingsinstallaties. In onderhavige situatie is geen sprake van het oprichten van dergelijke risicovolle installaties, waarmee het bedrijf geen Bevi inrichting is en geen risico's aan de directe omgeving zal veroorzaken.
Naast het feit dat een inrichting geen onevenredige risico's voor de woon- en leefomgeving mag veroorzaken, mag een gevoelige inrichting (waar veelvuldig mensen aanwezig zijn) ook geen hinder ondervinden van mogelijk in de omgeving aanwezige inrichtingen. Volgens de Risicokaart, zoals weergegeven in de volgende figuur, is de planlocatie niet binnen een invloedsgebied gelegen van een mogelijke risicobron.
Risicokaart.
Bron: Interprovinciaal overleg (IPO).
Gezien de planlocatie niet binnen een invloedsgebied van een risicobron is gelegen, zijn ten aanzien van het plaatsgebonden risico geen belemmeringen te verwachten.
De planlocatie is in een overstromingsgebied gelegen. Er is sprake van een overstromingsrisico zodra een onbeheersbare hoeveelheid water de polder instroomt. Dat kan in deze regio zijn vanuit een van de grote rivieren en/of een (voormalige) zeearm. Bijvoorbeeld als er een gat in een waterkering ontstaat of als er over een grote lengte zoveel water over de dijken loopt dat zandzakken en/of andere noodmaatregelen de instroom niet stoppen. Een fors lekkende of overlopende sluisdeur, zonder dat een onbeheersbare situatie ontstaat, is dus geen overstroming. Water op het land door hevige regenval is geen overstroming, maar wateroverlast. Er is sprake van inundatie als land bewust onder water wordt gezet.
Het betreft hier een gebied met een mogelijke overstromingsdiepte van 50 - 80 cm. Hierover is het volgende omschreven:
50 - 80 cm:
Militaire voertuigen kunnen nog rijden. U bent nog bereikbaar voor hulpdiensten. Breng uzelf en uw gezin in veiligheid. Kijk waarop u op een veilige plaats hulp kunt bieden.
Gezien het geen overstromingsdiepte betreft van meer dan 5 meter, is de tweede verdieping van het huis altijd veilig. Hierbij bestaat altijd een mogelijkheid voor iedereen een veilig onderkomen te vinden.
Naast het plaatsgebonden risico dient ook het groepsrisico in acht te worden genomen. Hierbij is het van belang te kijken of de personendichtheid zal toenemen. Eigen personeel en bezoekers dienen hierbij buiten beschouwing te worden gelaten.
Bij de voorgenomen ontwikkeling zal de personendichtheid niet in onevenredige mate toenemen. Hiermee zal het groepsrisico eveneens niet in onevenredige mate toenemen. Hierdoor zijn ten aanzien van het groepsrisico geen belemmeringen te verwachten.
Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie, te weten: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen met daarin de aan te houden richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstand afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het zo scheiden van milieubelastende en –gevoelige functies dient twee doelen:
Met de voorgenomen ontwikkeling wordt een nieuwe stal bij een melkveehouderij opgericht. In de VNG handreiking 'Bedrijven en Milieuzonering' zijn ten aanzien van een melkveehouderij richtafstanden opgenomen ten aanzien van geluid, geur, fijn stof en gevaar. Als binnen deze afstanden gevoelige objecten gelegen zijn veroorzaakt het bedrijf hinder aan deze gevoelige objecten en zullen maatregelen getroffen moeten worden deze hinder te beperken.
De grootste richtafstand uit de VNG handreiking bedraagt 100 meter (voor geur). Het dichtstbijzijnd gevoelig object bevindt zich op ongeveer 100 meter van de planlocatie (gemeten van bouwvlak tot bouwvlak). De afstand van de stal (emissiepunt) tot het betreffende object bedraagt ongeveer 175 meter. Hiermee is het dichtstbijzijnd gevoelig object ver genoeg van de planlocatie gelegen en wordt door het bedrijf geen hinder veroorzaakt.
Als bij een inrichting nieuwe gevoelige objecten worden opgericht in het kader van geur, geluid, luchtkwaliteit of externe veiligheid, dan mag dit gevoelig object geen hinder ondervinden van eventueel omliggende hinder veroorzakende inrichtingen.Tevens mag de ontwikkeling van een nieuw gevoelig object geen belemmering zijn van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bestemmingen.
Bij het bedrijf worden geen gevoelige objecten opgericht in het kader van geluid, geur, luchtkwaliteit en/of externe veiligheid. Hiermee zal op de planlocatie geen hinder ondervonden worden van eventueel omliggende bedrijven en/of inrichtingen.
Op 1 april 2011 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Uit dit besluit blijkt dat toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst ontoereikend is om de vraag te beantwoorden of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de grenswaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld. Deze handreiking geeft aan hoe moet worden vastgesteld of een activiteit, met een omvang onder de drempelwaarde, toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarden liggen een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gebruikt. Uit deze toets kunnen twee conclusies volgen:
In het eerste geval is de activiteit niet m.e.r.(-beoordelings)-plichtig in het andere geval dient een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd en de bijbehorende procedure te worden gevolgd. Die toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EU-richtlijn milieubeoordeling projecten.
Dit plan voorziet in een uitbreiding tot 74 melkkoeien, 67 stuks jongvee, 1 stier en 50 schapen. De beoordelingsplicht geldt vanaf een toename van 200 melkkoeien en 340 stuks jongvee, 1.200 stuks vleesrunderen en/of 2.000 stuks schapen.
Voor de beoordeling is gebruik gemaakt van bijlage III EU richtlijn milieubeoordeling projecten. De bijlage maakt onderscheid in de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van het potetiële effect. Hieronder wordt hier nader op ingegaan.
1. Kenmerken van het project:
Het betreft een project van geringe omvang. Het aantal te houden dieren zal de drempelwaarden voor een m.e.r.-beoordelingsplichtige omvang niet overschrijden. Er zijn geen andere projecten in de omgeving bekend die leiden tot cumulatieve effecten.
Er is binnen het project slechts gering sprake van gebruik van natuurlijke hulpbronnen. De productie van afvalstoffen beperkt zich tot een geringe hoeveelheid mest. Onevenredige verontreiniging en hinder is, gelet op de geringe bedrijfsomvang, ook niet te verwachten. Er worden enkel reguliere stoffen en technologieën gebruikt. Gelet hierop is er geen verhoogd risico op ongevallen.
2. Plaats van het project:
Het project is niet gelegen in een gebied dat, gelet op de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarde kwetsbaar is voor een nieuwe kleinschalige invulling van een bestaand erf.
3. Kenmerken van het potentiële effect:
De potentiële effecten van de voorgenomen ontwikkeling zijn zeer gering en lokaal.
Een uitzondering hierop vormt de toename van ammoniakemissie uit de dierverblijven en ammoniakdepositie op beschermde natuurgebieden in de omgeving. Voor de gewenste uitbreiding wordt een Natuurbeschermingswetvergunning aangevraagd, waarbij sprake is van saldering, zodat de ammoniakemissie op de betreffende gebieden niet zal toenemen. Dit is verder uitgewerkt in de paragraaf "Natura 2000, Beschermde Natuurmonumenten en Wetlands" (paragraaf 4.2.1.1).
In de uitgevoerde haalbaarheidsonderzoeken en de toetsing van haalbaarheidsaspecten in deze toelichting komen ook geen effecten op te beschermen waarden in of in de omgeving van het plangebied naar voren. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat het milieubelang van de ontwikkeling die met dit plan wordt mogelijk gemaakt in voldoende mate is afgewogen en geen nadelige effecten zijn te verwachten, waarmee de voorgenomen ontwikkeling niet m.e.r.-beoordelingsplichtig is.
De bodemgesteldheid van de planlocatie mag de voorgenomen ontwikkeling niet in de weg staan. Hiervoor dient te worden aangetoond of sprake is van een te verwachten of feitelijke verontreiniging. De planlocatie bestaat voornamelijk uit graslanden bij een melkveehouderij. Gezien geen sprake is van bodemverontreinigende activiteiten kan worden gesteld dat geen sprake is van een te verwachten verontreiniging.
Om aan te tonen of sprake is van een feitelijke verontreiniging ter plaatse dient een bodemonderzoek conform de norm NEN 5740 te worden uitgevoerd. Dit is echter alleen van belang bij een bestemmings- en/of functiewijziging die een inrichting mogelijk maakt waarin gedurende een groot deel van de dag mensen aanwezig zijn. In onderhavig geval is geen sprake van een bestemmings- en/of functiewijziging die een inrichting mogelijk maakt waarin een groot deel van de dag mensen aanwezig zijn, waarmee geen sprake is van risico's voor de gezondheid. Hiermee zal de bodemgesteldheid de voorgenomen ontwikkeling niet in de weg staan.
Ten aanzien van geur dient bepaald te worden of de voorgenomen ontwikkeling een onevenredige toename van de geurbelasting tot gevolg heeft. Voor melkvee en jongvee zijn geen geuremissiefactoren vastgesteld. Hiervoor gelden ten aanzien van gevoelige objecten vaste afstanden. Aan deze afstanden wordt voldaan. Voor schapen gelden echter wel geuremissiefactoren. Er is geen feitelijke uitbreiding van het aantal schapen, maar als in de huidige situatie sprake is van een overbelaste situatie dan kan in geheel niet worden uitgebreid. Om aan te tonen of sprake is van een overbelaste situatie is een V-stacks berekening gemaakt. Hieruit blijkt dat geen sprake is van een overbelaste situatie. Hiermee kan worden gesteld dat de geurbelasting op de omgeving niet in onevenredige mate zal toenemen.
De voorgenomen ontwikkeling mag geen onevenredige toename van de uitstoot van schadelijke stoffen in het kader van de luchtkwaliteit tot gevolg hebben. Onderhavig project is aan te merken als een project dat 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de uitstoot van schadelijke stoffen (een NIBM-project). Gezien de voorgenomen ontwikkeling een NIBM-project betreft kan verdere toetsing aan de luchtkwaliteit achterwege blijven. Hiermee kan worden gesteld dat ten aanzien van luchtkwaliteit geen belemmeringen te verwachten zijn.
Ten aanzien van geluid dient te worden bepaald of de voorgenomen ontwikkeling een onevenredige toename van de geluidbelasting aan de omgeving tot gevolg zal hebben. In onderhavig geval is geen sprake van het oprichten van een geluidoverlast veroorzakende inrichting. Het aantal verkeersbewegingen zal eveneens niet in onevenredige mate toenemen. Hiermee zal de geluidbelasting op de omgeving niet onevenredig toenemen.
Tevens dient bij de voorgenomen ontwikkeling te worden bepaald of de geluidbelasting op de gevels van eventueel op te richten geluidgevoelige objecten de wettelijke normen niet zal overschrijden. In onderhavige situatie is geen sprake van het oprichten van geluidgevoelige objecten. Hiermee kan verder onderzoek achterwege blijven.
Ten aanzien van externe veiligheid dient te worden bepaald of sprake is van een onevenredige toename van het plaatsgebonden risico. In onderhavig geval zal geen risicovolle inrichting worden opgericht. Tevens is de planlocatie niet binnen het invloedsgebied van een mogelijke risicobron gelegen. Hiermee zal het plaatsgebonden risico niet verder toenemen.
Tevens dient ten aanzien van externe veiligheid te worden bepaald of sprake is van een onevenredige toename van het groepsrisico. In onderhavig geval is geen sprake van een onevenredige toename van de personendichtheid. Hiermee is geen sprake van een onevenredige toename van het groepsrisico.
De VNG heeft de handreiking "Bedrijven en Milieuzonering" uitgebracht. In deze handreiking zijn vaste afstanden opgenomen die bepaalde bedrijven en/of inrichtingen dienen aan te houden ten aanzien van gevoelige objecten. Deze afstanden kunnen varieren voor de aspecten geluid, geur, luchtkwaliteit en gevaar. Aan de gestelde afstanden uit de handreiking wordt met de voorgenomen ontwikkeling voldaan.
Daarnaast mag de voorgenomen ontwikkeling geen belemmeringen van omliggende bestemmingen en bedrijven tot gevolg hebben. In onderhavig geval worden geen gevoelige objecten opgericht, waarmee geen sprake is van belemmering van de ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen bedrijven en bestemmingen.
Het plan is niet binnen een kwetsbaar of waardevol gebied gelegen en heeft ook geen belangrijke nadelige milieugevolgen voor de omgeving. De ontwikkeling die met dit plan mogelijk wordt gemaakt is dan ook niet m.e.r.-beoordelingsplichtig.
Hiermee kan worden gesteld dat ten aanzien van het aspect milieu geen belemmeringen te verwachten zijn.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de (mogelijke) natuurwaarden. Daartoe wordt onderscheid gemaakt in gebiedsbescherming en soortenbescherming.
De Natuurbeschermingswet richt zich op de bescherming van gebieden. Sinds 1 oktober 2005 zijn hierin ook de bepalingen vanuit de Europese Habitat- en Vogelrichtlijn, aangevuld met de vroegere Beschermde- en Staatsnatuurmonumenten en het Verdrag van Ramsar verwerkt. In de Natuurbeschermingswet zijn de volgende gronden aangewezen en beschermd:
Naast deze drie soorten gebieden is er de (Provinciale) Ecologische Hoofdstructuur ((P)EHS) die in het kader van de gebiedsbescherming van belang is. De (P)EHS is een samenhangend netwerk van belangrijke natuurgebieden in Nederland. Zij bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingszones. De EHS draagt bij aan het bereiken van de hoofddoelstelling van het Nederlandse natuurbeleid, namelijk: 'Natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving'. Hiertoe zijn de volgende uitgangspunten van belang:
Daarnaast is het bij uitbreiding van agrarische bedrijven van belang te kijken naar de invloed op mogelijke (zeer) kwetsbare gebieden in het kader van de Wet ammoniak en veehouderij, de zogenaamde Wav-gebieden. Dit zijn voor verzuring gevoelige gebieden waarbij toename van de uitstoot van ammoniak op deze gebieden kan leiden tot een onevenredige aantasting ervan.
Zoals te zien in de volgende figuur is de planlocatie niet in een Natura 2000 gebied, Beschermd Natuurmonument of Wetland gelegen. Het dichtstbijzijnde beschermd gebied is gelegen op een afstand van ongeveer 10,5 kilometer van de planlocatie. Op een dergelijke afstand is het mogelijk dat de voorgenomen ontwikkeling van invloed is op het betreffende gebied. Echter is voor de voorgenomen ontwikkeling bij de provincie Zuid-Holland een Natuurbeschermingswetvergunning aangevraagd. Gezien de geringe uitbreiding is het aannemelijk dat de voorgenomen ontwikkeling geen onevenredig nadelige effecten op de betreffende gebieden zal hebben en dat de Natuurbeschermingswetvergunning kan worden verleend. Mocht sprake zijn van een toename van de ammoniakdepositie op de betreffende gebieden dan zal, door middel van aankoop van ammoniakrechten, worden gesaldeerd. Hiermee zal geen sprake zijn van aantasting van de betreffende gebieden.
Natura 2000 gebieden, Beschermde Natuurmonumenten en Wetlands.
Bron: Google; Alterra Wageningen UR; Ministerie van EL&I.
Zoals te zien in de volgende figuur is de planlocatie niet in de EHS of een EVZ gelegen.
Ecologische Hoofdstructuur en Ecologische Verbindingszones.
Bron: Provincie Zuid-Holland.
Gezien de planlocatie niet in de EHS of in een EVZ is gelegen zal de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige invloed hebben op deze gebieden en staat het project de ontwikkeling van deze gebieden niet in de weg.
Op 8 mei 2002 is de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) in werking getreden. De Wav vormt een onderdeel van de nieuwe ammoniakregelgeving voor dierenverblijven van veehouderijen. Deze nieuwe regelgeving kent een emissiegerichte benadering voor heel Nederland met daarnaast aanvullend beleid ter bescherming van de (zeer) kwetsbare gebieden. Deze (zeer) kwetsbare gebieden ingevolge de Wav (Wav-gebieden) zijn gebieden die nadelige invloed kunnen ondervinden als de uitstoot van ammoniak op deze gebieden toeneemt. Ter bescherming van deze gebieden is een zone van 250 meter rondom deze gebieden aangewezen als buffer om ontwikkelingen die schadelijk zijn voor deze gebieden te beperken.
Wav-gebieden zijn altijd binnen de Ecologische Hoofdstructuur gelegen. Dit betekent niet dat elk gebied dat als Ecologische Hoofdstructuur ook als Wav-gebied is aangemerkt, maar elk Wav-gebied is wel als Ecologische Hoofdstructuur aangemerkt. Binnen 250 meter van de planlocatie zijn geen gebieden die als Ecologische Hoofdstructuur zijn aangemerkt gelegen, waarmee geen sprake kan zijn van ligging binnen 250 meter van een Wav-gebied. Hiermee zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen Wav-gebieden worden aangetast.
Sinds 1 april 2002 regelt de Flora- en faunawet de bescherming van in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden.
Voor de soortenbescherming geldt dat deze voor elk plangebied geldt. In elk gebied kunnen bijzondere soorten voorkomen en/of elk plangebied kan geschikt zijn voor deze soorten. Voor alle aanwezige flora en fauna geldt de zorgplicht ex artikel 2 van de Flora- en faunawet, die van toepassing is op zowel beschermde als onbeschermde dier- en plantensoorten. Op grond hiervan dient men zoveel als redelijkerwijs mogelijk is te handelen op een wijze waarop nadelige gevolgen voor flora en fauna kunnen worden voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk worden beperkt of ongedaan worden gemaakt.
Bij realisatie van dit project zal deze zorgplicht in acht worden genomen.
In het kader van de soortenbescherming dient beoordeeld te worden wat via het ruimtelijke project wordt toegelaten in aanvulling op wat al mogelijk is. Zo is sloop van bebouwing of het verrichten van werken (maaien, kappen etc.) vaak ook al mogelijk zonder een ruimtelijk besluit in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Daarmee wordt voorliggend plan echter niet ontslagen van een integrale blik op het totale project: dus inclusief ingrepen die ook zonder het beoogde Wro-besluit mogelijk zijn.
De Flora- en faunawet maakt onderscheid in verschillende categorieën waarin de beschermde soorten flora en fauna zijn onderverdeeld. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in de volgende categorieën:
Voor mogelijk voorkomende soorten die op lijst 1 van de Flora- en faunawet staan geldt een vrijstelling. Bij het uitvoeren van ruimtelijke ingrepen is het voor deze soorten niet noodzakelijk een ontheffing aan te vragen.
Voor mogelijk voorkomende soorten die op lijst 2 en/of 3 van de flora- en faunawet staan geldt dat deze ontheffingsplichtig zijn. Het is echter niet noodzakelijk een ontheffing aan te vragen wanneer mitigerende en compenserende maatregelen worden getroffen. Dit houdt in dat maatregelen moeten worden getroffen om mogelijke schade te voorkomen dan wel zoveel mogelijk te beperken.
Voor mogelijk voorkomende soorten die op de rode lijst van het Ministerie van EL&I staan geldt dat deze soorten, zolang zij niet in een van de andere bijlagen uit de Flora- en faunawet (inclusief vogel- en habitatrichtlijn), geen juridische bescherming genieten en dat geen ontheffing nodig is.
Daarnaast zijn voor vogels richtlijnen opgenomen vanuit de Vogelrichtlijn. Alle vogels zijn namelijk beschermd in het kader van de vogelrichtlijn. Werkzaamheden in en in de omgeving van het plangebied tijdens de broedtijd (15 maart -15 juli) zullen sterke negatieve effecten hebben op de meeste vogelsoorten door vernietiging van broedplaatsen en verstoring van reproductie. Werkzaamheden in deze periode zijn dan ook niet toegestaan. Indien broedvogels binnen het broedseizoen worden verstoord, wordt wettelijk gezien geen ontheffing verleend. Buiten het broedseizoen kan wel ontheffing worden verleend.
Tevens zijn voor enkele soorten richtlijnen opgenomen vanuit de Habitatrichtlijn. Voor deze soorten zijn beschermde gebieden aangewezen (Natura 2000). Bescherming van deze soorten vindt plaats door de gebiedsbescherming.
De grond op de planlocatie bestaat voornamelijk uit grasland bij een melkveehouderij en is regelmatig in beroering. Hiermee is het aannemelijk dat zich binnen het plangebied geen beschermde soorten planten bevinden. Hiermee kan worden aangenomen dat met de voorgenomen ontwikkeling geen bedreigde soorten planten worden aangetast.
Binnen het plangebied is weinig tot geen opgaande beplanting aanwezig. Hiermee is ter plaatse onvoldoende gelegenheid voor dieren om zich te verschuilen en zijn onvoldoende voedselbronnen aanwezig. Hiermee is het aannemelijk dat zich binnen het plangebied geen beschermde diersoorten zullen bevinden. Hierdoor kan worden aangenomen dat met de voorgenomen ontwikkeling geen beschermde diersoorten worden aangetast.
Om dit, gezien de schaal en aard van de ontwikkeling, inzichtelijk te maken is door een ecoloog een bureaustudie naar mogelijk voorkomende soorten uitgevoerd. Uit dit onderzoek blijkt dat geen vervolgonderzoek noodzakelijk is, mits gebouwd wordt op graslanden en geen verlies optreedt van watergangen en/of bomen. Dat is in onderhavige situatie niet het geval, waarmee vervolgonderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. Voor het geheel onderzoek wordt verwezen naar bijlage 3 van dit plan.
Ter plaatse is echter jaarrond een streng beschermde diersoort, de steenuil, aanwezig. Hiervoor heeft de initiatiefnemer een steenuilenkast op zijn perceel. Deze kast is voor de voorbereiding van de plannen zeer zorgvuldig verplaatst. Voor verdere plannen zal zeer zorgvuldig met de biotoop van deze soort, waarmee dus ook zorgvuldig met de erfbeplanting zal moeten worden omgegaan.
Op het achtererf zijn nog 15 bomen aanwezig. Deze zullen behouden dienen te blijven voor de instandhouding van de biotoop van de steenuilen. Daarnaast mogen de steenuilen in het broedseizoen niet worden gestoord. De werkzaamheden zullen dan ook buiten het broedseizoen moeten plaatsvinden. Bij de voorgenomen ontwikkeling zullen de 15 bomen behouden blijven en zullen de werkzaamheden buiten het broedseizoen plaatsvinden. Hiermee zal de biotoop van de steenuilen niet worden aangetast en zal geen sprake zijn van aantasting van beschermde soorten flora en/of fauna.
Ten aanzien van Natura 2000 gebieden, Beschermde Natuurmonumenten en Wetlands dient aangetoond te worden dat de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige effecten zal hebben op dergelijke gebieden. De planlocatie is niet in een Natura 2000 gebied, Beschermd Natuurmonument of Wetland gelegen. De planlocatie is echter op een dergelijke afstand van een beschermd gebied gelegen dat de voorgenomen ontwikkeling mogelijk nadelige invloed zal hebben op het betreffende gebied. Echter is voor de voorgenomen ontwikkeling bij de provincie Zuid-Holland een Natuurbeschermingswetvergunning aangevraagd. Gezien de geringe uitbreiding is het aannemelijk dat de voorgenomen ontwikkeling geen onevenredig nadelige effecten op de betreffende gebieden zal hebben en dat de Natuurbeschermingswetvergunning kan worden verleend. Mocht sprake zijn van een toename van de ammoniakdepositie op de betreffende gebieden dan zal, door middel van aankoop van ammoniakrechten, worden gesaldeerd. Hiermee zal geen sprake zijn van aantasting van de betreffende gebieden.
Met de voorgenomen ontwikkeling mag geen aantasting van de natuurlijke waarden van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) en Ecologische Verbindingszones (EVZ). De planlocatie is niet in de EHS of een EVZ gelegen, waarmee geen sprake zal zijn van een aantasting van de natuurlijke waarden.
Ten aanzien van (zeer) kwetsbare gebieden ingevolge de Wet ammoniak en veehouderij (Wav-gebieden) dient te worden bepaald of de voorgenomen ontwikkeling een nadelige invloed zal hebben op deze gebieden. Ter bescherming van de Wav-gebieden zijn rondom deze gebieden buffers van 250 meter aangelegd, waarbinnen de uitstoot van ammoniak moet worden beperkt. De planlocatie is niet binnen een Wav-gebied of een zone van 250 meter gelegen, waarmee geen Wav-gebieden zullen worden aangetast.
Ten aanzien van flora en fauna dient te worden bekeken of de voorgenomen ontwikkeling mogelijke aantasting van (leefgebieden van) beschermde soorten flora en fauna tot gevolg heeft. Om dit inzichtelijk te maken is door een ecoloog een bureaustudie naar mogelijk voorkomende soorten uitgevoerd. Uit dit onderzoek blijkt dat geen vervolgonderzoek noodzakelijk is, mits gebouwd wordt op graslanden en geen verlies optreedt van watergangen en/of bomen. Dat is in onderhavige situatie niet het geval, waarmee vervolgonderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. Wel is ter plaatse een zeer streng beschermde soort aanwezig (steenuil). De biotoop van deze soort dient streng gehandhaafd te worden. Hiertoe mogen de bestaande bomen op het achererf niet worden gekapt en dienen de werkzaamheden buiten het broedseizoen plaats te vinden. Bij de voorgenomen ontwikkeling zullen de bomen gehandhaafd worden en zullen de werkzaamheden buiten het broedseizoen plaatsvinden. Hiermee zullen geen beschermde soorten flora en/of fauna worden geschaad.
Hiermee kan worden gesteld dat ten aanzien van het aspect ecologie geen belemmeringen te verwachten zijn.
Een onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeers- en infrastructuur. Hierbij is het van belang of de voorgenomen ontwikkeling grote veranderingen ten aanzien van verkeer en infrastructuur teweeg brengt.
Een ontsluiting is gerealiseerd op de Rottebandreef. De planlocatie is voorzien van een inrit welke aansluit op de Rottebandreef. Hierbij heeft het inkomend en vertrekkend verkeer voldoende ruimte om het bedrijf te betreden en verlaten, waardoor geen onnodige verkeershinder op de Rottebandreef zal plaatsvinden.
Op het terrein zelf is voldoende gelegenheid voor personenauto's en vrachtwagens om te keren. Hierbij hoeft niet op de Rottebandreef alsnog gekeerd te worden, waardoor geen achteruit rijdende personenauto's en/of vrachtwagens de Rottebandreef op hoeven rijden. Dit bevordert de verkeersveiligheid.
Bij de voorgenomen ontwikkeling zal het aantal verkeersbewegingen naar verwachting nauwelijks toenemen. Hierdoor is geen substantiële toename van de verkeersdruk op de omgeving en de infrastructuur te verwachten. De verkeersveiligheid ter plaatse wordt niet nadelig beïnvloed.
Een nieuwe ontwikkeling mag geen nadelige gevolgen hebben op de bestaande infrastructuur. Hierbij is het van belang de bestaande infrastructuur zoveel mogelijk te behouden en, waar mogelijk, te versterken.
Bij de voorgenomen ontwikkeling zal uitsluitend gebruik worden gemaakt van de bestaande infrastructuur. Hierbij zal rekening worden gehouden met de capaciteit van de ontsluitingsweg, zodat geen situatie ontstaat waarbij meer verkeer over de ontsluitingsweg rijdt dan dat deze kan verwerken.
Hiermee kan worden gesteld dat geen sprake is van aantasting van de bestaande infrastructuur.
In de huidige situatie vindt het parkeren geheel op eigen terrein plaats. Bij de voorgenomen ontwikkeling is het vereist dat het parkeren ook na realisatie van de plannen geheel op eigen terrein plaatsvindt. Ook na realisatie van de plannen zal er op eigen terrein voldoende gelegenheid zijn voor zowel vracht- als personenauto's om te kunnen parkeren. Hiermee zal parkeren, ook na realisatie van de plannen, geheel op eigen terrein plaatsvinden.
De planlocatie is reeds voorzien van een ontsluiting. Deze ontsluiting zal na de realisatie van de plannen niet verslechteren.
Het is van belang te kijken of de capaciteit van de ontsluitingsweg voldoende groot is om een eventuele toename van het aantal verkeersbewegingen te kunnen verwerken. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal het aantal verkeersbewegingen niet in onevenredige mate toenemen. Hiermee zal de ontsluitingsweg voldoende capaciteit blijven bieden.
Bij ontwikkelingen mag de bestaande infrastructuur niet worden aangetast. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal uitsluitend gebruik worden gemaakt van de bestaande infrastructuur. Hiermee is geen sprake van aantasting van de huidige infrastructuur.
Om verkeers- en parkeerdruk op de ontsluitingswegen dient parkeren geheel op eigen terrein plaats te vinden. In de huidige situatie is voldoende gelegenheid voor zowel vracht- als personenauto's om te kunnen keren en parkeren. Ook na realisatie van de plannen zal voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein blijven bestaan. Hiermee zal parkeren van zowel vracht- als personenauto's geheel op eigen terrein plaatsvinden, ook na realisatie van de plannen. Hiermee kan worden gesteld dat ten aanzien van het aspect verkeer en parkeren geen belemmeringen te verwachten zijn.
Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Nederlandse parlement heeft dit verdrag in 1998 goedgekeurd. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Monumentenwet. Op basis van deze wet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren. In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Monumentenwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn zodat, waar nodig, die waarden veilig gesteld kunnen worden en/of het initiatief aangepast kan worden.
De gemeente Lansingerland heeft op 28 maart 2013 de gemeentelijke beleidsnota archeologie vastgesteld, waarbij de kans op het aantreffen van archeologische resten in de bodem in beeld is gebracht op de bijbehorende archeologische verwachtingen en beleidskaart. Afhankelijk van de waarde stelt de gemeente voorwaarden voor het uitvoeren van archeologisch onderzoek.
Zoals te zien op de archeologische verwachtingskaart, welke is weergegeven in de volgende figuur, is de planlocatie gelegen in een gebied met een middelhoge verwachtingswaarde.
Archeologische verwachtingswaarde.
Bron: Gemeente Lansingerland.
Ten aanzien van gebieden met een middelhoge verwachtingswaarde stelt de gemeente het volgende in haar beleid:
"Onderzoek noodzakelijk bij verstoringen dieper dan 30 cm-Mv en groter dan 500 m2
".
Gezien niet aan de voorwaarden tot vrijstelling van archeologisch onderzoek kan worden voldaan dient aangetoond te worden dat met de voorgenomen ontwikkeling geen archeologische resten zullen worden geschaad. Om dit aan te tonen is een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Op basis van dit onderzoek wordt door het onderzoeksbureau geen vervolgonderzoek geadviseerd. Mochten tijdens de werkzaamheden alsnog vondsten worden gedaan dan dient dit te worden gemeld aan het bevoegd gezag. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 4 van dit plan.
Het cultuurhistorisch erfgoed van Nederland bestaat uit monumentale panden, historische zichtlijnen, kenmerkende landschappen en waardevolle lijn- en/of vlakelementen. Het cultuurhistorisch erfgoed geeft een beeld van de geschiedenis van het landschap. Daarom is bescherming van deze elementen van belang. Om de cultuurhistorisch waardevolle elementen in beeld te brengen is de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) opgesteld.
Volgens de CHW, zoals weergegeven in de volgende figuur, is de planlocatie niet in een gebied met cultuurhistorisch waardevolle elementen gelegen.
CHW.
Bron: Provincie Zuid-Holland.
De planlocatie is op voldoende afstand van cultuurhistorisch waardevolle elementen gelegen. Hierdoor zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen cultuurhistorische waarden worden aangetast.
Het doel van het beleid met betrekking tot aardkundige waarden is om de ontstaansgeschiedenis van het aardoppervlak zichtbaar, beleefbaar en begrijpelijk te houden. Om aardkundige waarden te beschermen zijn aardkundig waardevolle gebieden aangewezen.
De planlocatie is niet in een aardkundig waardevol gebied gelegen.
Gezien de planlocatie niet in een aardkundig waardevol gebied is gelegen zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen aardkundige waarden worden aangetast.
Met de voorgenomen ontwikkeling mogen geen archeologisch waardevolle elementen worden aangetast. De planlocatie is gelegen in een gebied met een middelhoge verwachtingswaarde. Aan de voorwaarden voor vrijstelling van archeologisch onderzoek kan niet worden voldaan, waardoor archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Om deze reden is een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Op basis van dit onderzoek wordt door het onderzoeksbureau geen vervolgonderzoek geadviseerd. Mochten tijdens de werkzaamheden alsnog vondsten worden gedaan dan dient dit te worden gemeld aan het bevoegd gezag.
In het kader van de cultuurhistorie is het van belang dat cultuurhistorisch waardevolle elementen behouden en, waar mogelijk, versterkt worden. De planlocatie is niet in een gebied met cultuurhistorisch waardevolle elementen gelegen. Hiermee zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen cultuurhistorisch waardevolle elementen worden geschaad.
Een nieuwe ontwikkeling mag geen nadelige gevolgen hebben op de aardkundige waarden van een gebied. De planlocatie is niet in een aardkundig waardevol gebied gelegen. Hiermee zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen aardkundige waarden worden aangetast.
Hiermee kan worden gesteld dat ten aanzien van het aspect archeologie en cultuurhistorie geen belemmeringen te verwachten zijn.
Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.a.) voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
Met ingang van 3 juli 2003 is een watertoets in de vorm van een waterparagraaf en de toelichting hierop een verplicht onderdeel voor ruimtelijke plannen van provincies, regionale openbare lichamen en gemeenten. De watertoets is verankerd in de Waterwet (Wtw). Dit houdt in dat de toelichting bij het ruimtelijk plan een beschrijving dient te bevatten van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. Dit beleid is voortgezet in het huidige Besluit ruimtelijke ordening.
In dit besluit wordt het begrip “waterhuishouding” breed opgevat. Aangesloten wordt bij de definitie zoals die is opgenomen in de Wtw. Zowel het oppervlaktewater als het grondwater valt onder de zorg voor de waterhuishouding. Bij de voorbereiding van een waterparagraaf dienen alle van belang zijnde waterhuishoudkundige aspecten beoordeeld te worden. Naast veiligheid en wateroverlast (waterkwantiteit) zullen ook de gevolgen van het ruimtelijk plan voor de waterkwaliteit en verdroging bezien worden.
De Europese Kaderrichtlijn water geeft een kader voor de bescherming van de ecologische en chemische kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater.
Het ontwerp Nationaal Waterplan is de opvolger van de Vierde Nota Waterhuishouding uit 1998 en is opgesteld voor de planperiode 2009-2015.
Het Nationaal Waterplan beschrijft de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid. Het rijk streeft naar een duurzaam en klimaatbestendig waterbeheer en heeft de ambitie om de komende decennia te investeren in bescherming tegen overstromingen en in de zoetwatervoorziening. Voor een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem is het van belang bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening te houden met waterhuishoudkundige eisen op de korte en de lange termijn. Om een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem te bereiken moet het water meer bepalend zijn bij de besluitvorming over grote ruimtelijke opgaven dan voorheen. De mate van bepalendheid wordt afhankelijk gesteld van, onder meer, de omvang en de aard van de ingrepen, bestaande functies, nieuwe andere ruimteclaims en de bodemgesteldheid van een gebied.
Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. Het Nationaal Waterplan, vervangt daarmee op onderdelen het beleid uit de Nota Ruimte. Specifiek gaat het over de gebieden die deel uitmaken van de ruimtelijke hoofdstructuur, het IJsselmeer, de Noordzee en de rivieren. Hiervoor geldt de AMvB Ruimte. Ook de bescherming van vitale functies en kwetsbare objecten is een onderwerp van nationaal belang. Hiervoor wordt een afzonderlijke AMvB opgesteld.
In het kader van het verkrijgen van een duurzaam watersysteem hebben Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen in 2001 de Startovereenkomst Waterbeleid 21e eeuw (WB’21) ondertekend. Onderdeel van het nieuwe waterbeleid is de “watertoets”, de check van ruimtelijke plannen aan de gevolgen voor het watersysteem. Ruimtelijke plannen dienen een waterparagraaf te bevatten. Initiatiefnemers van ruimtelijke plannen moeten in een vroegtijdig stadium van het planvormingsproces de waterbeheerder(s) betrekken. De initiatiefnemer vraagt de waterbeheerder(s) om een wateradvies in de vorm van een watertoets. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van het overleg opgenomen. Op basis van de watertoets zal de waterbeheerder Keurontheffing en, indien nodig, een Watervergunning verlenen.
In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen.
In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit nieuwe instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en de waterbeheerder samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is sinds 2003 verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening 1985 (Bro 1985) en is overgenomen in het nieuwe Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. In 2008 is het NBW geactualiseerd met als doel de watersystemen in 2015 op orde te krijgen, met name op het gebied van wateroverlast en watertekort.
In de Waterwet (2009) zijn acht oude waterwetten samengebracht. De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de KRW te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen. De waterschappen krijgen een nieuwe bevoegdheid voor het verlenen van vergunningen voor grondwateronttrekkingen, bemalingen en infiltraties, met uitzondering van onttrekkingen voor drinkwater, koude en warmteopslag en grote industriële onttrekkingen van meer dan 150.000 m3/jaar. Gemeenten krijgen verdergaande taken en bevoegdheden in het kader van de zorgplicht voor het inzamelen van afvalwater in de riolering en voor hemelwater en grondwater.
Op 1 januari 2010 is het Provinciaal Waterplan 2010-2015 in werking getreden. Dit plan vervangt het provinciale Waterhuishoudingplan, dat was opgenomen in het Beleidsplan Groen, Water en Milieu 2006-2010 en in het Grondwaterplan 2007-2013. In het Provinciaal Waterplan zijn de opgaven van de Europese Kaderrichtlijn Water, het Nationaal Bestuursakkoord Water en het Nationaal Waterplan vertaald naar strategische doelstellingen voor Zuid-Holland. Het Provinciaal Waterplan beschrijft op hoofdlijnen wat de provincie in de periode tot 2015 samen met haar waterpartners wil bereiken. HetWaterplan heeft vier hoofdopgaven:
In het plan zijn deze opgaven verder uitgewerkt in 19 thema's en voor drie gebieden, in samenhang met economische, milieu- en maatschappelijke opgaven. Dit heeft geleid tot een integrale visie op de ontwikkeling van de Zuid-Hollandse Delta, het Groene Hart en de Zuidvleugel van de Randstad.
In de Verordening Ruimte (2010) is regelgeving opgenomen voor de regionale en primaire waterkeringen. Voor bestemmingsplannen zijn randvoorwaarden opgenomen die een onbelemmerde werking, instandhouding en het onderhoud van de primaire en regionale waterkeringen mogelijk maken. Dit geldt voor de beschermingszone en de kernzone die hoort bij de waterkeringen zoals opgenomen in de vastgestelde leggers van de waterschappen.
Op 29 april 2010 is het visiedeel van het Waterplan vastgesteld. Het doel van het Waterplan is het maken van afspraken, waarmee een robuust, veilig en duurzaam watersysteem gerealiseerd kan worden. Dit watersysteem moet voldoen aan landelijke en Europese normen en moet gebaseerd zijn op een gezamenlijke visie van gemeente en hoogheemraadschappen. Onderdelen hiervan zijn:
De doelgroep van het stedelijk Waterplan bestaat uit bestuurders (van de gemeente en de hoogheemraadschappen), bewoners, beleidsmakers en beheerders. Het Waterplan heeft geen wettelijke status maar fungeert als koepelplan en integraal kader voor afspraken over water maatregelen tussen gemeente en hoogheemraadschappen. Het maatregelenprogramma tot 2015 is vastgesteld in de eindrapportage van het Waterplan die op 30 juni 2011 is vastgesteld.
In het Gemeentelijk Rioleringsplan 2009-2013 (GRP) staat beschreven hoe de gemeente omgaat met afvalwater, hemelwater en grondwater. In het GRP zijn niet alleen maatregelen opgenomen voor het voorkomen van water op straat, maar ook om emissie vanuit de riolering naar het oppervlaktewater te reduceren.
Daarnaast heeft de Gemeente aanvullende maatregelen opgenomen ter verbetering van de waterkwaliteit (het ‘waterkwaliteitsspoor’). De gemeente stelt in de komende planperiode van het GRP een meetplan op voor de monitoring van de riolering en voert deze monitoring ook uit. De intentie van het GRP is gericht op samenwerking en afstemming binnen de (afval)waterketen tussen gemeente en de twee hoogheemraadschappen. Maatregelen uit het GRP die leiden tot verbetering van de waterkwaliteit, maken ook integraal onderdeel uit van uitvoeringsmaatregelen die zijn opgenomen in de eindrapportage van het Waterplan dat op 30 juni 2011 is vastgesteld.
De locatie valt binnen het werkgebied van Hoogheemraadschap Schieland en de Krimpenerwaard (hierna: het waterschap).
Waterbeheer:
Het waterschap is de waterbeheerder in het gebied tussen Rotterdam, Zoetermeer en Schoonhoven. Het motto van het waterschap is hierbij "droge voeten en schoon water". Eén van de taken van de waterbeheerder is het realiseren en onderhouden van een goed werkend watersysteem. Het regionale watersysteem moet zijn toegerust om de bestaande functies in het gebied mogelijk te maken. Hierbij is het van belang te kijken naar het effect van ruimtelijke ontwikkelingen op de waterberging en hoe ongewenste gevolgen van deze ontwikkelingen kunnen worden gecompenseerd.
Achtergrond:
Al het water op de wereld is onderdeel van de hydrologische kringloop. Het water verdampt, valt in de vorm van regen, sneeuw of hagel terug op aarde en vindt zijn weg via het oppervlaktewater, grondwater en rivieren naar de zeeën.
In het stedelijk gebied is de waterafvoer grotendeels gereguleerd door technische systemen. Via regenpijpen, rioolstelsels en goten wordt de neerslag afgevoerd. Een belangrijk deel van de neerslag komt in het oppervlaktewater terecht. Soms rechtstreeks via oppervlakkige afstroming of via regenwaterriolering, soms indirect via de riolering en zuivering of via het grondwater.
Onverharde terreinen houden echter een deel van het regenwater vast. Het water blijft op het land staan en zal vervolgens infiltreren in de bodem en gedeeltelijk verdampen. Afhankelijk van de plaatselijke omstandigheden, zoals bodemsamenstelling, verzadigingsgraad van de bodem en terreinhelling, zal ook een deel van de neerslag afstromen naar het oppervlaktewater.
De waterafvoer van onverharde gebieden kenmerkt zich in het algemeen door twee elementen:
De afvoer van een gebied verandert door het verharden van onverharde terreinen. Verharde terreinen zijn veelal voorzien van riolering waardoor een deel van het regenwater snel wordt afgevoerd naar de zuivering en/of oppervlaktewater. Daarnaast kan het regenwater minder goed infiltreren in de bodem vanwege de aangebrachte verharding. De waterafvoer van verharde gebieden kenmerkt zich door een snelle afvoer met een hogere piek ten opzichte van de onverharde situatie.
Ter compensatie van verhardingstoename dient extra waterberging te worden aangelegd. Per saldo blijft dan de bergingscapaciteit van het watersysteem gelijk: de afname van de waterberging door vergroting van het verhard oppervlak, of eigenlijk door het verkleinen van het onverhard oppervlak, wordt gecompenseerd door extra waterberging in het oppervlaktewater. Vergroting van de transportcapaciteit van het watersysteem is meestal geen goed alternatief voor extra waterberging; het is doorgaans aanzienlijk minder kosteneffectief dan vergroten van de waterberging.
Ondanks de aanwezigheid van een robuust watersysteem, kan soms toch wateroverlast ontstaan wanneer het erg hard regent. Op dat moment kunnen het rioolstelsel en het oppervlaktewater de wateraanvoer niet aan en zullen de laagste delen van het gebied tijdelijk inunderen. Het gevolg is dan bijvoorbeeld water in kelders, water op straat of natte plantsoenen. In Nederland zijn afspraken gemaakt over hoe vaak wateroverlast wordt geaccepteerd. Voor verschillende functies zijn normen opgesteld, welke zijn uitgewerkt in het waterbeleid.
Waterwet:
De Waterwet (Wtw) is 22 december 2009 in werking getreden. Het is een actualisatie en samenvoeging van acht wetten, waaronder de Wet op de waterhuishouding, de Wet verontreiniging oppervlaktewateren en de Wet op de waterkeringen. De Wtw maakt het mogelijk normen en eisen te stellen aan watersystemen, bijvoorbeeld via peilbesluiten en leggers. Ook geeft de Wtw normen voor de bergings- of afvoercapaciteit van regionale watersystemen. Het regionale watersysteem en de openbare ruimte dient zo te worden ingericht dat bij veel neerslag voldoende water kan worden geborgen of afgevoerd. In de Wtw gaan zes vergunningen uit eerdere wetten op in één watervergunning. Het gaat om verschillende activiteiten die voorheen door de afzonderlijke wetten werd geregeld, zoals het lozen van verontreinigende stoffen op oppervlaktewater, het onttrekken van grondwater of het bouwen op een dijk.
Keur:
De Keur is de verordening van het waterschap en bestaat in essentie uit verboden en geboden. Op alle verboden en geboden kan onder voorwaarden door het dagelijks bestuur ontheffing (vergunning) worden verleend. Een ontheffing is de toestemming om een bepaalde activiteit of ingreep uit te voeren ondanks een algemeen ‘verbod'. Voor het verkrijgen van een vergunning worden veelal voorwaarden gesteld.
Een van de verboden in de Keur is het zonder vergunning aanbrengen van extra verharding. Deze beleidsregel verduidelijkt onder welke omstandigheden het is toegestaan om extra verharding aan te brengen en hoe moet worden omgegaan met de gevolgen van de verhardingstoename.
Normen voor waterkwantiteit:
In het Nationaal Bestuursakkoord Water zijn normen voor waterkwantiteit afgesproken tussen de verschillende overheden. Deze normen, of werkcriteria, zijn:
Grondgebruik Maaiveldcriterium Inundatienorm (1/jaar)
Grasland 5 procent 1/10
Akkerland 1 procent 1/25
Hoogwaardige land- en tuinbouw, glastuinbouw 1 procent 1/50
Bebouwd gebied laagste bebouwing 1/100
Bron: Hoogheemradschap Schieland en de Krimpenerwaard.
De norm moet als volgt worden uitgelegd. Gronden met de functie "akkerland" mogen gemiddeld eens per 25 jaar wateroverlast ervaren. Voor akkerland geldt dat onder wateroverlast wordt verstaan: maximaal één procent van de gronden is geïnundeerd. Voor de functie "stedelijk gebied" geldt dat gemiddeld eens per honderd jaar gronden mogen inunderen.
Typen ruimtelijke ontwikkelingen:
Er wordt onderscheid gemaakt in drie typen plannen: kleine, middelgrote en grote ruimtelijke ontwikkelingen. Onderstaand is per type toegelicht hoe het waterschap omgaat met de typen ruimtelijke ontwikkelingen.
Onderhavige ontwikkeling is te typeren als een middelgroot plan (er is sprake van meer dan 500 m2 verhardingstoename, maar een plangebied kleiner dan 10 hectare).
Bij middelgrote ontwikkelingen is sprake van maatwerk. Hierbij wordt per peilgebied door het waterschap een berekening gemaakt om de noodzakelijke watercompensatie te bepalen. Hierbij geldt een vrijstelling van de eerste 500 m2 van de toename van het verharde oppervlak. De toename van het verharde oppervlak minus de vrijstelling van de eerste 500 m2 wordt daarbij de netto verhardingstoename genoemd. Vervolgens wordt met een locatie en peilgebied afhankelijk percentage van de netto verhardingstoename de noodzakelijke capaciteit berekend. Deze capaciteit zal bij de aanvraag van de Watervergunning door het waterschap worden berekend.
Het plangebied bevindt zich aan de Rottebandreef 2 te Bergschenhoek en heeft de bestemming 'Agrarisch'. De referentiesituatie voor hydrologisch neutraal ontwikkelen bestaat uit 2.235 m2 verhard oppervlak, zijnde dakoppervlak. Tevens is sprake van 1.600 m2 aan erfverharding.
Het totaal verharde oppervlak bedraagt dus 3.835 m2.
De voorgenomen ontwikkeling realiseert een nieuwe stal aan de Rottebandreef 2 te Bergschenhoek. Hierbij zal 1.055 m2 aan nieuw verhard oppervlak, zijnde dakoppervlak worden opgericht. Tevens zal nog eens 400 m2 aan erfverharding worden aangelegd.
De totale toename van het verharde oppervlak ter plaatse bedraagt dus 1.455 m2. Gezien de vrijstelling die geldt voor de eerste 500 m2 aan toename van het verharde oppervlak bedraagt de netto verhardingstoename 955 m2.
Aanleg van nieuw verhard oppervlak leidt tot versnelde afvoer van hemelwater naar de watergangen. Om te voorkomen dat hierdoor wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang (waterbergingscompensatie).
De benodigde ruimte voor compenserende waterberging wordt berekend op basis van maatgevende regenbuien, de toename aan verhard oppervlak en de maximaal toelaatbare peilstijging.
Bij de keuze van het soort bergingsvoorziening hanteert het waterschap de trits vasthouden-bergen-afvoeren uit het NBW. In aansluiting hierop hanteert het waterschap de volgende voorkeursvolgorden:
De benodigde ruimte voor compenserende waterberging wordt berekend op basis van maatgevende regenbuien, de toename aan verhard oppervlak, de maximaal toelaatbare peilstijging en het infiltratievermogen van de bodem. Door het waterschap zal een locatie en peilgebied specifieke berekening worden gemaakt voor de noodzakelijke compensatie. Een goede richtlijn hierbij is 15% van de netto verhardingstoename (hoewel dit niet vaststaat. De daadwerkelijke percentages verschillen van 5 tot 22 procent).
Bij een netto toename van de verharding van 955 m2 betekent dit een indicatieve compensatie van ongeveer 145 m2. Dit is een indicatie van de noodzakelijke compensatie. Deze kan, na specifieke berekening door het waterschap, dus afwijken van het hier genoemde.
Om negatieve effecten op de huidige goede waterkwaliteit te voorkomen en waterbesparing te bereiken wordt/worden:
De locatie is voorzien van riolering, waar het afvalwater van de bedrijfswoning op wordt geloosd.
Het bedrijfsafvalwater (afvalwater, reinigingswater stallen en het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard) wordt opgevangen in de binnen de inrichting aanwezige mestkelders onder de stallen. De mestkelders beschikken over voldoende capaciteit hiervoor. In de voorgenomen activiteit wordt geen afvalwater geloosd. Al het opgevangen afvalwater wordt tegelijk met de mest afgevoerd en verwerkt.
Het hemelwater afkomstig van de voeropslagen op het bedrijf wordt opgevangen in een aparte voorziening, waarin ook de perssappen worden opgevangen. Hiermee wordt menging van hemelwater dat afstroomt op oppervlakte en/of grondwater met perssappen voorkomen. Het hemelwater afkomstig van de voeropslag wordt tegelijkertijd met de perssappen afgevoerd en verwerkt.
Zoals aangetoond in de paragraaf "Waterbeleid" (paragraaf 4.5.2) is de locatie niet in een gebied gelegen waar problematiek speelt rondom water. Hiermee worden geen belemmeringen verwacht voor realisatie van waterberging. Om hydrologisch neutraal te bouwen en versnelde afvoer te voorkomen, wordt waterberging toegepast.
Zoals blijkt uit de gegevens uit de paragraaf "Hydrologisch neutraal ontwikkelen" (paragraaf 4.5.5) is voor de berging van het water een (indicatieve) capaciteit nodig van ongeveer 145 m2.
Om de gestelde capaciteit te kunnen bergen zullen door de initiatiefnemer bestaande sloten worden verbreed. Hierbij zal de verbreding voldoende groot worden uitgevoerd om aan de gestelde capaciteit te kunnen voldoen, waarmee geen sprake zal zijn van een onevenredige wateroverlast.
Voor een toename van het verharde oppervlak met meer dan 500 m2 is, volgens gegevens van het waterschap, altijd een Watervergunning nodig. De gewenste werkzaamheden voor verbreden van de sloten kunnen normaal gesproken met een afwijking worden uitgevoerd. Echter, gezien sprake is van een toename van het verharde oppervlak met meer dan 500 m2, zal het verbreden van bestaande sloten worden meegenomen in de noodzakelijke vergunning. Deze Watervergunning zal voorafgaand aan de aanvraag omgevingsvergunning bij het waterschap worden aangevraagd.
Ten aanzien van water dient bekeken te worden of de planlocatie is gelegen in een gebied waar mogelijk problematiek speelt rondom water. De planlocatie is niet gelegen in een gebied waar mogelijk problemen spelen ten aanzien van water.
Ten aanzien van het hydrologisch neutraal bouwen is het van belang te kijken naar de toename van het verharde oppervlak ter plaatse. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal het totale verharde oppervlak toenemen, waardoor compensatie noodzakelijk is. Zoals blijkt uit gegevens van het waterschap is een indicatieve compensatie nodig van ongeveer 145 m2. Deze compensatie zal plaatsvinden door middel van waterberging.
Om te voldoen aan de gestelde compensatie zal waterberging plaatsvinden binnen het plangebied. Om aan de gestelde bergingscapaciteit te voldoen zullen door de initiatiefnemer bestaande sloten worden verbreed met in totaal voldoende capaciteit om aan de gestelde compensatie te voldoen.
Voor de werkzaamheden ten behoeve van de waterberging is een Watervergunning vereist. Deze zal voorafgaand aan de aanvraag omgevingsvergunning worden aangevraagd.
Hiermee kan worden gesteld dat ten aanzien van de wateraspecten geen belemmeringen te verwachten zijn.
Bij de voorbereiding van een nieuwe ruimtelijk project dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het plan. Onderdeel daarvan is een onderzoek naar de financiële haalbaar van het plan. Een tweede bepaling omtrent het financiële aspect is het eventueel verhalen van plankosten. In principe dient bij vaststelling van het ruimtelijke besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van afdeling '6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) kan besloten worden geen exploitatieplan vast te stellen indien:
Het bouwplan is een bij een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) aangewezen bouwplan ex artikel 6.12 Wro. Hierin is het onderdeel grondexploitatie opgenomen. Tussen de gemeente en de initiatiefnemer is naast dit plan een anterieure overeenkomst gesloten met betrekking tot hetgeen voortvloeit uit dit onderdeel van de Wro. In deze overeenkomst is opgenomen dat alle gemaakte kosten voor het uitvoeren en doorlopen van de bestemmingsplanprocedure voor rekening van de initiatiefnemer zijn. Gemaakte kosten door de gemeente worden middels het heffen van leges op de initiatiefnemer verhaald zoals is opgenomen in de legesverordening van de gemeente Lansingerland. Verder is ook eventuele planschade in de anterieure overeenkomst geregeld. Hiermee is het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderzijds verzekerd, waarmee geen exploitatieplan hoeft te worden opgesteld. Hiermee kan worden gesteld dat het plan financieel haalbaar wordt geacht.
Het voorliggend plan betreft een partiële herziening op het bestemmingsplan "Hoekse Park" van gemeente Lansingerland en is opgesteld conform de Uniforme Voorbereidingsprocedure conform afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
In het kader van deze procedure wordt eenieder tijdens de terinzagetermijn in de gelegenheid gesteld zienswijzen op het plan in te dienen. Wanneer het plan ter inzage ligt wordt dit gepubliceerd in de gemeentelijke bladen, op de gemeentelijke website en in de digitale Staatscourant. Tevens wordt het plan voor eenieder digitaal raadpleegbaar via www.ruimtelijkeplannen.nl.
Op 23 oktober 2013 is in het kader van artikel 1.3.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) een vooraankondiging van dit bestemmingsplan gedaan. Vervolgens is het voorontwerp van dit plan, conform artikel 3.1.1 van het Bro, van 5 december 2013 tot en met 2 januari 2014 aan de vooroverlegpartners voorgelegd. In totaal hebben 8 vooroverlegpartners gereageerd op het plan. Deze reacties zijn verwerkt in een Nota van overlegreacties en Staat van wijzigingen. Hierin zijn de reacties in het kort opgenomen en is omschreven op welke wijze hiermee is omgegaan. Ook staat hierin welke wijzigingen zijn doorgevoerd als gevolg van de reacties. Voor de Nota van overlegreacties en Staat van wijzigingen wordt verwezen naar bijlage 1 van dit plan.
Het ontwerp van dit bestemmingsplan heeft van donderdag 27 februari 2014 tot en met woensdag 9 april 2014 ter inzage gelegen. Op het ontwerpbestemmingsplan zijn geen zienswijzen ingekomen.
De gemeenteraad heeft het plan op 26 juni 2014 ongewijzigd vastgesteld. Tegen het besluit tot vaststelling staat, voor belanghebbenden, direct beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Direct na afloop van de beroepstermijn treedt, indien tijdens de beroepstermijn geen verzoek om voorlopige voorziening is ingediend, het plan in werking en kunnen er omgevingsvergunningen worden afgegeven.
Het bestemmingsplan is bindend voor zowel de overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor controle en handhaving van de regels in het bestemmingsplan ligt bij de gemeente. Het handhavingsbeleid van de gemeente Lansingerland vormt de basis van de handhaving binnen de gemeentelijke grenzen. Handhaving kan worden omschreven als elke handeling die erop gericht is de naleving van regelgeving te bevorderen of een overtreding te beëindigen.
Het doel van handhaving is om de bescherming van mens en omgeving te waarborgen tegen ongewenste activiteiten en overlast. In het kader van het bestemmingsplan heeft regelgeving met name betrekking op de Wet ruimtelijke ordening en de Woningwet.
Bij overtreding van deze regels kan gedacht worden aan bouwen zonder vergunning, bouwen in afwijking van een verleende vergunning en het gebruik van gronden en opstallen in strijd met de gebruiksregels van het bestemmingsplan of een vrijstelling.
Uitvoering van bestemmingsplannen dient strikt te worden toegepast en gehandhaafd, omdat met het bestemmingsplan het waarborgen en verbeteren van het leefmilieu kan worden aangestuurd. Een recent bestemmingsplan met duidelijke en hanteerbare regels maakt handhaving eenvoudiger. Wat hierbij wel noodzakelijk is zijn eenduidige en eenvoudige bestemmingsplanregels die goed werkbaar zijn. De doeleindenomschrijving is daarbij belangrijk. Een duidelijke uitleg in de toelichting van het bestemmingsplan van de voorkomende bestemmingen kan verwarring en interpretatieverschillen voorkomen.
Tussen de gemeente en de initiatiefnemer is, naast dit plan, een anterieure overeenkomst opgesteld waarin is vastgelegd dat eventuele bijkomende kosten, waaronder ook planschade, voor rekening van de initiatiefnemer zijn. Hiermee is de financiële haalbaarheid van het plan verzekerd en hoeft geen exploitatieplan te worden opgesteld.
Voorliggend plan is opgesteld conform de Uniforme Voorbereidingsprocedure volgens afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en komt voor eenieder ter inzage te liggen. Tijdens deze terinzagetermijn wordt eenieder in de gelegenheid gesteld op het plan te reageren. Hiermee wordt het plan maatschappelijk haalbaar geacht.
Handhaving vindt plaats aan de hand van het handhavingsbeleid van gemeente Lansingerland.
Hiermee kan worden gesteld dat het plan haalbaar wordt geacht.
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wijze van bestemmen. In de eerste 2 paragrafen wordt daarbij een toelichting gegeven op het instrument 'bestemmingsplan' in het algemeen voor die personen die niet een dagelijks te maken hebben met bestemmingsplannen.
Het bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. In artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is bepaald dat twee begrippen centraal staan. Dit zijn:
Als een plan aan deze twee eisen voldoet, voldoet het aan de wet.
Via een bestemmingsplan worden functies aan gronden gegeven. Vanuit de Wro volgt een belangrijk principe, namelijk toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan bepaalt uit te oefenen. Dit houdt in dat:
Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van 'werken' (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden).
Een bestemmingsplan regelt derhalve het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen);
en een bestemmingsplan kan daarbij regels geven voor:
Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is niet het enige instrument. Andere wetten en regels zoals bijvoorbeeld de Woningwet, de Monumentenwet 1988, de Algemeen Plaatselijke Verordening, de Wet Milieubeheer, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de bouwverordening zijn ook erg belangrijk voor het uitvoeren van het ruimtelijk beleid. Via overeenkomsten kan de gemeente met betrokken partijen aanvullende afspraken maken voor zover dat niet via het bestemmingsplan geregeld kan worden. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het zeker stellen dat bepaalde activiteiten ook werkelijk verricht worden om zo het toelatingskarakter van een bestemmingsplan aan te scherpen.
Een bestemmingsplan bestaat uit 3 onderdelen. Dit zijn de toelichting, de planregels en de verbeelding (plankaart).
De toelichting wordt opgesteld volgens artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Hier staat, in het kort, dat in de toelichting verslag gedaan moet worden van de gemaakte keuzes in het plan. Voor een ontwikkelingsgericht plan vraagt dat een andere motivatie dan voor op beheer gerichte plannen (een plan kan ook zowel ontwikkelingsgericht zijn voor het ene deel en voor een ander deel beheergericht). Ook moet ingegaan worden op het aspect water, de afstemming met andere overheden (indien nodig), het onderzoek voor zover nodig voor de uitvoerbaarheid, de wijze waarop inspraak is verricht (indien nodig). Als er bij het bestemmingsplan een milieu-effect rapport is gemaakt hoeft niet ingegaan te worden op monumentale en/of andere waarden in het plangebied noch de milieukwaliteit in het gebied, want dat gebeurt in dat geval in het milieu-effect rapport. Via de toelichting wordt zo inzicht gegeven in de twee eisen uit artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro).
Centraal in de toelichting moet staan waarom de functies als opgenomen op de plankaart, met de bijhorende regels, de mogelijkheden bieden en waarom dit past op die locatie.
Bijlagen bij de toelichting:
Bij de toelichting kunnen bijlagen opgenomen zijn. Die bijlagen maken een onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan zelf. Omdat ze een onlosmakelijk onderdeel zijn van het bestemmingsplan kan de toelichting zelf kort van tekst blijven omtrent het desbetreffende onderwerp. Hierdoor blijft de toelichting zelf kort en daarmee leesbaar. Algemene beleidsdocumenten hoeven vanwege het algemeen geldende karakter niet als bijlage opgenomen te worden bij het bestemmingsplan. Denk aan verschillende sectorale beleidsdocumenten als ook structuurvisies. Een toelichting moet, voor zover het beleidsstuk relevant is voor het plan, aangeven wat de relatie is tussen het bestemmingsplan en dat beleidsdocument.
De planregels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken:
Bijlagen bij de regels:
Bij de regels kunnen bijlagen opgenomen zijn. Die bijlagen maken een onlosmakelijk onderdeel uit van de regels.
Op de verbeelding (plankaart) worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen zoals gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc.. Via de bijhorende regels in de planregels wordt bepaald wat hier wel en niet is toegestaan.
Belangrijk te weten is dat een digitaal bestand (een '.gml-bestand') leidend is. Dat digitaal bestand bepaalt waar welke bestemming ligt en waar welke aanduidingen etc.. Een afgeleide van dat digitale bestand is bijvoorbeeld een '.pdf-bestand' of een papieren (analoge) verbeelding. Bij twijfel over een '.pdf-bestand' of een papieren versie van de verbeelding geeft het digitale bestand de juridische doorslag.
Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.
De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.
Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen:
Daarnaast kent voorliggend bestemmingsplan de volgende aanduidingen:
Dit plan kent de volgende bijzonderheden:
Voor het overige wordt aangesloten bij de standaardregels van gemeente Lansingerland, zoals zijn opgenomen in het bestemmingsplan "Hoekse Park" en het "Handboek digitale bestemmingsplannen Lansingerland".
Met dit hoofdstuk is voldaan aan artikel 3.1.3 van het Bro.
Vanuit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte worden beleidsuitgangspunten gesteld ten aanzien van gebieden van nationaal belang. Dit is verder juridisch vertaald in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Verdere toetsing vindt daarom plaats aan het Barro. Toetsing aan de ruimtelijke en milieutechnische aspecten wordt in handen gegeven van de provincie en gemeente.
Vanuit het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn projecten van nationaal belang in kaart gebracht. Binnen deze projectgebieden worden aan bestemmingsplannen van gemeenten bindende voorschriften opgelegd. Bij nieuwe ontwikkelingen dient aan deze bindende voorschriften te worden voldaan. De planlocatie is niet gelegen in een van de projectgebieden uit het Barro. Hiermee is geen sprake van strijdigheid met de nationale belangen.
Binnen de Provinciale Structuurvisie "Visie op Zuid-Holland" van provincie Zuid-Holland is de planlocatie gelegen in een gebied dat is aangemerkt als 'provinciaal landschap Bentwoud-Rottemeren', 'recreatiegebied', 'droogmakerij als herkenbare eenheid' en 'gevarieerd en verbindend vrijetijdslandschap'. Ten aanzien van deze gebieden zijn in de structuurvisie uitgangspunten opgenomen. De voorgenomen ontwikkeling staat deze uitgangspunten niet in de weg. Hiermee kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen strijdigheid ontstaat met de beleidsuitgangspunten zoals zijn opgenomen in de Provinciale Structuurvisie "Visie op Zuid-Holland" van provincie Zuid-Holland.
De uitgangspunten uit de provinciale structuurvisie zijn verder juridisch uitgewerkt in de verordening "Visie op Zuid-Holland, Verordening Ruimte" van provincie Zuid-Holland. Hierin zijn regels betreffende gebieden buiten de bebouwingscontouren en regels betreffende agrarische bedrijven opgenomen. Bij de voorgenomen ontwikkeling kan aan de gestelde regels worden voldaan, waarmee geen sprake is van strijdigheid met de bepalingen uit de verordening "Visie op Zuid-Holland, Verordening Ruimte" van provincie Zuid-Holland.
De planlocatie is gelegen in de metropoolregio Rotterdam-Den Haag. Hiervoor is echter (nog) geen concreet beleid vastgesteld. Wel zijn voor de metropoolregio doelstellingen opgesteld. De voorgenomen ontwikkeling zal de uitgewerkte doelstellingen niet in de weg staan. Hiermee kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling de ontwikkeling van de metropoolregio Rotterdam-Den Haag niet in de weg zal staan.
In het vigerend bestemmingsplan "Hoekse Park" heeft de planlocatie een agrarische bestemming. Op het bouwvlak is echter een maximaal bebouwingspercentage opgenomen wat met de bouw van de stal zal worden overschreden. Om deze reden is de voorgenomen ontwikkeling in strijd met de bepalingen uit het bestemmingsplan. Om de voorgenomen ontwikkeling alsnog mogelijk te maken is, zoals is bepaald in overleg met de gemeente, een partiële herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. Voorliggend document dient als verantwoording voor de te doorlopen procedure conform artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro).
Ten behoeve van de ontwikkeling van de ambities en doelstellingen van de gemeente heeft de gemeente Lansingerland de gemeentelijke Structuurvisie Lansingerland vastgesteld. Hierin zijn de doelstellingen van de gemeente voor de korte en lange termijn verwoord. Vanuit de gemeentelijke structuurvisie is de planlocatie gelegen in een gebied dat is aangemerkt als 'aanleg groen en recreatiegebied'. Ten behoeve van dergelijke gebieden zijn in de structuurvisie uitgangspunten opgenomen. De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met de in de structuurvisie opgenomen uitgangspunten, waarmee gesteld kan worden dat de voorgenomen ontwikkeling niet zal zorgen voor strijdigheid met de doelstellingen uit de Structuurvisie Lansingerland van gemeente Lansingerland.
Ten behoeve van behoud en ontwikkeling van een uitgesproken ruimtelijk kwaliteitsbeeld heeft de gemeente Lansingerland de Nota Cultuurhistorie Plus vastgesteld. Vanuit deze nota is de planlocatie in een agrarisch gebied en transformatiegebied gelegen. De voorgenomen ontwikkeling past binnen de doelstellingen van dergelijke gebieden, mits deze de ontwikkeling van recreatieve functies niet in de weg zal staan. De voorgenomen ontwikkeling staat de ontwikkeling van recreatieve functies niet in de weg en draagt, door beweiding van dieren, bij aan de beleving van het landschap. Hiermee kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de uitgangspunten uit de Nota Cultuurhistorie Plus van gemeente Lansingerland.
Ten behoeve van behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit en belevingswaarde van bouwwerken heeft de gemeente Lansingerland de welstandsnota opgesteld, waarin welstandscriteria zijn opgenomen ten aanzien van nieuwe bebouwing. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in gebiedstypen en welstandsniveaus. De planlocatie is gelegen in een agrarisch gebied en transformatiegebied waarvoor het welstandsniveau 'vrij met excessenregeling' van toepassing is. Hiervoor zijn specifieke, vrij algemene, welstandscriteria opgenomen. Met de voorgenomen ontwikkeling zal aan deze criteria worden voldaan, waarmee geen sprake zal zijn van strijdigheid met de bepalingen uit de welstandsnota van gemeente Lansingerland.
Hiermee kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen het gemeentelijke beleid.
De bodemgesteldheid van de planlocatie mag de voorgenomen ontwikkeling niet in de weg staan. Hiervoor dient te worden aangetoond of sprake is van een te verwachten of feitelijke verontreiniging. De planlocatie bestaat voornamelijk uit graslanden bij een melkveehouderij. Gezien geen sprake is van bodemverontreinigende activiteiten kan worden gesteld dat geen sprake is van een te verwachten verontreiniging.
Om aan te tonen of sprake is van een feitelijke verontreiniging ter plaatse dient een bodemonderzoek conform de norm NEN 5740 te worden uitgevoerd. Dit is echter alleen van belang bij een bestemmings- en/of functiewijziging die een inrichting mogelijk maakt waarin gedurende een groot deel van de dag mensen aanwezig zijn. In onderhavig geval is geen sprake van een bestemmings- en/of functiewijziging die een inrichting mogelijk maakt waarin een groot deel van de dag mensen aanwezig zijn, waarmee geen sprake is van risico's voor de gezondheid. Hiermee zal de bodemgesteldheid de voorgenomen ontwikkeling niet in de weg staan.
Ten aanzien van geur dient bepaald te worden of de voorgenomen ontwikkeling een onevenredige toename van de geurbelasting tot gevolg heeft. Voor melkvee en jongvee zijn geen geuremissiefactoren vastgesteld. Hiervoor gelden ten aanzien van gevoelige objecten vaste afstanden. Aan deze afstanden wordt voldaan. Voor schapen gelden echter wel geuremissiefactoren. Er is geen feitelijke uitbreiding van het aantal schapen, maar als in de huidige situatie sprake is van een overbelaste situatie dan kan in geheel niet worden uitgebreid. Om aan te tonen of sprake is van een overbelaste situatie is een V-stacks berekening gemaakt. Hieruit blijkt dat geen sprake is van een overbelaste situatie. Hiermee kan worden gesteld dat de geurbelasting op de omgeving niet in onevenredige mate zal toenemen.
De voorgenomen ontwikkeling mag geen onevenredige toename van de uitstoot van schadelijke stoffen in het kader van de luchtkwaliteit tot gevolg hebben. Onderhavig project is aan te merken als een project dat 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de uitstoot van schadelijke stoffen (een NIBM-project). Gezien de voorgenomen ontwikkeling een NIBM-project betreft kan verdere toetsing aan de luchtkwaliteit achterwege blijven. Hiermee kan worden gesteld dat ten aanzien van luchtkwaliteit geen belemmeringen te verwachten zijn.
Ten aanzien van geluid dient te worden bepaald of de voorgenomen ontwikkeling een onevenredige toename van de geluidbelasting aan de omgeving tot gevolg zal hebben. In onderhavig geval is geen sprake van het oprichten van een geluidoverlast veroorzakende inrichting. Het aantal verkeersbewegingen zal eveneens niet in onevenredige mate toenemen. Hiermee zal de geluidbelasting op de omgeving niet onevenredig toenemen.
Tevens dient bij de voorgenomen ontwikkeling te worden bepaald of de geluidbelasting op de gevels van eventueel op te richten geluidgevoelige objecten de wettelijke normen niet zal overschrijden. In onderhavige situatie is geen sprake van het oprichten van geluidgevoelige objecten. Hiermee kan verder onderzoek achterwege blijven.
Ten aanzien van externe veiligheid dient te worden bepaald of sprake is van een onevenredige toename van het plaatsgebonden risico. In onderhavig geval zal geen risicovolle inrichting worden opgericht. Tevens is de planlocatie niet binnen het invloedsgebied van een mogelijke risicobron gelegen. Hiermee zal het plaatsgebonden risico niet verder toenemen.
Tevens dient ten aanzien van externe veiligheid te worden bepaald of sprake is van een onevenredige toename van het groepsrisico. In onderhavig geval is geen sprake van een onevenredige toename van de personendichtheid. Hiermee is geen sprake van een onevenredige toename van het groepsrisico.
De VNG heeft de handreiking "Bedrijven en Milieuzonering" uitgebracht. In deze handreiking zijn vaste afstanden opgenomen die bepaalde bedrijven en/of inrichtingen dienen aan te houden ten aanzien van gevoelige objecten. Deze afstanden kunnen varieren voor de aspecten geluid, geur, luchtkwaliteit en gevaar. Aan de gestelde afstanden uit de handreiking wordt met de voorgenomen ontwikkeling voldaan.
Daarnaast mag de voorgenomen ontwikkeling geen belemmeringen van omliggende bestemmingen en bedrijven tot gevolg hebben. In onderhavig geval worden geen gevoelige objecten opgericht, waarmee geen sprake is van belemmering van de ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen bedrijven en bestemmingen.
Het plan is niet binnen een kwetsbaar of waardevol gebied gelegen en heeft ook geen belangrijke nadelige milieugevolgen voor de omgeving. De ontwikkeling die met dit plan mogelijk wordt gemaakt is dan ook niet m.e.r.-beoordelingsplichtig.
Hiermee kan worden gesteld dat ten aanzien van het aspect milieu geen belemmeringen te verwachten zijn.
Ten aanzien van Natura 2000 gebieden, Beschermde Natuurmonumenten en Wetlands dient aangetoond te worden dat de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige effecten zal hebben op dergelijke gebieden. De planlocatie is niet in een Natura 2000 gebied, Beschermd Natuurmonument of Wetland gelegen. De planlocatie is echter op een dergelijke afstand van een beschermd gebied gelegen dat de voorgenomen ontwikkeling mogelijk nadelige invloed zal hebben op het betreffende gebied. Echter is voor de voorgenomen ontwikkeling bij de provincie Zuid-Holland een Natuurbeschermingswetvergunning aangevraagd. Gezien de geringe uitbreiding is het aannemelijk dat de voorgenomen ontwikkeling geen onevenredig nadelige effecten op de betreffende gebieden zal hebben en dat de Natuurbeschermingswetvergunning kan worden verleend. Mocht sprake zijn van een toename van de ammoniakdepositie op de betreffende gebieden dan zal, door middel van aankoop van ammoniakrechten, worden gesaldeerd. Hiermee zal geen sprake zijn van aantasting van de betreffende gebieden.
Met de voorgenomen ontwikkeling mag geen aantasting van de natuurlijke waarden van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) en Ecologische Verbindingszones (EVZ). De planlocatie is niet in de EHS of een EVZ gelegen, waarmee geen sprake zal zijn van een aantasting van de natuurlijke waarden.
Ten aanzien van (zeer) kwetsbare gebieden ingevolge de Wet ammoniak en veehouderij (Wav-gebieden) dient te worden bepaald of de voorgenomen ontwikkeling een nadelige invloed zal hebben op deze gebieden. Ter bescherming van de Wav-gebieden zijn rondom deze gebieden buffers van 250 meter aangelegd, waarbinnen de uitstoot van ammoniak moet worden beperkt. De planlocatie is niet binnen een Wav-gebied of een zone van 250 meter gelegen, waarmee geen Wav-gebieden zullen worden aangetast.
Ten aanzien van flora en fauna dient te worden bekeken of de voorgenomen ontwikkeling mogelijke aantasting van (leefgebieden van) beschermde soorten flora en fauna tot gevolg heeft. Om dit inzichtelijk te maken is door een ecoloog een bureaustudie naar mogelijk voorkomende soorten uitgevoerd. Uit dit onderzoek blijkt dat geen vervolgonderzoek noodzakelijk is, mits gebouwd wordt op graslanden en geen verlies optreedt van watergangen en/of bomen. Dat is in onderhavige situatie niet het geval, waarmee vervolgonderzoek niet noodzakelijk wordt geacht.
Hiermee kan worden gesteld dat ten aanzien van het aspect ecologie geen belemmeringen te verwachten zijn.
De planlocatie is reeds voorzien van een goede ontsluiting. Deze ontsluiting zal na de realisatie van de plannen niet verslechteren.
Het is van belang te kijken of de capaciteit van de ontsluitingsweg voldoende groot is om een eventuele toename van het aantal verkeersbewegingen te kunnen verwerken. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal het aantal verkeersbewegingen niet in onevenredige mate toenemen. Hiermee zal de ontsluitingsweg voldoende capaciteit blijven bieden.
Bij ontwikkelingen mag de bestaande infrastructuur niet worden aangetast. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal uitsluitend gebruik worden gemaakt van de bestaande infrastructuur. Hiermee is geen sprake van aantasting van de huidige infrastructuur.
Om verkeers- en parkeerdruk op de ontsluitingswegen dient parkeren geheel op eigen terrein plaats te vinden. In de huidige situatie is voldoende gelegenheid voor zowel vracht- als personenauto's om te kunnen keren en parkeren. Ook na realisatie van de plannen zal voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein blijven bestaan. Hiermee zal parkeren van zowel vracht- als personenauto's geheel op eigen terrein plaatsvinden, ook na realisatie van de plannen.
Hiermee kan worden gesteld dat ten aanzien van het aspect verkeer en parkeren geen belemmeringen te verwachten zijn.
Met de voorgenomen ontwikkeling mogen geen archeologisch waardevolle elementen worden aangetast. De planlocatie is gelegen in een gebied met een middelhoge verwachtingswaarde. Aan de voorwaarden voor vrijstelling van archeologisch onderzoek kan niet worden voldaan, waardoor archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Om deze reden is een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Op basis van dit onderzoek wordt door het onderzoeksbureau geen vervolgonderzoek geadviseerd. Mochten tijdens de werkzaamheden alsnog vondsten worden gedaan dan dient dit te worden gemeld aan het bevoegd gezag.
In het kader van de cultuurhistorie is het van belang dat cultuurhistorisch waardevolle elementen behouden en, waar mogelijk, versterkt worden. De planlocatie is niet in een gebied met cultuurhistorisch waardevolle elementen gelegen. Hiermee zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen cultuurhistorisch waardevolle elementen worden geschaad.
Een nieuwe ontwikkeling mag geen nadelige gevolgen hebben op de aardkundige waarden van een gebied. De planlocatie is niet in een aardkundig waardevol gebied gelegen. Hiermee zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen aardkundige waarden worden aangetast.
Hiermee kan worden gesteld dat ten aanzien van het aspect archeologie en cultuurhistorie geen belemmeringen te verwachten zijn.
Ten aanzien van water dient bekeken te worden of de planlocatie is gelegen in een gebied waar mogelijk problematiek speelt rondom water. De planlocatie is niet gelegen in een gebied waar mogelijk problemen spelen ten aanzien van water.
Ten aanzien van het hydrologisch neutraal bouwen is het van belang te kijken naar de toename van het verharde oppervlak ter plaatse. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal het totale verharde oppervlak toenemen, waardoor compensatie noodzakelijk is. Zoals blijkt uit gegevens van het waterschap is een indicatieve compensatie nodig van ongeveer 145 m2. Deze compensatie zal plaatsvinden door middel van waterberging.
Om te voldoen aan de gestelde compensatie zal waterberging plaatsvinden binnen het plangebied. Om aan de gestelde bergingscapaciteit te voldoen zullen door de initiatiefnemer bestaande sloten worden verbreed met in totaal voldoende capaciteit om aan de gestelde compensatie te voldoen.
Voor de werkzaamheden ten behoeve van de waterberging een Watervergunning vereist. Deze zal voorafgaand aan de aanvraag omgevingsvergunning worden aangevraagd.
Hiermee kan worden gesteld dat ten aanzien van de wateraspecten geen belemmeringen te verwachten zijn.
Tussen de gemeente en de initiatiefnemer is, naast dit plan, een anterieure overeenkomst opgesteld waarin is vastgelegd dat eventuele bijkomende kosten, waaronder ook planschade, voor rekening van de initiatiefnemer zijn. Hiermee is de financiële haalbaarheid van het plan verzekerd en hoeft geen exploitatieplan te worden opgesteld.
Voorliggend plan is opgesteld conform de Uniforme Voorbereidingsprocedure volgens afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en komt voor eenieder ter inzage te liggen. Tijdens deze terinzagetermijn wordt eenieder in de gelegenheid gesteld op het plan te reageren. Hiermee wordt het plan maatschappelijk haalbaar geacht.
Handhaving vindt plaats aan de hand van het handhavingsbeleid van gemeente Lansingerland.
Hiermee kan worden gesteld dat het plan haalbaar wordt geacht.